Wout Waanders, Martin R. Dean, Rainer Kirsch, Tsead Bruinja, Thé Lau, Eelke de Jong, Alie Smeding, Donald Davie, Dolce far niente

Dolce far niente – Bij de Nijmeegse Vierdaagse

 

Vierdaagse wandelaars door Ingrid Claessen, 2013


‘s nachts de was

achter het raampje van de wasmachine
zie ik een hoodie, trui, spijkerbroek,
roze rok, ondershirt, wandelsok,
een partyblouse en een uniform,
een overhemd met een vlek
van lippenstift.

alles draait,
wordt helder en zacht.

van technofeest tot loopafstand
en alles wat daar tussen zit,
alle stoffen van de stad
komen samen op een rotonde in de nacht
en niemand volgt een wasvoorschrift.

 

Wout Waanders (’s-Hertogenbosch, 1989)
Vierdaagse wandelaars op Roze Woensdag (de dag van Wijchen)


De Zwitserse schrijver Martin R. Dean werd geboren op 17 juli 1955 in Menziken Aargau. Zie ook alle tags voor Martin R. Dean op dit blog.

Uit: Warum wir zusammen sind

“Wie eine große Träne, die aus dem Winterhimmel gefallen war, lag die Kunsteisbahn vor ihr. Es war der letzte Tag des Jahres. Als Irma eintraf, zogen gerade noch einige Jugendliche ihre Runden, während die Eisreinigungsmaschine am Rand des Feldes bereits wartete. Nur noch wenige Stunden trennte sie vom nächsten Jahrtausend. Seit Wochen waren die Zeitungen voll von Weltuntergangsängsten, verbreitet von Sektenanhängern im Schwarzwald und neurotischen Durchschnittsbürgern, von all den Bangen, Verzagten, Aufgeregten und Paranoikern, die sich Erlösung erhofften.
Auch Geschäftemacher witterten ihre Stunde und boten Kreuze aus Plexiglas feil, Leuchtreklamen gegen die Angst vor der Apokalypse, und gerne wurde die Bibel zitiert: »Und da geschah ein großes Erdbeben, und die Sonne wurde finster wie ein schwarzer Sack, und der ganze Mond wurde wie Blut, und die Sterne des Himmels fielen auf die Erde.«
Die Spekulanten, Banker und Börsianer fürchteten sich dagegen vor dem weltweiten Ausfall der Computer. Auch Irmas Freundin Bea, die bei einem Lokalsender arbeitete, sagte einen Zusammenbruch der Kommunikationsnetze voraus, was Marc für unwahrscheinlich hielt. Die Nachbarn horteten Vorräte an stillem Wasser und Benzin, weil für den Tag danach ein Zusammenbruch der Wasser- und Treibstoffversorgung vorausgesagt wurde. Hochschwangere gingen die Treppen rauf und runter, um ein Millenniumskind zu gebären.
Irma war allein. Sie bereute es, Marc nicht in seinem Büro abgeholt zu haben, denn er war noch immer nicht da. Es war nicht das erste Mal, dass sie auf ihn wartete. Sie setzte sich auf die Bande der Eisbahn und schaute der ruhig kreisenden Maschine zu. Welche Entschuldigung er wohl diesmal hatte?
Sie ärgerte sich, aber sie wollte ihm keine Vorhaltungen machen, nicht hier und vor den Freunden, die bald eintreffen würden. Sie schnallte sich die Schlittschuhe um und glitt mit einem leichten Beinschwung aufs Eis. Wenn das Vorankommen doch immer so mühelos wäre! Aber hatte sie bis jetzt nicht die richtigen Entscheidungen getroffen? Den schüchternen Architekturstudenten Marc geheiratet, ein Kind bekommen, ihre Karriere als Romanistin an der Uni abgebrochen, um Übersetzerin zu werden. Und richtig war auch gewesen, dass sie sich die Idee zu dieser besonderen Silvesterfeier von Alice nicht hatte ausreden lassen.
In diesem Augenblick tauchte Matti, ihr achtjähriger Sohn, an der Hand seiner Großmutter am Rand des Eisfeldes auf und rief nach ihr.“

Martin R. Dean (Menziken, 17 juli 1955)


De Duitse dichter en schrijver Rainer Kirsch werd geboren op 17 juli 1934 in Döbeln. Zie ook alle tags voor Rainer Kirsch op dit blog

Uit: De redding van de Saragossazee (Vertaald door J.F. Vogelaar)

“Denk je dat ik van alles afzie, zei de hekst. Ze richtte zich op, het leek alsof ze met de rechterarm op een golf steunde. Als ik tegen de zon in moet kijken kan ik je ogen niet zien, zei de jongeman, maar in je woorden bespeur ik iets van teleurstelling. De heks zweeg. Affaires stel ik mij zo voor, zei de jongeman, ben je daarom vrijwillig heks geworden? Ieder kiest wat hij wordt, zei de heks, wist je dat niet? De zon stond nu gunstiger, de jongeman zag hoe de heks het haar als een zeil in de wind of als een roer in de golven hing.
Een sprookje zonder trompetten dat is toch niets, zei de rode walvis. We zullen lang moeten zwemmen, zei de ander. Hij blies een fontein de hoogte in en zweeg. Ook ik heb een tijdlang overwogen de weg over land te nemen, zei de rode walvis. Vergeet niet, zei de ander, dat ons oponthoud ons van pas zal komen. De Saragossazee is onveilig, zei de rode walvis, we kunnen ons in de diepgang vergissen. We mogen onszelf later niets te verwijten hebben, zei de groene walvis, kom laten we gaan zwemmen.
Ze waren goed vooruitgekomen, de jongeman zag vliegende vissen en ook leek het schip gevolgd te worden door dolfijnen. Hij zei: trompetten in de lucht, of een kasteel. De soldaten blazen de ophaalbrug op, de held echter, zeven speren in zijn schild, rent ermee dwars door de vijandelijke linies en komt bij de tent van de vijandelijke koning, vervaardigd van witte zijde, met de stompe kant van de speren scheurt hij de tent open, met de rechterhand trekt hij de koningsdochter van haar legerstede, zo werden vroeger slagen gewonnen. Wat zijn nou verhalen, zei de heks. Ik begrijp het, zei de jongeman, jij bent hier om mij te betoveren. Dat geklets over staartvinnen, zei de heks, op de hele weg ben ik nog geen drie zeemeerminnen tegengekomen. Om betoverd te kunnen worden moet je bang zijn of het zelf willen. Geen van beide is zelfs maar in de verste verte het geval, zei de jongeman. De heks strekte haar linker arm en haalde het schip in. Een zwerm vliegende vissen daalde neer, de zon verdween.”

Rainer Kirsch (17 juli 1934 – 14 september 2015)


De Nederlandse dichter Tsead Bruinja werd geboren in Rinsumageest op 17 juli 1974. Zie ook alle tags voor Tsead Bruinja op dit blog.

Al zijn honden heten fikkie

al zijn honden heten fikkie
behalve onze Astrid
alle ziekten waar ze aan
stierven Kanker

koeien die opgegeven waren
werden beter bij hem
al moest hij er de hele nacht
bij blijven

voor haar kon hij niets anders
doen dan de dokter betalen
en haar naam in
comateuze oren roepen

 

Graat

de brug zien
en hem wegdenken

aan de overkant
een wuivende vriend

zonder telefoon
zonder adres

weg als je je omdraait

buigen het water
zien en weg denken

dan vissen nummeren
en opbergen

niet de vriend vergeten
maar meenemen
en begraven

diep in het zand

je door een ander laten dragen

nieuwe vriend kiezen

bruggetje bedenken

 

Vier en een half volt legotreintje

vier en een half volt legotreintje
verdwijnt in de groene tunnel
van papier-maché

twee jongensbenen in de lange
blauwe broekspijpen
van een jeans

de moeder als man in uniform
de vader als vrouw thuis

wie speelt voor god
wie kiest het scharnier

hij trekt de stekker uit de houder
en legt zijn tong tegen de polen

vier en een half volt tong
trekt zich terug

in de mond van een tunnel
de tong als mond

praliné

Tsead Bruinja (Rinsumageest, 17 juli 1974)


De Nederlandse muzikant en schrijver Thé (Matheus Josephus) Lau werd eboren in Bergen op 17 juli 1952. Zie ook alle tags voor Thé Lau op dit blog.

Uit: Juliette, een liefde in snapshots

“De weg naar het dorp was de fameuze Laan Zonder Einde, waar verscholen achter hoge hekken en hagen de rijken in statige huizen woonden, waarvan de achtertuin direct toegang gaf tot het Grote Bos, dat op zijn beurt doorliep tot in het duingebied. De weg zelf was vrij smal, en pijnbomen kromden zich er als een erehaag overheen. Op dit uur was er nauwelijks verkeer en Robbie, dromerig in de frisse ochtendlucht, minderde gas en reed stapvoets door naar de ingang van het Spaansche Woud, dat eigenlijk geen woud of bos was, maar een reusachtig park, sinds mensenheugenis het Versailles van de enclave. Het was een oase van groen, doorsneden met brede grachten, slootjes, zandlanen en modderige ruiterpaden. Terwijl hij langzaam doorreed leek het alsof het naakte lichaam van Elsa hem volgde. Het ene moment hield ze zich schuil in de struiken langs het pad, dan weer zat ze hoog boven hem gehurkt op een boomtak en even verder rees ze als een goudgelokte nimf op uit het zwarte water van een sloot. Straks, thuis, zou hij haar meteen gaan schetsen. Eerst haar fijne gezicht, dan haar weelderige lichaam Hij kon niet anders dan de film van afgelopen nacht keer op keer afspelen. Het beeld van de bewegingen, en het geluid. Hij zag voor zich hoe ze zich had uitgekleed, hem even een blik had gegund op haar lichaam, in bed was gestapt en het dek voor hem omhoog had gehouden. Hij herinnerde zich hoe ze haar armen om hem heen had geslagen en haar borsten tegen hem had aangedrukt. Door haar handen geleid was hij in haar binnengedrongen. Maar van de vrijpartij die volgde, waarin hij was ontmaagd, kon hij zich weinig herinneren. Het was als de branding: je kijkt een half uur lang in trance naar de golven maar je kunt je er naderhand niet een voor de geest halen.
Robbie passeerde het Ravenhof met zijn reusachtige roodbruine pannendak, en nog steeds vervuld van de ervaring van afgelopen nacht wierp hij een afwezige blik op het statige herenhuis, waaromheen het Spaansche Woud ooit was aangelegd. Zonlicht spikkelde het water van de gracht en vlekte op het pad. Terwijl hij de uitgang naderde begon het beeld van Elsa’s gezicht te vervagen en denkend aan de tekening die hij wilde maken gaf Robbie gas.”

Thé Lau (17 juli 1952 – 23 juni 2015)


De Nederlandse schrijver Eelke de Jong werd geboren in Apeldoorn op 17 juli 1935. Zie ook alle tags voor Eelke de Jong op dit blog.

Uit: Paris mon amour

“Deze vriendin woonde bij haar ouders en stond vrijwel niets toe, een kus, de armen om elkaar geslagen, te verwaarlozen gestreel, dat was in grote lijnen alles, om bijvoorbeeld een zoen, waarbij je elkaars tongen probeerde te omstrengelen, de ander in theorie zou kunnen laten stikken door hem in haar keelgat te duwen, moest gevochten worden. Ze had weinig vertrouwen. Dan begon ze vreselijk te hijgen, me weg te duwen, maar wist ik veel.
Op een avond trof ik ergens op het trottoir een Duits meisje, dat wel alles wilde toestaan en zo gezegd zo gedaan op een houten bankje in een plantsoen hier of daar haar vochtige kruisje opzij geduwd en gevingerd.
Een jaar later ontmoette ik in de zomer in Amsterdam een Française, die behoorlijk wat meegaander was als dat meisje uit Versailles. Lerares in Metz was ze, getrouwd maar alleen op reis, schreef gedichten, stuurde me later een met de hand geschreven bundeltje vol romantische klaagliederen, de velletjes met een draadje rode wol aan elkaar genaaid.
Mireille heette ze, dezelfde naam als m’n correspondentievriendin met wie ik niet meer correspondeerde sinds ze een onvriendelijke aanmaning gestuurd had om m’n schuld terug te betalen. Mireille uit Metz leende ik op mijn beurt geld om haar nog wat langer in Amsterdam te kunnen houden, kleine sommetjes, want ik had het niet breed. Ze was ontstellend mager, herinner ik me, wat maar al te pijnlijk was voor onze bekkens. ‘k Woonde toen in het huis van een vriend, die met z’n vrouw op reis was naar Parijs, paste tegelijk op de katten, die kort na elkaar twee nesten wierpen. Op laten ruimen door de dierenbescherming. Kort daarop verloor de ene kat, die nog dagen naar haar jongen bleef zoeken, al heur haar. Toen m’n vriend en z’n vrouw terugkwamen was ze kaal met uitzondering van wat franje onder de buik, en kwam om van de kou.
Een andere keer was ik met iemand, aan wie ik me graag had willen uitleveren, wat niet wederkerig was, in Parijs. We sliepen in twee bedden, een verloren weekend vol vergeefse toenaderingspogingen en te weinig geld om er nog iets leuks van te maken. Zelfs niet genoeg om het hotel te betalen, zodat we met achterlating van een deel van de bagage moesten vluchten.”

Eelke de Jong (17 juli 1935 – 1 augustus 1987)
Rijk de Gooijer, Peter van Straaten en Eelke de Jong in 1980


De Nederlandse schrijfster Alie Smeding werd geboren in Enkhuizen op 17 juli 1890. Zie ook alle tags voor Alie Smeding op dit blog.

Uit: Liefde

“Op handen en voeten schuifelt de kleine Lied Ulen over de zachte zanderige grond van de verwilderde boschtuin. Ze likt aan een groene eikel en probeert de gladde bast van een wilde kastanje af te pellen, maar dat lukt haar niet. Met veel moeite wurmt ze zich door een gat in dik prikkerig gebladerte heen en kijkt van dichtbij een wit dier in de oogen, en tuurt naar het hooge witte huisje, waar de duiven wonen. Er staan mannen op een veld en er loopen paar-den en er is een vrouw met een bandjesmuts. De mannen bij de paarden zeggen. ,.. .. ruzie … daor gunder hebt ze weer ruzie.” Lied Ulen brabbelt dat na. „L-lusle.” Het is een bekend woord’ Ze probeert het ook goed te zeggen: .,R-ru-ru-sie ” In-eens roept ze het zoo hard en duidelijk over het land heen of Vader het haar voorzegt: ..R-ruziet R-ruzie!” De mannen bij de paarden lachen. Maar de vrouw met de bandjesmuts lacht niet. „A-ah meen hef poesenelleken, kom mit.” Een paar han-den tillen haar door het gat in de bladeren. En Lied vergeet de vrouw met de bandjesmuts al gauw. Ze zuigt op een gal-appeltje, en speelt een beetje met de zaadballetjes van de wilde komkom-mer. Dan zit ze ook weer voor het huls, op de groote steen, bij het hek. Binnen-in het huis is de ruzie en de ruzie schreeuwt hard achter de open ramen. „Vade”, roept Lied klagelijk, „Moeder Ze zet de voeten vaster neer op de grond. „R-ruzie”, zegt ze, „r-ruzie!” En dan ineens is Vader er. Lied kijkt naar hem op en ze kent hem. Ze ziet toch alleen maar zijn jas met de ruitjes, het blinkende balletje aan zijn horlogeketting, zijn snorharen die als twee zachte veertjes boven zijn tanden hangen en het witachtige van zijn gezicht Uitnoodigend slaat ze met haar hand op de leege helft van de steen. „Vade.” Zij zegt: „Vade.” En Moeder zegt: „Man.- En zij zegt ook wel. „Vade-man ” Maar hij komt niet bij haar zitten Hij veegt met zijn zak-doek haar gezicht af „Dag hart.” Het maakt een boel geluid als hij het hek dicht doet. Dan loopt hij op het pad. „Dag hermelijntjer Ze drukt haar ge-zicht zoo ver mogelijk tusschen de hekspijlen door: „Dag Vade-mant” En in de bladeren ergens roept Vader: „Dag hermelijntje! Dag hermelijnr Ze staat ook voor het keukenraam Moeder wascht borden en kopjes af en alles wat Moeder af-wascht geeft een schreeuw. „Moeder, roept ze, „Moeder En ze kijkt naar haar op en ze kent haar. Ze ziet dan toch alleen maar de streepjes in haar schort, het glazen hondje onder haar kin, de blin-kende spelden in haar krullend haar en het zoet-achtige rood in haar wangen. „Moede! Wede! Weder’ En Moeder zegt hard achter de ruiten:
.,Stil.” Dat is of er een eetbord aan stukken valt. Lied stapt achteruit in een kuil en valt op de grond en huilt. Maar Moeder komt niet bij haar om over de zeere plek heen te strijken en haar op te tillen. De eetbordjes schreeuwen harder dan zij zelf.”

Alie Smeding (17 juli 1890 – 5 juli 1938)
Enkhuizen


De Engelse dichter en criticus Donald Alfred Davie werd geboren op 17 juli 1922 in Barnsley, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Donald Davie op dit blog.

The Nonconformist

X, whom society’s most mild command,
For instance evening dress, infuriates,
In art is seen confusingly to stand
For disciplined conformity, with Yeats.

Taxed to explain what this resentment is
He feels for small proprieties, it comes,
He likes to think, from old enormities
And keeps the faith with famous martyrdoms.

Yet it is likely, if indeed the crimes
His fathers suffered rankle in his blood,
That he find least excusable the times
When they acceded, not when they withstood.

How else explain this bloody-minded bent
To kick against the prickings of the norm;
When to conform is easy, to dissent;
And when it is most difficult, conform?

 

No Epitaph

No moss nor mottle stains
My parents’ unmarked grave;
My word on them remains
Stouter than stone, you told me.

“Martyred to words”, you have thought,
Should be your epitaph;
At other times you fought
My self-reproaches down.

Though bitterly once or twice
You have reproached me with how
Everything ended in words,
We both know better now:

You understand, I shall not
If I survive you care
To raise a headstone for
You I have carved on air.

Donald Davie (17 juli 1922 – 18 september 1995)


Zie voor nog meer schrijvers van de 17e juli ook mijn blog van 17 juli 2018 en ook mijn blog van 17 juli 2017 en eveneens mijn blog van 17 juli 2016 deel 2.

Pam Ayres, Jochen Schimmang, Horton Foote, Volker von Törne, Olivier Delorme, Alexandru Macedonski, Albert Robida, Theodore de Banville, Wout Waanders

De Britse dichteres van humoristische poëzie Pam Ayres werd geboren op 14 maart 1947 in Stanford in the Vale in Berkshire (tegenwoordig Oxfordshire). Zie ook alle tags voor Pam Ayres op dit blog.

You Made Me Late Again!

Well done. You’ve made me late again!
You know I’m not one to complain,
But all my careful plans have gone to pot.
Yes, you can make a face and groan,
But if I’d been on my own,
I guarantee I’d be there on the dot.

We’re in the rush hour, thanks to you,
I can’t think what it is you do,
That makes us late in every situation.
We could have sailed there, calm and sweet,
But now there’s gridlock on the street,
And we’re staring at our watches in frustration.

Oh God, they’re all out here today,
Shift over Grandpa! Out the way!
Overtake or let ME have a chance!
Oh, make your mind up sunshine, do!
He’s got a monumental queue,
The poor old geezer’s driving in a trance!

Are you not warmly dressed or what?
Because this car’s so bloody hot!
It’s boiling! It’s like crossing the equator!
Could you not turn it down, my sweet,
Before I pass out from the heat,
Which of course would make us even later.

D’you really need the radio on?
Because my concentration’s gone,
Don’t say you’re going to eat another snack,
And must you sit there like the Queen,
With that infernal magazine?
You’re blocking out the mirror! Oh, SIT BACK!

At last we stop, and as we park,
We see the house is cold and dark,
Our friends abandoned hope and went to bed,
Now, as if things could not be worse,
We face the journey in reverse,
If only we had left home when I SAID!

But at this point, his gracious wife,
Who’d endured him all her life,
Ordered up a taxi on her phone,
Then, with her finest leather boots,
Kicked him firmly in the glutes,
And went to live contented, on her own.


Pam Ayres (Stanford in the Vale, 14 maart 1947)

 

De Duitse schrijver Jochen Schimmang werd geboren op 14 maart 1948 in Northeim. Zie ook alle tags voor Jochen Schimmang op dit blog.

Uit: Altes Zollhaus, Staatsgrenze West

„Jetzt habe ich es geschafft; jetzt bin ich der alte Spinner vom Zollhaus.
Das hörte ich heute in meinem Rücken, als ich im Ort einkaufte. Da hatte jemand versehentlich etwas zu laut gesprochen, denn die Bemerkung war nicht an mich adressiert, nicht aggressiv, keineswegs als Beleidigung gedacht, die mich hinterrücks erreichen sollte. Eher schwang Respekt darin mit.
Den Roman Das Sonja-Komplott, der mir letztendlich diese komfortable Position ermöglicht hat, habe ich nicht selber geschrieben, auch wenn auf allen Ausgaben ziemlich groß – zu groß für meinen Geschmack – mein Name prangte und es auch im Abspann des Dreizehnteilers, den das Fernsehen daraus später gemacht hat, immer hieß: Nach Motiven des Romans »Das Sonja-Komplott« von Gregor Korff. Ich bin nie in meinem Leben Romancier gewesen. Der Verfasser war ein gewisser Z., dessen Klarnamen ich auch heute nicht enthüllen möchte, obwohl er tot ist. Z. war Bonner Korrespondent einer norddeutschen Regionalzeitung gewesen und hatte die Ostverschiebung in den neunziger Jahren nicht mehr mitgemacht, sondern war in Bonn geblieben. Einige Jahre, nachdem Sonjas wahre Rolle aufgeflogen war und ich gehen musste, erzählte ich ihm die Geschichte in allen Einzelheiten, und Z. machte innerhalb eines halben Jahres einen Achthundertseitenklotz daraus, einen Politthriller mit sämtlichen Geheimdiensten dieser Welt, mit kaltblütigen Morden, Intrigen, Ministerstürzen und allen Arten von Verrat, nicht zu vergessen der Liebesverrat. Sein Held, ein Mann namens Norbert Sethe, durchlebt die absurdesten Abenteuer, und es ist ein Wunder, dass er sie, eingekeilt zwischen BND, Mossad, CIA, MI6 und anderen Monstern, alle überlebt. Aber das muss er, weil Z. ihn zum Ich-Erzähler seiner Geschichten macht. Lauter Geschichten, die ich mir nicht hätte ausdenken können, denn ich habe keine Phantasie, wie Proust zu seiner Haushälterin sagte. Ich habe an dem Manuskript dann lediglich stilistische Korrekturen vorgenommen und die größten Peinlichkeiten oder Unwahrscheinlichkeiten gestrichen. Auf den Gedanken, selbst ein Buch zu schreiben, wäre ich nie gekommen, denn ich verabscheue den Trieb, der das Papier ununterbrochen mit seinen Produkten bedeckt.“


Jochen Schimmang (Northeim, 14 maart 1948)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver en draaiboekauteur Horton Foote werd geboren op 14 maart 1916 in Wharton, Texas. Zie ook alle tags voor Horton Foote op dit blog.

Uit: The Young Man from Atlanta

“WILL: Why did you give that boy money, Lily Dale? Behind my back after I had asked you not to see him again or go near him? Didn’t I ask you that?
LILY DALE: Yes, you did.
W: Then why, Lily Dale? Why?
L: I don’t know. I felt sorry for him. He had a sick mother, he lost his job, his sister was deserted with three small children.
W: All lies, as we know now, but even if they were true, after I had asked you.
L: I know, I know. I have never decieved you before, Daddy, except for one time. It was when you went to Chicago for a business trip and my cousin Mary Cunningham came to stay with e and she talked me into letting two men come over to the house. And you came back from Chicago unexpectedly and they ran out the back door. That was 20 years ago, I don’t know why I had to tell you that. It bothered me all these years, not that I would have done anything wrong… I get lonely, will. You’ve always had your work, off to school, and then of course I had my music, but when Bill died I couldn’t go near the piano anymore and I decided I should dedicate myself to God, and then this young friend of Bill’s comes and he was sweet to me, and I missed Bill so, and I would always talk to him about Bill. And I never told you this, but just before Alice Temple committed suicide I went to see her, and she told me that Bill had commited suicide, that everyone said that, and it upset me, and I didn;t want to tell you because I was afriad it would upset you, so I called his sweet friend in Atlanta, and he told me he did not because he had talked to him the night before and all he talked about was god.
W: That boy was a lair, Lily Dale.
L: He may be Will, but it did comfort me to hear him say it, and I needed comforting, will. I’ve spent my days here crying since Bill died, and I wouldn’t have done anything in the word to hurt you, Will, because you know how much I love you and how grateful I am for all you’ve given me, and I do believe in prayer, Will, and I’m going to pray for that your get well and strong and you’ll find a way to start your business.”


Horton Foote (14 maart 1916 – 4 maart 2009)
Poster voor een voorstelling

 

De Duitse dichter Volker von Törne werd geboren op 14 maart 1934 in Quedlinburg. Zie ook alle tags voor Volker von Törne op dit blog.

VASTLY ON THE ROAD

Vasily, toothless
On the road
                Here on that day
The Germans stood his son
Against the wall
                     The white
Of the wall
Pierces my eyes

 

PATHS

1
Come with me.
The drowned years
Are rising to the surface.
Tonight By the river the fires
Are burning again

2
The gendarmes wear shakos
That glint in the moonlight.
The farmers
Unleash their dogs
And bolt
Their doors

3
We lie by the river, listening
To the gipsy’s song.
He sings:
My violin has two comrades
Their names are love
And death

4
Come with me.
The horses are scraping
The ground.
Ahead of us
The paths
To the country
Lie dear

 

Vertaald door Jean Boase-Beier


Volker von Törne (14 maart 1934 – 30 december 1980)
Cover

 

De Franse schrijver Olivier Delorme werd geboren op 14 maart 1958 in Chalon-sur-Saône. Zie ook alle tags voor Olivier Delorme op dit blog.

Uit:Les ombres du levant

« Quand mon grand-père est mort, en 1987, un vague regret m’envahit. Celui de ne l’avoir pas davantage connu. Diplomate à la retraite, Alexandre Granier d’Hautefort était alors âgé de soixante-douze ans. Commandeur de la Légion d’honneur et titulaire de nombreux ordres étrangers, il conservait une multitude de breloques tintinnabulantes et colorées dans un coffret de bois de rose doublé de satin mauve et défraîchi ; une boîte aux trésors qu’il ouvrait pour moi seul, lorsque j’étais enfant, et dont il tirait ces médailles qui m’émerveillaient, égrenant des noms exotiques qui me ravissaient et contant les mystérieuses contrées d’où il les avait rapportées. Puis il disparaissait plusieurs mois, plusieurs années parfois : explorateur, aventurier dans mon esprit d’enfant. Seul, cette fois, j’en avais exploré le contenu au soir de l’incinération. La matinée d’avril avait été froide et brumeuse. Tout un monde digne, morne et recueilli, ou bien feignant l’affliction et le recueillement (mais un monde qui ne comptait pas pour rien à Paris), s’était pressé au crématoire… Mes parents sont morts peu après ma naissance, et j’ai été élevé par ma grand-mère. Les deux seuls hommes qui ont veillé sur moi, durant mon enfance, ce furent mon grand-père Rod, attentif et toujours présent, et de loin en loin, mais capital pour mes rêves, ce grand-père Hautefort. Vers quinze ans, j’avais appris que ces aïeuls avaient été tous deux mariés à ma grand-mère, qu’ils en avaient tous deux divorcé, qu’aucun d’eux cependant n’était le géniteur de mon père — mais je n’ai découvert la réalité de leur drôle de relation triangulaire que dans les papiers dont Alexandre d’Hautefort m’a établi son légataire en même temps que de ses autres biens (à l’exception toutefois de l’urne de bronze qui devait brièvement renfermer ses cendres et que j’avais charge de remettre à mon « grand-père » Rod). Car si cet héritage comprenait, outre la boîte aux médailles, un portrait funéraire du Fayoum peint à l’encaustique — une de ces dames grecques de l’Égypte hellénistique, hautaine mais poignante, entrée les yeux grands ouverts dans le néant —, une friche en Poitou, vestige d’un domaine familial (dilapidé au jeu, dit-on), une maison sans eau courante sur une île grecque, quelques monnaies antiques qui n’auront pas été pour rien dans ma vocation d’archéologue et de numismate, des tapis et des cuivres d’Orient amassés dans le bric-à-brac à la Loti de son deux pièces de la rue de Verneuil, j’y trouvai surtout plusieurs gros cahiers d’écolier : un récit à la plume et à l’encre violette écrit aux dernières années de sa vie, entrecoupé de pages collées provenant d’un journal intime plus ancien et de lettres, dont certaines d’un papier bleu, resté vif malgré le temps, qui devait être quelque peu excentrique dans les années d’avant-guerre où elles avaient été écrites. »


Olivier Delorme (Chalon-sur-Saône, 14 maart 1958)
Cover

 

De Franse schrijver, tekenaar, schilder, karikaturist en journalist Albert Robida werd geboren op 14 maart 1848 in Compiègne.Zie ook alle tags voor Albert Robida op dit blog.

Uit: The Monkey King (Fragment uit:Voyages très extraordinaires de Saturnin Farandoul,vertaald door Brian Stableford)

“Such timidity in a healthy youth of eighteen months worried the gallant monkeys exceedingly. Although his brothers had set him an excellent example by means of the most audacious ascensions and aerial somersaults, Farandoul never got the hang of gymnastics. As he grew apace into a sturdy little chap, the anxiety of his parents increased. It became a veritable anguish as they saw that he was quite incapable of following them when the family went off on expeditions in search of amusement, hurling themselves about in the crowns of tall trees and forming troupes of acrobats to swing on the natural see-saws generously provided by the coconut palms. Farandoul’s brothers made as many footholds as possible for him and ran away into the trees in order to invite him to climb after them, but he remained at the foot of the trees, astonished and angry because he was unable to do as they did.
Farandoul’s foster-mother, who loved him at least as much as her other children, and perhaps a little more — for he was undoubtedly the weakest — did not know what to do to develop the gymnastic talent that must, she believed, exist in him as in every other monkey. Sometimes, while suspended by the tail from the lower branches of a trees, she would throw herself into space and swing there, calling to Saturnin with little reproachful cries; on other occasions, she turned a thousand somersaults, walked on her hands, made him climb up on her back, and clambered up into the branches with him — but in the former instances, Saturnin Farandoul stayed down below, deaf to her appeals, and in the latter, he clung fearfully to his mother’s fur, refusing to let go. What a torment he was to those brave orangs!
Soon, this preoccupation became perpetual, a chronic worry. Farandoul continued to grow without becoming any more agile. His foster-father — who, since his lucky find, had become one of the most respected monkeys on the island — held frequent consultations with the elders — the venerable monkeys who, as we have said, held their assemblies under the largest eucalyptus in the village. It was obvious that Saturnin Farandoul was the subject of these conversations. These monkeys frequently summoned him, placed their hand on his head, watched him attentively, made him walk and run, consulted one another, scratched themselves, shook their heads, and finally appeared unable to understand it at all.”


Albert Robida (14 maart 1848 – 11 oktober 1926)
Illustratie uit “Voyages très-extraordinaires de Saturnin Farandoul »

 

De Roemeense dichter Alexandru Macedonski werd geboren op 14 maart 1854 in Craiova.  Zie ook alle tags voor Alexandru Macedonski op dit blog.

The Sonnet of Gems

Here lavishly these jewels among all men I share;
In the high fire of living I crystallized their truth,
And in their depths I mirrored the miracle of youth,
And Art has stroked them gently to make them shine fore’er.

Like a devout apprentice I bent and toiled and tried
Till from my soul I plucked them when daybreak is agleam,
And pure were they, yeah, purer than Beauty’s eyes of dream;
Enduring, too, i made them, forever to abide.

Now let Age set its signet upon the man that is
And will be for some time yet – and then let Death set his:
These gems of the first waters, profound and motionless,

Defying human meanness and human envious rage
And standing out in ever more brilliant sacredness,
Shall ne’er be lost to ages, nor bear the stain of age.

 

Vertaald door Dan Duțescu

 

The August Roses Rondeau

So roses are still here …and there,
And perfumed are they as well
Just like they were then
When heaven, I believed, was here.

I was so brave at times
Amongst my people, I gazed up;—
So roses are still here …and there,
And perfumed are they as well.

In vain the words of life
Have tried to quench my joys,
When I smile, I constantly forget, and sing,
Despite the misdemeanours of my life ….,
And roses are still here …and there.

 

Vertaald door Valentin Petcu

 
Alexandru Macedonski (14 maart 1854 – 24 november 1920)
Cover

 

De Franse dichter Theodore Faullain de Banville werd geboren op 14 maart 1823 in Moulins in de Auvergne. Zie ook alle tags voor Theodore de Banville op dit blog.

Carmen

Camille, en dénouant sur votre col de lait
Vos cheveux radieux plus beaux que ceux d’Hélène,
Égrenez tour à tour, ainsi qu’un chapelet,
Ces guirlandes de fleurs sur ces tapis de laine.

Tandis que la bouilloire, éveillée à demi,
Ronfle tout bas auprès du tison qui s’embrase,
Et que le feu charmant, tout à l’heure endormi,
Mélange l’améthyste avec la chrysoprase ;

Tandis qu’en murmurant, ces vins, célestes pleurs,
Tombent à flots pressés des cruches ruisselantes,
Et que ces chandeliers, semblables à des fleurs,
Mettent des rayons d’or dans les coupes sanglantes ;

Que les Dieux de vieux Saxe et les Nymphes d’airain
Semblent, en inclinant leur tête qui se penche,
Parmi les plâtres grecs au visage serein,
Se sourire de loin dans la lumière blanche ;

Les bras et les pieds nus, laissez votre beau corps
Dont le peignoir trahit la courbe aérienne,
Sur ce lit de damas étaler ses accords,
Ainsi qu’un dieu foulant la pourpre tyrienne.

Que votre bouche en fleur se mette à l’unisson
Du vin tiède et fumant, de la flamme azurée
Et de l’eau qui s’épuise à chanter sa chanson,
Et dites-nous des vers d’une voix mesurée.

Car il faut assouplir nos rythmes étrangers
Aux cothurnes étroits de la Grèce natale,
Pour attacher aux pas de l’Ode aux pieds légers
Le nombre harmonieux d’une lyre idéale.

Il faut à l’hexamètre, ainsi qu’aux purs arceaux
Des églises du Nord et des palais arabes,
Le calme, pour pouvoir dérouler les anneaux
Saints et mystérieux de ses douze syllabes !

 
Theodore de Banville (14 maart 1823 – 15 maart 1891)
Portret door Georges-Antoine Rochegrosse, 1886

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Nederlandse dichter Wout Waanders werd geboren in 1989in ’s-Hertogenbosch. Zie ook alle tags voor Wout Waanders op dit blog. In februari 2019 werd Wout Waanders voor de komende 2 jaar benoemd tot nieuwe stadsdichter van Nijmegen.

Einde van dit gedicht

Iemand zei me ooit
Als je ooit eens dichten gaat
Weet dat je alles mag proberen
Als je maar twee dingen laat
Begin een gedicht namelijk nóóit met ik
Dat staat snel en onterecht
En bovendien weet dan iedereen
Dat je slechts voor je zelf vecht
En schrijf ook nooit of te nimmer je leven
Een gedicht achterstevoren
Ook niet als je hiermee misschien denkt
Aan een nieuwe markt te kunnen boren

Met deze wijsheden kun je dan op een goede dag
Met het dichten aan de slag!
Maar verdomd zul je net zien
mij krijg je echt niets geleerd
dit is mijn allereerste gedicht en
ik doe precies beide nu verkeerd


Wout Waanders (’s-Hertogenbosch, 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e maart ook mijn blog van 14 maart 2015 deel 2.

Pam Ayres, Jochen Schimmang, Horton Foote, Volker von Törne, Olivier Delorme, Alexandru Macedonski, Albert Robida, Theodore de Banville, Wout Waanders

De Britse dichteres van humoristische poëzie Pam Ayres werd geboren op 14 maart 1947 in Stanford in the Vale in Berkshire (tegenwoordig Oxfordshire). Zie ook alle tags voor Pam Ayres op dit blog.

Tippy Tappy Feet

The days are slowly passing since I found her still and prone,
Since I took her to the surgery and came back on my own,
Now, as my key turns in the lock, the sound I miss the most of all,
Are the tippy tappy toenails as they skidded down the hall.

There was something in the welcome; there was something in her style,
In the jingle of her collar and ecstatic doggy smile,
The tail that wagged so furious, the eyes that shone so bright,
It’s the silence. It’s the silence. It is blacker than the night.

And if I’d had a rotten day, if I was tired and spent,
If I had found indifference in every place I went,
Always at my journey’s end, when I was flat and lonely,
That little dog convinced me I was someone’s one and only.

Her things are still around me, I have left them all alone,
A little greasy collar, a yellow rubber bone,
A hairy tartan blanket in her basket on the floor,
From which she sprang to terrify all knockers at the door.

How grievous is the emptiness on entering the hall,
How disproportionate; so great a loss for one so small,
For the music it is missing, and my home is incomplete,
The music of her tippy tappy doggy dancing feet.

 
Pam Ayres (Stanford in the Vale, 14 maart 1947)
Affiche

Doorgaan met het lezen van “Pam Ayres, Jochen Schimmang, Horton Foote, Volker von Törne, Olivier Delorme, Alexandru Macedonski, Albert Robida, Theodore de Banville, Wout Waanders”

Pam Ayres, Jochen Schimmang, Volker von Törne, Horton Foote, Olivier Delorme, Alexandru Macedonski, Albert Robida, Theodore de Banville, Wout Waanders

De Britse dichteres van humoristische poëzie Pam Ayres werd geboren op 14 maart 1947 in Stanford in the Vale in Berkshire (tegenwoordig Oxfordshire). Zie ook alle tags voor Pam Ayres op dit blog.

Sat Nav

I have a little Satnav, It sits there in my car
A Satnav is a driver’s friend, it tells you where you are.

I have a little Satnav, I’ve had it all my life
It’s better than the normal ones, my Satnav is called a wife.

It gives me full instructions, especially how to drive
“It’s sixty miles an hour”, it says, “You’re doing sixty five”.

It tells me when to stop and start, and when to use the brake
And tells me that it’s never ever, safe to overtake.

It tells me when a light is red, and when it goes to green
It seems to know instinctively, just when to intervene.

It lists the vehicles just in front, and all those to the rear
And taking this into account, it specifies my gear.

I’m sure no other driver, has so helpful a device
For when we leave and lock the car, it still gives its advice.

It fills me up with counselling, each journey’s pretty fraught
So why don’t I exchange it, and get a quieter sort?

Ah well, you see, it cleans the house, makes sure I’m properly fed
It washes all my shirts and things, and keeps me warm in bed!

Despite all these advantages, and my tendency to scoff,
I only wish that now and then, I could turn the bugger off.



Pam Ayres (Stanford in the Vale, 14 maart 1947)

Doorgaan met het lezen van “Pam Ayres, Jochen Schimmang, Volker von Törne, Horton Foote, Olivier Delorme, Alexandru Macedonski, Albert Robida, Theodore de Banville, Wout Waanders”

Jochen Schimmang, Volker von Törne, Pam Ayres, Horton Foote, Olivier Delorme, Wout Waanders

De Duitse schrijver Jochen Schimmang werd geboren op 14 maart 1948 in Northeim. Zie ook alle tags voor Jochen Schimmang op dit blog.

Uit: Der schöne Vogel Phönix

»Es ist dies wohl mein letzter Brief, der Dich in dem un-würdigen Dasein der Beengung und der Unfreiheit erreicht. Der Gefreite Murnau wird nicht mehr sein, die Geschichte dieser achtzehn Monate wird zu einem Kapitel, eine neue Seite wird aufgeblättert. Ich hoffe, dass die ätzende Säure der Erinnerung dieses neue Kapitel nicht beeinflusst.«
Das war der zweite Absatz des vorletzten Briefes, den mir Jensen damals im Dezember schrieb (ein paar Tage später kam dann der wirklich Letzte, um ein paar Terminfragen zu klären). Dieser Vorletzte war einer jener sieben Seiten lan-gen Briefe, wie ich sie von Jensen, aber auch von anderen, das ganze Jahr über in unregelmäßigen Abständen bekam. Ich selbst war es, der damals für die Kompanie die Post vom Stabsgebäude holte, kurz vor der Mittagspause, und je nach-dem, ob ich Post erhalten hatte oder nicht, hatte ich es eilig, in die Kompanie zurückzukommen oder redete noch eine Viertelstunde mit den Gefreiten in der Poststelle. Dieser Brief war nun einer der letzten überhaupt, die zu mir in die Kaserne kamen. Wir schrieben Dienstag, den 10. Dezember. Das Zentimetermaß in meinem Spind hatte sich auf neun Zentimeter verkürzt. »Es klingt wie eine Sage, noch ganze neun Tage.«
Das Kasernengelände war sehr ruhig in diesen Dezem-bertagen. Die Mehrzahl der Soldaten freute sich auf Weih-nachten und den damit verbundenen Urlaub, und eine Min-derheit, der anzugehören ich das Glück hatte, freute sich auf den 20. Dezember. Es war nicht die Zeit, um hektische Vorbereitungen zu treffen, nicht die Zeit, um ins Manöver zu ziehen oder gar in einen Krieg.
Es war das Jahr 1968, das sich dem Ende zuneigte, ein ganzes Jahr, zugebracht in einer Garnisonsstadt am Jade-busen, Hunderte von Kilometern entfernt von der Teilstadt Berlin-West, aus der mir zuweilen der Pinguin Briefe über Wasserwerfer schrieb, oder von Tübingen, von wo mich seit kurzem Jensens Briefe erreichten, oder Frankfurt am Main, wo der Professor Theodor W. Adorno einen Lehrstuhl bekleidete und der Genosse Hans-Jürgen Krahl am 27. Mai seine Römerbergrede hielt, die ich vier Jahre später in einer riesigen Wohnung in Berlin zum ersten Mal lesen sollte, als der Genosse Krahl schon tot war. Das Jahr hatte mit einem kalten Winter begonnen, den ich größtenteils im Lazarett verbrachte. Etwas später hatten in Berlin und anderswo Autos gebrannt, die die Bild-Zeitung und andere Druck-erzeugnisse an die Verkaufsstellen bringen sollten, und im Mai, als ich wieder, diesmal mit frisch herausgenommenen Mandeln, im Lazarett lag, war Manchester United Europa-meister geworden, und in Frankreich gab es den größten Generalstreik der Geschichte.“

 
Jochen Schimmang (Northeim, 14 maart 1948)

Doorgaan met het lezen van “Jochen Schimmang, Volker von Törne, Pam Ayres, Horton Foote, Olivier Delorme, Wout Waanders”