Joost Zwagerman, Seán Mac Falls

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

Zag jij misschien

… zag jij misschien dat ik naar jou,
dat ik je zag en dat ik zag hoe jij
naar mij te kijken zoals ik naar jou
en dat ik hoe dat heet zo steels,
zo en passant en ook zo zijdelings –
dat ik je net zo lang bekeek tot ik
naar je staarde en dat ik staren bleef.
Ik zag je toen en ik wist in te zien
dat in mijn leven zoveel is gezien
zonder dat ik het ooit eerder zag:
dat kijken zoveel liefs vermag.

 

Aan de beurt

Ik ga het hebben over vriendschap.

Vriendschap kwam
voor het eerst voor
in het Holoceen.

Dat is een soort krijt. Of Jura.
Maar dan dus na de dinosaurussen.

Ze hadden toen nog geen licht
niet elektrisch dus bedoel ik maar ik denk wel kaarsen.
Of anders gewoon vuur.
Daar heb ik een plaatje van.
Kijk.
Hier zie je
hoe ze toen met vuur en dergelijke vriendschap
maakten.

Nee, rechts. Bij m’n vinger.

Anders laat ik het wel even rondgaan.

Tegenwoordig hebben wij natuurlijk heel andere
soorten vriendschap want daar gaat het over.

Ik heb er een meegenomen en die ga ik nu pakken.
Nou, dit is hem dus.
Ik kan hem niet te lang laten zien
want hij kan niet tegen licht.

Heeft iedereen het gezien?
O ja, ik heb ook nog een lijst van vriendschappen
die je in het wild kan aantreffen
maar die lees ik nu niet op want dat duurt te lang.

Hier wil ik het bij laten.

Nou, als iemand een vraag heeft.

 

Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi.

Liefde is een platitude en daarom ook zo mooi.
Jij, jij was veel meer dan dat zodat ik van meer
naar minder kon. Jij was zo jij dat je werd mij,
aan mij was het genot om in je op te gaan, geluk
zo groot dat ik steeds minder hoefde te bestaan.

Wat meer dan liefde is en minder dan de dood
is de warme dood waar ik niet bang voor ben,
dat is het doodgaan door te leven met een vrouw.
Dat ik mocht niet-bestaan dat kwam door jou.
In mij is die dood verdreven door de onmogelijkheid
opnieuw met jou te leven. Hoogstens ben ik ziek
en schrijf ik om de ziekte naam te geven. Hoe
hopeloos dit is, het brengt je niet terug naar mij.
Wat blijft is de ziekte, de ziekte die heet jij.

 

Joost Zwagerman (18 november 1963 – 8 september 2015)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook alle tags voor Seán Mac Falls op dit blog.

 

Kauwen

De kauw is een vogel op zich
En geen tweederangs kraai.
Als ik lid was van de Vederen Raad
En het vogeljargon vloeiend uit mijn strot kwam
Zou ik samenwerking, samen vliegen, samen reizen veroordelen
In het bos, in de lucht, in geploegd land en grasland.
Ik zou adviseren en sterk aanbevelen
Een onafhankelijke organisatie voor kauwen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e november ook mijn blog van 18 november 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Margaret Atwood, Seán Mac Falls, Jaap Meijer, Richard Dehmel, William Gilbert, Hans Reimann, Mireille Cottenjé

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Zie ook alle tags voor Margaret Atwood op dit blog.

Uit: Hag-Seed

“Monday, January 7, 2013.
Felix brushes his teeth. Then he brushes his other teeth, the false ones, and slides them into his mouth. Despite the layer of pink adhesive he’s applied, they don’t fit very well; perhaps his mouth is shrinking. He smiles: the illusion of a smile. Pretense, fakery, but who’s to know?
Once he would have called his dentist and made an appointment, and the luxurious faux-leather chair would have been his, the concerned face smelling of mint mouthwash, the skilled hands wielding gleaming instruments. Ah yes, I see the problem. No worries, we’ll get that fixed for you. Like taking his car in for a tuneup. He might even have been graced with music on the earphones and a semi-knockout pill.
But he can’t afford such professional adjustments now. His dental care is low-rent, so he’s at the mercy of his unreliable teeth. Too bad, because that’s all he needs for his upcoming finale: a denture meltdown. Our revelth now have ended. Theeth our actorth … Should that happen, his humiliation would be total; at the thought of it even his lungs blush. If the words are not perfect, the pitch exact, the modulation delicately adjusted, the spell fails. People start to shift in their seats, and cough, and go home at intermission. It’s like death.
“Mi-my-mo-moo,” he tells the toothpaste-speckled mirror over the kitchen sink. He lowers his eyebrows, juts out his chin. Then he grins: the grin of a cornered chimpanzee, part anger, part threat, part dejection.
How he has fallen. How deflated. How reduced. Cobbling together this bare existence, living in a hovel, ignored in a forgotten backwater; whereas Tony, that self-promoting, posturing little shit, gallivants about with the grandees, and swills champagne, and gobbles caviar and larks’ tongues and suckling pigs, and attends galas, and basks in the adoration of his entourage, his flunkies, his toadies … Once the toadies of Felix.
It rankles. It festers. It brews vengefulness. If only … Enough. Shoulders straight, he orders his gray reflection. Suck it up. He knows without looking that he’s developing a paunch. Maybe he should get a truss.
Never mind! Reef in the stomach! There’s work to be done, there are plots to be plotted, there are scams to be scammed, there are villains to be misled! Tip of the tongue, top of the teeth. Testing the tempestuous teapot. She sells seashells by the seashore.
There. Not a syllable fluffed.
He can still do it. He’ll pull it off, despite all obstacles. Charm the pants off them at first, not that he’d relish the resulting sight. Wow them with wonder, as he says to his actors. Let’s make magic! And let’s shove it down the throat of that devious, twisted bastard, Tony.”

 
Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook alle tags voor Seán Mac Falls op dit blog.

Jackdaws

The Jackdaw is a bird in its own right
And not a second rate crow.
If I were a member of the Feather Assembly
And the bird tongue fluent in my gob
I’d condemn co-operation, co-flight, co-travel
In wood, in air, in ploughed land and grass land.
I’d advise, and recommend strongly
An independent organisation for Jackdaws.

 
Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer (pseudoniem Saul van Messel) werd geboren in Winschoten op 18 november 1912. Zie ook alle tags voor Jaap Meijer op dit weblog.

’’bitte Vorsicht”

in de garderobe van mijn droom
controleer ik mijn syndroom:

de J in mijn pas
de ster op mijn jas

 

indrukken

de moeten van mijn jodenster
dateren al van eeuwen her

ik voel hem ook vandaag nog goed
die moet


Jaap Meijer (18 november 1912 – 9 juli 1993)

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Zie ook alle tags voor Richard Dehmel op dit blog.

Der Fluß

In den abendgelben Fluß
grub mein Ruder schwarze Trichter;
ohne Won und ohne Kuß
sahn wir auf die Wellenlichter,
sahn wir eine dunkle Bucht
still das kahle Ufer spiegeln,
sahn der Berge starre Wucht
seine wirbelvolle Flucht
vor uns, hinter uns verriegeln.

Als wir dann um Mittemacht
in der Stadt mit Flüsterlauten
auf der hohen Brückenwacht
standen und hinunterschauten,
schienen uns die schwarzen Mauem
in dem grauen Wasserschacht
ihren Einsturz zu belauem.

Still, die Sonne kommt herauf.
Klar verfolgen meine Träume
bis zum Meer hin seinen Lauf;
fern durch morgenrote Bäume
steigt der blaue Nebel auf.

 

Am Scheideweg

Ich wollt dir die Stirn küssen
und dir sagen: hab Dank!
Aber da war ein Licht in deinen Augen
wie Morgenglut auf unerklommenen Bergwäldern;
und dem haben wir folgen müssen,
schweigend.

 
Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)
Kamer in het Richard- und Ida-Dehmel-Haus in Hamburg

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrator Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836. Zie ook alle tags voor William Gilbert op dit blog.

The Englishman

He is an Englishman!
For he himself has said it,
And it’s greatly to his credit,
That he is an Englishman!
For he might have been a Roosian,
A French, or Turk, or Proosian,
Or perhaps Itali-an!
But in spite of all temptations,
To belong to other nations,
He remains an Englishman!
Hurrah!
For the true-born Englishman!

 

Only Roses

To a garden full of posies
Cometh one to gather flowers;
And he wanders through its bowers
Toying with the wanton roses,
Who, uprising from their beds,
Hold on high their shameless heads
With their pretty lips a-pouting,
Never doubting – never doubting
That for Cytherean posies
He would gather aught but roses.

In a nest of weeds and nettles,
Lay a violet, half hidden;
Hoping that his glance unbidden
Yet might fall upon her petals.
Though she lived alone, apart,
Hope lay nestling at her heart,
But, alas! the cruel awaking
Set her little heart a-breaking,
For he gathered for his posies
Only roses – only roses!

 
William S. Gilbert (18 november 1836 – 29 mei 1911)

 

De Duitse schrijver en satircus Albert Johannes (Hans) Reimann werd geboren op 18 november 1889 in Leipzig. Zie ook alle tags voor Hans Reimann op dit blog.

Uit: Joachim Ringelnatz

„Dieser mysteriöse Hamsun-Mensch war ein alkoholfreudiger Raubvogel mit säChsische Beene. Und an die Brust sanken wir gegenseitig hinan und suchten (oder, wie Ringelnatz sich ausdrücken würde: charterten) stantepede einen Kapitalisten, der viele flaschen Weins und die achtfache Anzahl Schnäpse spendieren würde, Zur förderung des gemeinnützigen Unternehmens bestiegen wir eine Straßenbahn. Sie war dicht gefüllt. Wir wurden ins Innere des Wagens bugsiert. Ringelnatz erregte Aufsehen durch die ihm anhaftende Schlipsnadel in form eines Wikinger-Bugspriets oder einer ähnlichen Obszönität. Um die gaffende Menge nicht zu enttäuschen, wendete sich Ringelnatz an mich und fragte mit schallendem Timbre: “Ist eigentlieh deine Schwester wieder aus dem Zuchthaus raus?” So, gab ein Wort das andre und eine Hanebüchenheit die andre, bis wir ausstiegen, ohne daß der Schaffnersmann gewagt hätte, uns zu belästigen. Wir zitterten in eine idyllische Klause und ließen dortselbst den lieben Gott und dergleichen Kapazitäten fromme Allegorien sein. Am übernächsten Tag sandte mir Ringelnatz ein Präsent anläßlich der Wiederkehr meines Eintritts in die Welt. Es waren ein aus stinkender Seife kunstvoll geknetetes Schwein sowie ein Reiniger für die Tabakspfeife, eine aparte Röhrengeschwulst mit Miniatur-Gummiballong. Ein Zettel lag dabei: “Herzliches Gratulatz! Verschäume das Seifenschwein, Halte die Pfeife rein, Ewig dein Ringelnatz.” Die Tränen traten mir jählings in die Augen. Dem unerachtet mußte ich sofort die Reimgungsprozedur an meiner Shag-Pfeife vornehmen. Es war ein Genuß, für den ich manchen TheateTabend hingebe. Dank dir, O Ringelnatz! Aber er hat auch schöne Gedichte geschrieben, die die gesamte Produktion des mit Recht Otto Ernst geheißenen Poeten aufwiegen. Bei Alfred Richard Meyer sind die ,Turngedichte’ erschienen, die zu den klassischen Säulen moderner Humorigkeit gehören. Außerdem: ,Kuttel Daddeldu’ (dem wir des mehreren in der ,Weltbühne’ begegnet sind) und das neueste standardwork: .,Die gebatikte Schusterpastete’.“

 
Hans Reimann (18 november 1889 – 13 juni 1969)

 

De Belgische schrijfster Mireille Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933. Zie voor onderstaande schrijvers ook alle tags voor Mireille Cottenjé op dit blog.

Uit:De bevalling

“– Geef ik haar toch die spuit, dokter ?
Waarom ? Heb ik gegild ?
– ’t Is gedaan, zegt de man.
Gedaan ? Wat betekent “gedaan” ? het is uit, weg, ik ben bevrijd ? Bevrijd van wie ? Waarvan ? Van de pijn ? Van Fred ? Het kind ? Van mijn haat ? Mijn liefde ? ik krimp ineen.
– Een wee, zegt de dokter geruststellend. De foetus is los, hij zal je nu gauw verlaten.
Zoals jij mij verlaten hebt: zonder een woord.

– Het komt, zegt de dokter. Persen nu.
Persen ! denk ik met wellust. Eruit, jij, weg, gedaan ! Ha ! waar ben je nu, verwaande kwast, met je “Ik alleen ben belangrijk !” ?
– Een jongetje, zegt de dokter.
Ik lach schamper, eis overmoedig:
– Laat zien !
In mijn palm komt een slijmerig brokje leven. Het vult mijn hele hand. Het heeft een hoofd met duidelijk afgetekend neusje en oogholten en kin, en het heeft armen en benen en vingertjes en teentjes. Het stuiptrekt als een visje op het droge en opeens breekt mijn harde haat als een ijsschots en binnenin me wordt alles week en weerloos als het tere wezentje in mijn hand en ik lik het en kus het en snik : sorry, sorry, sorry en vlij het tussen mijn warme borsten en ben bereid tot ieder offer, zelfs dat van mijn eigen leven, om de klok één uur achteruit te kunnen zetten en mijn kostbaar geheim nog in mijn schoot te voelen en te koesteren als een wolvin haar wollige welp.“

 
Mireille Cottenjé (18 november 1933 – 9 januari 2006)

Margaret Atwood, Seán Mac Falls, Jaap Meijer, Richard Dehmel, William Gilbert, Hans Reimann, Mireille Cottenjé

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Zie ook alle tags voor Margaret Atwood op dit blog.

Uit:The Edible Woman

“I know I was all right on Friday when I got up; if anything I was feeling more stolid than usual. When I went out to the kitchen to get breakfast Ainsley was there, moping: she said she had been to a bad party the night before. She swore there had been nothing but dentistry students, which depressed her so much she had consoled herself by getting drunk.
“You have no idea how soggy it is,” she said, “having to go through twenty conversations about the insides of peoples’ mouths. The most reaction I got out of them was when I described an abscess I once had. They positively drooled. And most men look at something besides your teeth, for god’s sake.”
She had a hangover, which put me in a cheerful mood – it made me feel so healthy – and I poured her a glass of tomato juice and briskly fixed her an Alka- Seltzer, listening and making sympathetic noises while she complained.
“As if I didn’t get enough of that at work,” she said.
Ainsley has a job as a tester of defective electric toothbrushes for an electric toothbrush company: a temporary job. What she is waiting for is an opening in one of those little art galleries, even though they don’t pay well: she wants to meet the artists. Last year, she told me, it was actors, but then she actually met some. “It’s an absolute fixation. I expect they all carry those bent mirrors around in their coat pockets and peer into their own mouths every time they go to the john to make sure they’re still cavity- free.” She ran one hand reflectively through her hair, which is long and red, or rather auburn. “Could you imagine kissing one? He’d say ‘Open wide’ beforehand. They’re so bloody one- track.”
“It must have been awful,” I said, refilling her glass. “Couldn’t you have changed the topic?”
Ainsley raised her almost non- existent eyebrows, which hadn’t been coloured in yet that morning. “Of course not,” she said. “I pretended to be terribly interested. And naturally I didn’t let on what my job was: those professional men get so huffy if you know anything about their subject. You know, like Peter.”
Ainsley tends to make jabs at Peter, especially when she isn’t feeling well. I was magnanimous and didn’t respond. “You’d better eat something before you go to work,” I said, “it’s better when you’ve got something on your stomach.”

 
Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

Doorgaan met het lezen van “Margaret Atwood, Seán Mac Falls, Jaap Meijer, Richard Dehmel, William Gilbert, Hans Reimann, Mireille Cottenjé”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Joost Oomen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

Uit: Chaos en Rumoer

“En er veranderde niets. Je blééf slap en laf en bang – met dit verschil dat aan de andere kant van de lijn iemand aan je stem kon horen hoe slap en laf en bang je was. Een antwoordapparaat leek het perfecte redmiddel. Maar vrijwel iedereen die een boodschap insprak, eindigde met het verzoek om terug te bellen. Zo schoot je nóg niets op. Als het aan hem had gelegen, waren Karin en hij indertijd telefoonloos gaan samenwonen. Maar kennissen hadden hem bezworen dat je dat een vrouw niet kon aandoen.
Uiteindelijk bleek Otto’s bekentenis over zijn beschamende improductiviteit toch nog ergens goed voor te zijn, want Karin en hij bereikten een compromis inzake de telefoon. Het toestel ging niet de deur uit – dat weigerde Karin – maar wel vroegen zij een geheim nummer aan. Verder annuleerde Karin namens Otto, die zich al drukbezet en geclaimd voelde met één afspraak in het verschiet, de twee lezingen die hij had staan voor de komende maanden. Zo vielen ook de laatste drukkende verplichtingen weg, en Otto had goede moed dat het schrijven alsnog zou gaan lukken.
Maar toen de telefoon stil bleef en zijn agenda bevrijdend leeg was, begon hij zich te ergeren aan het zoemen van de ventilator in zijn computer. Bovendien was het licht in zijn werkkamer niet goed.
Tussen tien en twaalf uur viel een hinderlijke streep ochtendlicht diagonaal over zijn tafelblad en ’s middags scheen de zon vol op het raam. Zo zou het niemand lukken iets van belang te schrijven. En hij moest ook nodig een nieuwe bureaustoel.
Otto bevestigde een donkerblauw rolgordijn voor het raam. Nu kwam er een onheilspellende duisternis in zijn werkkamer te hangen. Dat was ook weer niet de bedoeling. Hij kocht tweedehands lamellen. Maar die maakten een hinderlijk flappend geluid wanneer het tochtte in huis.”


Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Doorgaan met het lezen van “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Joost Oomen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: Vals licht

 

“Uiteindelijk, toen zij dagenlang in de onderwaterkamer vertoefden, loste alles zich vanzelf op door de ontdekking van een gedeelde voorliefde: kinderspel. Niets wekte zoveel vertrouwen als een gezamenlijke verjonging, tot op het kleuterachtige af. Steeds vaker spraken zij elkaar liefkozend toe in een nagebootste kindertaal, gevat in poezelige verkleinwoorden en brokstukken van zinnen. Zij speelden Klein Arcadië. Schmierend en toegewijd blonk Lizzie uit in pruilende vragen om aandacht, koket geloken ogen en in falset geslaakt gekir. Zij werd Shirley Temple aan de Sarphatistraat, met af en toe een halve stap naar volwassenheid als híj het was die kleuter werd en zij zijn gezicht opmaakte met de indianenkleuren die hij van haar kende en hem kleedde in haar witkanten ondergoed dat hem om het lichaam spande. Voor in bad kochten zij drijvende speeltjes in Mondriaan-kleuren en weekten uren in het dampend water, wolkend badschuim tot onder hun kin. Daarna spreidde zij de Charlie Brown-handdoek uit op de grond en zaten zij tegenover elkaar, twee jongbedorven cherubijnen, Simon in kleermakerszit en Lizzie in schoolmeisjeshouding met opgetrokken knieën en haar handen om de enkels geklemd. Haar bruine haar hing in natte, dikke slierten langs haar wangen. Ernstig telde zij zijn ribben terwijl zij elkaar afdroogden. Geregeld slaakten zij hun kinderlach en toonden al te valse grimasjes van achtjarigen. Zo, tegenover elkaar, sloegen zij elkaar gade, keurend enafwachtend, want hun ogen deden niet meer mee met hun zelfverzonnen baltsgedrag voor baby’s.

Zij streefden geen perfectie van hun spel na. Alleen hun opzichtige valsheid was geavanceerd; juist hierin school de onweerstaanbaarheid. Hun kinderkitsch was betoverend obsceen. In geen peeskamer had Simon zich ooit in een rollenspel verloren: daar had het keurslijf van rituelen hem wel van weerhouden. Nu, onder haar ogen, diende hun acteren om met souplesse de wederzijdse weerloosheid te vergroten.”

 

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Doorgaan met het lezen van “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.


Uit: Het wilde westen

“Jennen, treiteren, uitdagen
In de Volkskrant omschreef een politicoloog de favoriete activiteiten van de hooligan als ‘elkaar jennen, treiteren en uitdagen’. De bewoordingen leggen onbedoeld de jarenlange onverschilligheid over de voetbalterreur bloot.
Officier van justitie:’U stak het slachtoffer Carlo Picornie neer op het grasland bij Beverwijk? Hoe zou u dat zelf omschrijven?’
Verdachte:’Dat wil ik geen geweldpleging of doodslag noemen, edelachtbare. Ik was hem gewoon aan het jennen met mijn mes. Daarna treiterde ik hem bij zijn halsslagader. Je mag iemand toch wel uitdagen?’
Officier:’Natuurlijk mag dat. Maar wilt u nooit meer naar bioscopen bellen en lelijke dingen zeggen?’
Het moeten merkwaardige tijden zijn voor de Nederlandse hooligan. Je vermaakt je sinds jaar en dag met het molesteren van je tegenstanders, de sloop van NS-treinen; met messentrekken en intimidatie, bedreiging van voetbaljournalisten, vernielen van auto’s, cafés, en niet te vergeten met het oproepen tot haat en geweld. Niemand die je ooit écht een strobreed in de weg heeft gelegd. Hooguit loop je per abuis eens tegen een taakstrafje op, zodat je van een doorgetherapeutiseerde rechter een week lang auto’s moet wassen of de krant moet rondbrengen. Maar dan bel je als trotse bezitter van een crimineel curriculum vitae eens een keer een Utrechtse bioscoopexploitant op met de mededeling dat je de boel komt verbouwen zodra de ‘jodenfilm’ over Ajax wordt vertoond, en wat gebeurt er? Dán is ineens heel weldenkend Nederland in rep en roer. Alsof de Hakkelaar na een loopbaan van drugshandel, wapenbezit, liquidaties en ontvoering pas een kritieke grens passeert wanneer hij de uitbater van de Godfather IV met een oorveeg dreigt.
Zolang hooligans elkáár naar het leven staan is er kennelijk niets aan de hand. Dan leggen politie en justitie rondom voetbalvelden hagen van containers aan, sleuven van kooien waardoorheen de bloeddorstige supportlegers moeten worden geleid onder toezicht van stewards en ME’ers die een kruidenvrouwtjescursus ‘Conflictbeheersing’ hebben gevolgd. Krakers, EU-demonstranten en ander rapaille zijn er om weg te knuppelen, de hooligan moet je ‘begeleiden’. [..]
Ad Melkert waarschuwt nog één keer. Je voelt de siddering langs het ruggenmerg van de hooligan gaan.”


Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)


Doorgaan met het lezen van “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook alle tags voor Joost Zwagerman op dit blog.

 

Uit: De houdgreep

Het gezin Rafferty was niet echt vermogend maar had toch genoeg geld om een au pair in huis te nemen. Zij kwam uit Nederland en heette Adriënne. Meneer en mevrouw Rafferty vonden haar soms wat onhandig en verward. Twee welwillende maar onnozele Oostenrijkse meisjes waren haar voorgegaan, zodat de Rafferty’s Adriënne’s kleine tekortkomingen voor lief namen.
Haar ijver en vooral haar oprechte genegenheid voor de dochtertjes Rafferty wogen ruimschoots op tegen dat kleine beetje verwarring en onhandigheid. Bovendien deelde Adriënne tot mevrouw Rafferty’s vreugde twee van haar meest dierbare liefhebberijen:lezen en spelletjes doen.

(…)

Voor Adriënne was niets vanzelfsprekend, dus ook de werkelijkheid niet. Zou ze een goede fotografe kunnen worden? Ze had geen zin meer om te luisteren. ‘De foto als metafoor.’ Ha! Zijn het niet juist metaforen – die grillige, onbeheersbare diabolo’s waarmee schrijvers, schilders en smachtende pubers lopen te goochelen- die almaar verhullen en redeloze vragen oproepen? Nee, aan Adriënne’s lijf geen kunstenmakerspolonaise. Wat ze wilde was eenvoudig: als Londen dan niet te veroveren viel kon ze nog altijd infiltreren, en de pocketcamera was haar handzaam excuus.
De cursusleider wees naar buiten.
‘Die muur daar,’ zei hij, ‘die heeft iets te zeggen. De topfotograaf ís de muur, zoals hij alles is wat hem omringt. Maar jij, meisje, jij moet om te beginnen een hele goeie vertolker, een monnik worden, a monk with a camera.’

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Doorgaan met het lezen van “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008 en ook mijn blog van 18 november 2009.

 

Uit: Chaos en Rumoer 

 

„Nadat Otto Vallei zich zes maanden lang iedere dag in zijn werkkamer had opgesloten om aan een roman te werken, biechtte hij zijn vrouw Karin op dat hij nauwelijks vorderingen had gemaakt. En zelfs dat was een zonnige voorstelling van zaken. In zekere zin was hij niet eens aan die roman begonnen.
Karin reageerde tamelijk laconiek op Otto’s bekentenis, wat hem eerst verbaasde, daarna opluchtte en uiteindelijk zachtjes kwetste. Hij kon natuurlijk niet van haar verlangen dat ze net als hij diep ontgoocheld was, maar een minimum van solidaire somberheid had hij toch wel van haar verwacht. In plaats daarvan was ze alleen maar nieuwsgierig. Waarschijnlijk kon ze het zich niet goed voorstellen dat iemand in zes maanden tijd zó weinig kon uitvoeren. Zelf kon Otto
het zich achteraf ook niet goed voorstellen.
‘Heb je echt niets op papier gekregen?’ vroeg ze. ‘Niet eens één zin, zoals Jack Nicholson in
The Shining
?’
Hij gaf haar tien a-viertjes waarop hij die ochtend iets schamels had uitgeprint. Hij had de computer het aantal woorden, regels en zelfs lettertekens laten berekenen.
‘Zesduizendwoordenennogiets.Vijfhonderdeenentwintigregels. Een gruwelijke oogst na een halfjaar. Vind je niet?’
De dagen na zijn bekentenis klaagde Otto dat hij niet aan het werk kwam, omdat hij allerlei verplichtingen had: lezingen, recensies schrijven, dat soort dingen. Bovendien ging iedere dag wel een paar keer de telefoon. Hij had geen leven zo.
De telefoon was sinds jaar en dag een van zijn ergste vijanden. Niets was funester voor het heilig vuur dan het ijzingwekkende gerinkel. Iedere keer dat de telefoon ging, trof het geluid hem als een
goed doordachte poging hem in een hoek te drijvenwaaruit niet viel te ontsnappen. Niet opnemen was onmogelijk; hoe langer het gerinkel aanhield, hoe meer dwang erin doorklonk. Je moest opnemen. Je móest. Anders was je slap en laf. Slap en laf en bang. Dus nam je op.“

 

 

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

Doorgaan met het lezen van “Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel”

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo, Christoph Wilhelm Aigner, Mireille Cottenjé, Jaap Meijer, Margaret Atwood, William Gilbert

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008.

Uit: De Buitenvrouw

“Het gezin Rafferty was niet echt vermogend maar had toch genoeg geld om een au pair in huis te nemen. Zij kwam uit Nederland en heette Adriënne. Meneer en mevrouw Rafferty vonden haar soms wat onhandig en verward. Twee welwillende maar onnozele Oostenrijkse meisjes waren haar voorgegaan, zodat de Rafferty’s Adriënne’s kleine tekortkomingen voor lief namen.
Haar ijver en vooral haar oprechte genegenheid voor de dochtertjes Rafferty wogen ruimschoots op tegen dat kleine beetje verwarring en onhandigheid. Bovendien deelde Adriënne tot mevrouw Rafferty’s vreugde twee van haar meest dierbare liefhebberijen:lezen en spelletjes doen.

(…)

 

Voor Adriënne was niets vanzelfsprekend, dus ook de werkelijkheid niet. Zou ze een goede fotografe kunnen worden? Ze had geen zin meer om te luisteren. ‘De foto als metafoor.’ Ha! Zijn het niet juist metaforen – die grillige, onbeheersbare diabolo’s waarmee schrijvers, schilders en smachtende pubers lopen te goochelen- die almaar verhullen en redeloze vragen oproepen? Nee, aan Adriënne’s lijf geen kunstenmakerspolonaise. Wat ze wilde was eenvoudig: als Londen dan niet te veroveren viel kon ze nog altijd infiltreren, en de pocketcamera was haar handzaam excuus.
De cursusleider wees naar buiten.
‘Die muur daar,’ zei hij, ‘die heeft iets te zeggen. De topfotograaf ís de muur, zoals hij alles is wat hem omringt. Maar jij, meisje, jij moet om te beginnen een hele goeie vertolker, een monnik worden, a monk with a camera.’

(…)

 

Onwaarachtig? Ingmar Booys vertrek onwaarachtig? –
Welnu, zo verliefde mensen al werkelijk leven en zich niet bezighouden met het verlangen het bestaan van de andere voor eigen rekening te nemen, dan toch níét vlak voor en tijdens het vertrek van een van hen. Immers, beiden zijn dan enkel en alleen geconcentreerd op de ophanden zijnde scheiding; niet wordt er zoiets obligaats en terzelfder tijd onmogelijks volbracht als ‘het genieten van de laatst gedeelde momenten’, nee, iedere blik op de ander wordt geworpen om te onderzoeken. En: onderzocht wordt dan niet de pijn die rondtrekt in de ogen van andere, maar veeleer het eigen toekomstige verdriet. Ja, ook Ingmar Booy en Adriënne moesten eraan geloven; ze hadden niet langer oog voor elkaar, maar waren in plaats daarvan gespitst op de eigen, de afzonderlijke, de moedwillig afgezonderde tragiek.
Slachtoffers waren ze, en als slachtoffers gedroegen ze zich:in zichzelf gekeerd, onwaarachtig en soms bijna autistisch.“

 

ZWAGERMAN

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook  Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Het leven

 

Ik kijk naar mijn leven:
het wordt kleiner

ik houd mijn ogen er vlakbij:
ik kan al niet meer onderscheiden
tussen goed en onwaarschijnlijk, tussen zien en ontwijken
tussen mij en iedereen…

wat zeg ik nu weer…

mijn leven groeit, woekert, grijpt om zich heen
en ik kan alles onderscheiden:
onraad, wansmaak en zelfs de kleinste wangedachten

ik doe mijn ogen dicht.

 

 

Mijn vader sloeg planken mis

 

Mijn vader
sloeg planken mis

mijn broers glimlachten,
schreven elke misslag in een schrift,
mijn moeder deed de was
of lakte haar nagels

mijn vader
die zich in leven hield met schaamte, spijt en ongemak,
die zich dagelijks gewonnen gaf,
die hijgde
en onwerkzaam en achterstallig was,
die niemand iets te vertellen had,
die een spin was zonder web en zonder lente,
die piepte en kraakte, als een ijzeren haan

op een dag sloeg hij raak
en gooiden mijn broers hem weg.

 

tellegen

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007. Zie ook mijn blog van 9 november 2009 en ook mijn blog van 18 november 2008.

Uit: In the Shadow of the Magic Mountain. The Erika and Klaus Mann Story (biografie door Andrea Weiss)

„Thomas and Katia got their wish for a son one year later. The boy’s christening as “Klaus Heinrich Thomas Mann” sealed his literary fate. The names Klaus and Heinrich represented Katia’s and Thomas’s closest brothers, but together the name Klaus Heinrich is also that of the prince in Royal Highness, the novel Thomas was deep in the middle of writing at the time of his son’s birth. Young Erika kindly chose for her baby brother the less burdensome sobriquet of “Eissi” (the toddler’s mispronunciation of “Klausi”), and henceforth, within the family, Eissi he would remain.

Whether or not his literary forebears had anything to do with it, Klaus seems to have been born a writer. He started writing before he could even hold a pen properly; his earliest pieces he dictated to Erika. No one, not even Klaus, was glad to learn that he had a literary bent. His family tried in vain to discourage him from writing, and he himself referred to it as the family curse. Decades after his death, Erika reflected sadly, Klaus was a dreamer. Klaus was a poet from the very beginning. And this of course was not at all what my father would have wished for his son. First of all, he knew that any child of his, if he wanted to write, would have a very hard time of it. But for Klaus, writing was as essential as breathing. Without writing Klaus simply couldn’t live.

 

Thomas Mann’s disappointment at the arrival of Erika and his joy at the arrival of Klaus were false starts—emotions totally at odds with the relationship he would soon forge with each. Klaus would be the source of continual disappointment to him, while Erika was the source of his greatest joy. Despite his initial preference for a son, and his declaration that “a girl is not to be taken seriously,” Thomas’s eldest and youngest daughters, Erika and Elisabeth, became his two obvious favorites, to the chagrin of the others. “When a man has six children, he can’t love them all equally,” would be his defense.

But this was a flimsy excuse for his erratic, often cruel behavior toward the remaining four. Monika, the middle daughter, claimed never to have had an intimate conversation with her father, or even to have had the feeling that she existed for him in his mind. Michael, the youngest son, recalled being beaten with a walking stick and other harsh punishments that prevented him from being able to forgive his father throughout his adult life. He was allowed to listen in on the stories his father read to his sister Elisabeth, but it was made clear that they were not meant for him. And Golo, the middle son, who grew up to become one of Germany’s most prominent essayists and historians, had not one compassionate or affectionate word for his father in his entire autobiography. In the midst of his large family Golo often felt awkward and lonely. Klaus’s callous treatment by his father was by no means unique to him.“

 

klaus_mann

Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

I Hear All The Outlawed World

 

I

 

I hear all the outlawed world in harmony,

The marshling stalks the green and gaunt

Destroyers who heed not sparkling deserts

Charged to the gill, nor candles pitching down

Like doom. I note the scale of fossils

In cloud covered peaks, record

The seemly count of bodies by square root

And irrational number, I am witness

Bound to bounty to all who blaze in gray

And shallow grooves seeding their ends

In strikes on the ripe and smoldering fields.

 

II

 

I see all the outlawed world in harmony,

Barking wood bracing by the bud,

Where runs of blue, bury in vain

Down slash of mountain forest, cascading

Into august, rising after the fall,

As do kind-killers blasting from shells

To die as snails creeping under flower,

Who saw the past wasting away

In filed futures, slipping by blades in neck

Of wood, sightless as gallows of trees

Try murder each time they make their leaves.

 

 

III

 

I know all the outlawed world in harmony,

By seamless song of stuttering gulls,

As in conches, waves of providence,

Cell from the center, beating musseled shoals,

Where wailing ghosts and wing-tips point

Printed nails to the silent capes,

And bumble hairs comb round the broken yokes

Stirring streams of babble baited

By flowering psalms, engaging arms to prey

On tales told by the rood and drown

In eyes turning like sands on the sea.

 

MaccFalls

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Die stille Stadt

 

Liegt eine Stadt im Tale,
ein blasser Tag vergeht;
es wird nicht lange dauern mehr,
bis weder Mond noch Sterne;
nur Nacht am Himmel steht.

Von allen Bergen drücken
Nebel auf die Stadt;
es dringt kein Dach, nicht Hof noch Haus,
kein Laut aus ihrem Rauch heraus, Kaum Türme noch und Brücken,

Doch als den Wandrer graute,
da ging ein Lichtlein auf im Grund;
und durch den Rauch und Nebel
begann ein leiser Lobgesang,
aus Kindermund.

 

 

Wollust
Nach Shakespeare

 

In wüster Schmach Vergeudung heiliger Glut
ist Wollust, wenn sie praßt; und eh sie praßt,
roh, schamlos, tierisch, aller Welt zur Last,
meineidig, tückisch, voller Gier nach Blut.

Gesättigt kaum, von Ekel schon gehetzt;
sinnlose Lüsternheit und, kaum verraucht,
sinnlose Düsterkeit, in Wut getaucht,
als hätt ein Tollwurm die Vernunft zerfetzt.

Wahnwitz im Rausch, Wahnwitz in Wunsch und Wahl,
maßlos im Taumel vor, nach, in der Brunst,
erdürstet Überglück, genossen Dunst,
verzückt vor Wonne, dann erdrückt von Qual –

Ach! Jeder kennt und Jeder geht den Weg:
zu dieser Hölle diesen Himmelssteg.

 

Hans_Baluschek_Bildnis_Richard_Dehmel

Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)
Getekend door Hans Baluschek

 

De  Venezolaanse dichter en schrijver Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Zie ook mijn blog van 18 november 2008.

 

Left Behind


Down these streets my funeral has just passed
with its pathetic speeches.
Lightly they lifted my body
among unrecognizable relatives.

 

As the procession passed
a woman stopped and gazed
with flirtatious embarrassment.
Later I realized she was a shadow
already shouldering centuries under earth.

 

Above the clouds continued their monologues,
a slow plane barely moved in its flight;
below mourners cough, polite gestures of the crowd,
the usual phrases.

 

Asleep and with no sense of where I was,
I was going on the last journey.
It was my farewell to this world,
the first time that I was going to die.

 

Towards the end of the millennium
suddenly I found myself outside of the group,
left behind, contemplating the trees.
The funeral, without me, continued on its course
through the shady half-light of suburban streets.

I walk slowly following it now from far off
down the passage of the years
Vertaald door Peter Boyle

Eugenio Montejo, 29 julio, 2008

Eugenio Montejo (18 november 1938 – 5 juni 2008)

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en vertaler Christoph Wilhelm Aigner werd geboren op 18 november 1954 in Wels.

 

Landsolo


Langsamer Wind
Getreidefeld
Wimpern am schläfrigen Sommer
Alleinsein mit wem

 

aigner

Christoph Wilhelm Aigner (Wels, 18 november 1954)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 18 november 2008.

 

De Belgische schrijfster Mireille Robertine Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933.

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer werd geboren in Winschoten op 18 november 1912.

 

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939.

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrato Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836.

Joost Zwagerman, Toon Tellegen, Klaus Mann, Seán Mac Falls, Richard Dehmel, Eugenio Montejo, Mireille Cottenjé, Jaap Meijer, Margaret Atwood, William Gilbert

De bugs in de toplijsten zijn gelukkig weer opgelost. Romenu gaat verder als vanouds.

 

De Nederlandse dichter en schrijver Joost Zwagerman werd geboren in Alkmaar op 18 november 1963. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek

 

Die achternacht kwam ik mij tegen op een plek

waar ik mij gewoonlijk niet vertoon.

Ik stelde mij teleur. Sprak te luid

tegen mensen die mij zichtbaar niet vertrouwden.

Ik wilde dat ik vond dat ik naar huis toe wilde

en sprak mij aan om hiervandaan te gaan

maar dat was zo gemakkelijk nog niet. Ik verloor mij

in gesprekken die ik al zo vaak gevoerd had

zonder zicht op toonzaamheid

of zelfs maar dunne trucs

waarmee je doorgaans

een kapotte nacht doorkomt.

 

Het eindigde ermee dat ik van alles

in mijn oor siste wat ik maar half verstond.

Wat doe je op zulke momenten? Ik liet mij

voor wat ik was; het had geen zin mij het zwijgen

op te leggen, ik was berstensvol op mij gebeten

en toen het eenmaal ochtend was

zag ik mij als zo vaak in tongen terug

als het legioen dat vreemden streelt.

Spreekwoord was ik dat niet snapt,

gaandeweg de dag werd ik weer opvoeding

die ouders voor hun kinderen uitdenken

en in het holst van alle bruikleen

was ik wat ik telkens na zo’n achternacht in corvee

en klatering moet zijn: voor dag en dauw de bijbel,

met stofomslag en in voldongen esperantoklanken,

een man om van kaft tot kaft uit voor te lezen

 

 

Niet gekend
Het oog van de lens

 

Van alles wat ik van haar maken kan is de foto
nog het meest in zichtbaar zingbaar stof gehuld.
Ik beloof plechtig dat ik de belofte van de camera.

 

En als ik dan naast haar lig en zij me vragen gaat
of ik voor even haar wil zijn, zeg ik ja en zeg ik
ja en geef een meisjeskus op haar meisjesoog.
Iemand met handschoenen verft mij rode lippen,
kneedt mij borsten, streelt mijn rondingen.
Ik mag ons beider foto zijn maar vooral model.

 

De beloofde fotograaf blaast het stof van de lens
en kucht zich de foto in, ik verslik me, ‘excuseer’,
houd mijn gehandschoende hand voor mijn mond,
veeg mijn ongekuste lippen af, kus het bestofte oog.

 

joost_zwagerman

Joost Zwagerman (Alkmaar, 18 november 1963)

 

De Nederlandse dichter Toon Tellegen werd geboren op 18 november 1941 te Brielle. Zie ook  Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

Maar hij vergat

 

Maar hij vergat haar te kussen

en toen hij het kasteel verliet was het stil

achter hem,

de lucht was grijs,

de rozenhagen hoog en stijf,

er scharrelden wat mussen rond,

maar hij had haast, wist niet waarom,

en toen iemand hem staande hield en vroeg

of het al donker was

wist hij ook dat niet

en zei dat het waarschijnlijk nog licht was

en dat hij het zelden mis had en reed toen door.

Thuisgekomen werd hij bestormd: ‘En?

Heb je haar gekust?’

‘Ach,’ zei hij, ‘dát ben ik vergeten,’ sloeg zich

voor zijn hoofd.

Maar toen hij terugkwam, spoorslags,

was het kasteel verdwenen, of was er nooit
geweest,

en hij kwam niemand tegen, de geur van rozen

was hij kwijt.

 

 

 

De rivier is bevroren

 

De rivier is bevroren op een vaargeul na,

en ver weg schaatst mijn broer

die op mij passen zou.

De lucht is grijs en dicht,

twee eenden zitten in de sneeuw

en lopen voor mij weg.

Ik moet nu eindelijk eens weten of ik verdrinken kan.

Een palingvisser ziet mij gaan

en komt op tijd

of net te vroeg.

 

Als iedereen weer slaapt roep ik zó hard

dat niemand er wakker van worden zal:

ik wist het wel. Ik wist het wel.

 

Tellegen

Toon Tellegen (Brielle, 18 november 1941)

 

De Duitse schrijver Klaus Mann werd op 18 november 1906 geboren als oudste zoon van Thomas en Katia Mann. In München. Zie ook mijn blog van 18 november 2006 en ook mijn blog van 18 november 2007.

Uit: Der Wendepunkt

 

“Sie war das Kind eines deutschen Kaufmanns und einer Eingeborenen.

 

Daß sie als kleines Mädchen den Ozean auf einem Segelschiff überqueren mußte, um nach Lübeck zu gelangen, schien mir das aufregendste Detail ihrer Geschichte. Denn dort, in der nördlichen Fremde, genoß sie durchweg eine ‘feine’, bedauerlich unromantische Erziehung und bewegte sich bald ganz natürlich unter den Gespielinnen.

 

Doch blieb es reizend, sich den Großpapa vorzustellen / den ich übrigens inWirklichkeit nie gesehen hatte / wie er mit seiner exotischen Braut zur Kirche fuhr. Der Senator, sehr stattlich und distinguiert, mit Backenbart, hohem Stehkragen, lehnt, ein wenig befangen, im Fond der prächtigen Kutsche, den er mit ihr teilt. Sie, das dunkle Köpfchen an ihn geschmiegt, darf hinter geschlossen Lidern noch einmal die Palmen und bunten Vögel ihrer brasilianische Heimat sehen, während der Wagen, vorbei an viel altem Gemäuer und majestätisch ragenden Türmen, den Weg zum Altar nimmt.”

KlausMann_Katia

Klaus Mann (18 november 1906 – 21 mei 1949)
Met moeder Katia

 

De Iers-Amerikaanse dichter Seán Mac Falls werd geboren op 18 november 1957 in Boston. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

Síneánn

I am alone with you.
A fire burns in the distance
It light s our faces
As before in the empty cinema,
Where we arrived, at some beginning
To watch a foreign film. Our eyes,
In new utterance, murmuring subtitles,
What words could never speak
The tips of seats, rows of air
And the moony screen,
A tableau of feathers and cloud
Two of us, alone, as one
Rapt in the spread of wings.

Later, alone we dine in the Café
Campagne. Our conversation
Deafens a burgeoning crowd
Coffee was nectar, our words
Were whispering petals.
Dearest Blodeuwedd, I saw the sweetest
Sorrow on your face, the green ocean
In your eyes, I was cleansed
By your tears. I have always
Known you.

Across the border on the far island,
You stepped into the waters with me
And when you disrobed you lit the stars
And the stars and my eyes kissed your skin
Your slender legs, columns, tilting
Toward heaven, in the age of Helen,
Touched the water and the sky.
I saw the milky way that night.

Síneánn, I am your Pablo
We are two white birds sailing
Over the foam of the sea.
Solvent to my stone you are the hinge
To my casement world. Rain petal
Voice, lithe, alabaster woman,
I am lost in your Sargasso eyes
I hold your skin, my Selkie
Sweet Niamh, I have lived
One hundred years this week.

It is warm in the distance
In the country of the sun
We end at the house in Umbria
In the autumn, there is no word
Siberia, my light Rosaleen.
Now is harvest time.
At the great table we feast
With family and friends
And I am not alone with you.

 

Mac Falls

Seán Mac Falls (Boston, 18 november 1957)

 

De Duitse dichter Richard Dehmel werd geboren op 18 november 1863 in Wendisch-Hermsdorf. Zie ook mijn blog van 18 november 2006.

 

Am Ufer

 

Die Welt verstummt, dein Blut erklingt;

in seinen hellen Abgrund sinkt

der ferne Tag,

 

er schaudert nicht; die Glut umschlingt

das höchste Land, im Meere ringt

die ferne Nacht,

 

sie zaudert nicht; der Flut entspringt

ein Sternchen, deine Seele trinkt

das ewige Licht.

 

 

 

Das große Karussell

 

Im Himmel ist ein Karussell,

das dreht sich Tag und Nacht.

Es dreht sich wie im Traum so schnell,

wir sehn es nicht, es ist zu hell

aus lauter Licht gemacht;

still, mein Wildfang, gib acht!

 

Gib acht, es dreht die Sterne, du,

im ganzen Himmelsraum.

Es dreht die Sterne ohne Ruh

und macht Musik, Musik dazu,

so fein, wir hören’s kaum;

wir hören’s nur im Traum.

 

Im Traum, da hören wir’s von fern,

von fern im Himmel hell.

Drum träumt mein Wildfang gar so gern,

wir drehn uns mit auf einem Stern;

es geht uns nicht zu schnell,

das große Karussell.

 

dehmel

Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)

 

De  Venezolaanse Eugenio Montejo werd geboren in Caracas op 18 november 1938. Montejo was ook oprichter van de tijdschriften Azar Rey en Revista Poesía van de Universidad de Carabobo. Hij was onderzoeker in het Centro de Estudios Latinoamericanos “Romulo Gallegos” in Caracas, en medewerker bij een groot aantal nationale en internationale tijdschriften. In 1998 kreeg hij de Nationale Prijs voor Literatuur en in 2004 de Internationale Prijs Octavio Paz voor Poëzie en Essay. Een van zijn gedichten is gebruikt in de film 21 Grams van Alejandro González Iñárritu.

 

Transfigured Time

 

     —for António Ramos Rosa

 

The house where my father will be born

is still unfinished.

It lacks the wall my hands have not yet built.

 

His footsteps searching for me across the earth

now come towards this street.

Yet I can’t hear them, they still don’t reach me.

 

Behind that door are echoes

and voices I recognise miles off,

but they are spoken only by portraits.

 

The face not seen in any mirror,

because it’s late being born

or still doesn’t exist,

could be of any one of us —

it looks like all of us.

 

My bones are not in that tomb

but those of my great-uncle Zacarias

who used a walking stick and pseudonym.

My own remains have long been lost.

 

This poem was written in another century,

some night by a guttering candle,

by me, by someone else, I don’t recall.

Time consumed the flame

and lingered in my darkened hands

and in these eyes that never read the poem.

When the candle returns with its light

I’ll already be gone.

 

 

Family Album

 

The one in the background is Aunt Adela,

a worldly witch who lived at so many different times

even today I don’t know if she’s still here or not.

From this grandfather I inherited my name.

A rickety old oxcart snatched him from his village

to bury him a long way off.

I was born much later and still I remember him.

Luis the lawyer vanished suddenly

in the year of the plague. He left behind letters, postcards,

the map of a vague innocence.

Veronica is that one with a white fan

and the disdainful bearing that became her so well.

Of this particular José — there were several others —

no one knows when or where he perished.

He walked around screaming at his shadow on the roadway.

My dear King Richard looks much younger

than his death. And perhaps that’s how it was. . .

In the lost land of my absent family

this almost invisible album I open and close

burns my eyelids as they watch over its dream.

Don’t wake these portraits

till I can rejoin them forever

on the album’s last page.

 

eugenio-montejo

Eugenio Montejo (18 november 1938 – 5 juni 2008)

 

De Belgische schrijfster Mireille Robertine Cottenjé werd geboren in Moeskroen op 18 november 1933. Zij vanaf haar anderhalf tot aan haar tiende opgevoed in een nonnenklooster. Na haar middelbare school volgde ze diverse verpleegstersopleidingen en ging ze werken in een polikliniek van socialistische signatuur in de plaats Oostende alwaar ze haar latere man Robert Colombie – een architect – ontmoette met wie ze in 1956 in het huwelijk trad. Vervolgens verhuisden ze naar het toenmalige Belgisch Kongo en gingen ze wonen in de oostelijke provincie Kivu. Cottenjé legde er zich belangeloos op het verplegen van de bevolking aldaar toe. Ze kregen zes kinderen waarvan er twee overleden. Toen Belgisch Kongo in 1960 onafhankelijk werd en dit voor de nodige trubbels zorgde, keerde het gezin terug naar België. Haar Kongolese ervaringen zou ze later vastleggen in diverse boeken zoals Dagboek van Carla (haar debuut uit 1968) en Lava (1973). Cottenjé kon moeilijk wennen aan een leven in België. Nadat ze door een nieuwe zwangerschap niet meer kon werken begon ze haar dagboeken om te werken tot literaire romans. Dit beviel haar zo goed dat ze op dit ingeslagen pad voortging.

 

Uit: Ma gaat er vandoor

 

, Ik zeg het niet. Ik zeg niets. Hoe kan ma me zoiets aandoen! Hoe kan ze van me weg gaan. Kan ik me aan haar vastklampen, smeken: blijf, alsjeblief blijf. En pa? Ook hij “voelt zich kloterig maar hij zegt het niet”. Ook hij zegt niets. Waarom klampt hij zich niet aan ma vast, overstelpt haar met beloften? – “Tot vrijdagavond, Marijke? Je komt toch hé?” Ik staar naar de punten van mijn klompen. Ze raken de punten van ma’s klompen. Ik gil inwendig: ga niet! Ga niet! Ma zegt: – “Ik ga dan maar.” Jij rijdt weg ik staar je na waarom schreeuw ik niet zijn mijn ogen droog … Pa slaat een arm om mijn schouders, trekt me mee, het huis in. In de deuropening blijf ik staan. Alle kasten zijn er nog, de aquaria, de planten, de stoelen, de tafel , maar … – “Leeg,” zeg ik ontzet. “Wat is het huis leeg.” – “Trek iets leuks aan, we gaan de stad in, lekker eten.” – “Pa, wat is het hier léég.” – “Daar wennen we wel aan, Marijke. We moéten er aan wennen.” – “Waarom doet ma zoiets?” – “Ma denkt dat ze schrijfster is. Ma denkt dat ik haar belet schijfster te zijn. Trek het je niet aan kind. Zes maanden. Maximum zes maanden, en daar is ze terug.” – “Met hangende pootjes,” zeg ik automatisch, terwijl ik denk: zes maanden, maximum zes maanden en pa heeft een nieuwe vrouw. Na ma’s vertrek wordt pa nog stiller en trekt zich nog meer in zichzelf terug dan vroeger. Ook zijn gebrek aan ondernemingszin is toegenomen. Hij verwaarloost zijn tuin, verzorgt zelfs zijn vissen niet meer. Hij kijkt televisie. Om het even welk programma, tot de reclamespots op Luxemburg toe. En ik kijk met hem mee. Avond na avond. Ik studeer niet, lees niet, heb de balletschool opgegeven, de turnvereni-ging. Naar de fuifjes van mijn klasgenoten ga ik niet, ze vragen me niet meer. Het zal wel aan mij liggen. Zij zijn jong en vrolijk en ik ben oud. Dit klinkt gek maar ik voel me echt oud, uitgeblust. Zoals ook pa zich voelt. Maar pa IS oud.”

 

Cottenje

Mireille Cottenjé (18 november 1933 – 9 januari 2006)

 

De dichter en historicus Jakob (Jaap) Meijer werd geboren in Winschoten op 18 november 1912. Meijer heeft talloze publicaties op zijn naam staan over de geschiedenis van de Nederlandse joden. Hij is de auteur van de biografie van Jacob Israël de Haan De zoon van een gazzen (1967). Hij publiceerde gedichten onder het pseudoniem Saul van Messel, onder andere in het Gronings. Ook maakte hij gebruik van het pseudoniem Gideon van Hasselt. Jaap Meijer studeerde aan het Nederlandsch Israëlietisch Seminarium in Amsterdam geschiedenis. Hij werkte in 1941-1943 als leraar aan het Joods Lyceum in de hoofdstad en had onder anderen Anne Frank in de klas. Meijer overleefde met zijn vrouw Liesje Voet en zoon Ischa Meijer tijdens de Tweede Wereldoorlog het concentratiekamp Bergen-Belsen.  Na de oorlog emigreerde het gezin, dat inmiddels was uitgebreid met dochter Mirjam en jongste zoon Job, voor enige tijd naar Paramaribo. Daar fungeerde Meijer enige tijd als rabbijn. Hij werd benaderd om de geschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog te schrijven, maar liet het afweten. Auteur van dit standaardwerk werd daarop Loe de Jong.

 

 

De weg terug

 

Voordat de kist van ongeschaafde planken

zal worden gesloten

wordt volgens overoud gebruik

in de diaspora

het joodse lijk

plechtig bestrooid met aarde

uit het heilige land

dat in kleine zakjes

in joodse gemeenten wordt bewaard.

Als ik ooit nog eens

naar Israël verhuis

zal ik niet vergeten

een zakje zeeklei mee te nemen

(uit het Oldambt)

en een zakje laagveen

(uit Westerwolde)

 

jaap_meijer

Jaap Meijer (18 november 1912 – 9 juli 1993)

 

De Canadese schrijfster Margaret Atwood werd geboren in Ottawa op 18 november 1939. Omdat haar vader veel onderzoek deed in de uitgestrekte bossen van Canada spendeerde ze veel van haar jonge jaren in afgelegen gebieden van Noord-Ontario, en pendelde heen en weer tussen Ottawa, Sault St. Marie, en Toronto, en zat zo op veel verschillende scholen. Ze werd een enthousiast lezer, en begon op haar 16e te schrijven. Vanaf 1957 studeerde ze aan de Victoria Universiteit in Toronto, en behaalde haar Bachelor of Arts graad in Engels, met bijvakken filosofie en Frans. Ze studeerde vanaf 1961 aan het Radcliffe College in Harvard, met een Woodrow Wilson-beurs nadat ze de E.J. Pratt-prijs had gewonnen voor haar poëziebundel met de titel Double Persephone. Ze haalde haar mastersgraad in 1962, en studeerde verder aan Harvard. Ze gaf daarna les aan verschillende universteiten. Haar bekendste kritische werk is de gids Survival: A Thematic Guide to Canadian Literature (1972), waarvan wordt gezegd dat die een hernieuwde interesse in Canadese literatuur teweeg zou hebben gebracht.

 

Uit: The Blind Assassin

 

Ten days after the war ended, my sister Laura drove a car off a bridge. The bridge was being repaired: she went right through the Danger sign. The car fell a hundred feet into the ravine, smashing through the treetops feathery with new leaves, then burst into flames and rolled down into the shallow creek at the bottom. Chunks of the bridge fell on top of it. Nothing much was left of her but charred smithereens.

 

I was informed of the accident by a policeman: the car was mine, and they’d traced the license. His tone was respectful: no doubt he recognized Richard’s name. He said the tires may have caught on a streetcar track or the brakes may have failed, but he also felt bound to inform me that two witnesses – a retired lawyer and a bank teller, dependable people – had claimed to have seen the whole thing. They’d said Laura had turned the car sharply and deliberately, and had plunged off the bridge with no more fuss than stepping off a curb. They’d noticed her hands on the wheel because of the white gloves she’d been wearing.

 

It wasn’t the brakes, I thought. She had her reasons. Not that they were ever the same as anybody else’s reasons. She was completely ruthless in that way.”

 

Margaret_Atwood

Margaret Atwood (Ottawa, 18 november 1939)

 

De Engelse toneelschrijver, librettist en illustrator Sir William Schwenck Gilbert werd geboren in Londen op 18 november 1836. Hij is het meest bekend door de veertien komische operas die hij in samenwerking met de componist Sir Arthur Sullivan produceerde, zoals “H.M.S. Pinafore”, “The Pirates of Penzance”, en een van de meest opgevoerde stukken in de geschiedenis van het muziektheater, “The Mikado”. Deze stukken en de meeste van de andere ‘Savoy-operas’ worden nog steeds veel in de Engelssprekende wereld opgevoerd door operagezelschappen, operettegezelschappen en amateurs over de gehele wereld. Teksten uit deze werken zijn in de Engelse taal een eigen leven gaan leiden en worden nog steeds veel geciteerd.

 

Uit: The Mikado

 

SONG and CHORUS–NANKI-POO.

 

     A wandering minstrel I–

          A thing of shreds and patches,

          Of ballads, songs and snatches,

     And dreamy lullaby!

 

     My catalogue is long,

          Through every passion ranging,

          And to your humours changing

     I tune my supple song!

 

          Are you in sentimental mood?

               I’ll sigh with you,

                    Oh, sorrow, sorrow!

          On maiden’s coldness do you brood?

               I’ll do so, too–

                    Oh, sorrow, sorrow!

          I’ll charm your willing ears

          With songs of lovers’ fears,

     &nb
sp;    While sympathetic tears

               My cheeks bedew–

                    Oh, sorrow, sorrow!

 

     But if patriotic sentiment is wanted,

          I’ve patriotic ballads cut and dried;

     For where’er our country’s banner may be planted,

          All other local banners are defied!

     Our warriors, in serried ranks assembled,

          Never quail–or they conceal it if they do–

     And I shouldn’t be surprised if nations trembled

          Before the mighty troops of Titipu!

 

CHORUS.   We shouldn’t be surprised, etc.

 

Gilbert

William Gilbert (18 november 1836 – 29 mei 1911)