Pavane For The New Year (Elder Olson), W. S. Merwin, Ernest van der Kwast

 

Alle bezoekers en mede-bloggers een gelukkig Nieuwjaar!

 

Een dorpsstraat in de winter door Alfred Sisley, 1893

 

Pavane For The New Year

Soul, plucking the many strings
Of my limbs like puppet’s, make them dance,
Dance, dance, in sombre joy,
That after all the sullen play
The old world falls, the new world forms.

A thought like music takes us now,
So like, that every soul must move,
Move in a most stately measure,
And souls and bodies tread in time
Till all the trembling towers fall down.

And now the stones arise again
Till all the world is built anew
And now in one accord like rhyme,
And we who wound the midnight clock
Hear the clock of morning chime.

 

Elder Olson (9 maart 1909 – 25 juli 1992)
Chicago in eindejaarssfeer. Elder Olson werd geboren in Chicago.

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler William Stanley Merwin werd geboren in New York op 30 september 1927.

 

Aan het nieuwe jaar

Met wat voor stilte je tenslotte
verschijnt in de vallei
en je eerste zonlicht naar beneden valt
om de toppen van een paar hoge bladeren
aan te raken die zich niet verroeren
alsof ze het niet hadden gemerkt
en je helemaal niet kenden
dan roept de stem van een duif
van ver weg op zichzelf
tot de stilte van de ochtend

dus dit is het geluid van jou
hier en nu of al dan niet
iedereen het hoort, dit is
waar we zijn gekomen met onze leeftijd
onze kennis zoals die is
en onze verwachtingen zoals die zijn
onzichtbaar voor ons
onaangeroerd en nog steeds mogelijk

 

Vertaald door Frans Roumen

 

W. S. Merwin (30 september 1927 – 15 maart 2019)

 

De Nederlandse schrijver Ernest van der Kwast werd geboren in Bombay, India, op 1 januari 1981. Zie ook alle tags voor Ernest van der Kwast op dit blog.

Uit: Het wonder dat niet omvalt

“Met een fiets word je actieradius groter,’ vertelt Tatjana, ‘en daarmee ook de kans op een baan, bijvoorbeeld in de thuiszorg.’ De lessen worden daarom betaald door de sociale dienst. Mensen zonder uitkering zijn tien euro per maand kwijt, ‘maar daar krijg je wel acht lessen voor,’ zegt de fietsjuf.
Ze werft haar cursisten in de hele stad en gaat met flyers rond, die ze in winkels, moskeeën en slagerijen neerlegt. Zelfs het centrum voor besnijdenis gaat ze langs. Overal wordt de blonde fietsjuf met enthousiasme verwelkomd. ‘Op de Zwart Janstraat kent ieder- een mij,’ zegt ze. Het is de drukke winkelstraat waar de vrouwen aan het einde van de cursus doorheen moeten fietsen. De ultieme test. Daarna zijn ze klaar voor het examen, waarvoor sommige cursisten slapeloze nachten hebben. ‘Maar iedereen haalt het,’ zegt Tatjana trots.
Het diploma geeft de vrouwen vertrouwen, en zet aan tot meer. ‘Je ziet dat ze ook andere cursussen gaan doen, om een taal te leren of om met een computer te kunnen werken.’
Ik vraag of er nooit iets misgaat. ‘O, jawel hoor,’ antwoordt Tatjana. ‘Ze botsen geregeld op elkaar, of er valt weer een vrouw van haar fiets.’ Ze kijkt even naar haar kuikens die tegen de wind in trappen, wapperende haren en hoofddoekjes. ‘Het is eigenlijk een metafoor voor het leven,’ zegt ze. ‘Vallen, opstaan en weer doorgaan.’ De vreselijkste verhalen komen haar ter ore, van vrouwen uit oorlogsgebieden die al- les hebben moeten achterlaten. ‘Ze zijn ontzettend sterk en hebben soms zeven kindjes,’ zegt Tatjana. ‘Ze moesten trouwen met een of ander fossiel uit de familie, maar ze hebben de kracht om van hem te scheiden en langzaamaan te emanciperen, om te leren fietsen.’
Er wordt gelukkig ook veel gelachen. Voor de mees- te vrouwen is de fietsles een uitje. Ze brengen cakejes mee en laten elkaar zien hoe er in hun land wordt ge- danst. ‘Sommige vrouwen balen zelfs als ze geslaagd zijn.’ Niet voor niets wordt de fietsjuf met enige regel- maat bijna doodgeknuffeld op straat. Het zijn vrouwen die nu hun kinderen op de fiets naar school bren- gen of met hun man langs de Rotte kunnen fietsen.
‘Iedereen kan het leren,’ zegt Tatjana. ‘Dik, dun, Turks, Ghanees, jong en oud.’ Zo had ze vorig jaar een Nederlandse vrouw van 64 in haar groep en geeft ze sinds kort fietsles aan een jongetje met het syndroom van Down. Ook heeft inmiddels de eerste man bij Tatjana een diploma behaald.
Fietsen zijn duur en niet iedereen heeft geld om er een aan te schaffen en dus helpt ze soms ook met het zoeken naar een tweewieler. Maar daarna moeten ze zelf de wijde wereld in, de kuikens van Tatjana Wechgelaar.”

 

Ernest van der Kwast (Bombay, 1 januari 1981)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e januari ook mijn vier blogberichten van 1 januari 2019.

Pol Hoste, Menno Van der Beek, Jung Chang, Paul Meeuws, Flannery O’Connor, Jaime Sabines, Peter Van Straaten, Toni Cade Bambara

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook alle tags voor Pol Hoste op dit blog.

Uit: Het landschap bloedt en de dieren

“Het landschap bloedt en de dieren. De sluizen roesten. Onderwerp, werkwoord, gezegde zoals in (zingt:) ‘op enen boom een koehoekoek’. Tien keer uw taal voor straf. Jaap, Tijs, Blok. Wij konden ons kiezen: appelsienen, negers en met Nieuwjaar een baard van de koning. Geen hemel na de boonranken. Vuurkruisers, Noord-Nederlandse calvinisten, onze helden, watergeuzen. Wisten wij veel wat Portugese Joden zijn. Sefarden? Bojaren? Pruisen, Poolse vorsten, piano’s Maene. Begrijpt de gewone man de gewone man, of alleen het volstrekt onbegrijpelijke? Alleen het volstrekt onbegrijpelijke.
Als een aprilvis glijdt de maansikkel over de Leie richting Schloss Anvers, een Spaans kasteel dat zijn formulieren op onze Letteren gericht houdt. Een vrijplaats, de lyriek? Boekhouding, ja! Controle, onderwerping, domesticering van de creativiteit.
– Formez vos bataillons!
Si ghinck al voor haeren vader staan. He pretended to be Peter Stuyvesant. Opmerkelijk is de strakke beheersching der stof en haar stileering. Kennen.
Begeven wij ons thans van Baarchoem naar Giesbaren, lezer. Wat vindt ge van volgend tafereel? Verwijder, treffend, geen mening. Een op de vijf maal bezocht.
Kurieuzeneuze schrijft niet. Onze rosten. Hij zit in zijn kot. Je, men, je, men, die ‘men’ altoos, dat jouwen. Die letterlijke gender correctness! Ge zijt in de fleur van uw leven en uw ma schrijft gedichten. Komt dat tegen. Ge woont met haar in één van de huizekens langs de Dender waar het stinkt naar armoe, Amylum, mout en vette kolen. Komt dat tegen. Maar wel wreed schone schoenwinkels met Ambiorixen. En bakkers, hete mokkels, smeltende ijzerdraad, pinnekens kussen can’t geen quaet! O la la!
Excuseer, dat ik u onderbreek, ik denk aan iets. Hij denkt aan iets. Ik zat eens met ons Geertrui in Aalst.
– ’t Is nie waar!
– Batoet, batoet!
Lap, ons Geertrui toch wel naar Lokeren, zekers. Ui! Ui! Zo dus, ge kunt peinzen. (Contra-alt:) ‘Wat heb ik u misdreven? Ja ‘daan?’
‘Joyce is geen slechte schrijver, maar Dublin is er te veel aan.’
– Oesje!
‘Take the money and run’, Trui said.”

 
Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)
Affiche voor de uitreiking van de  Louis Paul Boonprijs aan Pol Hoste in 2013

 

De Nederlandse dichter en vertaler Menno van der Beek werd geboren op 25 maart 1967 in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Menno van der Beek op dit blog

Tors

Wij hebben afgesproken op het strand
voor het decor van water en van wind.
Want hij wil weten wat ik hier van vind:
hij heeft de dingen niet meer in de hand.

Hij veegt zichzelf een nieuwe vrouw van zand
waarmee hij weer van voorafaan begint
maar zonder dat hij een gezicht verzint;
hij vlijt zijn handen om haar bovenkant

en laat haar borsten los. Nu is ze klaar.
Het lijkt alsof ze hierop had gewacht,
alleen maar hoefde worden blootgelegd.

We zitten even zwijgend bij elkaar
totdat hij zegt: ‘Ik wil weer van haar af’;
dan loopt hij zonder om te kijken bij haar weg.

 

Hartenvrouw

Hier in de stad zijn mensen opgeborgen
in gasbeton in ramen en in hout.
De straat is in het donker niet vertrouwd
maar wij zijn thuis. Zo zal ik voor je zorgen.

Geen kant meer op tot in de vroege morgen:
gelukkig is dit huis voor ons gebouwd;
zolang het gaat, zolang de grendel houdt
blijft alles wat nog goed is diep verborgen.

Hier slaapt een kind. Hier ligt een vraag van God
gelukkigen genadeloos te zijn,
onaangeraakt door de vermoeide stad.

Straks gaat ze weg, zo gauw ze wakker wordt.
De lege straten en het grote plein
vertellen welke droom ze heeft gehad.

 
Menno Van der Beek (Rotterdam, 25 maart 1967)
Cover

 

De Chinese schrijfster Jung Chang werd geboren in Yibin, Sichuan op 25 maart 1952. Zie ook alle tags voor Jung Chang op dit blog.

Uit: Mao. The Unknown Story

“Mao tse-tung, who for decades held absolute power over the lives of one-quarter of the world’s population, was responsible for well over 70 million deaths in peacetime, more than any other twentieth-century leader. He was born into a peasant family in a valley called Shaoshan, in the province of Hunan, in the heartland of China. The date was 26 December 1893. His ancestors had lived in the valley for five hundred years.
This was a world of ancient beauty, a temperate, humid region whose misty, undulating hills had been populated ever since the Neolithic age. Buddhist temples dating from the Tang dynasty (ad 618–906), when Buddhism first came here, were still in use. Forests where nearly 300 species of trees grew, including maples, camphor, metasequoia and the rare ginkgo, covered the area and sheltered the tigers, leopards and boar that still roamed the hills. (The last tiger was killed in 1957.) These hills, with neither roads nor navigable rivers, detached the village from the world at large. Even as late as the early twentieth century an event as momentous as the death of the emperor in 1908 did not percolate this far, and Mao found out only two years afterwards when he left Shaoshan.
The valley of Shaoshan measures about 5 by 3.5 km. The 600-odd families who lived there grew rice, tea and bamboo, harnessing buffalo to plough the rice paddies. Daily life revolved round these age-old activities. Mao’s father, Yi-chang, was born in 1870. At the age of ten he was engaged to a girl of thirteen from a village about 10 kilometres away, beyond a pass called Tiger Resting Pass, where tigers used to sun themselves. This short distance was long enough in those years for the two villages to speak dialects that were almost mutually unintelligible. Being merely a girl, Mao’s mother did not receive a name; as the seventh girl born in the Wen clan, she was just Seventh Sister Wen. In accordance with centuries of custom, her feet had been crushed and bound to produce the so-called three-inch golden lilies that epitomised beauty at the time.”


Jung Chang (Yibin, 25 maart 1952)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Paul Meeuws werd geboren op 25 maart 1947 in Roermond. Zie ook alle tags voor Paul Meeuws op dit blog.

Uit: De martelaren

“Toen iemand, niemand wist wie, de bal met een trefzeker schot over de hoge kloostermuur schopte, volgde er niets, zelfs geen ver verwijderd plofje. Het was alsof de bal almaar bleef voortsuizen in een onpeilbare diepte. Een gelukzalig moment lang leek het leven voor Nelson niet meer te kloppen, stond alles, zonder enig verband, geheel op zichzelf.
Het spel liep juist in een broeierige verwarring ten einde. De jongens zwermden doelloos om elkaar heen en ontweken vakkundig elkaars onbeduidende, maar niet al te grappig bedoelde pootjes en heimelijke duwtjes. De meisjes vormden een rijtje op de stoeprand en zinspeelden giechelend op de intredende schemering. Niemand lette op Nelson, die nogal klein was voor zijn twaalf jaar en nauwlettend toekeek hoe de avond langs de huizen omhoog kroop, tot aan het raam van zijn kamertje, tot aan het moment dat de zon achter de kloostermuur was verdwenen en hij naar binnen moest.
Niemand sprak meer over de bal. Het klooster, waarvan de oude wallen zich over de volle lengte van de straat uitstrekten, had zijn bekoorlijke dreiging verloren. Hoe lang was het al geleden dat een jongen zich over de muur gewaagd had en met het gruwelijke verhaal terugkwam dat de monniken zichzelf daar geselden? Vlak daarna had iemand ’s nachts het hondse kermen gehoord. (Hoe dan, wou Nelson weten, en hoelang dan en hoeveel stemmen waren het? Honderd? Een paar? Een paar was erger, geloofwaardiger.) Ouderen haalden daar hun schouders over op en zeiden dat die monniken niet wisten wat er in de wereld te koop was en uit pure onnozelheid hun dagen biddend sleten. De zweep verdreef tenminste voor enkele ogenblikken de kou uit hun stramme lijven.
Je groeit met het ergste op, daaraan kon Nelson maar niet wennen. Sinds dat geselverhaal verdeelde hij de mensheid in een groep, die zoiets, meteen of na een tijdje, normaal vond, en in mensen zoals hij, bij wie gewelddadigheid een blijvende ontreddering teweegbracht. Zijn vriendjes behoorden zonder uitzondering tot de eerste categorie. Hun meerderheid was overweldigend, ofschoon het zonderlinge fenomeen van een bal die niet ophoudt met vallen, ze toch aan het twijfelen had moeten brengen. Ik heb gelijk, besloot hij en de enige manier om dat te bewijzen was door middel van de moeilijke klimpartij over de muur.”

 
Paul Meeuws (Roermond, 25 maart 1947) 

 

De Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor werd geboren op 25 maart 1925 in Savannah, Georgia. Zie ook alle tags voor Flannery O’Connor op dit blog.

Uit: A Prayer Journal

“Dear God, I cannot love Thee the way I want to. You are the slim crescent of a moon that I see and my self is the earth’s shadow that keeps me from seeing all the moon. The crescent is very beautiful and perhaps that is all one like I am should or could see; but what I am afraid of, dear God, is that my self shadow will grow so large that it blocks the whole moon, and that I will judge myself by the shadow that is nothing.
I do not know you God because I am in the way. Please help me to push myself aside.
I want very much to succeed in the world with what I want to do. I have prayed to You about this with my mind and my nerves on it and strung my nerves into a tension over it and said, “oh God, please,” and “I must,” and “please, please.” I have not asked You, I feel, in the right way. Let me henceforth ask You with resignation—that not being or meant to be a slacking up in prayer but a less frenzied kind, realizing that the frenzy is caused by an eagerness for what I want and not a a spiritual trust. I do not wish to presume. I want to love.
Oh God please make my mind clear.
Please make it clean.
I ask You for a greater love for my holy Mother and I ask her for a greater love for You.
Please help me to get down under things and find where You are.
I do not mean to deny the traditional prayers I have said all my life; but I have been saying them and not feeling them. My attention is always very fugitive. This way I have it every instant. I can feel a warmth of love heating me when I think & write this to You. Please do not let the explanations of the psychologists about this make it turn suddenly cold. My intellect is so limited, Lord, that I can only trust in You to preserve me as I should be.

*

Please let Christian principles permeate my writing and please let there be enough of my writing (published) for Christian principles to permeate. I dread, oh Lord, losing my faith. My mind is not strong. It is a prey to all sorts of intellectual quackery. I do not want it to be fear which keeps me in the Church. I don’t want to be a coward, staying with You because I fear hell. I should reason that if I fear hell, I can be assured of the author of it.”

 
Flannery O’Connor (25 maart 1925 – 3 augustus 1964)

 

De Mexicaanse dichter en schrijver Jaime Sabines Gutiérrez werd geboren op 25 maart 1926 in Tuxtla Gutiérrez, Chiapas. Zie ook alle tags voor Jaime Sabines op dit blog.

On Hope

Occupy yourselves here with hope.
The joy of the day that’s coming
buds in your eyes like a new light.
But that day that’s coming isn’t going to come: this is it.

 

On Death

Bury it.
There are many silent men under the earth
who will take care of it.
Don’t leave it here.
Bury it.

 

On Myth

My mother told me that I cried in her womb.
They said to her: he’ll be lucky.
.
Someone spoke to me all the days of my life
into my ear, slowly, taking their time.
Said to me: live, live, live!
It was Death.

 

Vertaald door W.S. Merwin

 
Jaime Sabines (25 maart 1926 – 19 maart 1999)

 

De Nederlandse cartoonist en striptekenaar Peter van Straaten werd geboren in Arnhem op 25 maart 1935. Zie ook alle tags voor Peter van Straaten op dit blog.

 

 
“Je gaat steeds minder wijverig schrijven, weet je dat?.”

 

 
Peter Van Straaten (25 maart 1935 – 8 december 2016)

 

De Amerikaanse schrijfster en sociale activiste Toni Cade Bambara werd als Miltona Mirkin Cade geboren op 25 maart 1939 in New York. Zie ook alle tags voor Toni Cade Bambara op dit blog.

Uit: This Bridge Called My Back

“I am ready to go home now. I am ready. Very tired. Couldn’t sleep all night. Missing home. There is a deep fatigue in my body this morning.
I feel used up. Adrienne asks me if I can write of what has happened with me while here in Boston. She asks me if I can, not would. I say, yes, I think so. And now I doubt it. The pain of racism, classism. Such overused and trivialized words. The pain of it all. I do not feel people of color are the only ones hurt by racism.
Another meeting. Again walking into a room filled with white women, a splattering of women of color around the room. The issue on the table, Racism. The dread and terror in the room lay like a thick immovable paste above all our shoulders, white and colored, alike.
We, Third World women in the room, thinking back to square one, again.
How can we — this time — not use our bodies to be thrown over a river of tormented history to bridge the gap? Barbara says last night: “A bridge gets walked over.” Yes, over and over and over again.
I watch the white women shrink before my eyes, losing their fluidity of argument, of confidence, pause awkwardly at the word, “race”, the word, “color.” The pauses keeping the voices breathless, the bodies taut, erect – unable to breathe deeply, to laugh, to moan in despair, to cry in regret. I cannot continue to use my body to be walked over to make a connection. Feeling every joint in my body tense this morning, used.”

 
Toni Cade Bambara (25 maart 1939 – 9 december 1995)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e maart ook mijn blog van 25 maart 2018 deel 2.

W. S. Merwin

De Amerikaanse dichter, schrijver en vertaler William Stanley Merwin werd geboren in New York op 30 september 1927. Merwins vader was een presbyteriaanse predikant. Hij groeide op in Union City (New Jersey) en vanaf 1936 in Scranton (Pennsylvania). Na zijn afstuderen aan de Princeton-universiteit in 1952 maakte hij reizen door Frankrijk, Engeland en Spanje. Op Majorca leerde hij de schrijver Robert Graves kennen, aan wiens zoon hij les gaf. Graves riep het enthousiasme voor de Griekse en Romeinse mythologie in hem wakker. Hij trouwde met de vijftien jaar oudere Dido Milroy en het paar vestigde zich in Londen, waar hij met vertaalwerk de kost verdiende en zijn eerste dichtbundel schreef, die hem in 1952 de ‘Yale Series of Younger Poets Award’ opleverde. Zijn eerste bundels stonden nog sterk onder invloed van Robert Graves en Wallace Stevens, maar in de jaren zestig begon hij te experimenteren met de vorm, wat hij theoretisch onderbouwde met essays als “On Open Form”. Hij verwerkte ook thema’s uit zijn eigen leven, bijvoorbeeld in “The Drunk in the Furnace” (1960). Zijn autobiografie “The Miner’s Pale Children” verscheen in 1970. Voor “The Carrier of Ladders” kreeg hij in 1971 zijn eerste Pulitzerprijs. In deze jaren was de Vietnamoorlog een belangrijk thema in zijn werk. In 1968 keerde Merwin terug naar de VS, terwijl zijn vrouw in Europa achterbleef. Hij werd in 1972 opgenomen in de American Academy of Arts and Letters. In de latere decennia van zijn leven woonde hij op Hawaï. Hij scheidde van Dido Milroy en trouwde in 1983 met Paula Dunaway. De natuur werd nu het overheersende thema in zijn poëzie. In 1993 werd hij ook lid van de American Academy of Arts and Sciences. Na “Folding Cliffs: A Narrative” (1998) verschenen in 2006 verdere memoires onder de titel “Summer Doorways”. In 2009 kreeg hij zijn tweede Pulitzerprijs voor poëzie, voor “The Shadow of Sirius”. Sinds 2017 had hij de eretitel van 17e Poet Laureate van de Verenigde Staten.

My Friends

My friends without shields walk on the target

It is late the windows are breaking

My friends without shoes leave
What they love
Grief moves among them as a fire among
Its bells
My friends without clocks turn
On the dial they turn
They part

My friends with names like gloves set out
Bare handed as they have lived
And nobody knows them
It is they that lay the wreaths at the milestones it is their
Cups that are found at the wells
And are then chained up

My friends without feet sit by the wall
Nodding to the lame orchestra
Brotherhood it says on the decorations
My friend without eyes sits in the rain smiling
With a nest of salt in his hand

My friends without fathers or houses hear
Doors opening in the darkness
Whose halls announce

Behold the smoke has come home

My friends and I have in common
The present a wax bell in a wax belfry
This message telling of
Metals this
Hunger for the sake of hunger this owl in the heart
And these hands one
For asking one for applause

My friends with nothing leave it behind
In a box
My friends without keys go out from the jails it is night
They take the same road they miss
Each other they invent the same banner in the dark
They ask their way only of sentries too proud to breathe

At dawn the stars on their flag will vanish

The water will turn up their footprints and the day will rise
Like a monument to my
Friends the forgotten

 

It Is March

It is March and black dust falls out of the books
Soon I will be gone
The tall spirit who lodged here has
Left already
On the avenues the colorless thread lies under
Old prices

When you look back there is always the past
Even when it has vanished
But when you look forward
With your dirty knuckles and the wingless
Bird on your shoulder
What can you write

The bitterness is still rising in the old mines
The fist is coming out of the egg
The thermometers out of the mouths of the corpses

At a certain height
The tails of the kites for a moment are
Covered with footsteps

Whatever I have to do has not yet begun

 


W. S. Merwin (New York, 30 september 1927)

Pol Hoste, Jacques Bens, Flannery O’Connor, Peter Van Straaten, Jaime Sabines, Jacques Audiberti, Erica Pedretti, Filip De Pillecyn

De Vlaamse schrijver Pol Hoste werd geboren in Lokeren op 25 maart 1947. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

Uit: Thee

“- Toen ik naar hier kwam, mevrouw, vond ik niet gauw een huis.

– Maar u versierde een vrouw.

– Versieren, mevrouw?

– Vertel maar. Anders blijft u bij alle woorden stilstaan.

– Dat was het eerste, dat heb ik nu begrepen. Ik sta stil bij de woorden. De mensen hier, spreken. Ze gebruiken de taal. Eerbied is geen gebruik. De taal wel. Hoe kan ik de mensen begrijpen als ik de gebruiken niet ken?

Toen ik vertrok gaf mijn broer mij een kameel. Mijn familie is zeer rijk geweest. Bij ons kon iedereen komen, men werd te eten gegeven. Ik zei tegen mijn broer dat ik de kameel niet kon aannemen.

‘Voor deze verre reis,’ zei hij. ‘Je bent mijn broer, we hebben drie kamelen.’ Mijn vader had twee zonen, ik nam afscheid van mijn broer met deze weigering.

Hij zei: ‘De kameel kan op de boot. Hier is geld voor de reis. Zorg voor hem, geef hem behoorlijk te eten en praat met hem als hij zich ongelukkig voelt opdat hij in zichzelf opnieuw bij ons terugkeert. Zo zal je ook bij ons zijn, als heimwee je in een ver land overvalt. Vertel de schipper dat je gehecht bent aan je broer en je familie. Zeg je gebeden in zijn bijzijn en als hij een christen is, verzoen je met hem opdat de reis voorspoedig zou zijn.’

Ik kon de kameel niet aannemen en mijn broer was bedroefd. Bij ons wil het gebruik dat men eerbied heeft voor woorden.

– Maar hier kon u studeren? Onze taal heeft u kennis laten maken met invloedrijke mensen omdat u ijverig bent, nooit stilzit en overal uw handelsgeest aanwendt. Het bestaan van de westerse kunstgeschiedenis en het vrij verkeer van mensen en goederen hebben van u gemaakt wie u bent. In deze woestijn, als u wil.

– Ik woon in een huis en de mensen spreken tegen mij. Ik kocht een klein fototoestel en maakt foto’s van hun kinderen. Zo kon ik met hen beginnen praten. Hier houdt men van zijn portret. Dus heb ik een paar foto’s gemaakt in de achtertuin of bij de voordeur. Nu noemen ze mij zoals ik hen noem: mijn buren. Zegt u dit niet zo? We gebruiken dezelfde woorden voor elkaar. Zo bewaart men de vrede.”

 

Hoste

Pol Hoste (Lokeren, 25 maart 1947)

 

De Franse dichter en schrijver Jacques Bens werd geboren op 25 maart 1931 in Cadolive (Bouches-du-Rhône). Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

Patient

C’est dans le Beaujolais que j’attends ta venue.
Mon âme emplie de toi, pâle, circonvenue,
Pour passhâter le temps compte de blancs moutons.

Mais le ciel reste bleu et l’horloge, muette.

Je connais ton portrait signé Photopaton,
Mais je voudrais te voir décoiffée, longue et nue,
Cachant de tes deux mains ta poitrine menue,
Trois larmes dans tes yeux pour sourire. Mais ton,

Mais ton oeil reste bleu et ta gorge, muette.

Ca me fait des frémissements dans la luette.
Lors, pour meubler l’attente, et lors, pour patienter,
J’essaie de me rappeler que je suis poète,
Car le vers claudicant (le cri de la mouette)
A, pour qui sait l’entendre, un goût d’éternité.

 

 

Poème de métro

Qu’est-ce qu’un poème de métro ?

 

J’écris, de temps à autre, des poèmes de métro. Ce poème en est un.

 

Voulez-vous savoir ce qu’est un poème de métro ? Admettons que la réponse soit oui. Voici donc ce qu’est un poème de métro.

 

Un poème de métro est un poème composé dans le métro, pendant le temps d’un parcours.

 

Un poème de métro compte autant de vers que votre voyage compte de stations moins un.

 

Le premier vers est composé dans votre tête entre les deux premières stations de votre voyage (en comptant la station de départ).

 

Il est transcrit sur le papier quand la rame s’arrête à la station deux.

 

Le deuxième vers est composé dans votre tête entre les stations deux et trois de votre voyage.

 

Il est transcrit sur le papier quand la rame s’arrête à la station trois. Et ainsi de suite.

 

Il ne faut pas transcrire quand la rame est en marche.

 

Il ne faut pas composer quand la rame est arrêtée.

 

Le dernier vers du poème est transcrit sur le quai de votre dernière station.

 

Si votre voyage impose un ou plusieurs changements de ligne, le poème comporte deux strophes ou davantage.

 

Si par malchance la rame s’arrête entre deux stations, c’est toujours un moment délicat de l’écriture d’un poème de métro

 

bens2

Jacques Bens (25 maart 1931 – 26 juli 2001)

 

De Amerikaanse schrijfster Flannery O’Connor werd geboren op 25 maart 1925 in Savannah, Georgia. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

Uit: The Habit of Being

“Compared to what you have experienced in the way of radical misery, I have never had anything to bear in my life but minor irritations — but there are times when the worst suffering is not to suffer, and the worst affliction, not to be afflicted. Job’s comforters were worse off than he was, though they did not know it. If in any sense my knowing your burden can make your burden lighter, then I am doubly glad I know it. You were right to tell me, but I’m glad you didn’t tell me until I knew you well. Where you are wrong is in saying that you are the history of horror. The meaning of the redemption is precisely that we do not have to be our history, and nothing is plainer to me than that you are not your history.”

OConner

Flannery O’Connor (25 maart 1925 – 3 augustus 1964)
Staande voor een zelfportret

 

De Nederlandse cartoonist en striptekenaar Peter van Straaten werd geboren in Arnhem op 25 maart 1935. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

 

Straaten

Mooi einde, he?

 

vanstraaten2

Peter Van Straaten (Arnhem, 25 maart 1935)

 

 

De Mexicaanse dichter en schrijver Jaime Sabines Gutiérrez werd geboren op 25 maart 1926 in Tuxtla Gutiérrez, Chiapas. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

The Moon

You can take the moon by the spoonful
or in capsules every two hours.
It’s useful as a hypnotic and sedative
and besides it relieves
those who have had too much philosophy.
A piece of moon in your purse
works better than a rabbit’s foot.
Helps you find a lover
or get rich without anyone knowing,
and it staves off doctors and clinics.
You can give it to children like candy
when they’ve not gone to sleep,
and a few drops of moon in the eyes of the old
helps them to die in peace.

Put a new leaf of moon
under your pillow
and you’ll see what you want to.
Always carry a little bottle of air of the moon
to keep you from drowning.
Give the key to the moon
to prisoners and the disappointed.
For those who are sentenced to death
and for those who are sentenced to life
there is no better tonic than the moon
in precise and regular doses.

 

 

The Lovers

The lovers say nothing.
Love is the finest of the silences,
the one that trembles most and is hardest to bear.
The lovers are looking for something.
The lovers are the ones who abandon,
the ones who change, who forget.
Their hearts tell them that they will never find.
They don’t find, they’re looking.

The lovers wander around like crazy people
because they’re alone, alone,
surrendering, giving themselves to each moment,
crying because they don’t save love.
They worry about love. The lovers
live for the day, it’s the best they can do, it’s all they know.
They’re going away all the time,
all the time, going somewhere else.
They hope,
not for anything in particular, they just hope.
They know that whatever it is they will not find it.
Love is the perpetual deferment,
always the next step, the other, the other.
The lovers are the insatiable ones,
the ones who must always, fortunately, be alone.

The lovers are the serpent in the story.
They have snakes instead of arms.
The veins in their necks swell
like snakes too, suffocating them.
The lovers can’t sleep
because if they do the worms ear them.

They open their eyes in the dark
and terror falls into them.

They find scorpions under the sheet
and their bed floats as though on a lake.

The lovers are crazy, only crazy
with no God and no devil.

The lovers come out of their caves
trembling, starving,
chasing phantoms.
They laugh at those who know all about it,
who love forever, truly,
at those who believe in love as an inexhaustible lamp.

The lovers play at picking up water,
tattooing smoke, at staying where they are.
They play the long sad game of love.
None of them will give up.
The lovers are ashamed to reach any agreement.

Empty, but empty from one rib to another,
death ferments them behind the eyes,
and on they go, they weep toward morning
in the trains, and the roosters wake into sorrow.

Sometimes a scent of newborn earth reaches them,
of women sleeping with a hand on their sex, contented,
of gentle streams, and kitchens.

The lovers start singing between their lips
a song that is not learned.
And they go on crying, crying
for beautiful life.

 

Vertaald door W. S. Merwin

 

Sabines

Jaime Sabines (25 maart 1926 – 19 maart 1999)

 

 

De Franse schrijver en dichter Jacques Audiberti werd geboren op 25 maart 1899 in Antibes. Zie ook mijn blog van 25 maart 2007.

 

Uit: Bâton et Ruban

 

VAUBAN, dictant. – en liaison avec la cochonnerie, par l’entremise des glands, nous examinerons les avantages des forêts. Il se trouve assez de gens qui possèdent de mauvaises terres de mince rapport, qu’ils pourraient avec profit couvrir de forêts, attendu que, la première dépense faite, le surplus d
e la mise ne consisterait qu’en des entretiens… Vous
suivez, monsieur Ragot?

RAGOT. – Qu’en des entretiens… Vous voulez dire des soins?

VAUBAN, péremptoire. – … Des entretiens, ce qui procurerait par la suite un bien

inestimable, le fonds conservé sans aucune perte portant un intérêt continu qui ne serai exposé qu’à la négligence du propriétaire. Il faudrait lui laisser la jouissance de ce fonds et ne point… et ne point…… sous prétexte que la marine en a besoin, ou la sculpture, priver une famille du bois de la forêt, pourvu que les affaires du roi n’en souffre pas… Une entreprise ne fût’elle que de cent arpents ne manquerait pas d’être fort honorable, qui, dès les quinze premiers mois, rembourse la dépense si l’on fait le coup en bois de moule…

RAGOT. – En bois de moule? Vous maintenez?

VAUBAN. – En bois de moule… parfaitement… Quoi? Non?… Tel qu’on en voit sur les ponts de Paris, qui se vend d’ordinaire quarante’cinq cinq à cinquante francs l’arpent, pris et débité sur les lieux aux frais du marchand. Vous rechignez. Contesteriez’vous ces prix?

RAGOT. – Monsieur de Vauban, comment songerai’je, moi cafard, moi hanneton, comment songerai’je à vous quereller à propos de quelque industrie humaine que ce soit! Je me permets, sans plus, de vous souligner le contradictoire entre l’extrême nouveauté de vos vues et la vieillerie souvent barbare et rebutante de votre langage. Votre bois de moule, on l’appelle bois de chauffage en rendant mieux l’idée. Quant à nommer cochonnerie la manière la plus experte et la plus rentable d’élever les pourceaux et les truies, il me surprendrait que nul n’en sourie. »

 

audiberti

Jacques Audiberti (25 maart 1899 – 10 juli 1965)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 25 maart 2007.

De Zwitserse schrijfster en beeldhouwster Erica Pedretti werd geboren op 25 maart 1930 in Šternberk (Tsjechië).

De Vlaamse schrijver Filip De Pillecyn werd te Hamme aan de Durme geboren op 25 maart 1891.