Dolce far niente, Hans Andreus, Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

Dolce far niente

 

 phelps2
Sheep grazing along a country road amongst a stand of birch trees door William Preston Phelps (1848-1923), z.j.

 

Kil

De herfst wordt nu kil.
De meeste bomen houden hun groen vol,
maar de berken, van vorm en tint toch al ijl,
slinken tot geesten.
Hun schemerende skeletten zijn behangen
met dunne gouden munten waar de zon doorheen schijnt,
versleten dukaten die zullen
vallen op vochtige hollandse zandgrond.

 

 
Hans Andreus (21 februari 1926 – 9 juni 1977)
Amsterdam, de geboorteplaats van Hans Andreus

 

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: De rode jurk

“Het was in zo’n zomervakantie waar maar geen einde aan komt dat ik met hem bevriend raakte. Jaap Wagenaar. Er was iets met hem. Hij had geen moeder, en zijn vader een vriendin. Jaap had altijd pillen op zak. Van die ronde, witte. En soms geheimzinnige blauwgele capsules die je als je het voorzichtig deed uit elkaar kon schroeven. Dan kwam er poeder uit. Hij was ouder dan ik. Er ging iets dreigends van hem uit, en ook iets zieligs, omdat hij zo duidelijk eenzaam was. Hij had blond haar dat slordig op zijn hoofd stond, een spits gezicht. Brutale blauwe ogen. Een tanige jongen. Ik bewonderde hem. Jaap op zijn beurt zag ook iets in mij. Hij liet mij tenminste vaak zijn pillen zien. Na een tijdje nam hij me mee naar zijn huis.
Draaiden we platen.
Led Zeppelin. T-Rex.
Luisterden we naar de radio. Raar, maar we deden eigenlijk niets. Jaap vertelde stoere verhalen over het tehuis in Groningen waar hij een blauwe maandag in had gezeten. Zijn moeder was toen net dood, en zijn vader had nog geen vriendin. Jongens die slingerend als apen aan de lampen door de eetzaal vlogen, slaapzalen waar ’s avonds iedereen lag te rukken. Het leek wel een film. Tegen vijven zaten we met de vriendin van zijn vader in de woonkamer en kregen we een biertje waar ik misselijk van werd. De vriendin kon niet koken. Ze aten bijna altijd Chinees dat Jaap moest ophalen, zijn vader kwam pas thuis als het donker was, of helemaal niet. Soms bleef ik eten, maar meestal moest ik naar huis. Het waren landerige dagen, de zomer op z’n retour.
Op een middag gingen we naar Groningen. Liften. We waren er zo. Het was warm. Jaap gaf me een bruine pil die hij van zijn vader had gepikt. Daar werd je wat sneller van. Ik merkte niets. Ik hoopte dat Jaap me het tehuis zou laten zien, maar het kwam er niet van. We liepen alleen maar op en neer door de Herenstraat, aten een saucijzebroodje bij de Hema en kwamen in de hoerenbuurt terecht. Het was een slome middag, weinig hoeren. Hier en daar zat er eentje voor een raam te gapen of haar nagels te lakken. Ik durfde nauwelijks te kijken. Het broodje kwam naar boven.
We belandden in een café. Een rokerig, oud kaal hol met een jukebox en een nurkse man achter de bar. We gingen bij het raam zitten en keken naar buiten.”

 
Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook alle tags voor Doeschka Meijsing op dit blog.

Uit: Dagboek

“11 augustus 1995 Inleiding

Wat is spel? Wat is werkelijkheid? Het onderscheid tussen die twee is voor mij sinds een paar jaar zo onbelangrijk geworden dat zelfs de vraag er niet meer toe doet. Toch blijft zij kwellen, de kop opsteken. Dat wil zeggen dat de vraag op een antwoord wacht, gedurende alle achter mij liggende jaren. Speelt de kwestie omdat men – ook ik – steeds meer belangstelling heeft voor het autobiografische element in fictie? Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Shakespeares tijd? Maar nee, ook Constantijn Huygens schreef autobiografisch over zijn Sterre. En daarom heb ik die grote zeventiende-eeuwer altijd bijzonderder gevonden dan Vondel of Hooft. Was Fellini autobiografisch? Ongetwijfeld in zijn film Amarcord. Maar in 8½ of La Strada? Of Satyricon? Allemaal verbeelding, alles spel, verkleedpartijen, droom.
Zijn er twee soorten schrijvers, filmers, acteurs? Zij die uitdrukking willen geven aan hun allereigenste emoties en ervaringen en zij die juist een situatie en een personage willen creëren waarin en waarmee een ander gestalte krijgt, een andere wereld die wellicht enige helderheid biedt in het raadsel dat ze voor zichzelf zijn?
Je moet wel een evenwichtkunstenaar zijn om op de eerste vraag van vandaag het antwoord te kunnen doorstaan. Ik ben daar slecht in: val dan weer aan de ene kant van het touw, dan weer aan de andere kant eraf. Maar ik blijf altijd met één voet aan de draad haken en klauter weer naar boven.
Hoeveel oprechtheid over zichzelf kan iemand aan? Veel, denk ik – niet tot eigen genoegen overigens.
De enige vraag waar ik echt een antwoord op weet is: waarom schrijf ik sinds jaar en dag een dagboek, vol onbenulligheden, weersbeschrijvingen, voorvallen die er eigenlijk niet toe doen, grote en kleine emoties, gigantische en minuscule ruzies? Vroeger dacht ik dat het was om in het bejaardenhuis, oud en versleten, mijn leven te kunnen overzien. Nu weet ik dat dat niet zo is, want als ik sporadisch iets nalees, om de datum van de eerste landing op de maan na te zoeken bijvoorbeeld, of het plotseling opduiken van een stier genaamd Herman, interesseert het geschrevene me op geen enkele manier. Het antwoord op de vraag luidt: om elke ochtend de hand te oefenen, opdat het blanco papier niet tot obsessie wordt. Omdat ik verliefd ben op een hand met een vulpen erin die letters en woorden tovert.”

 
Doeschka Meijsing (21 oktober 1947 – 30 januari 2012)

 

De Nederlandse dichter Daan Doesborgh werd geboren op 21 oktober 1988 in Steyl. Zie ook alle tags voor Daan Doesborgh op dit blog.

Man van rabarber

Mijn voeten zijn slepende moordmachines
van slijten en buigen
slijten en verschuiven, kraken
slijten en vouwen en kreuken

Mijn hoofd is een plooienpot.
een mondjesmaat gewatteerde schedel
een stormram van zorg
een gemsbok van koppige donder

dus laat maar
ik ben een man van rabarber
een ring van stenen als een klok
rond mij neergelegd
ik ben een moederstuinen man
ik ben van vaders herfstbladeren
de bolsters van mijn broer tot naald
aaneen genaaid

Ik ben je lappenpop om weg te gooien
laat maar
ik ben een man van rabarber,
laat maar, nu hoeft het al niet meer.

Mijn handen hadden met de jouwe willen praten
ik had mijn wanten in je mond willen stoppen
waar je speeksel en je kaken ze tot karbonades
hadden kunnen maken
ik had nog zoveel willen zeggen maar ik
ik ben een sneeuwpop van zwijgen
ik ben een man van half af
ik ben een man van achteraf
dus je zei ga maar

jij bent een man van rabarber
hier heb je zeilen van krantenpapier
hier zijn mijn elektrische beloftes om mee te nemen
als je gaat kom ik je met stoffer en blik achterna
ga maar
ik zal je voetstappen snel van de stoeptegels vegen
heus niet om mijn dorp van je schoon te maken nee
maar om ze liefdevol te bewaren
want weet je
ik ben een vrouw
van een man van rabarber
ik ben een meisje van bamboe
wie luistert naar mijn ruisen meent daar woorden in te kennen
maar wie luistert naar mijn ruisen hoort

ruis

 
Daan Doesborgh (Steyl, 21 oktober 1988)

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook alle tags voor Alphonse de Lamartine op dit blog.

Le lac (Fragment)

” Aimons donc, aimons donc ! de l’heure fugitive,
Hâtons-nous, jouissons !
L’homme n’a point de port, le temps n’a point de rive ;
Il coule, et nous passons ! “

Temps jaloux, se peut-il que ces moments d’ivresse,
Où l’amour à longs flots nous verse le bonheur,
S’envolent loin de nous de la même vitesse
Que les jours de malheur ?

Eh quoi ! n’en pourrons-nous fixer au moins la trace ?
Quoi ! passés pour jamais ! quoi ! tout entiers perdus !
Ce temps qui les donna, ce temps qui les efface,
Ne nous les rendra plus !

Éternité, néant, passé, sombres abîmes,
Que faites-vous des jours que vous engloutissez ?
Parlez : nous rendrez-vous ces extases sublimes
Que vous nous ravissez ?

Ô lac ! rochers muets ! grottes ! forêt obscure !
Vous, que le temps épargne ou qu’il peut rajeunir,
Gardez de cette nuit, gardez, belle nature,
Au moins le souvenir !

Qu’il soit dans ton repos, qu’il soit dans tes orages,
Beau lac, et dans l’aspect de tes riants coteaux,
Et dans ces noirs sapins, et dans ces rocs sauvages
Qui pendent sur tes eaux.

Qu’il soit dans le zéphyr qui frémit et qui passe,
Dans les bruits de tes bords par tes bords répétés,
Dans l’astre au front d’argent qui blanchit ta surface
De ses molles clartés.

Que le vent qui gémit, le roseau qui soupire,
Que les parfums légers de ton air embaumé,
Que tout ce qu’on entend, l’on voit ou l’on respire,
Tout dise : Ils ont aimé !

 
Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook alle tags voor Samuel T. Coleridge op dit blog.

Sonnet VIII. To Mercy

Not always should the tear’s ambrosial dew
Roll its soft anguish down thy furrowed cheek!
Not always heaven-breathed tones of suppliance meek
Beseem thee, Mercy! Yon dark Scowler view,
Who with proud words of dear-loved Freedom came–
More blasting than the mildew from the south!
And kissed his country with Iscariot mouth;
(Ah! foul apostate from his Father’s fame!)
Then fixed her on the cross of deep distress,
And at safe distance marks the thirsty lance
Pierce her big side! But oh! if some strange trance
The eye-lids of thy stern-browed Sister press,
Seize, Mercy! thou more terrible the brand,
And hurl her thunderbolts with fiercer hand!

 

Sonnet XV. To Schiller

Schiller! that hour I would have wished to die,
If thro’ the shudd’ring midnight I had sent
From the dark Dungeon of the Tower time-rent
That fearful voice, a famished Father’s cry–
That in no after moment aught less vast
Might stamp me mortal! A triumphant shout
Black Horror screamed, and all her goblin rout
From the more with’ring scene diminished past.
Ah! Bard tremendous in sublimity!
Could I behold thee in thy loftier mood,
Wand’ring at eve with finely frenzied eye
Beneath some vast old tempest-swinging wood!
Awhile with mute awe gazing I would brood,
Then weep aloud in a wild ecstasy!

 

Sonnet XX

The piteous sobs that choke the Virgin’s breath
For him, the fair betrothed Youth, who les
Cold in the narrow dwelling, or the cries
With which a Mother wails her Darling’s death,
These from our Nature’s common impulse spring
Unblamed, unpraised; but o’er the piled earth,
Which hides the sheeted corse of gray-haired Worth,
If droops the soaring Youth with slackened wing;
If he recall in saddest minstrelsy
Each tenderness bestowed, each truth impressed;
Such Grief is Reason, Virtue, Piety!
And from the Almighty Father shall descend
Comforts on his late Evening, whose young breast
Mourns with no transient love the aged friend.

 
Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Blues (Donkere dagen)

“Het is 4 uur en 47 minuten. Op de radio: Wakker op de Weg. Ik ben nergens naar op weg. Het hammondorgel van Hans Vermeulen klinkt, daarna de stem van de presentator. `Dat was The Sandy Coast, een van oorsprong Haags shufflebandje dat later grote hits zou scoren.’ Inderdaad. Vijf uur, nieuws. Maar eerst nog even de Rabo Welkomstassistent, whatever that may be. Reclame. Buiten is het daglicht al voorzichtig bezig de duisternis te verdrijven. Daar kan eigenlijk geen nieuws tegenop, maar toch doet het ANP z’n best. Aan het einde van deze eeuw zal het in Nederland gemiddeld veertig graden Celsius zijn. Als dát geen nieuws is, wat is dan wél nieuws? We leven nu in 2008 en volgens het KNMI wordt het vandaag 19 graden en een natte dag. Nog 92 jaar wachten, of laten we het korter houden: nog 51 jaartjes wachten; dan is het in Nederland gemiddeld een graadje of 28, schat ik zo, toch? Lekker. Kan niet beter. Bovendien; over 52 jaar word ik 100 en voor geen goud wil ik dat moment missen dat de stadsdeelvoorzitter, de directrice van het zorgcentrum (zo’n vrouw met een rode, gefiguurzaagde bril) en de fotograaf van het huis-aan-huisblad zich met een enorme slagroomtaart in mijn kamertje vervoegen. Hopelijk kan er ook nog een lintje vanaf. Na het nieuws: de Shaffy-Cantate’, ‘door twee unieke artiesten, twee unieke Nederlandse sterren, die nog steeds van zich doen spreken, Ramses Shaffy en Liesbeth List’. Ik was het vergeten, maar nu het voorbijkomt, weet ik het weer: erger muziekstuk dan dit is er niet. `Lalalalalalalalala.’ Je zou van de weeromstuit `Aus der Tiefe ruf Ich Herr zu Dir’ opzetten, een echte cantate, en nog mijn favoriete ook. Dat zal ze leren, die stumpers van de radio; ze draaien nu nota bene een ‘stukje goed in het gehoor liggende jazz’ van de technicus van dienst, ene Jochem. Zulke mannen heten altijd Jochem: lekker thuis op zolder klooien met GarageBand, en voor je het weet voelen ze zich de nieuwe Herbie Hancock. Het is dat de vogels buiten nu ook op gang komen, en hier en daar in het ochtendgrauw een snippertje blauw valt te ontwaren, anders zou je alle moed laten varen; eens kijken wat er dan gebeurt. `We hebben allemaal,’ zo klinkt het uit de radio, ‘een lichtje in onze ziel. Bij sommigen brandt het zwak, bij anderen…’ Ik heb de tegenwoordigheid van geest de radio onmiddellijk tot zwijgen te brengen. Als de Here Jezus om de hoek komt kijken, en dat doet hij steeds vaker, kun je niet alert genoeg zijn. Geen woord van die knakker komt hier binnen. Overigens: als bij sommigen van ons het lampje een beetje brandt, wat doet het dan bij anderen? Loeien? Overuren maken? De ziel verteren? Rondzwaaien als de bundel van een vuurtoren? Zoeken naar een zondige die tot bekering kan worden gebracht? Met die vraag (een antwoord zal niet volgen) sta ik enkele minuten later op straat. Het loopt tegen halfzes. Ik rek mij omstandig uit, als een kampeerder in eigen land die zojuist uit zijn tent is gekropen en nu de gang naar de toiletten begint. Ik kijk naar de lucht die weinig goeds belooft. In de verte hoor ik de brommer van de krantenbezorger. Een voorzichtige blues welt in mij op, de herfst ligt om de hoek. Nog een paar dagen, misschien een week, en dan zullen de kastanjes oranje gaan kleuren. Dat is mooi, maar daarna gaan de bladeren vallen, en voor je het weet steken er novemberstormen op en zijn de donkere dagen een feit.”

 
Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

Doorgaan met het lezen van “Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge”

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Patrick Kavanagh, Tariq Ali, Nikos Engonopoulos

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit:Sampleton

„Door een merkwaardige speling van het lot kwam ik eind jaren tachtig voor twee dagen per week bij uitgeverij De Bezige Bij te werken. Mijn belangrijkste taak was het behandelen en verwerken van de post; meer in het bijzonder: het lezen en beoordelen van manuscripten. Niemand had mij gevraagd dat te doen, het was een van de minst populaire karweitjes op de uitgeverij, maar toen ik er een keer mee begonnen was, kreeg ik er geen genoeg van.
Er kwamen per week rond de honderd manuscripten binnen. Handgeschreven of met de typemachine vervaardigd, sommige met de hand gebonden, andere niet eens voorzien van paginanummers, gedichtenbundels en enorme romans, bekentenisliteratuur, levensgeschiedenissen en aperte onzin; ik vond het heerlijk. Eén keer heb ik in al die post iets gevonden wat volgens mij een boek zou kunnen worden, en dat was het ook, ware het niet dat de schrijver zich bij het tekenen van de contracten ontpopte als een crypto-fascist. Dat was nou net een stap te ver voor een voormalige verzetsuitgeverij.
De belangrijkste les die ik trok uit de manuscriptenberg was deze: wie in de literatuur de weg niet weet en gewoon zijn boek opstuurt naar de eerste de beste (de meeste inzenders stuurden hun geesteskind na afwijzing door mij gewoon op naar de volgende uitgeverij), hoort in de literatuur niet thuis. Schrijven is niet alleen hard werken, maar ook sociale vaardigheid. Wie droomt van een carrière in de letteren, heeft vrienden die hetzelfde dromen, kent mensen die een tijdschriftje runnen, publiceert daar zijn eerste vrucht, na enig aandringen, of na lange vergaderingen tot diep in de nacht, en vanaf dat punt gaat het verder, of niet. Met deze les in mijn zakdoek geknoopt ging ik er toe over alle manuscripten ongelezen terug te sturen, en nooit heeft De Bezige Bij om die reden een bestseller gemist.
Ik had dus mijn handen vrij om iets anders te doen. Ik redigeerde een boek van Tymen Trolsky (die Jasper Mikkers bleek te heten), ik schreef eens wat flapteksten, ik vergaderde, ik las buitenlandse boeken en ik at veel pannenkoeken bij café Loetje om de hoek. Al met al een mooie betrekking. Ook hing ik vaak uren aan de telefoon met vriendinnen in het buitenland.”

 
Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 – 22 april 2009)

Doorgaan met het lezen van “Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Patrick Kavanagh, Tariq Ali, Nikos Engonopoulos”

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Patrick Kavanagh

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Jongensjaren (Schoonmaak)

“De aardappels gaan de grond in. De bermen kleuren geel van het koolzaad. In de weilanden dartelen de lammeren. De iepen staan op het punt hun zaad te laten vallen. De terrassen staan buiten, de kampeerders trekken er met hun caravans op uit. In de tuin zit een eenzame koolmees te zingen en op haar balkonnetje stroopt de achterbuurvrouw haar broekspijpen omhoog om de zon haar bleke kuiten te laten bruinen. Tijd voor de voorjaarsschoonmaak.
Ik weet het nog.
Mijn moeder trok er een week voor uit. Kwam je op een dag thuis uit school, stonden alle meubelen in de tuin en hing de waslijn vol tafelkleden, deurmatten en winterjassen, die daarna de kast in gingen om te wachten tot het weer koud genoeg was om ze te dragen. Handschoenen, sjaals, wanten, mutsen, dikke truien, alfes verdween. Dagen werd er gestofzuigd, gedweild, gepoetst en geboend. Dekens werden opgeborgen, de kachel ging niet meer aan. Dagenlang aten we macaroni, elleboogjes van Honig, lekker makkelijk. Aan het einde van de week was het gezin klaar voor een nieuwe tijd.
Een mooi ritueel.
De voorjaarsschoonmaak markeert de overgang van donker naar licht, van korte dagen naar lange avonden (we speelden ineens veel meer buiten, en steeds langer), van binnen naar buiten, van bedompt en stoffig (zodra het zonlicht in de woonkamer het stof op de salontafel deed dansen, begon mijn moeder naar de grote schoonmaak te verlangen) naar fris en luchtig, van gevangen naar vrij. Het hoogtepunt: de ramen lappen. Daarna was het resultaat van al die nijvere arbeid in volle glorie zichtbaar.
Ik kan me niet herinneren dat wij kinderen, of mijn vader, meehielpen bij de grote schoonmaak. Het was een operatie van mijn moeder. Zij bepaalde ook het moment waarop een en ander van start ging. Soms belde ze erover met haar zussen, ook allemaalvrouwen die aanzienlijke gezinnen bestierden; of die al begonnen waren. Andere keren liet ze zich inspireren door buurvrouwen of vriendinnen. Maar altijd kwam de schoonmaak als een verrassing, voor ons. Kwam je thuis, had moeder ineens van die enge, rubberen handschoenen aan, een theedoek om heur haar geknoopt, en stond het hele aanrecht vol borden, potten, pannen, kopjes, schotels, kruiden, pakken suiker, meel, blikken bruine bonen, flessen en dozen. Dan was ze de keukenkastjes aan het schoonmaken.“

 
Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 – 22 april 2009)

Doorgaan met het lezen van “Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Patrick Kavanagh”

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Patrick Kavanagh

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Bordeel

“De brug staat wel vaker open, een paar keer per dag. Hij ligt over een brede vaart die aan de linkerkant Schinkel heet, en aan de rechterkant Kostverlorenvaart. Het is de verbinding tussen de Nieuwe Meer, de ringvaart om de Haarlemmermeerpolder en het IJ. Veel binnenvaart maakt van die route gebruik en hoewel het geen sluis is, heet de brug Overtoomse Sluis.
Ik moest dus wachten.
Ter hoogte van Ria’s.
Ria’s is een bordeel dat vroeger Huize Ria heette. Dat vind ik een betere naam, maar ik ga er niet over. Ik ben er ook nooit binnen geweest, ik weet niet eens of Ria wel bestaat. Mijn enige band met de zaak is dat ik vaak over de Overtoom rijd.
Mijn gevoel zegt trouwens dat Ria wel degelijk bestaat, maar dat ze een paar jaar geleden uit de zaak is gestapt en dat toen die naam is veranderd. In dezelfde tijd is het pand van buiten opnieuw in de verf gezet: de muren zijn zwart, de geblindeerde ramen zijn geel. Er hangen discrete, zwarte markiezen boven waar spotjes in zitten.
Naast de deur hangt een koperen plaat met in rode letters de naam van de zaak. Er hangt nog een kleiner, rood bordje, maar wat daar op staat kan ik vanuit de auto niet lezen. De openingstijden kunnen het niet zijn, want Ria’s is nooit gesloten op welk moment van de dag ik er ook langs kom, de buitenverlichting brandt altijd. Een keer heb ik er ’s ochtends vroeg twee al wat oudere dames met hoofddoeken en boodschappentassen naar binnen zien glippen, de werksters. Klanten heb ik er nooit gezien.
Tot gisteren.
Een man in een lange, grijze winterjas. Hij leunde tegen de gevel van het bordeel, vlak bij de deur. Leunen is te zwak uitgedrukt: de man hield zich vast aan de gevel, met één hand weliswaar, maar het was duidelijk dat hij zou omvallen als hij de hand in zijn zak zou steken. Dit kon natuurlijk met de wind te maken te hebben, maar dat strookte niet met de gelukzalige uitdrukking die hij op zijn gezicht had, een blozend, goed geschoren gezicht overigens, de man zou zo een kaasboer, een accountant of een handelsreiziger kunnen zijn.”

 
Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 – 22 april 2009)

Doorgaan met het lezen van “Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Patrick Kavanagh”

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

 

Uit: Rokjesdag

 

“Het luistert nauw met deze dag
Van alle kanten bereikt mij de vraag wanneer het rokjesdag is. Televisieprogramma’s, tijdschriften, radioshows, passanten op straat. Iedereen heeft het erover. Sommigen noemen het overigens bloesjesdag.

Ik niet.

Rokjesdag is die ene dag in het voorjaar dat alle vrouwen als bij toverslag ineens een rok dragen, met daaronder blote benen. Tot zover de definitie waarop ongetwijfeld het een en ander valt af te dingen, maar daar heb ik geen zin in, sterker nog; het is een prachtige definitie.

De Van Dale noteert onder rokjesdag zie bloesjesdag. Zo kan ik het ook. Snel naar bloesjesdag en daar treffen we deze: eerste warme lentedag (waarop de vrouwen voor het eerst in hun bloesje op straat lopen).

Tja.

Ik vind mijn eigen definitie beter. En ik ben niet eens een billenman. Ook geen tietenman trouwens. Dus dat heeft er niets mee te maken. Wat mijn definitie zo mooi maakt is de toverslag.

Hoe weten alle vrouwen dat het rokjesdag wordt? Er is geen tamtam, en het wordt niet op radio en televisie aangekondigd. Het gaat dus om een voorgevoel dat duizenden vrouwen op hetzelfde moment bezoekt.

Het is vandaag 2 april en als het goed is schijnt de zon. In de loop van de dag zal de temperatuur oplopen tot zo’n17, 18 graden. Dat is in principe genoeg voor rokjesdag, ware het niet dat de ochtend aan de koude kant is, 4 graden, en dat is een obstakel. Halverwege de dag iets anders aantrekken mag niet, en is in veel gevallen ook onmogelijk. Je gaat je op je werk niet verkleden.

Dat brengt ons bij vrijdag.”

 

 

Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 – 22 april 2009)

Doorgaan met het lezen van “Martin Bril, Doeschka Meijsing, Daan Doesborgh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge”

Martin Bril, Doeschka Meijsing, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Martin Bril op dit blog.

 

Uit: Geen kenner (Column)

“Hoe ouder je wordt, hoe minder makkelijk je nieuwe feiten op je harde schijf kwijt kunt. En dat terwijl ik nog helemaal niet oud ben, sterker nog: behoorlijk jong. Maar niet opgevoed met de natuur, is kennis van de natuur een zware dobber, zeg maar: een tegennatuurlijke iets.

Enfin.

Hoe is het zo gekomen dat ik geinteresseerd raakte in wat groeit en bloeit? Het antwoord kan kort zijn. De kinderen. Wie met twee kleuters aan de hand langs een weiland of een wegberm loopt, wil als vader toch een beetje leuk voor de dag komen. Dus wij plukten dan alles wat we tegenkwamen, en zochten later in de bloemengids op hoe dat allemaal heette. Na een paar van zulke exercities hadden de kinderen er wel genoeg van, maar toen had ik zelf dus de smaak te pakken, en zodoende. U moet niet denken, trouwens, dat ik er tegenwoordig met botaniseertrommel, pincet en vergrootglas op uittrek, zo ver ben ik nog lang niet. Maar het zou zomaar ooit kunnen gebeuren.

Ter zake.

Laatst stond ik middenin Amsterdam, bij het Rijksmuseum om precies te zijn, in de file voor een stoplicht. De ene keer stond het op rood, de andere keer op groen. Maar geen auto die vooruit kwam, vandaar het woord file. Al snel begon ik me te vervelen, op de radio was de EO bezig, en dus keek ik wat op me heen. Aan de waterkant, vlakbij een paar bouwketen, Amsterdam is nooit af, stond een uitbundige partij klaprozen.

Ik vind dat mooie bloemen, pioniers zijn het, heb ik van mijn vrouw geleerd. Ze groeien op schrale grond waar veel zuurstof in zit, en als je ze plukt, verschrompelen ze vrijwel meteen, tenzij je de stengels dichtbrandt – of zoiets. Hoe dan ook, ik was niet de enige met belangstelling voor de klaprozen, want er stopte een fietser bij; een vrouw van een jaar of veertig, op bruine sandalen, met een roestrode flodderbroek aan en een gezellige trui. Ze zette haar fiets tegen een boom, en haalde een fototoestelletje uit haar rugzak waarmee ze de klaprozen ging vastleggen.”

 

Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 – 22 april 2009)

Doorgaan met het lezen van “Martin Bril, Doeschka Meijsing, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge”

Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Martin Roda Becher

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Alphonse de Lamartine op dit blog.

 

Souvenir

En vain le jour succède au jour,
Ils glissent sans laisser de trace ;
Dans mon âme rien ne t’efface,
Ô dernier songe de l’amour !

Je vois mes rapides années
S’accumuler derrière moi,
Comme le chêne autour de soi
Voit tomber ses feuilles fanées.

Mon front est blanchi par le temps ;
Mon sang refroidi coule à peine,
Semblable à cette onde qu’enchaîne
Le souffle glacé des autans.

Mais ta jeune et brillante image,
Que le regret vient embellir,
Dans mon sein ne saurait vieillir
Comme l’âme, elle n’a point d’âge.

Non, tu n’as pas quitté mes yeux;
Et quand mon regard solitaire
Cessa de te voir sur la terre,
Soudain je te vis dans les cieux.

Là, tu m’apparais telle encore
Que tu fus à ce dernier jour,
Quand vers ton céleste séjour
Tu t’envolas avec l’aurore.

Ta pure et touchante beauté
Dans les cieux même t’a suivie ;
Tes yeux, où s’éteignait la vie,
Rayonnent d’immortalité !

Du zéphyr l’amoureuse haleine
Soulève encor tes longs cheveux ;
Sur ton sein leurs flots onduleux
Retombent en tresses d’ébène,

L’ombre de ce voile incertain
Adoucit encor ton image,
Comme l’aube qui se dégage
Des derniers voiles du matin.

Du soleil la céleste flamme
Avec les jours revient et fuit ;
Mais mon amour n’a pas de nuit,
Et tu luis toujours sur mon âme.

C’est toi que j’entends, que je vois,
Dans le désert, dans le nuage;
L’onde réfléchit ton image;
Le zéphyr m’apporte ta voix.

Tandis que la terre sommeille,
Si j’entends le vent soupirer,
Je crois t’entendre murmurer
Des mots sacrés à mon oreille.

Si j’admire ces feux épars
Qui des nuits parsèment le voile,
Je crois te voir dans chaque étoile
Qui plaît le plus à mes regards.

Et si le souffle du zéphyr
M’enivre du parfum des fleurs.
Dans ses plus suaves odeurs
C’est ton souffle que je respire.

C’est ta main qui sèche mes pleurs,
Quand je vais, triste et solitaire,
Répandre en secret ma prière
Près des autels consolateurs.

Quand je dors, tu veilles dans l’ombre ;
Tes ailes reposent sur moi ;
Tous mes songes viennent de toi,
Doux comme le regard d’une ombre.

Pendant mon sommeil, si ta main
De mes jours déliait la trame,
Céleste moitié de mon âme,
J’irais m’éveiller dans ton sein !

Comme deux rayons de l’aurore,
Comme deux soupirs confondus,
Nos deux âmes ne forment plus
Qu’une âme, et je soupire encore !

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)

Gravure door F. Holl naar P. Gérard. 1845.

Doorgaan met het lezen van “Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Martin Roda Becher”

Doeschka Meijsing, Martin Bril, Tariq Ali, Mehdi Charef, Allen Hoey, Nikos Engonopoulos, Patrick Kavanagh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Martin Roda Becher

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2007 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Uit: Over de liefde

In een cel
Dit verhaal begint met een dvd die op een dag in mijn brievenbus werd gegooid. Hoewel ik de eerste weken vergat hem te bekijken, zou de inhoud ervan mijn gedachten weer lange tijd door elkaar schudden, alsof er al niet genoeg met mij was gebeurd.

De dvd behelsde een documentaire en werd me door een zekere ‘Jan’ bezorgd, die via een in het cellofaan gestoken kaartje, dat me verhinderde met één oogopslag kennis te nemen van de inhoud, liet weten dat hij het belangrijk vond dat ik ernaar keek. Toevallig kende ik maar twee Jannen op deze wereld, nog uit mijn studententijd, en ik wist zeker dat het handschrift op het kaartje van geen van beiden was.
Ik besteedde er verder geen aandacht aan, want ze konden wel zoveel in je brievenbus gooien waar je niet om had gevraagd, en de wereld probeerde al zo opdringerig van alle kanten je aandacht te vangen dat je je het beste van tijd tot tijd als een leeuw in de woestijn kon terugtrekken. De afgelopen jaren was ik genoeg door elkaar geschud en nu ik eindelijk de vlakte had bereikt, moest ik eerst maar eens mijn wonden likken. Die waren diep en stinkend.“

(…)

 „Ik had geen rekening gehouden met de buitenwereld, de wijnranken van roddels en geruchten die om me heen aan het zoemen waren, de vrienden en kennissen die schichtig tegenover me begonnen te doen, heel het netwerk van de stad met boodschappen vol leedvermaak of medelijden dat zich om me heen spande. Ik kon geen vriendin raadplegen over de nieuw ontstane situatie of ik kreeg ten antwoord dat ze het allang wist, dat ze niet had geweten hoe het mij te vertellen, dat ze op het punt had gestaan mij in te lichten, dat de hele stad het wist. „

meijsing

Doeschka Meijsing (Eindhoven, 21 oktober 1947)

 

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 23 april 2009 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

De poes die alles ziet

Een slap zonnetje, en de wind steekt op.
Wat te doen? De poes zit roerloos op de
Schutting van de buren niks te denken

Of misschien iets heel dieps, wij zullen
Het nooit weten. Intussen is het wel zo
Dat de poes kan praten, dat wil zeggen
Als ze binnen is, steekt ze hele verhalen
Af in een prachtige taal die niemand
Verstaat maar die we allemaal begrijpen,

Wij hier in huis bedoel ik, anderen niet.

De ene keer vertelt ze over haar avonturen
In de tuin, de andere keer informeert
Ze naar wat wij zoal hebben meegemaakt.

Als alles dan in balans is, zoekt ze ergens
In huis een hoek om te dutten, of een
Plek die uitzicht biedt over alles, want
Graag houdt ze het gezin in de gaten.

En dat doet ze met haar ogen toe
Of soms op een luie kier.

 

Trotse tomaten

De tomatenplant die ik voor de
Zomer kocht, heeft inmiddels
Vijf perfecte tomaten opgeleverd

Zwaar en vlezig en zoet

Een laatste, nummer zes, hangt
Zich nu te haasten – van slap
Oranje naar morgen rood en
Zelfverzekerd, want zo zien
Rijpe tomaten er toch wel uit:

Trots.

 bril

Martin Bril (Utrecht, 21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Pakistaanse auteur, journalist en filmmaker Tariq Ali werd geboren in Lahore op 21 oktober 1943. . Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Uit: Remembering Edward Said

„Edward Said was a longstanding friend and comrade. We first met in 1972, at a seminar in New York. Even in those turbulent times, one of the features that distinguished him from the rest of us was his immaculate dress sense: everything was meticulously chosen, down to the socks. It is almost impossible to visualize him any other way. At a conference in his honour in Beirut in 1997, Edward insisted on accompanying Elias Khoury and myself for a swim. As he walked out in his swimming trunks, I asked why the towel did not match. ‘When in Rome’, he replied, airily; but that evening, as he read an extract from the Arabic manuscript of his memoir Out of Place, his attire was faultless. It remained so till the end, throughout his long battle with leukaemia.

Over the last eleven years one had become so used to his illness—the regular hospital stays, the willingness to undergo trials with the latest drugs, the refusal to accept defeat—that one began to think him indestructible. Last year, purely by chance, I met Said’s doctor in New York. In response to my questions, he replied that there was no medical explanation for Edward’s survival. It was his indomitable spirit as a fighter, his will to live, that had preserved him for so long. Said travelled everywhere. He spoke, as always, of Palestine, but also of the unifying capacities of the three cultures, which he would insist had a great deal in common. The monster was devouring his insides but those who came to hear him could not see the process, and we who knew preferred to forget. When the cursed cancer finally took him the shock was intense.“

ali

Tariq Ali (Lahore,  21 oktober 1943)

 

De Frans-Algerijnse schrijver en regisseur Mehdi Charef werd geboren op 21 oktober 1952 in Maghnia in Algerije. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Uit: A bras le coeur

„Une odeur d’encens âcre et brûlante s’échappe de l’antre du marabout. Derrière le rideau qui nous sépare de son cabinet, j’entends deux familles qui pleurent, et parfois hurlent. Le marabout tente de les calmer. D’après ce que je crois comprendre, il s’agit d’une histoire de lesbiennes. J’écarte discrètement l’épais rideau, taillé dans une couverture militaire récupérée on ne sait où, et je découvre le large visage hâlé de Mbami, qui est un homme rempli de certitudes et de curiosités. Autour du front, il porte un foulard. Avec un éventail en feuilles de bambou, il disperse les volutes de fumée qui montent de deux kanouns. De dos, je distingue deux femmes voilées assises jambes croisées sur la natte ; à côté d’elles, deux jeunes filles de profil ; ce sont elles qui pleurent et qui sanglotent. Elles ont les yeux rouges, le nez qui coule. Elles répondent aux questions indiscrètes, tranquillement. La première, qui porte des lunettes de vue, récapitule pour sa mère :

   – C’est plus fort que moi ! J’ai beau essayer de me retenir, de me raisonner, rien n’y fait. Une force supérieure me pousse. Je succombe, désespérée et en larmes, dans les bras de Farida!

   Farida, l’autre jeune fille, qui n’est pas voilée, elle aussi est effondrée, à côté de sa mère. Les deux adolescentes se prennent les mains et implorent en choeur le marabout :

   – Guéris-nous, Si Mbami!

   II essaie de les calmer en levant les mains.

   – Et toi?

   Farida baisse les yeux, elle met ses mains sur sa tête.

   – Je ne pense qu’à elle, nuit et jour, je ne sais pas pourquoi. Maman, j’ai peur ! C’est seulement quand je sens son corps contre moi que mes angoisses s’apaisent…“

charef

Mehdi Charef (Maghnia, 21 oktober 1952)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Allen Hoey werd geboren op 21 oktober 1952 in Kingston, New York. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008. Allen Hoey overleed op 16 juni van dit jaar op de leeftijd van 58 jaar. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Glory
               and the firmament sheweth his handywork.
               —Psalms 19:1

Sometimes, late night, the middle of January
maybe, I get home, everything’s quiet, the cows
aren’t in the pasture out back, all the lights
turned off as far as I can see, the packed snow
crunches underfoot as I step away from the car
and slam the door, but not quite a crunch, almost
a kind of squeak, it’s that cold, and then, cold
as it is, I stand beside the car and lift my head
to look up at the sky, not a cloud, a high wind’s
blown the heavens clear, and all the stars are weaving
the way I’d weave heading across the yard
and up the stairs, the warm air, the faint trace of
heating oil, the rumpled bed at the end of the hall,
but now the stars dance their little dance and,
my God, it’s cold, and I’m here, and that’s
just about the best a man could ever care about.

 

Country Music

Mothers and dogs die, and fathers too; in the fullness of time
they all do. Wives and husbands, boyfriends, girlfriends, and lovers
run away or break your heart. Someday, someone will smash
your car, your truck, whether it’s some dumb-ass in an SUV
or only a deer whose trajectory through life has the misfortune
of intersecting yours a few feet this side of the shoulder—
crumpled fender, bent frame, or just a broken headlight, your baby
ain’t the same, and, even apart from the increase you know
your premium will reflect the next time the bill comes due,
it hurts. At some point in your life, unless you’re someone
I’d never want to sit next to and sip a beer, you’ve felt
a little sad and maybe lonely when you’ve heard a train whistle
keening through the trees on a dark October night. At three o’clock
the wind batters rain against the bedroom window, debris
from the porch roof clatters on the pane, and you lie awake
thinking about how years ago you might have done something
different than the way you did it and rehearsing the many ways
your life might’ve changed. But would you give up the feeling
you get listening to the slow breath beside you, reassuring,
keeping you in bed when part of you wants to get up, get
the bottle and sit at the kitchen table with only a smudge of light
coming in from the one lamp you’ve switched on in the living room,
listening to that wind, those twigs and branches racketing
against the glass and clapboard—would you, could you
be any happier, really? A piece of pie, maybe, some stale
remnants of a birthday cake. Instead, you lie in bed, hear
the faint strains of a fiddle, the twang of a Telecaster,
and in the wind the wailing sound of a pedal steel guitar,
all of this put to music—this life you’ve maybe lived.

hoey

 Allen Hoey (21 oktober 1952 – 16 juni 2010)

 

De Ierse dichter Patrick Kavanagh werd geboren op 21 oktober 1904 in County Monaghan. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

In Memory Of My Mother

We have tested and tasted too much, lover-
Through a chink too wide there comes in no wonder.
But here in the Advent-darkened room
Where the dry black bread and the sugarless tea
Of penance will charm back the luxury
Of a child’s soul, we’ll return to Doom
The knowledge we stole but could not use.

And the newness that was in every stale thing
When we looked at it as children: the spirit-shocking
Wonder in a black slanting Ulster hill
Or the prophetic astonishment in the tedious talking
Of an old fool will awake for us and bring
You and me to the yard gate to watch
the whins
And the bog-holes, cart-tracks, old stables where Time begins.

O after Christmas we’ll have no need to go searching
For the difference that sets an old phrase burning-
We’ll hear it in the whispered argument of a churning
Or in the streets where the village boys are lurching.
And we’ll hear it among decent men too
Who barrow dung in gardens under trees,
Wherever life pours ordinary plenty.
Won’t we be rich, my love and I, and
God we shall not ask for reason’s payment,
The why of heart-breaking strangeness in dreeping hedges
Nor analyse God’s breath in common statement.
We have thrown into the dust-bin the clay-minted wages
Of pleasure, knowledge and the conscious hour-
And Christ comes with a January flower.

 

Primrose

Upon a bank I sat, a child made seer
Of one small primrose flowering in my mind.
Better than wealth it is, I said, to find
One small page of Truth’s manuscript made clear.
I looked at Christ transfigured without fear–
The light was very beautiful and kind,
And where the Holy Ghost in flame had signed
I read it through the lenses of a tear.
And then my sight grew dim, I could not see
The primrose that had lighted me to Heaven,
And there was but the shadow of a tree
Ghostly among the stars. The years that pass
Like tired soldiers nevermore have given
Moments to see wonders in the grass.

 kavanagh

Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)
Portret door William Mulhall

 

De Griekse dichter en schilder Nikos Engonopoulos werd geboren op 21 oktober 1907 in Athene. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

BOLIVÁR   (Fragment)

A Greek Poem

And shall I now despair that to this very day no one has
understood, has wanted, has been able to understand
what I say?
Shall the fate then be the same for what I say now of Bolivar,
that I’ll say tomorrow of Androutsos?
Besides, it’s no easy thing for figures of the importance of
Androutsos and Bolivar to be so quickly understood,
Symbols of a like.
But let’s move on quickly: for Heaven’s sake, no emotion,
exaggeration or despair.
Of no concern, my voice was destined for the ages alone.
(In the future, the near, the distant, in years to come, a few,
many, perhaps from the day after tomorrow or the day
after that,
Until the time that, empty and useless and dead, the Earth
begins to drift in the firmament,
The young, with mathematical precision, will awake in their
beds on wild nights,
Moistening their pillows with tears, wondering at who I was,
reflecting
That once I existed, what words I said, what songs I sang.
And the gigantic waves that every evening break on Hydra’s
seven shores,
And the savage rocks, and the high mountain that brings down
the blizzards,
Will eternally and untiringly thunder my name.)

But let’s get back to Simon Bolivar.

Bolivar! A name of metal and wood, you were a flower in
the gardens of South America.
You had all the gentleness of flowers in your heart, in your
hair, in your gaze.
Your hand was huge like your heart, and scattered both good
and evil.
You swept through the mountains and the stars trembled, you
came down to the plains, with your gold finery, your
epaulets, all the insignia of your rank,
With a rifle hanging on your shoulder, with chest bared, with
your body covered in wounds,
And stark naked you sat on a low rock, at the sea’s edge,
And they came and painted you in the ways of Indian braves,
With wash, half white, half blue, so you’d appear like a lonely
chapel on one of Attica’s shores,
Like a church in the districts of Tatavla, like a palace in a
deserted Macedonian town.

 

Vertaald door David Connolly

 Engonopoulos

Nikos Engonopoulos (21 oktober 1907 – 31 oktober 1985)
Athene

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

Le papillon

Naître avec le printemps, mourir avec les roses,
Sur l’aile du zéphyr nager dans un ciel pur,
Balancé sur le sein des fleurs à peine écloses,
S’enivrer de parfums, de lumière et d’azur,
Secouant, jeune encor, la poudre de ses ailes,
S’envoler comme un souffle aux voûtes éternelles,
Voilà du papillon le destin enchanté!
Il ressemble au désir, qui jamais ne se pose,
Et sans se satisfaire, effleurant toute chose,
Retourne enfin au ciel chercher la volupté!

 

Les voiles

Quand j’étais jeune et fier et que j’ouvrais mes ailes,
Les ailes de mon âme à tous les vents des mers,
Les voiles emportaient ma pensée avec elles,
Et mes rêves flottaient sur tous les flots amers.

Je voyais dans ce vague où l’horizon se noie
Surgir tout verdoyants de pampre et de jasmin
Des continents de vie et des îles de joie
Où la gloire et l’amour m’appelaient de la main.

J’enviais chaque nef qui blanchissait l’écume,
Heureuse d’aspirer au rivage inconnu,
Et maintenant, assis au bord du cap qui fume,
J’ai traversé ces flots et j’en suis revenu.

Et j’aime encor ces mers autrefois tant aimées,
Non plus comme le champ de mes rêves chéris,
Mais comme un champ de mort où mes ailes semées
De moi-même partout me montrent les débris.

Cet écueil me brisa, ce bord surgit funeste,
Ma fortune sombra dans ce calme trompeur ;
La foudre ici sur moi tomba de l’arc céleste
Et chacun de ces flots roule un peu de mon coeur.

 lamartine

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)
Foto, vergroot door Nadar, ca 1865

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 21 oktober 2009.

The Rose

As late each flower that sweetest blows
I pluck’d, the Garden’s pride!
Within the petals of a Rose
A sleeping Love I ‘spied.

Around his brows a beamy wreath
Of many a lucent hue;
All purple glow’d his cheek, beneath,
Inebriate with the dew.

I softly seiz’d th’ unguarded Power,
Nor scar’d his balmy rest:
And plac’d him, cag’d within the flower,
On spotless Sara’s breast.

But when unweeting of the guile
Awoke the pris’ner sweet,
He struggled to escape awhile
And stamp’d his faery feet.

Ah! soon the soul entrancing sight
Subdued th’ impatient boy!
He gaz’d! he thrill’d with deep delight!
Then clapp’d his wings for joy.

‘And O!’ he cried — ‘Of magic kind
What charms this Throne endear!
Some other Love let Venus find
I’ll fix my empire here.’

 

Child’s Evening Prayer

Ere on my bed my limbs I lay,
God grant me grace my prayers to say:
O God! preserve my mother dear
In strength and health for many a year;
And, O! preserve my father too,
And may I pay him reverence due;
And may I my best thoughts employ
To be my parents’ hope and joy;
And, O! preserve my brothers both
From evil doings and from sloth,
And may we always love each other,
Our friends, our father, and our mother,
And still, O Lord, to me impart
An innocent and grateful heart,
That after my last steep I may
Awake to thy eternal day! Amen.

co;eridge

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)

 

De Duitse schrijver en criticus Martin Roda Becher werd geboren in New York op 21 oktober 1944. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008.

Uit: Dauergäste )

„Der Umgang mit Grosz beschränkte sich in New York zu Ulis heimlichem Ärger hauptsächlich auf den Austausch von Briefen, was ihrem zeitgeschichtlich höchst interessanten Briefwechsel sehr bekam, Ulis Hunger nach den gesellschaftlichen Kontakten von Grosz in der New Yorker Kunst- und Literaturszene aber weitgehend ungestillt ließ. Bei der Taufe, sie fand in den Privaträumen eines lutheranischen Pastors statt, ließ sich Grosz durch seine Frau vertreten; er hatte sich angeblich bei einer Party den Fuß verstaucht.
Meine Mutter hatte beschlossen, daß ich Martin Roda heißen sollte. Daß Roda aber in Wirklichkeit mehr war als nur ein zweiter Vorname, begriff ich früh. Roda war mein eigentlicher Name, das Becher bloß Anhängsel. Ich hatte die blauen Augen der Rodas, die Stupsnase – durch und durch ein Roda, übernahm ich mit der Muttermilch die latente Gegnerschaft gegen die Bechers. Dana war eine überzeugte, ja glühende Roda, während die Becher-Seite in Uli nur einen sehr lauen Vertreter hatte. Im Grunde mochte Uli seine Eltern nicht, und sie wiederum hatten ein ziemlich reserviertes Verhältnis zu ihm. In meinem zweiten Vornamen war also schon die Kampfansage an die Bechers enthalten: Mit mir setze sich keineswegs die Bechersche Linie fort, nein, ich sei vielmehr der natürliche Roda-Statthalter.“

 becher

 Martin Roda Becher (New York, 21 oktober 1944)

Doeschka Meijsing, Martin Bril, Tariq Ali, Mehdi Charef, Allen Hoey, Nikos Engonopoulos, Patrick Kavanagh, Alphonse de Lamartine, Samuel T. Coleridge, Martin Roda Becher

De Nederlandse schrijfster Doeschka Meijsing werd geboren in Eindhoven op 21 oktober 1947. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2007 en ook mijn blog van 21 oktober 2008.

Uit: Geef mij maar een pijp tabak

“Als iets in staat is mij tot kille woede te brengen dan is het wel dit: een artikel schrijven (titel: Over God), bedoeld om in een boekje te verschijnen (titel: Over God), samen met collega’s-leeftijdgenoten, alle rond de dertig zoals de prospectus vermeldt (dan ben ik de oma van het stel want ik kom daar ruim vijf jaar overheen), die ook alle een artikel schrijven (Over God).

En waarom? vraagt Dopi, die me altijd in netelige situaties verzekert ‘Wees niet bang, ik sta vlak achter je’ – En waarom het dan doen? Ik ben altijd geneigd Dopi gelijk te geven, maar even altijd irriteert zijn aanwezigheid in netelige situaties achter mij, en nooit voor mij, mij mateloos.

Meer verstand heb ik in mijn hoofd als ik me afvraag waar die woede vandaan komt, waar-ie toe leidt, en wat de beste manier is om het adrenaline-gehalte in het bloed te laten zakken. Zodat ik daarna een pijp kan opsteken met de woorden van Herr Lehrer Lämpel uit de Max und Moritz: ‘Und voll Dankbarkeit sodann/Zündet er sein Pfeifchen an./“Ach” spricht er, “die grösste Freud/Ist doch die Zufriedenheit!!!”.’ Men leze het vervolg op deze regels bij Busch.

Boos ben ik natuurlijk omdat de opgave onmogelijk is, de situatie netelig, en de weg die nergens toe leidt met kleine kopspijkertjes bezaaid. Alleen om Dopi eens op mijn beurt te irriteren dus… ga ik maar even voorbij aan mijn voorstelling vroeger van God als de Paashaas, en ook aan het antwoord dat de astronaut die uit de ruimte was teruggekeerd gaf aan journalisten die hem vroegen of hij God gezien had: ‘Yes, She was black.’

De moeilijkheid met Over God is dat het beste boek dat over hem geschreven is, al áf is, en dat het tot nu toe niemand gelukt is daar nog een hoofdstuk aan toe te voegen. Het is dan ook een heel nuttig boek, waaruit je bijvoorbeeld kunt leren hoe je de touwtjes moet knopen van een tent in de woestijn, of hoe het laatste advies voor de nood luidt: ‘Beter trouwen dan branden’. De eeuwen na dat boek heeft de wetenschap, de kunst, de architectuur, de moraal en het sociale leven zich erop gebaseerd en dat is, of we het willen of niet, bepalend geweest voor alles wat achter ons ligt en wat we gemakshalve maar even onze geschiedenis noemen, en wellicht voor veel wat vóór ons ligt, waarover slechts met een groot gevoel van nutteloosheid en moedeloosheid te praten valt.

Een van de mooiste bouwwerken uit ‘onze geschiedenis’ is overigens opgebouwd naar analogie van het beste boek Over God en dat is de Wereldbibliotheek, waarvan we besloten hebben dat Jorge Luis Borges er tijdelijk directeur mag zijn. De Wereldbibliotheek is de enige plaats in de wereld waar de hoop dat het allemaal minder erg is dan het eruitziet, nog niet door tocht weggeblazen lijkt.”

meijsing

Doeschka Meijsing (Eindhoven, 21 oktober 1947)

 

De Nederlandse columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008 en ook mijn blog van 23 april 2009.

Papa!

 

‘Papa! papa!’, schreeuwt het jongetje. Hij sleurt een bolderkarretje achter zich aan, dat voortdurend met veel kabaal omslaat en weer overeind komt. ‘Papa!
Papa! Kijk nou!’
Papa kijkt niet. Hij is in gesprek met een vrouw die niet zijn eigen vrouw is. Af en toe trekt de ergernis over haar gezicht. Oh ja, we bevinden ons op een buurtfeest, spontaan ontstaan omdat het ineens zulk mooi weer was.
‘Papa! Papa!’
Eindelijk kijkt papa op. Hij is midden 30. Een leeftijd waarop je vroeger onvoorwaardelijk volwassen was, maar nu nog even van je jeugd kunt genieten. Er zit nog rock ’n’ roll in je bloed.

De blik die vader op zijn zoon werpt, zegt dan ook alles. Hij ziet geen kwaad in het kabaal van zijn zoon.

Vader slentert naar het jongetje. Hij hurkt naast hem neer. ‘Wat is er kerel?’, vraagt hij

Maar het kan ook zijn dat hij is uitgekeken op de nieuwe buurvrouw. Ze staan in ieder geval op hetzelfde moment op. Moet er nog iets gezegd worden?
‘We zien elkaar’, zegt de man.
‘Later’, groet de vrouw. Dat duidt erop dat haar kinderen al een stuk ouder zijn dan het bolderende jongetje. Meiden van 13, 14, 16 nemen afscheid van elkaar met een nonchalant ‘later’.
Vader slentert naar het jongetje. Hij hurkt naast hem neer. ‘Wat is er kerel?’, vraagt hij. Er blijkt niets te zijn, en triomfantelijk laat vader zijn zoon weer los. Het mannetje holt weg met de kar slingerend achter zich aan.
Echt, vader kijkt grijnzend om zich heen, echt, het is een jongetje waar geen kwaad bij zit. Jan de Wit. Als hij groot is, wint hij Deal Or No Deal. Echt, maak je geen zorgen.

 

martinbril

Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Pakistaanse auteur, journalist en filmmaker Tariq Ali werd geboren in Lahore op 21 oktober 1943. . Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008.

Uit: Pirates of the Caribbean

 

“Illusions about the civilizing function of a bloody Empire and the rancid rhetoric of Washington Consensus politicians were being destroyed on the battlefields of Iraq and in the mountains of Afghanistan and subsequently in Lebanon.  The glimmer of an actual political alternative, however, was only visible in Latin America.  There, new social movements had thrown up new political leaders.  They were insisting that, despite the fall of the Soviet Union, the world was still confronted with old choices.  Either a revamped global capitalism with new wars and new impoverishment, chaos, anarchy or a rethought and revived socialism, democratic in character and capable of serving the needs of the poor.

These leaders were determined to rescue the stranded ship ‘utopia’, to initiate more egalitarian, redistributive policies and to involve the poor in the political life of their countries.  For proclaiming these modest goals they were traduced and vilified.  Their real crime is to challenge the certainties of the New Order, to disregard the ‘Forbidden’ signs of the Washington Consensus.

An ally of that consensus can crush its opponents, torture and kill political prisoners, ban all rival parties, sell half a country’s assests for private gain and still obtain the ‘international community’s’ seal of approval.  But if a government challenges the priorities of the global system in the name of
an invigorated democracy and a ultra-democratic constitution [Venezuela] and, worst of all, continues to be re-elected by its stubborn citizenry it will be vilified and attacked.”

 

tariq-ali

Tariq Ali (Lahore,  21 oktober 1943)

 

De Frans-Algerijnse schrijver en regisseur Mehdi Charef werd geboren op 21 oktober 1952 in Maghnia in Algerije. . Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008.

Uit: A bras le coeur

 

– Tu bouges encore, je te pique ! me lance ma mère.
Je sais qu’elle le ferait ; elle l’a déjà fait ! Angoissé, je me concentre sur le bout d’aiguille qu’elle va enfoncer dans ma chair, plus profondément que l’épine pour la faire sortir. La première piqûre est la plus douloureuse. Ensuite, ma mère creuse tout autour de l’épine pour l’expulser délicatement, sans me faire souffrir. Elle demande qu’on approche la lampe. Je n’ai jamais avoué à ma mère que, malgré la peur de l’aiguille,j’aime bien ce genre de situations. Un peu comme quand elle cherche des poux sur ma tête : elle s’occupe de moi, je suis au centre de ses intérêts. C’est une façon tendre d’achever une si longue journée.

(…)

Je vends beaucoup de journaux aux soldats de la caserne. Le planton de service m’attend à l’heure habituelle : il m’achète ce que ses collègues ont commandé ; l’argent est prêt, je le mets dans ma poche. Dans la grande cour en terre rouge, les récents inscrits de notre contingent suivent l’exercice. A partir de maintenant, le pas est réglé sur des ‘un dé, un dé’ en langue arabe. Une nouvelle prostitution s’est organisée derrière les barbelés qui entourent la caserne. Des souteneurs font passer la frontière à des filles qui viennent du Maroc par des sentiers de traverse. Elles tournent en rond et attendent les soldats. Elles ont l’air triste. A leurs regards, on comprend qu’elles n’attendent pas grand-chose. Putain de vie ! »

 

medhivince1

Mehdi Charef (Maghnia, 21 oktober 1952)

 

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en criticus Allen Hoey werd geboren op 21 oktober 1952 in Kingston, New York. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008.

 

At the Grave of Ezra Pound

It’s nothing special. A granite marker
set in the manicured grass, a few
flowers. The waterbus was crowded—
tourists, mostly, though few spoke
English. February wind blew
the chilly spume like spikes, a chill
that lasted under lowering skies
like the dark swirls in the glass
blown on Murano. I’d like to say
that thoughts of the great Modernist
revolution pummeled across my mind.
I’d like to say that the complex
torment of politics and art replayed
itself while I knelt to contemplate
the weathered letters, “EZRA POVND,”
but how long can you look at a chunk
of stone embedded in the earth?

 

 

 

Dark

                        It is better to go to the house of mourning
                        than to go to the house of feasting.
—Ecclesiastes 7:2

Nights grow longer, on the drive home, the window
cranked open, the air seems dark, freighted with winter’s
impending weight, but leaves rustle their October songs
and mist curls in ropes across asphalt. Deer cross
the road, grey blurs looming in the headlights too late
almost to avoid hitting them. On the side of the road
I see one lying, pull over and walk back. She’s alive,
barely, just over the ditch and only a few yards
short of where the woods begin. So close, almost
there, a second, a simple second, one way or the other
she would’ve made it, woods, freedom, the chance
to browse more leaves, whatever—I’m lost in the deer’s
life as I can only imagine it—her forelegs kick
desperately, weakly among the grass and weeds, her neck
arched, eyes glowing fear, but she’s completely
broken, dead except for her beating heart and crackling
brain, under the cold roof of stars, among the wisps
of ground fog, her sides still heaving, I go back
to the car and get the tire iron from the trunk and I
do what, in praise, in glory, in all abiding, has to be done.

 

hoey

Allen Hoey (Kingston,  21 oktober 1952)

 

De Griekse dichter en schilder Nikos Engonopoulos werd geboren op 21 oktober 1907 in Athene. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2008.

BOLIVÁR   (Fragment)

A Greek Poem

        THEY SAW AN APPARITION OF THESEUS IN ARMS, RUSHING
ON AT THE HEAD OF THEM AGAINST THE BARBARIANS

Le cuer d’ un home vaut tout l’ or d’ un pais

For the great, the free, the brave, the strong,
The fitting words are great and free and brave and strong,
For them, the total subjection of every element, silence, for
them tears, for them beacons, and olive branches, and
the lanterns
That bob up and down with the swaying of the ships and scrawl
on the harbours’ dark horizons,
For them are the empty barrels piled up in the narrowest lane,
again of the harbor,
For them the coils of white rope, the chains, the anchors, the
other manometers,
Amidst the irritating smell of petroleum,
That they might fit out a ship, put to sea and depart,
Like a tram setting off, empty and ablaze with light, in the
nocturnal serenity of the gardens,
With one purpose behind the voyage: ad astra.

For them I’ll speak fine words, dictated to me by Inspiration’s
Muse,
As she nestled deep in my mind full of emotion
For the figures, austere and magnificent, of Odysseus
Androutsos and Simon Bolivar.

But for now I’ll sing only of Simon, leaving the other for an
appropriate time,
Leaving him that I might dedicate, when the time comes,
perhaps the finest song that I’ve ever sung,
Perhaps the finest song that’s ever been sung in the whole
world.
And this not for what they both were for their countries, their
nations, their people, and other such like that fail to
inspire,
But because they remained throughout the ages, both of them,
alone always, and free, great, brave and strong.

 

nikos-engonopoulos

Nikos Engonopoulos (21 oktober 1907 – 31 oktober 1985)

De Ierse dichter Patrick Kavanagh werd geboren op 21 oktober 1904 in County Monaghan. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008.

 

 

Advent

 

We have tested and tasted too much, lover-

Through a chink too wide there comes in no wonder.

But here in the Advent-darkened room

Where the dry black bread and the sugarless tea

Of penance will charm back the luxury

Of a child’s soul, we’ll return to Doom

The knowledge we stole but could not use.

 

And the newness that was in every stale thing

When we looked at it as children: the spirit-shocking

Wonder in a black slanting Ulster hill

Or the prophetic astonishment in the tedious talking

Of an old fool will awake for us and bring

You and me to the yard gate to watch

the whins

And the bog-holes, cart-tracks, old stables where Time begins.

 

O after Christmas we’ll have no need to go searching

For the difference that sets an old phrase burning-

We’ll hear it in the whispered argument of a churning

Or in the streets where the village boys are lurching.

And we’ll hear it among decent men too

Who barrow dung in gardens under trees,

Wherever life pours ordinary plenty.

Won’t we be rich, my love and I, and

God we shall not ask for reason’s payment,

The why of heart-breaking strangeness in dreeping hedges

Nor analyse God’s breath in common statement.

We have thrown into the dust-bin the clay-minted wages

Of pleasure, knowledge and the conscious hour-

And Christ comes with a January flower.

 

 

kavanaghsm

Patrick Kavanagh (21 oktober 1904 – 30 november 1967)
Standbeeld bij het Grand Canal, Dublin

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse de Lamartine werd geboren op 21 oktober 1790 in Mâcon. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008.

 

L’Occident

 

… Et l’astre qui tombait de nuage en nuage,
Suspendait sur les flots son orbe sans rayon,
Puis plongeait la moitié de sa sanglante image,
Comme un navire en feu qui sombre à l’horizon ;

Et la moitié du ciel pâlissait, et la brise
Défaillait dans la voile, immobile et sans voix,
Et les ombres couraient, et sous leur teinte grise
Tout sur le ciel et l’eau s’effaçait à la fois ;

Et dans mon âme aussi pâlissant à mesure,
Tous les bruits d’ici-bas tombaient avec le jour,
Et quelque chose en moi, comme dans la nature,
Pleurait, priait, souffrait, bénissait tour à tour ! …

Ô lumière ! où vas-tu ? Globe épuisé de flamme,
Nuages, aquilons, vagues, où courez-vous ?
Poussière, écume, nuit ; vous, mes yeux ; toi, mon âme,
Dites, si vous savez, où donc allons-nous tous ?

À toi, grand Tout, dont l’astre est la pâle étincelle,
En qui la nuit, le jour, l’esprit vont aboutir !
Flux et reflux divin de vie universelle,
Vaste océan de l’Etre où tout va s’engloutir !

 

lamartine

Alphonse de Lamartine (21 oktober 1790 – 28 februari 1869)

 

De Engels dichter en criticus Samuel Taylor Coleridge werd geboren op 21 oktober 1772 in Ottery St. Mary, Devonshire. Zie ook mijn blog van 21 oktober 2006 en ook mijn blog van 21 oktober 2008.

 

The Pains of Sleep

 

Ere on my bed my limbs I lay,

It hath not been my use to pray

With moving lips or bended knees ;

But silently, by slow degrees,

My spirit I to Love compose,

In humble trust mine eye-lids close,

With reverential resignation,

No wish conceived, no thought exprest,

Only a sense of supplication ;

A sense o’er all my soul imprest

That I am weak, yet not unblest,

Since in me, round me, every where

Eternal Strength and Wisdom are.

 

But yester-night I prayed aloud

In anguish and in agony,

Up-starting from the fiendish crowd

Of shapes and thoughts that tortured me :

A lurid light, a trampling throng,

Sense of intolerable wrong,

And whom I scorned, those only strong !

Thirst of revenge, the powerless will

Still baffled, and yet burning still !

Desire with loathing strangely mixed

On wild or hateful objects fixed.

Fantastic passions ! maddening brawl !

And shame and terror over all !

Deeds to be hid which were not hid,

Which all confused I could not know

Whether I suffered, or I did :

For all seemed guilt, remorse or woe,

My own or others still the same

Life-stifling fear, soul-stifling shame.

 

So two nights passed : the night’s dismay

Saddened and stunned the coming day.

Sleep, the wide blessing, seemed to me

Distemper’s worst calamity.

The third night, when my own loud scream

Had waked me from the fiendish dream,

O’ercome with sufferings strange and wild,

I wept as I had been a child ;

And having thus by tears subdued

My anguish to a milder mood,

Such punishments, I said, were due

To natures deepliest stained with sin,–

For aye entempesting anew

The unfathomable hell within,

The horror of their deeds to view,

To know and loathe, yet wish and do !

Such griefs with such men well agree,

But wherefore, wherefore fall on me ?

To be beloved is all I need,

And whom I love, I love indeed.

 

samuel_taylor_coleridge_tshirt

Samuel T. Coleridge (21 oktober 1772 – 25 juli 1834)
Coleridge op modern t-shirt

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 21 oktober 2008.

 

De Duitse schrijver en criticus Martin Roda Becher werd geboren in New York op 21 oktober 1944.