Nescio, Juliën Holtrigter, Jaap Robben, Willie Verhegghe, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Aaro Hellaakoski, Henry Rider Haggard, Xavier Grall

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook alle tags voor Nescio op dit blog.

Uit: Mene Tekel

“Bavink was begonnen met te zeggen datti niet ernstig kon praten, dat is een raar begin voor zoo’n mannetje, dat in de eerste plaats ernstig is en in opdracht komt. ’t Mannetje had zoo goed mogelijk gelachen en gezegd: `11 schertst, meneer Bavink.’ Toen schudde zelfs Bekker van ’t lachen en zei datti een idioot was en z’n zaken aan kant zou doen en z’n gekleede jas verkoopen en voor ’t geld sigaren rooken. Watti natuurlijk niet gedaan heeft. En Bavink had geantwoord datti niet schertste en ’t mannetje was heelemaal van de wijs geraakt. Hij durfde Bavink niet minachten, omdatti van bekende menschen had gehoord, dat Bavink ‘bijzonder knap werk maakte.’ `Dan veronderstel ik,’ hatti gezegd en toen hatti even gewacht en z’n lorgnet recht gezet en Bavink aangekeken en toen hatti weer gezegd: Dan veronderstel ik, dat u al uw ernst in uw werk legt?’ `Zou jij geweten hebben, Koekebakker, wat je toen had moeten doen?’ t Mannetje had zoo eerbiedig gesproken, dat Bavink dacht: Wat is-i toch een erg mal ventje,’ maar nix dorst te zeggen. Weet je wat ik gedaan zou hebben, Bavink? Ik had gevraagd of-i es wilde opsteken.’ Dat heb ik nou juist ook gedaan en toen zeidi: “Neen dank u ik rook nooit.”‘ ’t Mannetje sprak alsof-i uit de krant voorlas. Hij begreep volkomen dat ’t Bavink niet aangenaam was over zichzelf te spreken, hijzelf vond ’t ook altijd onaangenaam, maar u begrijpt, je kunt er niet altijd buiten, ’t leven brengt verplichtingen mee en een kunstenaar (dat woord sprak ’t mannetje met veel nadruk uit) behoort nu eenmaal min of meer… Toen bedacht Bavink datti ook wel eens iets kon zeggen dat klonk alsof ’t uit een redevoering was en zei: ‘Volkomen waar.”t Mannetje schrok er van. ’t Dee ‘m genoegen, dat meneer Bavink op dit punt net zoo dacht als hij, zoo iets noemen zulke mannetjes een ‘punt’, en hij vond daarin de vrijmoedigheid, meneer Bavink te vragen of ’t waar was wat in sommige kranten (`clagbladen’, zeidi) had gestaan, dat hij in hooge mate, in hooge mate ongevoelig was voor roem? `Jezus, daar zat ik,’ zei Bavink, ‘ik dacht, was nou Hoyer maar hier, die zou wel even ’t woord doen.’ En wat zei je?’ Ik vroeg, heeft dat in de krant gestaan?’ Leest u dan geen krant?’ vroeg-i, net als een gewoon mensch. `Verdomme,’ zei Bekker, ‘dan was dat mannetje toch niet voor nix gekomen. Nou kanni in zijn blaadje zetten, dat Johannes Bavink nooit een krant leest.’”

 
Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
Bronzen reliëf in de Sarphatistraat in Amsterdam door Da van Daalen

 

De Nederlandse dichter Juliën Holtrigter (pseudoniem van Henk van Loenen) werd geboren op 22 juni 1946 in Hilversum. Zie ook alle tags voor Juliën Holtrigter op dit blog.

 

Aarde

Zoals ze leefden zo liggen ze hier
ook begraven, dicht op elkaar, bijna
hand in hand.

Spandiensten verleent men elkaar
tot op de rand van de dood.

Blinde paarden draven erheen,
met koetsen maar zonder koetsiers.
Het is het geheim van de hemel.

Zo hoog komen de mussen niet,
waar de zwaluwen buitelen, tuimelen
door de geweldige ruimte.

 

Zondagmiddag

Zondagmiddag, de krekels naaien de stilte.
Ik volg de spoorbaan, de brandnetels bloeien,
de bramen smaken naar niets en naar bloed.

Het dorp ligt verscholen in dichte grijzen.
Ik herken het, dit lopen: zo kwam ik thuis.
Van het nog warme huis staan de ramen wijd open.

Het bijna doorzichtige hoofd in de kamer
is van mijn vader, hij kijkt niet naar buiten.
In de hemdsmouwen wacht hij op onweer en regen.

Zo jongen, zal hij wel zeggen, dat is lang geleden.
Wat brengt je hier? Waar heb je gezeten?
Hij vraagt niet maar gebaart: hoor, het begint.

Hij loopt naar de deur, naar de stromende regen.
Hij zal zwijgen en knikken en alles vergeten.

 
Juliën Holtrigter (Hilversum, 22 juni 1946)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en theatermaker Jaap Robben werd geboren in Oosterhout op 22 juni 1984. Zie ook alle tags voor Jaap Robben op dit blog.

 

Vier vingers en een duim

Mijn duim
kij kt mij n vingers niet aan.

Omdat zij met z’n vieren
op een muurtje aan
en hij mag er niet tussen.

Kleine dikke broer
en zij n vier pianozussen.

Ze lij ken wel een voetbalteam
en hij aat kleumend
langs de kant.

Zij zij n de giraff en
en hij is altij d olifant.

Maar het eenzaam e zij n de winters.
Alle dagen in z’n eentje
in een want

 

Haar nek

Mijn handen passen precies
om de nek van onze poes.

Dat vind ik eng.

Niet de poes
en niet mij n handen.

Maar dat ze precies om haar nek
dat ik dat weet
terwij l er verder niemand thuis is.

En de poes mij n knie vertrouwt,
haar pootjes om een hand heen vouwt
en voorzitig op mijn vinger kauwt

 
Jaap Robben (Oosterhout, 22 juni 1984)

 

De Belgische dichter en schrijver Willie Verhegghe werd op 22 juni 1947 te Denderleeuw geboren. Zie ook alle tags voor Willie Verhegghe op dit blog.

 

Opvolging verzekerd
– voor Vic, Ferre en Arthur –

Kleinzonen blijven niet klein,
je ziet ze groeien als kool, ze zitten je speels
op de steeds tragere hielen en rijden je
met panache en jeugdige grinta uit de wielen.

Zoals dat bij de meeste jongens het geval is
gaat de voorkeur eerst uit naar voetballen en
komt de liefde voor de fiets pas later.

Maar eens de derailleur in de prille kopjes
zijn verslavend tikkend werk doet kan het rijden
met een heuse koersfiets niet meer stuk en
vormen afstanden of het tegen hellingen opspurten
geen probleem meer, wordt zelfs de outfit
van blitse brillen en kleurrijke truitjes
met smaak en een eigentijdse look verzorgd.

 
Willie Verhegghe (Denderleeuw, 22 juni 1947)

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898 in Osnabrück. Zie ook alle tags voor Erich Maria Remarque op dit blog.

Uit: Im Westen nichts Neues

»Haie, was würdest du denn machen, wenn jetzt Frieden wäre?«
»Er müßte dir den Arsch vollhauen, weil du hier von so etwas überhaupt anfängst«, sage ich,»wie kommt das eigentlich?«
»Wie kommt Kuhscheiße aufs Dach?« antwortet Müller lakonisch und wendet sich wieder an Haie Westhus.
Es ist zu schwer auf einmal für Haie. Er wiegt seinen sommersprossigen Schädel:»Du meinst, wenn kein Krieg mehr ist?«
»Richtig. Du merkst auch alles.«
»Dann kämen doch wieder Weiber, nicht?«- Haie leckt sich das Maul. »Das auch.«
»Meine Fresse noch mal«, sagt Haie, und sein Gesicht taut auf,»dann würde ich mir so einen strammen Feger schnappen, so einen richtigen Küchendragoner, weißt du, mit ordentlich was dran zum Festhalten, und sofort nichts wie ‘rin in die Betten! Stell dir mal vor, richtige Federbetten mit Sprungmatratzen, Kinners, acht Tage lang würde ich keine Hose wieder anziehen.«
Alles schweigt. Das Bild ist zu wunderbar. Schauer laufen uns über die Haut. Endlich ermannt sich Müller und fragt:»Und danach?«
Pause. Dann erklärt Haie etwas verzwickt:»Wenn ich Unteroffizier wäre, würde ich erst noch bei den Preußen bleiben und kapitulieren.«»Haie, du hast glatt einen Vogel«, sage ich. Er fragt gemütlich zurück:»Hast du schon mal Torf gestochen? Probier’s mal.«
Damit zieht er seinen Löffel aus dem Stiefelschaft und langt damit in Alberts Eßnapf.
»Schlimmer als Schanzen in der Champagne kann’s auch nicht sein«, erwiderte ich.
Haie kaut und grinst:»Dauert aber länger. Kannst dich auch nicht drücken.«
»Aber, Mensch, zu Hause ist es doch besser, Haie.«»Teils, teils«, sagt er und versinkt mit offenem Munde in Grübelei.
Man kann auf seinen Zügen lesen, was er denkt. Da ist eine arme Moorkate, da ist schwere Arbeit in der Hitze der Heide vom frühen Morgen bis zum Abend, da ist spärlicher Lohn, da ist ein schmutziger Knechtsanzug -»Hast beim Kommiß in Frieden keine Sorgen«, teilt er mit,»jeden Tag ist dein Futter da, sonst machst du Krach, hast dein Bett, alle acht Tage reine Wäsche wie ein Kavalier, machst deinen Unteroffiziersdienst, hast dein schönes Zeug; – abends bist du ein freier Mann und gehst in die Kneipe.”

 
Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zie ook alle tags voor Dan Brown op dit blog.

Uit: Origin

“As the ancient cogwheel train clawed its way up the dizzying incline, Edmond Kirsch surveyed the jagged mountaintop above him. In the distance, built into the face of a sheer cliff, the massive stone monastery seemed to hang in space, as if magically fused to the vertical precipice.
This timeless sanctuary in Catalonia, Spain, had endured the relentless pull of gravity for more than four centuries, never slipping from its original purpose: to insulate its occupants from the modern world.
Ironically, they will now be the first to learn the truth, Kirsch thought, wondering how they would react. Historically, the most dangerous men on earth were men of God . . . especially when their gods became threatened. And I am about to hurl a flaming spear into a hornets’ nest.
When the train reached the mountaintop, Kirsch saw a solitary figure waiting for him on the platform. The wizened skeleton of a man was draped in the traditional Catholic purple cassock and white rochet, with a zucchetto on his head. Kirsch recognized his host’s rawboned features from photos and felt an unexpected surge of adrenaline.
Valdespino is greeting me personally.
Bishop Antonio Valdespino was a formidable figure in Spain—not only a trusted friend and counselor to the king himself, but one of the country’s most vocal and influential advocates for the preservation of conservative Catholic values and traditional political standards.
“Edmond Kirsch, I assume?” the bishop intoned as Kirsch exited the train.
“Guilty as charged,” Kirsch said, smiling as he reached out to shake his host’s bony hand. “Bishop Valdespino, I want to thank you for arranging this meeting.”
“I appreciate your requesting it.” The bishop’s voice was stronger than Kirsch expected—clear and penetrating, like a bell. “It is not often we are consulted by men of science, especially one of your prominence. This way, please.”
As Valdespino guided Kirsch across the platform, the cold mountain air whipped at the bishop’s cassock.
“I must confess,” Valdespino said, “you look different than I imagined. I was expecting a scientist, but you’re quite . . .” He eyed his guest’s sleek Kiton K50 suit and Barker ostrich shoes with a hint of disdain. “ ‘Hip,’ I believe, is the word?”
Kirsch smiled politely. The word “hip” went out of style decades ago.
“In reading your list of accomplishments,” the bishop said, “I am still not entirely sure what it is you do.”
“I specialize in game theory and computer modeling.”
“So you make the computer games that the children play?”

 
Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)
Affiche voor de film uit 2016

 

De Finse  dichter, criticus en geograaf Aaro Hellaakoski werd geboren op 22 juni 1893 in Oulu. Zie ook alle tags voor Aaro Hellaakoski op dit blog.

 

Humming

A sunbeam glistened,
flickered for a flash
on the side of a comber,
stroked the rockside,
vanished between leaves.
In passing we
swapped a word or so.
We’d, just a little,
understood
the other.
We were working together.
Rejoicing at it, I hummed,
hummed, just so.
Don’t know,
did that light,
the slightest of lights,
also know
that I was.
That we were.

 

Death’s sitting on my shoulder

Death’s sitting on my shoulder. Ravenlike?
No. A little beak pecked my cheek, the faintest knock

promising some song, to make me look
for the unlocking, when all the bolts slide back.

 

Vertaald door Herbert Lomas

 
Aaro Hellaakoski (22 juni 1893 – 23 november 1952)
In 1913

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856. Zie ook alle tags voor Henry Rider Haggard op dit blog.

Uit: The Days of My Life

“A while ago, it may have been a year or more, the telephone in this house rang and down the mysterious wire — for notwithstanding a thousand explanations, what is more mysterious than a telephone wire, except a telephone without one? — came an excited inquiry from a London press agency, as to whether I were dead.
Miss Hector, my secretary, answered that to the best of her knowledge and belief I was out walking on my farm in an average state of health. Explanations followed; diversified by telegrams from the Authors’ Society and others interested in the continuance or the cessation of my terrestrial life. From these it appeared that, like a sudden wind upon the sea, a rumour had sprung up to the effect that I had vanished from the world.
It was a false rumour, but the day must come, when or how I know not, since Providence in its mercy hides this ultimate issue from our eyes, on which it will be true, and like the storm that I hear raving outside the windows as I write, the elemental forces which are about every one of us will sweep me away as they brought me here and my place will know me no more.
Before this event happens to me, this common, everyday event which excites so little surprise even among those who knew us and yet, whatever his degree or lack of faith, is so important to the individual concerned, shall overtake me, before I too, like the countless millions who have gone before, put on the Purple and have my part in the majesty of Death, it has entered into my mind that I desire to set down, while I still have my full faculties, certain of my own experiences of life.
I have met many men, I have seen many lands, I have known many emotions — all of them, I think, except that of hate; I have played many parts. From all this sum of things, tangible or intangible, hidden now in the heart and the memory, some essence may perhaps be pressed which is worthy of preservation, some picture painted at which eyes unborn may be glad to look. At least, such is my hope.”

 
Henry Rider Haggard (22 juni 1856 – 14 mei 1925)
Cover

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). Zie ook alle tags voor Xavier Grall op dit blog.

 

Solo (Fragment)

Seigneur me voici devant votre face
chanteur des manoirs et des haies
que vous apporterai-je
dans mes mains lasses
sinon les traces et les allées
l’âtre féal et le bruit des marées
les temps ont passé
comme l’onde sous le saule
et je ne sais plus l’âge
ni l’usage du corps
je ne sais plus que le dit
et la complainte
telle la poésie
mon âme serait-elle patiente
au bout des galantes années ?

Seigneur me voici c’est moi
de votre terre j’ai tout aimé
les mers et les saisons
et les hommes étranges
meilleurs que leurs idées
et comme la haine est difficile
les amants marchent dans la ville
souvenez-vous de la beauté humaine
dans les siècles et les cités
mais comme la peine est prochaine !

Seigneur me voici c’est moi
j’arrive de lointaine Bretagne
O ma barque belle
parmi les bleuets et les dauphins
les brumes y sont plus roses
que les toits de l’Espagne
je viens d’un pays de marins
les rêves sur les vagues
sont de jeunes rameurs
qui vont aux îles bienheureuses
de la grande mer du Nord.

 
Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)
Cover, 1989

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e juni ook mijn blog van 22 juni 2014 deel 1 en eveneens deel 2.

Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Jacques Delille

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Zie ook alle tags voor Tadeusz Konwicki op dit blog.

Uit: The Calendar and the Hourglass (Vertaald door Daniel Bourne)

“But it would be even nicer if one could write the truth, the whole truth, about one’s times, one’s contemporaries, one’s self. But this is impossible for many reasons. I don’t know how to write for the drawer. To count on future generations takes either terrible humility or a crazed self-pride. I have no basis whatsoever to think that in ten years someone will want to reach for one of my books, much less want to rummage around in my house, which by then will have burned maybe three times. If I still have some desire or other to write, it’s only the desire to correspond with those of my own age, those whom I know like the back of my hand, those whom I despise and hate and still must love, because after all I know no others.
Thus, I can only manage to write about these times of ours in the broadest of terms, about people warily and without name, while to write about myself just isn’t worth it, for it is too easy to fall into the trap of a nasty self-preening egotism, in which studier literati than I have strangled themselves. My biggest regret is the matter of writing the truth about my contemporaries. I could have had a field day. All these levels of crap we carry around like the layers on an onion. Some even look like old artichokes. Truth is a basic instinct each one of us violates daily. Truth is our last sip of air, our deathbed absolution.
I realize the obligations I have towards my reader, which out of a false sense of pride I am going to call my confidant. I know what people like to read. I know that pages covered with small type, unfestooned with frequent breakages of paragraphs and unembellished with waterfalls of dialogue would scare off the most tenacious. I know that it is boring to wade through a bunch of thoughts when they are not all that golden. And when they are golden, one can still get stuffed, even at times to choke.”

 
Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

Doorgaan met het lezen van “Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Jacques Delille”

Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Jacques Delille

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Zie ook alle tags voor Tadeusz Konwicki op dit blog.

 

Uit: The Calendar and the Hourglass (Vertaald door Daniel Bourne)

 

“New Year with a Bad Hangover
WHERE TO START? Maybe with the sign of the cross or a magic charm. I’m a superstitious person, and getting more and more so. Only people enjoying prosperity, people on a run of good luck, make fun of superstitions. But the longer one’s life, the leaner it becomes. Towards the end it gets more and more necessary to knock on wood, spit three times, to make one’s benedictions surreptitiously.
And I’m attempting something here a little absurd. For many years I’ve stuck to writing a story–that powerful chain that can hold together the most wild and wooly words. Whenever I have been carried away by excessive ambition–and strayed away from stories and started toying around with personal essays or whatever you might call them–each time I’ve ended up in abject defeat. In light of this, with great superstitious dread, I have continued to latch on to plot, to action and drama. The story leads me like a blind man through the bogs of being a writer.
But it got boring. It’s as simple as that. It got boring like a monotonous, automatic action carried out for years, so I thought it might be nice to write something from time to time, from whim to whim and chance to chance. And, as bad luck would have it, my little case of boredom came at a time when fellow novelists and other drudges in this toilsome profession–when hacks everywhere had started to abandon stories on the sly as if they were pushing out ballast no longer of use to anyone, though carried along to who knows where just in case.”

 

 

 

Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

Doorgaan met het lezen van “Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Jacques Delille”

Nescio, Jaap Robben, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Xavier Grall

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008 en ook mijn blog van 22 juni 2009.

 

Uit: Titaantjes

“Jongens waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ’t zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe ’t moest. We, dat waren wij, met z’n vijven. Alle andere menschen waren ‘ze’. ‘Ze’, die niets snapten en niets zagen. ‘Wat?’ zei Bavink, ‘God? je praat over God? Hun warme eten is hun God.’ Op enkele ‘goeie kerels’ na werd iedereen door ons veracht. Heel stilletjes zeg ik daar nu bij: ‘En niet ten onrechte’, maar dat mag niemand hooren. Ik ben nu geen held meer. Je weet niet hoe je de menschen nog eens noodig kunt hebben. En Hoyer vindt ook dat je geen aanstoot moet geven. Van Bekker zie of hoor je niks meer. En Kees Ploeger praat van die rare kerels die ‘m op den slechten weg brachten. Maar toen waren we in de dagen onzer dwaasheid, de uitverkorenen Gods, ja God zelf. Verstandig zijn we nu, alweer behalve Bavink, en we kijken mekaar aan en glimlachen en ik zeg tegen Hoyer: ‘we zijn er niet op vooruit gegaan.’ Maar Hoyer is al te ver heen, hij begint bij de bonzen van de S.D.A.P. te hooren, en maakt een gebaar van twijfel met z’n handen en z’n schouders.“

(…)

 


Titaantjes in het Oosterpark, beeld door Hans Bayens, Amsterdam

 

Schilderen? Wie kon er nog schilderen, als je Bavink hoorde? Alles lieten de lui zich voorzetten, letterlijk alles. Ik moest maar eens een schilderij maken. Dat was ik zelf, Koekebakker. Hij zou me zeggen wat ik doen moest. ‘Je schildert twee horizontale banen, onder elkaar, even breed, een blauwe en een goudgele en in ’t midden van die blauwe baan maak je een ronde goudgele vlek. En dan zetten we in den catalogus: No.666 De Gedachte, schilderij. En zenden we ’t in op mijn naam: Johannes Bavink, 2de Jan Steenstraat, nummer zooveel en we prijzen ’t voor .008¦Je zult een zien wat ze er in ontdekken. Van alles, waar je zelf nooit een flauw benul van gehad hebt.’


Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

Doorgaan met het lezen van “Nescio, Jaap Robben, Henry Rider Haggard, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Xavier Grall”

Nescio, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Xavier Grall, Tadeusz Konwicki, Anne Morrow Lindbergh, Johannes Baader, Ida von Hahn-Hahn, Henry Rider Haggard, Jacques Delille

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

Uit: De Uitvreter

 

Jij weet niet wat handel is, Koekebakker, anders zou je der niet om lachen. Om te beginnen ga je tot je achttiende jaar op school. Heb jij ooit geweten hoeveel schapen er in Australië zijn en hoe diep ’t Suezkanaal is?
Nou juist, daar heb je het. Ik heb dat geweten. Weet jij wat polarisatie is?
Ik ook niet, maar ik heb ’t geweten. De raarste dingen heb ik moeten leeren. Vertaal in ’t Fransch: ‘onder benefice van inventaris’. Ga der maar tegen aan staan. Je hebt er geen begrip van, Koekebakker. Dat duurt zoo jaren. Dan doet je ouwe heer je op een kantoor. Dan merk je, dat je al die dingen geleerd hebt om met een kwast papier nat temaken. Overigens is ’t ‘t ouwe gedonderjaag, ’s morgens om negen uur present en urenlang stil zitten. Ik vond dat ik op die manier niet opschoot. Ik kwam altijd te laat, ik probeerde wel op tijd te komen, maar ’t wou niet meer, ik had ’t zooveel jaren gedaan. En taai. Ze zeiden dat ik alles verkeerd deed, daar zullen ze wel gelijk aan gehad hebben. Ik wilde wel, maar ik kon niet, ik ben geen kerel om te werken. Ze zeiden, dat ik de anderen van hun werk hield. Ook daarin zullen ze wel gelijk gehad hebben. Als ik klaagde, dat ik ’t niks lollig vond en vroeg of ik daarvoor nu op school al die wonderlijke dingen had geleerd, dan zei de ouwe boekhouder: ‘Ja jongetje, het leven is geen roman.’ Bakken vertellen, dat kon ik en dat vonden ze leuk ook, maar ze waren er niet tevreden mee. De ouwe boekhouder wist al heel gauw niet wat hij met me doen moest. Als de baas er niet was maakte ik dierengeluiden, zong komieke liedjes, die ze nog nooit hadden gehoord. De zoon van den baas was een ingebeelde kwajongen; af en toe kwam i op kantoor om centen te halen. Hij sprak vreeselijk gemaakt en keek met een allerellendigst, door niets gemotiveerd vertoon van superioriteit naar de bedienden van zijn pa. De lui lachten zich een beroerte als ik dien jongeheer nadeed.
Ik heb daar ook nog een schrijfmachine bedorven en een boek weggemaakt. Toen hebben ze me aan een toestel gezet, dat ze de ‘guillotine’ noemden. Daar moest ik monsters mee knippen. Dagen lang heb ik daaraan gestaan: alle monsters werden scheef. De lui hadden ’t wel in de gaten, ze hadden niets anders verwacht. Ze hadden me daar alleen maar aan gezet om erger te voorkomen.“

 

Nescio

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898. Zie ook mijn blog van 22 juni 2006 en ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

 

Uit: Der schwarze Obelisk

 

Die Sonne scheint in das Büro der Grabdenkmalsfirma Heinrich Kroll & Söhne. Es ist April 1923, und das Geschäft geht gut. Das Frühjahr hat uns nicht im Stich gelassen, wir verkaufen glänzend und werden arm dadurch, aber was können wir machen – der Tod ist unerbittlich und nicht abzuweisen, und menschliche Trauer verlangt nun einmal nach Monumenten in Sandstein, Marmor und, wenn das Schuldgefühl oder die Erbschaft beträchtlich sind, sogar nach dem kostbaren schwarzen schwedischen Granit, allseitig poliert. Herbst und Frühjahr sind die besten Jahreszeiten für die Händler mit den Utensilien der Trauer – dann sterben mehr Menschen als im Sommer und im Winter -; im Herbst, weil die Säfte schwinden, und im Frühjahr, weil sie erwachen und den geschwächten Körper verzehren wie ein zu dicker Docht eine zu dünne Kerze. Das wenigstens behauptet unser rührigster Agent, der Totengräber Liebermann vom Stadtfriedhof, und der muß es wissen; er ist achtzig Jahre alt, hat über zehntausend Leichen eingegraben, sich von seiner Provision an Grabdenkmälern ein Haus am Fluß mit einem Garten und einer Forellenzucht gekauft und ist durch seinen Beruf ein abgeklärter Schnapstrinker geworden. Das einzige, was er haßt, ist das Krematorium der Stadt. Es ist unlautere Konkurrenz. Wir mögen es auch nicht. An Urnen ist nichts zu verdienen.“

 

remarque_e

Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

Uit: The Davinci Code

 

I told you already,” the curator stammered, kneeling defenseless on the floor of the gallery. “I have no idea what you are talking about!”
“You are lying.” The man stared at him, perfectly immobile except for the glint in his ghostly eyes. “You and your brethren possess something that is not yours.”
The curator felt a surge of adrenalin. How could he possibly know this?
“Tonight the rightful guardians will be restored. Tell me where it is hidden, and you will live.” The man leveled his gun at the curator’s head. “Is it a secret you will die for?”
Saunière could not breathe.
The man tilted his head and closed one eye, peering down the barrel of his gun.
Saunière held up his hands in defense. “Wait,” he said slowly. “I will tell you what you need to know.” The curator spoke his next words carefully. The lie he told was one he had rehearsed many times…each time praying he would never have to use it.

When the curator had finished speaking, his assailant smiled smugly. “Yes. This is exactly what the others told me.”
Saunière recoiled. The others?
“I found them, too,” the huge man taunted. “All three of them. They confirmed what you have just said.”
It cannot be! The curator’s true identity, along with the identities of his three sénéchaux, was almost as sacred as the ancient secret they protected.
Saunière now realized his sénéchaux, following strict procedure, had told the same lie before their own deaths. It was part of the protocol.

 

Brown

Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). Zie ook mijn blog van 22 juni 2007 en ook mijn blog van 22 juni 2008.

 

 

Allez dire à la ville (Fragment)

 

Terre dure de dunes et de pluies

c’est ici que je loge

cherchez, vous ne me trouverez pas

c’est ici, c’est ici que les lézards

réinventent les menhirs

c’est ici que je m’invente

j’ai l’âge des légendes

j’ai deux mille ans

vous ne pouvez pas me connaître

je demeure dans la voix des bardes

0 rebelles, mes frères

dans les mares les méduses assassinent les algues

on ne s’invente jamais qu’au fond des querelles

 

Allez dire à la ville

que je ne reviendrai pas

dans mes racines je demeure

Allez dire à la ville qu’à Raguénuès et Kersidan

la mer conteste la rive

que les chardons accrochent la chair des enfants

que l’auroch bleu des marées

défonce le front des brandes

 

Allez dire à la ville

que c’est ici que je perdure

roulé aux temps anciens

des misaines et des haubans

Allez dire à la ville

que je ne reviendrai pas

 

Poètes et forbans ont même masure

les chaumes sont pleins de trésors et de rats

on ne reçoit ici que ceux qui sont en règle avec leur âme sans l’être avec la loi

les amis des grands vents

et les oiseaux perdus

Allez dire la ville

que je ne reviendrai pas

 

 

gralljeune

Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)

 

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007

Uit: The Polish Complex (Vertaald door Richard Lourie)

„I was standing in line in front of a state-owned jewelry store. I was twenty-third in line. In a short while the chimes of Warsaw would announce that it was eleven o’clock in the morning. Then the locks on the great glass and metal doors would rattle open and we, the sneezing and sniffling customers, would invade the store’s elegant interior — though, of course, ours would be a well-disciplined invasion, each person keeping the place staked out during the long wait in line.

It was the day before Christmas, fairly cold, something between a late autumn day and one late in winter. There was a belated feeling about the day itself as well. Not fully illuminated, misty, sluggish. Stray snowflakes sailed through the icy air like poplar seeds. The tram cars huddled in herds on the broad trunk line, their bells clanging plaintively. A beggar familiar to all Warsaw sat himself down on the sidewalk near the jewelry store. He spread out his legs in the light, shifting snow to intimidate fainthearted passerby. But I knew that his prostheses, made of plastic and nickel, were hollow, and though they might freeze to the sidewalk, our beggar would feel no cold. Endless crowds of pedestrians rushed by along the walls. Occasionally one, lost in thought, would collide with another, yet would keep on walking without apology. Or one would jostle another with a Christmas tree, then curse him out. Some stumbled and fell but rose quickly, feeling no pain, and went on their way. Your usual day before Christmas.

This day was creeping across a little planet in a small solar system. The planet, called Earth, is a rocky oval filled with liquid lava; its surface is covered by thin layers of water, as well as by air, a volatile mixture of oxygen, hydrogen, nitrogen, and several other elements, each of which would pose a threat to its existence. Due to a confluence of favorable circumstances, life arose on this planet.

 

TadeuszKonwicki

Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

 

De Amerikaanse schrijfster en luchtvaartpionier Anne Morrow Lindbergh werd geboren op 22 juni 1906 in   Englewood, New Jersey. Anne studeerde aan het prestigieuze Smith College in Northampton (Massachusetts). Anne leerde Charles Lindbergh kennen toen haar vader, toen ambassadeur in Mexico, hem uitnodigde om zijn gast te zijn. Lindbergh had toen net zijn vlucht met de Spirit of St. Louis van New York naar Parijs achter de rug. Een jaar later trouwden ze. Nog een jaar later had zij – als eerste vrouw ter wereld – een Glider Pilot License. Anne en Charles kregen zes kinderen. De eerste zoon, Charles jr., werd in 1932 ontvoerd en vermoord toen hij twee jaar oud was. Er werd losgeld betaald, maar later bleek dat het kind meteen na de ontvoering was vermoord. Het proces van de moordenaar en ontvoerder was een nationale gebeurtenis die vrijwel dagelijks de voorpagina’s haalde. De Lindberghs ontvingen dagelijks meer dan 60.000 adhesiebetuigingen uit het hele land.Onder druk van dit alles besloot het echtpaar naar Engeland te emigreren. Daar vonden ze onderdak in het huis Long Barn in Kent. Dat huis was eigendom van Harold Nicolson en diens vrouw Vita Sackville-West. Rond die tijd begon Anne Morrow met schrijven. Aanvankelijk waren dat vooral boeken over de eerste jaren van haar vliegervaringen. Later schreef zij ook gedichten en romans.

 

Uit: Gift from the Sea

 

„And then, some morning in the second week, the mind wakes, comes to life again. Not in a city sense – no—but beach-wise. It begins to drift, to play, to turn over in gentle careless rolls like those lazy waves on the beach. One never knows what chance treasures
these easy unconscious rollers may toss up, on the smooth white sand of the conscious mind; what perfectly rounded stone, what rare shell from the ocean floor. Perhaps a channeled whelk, a moon shell, or even an argonaut.

But it must not be sought for or – heaven forbid! – dug for. No, no dredging of the sea-bottom here. That would defeat one’s purpose. The sea does not reward those who are too anxious, too greedy, or too impatient. To dig for treasures shows not only impatience and greed, but lack of faith. Patience, patience, patience, is what the sea teaches. Patience and faith. One should lie empty, open, choiceless as a beach – waiting for a gift from the sea.“

 

amlindbergh

Anne Morrow Lindbergh (22 juni 1906 – 7 februari 2001)

 

De Duitse schrijver, dadaïst en architekt Johannes Baader werd geboren op 22 juni 1875 in Stuttgart, waar hij later ook architectuur studeerde. In 1906 plande hij de bouw van een wereldtempel voor de „Internationale Religieuze Mensenbond“. In een serie brieven (14 Briefe Christi, 1914) gaf hij zich uit voor de wederopgestane Christus. Na een opzienbarende Christus-Happening in de Berlijnse Dom en in de Reichstag in Weimar nam hij in 1920 deel aan de eerste internationale Dada Beurs. Samen met Raoul Hausmann en Richard Hülsenbeck ging hij op toernee en richtte hij in 1921 de „Eerste Intertellurische Akademie“ op. Vanaf 1925 werkte hij als journalist in Hamburg.

 

Wer ist Dadaist?

 

Ein Dadaist ist ein Mensch, der das Leben in allen seinen unübersehbaren Gestalten liebt und der weiß und sagt: Nicht allein hier, sondern auch da, da, da ist das Leben! Also beherrscht auch der wahrhafte Dadaist das ganze Register der menschlichen Lebensäußerungen, angefangen von der grotesken Selbstpersiflage bis zum heiligsten Wort des Gottesdienstes auf der reif gewordenen, allen Menschen gehörenden Kugel Erde. Und ich werde dafür sorgen, daß auf dieser Erde Menschen leben künftig. menschen, die ihren geist in der Gewalt haben und mit diesem Geist die Menschheit neu schaffen.

 

Der Oberdada

 

 

baader_portrait1919

Johannes Baader (22 juni 1875 – 15 januari 1955)

 

De Duitse schrijfster Ida von Hahn-Hahn werd geboren op 22 juni 1805 in Tressow (Schlingendorf). Zij geldt als een van de meest gelezen schrijfsters van haar tijd en haar werk werd vertaald in het Engels, Frans, Italiaans, Nederlands, Pools, Russisch en Zweeds. Zij kreeg erkenning van schrijvers als Keller, Eichendorff en Fontane. Toch was er ook kritiek op haar elitaire, aristocratische houding, haar maniërisme en het veelvuldig gebruik van vreemde woorden in haar teksten.

 

Uit: Gräfin Faustine

 

„In Norddeutschland gibt es wohl wenig lieblichere Punkte als die Brühlsche Terrasse in Dresden zur Frühlingszeit. An einem Junitage, frisch, grün und strahlend wie ein Smaragd, saßen mehrere junge Männer vor dem Baldinischen Pavillon, rauchten Zigarren, nahmen Gefrorenes oder Kaffee, musterten die Vorübergehenden und schwatzten eine Musterkarte von Unsinn durcheinander, wozu, wie sich von selbst versteht, Pferde, Theater und Frauen den Stoff lieferten.

Es war drei Uhr nachmittags und daher keine elegante Frau auf der Terrasse zu sehen. Sie speisten oder wollten speisen und fürchteten die Hitze, die Sonne, obgleich sich kühler, grüner, wehender Schatten über die Terrasse legte. Desto mehr mußte es auffallen, daß eine augenscheinlich dem höheren Stande angehörende Frau allein auf einer Bank saß, den Rücken dem Pavillon zugewandt, ungestört vom Geschwätz der Männer und vom unruhigen jauchzenden Treiben der Kinder, die mit und ohne Wärterinnen die Terrasse gleich Ameisen überdeckten. Aber es fiel keinem auf. Sie mußte also eine Erscheinung sein, die jedermann kannte und um die sich niemand kümmerte. Sie zeichnete emsig. Ein Bedienter stand wie eine Bildsäule seitwärts hinter ihr und hielt einen Sonnenschirm so, daß weder ein blendender Lichtstrahl noch ein zitternder Schatten des Laubes Auge, Hand und Papier der Gebieterin treffen konnte. Ihr großes dunkles Auge flog mit einem schnellen scharfen Aufschlag hin und her zwischen Gegend und Zeichnung, und die feine Hand, ohne Scheu vor der Luft, der größern Festigkeit wegen des Handschuhs entledigt, folgte gewandt dem Blick. Sie war ganz in ihre Arbeit vertieft.”

 

hahnh

Ida von Hahn-Hahn (22 juni 1805 – 12 januari 1880)

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856. Zie ook mijn   blog van 22 juni 2007.

 

Uit: King Solomon’s Mines

 

„In two hours time, about four o’clock, I woke up. As soon as the first heavy demand of bodily fatigue had been satisfied, the torturing thirst from which I was suffering asserted itself I could sleep no more. I had been dreaming that I was bathing in a running stream, with green banks and trees upon them, and I awoke to find myself in that arid wilderness, and to remember that, as Umbopa had said, if we did not find water that day we must certainly perish miserably. No human creature could live long without water in that heat. I sat up an
d rubbed my grimy face with my dry and horny hands. My lips and eyelids were stuck together, and it was only after some rubbing and with an effort that I was able to open them. It was not far off the dawn, but there was none of the bright feel of dawn in the air, which was thick with a hot murkiness I cannot describe. The others were still sleeping. Presently it began to grow light enough to read, so I drew out a little pocket copy of the Ingoldsby Legends I had brought with me, and read the ‘Jackdaw of Rheims’. When I got to where

 

A nice little boy held a golden ewer,

Embossed, and filled with water as pure

As any that flows between Rheims and Namur,

 

I literally smacked my cracked lips, or rather tried to smack them. The mere thought of that pure water made me mad. If the Cardinal had been there with his bell, book, and candle, I would have whipped in and drunk his water up, yes, even if he had already filled it with the suds of soap worthy of washing the hands of the Pope, and I knew that the whole concentrated curse of the Catholic Church should fall upon me for so doing.“

 

haggard_henry

Henry Rider Haggard (22 juni 1856 – 14 mei 1925)

 

De Franse dichter Jacques Delille werd geboren op 22 juni 1738 in Clermont-Ferrand. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

 

 

Le doux printemps revient…

 

Le doux printemps revient, et ranime à la fois

Les oiseaux, les zéphirs, et les fleurs, et ma voix.

Pour quel sujet nouveau dois-je monter ma lyre ?

Ah ! Lorsque d’un long deuil la terre enfin respire,

Dans les champs, dans les bois, sur les monts d’alentour,

Quand tout rit de bonheur, d’espérance et d’amour,

Qu’un autre ouvre aux grands noms les fastes de la gloire ;

Sur un char foudroyant qu’il place la victoire ;

Que la coupe d’Atrée ensanglante ses mains :

Flore a souri ; ma voix va chanter les jardins.

Je dirai comment l’art, dans de frais paysages,

Dirige l’eau, les fleurs, les gazons, les ombrages.

Toi donc, qui, mariant la grace et la vigueur,

Sais du chant didactique animer la langueur,

Ô muse ! Si jadis, dans les vers de Lucrèce,

Des austères leçons tu polis la rudesse ;

Si par toi, sans flétrir le langage des dieux,

Son rival a chanté le soc laborieux ;

Viens orner un sujet plus riche, plus fertile,

Dont le charme autrefois avoit tenté Virgile.

N’empruntons point ici d’ornement étranger ;

Viens, de mes propres fleurs mon front va s’ombrager ;

Et, comme un rayon pur colore un beau nuage,

Des couleurs du sujet je tiendrai mon langage.

L’art innocent et doux que célèbrent mes vers,

Remonte aux plus beaux jours de l’antique univers.

 

 

delille

Jacques Delille (22 juni 1738 – 1 mei 1813)

 

 

 

 

 

 

 

Nescio, Erich Maria Remarque, Dan Brown, Xavier Grall, Jacques Delille, Tadeusz Konwicki, Henry Rider Haggard

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

Uit: Dichtertje

‘God heeft de touwtjes in handen. Hij laat de gedachten van een mens raar dolen, laat een meisje opgroeien tot een vrouw zo mooi als een renpaardje, neemt angsten weg en brengt romantiek in mensenharten. Hij is immers de God van iedereen, van ’t Dichtertje, van zijn baas, zijn schoonvader, zijn baas z’n boekhouder en van allen die geen andere keus hebben dan werken of vervelen. Hij is de God van heel Nederland. Deze God met bakkebaarden en roos, die met zijn glimmende gepoetste schoenen over het Damrak loopt, heeft het er maar druk mee en moet over alles nadenken. ‘Het is een rare tijd,’ denkt hij, terwijl hij een rapport leest waarin staat dat het lot van de mens is verdriet te hebben en zijn hoop op de eeuwigheid te stellen. God speelde maar wat, maar bedoelde er toch helemaal niets mee?!”

Nescio1

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (pseudoniem van Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898. Zie ook mijn blog van 22 juni 2006 en ook mijn blog van 22 juni 2007.

Uit: Die Nacht von Lissabon

Ich starrte auf das Schiff. Es lag ein Stück vom Quai entfernt, grell beleuchtet, im Tejo. Obschon ich seit einer Woche in Lissabon war, hatte ich mich noch immer nicht an das sorglose Licht dieser Stadt gewöhnt. In den Ländern, aus denen ich kam, lagen die Städte nachts schwarz da wie Kohlengruben, und eine Laterne in der Dunkelheit war gefährlicher als die Pest im Mittelalter. Ich kam aus dem Europa des zwanzigsten Jahrhunderts.
Das Schiff war ein Passagierdampfer, der beladen wurde. Ich wußte, daß es am nächsten Abend abgehen sollte. Im harten Schein der nackten elektrischen Birnen wurden Ladungen von Fleisch, Fisch, Konserven, Brot und Gemüse verstaut; Arbeiter schleppten Gepäck an Bord, und ein Kran schwang Kisten und Ballen so lautlos herauf, als wären sie ohne Gewicht. Das Schiff rüstete sich zur Fahrt, als wäre es eine Arche zur Zeit der Sintflut. Es war eine Arche. Jedes Schiff, das in diesen Monaten des Jahres 1942 Europa verließ, war eine Arche. Der Berg Ararat war Amerika, und die Flut stieg täglich. Sie hatte Deutschland und Österreich seit langem überschwemmt und stand tief in Polen und Prag; Amsterdam, Brüssel, Kopenhagen, Oslo und Paris waren bereits in ihr untergegangen, die Städte Italiens stanken nach ihr, und auch Spanien war nicht mehr sicher. Die Küste Portugals war die letzte Zuflucht geworden für die Flüchtlinge, denen Gerechtigkeit, Freiheit und Toleranz mehr bedeuteten als Heimat und Existenz. Wer von hier das gelobte Land Amerika nicht erreichen konnte, war verloren. Er mußte verbluten im Gestrüpp der verweigerten Ein- und Ausreisevisa, der unerreichbaren Arbeits- und Aufenthaltsbewilligungen, der Internierungslager, der Bürokratie, der Einsamkeit, der Fremde und der entsetzlichen allgemeinen Gleichgültigkeit gegen das Schicksal des einzelnen, die stets die Folge von Krieg, Angst und Not ist. Der Mensch war um diese Zeit nichts mehr; ein gültiger Paß alles.
Ich war nachmittags im Casino von Estoril gewesen, um zu
spielen. Ich besaß noch einen guten Anzug, und man hatte mich hineingelassen. Es war ein letzter, verzweifelter Versuch gewesen, das Schicksal zu bestechen. Unsere portugiesische Aufenthaltserlaubnis lief in wenigen Tagen ab, und Ruth und ich hatten keine anderen Visa. Das Schiff, das im Tejo lag, war das letzte, mit dem wir in Frankreich gehofft hatten, New York zu erreichen; aber es war seit Monaten ausverkauft, und uns hätten, außer der amerikanischen Einreiseerlaubnis, auch noch über dreihundert Dollar Fahrgeld gefehlt. Ich hatte versucht, wenigstens das Geld zu bekommen, in der einzigen Art, die hier noch möglich war – durch Spielen. Es war sinnlos gewesen, denn selbst wenn ich gewonnen hätte, hätte immer noch ein Wunder geschehen müssen, um auf das Schiff zu kommen. Doch auf der Flucht und in Verzweiflung und Gefahr lernt man, an Wunder zu glauben; sonst würde man nicht überleben.
Ich hatte von den zweiundsechzig Dollar, die wir noch besessen hatten, sechsundfünfzig verloren.”

Remarque

Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

Uit: Angels & Demons

“High atop the steps of the Pyramid of Giza a young woman laughed and called down to him. “Robert, hurry up! I knew I should have married a younger man!” Her smile was magic.
He struggled to keep up, but his legs felt like stone. “Wait,” he begged. “Please…”
As he climbed, his vision began to blur. There was a thundering in his ears. I must reach her! But when he looked up again, the woman had disappeared. In her place stood an old man with rotting teeth. The man stared down, curling his lips into a lonely grimace. Then he let out a scream of anguish that resounded across the desert.
Robert Langdon awoke with a start from his nightmare. The phone beside his bed was ringing. Dazed, he picked up the receiver.
“Hello?”

“I’m looking for Robert Langdon,” a man’s voice said.
Langdon sat up in his empty bed and tried to clear his mind. “This…is Robert Langdon.” He squinted at his digital clock. It was 5:18 A.M.
“I must see you immediately.”
“Who is this?”
“My name is Maximilian Kohler. I’m a Discrete Particle Physicist.”
“A what?” Langdon could barely focus. “Are you sure you’ve got the right Langdon?”
“You’re a Professor of Religious Iconology at Harvard University. You’ve written three books on symbology and… “
“Do you know what time it is?”

“I apologize. I have something you need to see. I can’t discuss it on the phone.”
A knowing groan escaped Langdon’s lips. This had happened before. One of the perils of writing books about religious symbology was the calls from religious zealots who wanted him to confirm their latest sign from God. Last month a stripper from Oklahoma had promised Langdon the best sex of his life if he would fly down and verify the authenticity of a cruciform that had magically appeared on her bed sheets. The Shroud of Tulsa, Langdon had called it.
“How did you get my number?” Langdon tried to be polite despite the hour.
“On the World-Wide-Web. The site for your book.”

dan_brown

Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). Zie ook mijn blog van 22 juni 2007.

Amour Kerné

à l’Ondine

Je te prendrai dans l’émotion des landes
muettement tu embrasseras ma terre
Je te prendrai dans la clarté des fontaines
avidement je te boirai

Tu portes mes amours mauves
dans la source des prunelles
écoute
les ajoncs et les plantes
vont chanter pour nous deux
la nuit fertile, la plage fraternelle

Nous referons cette Cornouaille mortelle
secrètement
dans le lit des hautes herbes
je te prendrai dans la grange verte
et ton corps aux semences mélangé
concevra tout un pays de fougères
et de genêts.

Ma belle amie sur la grève allongée
comme moi désire la mer
laisse-toi chavirer sous le vent des navires
dans la laine fragile des pluies
je te prendrai encore
tes bras ruisselant de désirs
serreront la bruyère de mes veines

Je te prendrai dans l’allée des grands chênes
sous tes reins efface la peine des tombeaux
il faut vaincre la mort au lever du soleil
chaque matin prends la vie à belles mains
dans ton regard affamé de merveilles
recrée pour moi les paysages que j’aimais

Ô femme, ma bourgade de gamines
mon dimanche d’écolier, ma chaumine
mon amour mauve, mon beau gilet
brode des bleuets sur le lin des détresses
et couvre-moi de la liesse des grands arbres
afin que je t’aime encore, une prochaine fois

grall

Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 22 juni 2007.

De Franse dichter Jacques Delille werd geboren op 22 juni 1738 in Clermont-Ferrand.

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856.

Nescio, Dan Brown, Erich Maria Remarque, Jacques Delille, Tadeusz Konwicki, Xavier Grall, Henry Rider Haggard

De Nederlandse schrijver Nescio (pseudoniem van Jan Hendrik Frederik Grönloh) werd geboren in Amsterdam op 22 juni 1882. Van 1897 tot 1899 zat hij op de Openbare Handelsschool aan de Keizersgracht. Daarna had hij verschillende kantoorbaantjes. Hoewel hij in zijn beroep succesvol was, vervulde het hem bepaald niet met enthousiasme. Zijn oeuvre geeft hier meer dan eens blijk van. In de jaren 1901-1903 was Nescio betrokken bij het project “Tames”. Met een aantal vrienden had hij een idealistische kolonie met deze naam opgericht, in de buurt van Huizen. Dit in navolging van de kolonie Walden, opgericht door Frederik van Eeden. Nescio was, ondanks zijn baan als handelsman (hij werd directeur van de Holland-Bombay Trading Company) overtuigd lid van de SDAP. Nescio (de naam betekent Ik weet (het) niet) schreef voornamelijk verhalen. Zijn eerste boek, waarin de drie verhalen: Dichtertje, De uitvreter en Titaantjes’ zijn opgenomen, verscheen in 1918. Zijn talent werd echter niet meteen gewaardeerd. Zo werd het verhaal De uitvreter in 1910 door tijdschrift Nederland teruggestuurd. In september 1910 stuurt Nescio een uitgebreide versie naar het literaire tijdschrift De Gids. Dit tijdschrift publiceert het verhaal in januari 1911.

PLEZIERTREIN

“Ik heb nog een oudere herinnering.
Donderdag 30 Juli 1896. Kijkt u het maar na in een oue almanak en u zult zien dat ’t klopt. Bestaan er nog almanakken? En winkels: tabak, snuif en sigaren?
Donderdag 30 Juli 1896. Ik zie nog de blauwe aanplakbiljetten. Goedkoope trein naar Nijmegen, 2e en 3e klas, ƒ 1,- heen en weer. En ik voel weer heel even de oude verwachting van toen, toen die dag nog komen moest.
Het geluid van de houtduif. Een weg in een vreemd land, hooge boomen alom. Het moet bij Berg en Dal zijn geweest. En het koeren van de houtduif. En de vreemde ontroering.
Dat is alles.
De rest is zakelijkheid. De menschen van de pleziertrein, die je overal tegenkwam. De Duivelsberg. En even weer een vreemde ontroering: die ruimte en dat licht. Alles was vreemd. Een opgetogen meisje, volwassen. Ze kan nog leven, ik leef ook nog. Een te duidelijke stem: “Zooiets zie je bij ons op de Jodenbreestraat toch niet.” Een steil pad naar beneden, te steil, m’n vader komt zittende terecht, halverhoogte.
En tegen den avond, de weg naar ’t station, al die groepjes menschen: de pleziertrein. Een man die op den rand van ’t trottoir staat en z’n hoofd beweegt en dan kotst. De pleziertrein.
In de nacht staan we stil op de rails. Het raampje is open, wij hooren ’t gelal uit de andere uit de andere wagens. Een man zit bij het portier. Waar zijn we? Hij wipt op om z’n kop uit ’t raampje te steken en praat naar binnen: “Maarsbergen!” Klap op z’n derrière. “Waarom berg je ‘m dan niet op?” Pleziertrein.
Maar ’t zachte koeren van die duif in de eeuwigheid. Dat steeds maar weer herleeft als ik een duif hoor koeren en soms alleen al als ik hoog-opgaand weelderig geboomte zie. Nijmegen, m’n vader, dat stuk weg, die boomen daar en die duif die koerde.
En de weemoed. Lang nadat die dag niet meer komen moest, hingen hier en daar nog die blauwe biljetten. Donderdag 30 Juli 1896. Goedkoope trein naar Arnhem en Nijmegen. De zoete pijnlijke en onbegrepen weemoed dat ’t voorbij was en dat Donderdag de 30ste Juli 1896 nooit meer komen zou.
Dat is alles.
Een vreemd gevoel van onvergankelijkheid.”

19 Februari 1942

Nescio

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)

 

De Amerikaanse schrijver Dan Brown werd geboren in Exeter, New Hampshire, op 22 juni 1964. Zijn boeken behoren tot het genre van de fact fiction, waarbij een fictief verhaal wordt verteld tegen een herkenbaar en realistisch decor. Brown groeide op op de campus van de Philips Exeter Academy, één van de meest prestigieuze kostscholen van Amerika. Zijn vader was daar leraar wiskunde. Brown studeerde Engelse literatuur en kunstgeschiedenis aan het Amherst College (Massachusetts), waar hij in 1986 zijn diploma haalde. Daarnaast studeerde hij ook nog in het Spaanse Sevilla. Na zijn studie gaf hij – in de voetsporen van zijn vader – enige tijd Engelse les aan de Philips Exeter Academy, waar hij vroeger zelf ook onderwijs volgde. In 1998 verscheen zijn debuutroman Digital Fortress. Hij brak echter internationaal door met zijn vierde roman The Da Vinci Code, die in 2004.

Uit: The Davinci Code

“Renowned curator Jacques Saunière staggered through the vaulted archway of the museum’s Grand Gallery. He lunged for the nearest painting he could see, a Carravagio. Grabbing the gilded frame, the seventy-three-year-old man heaved the masterpiece toward himself until it tore from the wall and Saunière collapsed backward in a heap beneath the canvas.
As he anticipated, a thundering iron gate fell nearby, barricading the entrance to the suite. The parquet floor shook. Far off, an alarm began to ring.
The curator lay a moment, gasping for breath, taking stock. I am still alive. He crawled out from under the canvas and scanned the cavernous space for someplace to hide.
A voice spoke, chillingly close. “Do not move.”
On his hands and knees, the curator froze, turning his head slowly.
Only fifteen feet away, outside the sealed gate, the mountainous silhouette of his attacker stared through the iron bars. He was broad and tall, with ghost-pale skin and thinning white hair. His irises were pink with dark red pupils. The albino drew a pistol from his coat and aimed the long silencer through the bars, directly at the curator. “You should not have run.” His accent was not easy to place. “Now tell me where it is.”

BROWN

Dan Brown (Exeter, 22 juni 1964)

 

De Duitse schrijver Erich Maria Remarque (eig. Erich Paul Remark) werd geboren op 22 juni 1898 in Osnabrück. Zie ook mijn blog van 22 juni 2006.

Uit: Im Westen nichts Neues

“Ich bin öfter auf Wache bei den Russen. In der Dunkelheit sieht man ihre Gestalten sich bewegen, wie kranke Sturche, wie große Vögel. Sie kommen dicht an das Gitter heran und legen ihre Gesichter dagegen, die Finger sind in die Maschen gekrallt. Oft stehen viele nebeneinander. So atmen sie den Wind, der von der Heide und den Wäldern herkommt.

Selten sprechen sie, und dann nur wenige Worte. Sie sind menschlicher und, ich möchte fast glauben, bruderlicher zueinander als wir hier. Aber das ist vielleicht nur deshalb, weil sie sich unglücklicher fühlen als wir. Dabei ist fur sie doch der Krieg zu Ende. Doch auf die Ruhr zu warten, ist ja auch kein Leben.

Ein Befehl hat diese stillen Gestalten zu unsern Feinden gemacht; ein Befehl könnte sie in unsere Freunde verwandeln. An irgendeinem Tisch wird ein Schriftstück von einigen Leuten unterzeichnet, die keiner von uns kennt, und jahrelang ist unser höchstes Ziel das, worauf sonst die Verachtung der Welt und ihre höchste Strafe ruht. … Jeder Unteroffizier ist dem Rekruten, jeder Oberlehrer dem Schuler ein schlimmerer Feind als sie uns.”

Remarque

Erich Maria Remarque (22 juni 1898 – 25 september 1970)

 

De Franse dichter Jacques Delille werd geboren op 22 juni 1738 in Clermont-Ferrand. Delille was een briljante student en doceerde later Larijn en poezie aan het Collège de France. Zijn naam werd gevestigd met een vertaling van de Georgica van Vergilius in 1770. Zijn eigen gedichten (Les Jardins, 1782; Les Trois Règnes de la nature, 1809) waren vaak gewijd aan de
natuur

 

Le café

Il est une liqueur, au poëte plus chère,
Qui manquait à Virgile, et qu’adorait Voltaire ;
C’est toi, divin café, dont l’aimable liqueur
Sans altérer la tête épanouit le coeur.
Aussi, quand mon palais est émoussé par l’âge,
Avec plaisir encor je goûte ton breuvage.
Que j’aime à préparer ton nectar précieux !
Nul n’usurpe chez moi ce soin délicieux.
Sur le réchaud brûlant moi seul tournant ta graine,
A l’or de ta couleur fais succéder l’ébène ;
Moi seul contre la noix, qu’arment ses dents de fer,
Je fais, en le broyant, crier ton fruit amer,
Charmé de ton parfum, c’est moi seul qui dans l’onde
Infuse à mon foyer ta poussière féconde ;
Qui, tour à tour calmant, excitant tes bouillons,
Suis d’un oeil attentif tes légers tourbillons.
Enfin, de ta liqueur lentement reposée,
Dans le vase fumant la lie est déposée ;
Ma coupe, ton nectar, le miel américain,
Que du suc des roseaux exprima l’Africain,
Tout est prêt : du Japon l’émail reçoit tes ondes,
Et seul tu réunis les tributs des deux mondes.
Viens donc, divin nectar, viens donc, inspire-moi.
Je ne veux qu’un désert, mon Antigone et toi.
A peine j’ai senti ta vapeur odorante,
Soudain de ton climat la chaleur pénétrante
Réveille tous mes sens ; sans trouble, sans chaos,
Mes pensers plus nombreux accourent à grands flots.
Mon idée était triste, aride, dépouillée ;
Elle rit, elle sort richement habillée,
Et je crois, du génie éprouvant le réveil,
Boire dans chaque goutte un rayon du soleil.

delille

Jacques Delille (22 juni 1738 – 1 mei 1813)

 

De Poolse schrijver en regisseur Tadeusz Konwicki werd geboren op 22 juni 1926 in Nowa Wilejka bij Vilnius. Na de dood van zijn vader verhuisde Tadeusz Konwicki naar Kolonia Wileńska. Tijdens de Duitse bezetting volgde hij  middelbare school in ondergrondse studiegroepen. Later vocht hij in een guerillastrijd tegen de Sovjets. Na de oorlog vestigde Konwicki zich in Krakau waar hij Poolse filologie studeerde aan de Jagielloński Universiteit. Vanaf 1945 was hij sterk betrokken bij het weekblad Odrodzenie. Konwicki debuteerde in november 1947 met het verhaal Kapral Koziołek i ja dat in Nurt verscheen. In die tijd schreef hij recensies en reportages voor o.a. Po prostu, Odrodzenie, Wieś en Pokolenie. In 1947 trok hij naar Warschau. In 1948 schreef hij zijn eerste roman Rojsty die over zijn guerilla-tijd handelde en die omwille van thema en boodschap verboden werd door de censuur. In 1950 verscheen zijn roman Przy budowie. Vanaf dit jaar werkte Konwicki ook in de redactie van het tijdschrift Nowa Kultura. In die periodiek verscheen een anonieme tekst met een inleidend stuk van Konwicki, die de naderende ‘Poolse dooi’ aankondigde. Halverwege de jaren vijftig begon Konwicki zich bezig te houden met filmkunst. In 1956 vertrok hij naar China. Zijn ervaringen en waarnemingen werden later in de roman Wniebowstapienie uit 1967 verwerkt. In 1966 werd Konwicki uit de PZPR (Poolse Verenigde Arbeiderspartij) gezet. Wegens zijn verzet tegen de geplande grondwetswijzigingen, tegen de vervolgingen van de leden van de KOR-organisatie (Steun voor Arbeiders) en tegen de bloedige onderdrukking van arbeidersstakingen in Ursus en Radom, mocht hij niet meer officieel publiceren. Sindsdien verschenen zijn romans in het ondergrondse circuit en bij buitenlandse uitgeverijen. Vanaf 1988 verschenen zijn boeken weer in het officiële Poolse circuit.

UitZwierzoczłekoupiór (Vertaald door Marzena Książkiewicz)

“My name is Peter, because I was born in the year when all the girls were given Agatha and all the boys Peter as their names. My father works at the Aviation Institute, although he always showed signs of rather musical talents. I wish to explain in the very beginning that my old man is no sort of a spaceman nor a supersonic apparatous test pilot. He does something in the counting machines’ office. Perhaps he simply adds and subtracts or divides and multiplies. I never ask him about it because he is very touchy. Mother does what all mothers do; she cleans, cooks, sometimes does a little washing and keeps worrying all the time. And when she stays at home alone, she takes an easel from behind the wardrobe and buckles down to painting. Father calls it waterproof painting, because mother uses oilpaints. I guess you understand everything, don’t you? It is easy to imagine such a home. And it is difficult to be a good child if you have such parents. I have just remembered that there is one more person living with us – Miss Sofia. I meet her now and then when she is on her way to the bathroom or the kitchen to look for an apple. For Miss Sofia is always on a diet. When she occasionally has dinner with us, she prods the empty plate with her fork so nervously that I am afraid that all of a sudden she will grasp at the dish of potatoes, and devour them with one mouthful, in a fury of a starving person. Miss Sofia never talks to us. I suppose she holds us in utter contempt. Miss Sofia is my big sister. She is in the first form of grammar school, where they teach according to a new experimentale programme. Even father isn’t able to help her with maths. Anyway, she never asks him to”.

konwicki

Tadeusz Konwicki (Nowa Wilejka, 22 juni 1926)

 

De Franse dichter en schrijver Xavier Grall werd geboren op 22 juni 1930 in Landivisiau (Finistère). In zijn werk verheerlijkte hij de Bretagne. In 1973 verliet hij Parijs om de naar de regio van Pont-Aven terug te keren, waar hij zich sterk inzette voor de Bretonse cultuur.

Les marins

Les vieux de chez moi ont des îles dans les yeux
Leurs mains crevassées par les chasses marines
Et les veines éclatées de leurs pupilles bleues
Portent les songes des frêles brigantines

Les vieux de chez moi sont fils de naufrageurs
Leurs crânes pensifs roulent des trésors inouïs
Des voiliers brisés dans les goémons rageurs
Et luisent leurs regards comme des louis

Les vieux de chez moi n’attendent plus rien de la vie
Ils ont jeté les ans, le harpon et la nasse
Mangé la cotriade et siroté l’eau de vie
La mort peut les prendre, noire comme pinasse

Les vieux ne bougeront pas sur le banc fatigué
Observant le port, le jardin, l’hortensia
Ils diront simplement aux Janies, aux Marias
“Adieu, les Belles, c’est le branle-bas”

Et les femmes des marins fermeront leurs volets.

Grall

Xavier Grall (22 juni 1930 – 11 december 1981)

 

De Engelse schrijver Henry Rider Haggard werd geboren in Norfolk op 22 juni 1856. Van 1875 tot 1881 werkte hij in Zuid-Afrika, het decor van veel boeken die hij schreef, zoals King Solomon’s Mines (1885), Allan Quatermain (1887) en She (1887). Het zijn romantische boeken, geschreven in kleurrijk proza.Hij schreef ook een studie over de kolonisatie in Zuid-Afrika en werken over landbouwkundige onderwerpen.

Uit: King Solomon’s Mines

“It is a curious thing that at my age-fifty-five last birthday- I should find myself taking up a pen to try to write a history. I wonder what sort of a history it will be when I have finished it, if ever I come to the end of the trip! I have done a good many things in my life, which seems a long one to me, owing to my having begun work so young, perhaps. At an age when other boys are at school I was earning my living as a trader in the old Colony. I have been trading, hunting, fighting, or mining ever since. And yet it is only eight months ago that I made my pile. It is a big pile now that I have got it-I don’t yet know how big-but I do not think I would go through the last fifteen or sixteen months again for it; no, not if I knew that I should come out safe at the end, pile and all. But then I am a timid man, and dislike violence, and, moreover, I am fairly sick of adventure. I wonder why I am going to write this book: it is not in my line. I am not a literary man, though very devoted to the Old Testament and also to the “Ingoldsby Legends.” Let me try to set down my reasons, just to see if I have any.”

haggard

Henry Rider Haggard (22 juni 1856 – 14 mei 1925)