Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, J. G. Farrell, Robert Margerit

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Dagelijks werk – een schrijversleven

„In de zomer van 2016 had ik een nieuwe koelkast nodig, ter vervanging van het chagrijnige oude beest dat in mijn bijkeuken stroom stond te slurpen. Op dus naar die witgoedwinkel in Haarlem-Noord waar ik eerder zo goed was geslaagd. Omdat het een prachtige middag was en het noordelijke stadsdeel ‘achter het spoor’ mij relatief onbekend was, besloot ik daar na de aanschaf van mijn nieuwe koelkast een wandeling te maken. Het is een stedelijk woongebied, zoals die rond 1900 overal in Nederland zijn gebouwd, met overwegend lage woningbouw en poortachtige toegangen tot de zijstraten.
Al binnen een paar minuten stond ik stil, getroffen door iets wat ik niet eens zozeer zág als wel voelde: ik stond op de locatie waar mijn volgende roman zich zou gaan afspelen.
Je moet al zoveel verzinnen als je een roman schrijft, dus een bestaande locatie biedt in elk geval houvast en grond onder de voeten. Voor iedere schrijver zal het anders zijn, maar voor mij begint alles met die aardende, verankerende plaatsbepaling. Heb ik de plek, dan komt het verhaal vanzelf. Die rare term ‘de plaats van handeling’ is zo gek nog niet. Als ik eenmaal weet wat de plaats van handeling van mijn volgende boek is, dan kom ik al schrijvende ook wel te weten wat die handeling behelst.
Wat mij triggerde op die zonovergoten middag in Haarlem-Noord was dat in één straat de monotonie van eengezinswoningen werd onderbroken door een schoolachtig gebouw dat zich als een schuw dier zo laag mogelijk tegen de stoep gedrukt hield, alsof het aan mijn blik wilde ontsnappen, maar daarmee bereikte het dus het tegendeel. noorder kinderhuis, stond er in de gevel gebeiteld.
Bij die woorden zag ik een ijsvlakte voor me waarover sneeuwvlagen joegen. Ik wist genoeg. Onguurder dan dit ging ik het niet krijgen. Het Noorder Kinderhuis! Mijn god, dat was een plek waar je als kind niet moest zijn!
Ik stak de straat over en tuurde door een raam naar binnen. Er was een doodgewoon hedendaags kinderdagverblijf gevestigd. Maar dat betekende niets. Als je aan dat soort details gewicht toekent, schrijf je nooit een roman. Dit had best sinds mensenheugenis een goelag voor kleine mensen kunnen zijn. Gemene ouders dumpten hier hun nageslacht als ze er genoeg van hadden.
Op slag vlogen wonderlijke namen mijn hoofd binnen. Zebedee, Hosanne, Anne-Eden, de tweeling Michaël en Daniël. Voor mijn geestesoog rees een compleet, kroostrijk gezin uit de Biblebelt op, met van die bleke, langgerekte kinderen die zonder vaccins of mobieltjes door het leven moeten terwijl ze elkaars kleren afdragen en naar bevindelijke zomerkampen gaan. Zo’n gezin met minstens tien kinderen, waarbij niemand het merkt als er opeens een kotertje minder is.”

 
Renate Dorrestein (25 januari 1954 – 4 mei 2018)

 

De Nederlandse schrijfster Lisa Weeda werd geboren in Dordrecht op 25 januari 1989. Zie ook alle tags voor Lisa Weeda op dit blog.

Uit: Rijskracht

“De laatste keer dat ik mijn vader zag, snoof ik achterin de bus een halve gram coke van de voordeursleutel van mijn ouderlijk huis. Het was zondagmiddag, één uur. Naast me zat een oude dame in een geruite trenchcoat, een paraplu tussen haar benen geklemd. Toen ik met trillende handen het koude ijzer van de met poeder gevulde baard tegen mijn neus perste, keek ze opzij. Ze verschoof niet, had een kalme blik in haar ogen.
‘Zou je dat nu wel doen jongen,’ vroeg ze.
Rustig, alsof ze een in een hoek gedreven kat wilde aaien, legde ze haar rechterhand op mijn bovenbeen. We bleven een tijdje zo zitten. We reden langs boerenbedrijven, voorbij borden ‘aardappelen te koop’, Sjaaks garage. Ik keek de bus rond: altijd dezelfde vriendelijk lachende koppen op de stoelen, een besnorde man achter het stuur. Na tien minuten legde ik mijn hand op die van de vrouw. Ze was oud, maar warm.
‘Ik probeer al een tijd iets te worden,’ zei ik. ‘Maar het wil niet echt. Mijn vrienden zeiden: alleen wat lijntjes in de tentamenweken. Je moet naar de klote gaan om aan de top te komen.’
‘Lukte dat?’
‘Negens, achten. Uitnodigingen voor masterclasses, meelopen op vooraanstaande kantoren.’
‘Waar is je maatpak nu, jongen?’
Alle gekken vallen op een gegeven moment van de rand af. Tuimelen zacht door een glazen wand zonder daarna te zien dat ze aan de andere kant van het glas terechtgekomen zijn. Nog eens keek ze me aan. Ze legde haar andere hand op de mijne, pakte me in, vouwde me klem. Bijna trilde ik niet meer.”

 
Lisa Weeda (Dordrecht, 25 januari 1989)

 

De Israëlische schrijver David Grossman werd geboren op 25 januari 1954 in Jeruzalem. Zie ook alle tags voor David Grossman op dit blog.

Uit: Be My Knife (Vertaald door Vered Almog en Maya Gurantz)

“April 7
(Just a few more words.) I sent that letter, came back, and still couldn’t calm down–why should I?–oh, Miriam, please pay no attentionto this fool who’s been smiling uncontrollably since this morning. He’s so happy. He wants right at this minute to take off his clothes, strip off his epidermis, everything, and stand before you bare, right down to the white kernel of his soul. I wish I could paint for you, bray for you, neigh, bark, even whistle for you everything roaring inside me (which reminds me–when I was about twenty, I looked for ways to be a secular version of one of the Righteous Thirty-six. This led to a plan to, at least once a week, sit down on the bus behind a solitary woman, preferably a woman in black widow’s weeds–but you can’t be picky–and, without letting her see me, quietly whistle a love song in her ear that could trip through the outer shell, into her inner ear, and touch everything that was asleep, despaired of, congealed) …
I’m not at all scared that we’re strangers, by the way. On the contrary, tell me, what is more attractive and provocative than the possibility of taking something very precious–the most precious thing–a secret or weakness, or a thoroughly implausible request like the one I made of you, and deliberately placing it in the hands of a total stranger? And then to be tormented by so much shame and disgrace for allowing the beggar in me such a transparent delusion, so that for three days and three nights I spent every moment in self-imposed solitary confinement, a trap … then, just as I was about to give up, stupid, spiteful, gloomy, and gray, all of a sudden your white hand–
Look, maybe you can’t see what excites me so terribly, but your warm, radiant letter, especially the P.S. at the end, that one line–it was as if you came and led me by the hand from shadow into light. That’s how I felt, that you had given me your hand and led me across a watershed of light, it was so simple, as if it was completely natural for a person to do that for a stranger.
(And now, a cold wave. Of all the times, now, just at this moment, and why? Because it was good? A cold wave rising from my stomach, a cold fist rolled up into a ball just under my heart–get acquainted with it.)
Again, please understand I’m really talking about letters only, not a meeting, never a body. No flesh, not with you, your letter made that so clear to me: only words. It would ruin us, being face-to-face, it would immediately take us down into familiar territory. Also, of course, we will keep this strictly secret, we won’t let anybody in on it, so that no one from the outside can use our secret words against us. Only my words meeting yours, so we can feel the rhythm of our breath slowly becoming one.
It makes me so tired to write this way, not a usual fatigue, but after every few lines I really have to stop to take a breath, calm down.”

 
David Grossman (Jeruzalem, 25 januari 1954)

 

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874. Zie ook alle tags voor William Somerset Maugham op dit blog.

Uit: Rain

“It was nearly bed-time and when they awoke next morning land would be in sight. Dr. Macphail lit his pipe and, leaning over the rail, searched the heavens for the Southern Cross. After two years at the front and a wound that had taken longer to heal than it should, he was glad to settle down quietly at Apia for twelve months at least, and he felt already better for the journey. Since some of the passengers were leaving the ship next day at Pago-Pago they had had a little dance that evening and in his ears hammered still the harsh notes of the mechanical piano. But the deck was quiet at last. A little way off he saw his wife in a long chair talking with the Davidsons, and he strolled over to her. When he sat down under the light and took off his hat you saw that he had very red hair, with a bald patch on the crown, and the red, freckled skin which accompanies red hair; he was a man of forty, thin, with a pinched face, precise and rather pedantic; and he spoke with a Scots accent in a very low, quiet voice. Between the Macphails and the Davidsons, who were missionaries, there had arisen the intimacy of shipboard, which is due to propinquity rather than to any community of taste. Their chief tie was the disapproval they shared of the men who spent their days and nights in the smoking-room playing poker or bridge and drinking. Mrs. Macphail was not a little flattered to think that she and her husband were the only people on board with whom the Davidsons were willing to associate, and even the doctor, shy but no fool, half unconsciously acknowledged the compliment. It was only because he was of an argumentative mind that in their cabin at night he permitted himself to carp.
“Mrs. Davidson was saying she didn’t know how they’d have got through the journey if it hadn’t been for us,” said Mrs. Macphail, as she neatly brushed out her transformation. “She said we were really the only people on the ship they cared to know.” 1 shouldn’t have thought a missionary was such a big bug that he could afford to put on frills.”
“If s not frills. I quite understand what she means. It wouldn’t have been very nice for the Davidsons to have to mix with all that rough lot in the smoking-room.” “The founder of their religion wasn’t so exclusive,” said Dr. Macphail with a chuckle. “I’ve asked you over and over again not to joke about religion,” answered his wife. “I shouldn’t like to have a nature like yours, Alec. You never look for the best in people.” He gave her a sidelong glance with his pale, blue eyes, but did not reply. After many years of married life he had learned that it was more conducive to peace to leave his wife with the last word.”

 
William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)
Cover

 

De Engelse schrijfster Virginia Woolf werd geboren op 25 januari 1882 te Londen. Zie ook alle tags voor Virginia Woolf op dit blog

Uit: The Diary of Virginia Woolf

“Friday 1 September (1939)
War is on us this morning. Hitler has taken Dantzig: has attacked – or is attacking – Poland. Our P(arliamen)t meets at 6 tonight. This after a day in London, submerged doubts & hopes. Last night we heard terms to Poland read. We then had some hope. Now at 1 I go in to listen I suppose to the declaration of war.
By the early summer of 1940 the Woolfs were much preoccupied with the threat of a German invasion. Leonard told Virginia that he was keeping petrol in the garage for the purpose of committing suicide by carbon monoxide poisoning if Hitler won. Wednesday 15 May
An appeal last night for home defence – against parachutists. L. says he’ll join. An acid conversation. Our nerves are harassed – mine at least: L. evidently relieved by the chance of doing something. Gun & uniform to me slightly ridiculous. Behind that the strain: this morning we discussed suicide if Hitler lands. Jews beaten up. What point in waiting? Better shut the garage doors. This a sensible, rather matter of fact talk. Then he wrote letters, & I too: thanked Bernard Shaw for his love letter. Copied my lecture contentedly. A thunderous hot day. Dutch laid down arms last night. The great battle now raging. Ten days, we say, will settle it. I guess we hold: then dig in; about Nov. the USA comes in as arbitrator. On the other hand –
Mabel just come. She says theyre building wooden bridges beside the others on the Thames. Pop-pop-pop, as we play bowls. Probably a raider over Eastbourne way. Now thunder rain sets in. No, I dont want the garage to see the end of me. I’ve a wish for 10 years more, & to write my book wh. as usual darts into my brain. L. finished his yesterday. So we’ve cleared up our book accounts – tho’ its doubtful if we shall publish this June. Why am I optimistic? Or rather not either way? because its all bombast, this war. One old lady pinning on her cap has more reality. So if one dies, it’ll be a common sense, dull end – not comparable to a days walk, & then an evening reading over the fire. Hospital trains go by. A hot day to be wounded. Anyhow, it cant last, this intensity – so we think – more than 10 days. A fateful book this. Still some blank pages – & what shall I write on the next 10?
This idea struck me: the army is the body: I am the brain. Thinking is my fighting.”

 
Virginia Woolf (25 januari 1882 – 28 maart 1941) 
Cover

 

De Italiaanse schrijver Alessandro Baricco werd geboren op 25 januari 1958 in Turijn. Zie ook alle tags voor Alessandro Baricco op dit blog.

Uit: Ocean Sea (Vertaald door Alastair McEwen)

“As it is always like this, you need only the glimmer of a man to wound the repose of that which would otherwise be a split second away from becoming truth but instead immediately becomes suspense and doubt once more, because of the simple and infinite power of that man who is a slit, a chink, a small doorway through which return a flood of stories and the enormous inventory of what could be, an infinite gash, a marvelous wound, a path made of thousands of steps where nothing can be true anymore but everything will be  — just as the steps are of that woman who, wrapped in a purple cloak, her head covered, is pacing the beach with measured tread, skirting the backwash of the sea, her feet tracing furrows from right to left across what is by then the lost perfection of the great picture, consuming the distance that separates her from the man until she comes to within a few paces of him, and then right beside him, where it takes nothing to pause and silently look on.
The man does not even turn. He continues staring out at the sea. Silence. From time to time he dips the brush in a copper cup and makes a few light strokes on the canvas. In their wake the bristles of the brush leave a shadow of the palest obscurity that the wind immediately dries bringing the pristine white back to the surface. Water. In the copper cup there is only water. And on the canvas, nothing. Nothing that may be seen.
The north wind blows as it always does and the woman pulls her purple cloak closer around her.
“Plasson, you have been working for days and days down here. Why do you carry all those colors around with you if you do not have the courage to use them?”
This seems to wake him up. This hits home. He turns to observe the woman’s face. And when he speaks it is not to reply.
“Please, do not move, he says.”
Then he brings the brush up to the woman’s face, hesitates a moment, rests it on her lips and slowly runs it from one corner of her mouth to the other. The bristles come away tinged with carmine. He looks at them, dips them ever so slightly in the water and looks up once more towards the sea. On the woman’s lips there lingers the  hint of a taste that obliges her to think “sea water, this man is painting the sea with the sea” — and it is a thought that brings a shiver.”

 
Alessandro Baricco (Turijn, 25 januari 1958)

 

De Finse dichter, toneelschrijver en uitgever Paavo Juhani Haavikko werd geboren in Helsinki op 25 januari 1931. Zie ook alle tags voor Paavo Haavikko op dit blog.

Uit: No. That’s to say, yes

To begin with, one must note:
There are many wise men. But on the other hand, there is not a single
insane tree.
      We are allies, the forest and I, in the sense that the forest is my ally,
and that I am a representative and responsible person.
      There are many such alliances in the world.
      That is because they have not been studied much.

*

I have written: ‘From the very beginning, the human being has been
designed as a throwaway item. It finds it hard to understand that, since it
did not create itself.’
      The human being is a superego. The trees know that.
*

It is hard to communicate with trees because they do not want to speak,
read, count, or lie.
      It has become apparent to them that it is difficult to say a single truthful
word without insulting the public or objects.
      They do not speak because they do not want to insult or restrain the
public.
      They do not want to speak because they are afraid of being understood
by accident.
      They do not agree with flight or attack. They have seen war.
The sun might go out if trees started speaking, telling what they have
seen, asking for compensation.
      If they were to start asking questions, the questions would turn into
answers. And they would be accurate.

 

Vertaald door Anselm Hollo

 
Paavo Haavikko (25 januari 1931 – 6 oktober 2008)
In 1997

 

De Iers-Britrse schrijver James Gordon Farrell werd geboren op 25 januari 1935 in Liverpool. Zie ook alle tags voor J. G. Farrell op dit blog.

Uit:The Singapore Grip

“There, in those ‘lower depths’ Chinese secret societies undoubtedly performed monstrous crimes, kidnapped their own prominent citizens, fought out appalling territorial battles, stunned themselves with drugs and so forth. If you were merely a visitor, a sailor, say, in those years before the war, Singapore would undoubtedly have seemed no less tawdry, no less exciting than another of the great Eastern sea ports. You would have gone to drink and dance at one of the amusement parks, perhaps even at The Great world itself, whose dance-hall, a vast, echoing barn of a place, had for many years entertained lonely sailors like yourself. There, for twenty-five cents, you could dance with the most beautiful taxi-girls in the East, listen to the loudest bands and admire the glorious dragons painted on the walls. In the good old days, before the troops started flooding in at the beginning of the War, that place could swallow an entire ship’s company and still seem empty except for you and the two or three Chinese girls with dolls’ painted faces sitting at your table, ready to support you with tiny but firm hands should you look like plunging to the floor full of Tiger beer. There, too, when you staggered outside into the sweltering night, you would have been able to inhale that incomparable smell of incense, of warm skin, of meat cooking in coconut oil, of money and frangipani, and hair-oil and lust and sandalwood and heaven knows what, a perfume like the breath of life itself. And from the roof of the Seamen’s Institute, or from some other less respectable roof, you might have seen the huge purple sign advertising Tiger Balm and, beside it, once darkness had completely fallen, its guardian, the great sabre-toothed tiger with glowing orange stripes beginning its nightly prowl over the sleeping roofs of Singapore. But there is no denying it, certain parts of the city were tawdry and others were wretched, and becoming more so as the age advanced: already, by 1940, the walls of cheap hotels and boarding-houses, hitherto impermeable except to an occasional muffled groan or sigh, were becoming porous and beginning to leak radio music, twangings of guitars and news bulletins. Every great city has its seamy side. And so let us look for preference at the gentler parts of the city, at the elegant European suburb of Tanglin, for instance, where Walter Blackett, chairman of the illustrious merchant and agency house of Blackett and Webb Limited, lived with his family At first glance Tanglin resembled any quiet European suburb with its winding, tree-lined streets and pleasant bungalows. There was a golf course close at hand with quite respectable greens; numerous tennis courts could be seen on the other side of sweet-smelling hedges and even a swimming pool or two. It was a peaceful and leisurely life that people lived here, on the whole. Yet if you looked more closely you would see that it was a suburb ready to burst at the seams with a dreadful tropical energy. Foliage sprang up on every hand with a determination unknown to our own polite European vegetation. Dark, glistening green was smeared over everything as if with a palette knife, while in the gloom (the jungle tends to be gloomy) something sinister which had been making a noise a little while ago was now holding its breath.”


J. G. Farrell (25 januari 1935 – 11 augustus 1979)

 

De Franse schrijver en journalist Robert Margerit werd geboren op 25 januari 1910 in Brive-la-Gaillarde. Zie ook alle tags voor Robert Margerit op dit blog.

Uit: La Révolution

« Danton ne s’en souciait pas, et ni Robespierre ni Marat ne donnaient aucun signe de le vouloir. Du reste, pensait Claude, il fallait que ses propres recommandations, pour empêcher les Brissotins suspendus de s’enfuir en province, aient été annulées par Marat en personne. Dangereuse mansuétude. Lui-même, bien entendu, ne songeait point à user de rigueur envers ces hommes. Il ne les aurait pas moins retenus très fermement à Paris. On ne surveillait même pas sérieusement ceux qui restaient. Ils correspondaient, recevaient des visites, sortaient, gardés chacun par un seul gendarme. Le ministre Lebrun venait sous l’oeil du sien travailler au Comité de salut public, auquel les Montagnards avaient fait adjoindre Saint-Just, Couthon, Hérault-Séchelles, Ramel, ci-devant de Nogaret, et Mathieu. Ce renfort était bien nécessaire pour lutter contre les ravages du fédéralisme. Aux nouvelles du 31 mai, puis du 2 juin, la province achevait de prendre feu. L’insurrection touchait à cette heure soixante départements. Les rapports que Claude recevait des représentants en mission donnaient le vertige. Robert Lindet, délégué par le Comité pour prendre la situation en main à Lyon, venait de trouver la grande cité entièrement au pouvoir des royalistes alliés aux Brissotins du cru, mandait-il. S’étant rendus maîtres de l’hôtel de ville après un dur combat, ils avaient emprisonné la municipalité montagnarde et se déclaraient en guerre ouverte avec la Convention. Les représentants Roux et Antiboul, chassés de Marseille, faisaient savoir que les Modérés, avec Rebecqui, s’associaient aux aristocrates pour combattre les Jacobins locaux qu’ils arrêtaient par centaines et traduisaient devant un tribunal contre-révolutionnaire. De Bordeaux, les représentants ne pouvaient plus écrire, ils étaient arrêtés. À leur place, des Montagnards signalaient qu’une prétendue commission populaire, évinçant les autorités constituées, en partie complices, avait mis la main sur les caisses publiques, levait des troupes et invitait les départements voisins à se fédérer contre Paris. »

 
Robert Margerit (25 januari 1910 – 27 juni 1988)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e januari ook mijn blog van 25 januari 2018 en ook mijn blog van 25 januari 2017 en mijn blog van 25 januari 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Reddende engel

““Pal boven me hing een roofvogel te loeren op een prooi. Kale bomen, halfbezwijkend onder trossen maretak, strekten hun takken uit naar de vale hemel. Kraaien pikten met felle bewegingen in een omgeploegde akker. Je had hier vreemde grondsoorten, löss en mergel. En grottenstelsels waarin je voor altijd kon verdwalen, met als enig gezelschap de vleermuizen die er kwamen overwinteren. Eerder op de dag was ik langs gammele schuurtjes van geteerd hout gereden, met naast een ervan een pony die suïcidaal uit zijn ogen keek. En overal kruisbeelden en kapelletjes, opgetuigd met plastic bloemen die door de jaren heen hun kleur hadden verloren.
Midden op de vijfsprong op de heuvel stond ook zo’n kruis. Op zoek naar houvast liep ik er over de onverharde weg naartoe. Het was niet groot, het reikte maar net tot mijn middel. Ik moest me bukken om de inscriptie te kunnen lezen: ‘Red ons, Heer.’
Schielijk draaide ik me weer om. Ik had nu ergens in een dorpscafé achter een biertje kunnen zitten, gebrouwen met water uit eigen bron en hop en gerst van eigen land. Als ik maar beter had opgelet.
Als ik de tekenen niet veel te lang in de wind had geslagen, was ik hier zelfs nooit beland.
Maar geluk maakt je lui en zelfgenoegzaam.
Veel mensen schijnen het te betreuren dat je geluk niet kunt hamsteren, zoals bijen met hun honing doen, zodat je je opgeslagen voorraad kunt aanspreken als de nood aan de man komt. Die mensen realiseren zich niet dat het oprakelen van oud geluk juist een afschuwelijke bezigheid is.
Ik ging weer in mijn auto zitten en tuurde onthand door de voorruit. Verder van huis dan hier in Zuid-Limburg had ik niet kunnen komen zonder de grens over te rollen. Kilometers maken. Afstand creëren.
Moest ik rustig afwachten totdat er iemand langsreed die me zou kunnen vertellen dat er een paar kilometer verderop al een benzinepomp was, als je de weg tenminste wist? Zo ver kon ik nu ook weer niet van de bewoonde wereld vandaan zijn. Vanmiddag was ik door het ene dorp na het andere gereden, zonder dat een verblijf in een ervan me aantrekkelijk had geleken.”

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Doorgaan met het lezen van “Renate Dorrestein, Lisa Weeda, David Grossman, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, Alessandro Baricco, Paavo Haavikkom, Robert Margerit”

Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco, Robert Burns, Paavo Haavikko

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Weerwater

“Het rode lampje van de reservetank lichtte op toen ik mijn auto startte. Op goed geluk reed ik de wijk uit terwijl het zweet in mijn ogen droop. Ik had op de kaart moeten kijken, ik had geen idee hoe ik zonder navigatie op een van de stadsdreven kwam die naar de snelweg leidden. Knarsetandend van de spanning sloeg ik willekeurig linksaf, rechtsaf.
Doordat ik niets snapte van Almeres gescheiden verkeersstromen belandde ik plotseling op een vrije busbaan. Ik kon er niet meer af, het leek alsof ik kilometerslang over ­ y-overs en viaducten reed. Paniek sneed me de adem af totdat ik bij een overgang mijn kans schoonzag en ik mijn auto met een onmogelijk krappe draai weer op een gewone weg wist te krijgen. Ik zeilde over een rotonde en kon mijn geluk niet geloven: ik kwam uit op de Hogering, een van de grote doorgaanswegen. Maar daar sloeg de motor af. Vloekend, biddend en machteloos op mijn stuur slaand kon ik nog net de vluchtstrook bereiken. Ik greep mijn handtas en mijn laptop en sloeg het portier achter me dicht.
Hete lucht verplaatsend raasden volgepakte auto’s aan me voorbij. Niemand leek me te zien staan. Of niemand wilde tijd verspillen door te stoppen. Weg, weg, weg van hier!
De middagzon brandde op mijn blote armen. Ik werd dizzy van de warmte. Ik had iets moeten eten.
Net toen ik dacht dat ik in tranen zou uitbarsten, reed er een grote truck met een Belgisch nummerbord de vluchtstrook op. Ik was nog nooit in zo’n gevaarte geklauterd, ik kwam de treeplank amper op. Ik voelde ineens dat ik een vrouw van boven de zestig was, strammer en brozer dan onder deze omstandigheden wenselijk was.
De vrachtwagenchau‑ eur, een man met een goedig gezicht, begon meteen tegen me te kletsen. Hij zei dat hij Lammert heette, Lammert Verweghe, en dat hij zich niet liet gekmaken door die verhalen over een mistbank. ‘Mijn camion geraakt er wel doorheen. Ik ga niet nog een dag vermorsen.’
Ik herademde. Nog even en deze nachtmerrie zou voorbij zijn. In mijn tas vond ik Maartens zakdoek. Ik snoot mijn neus. Nooit van mijn levensdagen zette ik meer een stap in Almere.”

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Doorgaan met het lezen van “Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco, Robert Burns, Paavo Haavikko”

Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954.Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog.

Uit: Verborgen gebreken

“Tommie!’ roept Christine. ‘Eten!’
Het jongetje komt aangebolderd, valt op een stoel en grijpt meteen een boterham.
‘Eerst bidden,’ beveelt zijn zusje.
‘Wat?’ zegt hij verbaasd. Voor hem is ergens een geruit jurkje met een gesmockt lijfje opgedoken. Eén strik in het steile zwarte haar, vandaag.
‘Jezus, eikel!’ roept het meisje uit. ‘God bestáát, weet je! en zeg goedemorgen tegen Agnes.’
‘Goedemorgen,’ prevelt Tommie, voorheen Ivatuq.
‘Goedemorgen,’ antwoordt Agnes. ‘Wat ben jij mooi, zeg. Dat jurkje is van Willemijn geweest. Prachtig hoor. Vind je het zelf ook leuk?’
Hij steekt een stuk brood in zijn mond.
‘Er zijn niet genoeg kleren voor hem in huis,’ zegt zijn zusje, terwijl ze twee boterhammen uit de rooster neemt en Agnes er een van geeft. ‘Je moet een paar rokjes kopen.’
‘Ik vind dat we eerst maar eens zijn mening moeten vragen.’
‘Hij doet gewoon wat ik zeg.’
‘Nou, dan moeten we maar hopen dat jij altijd weet wat het beste voor hem is, Christine.’
De ogen van het meisje verduisteren. ‘Ik heet Chris.’
‘Oké, Chris,’ zegt Agnes.
Tommie deelt met heldere stem mee:
‘Christine is een meidennaam. Chris is veel stoerder. Chris is veel gevaarlijker. Chris heeft…’
‘Hou je mond toch, stuk snot,’ valt het meisje uit.“

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Doorgaan met het lezen van “Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell, Alessandro Baricco”

Stephen Chbosky, Renate Dorrestein, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell

De Amerikaanse schrijver en regisseur Stephen Chbosky werd geboren op 25 januari 1970 in Pittsburgh, Pennsylvania. Zie ook alle tags voor Stephen Chbosky op dit blog.

Uit: The Perks of Being a Wallflower

because that was the name of the season
And that’s what it was all about
And his teacher gave him an A
and asked him to write more clearly
And his mother never hung it on the kitchen door
because of its new paint

And the kids told him
that Father Tracy smoked cigars
And left butts on the pews
And sometimes they would burn holes
That was the year his sister got glasses
with thick lenses and black frames
And the girl around the corner laughed

when he asked her to go see Santa Claus
And the kids told him why
his mother and father kissed a lot
And his father never tucked him in bed at night
And his father got mad
when he cried for him to do it.

Once on a paper torn from his notebook
he wrote a poem
And he called it “Innocence: A Question”
because that was the question about his girl
And that’s what it was all about
And his professor gave him an A.

 
Stephen Chbosky (Pittsburgh, 25 januari 1970)
Scene uit de film uit 2012 met Emma Watson, Logan Lerman en Ezra Miller

Doorgaan met het lezen van “Stephen Chbosky, Renate Dorrestein, William S. Maugham, Virginia Woolf, David Grossman, J. G. Farrell”

Renate Dorrestein, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, David Grossman, J. G. Farrell

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954.Zie ook alle tags voor Renate Dorrestein op dit blog. Renate Dorrestein viert vandaag haar 60e verjaardag.

Uit: Een hart van steen

“Het liep tegen het einde van de zomervakantie; ik weet het nog precies. Elke avond zaten er dikke, taaie teken tussen je tenen die je er volgens Billie tegen de klok in uit moest draaien, anders kreeg je de ziekte van Lyme. We hadden die dag bosbessen geplukt, onze tanden waren er nog blauw van. Alleen Kester had de zijne gepoetst. Mijn broer was de laatste tijd in een verbeten gevecht verwikkeld met het vuil van de wereld. Hij waste elke dag zijn oksels en zijn gezicht, maar hij bleef stinken en hij zag er altijd uit als een beduimelde oude krant. Om hem te laten merken dat het mij niets uitmaakte, ging ik onder het lezen af en toe even tegen hem aan hangen.
Hij zat met gekruiste benen op zijn rode sprei, de voeten onder zich getrokken. Hij had sinds kort stugge zwarte haren op zijn tenen, waarvoor hij zich doodschaamde.
Hij wachtte de afloop van Batman niet af, maar pakte Billies vijl van de vloer en begon ermee onder zijn nagels te peuteren.
Onze bedden stonden tegen de vier muren geschoven:
we hadden allemaal ons eigen domein. Soms, als we ruzie hadden, trokken we met krijtstrepen op de plankenvloer om ons gebied af te bakenen, of we legden gore, weke vondsten uit de vijver bij elkaar onder de lakens.
‘Zou het nog lang duren?’ zei Billie terwijl ze naast me kwam zitten.
Kester boog de vijl met zijn duim achterover en liet hem toen met een zoevend geluid in haar richting schieten.
‘Moeten we geen water koken?’
‘We zitten hier niet op de High Chaparall,’ zei mijn zuster. Ze krabde verveeld aan haar kuit.
We zaten een tijdje zwijgend bijeen, te moe om nieuwe afleiding te verzinnen. Ten slotte zei Kes: ‘Je hoeft niet van me te houden, Scarlett, maar kus me.’

 
Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

Doorgaan met het lezen van “Renate Dorrestein, William S. Maugham, Virginia Woolf, Stephen Chbosky, David Grossman, J. G. Farrell”

William S. Maugham, Virginia Woolf, Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, David Grossman

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874. Zie ook alle tags voor William Somerset Maugham op dit blog.

 

Uit: A Writer’s Notebook (1894)

“There are two kinds of friendship. The first is a friendship of animal attraction; you like your friend not for any particular qualities or gifts, but simply because you are drawn to him. C’est mon ami parce que je l’aime parce que c’est mon ami’. It is unreasoning and unreasonable; and by the irony of things it is probable that you will have this feeling for someone quite unworthy of it. This kind of friendship, though sex has no active part in it, is really akin to love: it arises in the same way, and it is not improbable that it declines in the same way.
The second kind of friendship is intellectual. You are attracted by the gifts of your new acquaintance. His ideas are unfamiliar; he has seen sides of life of which you are ignorant; his experience is impressive. But every well has a bottom and finally your friend will come to the end of what he has to tell you: this is the moment decisive for the continuation of your friendship. If he has nothing more in him than his experience and his reading have taught him, he can no longer interest or amuse you. The well is empty, and when you let the bucket down, nothing comes up. This explains why one so quickly makes warm friendships with new acquaintances and as quickly breaks them: also the dislike one feels for these persons afterwards, for the disappointment one experiences on discovering that one’s admiration was misplaced turns into contempt and aversion. Sometimes, for one reason or another, however, you continue to frequent these people. The way to profit by their society then is to make them yield you the advantages of new friends; by seeing them only at sufficiently long intervals to allow them to acquire fresh experiences and new thoughts. Gradually, the disappointment you experienced at the discovery of their shallowness will wear off, habit brings with it an indulgence for their defects and you may keep up a pleasant friendship with them for many years. But if, having got to the end of your friend’s acquired knowledge, you find that he has something more, character, sensibility and a restless mind, then your friendship will grow stronger, and you will have a relationship as delightful in its way as the other friendship of physical attraction.”

 

William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)

Doorgaan met het lezen van “William S. Maugham, Virginia Woolf, Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, David Grossman”

William S. Maugham, Virginia Woolf, Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, J. G. Farrell

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874. Zie ook alle tags voor ook William Somerset Maugham op dit blog.

 

Uit: The Land of Promis

„Nora opened her eyes to an unaccustomed consciousness of well-being. She was dimly aware that it had its origin in something deeper than mere physical comfort; but for the moment, in that state between sleeping and wakening, which still held her, it was enough to find that body and mind seemed rested.

Youth was reasserting itself. And it was only a short time ago that she had felt that never, never, could she by any possible chance feel young again. When one is young, one resents the reaction after any strain not purely physical as if it were a premature symptom of old age.

A ray of brilliant sunshine, which found its way through a gap in the drawn curtains, showed that it was long past the usual hour for rising. She smiled whimsically and closed her eyes once more. She remembered now that she was not in her own little room in the other wing of the house. The curtains proved that. How often in the ten years she had been with Miss Wickham had she begged that the staring white window blind, which decorated her one window, be replaced by curtains or even a blind of a dark tone that she might not be awakened by the first ray of light. She had even ventured to propose that the cost of such alterations be stopped out of her salary. Miss Wickham had refused to countenance any such innovation.

Three years before, when the offending blind had refused to hold together any longer, Nora had had a renewal of hope. But no! The new blind had been more glaringly white than its predecessor, which by contrast had taken on a grateful ivory tone in its old age. They had had one of their rare scenes at its advent. Nora had as a rule an admirable control of her naturally quick temper. But this had been too much.

“I might begin to understand your refusal if you ever entered my room. But since it would no more occur to you to do so than to visit the stables, I cannot see what possible difference it can make,” Nora had stormed.“

 

William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)

Portret door Philip Steegman, 1931

Doorgaan met het lezen van “William S. Maugham, Virginia Woolf, Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, J. G. Farrell”

William S. Maugham, Virginia Woolf, Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, J. G. Farrell

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007 en ook mijn blog van 25 januari 2008 en ook mijn blog van 25 januari 2009 en ook mijn blog van 25 januiari 2010.

 

Uit: The Trembling Of A Leaf (The Pacific)

 

„He splashed about for a few minutes in the sea; it was too shallow to swim in and for fear of sharks he could not go out of his depth; then he got out and went into the bath-house for a shower. The coldness of the fresh water was grateful after the heavy stickiness of the salt Pacific, so warm, though it was only just after seven, that to bathe in it did not brace you but rather increased your languor; and when he had dried himself, slipping into a bath-gown, he called out to the Chinese cook that he would be ready for breakfast in five minutes. He walked barefoot across the patch of coarse grass which Walker, the administrator, proudly thought was a lawn, to his own quarters and dressed. This did not take long, for he put on nothing but a shirt and a pair of duck trousers and then went over to his chief’s house on the other side of the compound. The two men had their meals together, but the Chinese cook told him that Walker had set out on horseback at five and would not be back for another hour.

Mackintosh had slept badly and he looked with distaste at the paw-paw and the eggs and bacon which were set before him. The mosquitoes had been maddening that night; they flew about the net under which he slept in such numbers that their humming, pitiless and menacing, had the effect of a note, infinitely drawn out, played on a distant organ, and whenever he dozed off he awoke with a start in the belief that one had found its way inside his curtains. It was so hot that he lay naked.

He turned from side to side. And gradually the dull roar of the breakers on the reef, so unceasing and so regular that generally you did not hear it, grew distinct on his consciousness, its rhythm hammered on his tired nerves and he held himself with clenched hands in the effort to bear it.

The thought that nothing could stop that sound, for it would continue to all eternity, was almost impossible to bear, and, as though his strength were a match for the ruthless forces of nature, he had an insane impulse to do some violent thing. He felt he must cling to his self-control or he would go mad.“

 

 

 

William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)

 

 

Doorgaan met het lezen van “William S. Maugham, Virginia Woolf, Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, J. G. Farrell”

Virginia Woolf, William S. Maugham, Renate Dorrestein, Stephen Chbosky, J. G. Farrell

De Engelse schrijfster Virginia Woolf werd geboren op 25 januari 1882 te Londen. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007 en ook mijn blog van 25 januari 2008 en ook mijn blog van 25 januari 2009.

 

Uit: The Diary of Virginia Woolf

 

„Tuesday 13 September 1938

No war yet anyhow. Hitler boasted & boomed but shot no solid bolt. Mere violent rant, & then broke off. We listened in to the end. A savage howl like a person excruciated; then howls from the audience; then a more spaced & measured sentence. Then another bark. Cheering ruled by a stick. Frightening to think of the faces. & the voice was frightening. But as it went on we said (only picking a word or two) anti-climax. This seems to be the general verdict. He darent cross the line. Comes up to it & stands bawling insults. Times very scathing & sarcastic. How can people stand this nonsense? Negotiations to go on, under threat that he will use force if &c.

 

An evening with T. S. Eliot. Monday 19 December 1938

The last dinner of the year was to Tom Eliot last night. Physically he is a little muffin faced; sallow & shadowed; but intent (as I am) on the art of writing. His play – Family Reunion? – was the staple of the very bitter cold evening. (The snow is now falling: flakes come through my skylight: I am huddled in my red rain jacket, opportunely given by L.) It has taken him off & on 2 years to write, is an advance upon Murder; in poetry; a new line, with 3 stresses; ”I dont seem popular this evening”: ”What for do we talk of cancer again” (no: this is not accurate). When the crisis came, his only thought was annoyance that now his play would not be acted.

Tom said the young don’t take art or politics seriously enough. Disappointed in the Auden- Ish(erwoo)d. He has his grandeur. He said that there are flaws in the new play that are congenital, inalterable. I suspect in the department of humour. He defined the different kinds of influence: a subtle, splitting mind: a man of simple integrity, & the artists ingenuous egotism. Dines out & goes to musical teas; reads poems at Londonderry house; has a humorous sardonic gift which mitigates his egotism; & is on the side of authority. A nice old friends evening.

 

Sunday 29 January 1939

Yes, Barcelona has fallen: Hitler speaks tomorrow; the next dress rehearsal begins: I have seen Marie Stopes, Princesse de Polignac, Philip & Pippin, & Dr Freud in the last 3 days, also had Tom to dinner & to the Stephens’ party.

Dr Freud gave me a narcissus. Was sitting in a great library with little statues at a large scrupulously tidy shiny table. We like patients on chairs. A screwed up shrunk very old man: with a monkeys light eyes, paralysed spasmodic movements, inarticulate: but alert. On Hitler. Generation before the poison will be worked out. About his books. Fame? I was infamous rather than famous. didnt make $:50 by his first book. Difficult talk. An interview. Daughter & Martin helped. Immense potential, I mean an old fire now flickering. When we left he took up the stand What are you going to do? The English – war.“

 

Woolf

Virginia Woolf (25 januari 1882 – 28 maart 1941)

 

 

De Engelse schrijver William Somerset Maugham werd geboren in Parijs op 25 januari 1874. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007 en ook mijn blog van 25 januari 2008 en ook mijn blog van 25 januari 2009.

 

Uit: The Painted Veil

 

„She gave a startled cry.

“What’s the matter?” he asked.

Notwithstanding the darkness of the shuttered room he saw her face on a sudden distraught with terror.

“Some one just tried the door.”

“Well, perhaps it was the amah, or one of the boys.”

“They never come at this time. They know I always sleep after tiffin.”

“Who else could it be?”

“Walter,” she whispered, her lips trembling.

She pointed to his shoes. He tried to put them on, but his nervousness, for her alarm was affecting him, made him clumsy, and besides, they were on the tight side. With a faint gasp of impatience she gave him a shoe horn. She slipped into a kimono and in her bare feet went over to her dressing-table. Her hair was shingled and with a comb she had repaired its disorder before he had laced his second shoe. She handed him his coat.

“How shall I get out?”

“You’d better wait a bit. I’ll look out and see that it’s all right.”

“It can’t possibly be Walter. He doesn’t leave the laboratory till five.”

“Who is it then?”

They spoke in whispers now. She was quaking. It occurred to him that in an emergency she would lose her head and on a sudden he felt angry with her. If it wasn’t safe why the devil had she said it was? She caught her breath and put her hand on his arm. He followed the direction of her glance. They stood facing the windows that led out on the verandah. They were shuttered and the shutters were bolted. They saw the white china knob of the handle slowly turn. They had heard no one walk along the verandah. It was terrifying to see that silent motion. A minute passed and there was no sound. Then, with the ghastliness of the supernatural, in the same stealthy, noiseless, and horrifying manner, they saw the white china knob of the handle at the other window turn also. It was so frightening that Kitty, her nerves failing her, opened her mouth to scream; but, seeing what she was going to do, he swiftly put his hand over it and her cry was smothered in his fingers.

Silence. She leaned against him, her knees shaking, and he was afraid she would faint. Frowning, his jaw set, he carried her to the bed and sat her down upon it. She was as white as the sheet and notwithstanding his tan his cheeks were pale too. He stood by her side looking with fascinated gaze at the china knob. They did not speak. Then he saw that she was crying.

“For God’s sake don’t do that,” he whispered irritably. “If we’re in for it we’re in for it. We shall just have to brazen it out.”

She looked for her handkerchief and knowing what she wanted he gave her her bag.“

 

JmaughamP

William Somerset Maugham (25 januari 1874 – 16 december 1965)

 

De Nederlandse schrijfster Renate Dorrestein werd geboren in Amsterdam op 25 januari 1954. Zie ook mijn blog van 25 januari 2007en ook mijn blog van 25 januari 2008 en ook mijn blog van 25 januari 2009.

Uit: Hollands Dagboek

Donderdag 24 juli (2008)
Mijn nieuwe boek is in het stadium van de zaag en de bijl beland. Het vergde even een geestelijke aanloop, maar gepriegel zal echt niet meer baten, het betere hakwerk is nu vereist. Gewoon met deel één beginnen, en dan zien we wel waar het schip strandt. Tijdens het radbraken en vierendelen spreek ik de patiënt sussend toe. Het is voor je eigen bestwil, boek. Jij hebt zeven maanden je zin gekregen, nu is je moeder aan zet. En iedere scène die wordt gesloopt, blijft toch wel op de een of andere geheimzinnige manier doorklinken in het geheel. We zetten er iets in, we halen het er weer uit, maar weg raakt het nooit helemaal. Idioot werk, een boek schrijven, ik snap er niets van.

Sproei ’s avonds mijn verflenste tuin en maak nog een strandwandeling. Lees in bed The stone gods van Jeanette Winterson uit. Kan vervolgens niet slapen van verontwaardiging. Wat een mallotig, obscurantistisch verhaal, en dat van een van mijn favoriete auteurs.

Vrijdag 25 juli

Blijk eigenlijk maar één jurk te hebben die bestand is tegen een hittegolf, dus doe die weer aan. Verder business as usual: probeer me aan de sloop en wederopbouw van mijn boek te wijden, maar word in beslag genomen door andere dingen. Sleutel per mail samen met Kirsten van Uitgeverij Contact aan het juryrapport van de korte verhalenwedstrijd ter gelegenheid van het 75-jarige jubileum van de uitgeverij. Van de bijna achthonderd inzendingen zijn er nu nog elf over. Op 18 augustus zal ik als jurywoordvoerder drie mensen gelukkig kunnen maken, die mogen door naar de finale. De overige acht zal ik voorhouden dat ook ik jarenlang miskend ben geweest. Ieder woord in het juryrapport wordt op een goudschaaltje gewogen.

Maarten is er ’s avonds al bijtijds. Niet samenwonen heeft als voordeel dat er nooit gekissebis is over wie wat moet doen: wij doen uitsluitend iets in ons eigen huis. Dus leest Maarten in de keuken aan het aanrecht de krant, terwijl ik kook. Koken betekent bij mij: pakjes openmaken en de inhoud leuk in schaaltjes doen. Ik ben een mono-talent. De tafel is gedekt als onze gasten arriveren.“

renate_dorrestein

Renate Dorrestein (Amsterdam, 25 januari 1954)

 

De Amerikaanse schrijver en regisseur Stephen Chbosky werd geboren op 25 januari 1970 in Pittsburgh, Pennsylvania. Hij studeerde af aan de University of Southern California’s Filmic Writing Program. Zijn eerste film The Four Corners of Nowhere werd gepresenteerd tijdens het 1995 Sundance Film Festival en won de Best Narrative Feature honors tijdens het Chicago Underground Film Festival. Grote bekendheid verwierf hij met zijn briefroman The Perks of Being a Wallflower over een opgroeiende vijftien-jarige jongen.

 

Uit: The Perks of Being a Wallflower

 

„August 25, 1991

Dear friend,

I am writing to you because she said you listen and understand and didn’t try to sleep with that person at that party even though you could have. Please don’t try to figure out who she is because then you might figure out who I am, and I really don’t want you to do that. I will call people by different names or generic names because I don’t want you to find me. I didn’t enclose a return address for the same reason. I mean nothing bad by this. Honest.

I just need to know that someone out there listens and understands and doesn’t try to sleep with people even if they could have. I need to know that these people exist.

I think you of all people would understand that because I think you of all people are alive and appreciate what that means. At least I hope you do because other people look to you for strength and friendship and it’s that simple. At least that’s what I’ve heard.

So, this is my life. And I want you to know that I am both happy and sad and I’m still trying to figure out how that could be.

I try to think of my family as a reason for me being this way, especially after my friend Michael stopped going to school one day last spring and we heard Mr. Vaughn’s voice on the loudspeaker.

“Boys and girls, I regret to inform you that one of our students has passed on. We will hold a memorial service for Michael Dobson during assembly this Friday.”

I don’t know how news travels around school and why it is very often right. Maybe it was in the lunchroom. It’s hard to remember. But Dave with the awkward glasses told us that Michael killed himself. His mom played bridge with one of Michael’s neighbors and they heardthe gunshot.

I don’t really remember much of what happened after that except that my older brother came to Mr. Vaughn’s office in my middle school and told me to stop crying. Then, he put his arm on my shoulder and told me to get it out of my system before Dad came home.“

 

StephenChbosky
Stephen Chbosky (Pittsburgh, 25 januari 1970)

 

 

De Iers-Britrse schrijver James Gordon Farrell werd geboren op 25 januari 1935 in Liverpool. Midden jaren vijftig reisde hij naar Canada waar hij allerlei beroepen uitoefende. Na zijn terugkeer studeerde hij rechten in Oxford. Hij was op de universiteit een gedreven sporter, maar hij kreeg kinderverlamming. Van de gevolgen van deze ziekte bleef hij zijn leven lang last hebben. Farrell studeerde eveneens Spaans en Frans en werkte twee jaar in Frankfrijk als leraar talen. Zijn eerste boek A Man From Elsewhere verscheen in 1963. Zijn hoofdwerk is de Empire Trilogy waarin hij schtijft over het verval van het Britse rijk. De trilogie bestaat uit Troubles (1970) over de onlusten in Ierland, The Siege of Krishnapur (1973) over India en The Singapore Grip (1978) over de val van Singapur tijdens WO II. Voor The Siege of Krishnapur kreeg hij de Booker Prize. In maart 1979 verhuisde hij naar het schiereiland Sheep’s Head in Ierland. Op 11 of 12 augustus verdronk hij daar tijdens het vissen. In 1988 werd Troubles door Christopher Morahan verfilmd.

 

Uit: The Siege of Krishnapur

 

“For several nights the Collector had stayed up until dawn reading his military manuals by the light of an oil-lamp in his study to instruct himself in the art of military mining…What an advantage that knowledge can be stored in books! The knowledge lies there like hermetically sealed provisions waiting for the day when you may need a meal. Surely what the collector was doing as he pored over his military manuals , was proving the superiority of the European way of doing things, of European culture itself. This was a culture so flexible that whatever he needed was there in a book at his elbow. An ordinary sort of man, he could, with the help of an oil-lamp, turn himself into a great military engineer, a bishop, an explorer or a General overnight, if the fancy took him. As the collector pored over his manuals, from time to time rubbing his tired eyes, he knew that he was using science and progress to help him out of his difficulties and he was pleased…”

(…)

 

Later, while he was drinking tea at the table in his bedroom with three young subalterns from Captainganj a succession of musket balls came through the winder, attracted by the oil-lamp . . . one, two, three and then a fourth, one after another. The officers dived smartly under the table, leaving the Collector to drink his tea alone. After a while they re-emerged smiling sheepishly, deeply impressed by the Collector’s sang-froid. Realizing that he had forgotten to sweeten his tea, the Collector dipped a teaspoon into the sugar-bowl. But then he found that he was unable to keep the sugar on the spoon: as quickly as he scooped it up, it danced off again. It was clear that he would never get it from the sugar-bowl to the cup without scattering it over the table, so in the end he was obliged to push the sugar away and drink his tea unsweetened.“

 

jgfarrell

J. G. Farrell (25 januari 1935 – 11 augustus 1979)


Voor nog meer schrijvers van de 25e januari zie ook mijn twee vorige blogs van vandaag.