Dolce far niente, Mustafa Stitou, Taije Silverman, antoine de kom, Atte Jongstra, Amélie Nothomb, Nikolaus Lenau

Dolce far niente

 

Een jong meisje voert de konijnen door Heinrich Hirt, eind 19e eeuw.


Koppig

– En, wat zien we?
– Een konijn natuurlijk!
– Een konijn, En?
– En? Ik zie een konijn.
– En tegelijkertijd een….?
– Konijn zeg ik toch!
– Eend.
– Eend?
– Oren snavel zie je wel?
– Ik zie alleen een konijn.
– En een eend.
– Een konijn!
– Eend!
– Konijn!
Konijn konijn konijn!

Mustafa Stitou (Tétouan, 20 oktober 1974)
Tétouan


De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

“…a joy so unaccountable…”

On Joy
Last night’s rain has filled the fields
with cornflowers, blue-bright as moons
in children’s books, all milky light.
They seem, my father says, the kind of color
that could show up in the night.

Cornflowers wilt in heat.
By noon the sun will burn the fields
green, as if no bloom had known them.
I picked one to keep, and now
it’s the color of paper. My mother’s sick.
Today begins her twenty-second day of radiation.
As I write she is strapped to a table
under fourteen floors, face held to a net
of white while instants of light like lead move
through her. I don’t know how to say it.

Past these fields are others no one sees,
and past them oak and poplar trees, the evergreen
that slopes up toward a mountain range the same
blue shade and lucid gleam as these quick blooms.
Last night, rain fell in flooded streams.
I tried to wait, but dinner starts at six and by the time
I’d reached the house my dress was slick.
I didn’t rush. The drops were warm
and made me laugh out loud–the laughter’s sound
my own, but strange, the way that when
we listen, breath is strange.
As if our loneliness were something I could speak,
when even crickets know we only speak to air.
I want to ask the air, then, how a love
so skilled at longing can become
enough. Why do prayers to no one comfort us?
I want so much. I want a faith I’ve not
Invented, something hard, uncontested as our yard’s
wooden table, something that won’t ever sound
like my name. Now the afternoon’s late.
Light sharpens the skyline like glass in a lens,
making mountains look bluer against where they end.
This light must come from nowhere.

Last night, I walked to dinner on a gravel road
through rain into a joy so unaccountable
and plain, it did not need a witness. But walking back, 
the rain had lifted. And in its place, mist drifted low:
a thousand-fingered ghost that seemed to coax
each leaf and blade into a long, inhaled wait,
though what arrival they awaited had already left.
I stopped to watch, but wept.
We’ve moved for months through hospitals,
learned every name for star-shaped cells
doctors cut from my mother’s brain and stained
onto slides before calling us into an office.
Maybe we don’t bear the unbearable. Maybe
we die with it. And in our place some larger,
less impatient shape may then be granted space
but I don’t want it. I want my mother.

Sometimes beside her in the bed while trying
to tell her I’m okay, I start to weep.
She watches me. Her eyes are distant now,
gone deep inside some gravely gentle place
where, with a stranger’s curiosity, she seems to  ask
What can I do with your sadness? She has no use for it.
We will lose what we love, and our suffering
is useless, and by dusk all the crickets will thrum
their one absence of warning. That trace of light
against the hills will spread through trees, undo
the ends of evergreen, then fall to fields. It will not hold.
As if it means to urge us, look. Love’s body must
be manifold. Black cricket shell, new summer air,
late light. The landscape’s all ablaze
with gentle strangers. Look. We’re standing in a field.

Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)


De Nederlandse schrijver en dichter antoine de kom werd geboren in Den Haag op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor antoine de kom op dit blog.

Ogier de Gombaud

aan Lodewijk xviii van Frankrijk, 24 april 1815

1

Sire, mijn lot: dat ik ben, noch denk, leek
Zo leeg als een schedel, gerot en verdoemd
Door de onmin van Bonaparte – woedend
Was de Eerste Consul; ons plan bleek

Mank, al bekend, en ik, nooit een strateeg,
Liep in de val die voor hem was bedoeld.
Mijn lot. Dat ik denk, dus ben, leef
Leeg als ’n schedel. Verrot. Gedoemd

Zoals zo vaak gebeurt, ellendige
Herhaling van historie: per schoener
Cybèle naar Cayenne. In naam van zijn roem
Telt een simpele grenadier niet meer.
Mijn lot, O Sire, Majesteit, zo ledig.

2

Vrij, gelijk en broederlijk? Beroerd. Slik,
Hitte en muskieten zijn mijn deel, dat wat
Napoleon met harde hand Continentaal
Verklaarde – het werd mij ontzegd. Ach, ik

Was van geen belang; hij heeft beschikt
Zich tóch vergist: niet hij bedacht
Mijn straf – heb ik mijzelf dan niet verbannen?
Vrij ben ik, gelijk en broederlijk, ik zit

Ga, sta, volg eigen wet. Beschik
Over mijn eigen onderdanen: echt bestaande
Vogels in plat vlak gevangen, stram, betrapt
Met prooi en al, vrij naar de natuur geschilderde
Verzinsels op velijn, staande in ’t slik, zo ik.


3

Kraaloogjes bespieden mij in mijn barak. Bezweet
Kijk ik hen aan. Vogels slaan mij gade, vogels
Eigenhandig opgezet, getemd: versteende poten,
Vleugels in beweging stilgezet. Ooit wreed

Steeds wraakbeluste snavels tot ’n spleet
Geopend: – boomeend, rotshaan en moerastiran, tot
Op ’t bot doordringt hun blik mijn gelig
Vel. Ik kijk ze aan. De vogels mij. En ik de vogels.

Dan neem ik het penseel weer op, bezie de prent
Die voor mij ligt: – boomtiran en rotseend. Ware grootte,
Juiste kleuren. Terwijl de verf droogt klinkt rond
Mijn hoofd gezoem dat luider wordt: O Sire, een wesp
Kruipt op papier over ’n vogel die ’n wesp opeet.

antoine de kom (Den Haag, 13 augustus 1956)
Antoine de Kom spreekt Nobelprijswinnaar Derek Walcott toe, aula van de Universiteit van Amsterdam, 20 mei 2008. Foto: Bert Nienhuis


De Nederlandse schrijver en essayist Atte Jongstra werd geboren in Terwispel op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor Atte Jongstra op dit blog.

Uit: Aan open zee

Waarin de pointe wordt gemist

Geduldige wateren. Deze woorden schoten Axel te binnen toen hij eenmaal op de kleine, bij een stijve Botnische noordoosterbries door de golven stampende veerboot, gehoekt over de reling hing. Kokkend, kotsend. Het dreigende geduld, dacht hij. Deze klotsende lijkwade beweegt zoals ze al miljoenen jaren heeft gedaan. Eindeloze deining, de stank. Even kwam het verlangen in hem op weg te glijden in de soep die onder hem kolkte en schuimde, fluimkleurig met pisgele tonen. Toen greep hij zich vast aan de witgeverfde ijzeren stang waarop hij leunde, om niet door het gewicht van zijn bovenlijf in zee te worden getrokken.

Het Werk. Hij moest het gaan schrijven. Zo niet nu, dan nooit.
Hij dwong zich rechtop, haalde diep adem om maag en slokdarm tot rust te brengen. Regelmatige teugen lucht, hij voelde dat het werkte. Hij werd kalmer, maar het verzet tegen zijn missie bleef. Het leek op weerzin.

Er was een vrouw naast hem komen staan die de capuchon van haar oliejas naar voren trok en vroeg of het een beetje ging. Axel knikte.
‘Ik ben dol op dit weer,’ vertelde ze. ‘Je voelt de elementen. Mijn man is arts op het Franse platteland, weet u… Daar staat alles stil. Maar de zee doet de geest bewegen. De aanblik van dat grote water verheft de ziel en geeft gedachten over het oneindige, het ideale.’ Ze snoof eens diep. ‘Aaah… Bij Beaufort 5 beginnen de dingen zich echt te roeren.’
‘In mij bewoog alleen het ontbijt,’ zei Axel. ‘Ik ben al blij dat ik even geen reuring voel.’
‘U mist de pointe,’ riposteerde de vrouw. ‘Maar we hoeven niet te praten. Goedemorgen.’

Atte Jongstra (Terwispel, 13 augustus 1956)
Terwispel


De Franstalige Belgische schrijfster Amélie Nothomb werd geboren in Kobe in Japan op 13 augustus 1967. Zie ook alle tags voor Amélie Nothomb op dit blog.

Uit: Stupeur et tremblements

“Récapitulons, petite je voulais devenir Dieu. Très vite, je compris que c’était trop demander et je mis un peu d’eau bénite dans mon vin de messe : je serais Jésus. J’eus rapidement conscience de mon excès d’ambition et acceptai de « faire » martyre quand je serais grande.
Adulte, je me résolus à être moins mégalomane et à travailler comme interprète dans une société japonaise. Hélas, c’était trop bien pour moi et je dus descendre un échelon pour devenir comptable. Mais il n’y avait pas de frein à ma foudroyante chute sociale. Je fus mutée au poste de rien du tout. Malheureusement – j’aurais dû m’en douter – rien du tout, c’était encore trop bien pour moi. Et ce fus alors que je reçus mon affectation ultime : nettoyeuse de chiottes.»
(…)

“-Je hais Monsieur Saito. C’est un salaud et un imbécile.
Fubuki eut un petit sourire.
-Non, vous vous trompez.
-Evidemment. Vous, vous êtes gentille, vous ne voyez pas le mal. Enfin, pour me donner un ordre pareil, ne faut-il pas être un…
-Calmez-vous. L’ordre ne venait pas de lui. Il transmettait les instructions de Monsieur Omochi. Il n’avait pas le choix;
– En ce cas, c’est Monsieur Omochi qui est un…
-C’est quelqu’un de très spécial, coupa t-elle. Que voulez-vous? C’est le vice-président. Nous n’y pouvons rien. “
(…)

«Au nombre de mes handicaps psychomoteurs, il y avait celui-ci : quand je devais tapoter sur un clavier pendant plus de cinq minutes, ma main se retrouvait soudain aussi engluée que si je l’avais plongée dans une purée de pommes de terre épaisse et collante. Quatre de mes doigts étaient irrémédiablement immobilisés ; seul l’index parvenait encore à émerger pour atteindre les touches, avec une lenteur et une gaucherie incompréhensible pour qui ne distinguait pas les patates invisibles.”

Amélie Nothomb (Kobe, 13 augustus 1967)
Cover


De Oostenrijkse dichter Nikolaus Lenau werd geboren op 13 augustus 1802 in Csatád (in het Hongaarse deel van Oostenrijk-Hongarije). Zie ook alle tags voor Nikolaus Lenau op dit blog.

Warnung und Wunsch

Lebe nicht so schnell und stürmisch;
Sieh den holden Frühling prangen,
Höre seine Wonnelieder;
Ach, wie bleich sind deine Wangen!

Welkt die Rose, kehrt sie wieder;
Mit den lauen Frühlingswinden
Kehren auch die Nachtigallen;
Werden sie dich wiederfinden? –

»Könnt ich leben also innig,
Feurig, rasch und ungebunden,
Wie das Leben jenes Blitzes,
Der dort im Gebirg verschwunden!«

 

An die Melancholie

Du geleitest mich durchs Leben,
Sinnende Melancholie!
Mag mein Stern sich strahlend heben,
Mag er sinken – weichest nie!

Führst mich oft in Felsenklüfte,
Wo der Adler einsam haust,
Tannen starren in die Lüfte
Und der Waldstrom donnernd braust.

Meiner Toten dann gedenk ich,
Wild hervor die Träne bricht,
Und an deinen Busen senk ich
Mein umnachtet Angesicht.

 

Liebesfrühling

Ich sah den Lenz einmal
Erwacht im schönsten Tal;
Ich sah der Liebe Licht
Im schönsten Angesicht.

Und wandl ich nun allein
Im Frühling durch den Hain,
Erscheint aus jedem Strauch
Ihr Angesicht mir auch.

Und seh ich sie am Ort,
Wo längst der Frühling fort,
So sprießt ein Lenz und schallt
Um ihre süße Gestalt.

Nikolaus Lenau  (13 augustus 1802 – 22 augustus 1850)
Nikolaus Lenau door Friedrich Amerling, 19e eeuw 


Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2018 en ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.

Dolce far niente, antoine de kom, Atte Jongstra, Taije Silverman, Amélie Nothomb, Nikolaus Lenau, Tom Perrotta

Dolce far niente

 


Ingang Vondelpark door Gerard Huysman, 2018

 

Uit: Het geluk van de brug

“Waar verloren wij onszelf? Bij de toegang tot het Vondelpark aan de Stadhouderskade. Die is groots, in de schitterende traditie van de Londense parken. Welke beloftes gaan er van deze toegang uit: er moet een klein Versailles achter liggen. Waarom het gaat, is hier gerealiseerd: twee werelden worden van elkaar gescheiden. De poort voorbij en je bent in een nieuwe wereld. In mijn jeugd gingen wij altijd door het Kattenlaantje naar binnen, een wat stiekeme toegang tot verboden genoegens. Misschien nog belofterijker is het drievoudige hekwerk bij Artis. Ik wil het gevaar lopen belachelijk te zijn, maar ik vind het een van de mooiste stukjes Amsterdam. Als kind kende ik het geluk van die toegang heel diep: ik ging van Amsterdam de tropen in. Papegaaien heetten mij welkom. Ik wilde toen al in wat nu de Henri Polaklaan heet, wonen om het blijvend uitzicht op de poort naar elders. En elke dag de mogelijkheid de grens weer te overschrijden. Een lichte opwinding komt nog altijd over mij als ik Artis nader.
Alle toegangen worden mooier wanneer er een trappartij voor ligt. Iets van onbereikbaarheid doet zich even voelen. De Sint-Pieter in Rome en de Saint-Paul’s in Londen triomferen natuurlijk in het trappenrijk. God woont in de hoge. Wat biedt Amsterdam aan trappen? Ik loop in gedachten de stad door. Geen trap te zien. Een kleine bij het Amstel-Hotel, de prelude tot het schitterende trappenhuis binnen, waar ik dagelijks vanaf zou willen dalen. Kerkgebouwen zijn in Amsterdam allemaal gelijkvloers met de straat. De God van Amsterdam is een democratische. Hij wil zich niet boven ons verheffen. Misschien wordt het burgerkarakter van het Paleis op de Dam wel het mooist gesymboliseerd in de afwezigheid van trappen; de paar treden die er nu liggen, verdienen de naam van trap niet. Buckingham Palace heeft ook geen trappen, maar weer wel een der mooiste hekwerken van de wereld, dat de burger op royale afstand houdt.”
Ik zoek, al weer in gedachten, naar grootse hekwerken in Amsterdam (de mooiste staan langs de Vecht, metershoog zijn ze en de gouden punten reiken tot de hemel). Zo kom ik weer bij het Vondelpark.”

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)
De Chassékerk en de Chasséstraat in Amsterdam. Kees Fens groeide op in deze straat.

 

De Nederlandse schrijver en dichter antoine de kom werd geboren in Den Haag op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor antoine de kom op dit blog.

Epidauros

Ik zie marrons met de godin der jacht. Disjecta
Membra? Artemis tussen weggelopen negerslaven?
Het Griekse mythos doet mij telkens denken aan
Bewoners van het oerbos: daar peddelt Hecate in ‘n
Korjaal, Poseidon proest in waterval en kreek,
God Hermes spoedt zich naar de Tafelberg
Met nieuws voor Zeus en Hera. Dit hier, dit
Theater te Epidauros, roept bij mij op het klaslokaal
Met houten banken stijgend naar de achtermuur.
Een stem, een zwaar Guyaans accent. Dat men in
Italië nog Latijn spreekt, dat de oorlog op de
Peloponnesos net voorbij is, dat zegt Oscar Virunda.
Hij dicteert op monotone toon zijn commentaar, Oscar,
corpulent, gesteven boord, ’t kalend kroeshaar grijs.

 

Des tijds

Zandstraat die een zandstraat kruist;
Huis, lege huls, de kamers kaal, juist
Daarom sta ik in dit huis op de hoek,
Zoek naar wat tijdloos-nooit verhuist.

Ik wacht op de verleden tijd. Eerst
Zit ik in rotan stoelen, spiegel beheerst
Mijzelf in ramen, tuur dan in ’t duister nu:
De tand des tijds breekt af, perdu, als eerst.

Gasten gaan het huis in: figuranten,
In ’t want van mijn geheugen vastgeklampte
Wassen beelden, smeltend in de tropennacht.
Hun lachen was een voorzaal vol gedaanten.  

 
antoine de kom (Den Haag, 13 augustus 1956)

 

De Nederlandse schrijver en essayist Atte Jongstra werd geboren in Terwispel op 13 augustus 1956. Zie ook alle tags voor Atte Jongstra op dit blog.

Uit: Worst

“Tijdens mijn huwelijk met Rosa was ik een eerzaam burger met een weinig opmerkelijk leven. Mijn producten waren niet alledaags misschien, maar ik was gewoon werkzaam in ZZP-verband. Hoofden thuisarbeider. Ik zat de ganse dag achter mijn schrijftafel, de gang naar de supermarkt was al een heel uitstapje. Dat bestaan had nu abrupt opgehouden. Ik leefde uit de koffer, huizend in een morsig kunstenaarsatelier, en was geheel het noorden kwijt. Mijn verstandelijke vermogens had ik nog, maar de controle was zoek.
Alle gebruikelijke oriëntatiepunten van de dag waren weg, dat ontregelde nog het meest. Gewone huiselijke dingen. De wachttijd voor de dichte badkamerdeur, waarachter de vertrouwde kraangeluiden en het gespetter van Rosa, die op haar privacy stond. Haar schoongewassen ochtendjasgestalte, die vervolgens langs mij ruiste.
‘Wat sta je hier op mij te wachten? Ik voel me opgejaagd. Heb je al thee gezet?’
Natuurlijk had ik thee gezet. Of ik die dag het sanitair ging doen?
Zeker, het was immers dinsdag. En de douche met Antikal?
‘Ach, alweer een maand voorbij?’
Dialogen waaraan men zich gaat hechten, zonder het te merken. Er is een wilsbesluit geweest, het huwelijk. Dan volgt men een rode lijn. Kwestie van karaktervastheid en gewoonte. Liefde was er ook. En de toon waarop het leven loopt, valt na een jaar of vijf niet langer op. Ik had mijn gezel in het ondermaanse om de aard van het beestje uitgezocht. Dit hoorde er kennelijk bij, ik was ermee vergroeid geraakt.
Ik had vrijwel meteen na mijn heenzending asiel gevonden op een afgeschoten werkvloerstuk in een gekraakte typografische fabriek, in de negentiende-eeuwse gordel van de stad. Ik installeerde mijn computer op een schragentafel, hing wat kleren aan een haakje en sleet mijn nachten in de twijfelaar op een aangebracht entresol. Het smalle leven. Best luxe, best kaal. De vriend die me onderdak geboden had werkte een jaar lang in het buitenland. Ik zegen hem, waar had ik anders moeten blijven? Daar zat ik, drieënnegentig dagen lang. Aanvankelijk slechts naar buiten voor sigaretten, afhaal, en de drank om alles weg te spoelen. Denkend aan mijn dertien jaar met Rosa.
Een huwelijk wordt in terugblik minder ideaal als men is weggestuurd. De schellen vallen.”


Atte Jongstra (Terwispel, 13 augustus 1956)

 

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974. Zie ook alle tags voor Taije Silverman op dit blog.

The Boy with the Bolt

The boy at my poetry reading wants to start a reliquary.
He might be twelve, his belly billowed around him like a safety
net for his body, and a head of curly hair the shocked color
of saffron. His shoulders have the blockish weight
of a kitchen cupboard but his voice is a child’s,
girlish and mannered. His name is River.

He tells me the bolt he found along the bank of a river
will be the first official piece of his reliquary.
Meaningful objects are hard to come by, he says with a child’s
comic gravity, but I’ve got this bolt. Lifesaver-
shaped erasers line the bookstore’s front counter beside paperweights
of Paris. In the Q&A his cheeks prickle with a rich, pink color

each time he asks a question: What’s your favorite color?
and Do you believe in numerology? “River!”
his mother exclaims when he asks my deepest fear, but he waits
for my answer. I want to ask how he knows what a reliquary
is. I want to know what the bolt looks like, if it’s right now safe
in his pocket and if the sign it held warned CHILDREN

CROSSING or WIND GUSTS. A child’s
deepest fear is not of danger but of loss, though of loss that doesn’t color
what comes after. Absence without aftermath. He’s so intent on saving
what surrounds him that who he’ll be without it must seem to him
as abstract as old age—a minor evil that the simplest of reliquaries
could overcome. I want to hold the bolt’s small, solid weight
in my hand, hold its useless intention, but people are waiting
to buy my book and tell me how when they were children
they also lost their mothers, as if inside reliquaries
we keep grief and not the rose-scented, colorless
bones of saints. As if grief could carry us like rocks across a river,
embedded in sediment so we might safely

walk on water. But grief is the water: I have saved
messages from answering machines and a nearly weightless
piece of cork, several Post-It notes, and a petal from a river
of curbside cherry blossoms that my father scooped like a child
and let fly in front of my mother. Moth-colored,
powerless petal. And then—isn’t a book a reliquary?

River waits in line to ask what he should add to his reliquary.
Instead of signing my name, I list a used eraser, a child’s watercolor,
and a page from your diary saying “I haven’t lost anything, I’m safe.”


Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)

 

De Franstalige Belgische schrijfster Amélie Nothomb werd geboren in Kobe in Japan op 13 augustus 1967. Zie ook alle tags voor Amélie Nothomb op dit blog.

Uit: Met angst en beven (Vertaald door Marijke Arijs)

“Op een morgen liet mijnheer Saito me weten dat de vice-directeur in zijn kantoor een aanzienlijke delegatie van een handelspartner op bezoek had: ‘Koffie voor twintig personen.’
Ik kwam bij mijnheer Omochi binnen met mijn grote dienblad en was de perfectie in persoon: ik schonk de kopjes in met een nadrukkelijke nederigheid, terwijl ik de meest subtiele formules prevelde, de ogen neersloeg en buigingen maakte. Als er voor de ôchakumi een orde van verdienste bestond, dan had ik die zeker gekregen.
Uren later vertrok de delegatie. De stentorstem van de moddervette mijnheer Omochi bulderde: ‘Saito san!’
Ik zag mijnheer Saito opspringen, lijkbleek worden en naar het hol van de onderdirecteur snellen. Het gebrul van de dikzak weergalmde achter de wand. We konden niet verstaan wat hij zei, maar het klonk niet bepaald vriendelijk.
Mijnheer Saito kwam terug met een gezicht als een oorwurm. Ik kreeg domweg met hem te doen toen ik bedacht dat hij drie keer minder woog dan zijn agressor. Precies op dat moment riep hij me, ziedend van woede.
Ik volgde hem naar een leeg vertrek. Hij voer zo heftig tegen me uit dat hij over zijn woorden struikelde: ‘U hebt de delegatie van onze handelspartners hevig ontstemd! U hebt koffie geschonken met beleefdheidsformules die de indruk wekten dat u het Japans perfect beheerst!’
‘Ik spreek het ook lang niet slecht, Saito san.’
‘Zwijg! Hoe durft u zich te verdedigen! Mijnheer Omochi is razend op u. U hebt de sfeer op de bijeenkomst vanmorgen grondig verziekt: hoe konden onze handelspartners zich nou op hun gemak voelen, in het bijzijn van een blanke die hun taal verstaat? Van nu af aan spreekt u geen Japans meer.’
Ik keek hem verbaasd aan: ‘U zei?’
‘U kent geen Japans meer. Is dat duidelijk?’
‘Kom nou, Yumimoto heeft me juist in dienst genomen om mijn kennis van uw taal!’
‘Mij een zorg. Ik gebied u om voortaan geen Japans meer te verstaan.’


Amélie Nothomb (Kobe, 13 augustus 1967)

 

De Oostenrijkse dichter Nikolaus Lenau werd geboren op 13 augustus 1802 in Csatád (in het Hongaarse deel van Oostenrijk-Hongarije). Zie ook alle tags voor Nikolaus Lenau op dit blog.

In der Wüste

Ist’s nicht eitel und vergebens,
Lieben Freunde, saget an!
Durch den Wüstensand des Lebens
Sich zu wühlen eine Bahn?

Streut auch unser Fuß im Staube
Spuren aus von seinem Lauf,
Gleich, wie Geier nach dem Raube,
Kommt ein Sturm und frißt sie auf.

Einsam und in Karawanen
Treibt es nach dem Land der Ruh’,
Und es flattern tausend Fahnen
Hier und dort der Ferne zu.

Wir auch wandern vielverbündet
Nach der Räthselferne aus;
Doch der Strahl der Wüste zündet
Sehnsucht nach dem kühlen Haus;

Zündet heißer stets das Sehnen
In die Gruft aus diesem Land,
Wo, nie satt, nach unsern Thränen
Lechzt herauf der dürre Sand.

 

Schilflieder

1.
Drüben geht die Sonne scheiden,
Und der müde Tag entschlief.
Niederhangen hier die Weiden
In den Teich, so still, so tief.

Und ich muß mein Liebstes meiden:
Quill, o Thräne, quill hervor!
Traurig säuseln hier die Weiden,
Und im Winde bebt das Rohr.

In mein stilles, tiefes Leiden
Strahlst du, Ferne! hell und mild,
Wie durch Binsen hier und Weiden
Strahlt des Abendsternes Bild.


Nikolaus Lenau  (13 augustus 1802 – 22 augustus 1850)
Portret door Matev¸ Langus, 1831

 

De Amerikaanse schrijver Tom Perrotta werd geboren op 13 augustus 1961 in Garwood. Zie ook alle tags voor Tom Perrotta op dit blog.

Uit: Mrs. Fletcher

“It was a long drive and Eve cried most of the way home, because the big day hadn’t gone the way she’d hoped, not that big days ever did. Birthdays, holidays, weddings, graduations, funerals—they were all too loaded with expectations, and the important people in her life rarely acted the way they were supposed to. Most of them didn’t even seem to be working from the same script as she was, though maybe that said more about the important people in her life than it did about big days in general.
Take today: all she’d wanted, from the moment she opened her eyes in the morning, was a chance to let Brendan know what was in her heart, to express all the love that had been building up over the summer, swelling to the point where she sometimes thought her chest would explode. It just seemed really important to say it out loud before he left, to share all the gratitude and pride she felt, not just for the wonderful person he was right now, but for the sweet little boy he’d been, and the strong and decent man he would one day become. And she wanted to reassure him, too, to make it clear that she would be starting a new life just the same as he was, and that it would be a great adventure for both of them.
Don’t worry about me, she wanted to tell him. You just study hard and have fun. I’ll take care of myself…
But that conversation never happened. Brendan had overslept—he’d been out late, partying with his buddies—and when he finally dragged himself out of bed, he was useless, too hungover to help with the last-minute packing or the loading of the van. It was just so irresponsible—leaving her, with her bad back, to lug his boxes and suitcases down the stairs in the sticky August heat, sweating through her good shirt while he sat in his boxers at the kitchen table, struggling with the child-proof cap on a bottle of ibuprofen—but she managed to keep her irritation in check. She didn’t want to spoil their last morning together with petty nagging, even if he deserved it. Going out on a sour note would have been a disservice to both of them.
When she was finished, she took a few pictures of the van with the back hatch open, the cargo area stuffed with luggage and plastic containers, a rolled-up rug and a lacrosse stick, an Xbox console and an oscillating fan, a mini-fridge and a milk crate full of emergency food, plus a jumbo bag of Cool Ranch Doritos, because they were his favorite. She uploaded the least blurry photo to Facebook, along with a status update that read, Off to college! So happy for my amazing son, Brendan!!! Then she inserted the obligatory emoticon and launched her message into space, so her 221 friends would understand how she was feeling, and could let her know that they liked it.”

 
Tom Perrotta (Garwood, 13 augustus 1961)

 

Zie voor de schrijvers van de 13e augustus ook mijn blog van 13 augustus 2016 en ook mijn blog van 13 augustus 2011 deel 2.

Taije Silverman

De Amerikaanse dichteres, vertaalster en hoogleraar Taije Silverman werd geboren in San Francisco op 13 augustus 1974 als dochter van een projectontwikkelaar en architect en een docente kunstgeschiedenis. Ze is in 1996 afgestudeerd aan Vassar College. Zij debuteerde in 2009 met “Houses Are Fields”. In het boek reageerde zij op de dood van haar moeder. Gedichten van Silverman zijn gepubliceerd in tijdschriften als Poetry, The Harvard Review, Plowshares, Massachusetts Review, The Antioch Review en AGNI. Silverman’s gedichten werden ook opgenomen in de bloemlezing van de hedendaagse Amerikaanse poëzie, “The Best American Poetry” (2016). Als vertaalster is ze vooral bekend om haar vertalingen van Giovanni Pascoli, die zijn verschenen in The Nation, New England Review, Agni, Pleiades en Modern Poetry in Translation. Zij wordt beschouwd als een van de meest vernieuwende hedendaagse Engelse vertalers van Italiaanse poëzie. Silverman vertaalde ook de dialectpoëzie van Pier Paolo Pasolini en verschillende werken van Paolo Valesio. Ze heeft lesgegeven aan de universiteit van Bologna in Italië onder een Fulbright-fellowship, Ursinus College en Emory University, waar ze ook creatief-schrijven doceerde. Silverman was ook docent aan de Universiteit van Maryland en de Universiteit van Houston en werkte ze als lerares poëzie op openbare scholen via het programma Writers-in-the-Schools.

 

The Winter Before

My mother knocked on the bathroom door
to read me a poem. Her happiness was shining.
Even now, she read from her place on the page,
the Beloved is tending himself inside of you.
When I didn’t smile she asked, Isn’t it beautiful?
God is inside of us. Yes. A thousand times yes.
For no reason I remembered my dream
from the night before, how I had no money
in a strange city and each male friend I asked
for a place to stay wanted sex in exchange.
No reason. I smiled. I let her happiness
be my happiness, which is easy sometimes,
but when she turned to walk back
to her bedroom, I wanted to call to her:
Wait. All my dreams had returned.
Dreams of being alone in strange cities,
a man following or being followed—death
as the lover we greet indifferently, on the stairs.
Wait. I wanted to ask her, Will we be all right?
My father was already sleeping in the bed
she would climb into and the skin on their bodies
was the most precious thing I would ever know.
I would lose it. Will we be all right? The door
closed click, shut. Ghosts cluttered the hallway.
Inside me somewhere buried and lightless
I was sobbing and would not stop, but in the mirror
my eyes were dry. I asked to forget and be forgiven
though I asked no one, and nothing.

 

Philtrum

I.
Paper boat, rift
in the water.
Deft bluff
of a thumb.
Misplaced teardrop,
left to dry.
Cool cleft
of the river bed.

II.
Before we are born, the angel of God comes to the womb
and teaches us everything. How the lung books in scorpions
let them breathe, the nature of a galaxy’s greed.
Whole memories and the words for each piece of the world.
Then birth. And the angel returns as our mothers
begin to suffer, silences cells as our mothers beg.
Push, someone urges, and almost, while inside
the angel traces a finger from the nose to the top lip, so when
we enter our lives, all we were taught is forgotten.

 

 
Taije Silverman (San Francisco, 13 augustus 1974)