Umberto Eco, David Berman

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Confessions of a Young Novelist

“In 1860, on the verge of sailing through the Mediterranean to follow Garibaldi’s expedition to Sicily, Alexandre Dumas père stopped in Marseille and visited the Château d’If, where his hero, Edmond Dantès, before becoming the Count of Monte Cristo, was imprisoned for fourteen years and was tutored in his cell by a fellow inmate, the abbé Faria. While Dumas was there, he discovered that visitors were regularly shown what was called the “real” cell of Monte Cristo, and that the guides constantly spoke of Dantès, Faria, and the other characters of the novel as if they had really existed. In contrast, the same guides never mentioned that the Château d’If had held as prisoners some important historical figures, such as Honoré Mirabeau.
Thus, Dumas comments in his memoirs: “It is the privilege of novelists to create characters who kill those of the historians. The reason is that historians evoke mere ghosts, while novelists create flesh-and-blood people.”
Once a friend of mine urged me to organize a symposium on the following subject: If we know that Anna Karenina is a fictional character who does not exist in the real world, why do we weep over her plight, or at any rate why are we deeply moved by her misfortunes?
There are probably many highly educated readers who do not shed tears over the fate of Scarlett O’Hara but are nevertheless shocked by the fate of Anna Karenina. Moreover, I have seen sophisticated intellectuals openly weep at the end of Cyrano de Bergerac—a fact that should not astonish anybody, because when a dramatic strategy aims at inducing the audience to shed tears, it makes them weep regardless of their cultural level. This is not an aesthetic problem: great works of art may not evoke an emotional response, whereas many bad films and dime novels succeed in doing so. And let’s remember that Madame Bovary, a character for whom many readers have wept, used to cry over the love stories she was reading.
I told my friend firmly that this phenomenon had neither ontological nor logical relevance, and could be of interest only to psychologists. We can identify with fictional characters and with their deeds because, according to a narrative agreement, we start living in the possible world of their story as if it were our own real world. But this does not occur only when we read fiction.
Many of us have sometimes thought of the possible death of a loved one and have been deeply affected, if not moved to tears, even though we knew that the event was imagined and not real. Such phenomena of identification and projection are absolutely normal and (I repeat) are a matter for psychologists. If there are optical illusions, in which we see a given form as bigger than another even though we know they are exactly the same size, why shouldn’t there be emotional illusions as well?”


Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)


De Amerikaanse dichter, songwriter en frontman van Silver Jews David Berman werd geboren op 4 januari 1967 in Williamsburg, Virginia. Zie ook alle tags voor David Berman op dit blog.



Met mijn broertje Seth liep ik door een weiland

en wees naar een plek waar kinderen engelen in de sneeuw hadden gemaakt.
Om de een of andere reden vertelde ik hem dat er een groep engelen was
neergeschoten en opgelost toen ze de grond raakten.

Hij vroeg wie ze had neergeschoten en ik zei een boer.
Toen waren we op het dak van het meer.
Het ijs zag eruit als een foto van water.

Waarom vroeg hij. Waarom heeft hij ze neergeschoten?

Ik wist niet waar ik hiermee naartoe wilde.

Ze waren op zijn terrein, zei ik.
Als het sneeuwt, lijkt het buitenleven een kamer.

Vandaag heb ik hallo’s gewisseld met mijn buurman.
Onze stemmen bleven dicht bij de nieuwe akoestiek.
Een kamer met aan flarden geslagen muren die omvielen.

We gingen verder met spitten en werkten in stilte zij aan zij.

Maar waarom waren ze op zijn terrein, vroeg hij.


Vertaald door Frans Roumen


David Berman (Williamsburg, 4 januari 1967)


Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn blog van 5 januari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad, László Krasznahorkai

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Chronicles of a Liquid Society (Vertaald door Richard Dixon)

“The idea of “liquid” modernity or society comes from Zygmunt Bauman. Those who want to understand the various implications of this concept may find it helpful to read State of Crisis, where Bauman and Carlo Bordoni discuss this and other topics.
The liquid society begins to take shape with the movement known as postmodernism, an umbrella term that brings together a great variety of phenomena, from architecture to philosophy to literature, not always in a coherent fashion. Postmodernism signaled the crisis of “grand narratives,” each of which had claimed that one model of order could be superimposed on the world; it devoted itself to a playful or ironic reconsideration of the past, and was woven in various ways with nihilistic tendencies. But postmodernism, according to Bordoni, is also on the way out. It was temporary in character, we have passed through it without noticing, and it will be studied one day like pre-Romanticism. It served to point out an event that was happening and represented a sort of ferry from modernity to a present that still has no name.
Among the characteristics of this nascent present Bauman includes the crisis facing the state: what freedom do nation-states retain when faced with the power of supranational entities? We are witnessing the disappearance of something that used to ensure that individuals could resolve the various problems of our time in a homogeneous fashion. This crisis has led to a collapse of ideologies, and therefore of political parties, and to a general call for a sharing of values that allowed individuals to feel part of something that understood their needs.
The crisis in the concept of community gives rise to unbridled individualism: people are no longer fellow citizens, but rivals to beware of. This “subjectivism” has threatened the foundations of modernity, has made it fragile, producing a situation with no points of reference, where everything dissolves into a sort of liquidity. The certainty of the law is lost, the judiciary is regarded as an enemy, and the only solutions for individuals who have no points of reference are to make themselves conspicuous at all costs, to treat conspicuousness as a value, and to follow consumerism. Yet this is not a consumerism aimed at the possession of desirable objects that produce satisfaction, but one that immediately makes such objects obsolete. People move from one act of consumption to another in a sort of purposeless bulimia: the new cell phone is no better than the old one, but the old one has to be discarded in order to indulge in this orgy of desire.
The collapse of ideologies and political parties: it has been suggested that political parties have become like taxis taken by vote-controlling mob leaders or Mafia bosses, who choose them casually, according to what is on offer ​— ​politicians can change party allegiance without creating any scandal. It’s not just people: society itself is living in an increasingly precarious condition.”

Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)


De Nederlandse schrijver, dichter en journalist Joris van Casteren werd geboren in Rotterdam op 5 januari 1976. Zie ook alle tags voor Joris van Casteren op dit blog.

Uit: Het glas van Casanova

“Op een dinsdag in april rijd ik met de auto naar Hoek van Holland. Naast me zit mijn dochter, die anderhalve week later – het is 2008 – vier zal worden. Achterin liggen mijn gedemonteerde fiets, een fietskar, een sporttas met kleding, slaapzakken en een tentje.
Ik tank bij een benzinepomp langs de a4 en koop een blikje cola. In de auto schud ik het, om een of andere reden, waardoor de cola, bij het openen van het blikje, door de auto spuit. ‘Je moet ook niet schudden met cola,’ zegt mijn dochter, gierend van het lachen. ‘Ik heb geen idee waarom ik dat deed,’ zeg ik.
In Hoek van Holland zet ik met plakkerige handen mijn fiets in elkaar. Met mijn dochter in het zitje en onze bagage, de slaapzakken en het tentje in de kar, fiets ik tussen auto’s, bussen en vrachtwagens de veerboot op.
We eten mosselen, garnalen en zalm in het restaurant als de boot begint te varen. Naast ons dineren twee Britten. ‘I admire your courage,’ zegt een van hen als ik vertel wat het doel van mijn onderneming is.
W.G. Sebald maakte in augustus 1992 een wandeling langs de kust van het graafschap Suffolk. Hij passeerde vergeten badplaatsen waar depressieve mensen in krottige huisjes woonden. De wandeling zou centraal komen te staan in
De ringen van Saturnus (1995), een mengvorm van autobiografie, reportage en geschiedschrijving, dat op mij – ook vanwege de curieuze, mijmerende manier van schrijven, waarbij volstrekt op zichzelf staande verhaallijnen harmonieus vervlochten raken – een verpletterende indruk maakte.
In het eerste deel van De ringen van Saturnus schrijft Sebald over de door hem bewonderde zeventiende-eeuwse Britse arts en schrijver Thomas Browne. Diens werk typeert hij als volgt: ‘Het is alsof je tegelijk door een omgekeerde verrekijker en door een microscoop kijkt.’ Daarmee levert Sebald tevens een volmaakte omschrijving van zijn eigen werk.”

Joris van Casteren (Rotterdam, 5 januari 1976)


De Duitser schrijver, criticus en literatuurwetenschapper Paul Ingendaay werd geboren op 5 januari 1961 in Keulen. Zie ook alle tags voor Paul Ingendaay op dit blog.

Uit: Gebrauchsanweisung für Andalusien

“Lange Zeit war Spanien in der Vorstellung seiner Besucher gleichbedeutend mit Andalusien – und Andalusien mit Spanien. Klischee oder Wahrheit, dort wurden ziemlich starke Bilder heraufbeschworen : von Stierkampf, Zigeunern und Flamencofolklore. Von Abenteurern, dunklen Augen und wildem Temperament. Das Stereotyp des Andalusiers ( und der Andalusierin ! ) hat so viele Jahrhunderte hindurch die Phantasien der übrigen Welt beherrscht, dass der moderne spanische Autonomienstaat, von dem Andalusien nur eine von siebzehn Regionen – und nicht einmal die größte – bildet, kaum dagegen ankommt.
Kleine Kostprobe gefällig ? Die jungen andalusischen Frauen, lese ich in einem hundert Jahre alten deutschen Buch, sind » durchweg anmutige Gestalten mit großen, feurigen, von langen, gebogenen Wimpern beschatteten Augen, üppigem schwarzen Haar, zierlichen Händen und Füßen, reizend in ihrer Art, sich zu kleiden und mit Blumen zu schmücken «.
Verzeihen Sie, dass ich mit den Frauen anfange. Vielleicht hätten erst die Gitarrenspieler oder die Messerstecher kommen sollen. Aber es liegt am Thema. Es geht noch weiter. » Wer Gelegenheit hatte, eine spanische Tertulia zu besuchen «, schreibt derselbe Mann, Francisco Fronner, in seinem Buch Land und Leute in Spanien ( 1912 ), » wird von der unnachahmlichen Grazie, dem zwanglosen Benehmen und der ungekünstelten Koketterie der Andalusierinnen entzückt sein. « Vermutlich war der Verfasser Junggeselle und hatte leicht reden. Wir sollten ihn nicht wörtlich nehmen. Doch der Kern stimmt noch heute.
Das sind Äußerlichkeiten, werden Sie einwenden. Das dachte ich zuerst auch. Aber dann las ich mit wachsender Faszination weiter und erfuhr in diesem Buch, aus welchen Elementen sich nach Meinung von Francisco Fronner – nennen wir ihn Don Francisco, wenn wir es ehrerbietig meinen, oder Paco, wenn wir ihn zu unseren Freunden rechnen – der andalusische Charakter zusammensetzt. Und ich bewunderte Don Franciscos heute eher selten anzutreffenden Mut zur Verallgemeinerung.
Denn die hervorstechenden Eigenschaften des andalusischen Charakters, schreibt er, seien folgende : » Sorgloser Leichtsinn, übermütige Fröhlichkeit, Eitelkeit, Putzsucht ( gemeint ist die weibliche Neigung zu aufregenden Kleidern, nicht zum geschrubbten Küchenboden ), Redseligkeit, Prahlsucht, Dünkel, Spottsucht, Neugierde und Leichtgläubigkeit. « Und jetzt kommt’s : » Zu diesen teilweise nicht sehr empfehlenswerten Eigenschaften gesellt sich jedoch ein gutmütiges, leicht versöhnliches Wesen, höfliche Zuvorkommenheit und Dienstfertigkeit gegen Fremde ( Don Francisco spricht hier mit dem Selbstbewusstsein des wohlhabenden deutschen Touristen ), wohl auch uneigennützige Gastfreiheit, ungewöhnliche Liebenswürdigkeit im Umgange, scharfer Verstand, gepaart mit rascher Auffassung, und eine überschwängliche orientalische Phantasie. ”

Paul Ingendaay (Keulen, 5 januari 1961)


De Keniase schrijver Ngũgĩ wa Thiong’o werd geboren op 5 januari 1938 in Kamiriithu, Limuru, Kenia. Zie ook alle tags voor Ngũgĩ wa Thiong’o op dit blog.

Uit: Petals of Blood

“It did not matter that for him, all these years, he had acquired very little. Still he felt a lordly proprietorial air to the structure: was the police not the force that guaranteed that stability which alone made possible the unhindered accumulation of wealth? Everybody, even those millionaires that had ganged together under Kamwene Cultural Organization, really owed their position to the force. The police force was truly the maker of modern Kenya, he had always felt. The Karegas and their like should really be deported to Tanzania and China! But it was people like Munira who really disturbed him. How could Munira have repudiated his father’s immense property? Could property, wealth, status, religion, plus education not hold a family together? What else could a man want? Inspector Godfrey decided that it was religious fanaticism! Yet from his own experience in the police force, such fanaticism was normally found among the poor. Human beings: they could never be satisfied! And yet there was a way in which Munira was right. This system of capitalism and capitalistic democracy needed moral purity if it was going to survive. The skeletons that he himself had come across in the New Ilmorog could not very well come under the label of moral purity. Of course he had seen similar or near similar things in Nairobi, Mombasa, Malindi, Watamu and other places but he had never before given it much thought because, at least so he supposed now, he had never before come across a Munira who was prepared to murder in the name of moral purity. And it was not Wanja’s Sunshine Lodge that Inspector Godfrey was thinking about. It was, for instance, the Utamaduni Cultural Tourist Centre at Ilmorog. Ostensibly it was there to entertain watalii from USA, Japan, West Germany, and other parts of Western Europe. But this only camouflaged other more sinister activities: smuggling of gemstones and ivory plus animal and even human skins. It was a centre for the plunder of the country’s natural and human assets. Women, young girls, were being recruited to satisfy any watalii’s physical whims. The more promising ones, those who seemed to acquire an air of sophistication with a smattering of English and German were lured to Europe as slave whores from Africa! Inspector Godfrey was in no doubt that this lucrative trade in Black Ivory was done with the knowledge of Nderi wa Riera, the MP for the area, for did he not own the centre? He was in partnership with the proprietor, the man from West Germany. Black Ivory for Export: First-rate Foreign Exchange Earner: but couldn’t we do without it, Inspector Godfrey thought, recalling the storm that had burst out when years before a similar trafficking in young flesh had been discovered at Watamu Bay? Maybe he would talk to his superiors about this: maybe he would give them the separate report that he had made.”

Ngũgĩ wa Thiong’o (Kamiriithu, 5 januari 1938)


De Chinese schrijver Xu Xiake werd geboren op 5 januari 1587 in Jiangyin (provincie Jiangsu). Zie ook alle tags voor Xu Xiake op dit blog.

Uit: Randonnées aux sites sublimes (Vertaald door Jacques Dars)

« A ce moment-là, un épais brouillard tour à tour tombe puis se dissipe, nous rendant, à chacun de ses assauts, invisibles l’un à l’autre ! Tous les sommets du mont en Fleur de Lotus, nous les apercevons, pris pour la plupart dans la brume ; pourtant, chose curieuse, durant l’ascension de la Métropole Céleste, lorsque j’avançais, le brouillard était sur mes talons, et lorsque je le franchissais à droite, il surgissait à gauche. Ici, les pins, droits ou torves, parviennent encore à pousser en désordre, mais les cyprès, eussent-ils des branches de la taille d’un bras, sont sans exception aplatis et collés comme des mousses sur les rochers. A cette altitude, les vents sont d’une rare violence, et les brumes et vapeurs vont et viennent sans se fixer ; quand on baisse les yeux vers tous les sommets, on les voit tantôt surgir en crêtes aiguës aux tons d’émeraude, tantôt sombrer dans un océan argenté ; si l’on porte le regard vers la base des monts, on la trouve, elle, baignée de soleil, nimbée d’une lumière cristalline : un autre monde ! Mais le crépuscule approche ; aussi, pieds en avant, mains vers l’arrière et agrippées au sol, nous laissons-nous, assis, glisser vers le bas ; aux endroits les plus dangereux,  Source Pure me reçoit des mains et des épaules. Les périls franchis, nous descendons jusqu’à une plate-forme montagneuse, alors que la nuit tombe. De là, nous remontons la gorge par des passerelles de bois, et faisons halte au monastère de Manjusri. »

Xu Xiake (5 januari 1587 – 8 maart 1641)


De Argentijnse dichteres en schrijfster Luisa Futoransky werd geboren op 5 januari 1939 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Luisa Futoransky op dit blog.

Vitraux of Exile

All the efficacy of the names
which the imagery laboriously built up to fascinate you
falls silent:
a rich cemetery of ashes
that, now, is your geography.

You learned at the cost of your youth
and most of your innocence
that to be alone in a forsaken suburb of the pampas
or in splendid Samarkand
holds the same dimension of oblivion or tragedy;
that the wind never took pity scattering
stones and the dead, that only the doomed tourists
take each other’s photos showing off their glass beads

because to say country is to whisper barely seven letters
and through them the density of secret combinations
gravestones of strangers bearing our name
and pale photos that preserve the echo of your passage
toward love or despair.
It’s also the memory of tiring labors
or maybe some old tune
that retains the first risks of your youth.

A country is your name
and the acid violence with which a word comes
to your defenseless traveler’s mouth.
It’s a map with a river whose source and outlet
curiously unite at the exact spot on earth
that your bones wish to fertilize.

It’s daybreaks, insomnias, salutations, anger,
an arm, a shoulder, diminutives, insults,
farewells, gardens, meetings, tremors,
promises, autumns, rails, challenges,
absolute nouns that allow
no other explanation for its weight in ghosts:
these and not others.


Vertaald door Jason Weiss

Luisa Futoransky (Buenos Aires, 5 januari 1939)


De Zwitserse schrijver Friedrich Dürrenmatt werd geboren op 5 januari 1921 in Konolfingen. Zie ook alle tags voor Friedrich Dürrenmatt op dit blog.

Uit: Das Versprechen

»Der Hausierer hatte auf einem Bürosessel ohne Lehne Platz genommen, Treuler seinen Stuhl an Matthäis alten Schreibtisch gerückt, der ihm als Stütze für seinen linken Arm diente, dazu die Beine übereinandergeschlagen und den Kopf in die linke Hand gelegt. Er rauchte eine Zigarette. Feiler nahm das Protokoll auf. Henzi und ich blieben in der Türe stehen und wurden von dem Hausierer nicht bemerkt, da er uns den Rücken zukehrte.
›Ich habe es nicht getan, Herr Polizeiwachtmeister‹, murmelte der Hausierer.
›Das habe ich auch nicht behauptet. Ich sagte nur, du könntest es getan haben‹, erwiderte Treuler. ›Ob ich recht habe oder nicht, wird sich ja dann feststellen lassen. Beginnen wir von vorn. Du hattest dich also am Waldrande bequem hingelagert?‹
›Jawohl, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Und geschlafen?‹
›Richtig, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Warum? Du wolltest doch nach Mägendorf.‹
›Ich war müde, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Weshalb hast du denn den Briefträger nach dem Polizisten in Mägendorf ausgefragt?‹
›Um mich zu erkundigen, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Was wolltest du wissen?‹
›Mein Patent war nicht erneuert. Da wollte ich wissen, wie es um die polizeilichen Verhältnisse in Mägendorf stünde.‹
›Und wie stand es um die polizeilichen Verhältnisse?‹
›Ich erfuhr, in Mägendorf sei ein Stellvertreter. Da fürchtete ich mich, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Ich bin auch ein Stellvertreter‹, erklärte der Polizist trocken. ›Vor mir fürchtest du dich auch?‹
›Jawohl, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Aus diesem Grunde wolltest du auch nicht mehr ins Dorf?‹
›Jawohl, Herr Polizeiwachtmeister.‹
›Das ist gar keine so üble Version der Geschichte‹, sagte Treuler anerkennend, ›aber vielleicht gibt es noch eine andere Version, die nur den Vorzug hätte, wahr zu sein.‹
›Ich habe die Wahrheit gesagt, Herr Polizeiwachtmeister.‹

Friedrich Dürrenmatt (5 januari 1921 – 14 december 1990)
Scene uit een toneelbewerking, Düsseldorf, 2017


De Iraanse dichteres Forough Farokhzad werd geboren op 5 januari 1935 in Teheran. Zie ook alle tags voor Forough Farokhzad op dit blog.

Rode wijn danste in de beker

Rode wijn danste in de beker
In zijn blik schittterde de dorst
Mijn lichaam trilde in verrukking
Op het zachte bed van zijn naakte borst

Ik heb gezondigd, een zonde vol genot
Naast een lichaam, bevend zonder woord
O God, ik weet niet wat ik deed
In dit donkere, afgelegen oord.


Vertaald door Nafiss Nia en Ronald Bos



De nacht komt
En dan de duisternis
En na de duisternis
En zuchten en zuchten en zuchten…
En het geluid van het water
Dat druppel voor druppel uit de kraan stroomt;
Dan twee rode punten
Van twee aangestoken sigaretten;
Tik tak van de klok
En twee harten
En twee eenzaamheden


Vertaald doorAsghar Seyed-Gohrab

Forough Farokhzad (5 januari 1935 – 13 februari 1967)


De Hongaarse schrijver László Krasznahorkai werd geboren op 5 januari 1954 in Gyula. Zie ook alle tags voor László Krasznahorkai op dit blog.

Uit: Seiobo There Below (Vertaald door Ottilie Mulzet)

“Everything around it moves, as if just this one time and one time only, as if the message of Heraclitus has arrived here through some deep current, from the distance of an entire universe, in spite of all the senseless obstacles, because the water moves, it flows, it arrives, and cascades; now and then the silken breeze sways, the mountains quiver in the scourging heat, but this heat itself also moves, trembles, and vibrates in the land, as do the tall scattered grass-islands—the grass, blade by blade in the riverbed; each individual shallow wave, as it falls, tumbles over the low weirs, and then, every inconceivable fleeting element of this subsiding wave, and all the individual glitterings of light flashing on the surface of this fleeting element, this surface suddenly emerging and just as quickly collapsing, with its drops of light dying down, scintillating, and then reeling in all directions, inexpressible in words; clouds are gathering; the restless jarring blue sky high above; the sun is concentrated with horrific strength, yet still indescribable, extending onto the entire momentary creation, maddeningly brilliant, blindingly radiant; the fish and the frogs and the beetles and the tiny reptiles are in the river; the cars and the buses, from the northbound number 3 to the number 32 up to the number 38, inexorably creep along on the steaming asphalt built parallel on both embankments, then the rapidly propelled bicycles below the breakwaters, the men and women strolling next to the river along paths that were built or inscribed, into the dust, and the blocking stones, too, set down artificially and asymmetrically underneath the mass of gliding water: everything is at play or alive, so that things happen, move on, dash along, proceed forward, sink down, rise up, disappear, emerge again, run and flow and rush somewhere, only it, the Ooshirosagi, does not move at all, this enormous snow-white bird, open to attack by all, not concealing its defenselessness; this hunter, it leans forward, its neck folded in an S-form, and it now extends its head and long hard beak out from this S-form, and strains the whole, but at the same time it is strained downwards, its wings pressed tightly against its body, its thin legs searching for a firm point beneath the water’s surface, it fixes its gaze on the flowing surface of the water, the surface, yes, while it sees, crystal-clear, what lies beneath this surface, down below in the refractions of light, however rapidly it may arrive, if it does arrive, if it ends up there…”

László Krasznahorkai (Gyula, 5 januari 1954)


Zie voor nog meer schrijvers van de 5e januari ook mijn vorige blog van vandaag.


Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad, László Krasznahorkai

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Het nulnummer (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Toen de vergadering was afgelopen liep ik samen met Braggadocio naar beneden. ‘Hebben wij elkaar niet eerder ontmoet?’ vroeg hij. Ik dacht van niet, hij zei dat zal dan wel, op licht argwanende toon, en begon me meteen te tutoyeren. Simei had nog maar net bepaald dat we elkaar op de redactie met u zouden aanspreken, en ik hou gewoonlijk liever wat afstand, we hadden per slot nooit het bed gedeeld, maar Braggadocio wilde duidelijk benadrukken dat we collega’s waren. Ik wilde niet de indruk wekken het hoog in de bol te hebben louter en alleen omdat Simei me als hoofdredacteur of iets dergelijks had voorgesteld. Bovendien intrigeerde de man me en had ik toch niks beters te doen. Hij pakte me bij de elleboog en zei dat we wat gingen drinken in een tentje dat hij kende. Hij glimlachte met zijn vlezige lippen en zijn enigszins bolle ogen, op een manier die ik tamelijk weerzinwekkend vond. Kaal als Von Stroheim, met een nek die vanaf zijn boord recht omhoog liep, maar met het gezicht van Telly Savalas, oftewel Kojak. Zie je, weer een verwijzing. ‘Aantrekkelijk wel, hè, die Maia?’ Tot mijn schande moest ik bekennen dat ik haar slechts vluchtig had bekeken — ik zei het al, ik hou me verre van vrouwen. Hij kneep me even in mijn arm: ‘Doe je maar niet netter voor dan je bent, Colonna. Ik zag je wel, je keek steels naar haar zodat het niet op zou vallen. Volgens mij wil ze wel. In wezen willen ze allemaal wel, je moet het gewoon goed weten aan te pakken. Misschien een beetje te mager naar mijn smaak, sterker nog, ze heeft geen borsten, maar goed, ze kan ermee door.’ We liepen inmiddels in de Via Torino en ter hoogte van een kerk sloegen we rechts af een slecht verlicht, bochtig straatje in, met hier en daar een god mag weten hoe lang al dichtgetimmerde deur en zonder één winkel, alsof het al tijden geleden verlaten was. Het leek alsof er een muffe lucht hing, maar dat was waarschijnlijk slechts een geval van synesthesie, vanwege de afgebladderde en met verbleekte graffiti bedekte muren. Ergens hoog boven ons stak een pijp naar buiten waar rook uit kringelde — het was niet duidelijk waar die vandaan kwam want de ramen boven waren ook dicht, alsof daar niemand meer woonde. Misschien was het de schoorsteenpijp van een erachter gelegen huis en zagen ze er daar geen been in een uitgestorven straat uit te roken. ‘Dit is de Via Bagnera, het smalste straatje van Milaan, al is het niet zo smal als de Rue du Chat-qui-Pêche in Parijs, waar je elkaar amper kunt passeren. Het heet Via Bagnera, maar werd ooit Stretta Bagnera genoemd, en dáárvoor Stretta Bagnaria, omdat er zich een stuk of wat badhuizen uit de Romeinse tijd bevonden.’ Op dat moment kwam er een vrouw met een buggy de hoek om. ‘Argeloos of slecht ingelicht,’ was Braggadocio’s commentaar. ‘Als ik een vrouw was, zou ik hier niet komen, zeker niet als het donker is.”

Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

Doorgaan met het lezen van “Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad, László Krasznahorkai”

Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit:Het nulnummer (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Nadat iedereen zich had voorgesteld zette Simei de opzet van de krant uiteen.
‘We gaan dus een krant maken. Waarom Morgen? Omdat traditionele kanten altijd het nieuws van de avond tevoren brachten, en helaas nog steeds brengen, en dat is dan ook de reden dat ze Corriere della Sera, Evening Standard of Le Soir heten. Tegenwoordig hebben we het nieuws van de vorige dag al gezien op het achtuurjournaal, en dus staan er altijd dingen in de krant die je al weet, en daarom worden er steeds minder van verkocht. In de Morgen zal dat nieuws, dat inmiddels al over de datum is, natuurlijk wel kort worden aangestipt en samengevat, maar daarvoor volstaat één kolommetje dat je zo hebt gelezen.’
‘En wat moet er dan wél in de krant komen?’ vroeg Cambria.
‘Het lot van een dagblad van tegenwoordig is dat het op een weekblad moet lijken. Wij berichten over wat er morgen zou kunnen gebeuren, met achtergrondartikelen, onderzoeksbijlagen, verrassende vergezichten… Ik geef een voorbeeld. Om vier uur ontploft er een bom, en de dag daarop weet iedereen dat al. Dus moeten wij tussen vier uur en middernacht, voordat we ter perse gaan, zien uit te vinden wie er iets nieuws te melden heeft over de mogelijke verantwoordelijken, iets wat zelfs de politie nog niet weet, en moeten we een scenario schetsen van hetgeen er door toedoen van die aanslag in de weken daarna zal voorvallen…’
Braggadocio: ‘Maar om een dergelijk onderzoek binnen acht uur op te tuigen heb je een redactie nodig die minstens tien keer zo groot is als de onze, plus een waanzinnige hoop contacten, informanten of weet ik het…’
‘Precies, en als de krant daadwerkelijk gaat verschijnen zal dat ook het geval moeten zijn. Maar het komend jaar hoeven we alleen maar te bewijzen dat het mogelijk is. En het is mogelijk omdat een nulnummer elke willekeurige datum kan hebben en heel goed als voorbeeld kan dienen van hoe de krant er maanden geleden uit had kunnen zien, bijvoorbeeld toen ze die bom lieten ontploffen. We weten al wat er daarna zal gebeuren, maar schrijven erover alsof de lezer dat nog niet weet. En zo zullen al onze onthullingen iets opzienbarends krijgen, iets verrassends, iets orakelachtigs, zou ik bijna willen zeggen. Oftewel, we moeten tegen de opdrachtgever zeggen: zo zou de Morgen eruit hebben gezien als die gisteren was uitgekomen. Duidelijk? En desgewenst zouden we, ook als niemand ooit een bom had gegooid, heel goed een nummer kunnen maken alsof dat wel zo was.’

Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

Doorgaan met het lezen van “Umberto Eco, Joris van Casteren, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, Xu Xiake, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Friedrich Dürrenmatt, Forough Farokhzad”

In Memoriam Umberto Eco

In Memoriam Umberto Eco

De Italiaanse schrijver Umberto Eco is vrijdagavond op 84-jarige leeftijd overleden. Zijn familie heeft dat vrijdagnacht bekend gemaakt. Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: In de naam van de roos (Vertaald door Jenny Tuin en Pietha de Voogd)

“En terwijl ik mijn gefascineerde blik van die raadselachtige polyfonie van heilige ledematen en helse spierbundels afwendde, zag ik aan de zijkanten van het portaal, en onder het diepe gewelf van de bogen, soms gebeeldhouwd op de steunmuren in de ruimte tussen de ranke zuilen die ze schraagden en versierden, en verder op de dichte haag van hun kapitelen van waaruit ze zich vertakten naar het woudachtige gewelf van de talrijke bogen, nog meer visioenen, verschrikkelijk om te zien en op die plek alleen gerechtvaardigd door hun parabolische en allegorische kracht of om de zedelijke lering die ervan uitging: en ik zag een wellustige, naakte vrouw met een ontvleesd lichaam, aangevreten door smerige padden, leeggezogen door slangen, gepaard met een dikbuikige sater met ruige griffioens poten en een liederlijk opengesperde keel die zijn verdoemenis uitschreeuwde; en ik zag een vrek, verstijfd in de starheid van de dood op zijn protserige hemelbed, tot weerloze prooi geworden van een horde duivels, van wie één hem de ziel in de vorm van een zuigeling (die helaas nimmer meer tot het eeuwige leven geboren zou worden) uit zijn reutelende mond rukte, en ik zag een hoogmoedige op wiens schouders een duivel neerstreek en hem zijn klauwen in de ogen stak, terwijl elders twee vraatzuchtigen elkaar in een weerzinwekkende worsteling in stukken reten, en nog meer wezens, met bokkenpoten, leeuwenmanen en pantermuilen, gevangen in een woud van vlammen waarvan men de schroeilucht bijna kon ruiken. En rondom hen, tussen hen in, boven hen en onder hun voeten, nog meer gezichten en nog meer ledematen, een man en een vrouw die elkaar bij de haren grepen, twee adders die de ogen van een verdoemde uitzogen, een hoonlachende man die met zijn haakvormige handen de muil van een hydra opensperde, en alle andere dieren van satans bestiarium, in vergadering bijeen en als bewakers en erewacht geschaard om de troon tegenover hen, om met hun nederlaag Zijn lof te zingen, faunen, tweeslachtige wezens, beestmensen met zes vingers aan elke hand, sirenen, centauren, gorgonen, harpijen, maren, dracontopoden, minotauren, lynxen, pardels, climaeren, draken met hondenkoppen die uit hun neusgater vuur spuwden, getande reuzenhagedissen, veelstaartige monsters, harige slangen, salamanders, hoornadders, waterschildpadden, ringslangen, tweekoppige adelaars met tanden op hun rug, hyena’s, otters, kraaien, krokedillen, zeemonsters met zaagvormige hoorns, kikkers, griffioenen, apen, bavianen, leeuw-hyena’s, mantichora’s, gieren, rendieren, wezels, draken, hoppen, steenuilen, basilisken, hypnalissen, praesters, schorpioenen, sauriërs, walvissen, rolslangen, ringelaars, pijlslangen, dispassen, smaragdhagedissen, zuigvissen, poliepen, murenen en schildpadden. De gehele bevolking van het dodenrijk scheen zich te hebben verzameld om, duister woud en troosteloze vlakte van uitgestotenen, als voorhal te dienen voor de verschijning op het timpaan van Hem die was gezeten, voor Zijn gelaat vol belofte en dreiging, zij, de verslagenen van Armageddon, voor het aangezicht van Hem die komen zal om voorgoed de levenden van de doden te scheiden.” 

Umberto Eco (5 januari 1932 – 19 februari 2016)

Umberto Eco, Peter Zingler, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Forough Farokhzad

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: The Mysterious Flame of Queen Loana (Vertaald door Geoffrey Brock)

„Yet every so often it was as if I had opened my eyes and were seeing flashes. I could hear voices: “Strictly speaking, Signora, it isn’t a coma….No, don’t think about flat encephalograms, for heaven’s sake….There’s reactivity….”
Someone was aiming a light into my eyes, but after the light it was dark again. I could feel the puncture of a needle, somewhere. “You see, there’s withdrawal…”
Maigret plunges into a fog so dense that he can’t even see where he’s stepping….The fog teems with human shapes, swarms with an intense, mysterious life. Maigret? Elementary, my dear Watson, there are ten little Indians, and the hound of the Baskervilles vanishes into the fog.
The gray vapor was gradually losing its grayness of tint, the heat of the water was extreme, and its milky hue was more evident than ever…And now we rushed into the embraces of the cataract, where a chasm threw itself open to receive us.
I heard people talking around me, wanted to shout to let them know I was there. There was a continuous drone, as though I were being devoured by celibate machines with whetted teeth. I was in the penal colony. I felt a weight on my head, as if they had slipped the iron mask onto my face. I thought I saw sky blue lights.
“There’s asymmetry of the pupillary diameters.”
I had fragments of thoughts, clearly I was waking up, but I could not move. If only I could stay awake. Was I sleeping again?
Hours, days, centuries?
The fog was back, the voices in the fog, the voices about the fog. Seltsam, im Nebel zu wandern! What language is that? I seemed to be swimming in the sea, I felt I was near the beach but was unable to reach it. No one saw me, and the tide was carrying me away again.”

Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Doorgaan met het lezen van “Umberto Eco, Peter Zingler, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Forough Farokhzad”

Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Forough Farokhzad

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: Baudolino (Vertaald door Burkhart Kroeber)

“In jenen Tagen des Wartens, Kyrios Niketas, war ich von gegensätzlichen Gefühlen beherrscht. Ich brannte vor Begierde, sie wiederzusehen, ich fürchtete, sie nie wiederzusehen, ich sah sie umstellt von tausend Gefahren, mit einem Wort, ich machte alle Gefühle durch, die zur Liebe gehören, nur nicht die Eifersucht.”
“Hast du nicht daran gedacht, daß die Große Mutter sie gerade jetzt zu den Befruchtern schicken könnte?”
“Ein solcher Zweifel ist mir nie gekommen. Vielleicht dachte ich, weil ich wußte, wie sehr ich inzwischen der ihre war, sie sei in solchem Grade die meine, daß sie es ablehnen würde, sich von anderen berühren zu lassen. Ich habe lange darüber nachgedacht, hinterher, und bin zu dem Schluß gekommen, daß vollkommene Liebe keinen Platz für Eifersucht läßt. Eifersucht ist Verdacht, Furcht und Verleumdung zwischen Liebenden, und der Apostel Johannes hat gesagt, daß die vollkommene Liebe alle Furcht vertreibt. Ich empfand keine Eifersucht, aber ich versuchte ständig, mir ihr Gesicht vor Augen zu halten, und es gelang mir nicht. Ich erinnerte mich an das, was ich empfunden hatte, wenn ich sie ansah, aber ich konnte sie mir nicht vorstellen. Dabei tat ich während unserer Begegnungen nichts anderes, als sie unverwandt anzusehen . . .”
“Ich habe gelesen, daß es heftig Liebenden so ergeht . . .”, sagte Niketas mit der Verlegenheit dessen, der eine so überwältigende Leidenschaft nie selber erfahren hat. “Ist es dir bei Beatrix und bei Colandrina nicht so ergangen?”
“Nein, nicht in dem Maße, daß es mich so hätte leiden lassen. Ich glaube, bei Beatrix habe ich vor allem die Idee der Liebe kultiviert, ich brauchte kein reales Gesicht, und außerdem hätte ich es als Sakrileg empfunden, mir ihre körperlichen Züge vorzustellen. Was Colandrina betraf, so ist mir klargeworden – nachdem ich Hypatia kennengelernt hatte -, daß es bei ihr keine Leidenschaft war, sondern eher Freude, Zärtlichkeit, innigste Zuneigung, wie ich sie, Gott vergebe mir, für eine Tochter oder eine kleine Schwester hätte empfinden können.

Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Doorgaan met het lezen van “Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Luisa Futoransky, Forough Farokhzad”

Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Friedrich Dürrenmatt

 De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.

Uit: The Prague Cemetery (Vertaald door Richard Dixon)

“A passerby on that gray morning in March 1897, crossing, at his own risk and peril, Place Maubert, or the Maub, as it was known in criminal circles (formerly a center of university life in the Middle Ages, when students flocked there from the Faculty of Arts in Vicus Stramineus, or Rue du Fouarre, and later a place of execution for apostles of free thought such as Étienne Dolet), would have found himself in one of the few spots in Paris spared from Baron Haussmann’s devastations, amid a tangle of malodorous alleys, sliced in two by the course of the Bièvre, which still emerged here, flowing out from the bowels of the metropolis, where it had long been confined, before emptying feverish, gasping, and verminous into the nearby Seine. From Place Maubert, already scarred by Boulevard Saint-Germain, a web of narrow lanes still branched off, such as Rue Maître-Albert, Rue Saint-Séverin, Rue Galande, Rue de la Bûcherie, Rue Saint-Julien-le-Pauvre, as far as Rue de la Huchette, littered with filthy hotels generally run by Auvergnat hoteliers of legendary cupidity, who demanded one franc for the first night and 40 centimes thereafter (plus 20 sous if you wanted a sheet).
If he were to turn into what was later to become Rue Sauton but was then still Rue d’Amboise, about halfway along the street, between a brothel masquerading as a brasserie and a tavern that served dinner with foul wine for two sous (cheap even then, but all that was affordable to students from the nearby Sorbonne), he would have found an impasse, or blind alley, which by that time was called Impasse Maubert, but up to 1865 had been called Cul-de-sac d’Amboise, and years earlier had housed a tapis-franc (in underworld slang, a tavern, a hostelry of ill fame, usually run by an ex-convict, and the haunt of felons just released from jail), and was also notorious because in the 18th century there had stood here the laboratory of three celebrated women poisoners, found one day asphyxiated by the deadly substances they were distilling on their stoves.”

Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Doorgaan met het lezen van “Umberto Eco, Paul Ingendaay, Ngũgĩ wa Thiong’o, László Krasznahorkai, Friedrich Dürrenmatt”

Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Ngũgĩ wa Thiong’o, Paul Ingendaay, László Krasznahorkai

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook alle tags voor Umberto Eco op dit blog.


Uit: In de naam van de roos (Vertaald door Jenny Tuin, Pietha de Voogd, Henny Vlot)

“De kerk was niet majestueus zoals andere die ik later in Straatsburg, Chartres, Bamberg en Parijs zag. Ze leek veeleer op die welke ik in Italië al had gezien, weinig geneigd in een duizelingwekkende vlucht naar de hemel op te streven en stevig op de aarde geplant, dikwijls meer breed dan hoog; zij het dat de muren van deze kerk op een eerste niveau, gelijk die van een burcht, van boven waren bezet met een reeks vierkante kantelen, terwijl zich boven deze verdieping een tweede bouwwerk verhief, meer een fikse tweede kerk dan een toren, bedekt met een puntdak en voorzien van strenge ramen. Een robuuste abdijkerk zoals onze oude bouwmeesters in de Provence en de Languedoc bouwden, gespeend van de vermetele vormen en overdreven versiersels eigen aan de moderne stijl, en pas in later tijden, vermoed ik, boven het koor verrijkt met een spitse, driest naar het hemelgewelf priemende toren.


Twee rechte, gladde zuilen stonden voor de ingang, die op het eerste gezicht een grote boog leek; maar van de zuilen gingen twee steunmuren uit, waarboven zich nog vele andere bogen welfden die de blik, als naar het hart van een afgrond, naar de eigenlijke, in het halfduister juist te onderscheiden ingang trokken, bekroond met een groot timpaan, aan de zijkanten geschraagd door twee muurpijlers en in het midden door een gebeeldhouwde pilaar die de ingang verdeelde in twee openingen, elk afgesloten door een eikenhouten, met metaal verstevigde deur. Op dat uur van de dag scheen de bleke zon bijna lood recht op het dak en liet licht viel schuin op de voorgevel, dus niet rechtstreeks op het timpaan; zo stonden we, na de twee zuilen te zijn gepasseerd, plotseling als het ware in een woud van bogen die, ontsproten aan de reeks kleinere pijlers waarmee de steunmuren op regelmatige afstanden werden verstevigd, boven onze hoofden het gewelf vormden. Toen onze ogen eindelijk aan het halfduister gewend waren, werd ik als door een bliksemflits getroffen door de woordeloze taal van de gebeeldhouwde en beschilderde Steen, waarvan de voorstellingen, direct toegankelijk voor ieders blik en fantasie als ze waren, (want pictura est laicorum literatura) mij in een visioen dompelden waarvan mijn tong ook thans nog slechts met moeite vermag te gewagen.”


Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Doorgaan met het lezen van “Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Ngũgĩ wa Thiong’o, Paul Ingendaay, László Krasznahorkai”

Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Ngũgĩ wa Thiong’o, Paul Ingendaay, László Krasznahorkai, Forough Farokhzad

De Italiaanse schrijver Umberto Eco werd geboren op 5 januari 1932 in Allasandria. Zie ook mijn blog van 5 januari 2007 en ook mijn blog van 5 januari 2008 en ook mijn blog van 5 januari 2009 en ook mijn blog van 5 januari 2010 en ook mijn blog van 5 januari 2011.


Uit:De begraafplaats van Praag (Vertaald door Yond Boeke en Patty Krone)

“Ik voel een zekere gêne nu ik me aan het schrijven zet, net alsof ik mijn ziel blootleg, op bevel – nee, laten we zeggen: op instigatie – van een Duitse Jood (of een Oostenrijkse, maar dat komt op hetzelfde neer). Wie ben ik? Wellicht kan ik mezelf beter vragen stellen over de hartstochten waardoor ik wellicht nog gedreven word dan over de feitelijkheden van mijn leven. Van wie hou ik? Er komen me geen geliefde gezichten voor de geest. Ik weet dat ik van lekker eten hou: alleen al bij het horen van de naam La Tour d’Argent trekt er een siddering door mijn hele lichaam. Is dat liefde?
Wie haat ik? Joden, zou ik bijna zeggen, maar het feit dat ik zo slaafs zwicht voor de aansporingen van die Oostenrijkse (of Duitse) arts, toont aan dat ik niets tegen die verdomde Joden heb.
Het enige wat ik over de Joden weet, is wat mijn grootvader me heeft geleerd: – Ze zijn het atheïstische volk par excellence, zei hij. Ze gaan uit van de visie dat het goede hier verwezenlijkt dient te worden, en niet aan geen zijde van het graf. En dientengevolge zetten ze zich uitsluitend in voor de verovering van deze wereld.
Mijn jeugdjaren zijn verziekt door hun spookbeeld. Grootvader vertelde me over hun ogen die je beloerden, ogen waar je bleek van wegtrok, over hun valse glimlachjes, hun lippen die ze als hyena’s over hun tanden omhoog krulden, die dreigende, ontaarde, dierlijke blikken van ze, die altijd zo gekwelde, door haat gedolven groeven tussen hun neus en lippen, die neus van ze, net de snavel van een roofvogel… En hun ogen… o, die ogen… Ze wentelen koortsig rond een pupil met de kleur van geroosterd brood en verraden ziektes van een lever die is aangevreten door de secreties van een achttien eeuwen durende haat, ze plooien zich over duizenden rimpeltjes die mettertijd steeds geprononceerder worden: als een Jood twintig is, lijkt hij al een oude kerel, zo verschrompeld is hij. Als hij lacht, gaan zijn dikke oogleden zo ver dicht dat er nog maar net een spleetje open blijft, kenmerk van sluwheid volgens sommigen, van wellust, preciseerde mijn grootvader…”


Umberto Eco (Allasandria, 5 januari 1932)

Doorgaan met het lezen van “Umberto Eco, Friedrich Dürrenmatt, Ngũgĩ wa Thiong’o, Paul Ingendaay, László Krasznahorkai, Forough Farokhzad”