Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Hermann Lenz

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies veertien jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.

De ziekenzuster

Zij heeft de nachtwaak bij het bed
Der vreemdelinge, die gaat sterven.
En zij aanvaardt de plicht tot erven
Van angst en pijn en dood; ’t gebed,
Dat zij eerst prevelt, en dan plechtig
als miserere en credo zingt,
Wordt zoo grootmachtig, dat ’t aemechtig
Hoofd rustig op het kussen zinkt.

Zij ziet het leven uit de handen
Wegtrekken en ’t verheft zich stom
In ’t hol gelaat, en staat te branden
Al een nachtlichtje in een kom.
Nog eens bewegen zich de handen
En draait ’t nu doode hoofd zich om.

 

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)

 

De Nederlandse dichter Pim te Bokkel werd geboren in Winterswijk op 21 maart 1983. Zie ook alle tags voor Pim te Bokkel op dit blog.

Januari

onder een lage bestralende zon
spot de fietser
even verderop in de amper uitgebotte heg
door takken gedragen
een kraai
die er schoon op zijn rug slaapt

in de wintervorst schittert het dier
en schittert het havengebied
met de fietser die naderbij ziet dat de kraai
niet zichzelf is

verloren is hij
in de heg naast het fietspad een handschoen

een want die onthand nog iets grijpt
dat het zelf niet begrijpt

 

Toen op de Waddenzee

Je hoorde hoe de boot gedwee
zijn strepen in het water sneed,
het zweven van de meeuw
en de verwachtingsvolle stemmen
die jou toen al wilden kennen,
in het duister tastend naar een naam,
nog voordat je de kop opstak.
Je zwom al tijden met ons mee.
Je mag er zijn, je drijft
met toegeknepen ogen nog
met ons mee op de getijden.

 

Nieuwe wereld

In de Wijkertunnel raak je de verbinding kwijt,
verdwijn je.

Tussen tegels rij je
in de pulsgewijs verlichte schemer
van een grensgebied,
een niemandsland
onder het Noordzeekanaal.

Een verjaardag in Haarlem,
het leven dat er was –
de mogelijkheden die je achterlaat.

Niet ben je
de bestuurder die zijn wagen in de vangrail klapt.

Vol verwachting rij je
met je medereizigers binnen de lijnen omhoog,
het licht,
een nieuwe wereld in.

 

Pim te Bokkel (Winterswijk, 21 maart 1983)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Lenz werd op 26 februari 1913 in Stuttgart geboren. Zie ook alle tags voor Hermann Lenz op dit blog.

Lente

Bij het bos, in de greppel, het verse gras
Geniet van je vingers:
Sinds lang weer iets dat leeft,
Zij het ook van
een oude man.
Verberg de kikker in je groen,
Laat hem voor een otter wegkruipen,
Zegt de oude man tegen het verse gras
En hoopt dat hij gehoord wordt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Hermann Lenz (26 februari 1913 – 12 mei 1998)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e maart ook mijn blog van 21 maart 2019 en ook mijn blog van 21 maart 2018 deel 2 en ook Romenu’s 1e lustrum pagina.

De rijke dwaas (Willem de Mérode)

Bij de 18e zondag door het jaar

 

Gelijkenis van de rijke man door Rembrandt Harmenszoon Van Rijn, 1627

 

De rijke dwaas

Van vreugden is mijn ziel verzaad,
Door kommer werd mijn hart verzeerd.
Die rijke schat van goed en kwaad
Hoe wordt hij opgeteerd?

Het leven vraagt slechts luttel deel
Van mijn bezit tot zijn behoef.
Wat doe ik met het oov’rig veel?
Het maakt niet blij, maar droef.

Toch, teken jare, vangt dit hart
Onrustig weer zijn arbeid aan,
Doet weel’ge oogst van vreugde en smart
Me opnieuw verlegen staan.

’t Vermogen wast – ik berg ’t niet meer.
Het goed wordt waardloos opgetast.
Viere ik van werk, en wrocht ik weer
Als alles is verbrast.

Dan oogst ‘k opnieuw en bouw zoo groot
Een schathuis, dat ’t ál bergen kan.
Nu walg ‘k van werken en zijn nood;
De last en lust daarvan.

Slechts vreeze ik, dat mijn loome ziel,
Die lusteloos ter ruste ging,
Zóó, ijdel, in Gods handen viel,
En breekt als waardloos ding.

Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
Spijk (Groningen), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor schrijvers van de 4e augustus ook mijn volgende blog van vandaag.

Hoogtijden IV – Hemelvaart (Willem de Mérode)

Bij Hemelvaartsdag

 

 Hemelvaart door Francisco Camilo, 1651

 

Hoogtijden IV – Hemelvaart

Zij vroegen, waarom ik naar boven tuur,
Daar ‘k U, een stipje, zag verdwijnen,
Ik dacht, Gij zoudt de wolk doorschijnen,
Als een fel vuur.

En toen hun stille licht beneden kwam,
Heeft ’t langs mijn oogen niet geblonken.
Ik stond in aandacht weggezonken….
Toen zag ‘k hun witte vlam.

Nu weet ik, dat Gij zit ten troon
En van mij spreekt bij Uwen Vader.
O, wat komt nu mijn hart Hem nader!
Mijn Broeder is Zijn Zoon!

Want nu ik deel heb aan Uw bloed,
Uw dood, Uw leven,
Nu kan Hij U niets geven,
Dat Gij niet met mij deelen moet.

Wat deert mij dan de korte dag,
Dat Gij zijt weggenomen?
Zij zeggen, dat Gij weer zult komen,
Zooals ‘k U zag.

’t Is maar een weinig donkerheid.
‘k Zie reeds der wolken randen
Van goud en zilver branden,
Wijl Gij er achter zijt.

Straks, plotseling, rijst Uw gezicht.
En ik zal met U blinken.
Mij overzinken
De stroomen van Uw licht.

 

Willem de Mérode
(2 september 1887 – 22 mei 1939)
Spijk (Groningen),
de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 30e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Palmzondag (Willem de Mérode)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Christus in Jeruzalem door Félix Louis Leullier, ca. 1800

 

Palmzondag

Wat zou ik graag de palmen zwaaien,
Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt,
Den weg met voorjaarsbloei bezaaien,
Mijn mantel spreiden als tapijt.

Wat zou ik graag de kindren hooren:
De meisjes arm aan arm gereid,
De hooge schelle jongenskoren,
Vol eerbied en brutaal jolijt.

Is ’t mij ontzegd tot U te komen
Als Gij straks binnen galoppeert,
Ik zie U in mijn wakkre droomen,
Ik hoor hoe alles jubileert.
Misschien dat Gij, hoe ik moog schromen,
Mijn zondig huis voor U begeert.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk (Delfzijl), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 14e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

De verloren zoon (Willem de Mérode)

Bij de 4e zondag van de veertigdagentijd

 


De terugkeer van de verloren zoon door Bartolomé Esteban Murillo, 1667-70

 

De verloren zoon

Bitt’rer dan alle ellende,
is dit herwonnen deel:
Weer thuis te mogen slapen
op lang verlaten peel,

En liggen lamgeslagen …
en woelen rustvermoeiend,
Totdat ’t lavendelgeurig
verkoelend linnen gloeit.

En mijn ontstoken oogen
zien, starende in den nacht,
Waar ik mij wende of keere,
daar ’t honend op mij wacht,

Hoe vaders mond, zoo weiflend,
zoo droevig naar mij loech.
In zijn verdoofde oogen
was iets dat stille kloeg.

Zijn handen klemden mijn hand
zoo blijde en vervaard;
En ’t trage woord van welkomst
vertrilde in zijnen baard.

Toen ‘k mijn verwelkte wangen
aan zijnen schouder boog,
Voelde ik mijn weedom groeien,
daar ‘k weenend, hem bedroog.

Mijn moeder stond gebogen,
vol opgekropt verdriet,
Terwijl heur kalme wachten
heur heimlijke angst verried:

Hij komt terug: gebroken?
in de ouden eigenwaan?
Toen heb ik, zwak en moede,
opnieuw bedrog gedaan.

En ‘k sprak, wat zij verwachtten
van hun gekeerden zoon:
ik ben de zonde ontvloden
in heimwee naar uw woôn,

In heimwee naar uw harte;
dàt praamde tot ik ging.
Ik heb slechts één verlangen:
vergevens zegening.

Met wangen, heet van schaamte
zat ik des avonds aan.
Ik moest de vreugden loochnen
van mijn ontvloôn bestaan,

Terwijl hun pracht zoo weeldrig
herrees voor ’t hunderend oog,
En ach, in iedre stilte,
mijn hart reeds rugwaarts toog.

Ik kwam naar huis, te zoeken
vergetelheid en rust.
En zonde zorgloos leven
wordt schòòner mij bewust,

En is mijn hart veel nader
dan ’t strenge en stugge goed,
En al mijn tochten trekken
naar ’t onheilbrengend zoet.

Ach, dat reeds de eerste stonde,
dat reeds in de eersten nacht
Ik, trots mijn moeders kussen,
naar àndre weelden smacht;

Dat mijn onbandige harte
niet eerder zwijgen zal,
Vó;or ik die zoete togen
opnieuw verkrijgen zal;

Vóór ik, (nog toeft het donker),
hun bitterheid ten hoon
Mijn ouders erve ontsluipe,
voorgoed verloren zoon.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk (Delfzijl), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 31e maart ook mijn volgende drie blogs van vandaag.

Willem de Mérode, Pim te Bokkel, Kees van Beijnum, Hamid Skif, Jean Paul, Hubert Fichte, Peter Hacks, Michel Bartosik, Youssef Rzouga

Dit Romenu Blog bestaat vandaag precies dertien jaar. Dank weer aan alle oude en nieuwe bezoekers voor hun interesse en reacties van het afgelopen jaar. De eerste bijdrage in 2006 ging over de dichter en schrijver Willem de Mérode. Traditiegetrouw, omdat hij aan de wieg stond van dit blog, ook nu weer een gedicht van hem. Zie ook alle tags voor Willem de Mérode op dit blog en Romenu’s eerste lustrumpagina.

 

Voorjaarsverwachting

Wat zijn ze schoon, de schemerige dagen
Die niet meer grijs en nog niet paarlemoer
Zijn durven, alsof er een lichtschijn voer
Door een groot ademen, dat met zijn vlagen
Van ijle blankte langs ons henenstrijkt,
En even staat en langzaam witter wordt,
En dat een bal en een geschitter wordt
En ’t effen grijs doet glinsteren, – wijkt.

De tuinen doen nog niets dan ademhalen,
Maar diep en zwaar, alsof er reeds een dwalen
Van wakker wezen in hun slaap begon,
Alsof er reeds bewegen en een kentelen
Is aangevangen om naar ’t licht te wentelen
In een zeer zoet vermoeden van de zon.


Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
In 1912

 

De Nederlandse dichter Pim te Bokkel werd geboren in Winterswijk op 21 maart 1983. Zie ook alle tags voor Pim te Bokkel op dit blog.

Oppervlakkigheden

De huid van de boom
is de rijstevloei die behang is dat loslaat en opkrult

In het gazon dat gevuld is met weinig
tot nietszeggende planten
rommelt het gebeitste schuurtje met de ramen die
geen ogen zijn
Mijn oliegetande kettingzaag wil met mij
tot de kern
tot de stem van de berk

De huid van de boom
is de rijstevloei die behang is dat loslaat en opkrult

Het geluid van de maag
is het geluid dat zich in mijn maag bevindt

Mijn ringvinger schakelt de verlichting in
het stofhok in
In het hok van de boom (een doorsnee-boom) is de plank
is
de plank die ik zie
is de huid van de plank die ik zie

Het geluid van de maag
is het geluid dat zich in mijn maag bevindt

 

Tragisch Gedicht

Ik ben een tragisch gedicht over een man
die op zondag uit wandelen ging aan het strand en de pier zag
en daar wilde zijn
en de zee zag en daar wilde zwemmen
en de ferry naar Manchester zag en aldaar –
zo’n gedicht ben ik
Ik ben een zelden tevreden gedicht
liever was ik de hoofdpersoon
waadde ik door het zand
en werd ik vastgelegd als de boei in de branding
tussen hemel en nee tussen blokken basalt en daar in mijn longen
de zee
Ik ben slechts een gedicht over iemand
als ik zeg help
geen reddingsactie voor mijn opgezwollen lijk
geen hond die me mist

 
Pim te Bokkel (Winterswijk, 21 maart 1983)

 

De Nederlandse schrijver Kees van Beijnum werd geboren in Amsterdam op 21 maart 1954. Zie ook alle tags voor Kees van Beijnum op dit blog.

Uit: Het mooie seizoen

“De achtertuinen reiken tot aan de sloot, met vrij uit-zicht over de weilanden. Achter zich hoort ze duidelijk demotor van de wagen optrekken. Het is iets in de ochtend-damp, een gevoel van waakzaamheid en spanning. Donke-re ogen, opgeschoren haar, het gezicht van een gewelddadi-ge, onverzoenlijke man schiet haar te binnen. De vader vantwee kinderen die onder haar voogdij staan, ja, hem acht zeer heel goed toe in staat, haar volgen, haar intimideren, ver-trappen al wat hem in de weg staat.In haar straat aangekomen neemt ze het zekere voor het on-zekere en jogt haar huis voorbij. Argentinië, daar is het nuvijf uur vroeger. Die verre wereld waar Thomas zich op-houdt,   en   waar   het   onbekende   hem   inmiddels   tot   eenvriend is uitgegroeid, schreef hij in een van zijn e-mails, eenmetgezel waarvan hij op aan kan, die iedere ochtend ophem wacht als hij zijn ogen opent. De afstand tussen Thomas en haar is groter dan ooit. Langs een rood-wit paaltjeschiet ze het voetpad achter de huizen op en stelt zich voorwat haar allemaal kan overkomen op de tweehonderd me-ter tussen dat paaltje en haar deur. Op stijve benen rent zeverder, de rand van haar sportschoenen dringt in het vleesvan haar enkel. Even ziet ze het voor zich: Thomas’ stoffigewandelschoenen onder het bed, Dostojevski – ‘Ik lees deRussen’ – op het nachtkastje, zijn rechterhand met de ver-eelte duim waarmee hij gitaarsnaren aanslaat op de dekenrustend.Haar pas nog een laatste maal versnellend loopt ze om hetblok met de eengezinswoningen heen, zodat ze weer in haareigen straat belandt. Zonder nog op of om te kijken opentze de deur, slaat hem achter zich dicht en blijft in de gangstaan. De geluidloze leegte na de klap, de beschermende stil-te, het geruststellende niets dan haar hijgen.‘Ma?’ klinkt het korzelig en slaperig van boven aan detrap. ‘Is mijn lichte spijkerbroek nou eindelijk uit de was?’Het duurt even eer ze haar zoon antwoord geeft. ‘Ligt bo-ven op het kastje, onder je j-shirts.’ Ze ademt zwaar enblijft nog even staan, steunend met haar handen op haar knieën.”

 
Kees van Beijnum (Amsterdam, 21 maart 1954)
Cover achterkant

 

De Algerijnse dichter, schrijver en journalist Hamid Skif werd geboren op 21 maart 1951 in Oran. Zie ook alle tahs voor Hamid Skif op dit blog.

Le parfum des mots

Le parfum des mot que tu prononces
Un espace clos que tu traces
Ton regard sur les choses posé

Le poème est merveilleux s´il parle
de toi
Serait-elle jalouse de ton absence
Elle me questionne toujours
sur toi

Les jours trébuchent sur mes yeux
et composent un passé difficile à dire
Les oiseaux du paradis sur leurs tiges
te chantent et moi je ne sais que dire
de cette absence qui tresse en moi les
mots étranges de la folie

Les barques de la plage s´éloigne
pour briser l´horizon cru de ceux qui attendent
Le jour s´estompe quelque part en moi

pourrais-je tendre une main pour saisir
le filet de sable qui coule de tes yeux ?

Il y aura un jour plein de vent et de plaintes
au-delà du muret qui nous sépare pour te porter
les chants multiples que j´égrène
mot par mot
d´une voix éteinte
pour atteindre l´espace qui nous encercle
et dérange l´harmonie des poèmes que je dresse
sur ton passage

 

Vertaald door Mireia Porta Arnau


Hamid Skif (21 maart 1951 – 18 maart 2011)
Oran

 

De Duitse dichter en schrijver Jean Paul werd op 21 maart 1763 in Wunsiedel geboren. Zie ook alle tags voor Jean Paul op dit blog.

Uit: Leben des Quintus Fixlein

„Der Zeiger der Ewigkeit nahete dem achtzehnten Jahrhundert – und die Erde voll Nacht zog gegen die Sonne – die Mutter drückte schon heiß und beklommen alle Töchter ans Herz, die noch nicht den Flor des Körpers getragen hatten, und flehte weinend: »O sinket nicht, ihr Teuern, bleibet engelrein und kehret wieder!« – Jetzt stand der Riesen-Schatte am Jahrhundert und die dunkle Erde über der ganzen Sonne – ein Donner schlug die Stunde – am finstern Himmel hing ein durchglühtes Kometenschwert herab – die Milchstraße wurde erschüttert, und eine Stimme rief aus ihr: »Erscheine, Versucher der Menschen!«
Jedem Jahrhundert sendet der Unendliche einen bösen Genius zu, der es versuche. – Fern vom kleinen Auge steht der gestirnte, die Ewigkeiten umziehende Plan des Unendlichen im Himmel als ein unauflöslicher Nebelfleck.
Als der Versucher gerufen wurde, bebte die Mutter mit allen ihren Kindern, und die weichen Seelen weinten alle, auch die verklärten, die hienieden schon gewesen waren. Nun bäumte sich ungeheuer mit dem Erdschatten eine Riesenschlange auf der Erde auf und reichte an den Mond und sagte: »Ich will euch verführen.« Es war der böse Genius des achtzehnten Jahrhunderts. Die Lilienglocken des Mondes bückten sich welk und zusammenfallend – das Kometenschwert schwankte hin und her, wie ein Richtschwert sich selber bewegt, zum Zeichen, daß es richten werde – die Schlange bog sich mit spielenden seelenmörderischen Augen, mit blutrotem Kamm, mit beleckten durchbissenen Lippen und mit gezückter Zunge ins sanfte Eden herein, der Schweif zuckte hungrig und schadenfroh in einem Grabe der Erde, und eine Erderschütterung auf unserer Kugel wirbelte die laufenden Ringe und die bunten giftigen Säfte wie ein flüssiges schillerndes Gewitter herauf. O, es war der schwarze Genius, der längst die jammernde Mutter verführet hatte. Sie konnte ihn nicht anschauen; aber die Schlange fing an: »Kennst du die Schlange nicht, Eva? – Ich will deine Töchter verführen, deine weißen Schmetterlinge will ich auf dem Morast versammeln. Sehet, Schwestern, damit köder’ ich euch alle.« – (Und hier spiegelten die Vipernaugen männliche Gestalten nach, die bunten Ringe Eheringe und die gelben Schuppen Goldstücke.) »Und dafür nehm’ ich euch den Mond und die Tugend ab. In der Schlinge von seidnen Bändern und im Spiegelgarn von Stoffen fang’ ich euch; mit meiner roten Krone lock’ ich euch, und ihr wollt sie tragen; in eurer Brust fang’ ich an zu reden und euch zu loben, und dann kriech’ ich in eine männliche Kehle und fahre fort und bestätige es, und in euere Zunge schieb’ ich meine und mache sie scharf und giftig. – Erst wenn es euch übel geht oder kurz vor dem Tode tu’ ich den unnützigen Gewissensbiß recht scharf und warm ins Herz. – – Nimm ewigen Abschied, Eva; was ich ihnen hier sage, das vergessen sie zum Glück, ehe sie geboren werden.”


Jean Paul (21 maart 1763 – 14 november 1825)
Cover

 

De Duitse schrijver Hubert Fichte werd geboren op 21 maart 1935 in Perleberg, Brandenburg. Zie ook alle tags voor Hubert Fichte op dit blog.

Uit: Ich beiße Dich zum Abschied ganz zart Briefe an Leonore Mau

“Liebe Lore!
Mir ist natürlich wieder speiübel geworden nach unserem Ab-schied. Ich hätte nie gedacht, daß ich so an Dir hängen könnte. Wie hast Du die Fahrt überstan-den? Ich bin für eine Nacht dort zu meinen Heidelberger Freun-den geflüchtet – um eine kleine Atempause vor meiner Wiederbe-gegnung mit Serge zu haben.
In meinem Kopf sah es aus wie in einem Schlangennest. Das Prob-lem, eventuell ein Kind zu haben, brachte mich auf und nieder. Zwei Möglichkeiten schienen min Entweder mit Dir einen Hausstand gründen – ohne zu schreiben – oder schreiben und alles geht weiter wie zuvor – oh ne Kind.
Dann sah ich Serge. Ich erzählte ihm von uns. Wir verstanden uns wie eh und lachten oft.
Doch mein Hang, in Hamburg sein zu wollen, überdüsterte al-les. Und ich war oft drauf und drann zu sagen: Ich komme nie nach Montjustin zurück.
Heute waren wir zusammen in Colmar und haben den Isenhei-mer Altar gesehen.
Auf der Rückfahrt sagte er mir, daß Montjustin für mich ein Ru-hepunkt sein sollte, wohin ich zum Arbeiten kommen könne. Plötzlich ist alles richtig. Ich kann wieder atmen und die Wür-fel sind also gefallen – gegen das Kind. Ich will schreiben und nach Klärung all dieser Probleme kann ich auch schreiben.
Wir fahren jetzt ein paar Tage in die Schweiz, um Dinge für Serge zu erledigen. Dann fange ich in Montjustin ein neues Theater-stück an.“


Hubert Fichte (21 maart 1935 – 8 maart 1986)
Perleberg, Brandenburg, raadhuis

 

De Duitse schrijver en dichter Peter Hacks werd geboren op 21 maart 1928 in Breslau. Zie ook alle tags voor Peter Hacks op dit blog.

Ländliches Ballett

Weich und wollig, lieb und drollig
Hüpfen wir im Klee,
Lämmelchen und Hämmelchen
Und Eurydike.

Schäfchen bockig, Schäfchen flockig
Auf gestrecktem Zeh,
Beinchen hebend, Ärmchen schwebend,
Und Eurydike.

Sprecht, ihr werten Spielgefährten,
Was tut wohl, was weh?
Liebt mich einer, liebt mich keiner?
Bäh bäh bäh bäh bäh.

 

Gedenkstätte der Sozialisten

Mit Ulbrichts Abschuß war wieder einmal
Ein freies Deutschland verloren.
Er endete nicht im Landwehrkanal.
Der lag in den Westsektoren.

Der Mörder war wieder die SPD.
Der Brandt war Ulbrichts Noske.
Breshnew will Frieden an der Spree,
Meldeten die Kioske.

Zieh mollig an dein kleines Kind,
Es bläst ein Sturm, ein kalter.
Der rote Winterspaziergang beginnt
Zu Karl und Rosa und Walter.


Peter Hacks (21 maart 1928 – 28 augustus 2003)
In 1956

 

De Vlaamse dichter, essayist en docent poëzie Michel Bartosik werd geboren in Antwerpen op 21 maart 1948. Zie ook alle tags voor Michel Bartosik op dit blog.

De as en het gebed
voor Sebastiaan

Nacht en najaar, Sebastiaan.
De zilveren tong van de tijd
schuilt achter uw tanden van zegelwas.

Zwarte koningskaars in september, Sebastiaan.
Geduldig groeit een bruidskleed van sneeuw
om het gewei van uw geraamte.

De gebarsten kelk van uw oorschelp
ontvangt gedwee de as en het gebed
van hen die hun stem verbergen in de zee.

Sebastiaan, strijk met de hand
niet door de nederigheid uwer haren,
want zij zijn het weefgetouw van rook en algen.
En uw taal hapert in de bloedscharnieren van uw strot.

Maar in de kille pij van uw gesprokkeld
en nijgend lijf, in haar plooien, herhaalt
uw brakke blik de klamme schittering
van de zoutvelden mijner ogen.

 

Geologie

In dezelfde kamer spant herfst
de ringen van een boom.
Een vinger stilte over het stof.
De kleuren: rechtop
in een stijfgeworden, gelogen kleed.

Een wolk vastgevroren in het raam.
Spiegel, hoorn van overvloed.
Echo, brak bloed.
Wrak.

En in de antieke vouwen:
een vertrouwde, tamme steen verdriet.

Kamer: erfelijke aardkorst.

 
Michel Bartosik (21 maart 1948 – 1 februari 2008)

 

De Tunesische dichter Youssef Rzouga werd geboren op 21 maart 1957 in Mahdia. Zie ook alle tags voor Youssef Rzouga op dit blog.

L’état mo-rose de l’étape rose

Mon étoile pâlit.
Rien ne bouge
Seule la nature qui dort.

Donc
Il faut faire quelque chose
Ou partir.

Un océan de verdure
M’est necessaire
Pour oublier tout un monde doré
D’ordure:
L’étape rose d’un men-songe,
Le feu d’artifice
Et la giroflée à cinq feuilles.

Il me faut cet océan
Pour oublier tout un monde
De fiasco:
Les figures,
Les figurants
Et les styles figurés..

Un océan de verdure
M’est toujours necessaire
Pour oublier tout un monde
De me faire un monde
A part

Il arrive à tout le monde
D’oublier tout un monde
A part moi:
Mon chemin oblique à gauche!

Pas feutrés
Compas dans l’oeil..
Suis-je enfin le grand marcheur
Qui invente l’idée vert
D’un certain océan
Afin d’oublier l’état mo-rose
De l’étape rose..
Déjà brùlé?


Youssef Rzouga (Mahdia 21, maart 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e maart ook mijn blog van 21 maart 2018 deel 2 en ook Romenu’s 1e lustrum pagina.

De rijke jongeling (Willem de Mérode)

Bij de 28e zondag door het jaar

 

 
Christus en de rijke jongeling door Heinrich Hofmann, 1889

 

De rijke jongeling

Toen ik den Meester had gevonden,
En, teeken mijner heerlijkheid,
Voor Hem ontrolde het tapijt,
Waarop wij samen rusten konden,

Beminde Hij ’t gebaar, en sprak,
(Hoe scheen mij ’t kostlijk kleed geschonden;
Hoe snel had ik het opgewonden,)
Dat in den rand het beeld ontbrak.

Zag Hij ’t dan niet? goud overvloedig,
Het diepe groen en ’t bloeiend blauw
Versmolten samen tot een pauw,
Alleen, en schoon, en overmoedig.

Maar zeer bedroefd zag Hij mij aan
En bukte zich ter aarde neder,
En teekende: hoe doodlijk teeder
Bloedt over ’t nest de pelikaan.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk (Delfzijl), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 14e oktober ook mijn volgende twee blogs van vandaag.