Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Szilárd Borbély, Ilse Aichinger, Jean-Simon DesRochers, Stefaan van Laere, Hermann Broch, Jean Tardieu

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952. Zie ook alle tags voor Job Degenaar op dit blog.

De treinreis

Grauwe middag en de trein snelt voort,
hoopjes sneeuw liggen onttoverd
langs de baan –

tegenover mij neemt ze plaats, en inderdaad
zo in de ruit onder het pasgeboren licht
ontwaakt ze, wordt ze onweerstaanbaar

mythisch als haar hoofd over de velden
raast, oplichtend bij ’t verzitten, een
messias op verkenning in het avondland

 

Verlies van landschap

Wat had ik je lief, mooie vrouw,
je polyfonie van oktoberlichtval,
als herfst je weiden bedauwde, je
lichaam de naglans droeg van zomers

En nu? Een raadsel ben je, gebrekkig
decor voor de chaos van een geest

Ik sta voor het raam en zie je
als in een vertraagde film,
je lichaam scheef in een rolstoel

In mij sterven de tuinen
Een weggegroeid kind duwt je
de oude lanen door

 

Maart en knikkers

Verraden door de winter
die onverwacht verdween
verbrokkelt de marmeren vijver
en stroomt met wolken vol

In struiken waar, tussen resten
van vorig leven, al wat groenigs lekt,
ligt verwilderd, haast van hout weer,
een waaier van kranten uit oktober

Langs tochthoeken botsen
knikkers met eeuwigheid

 
Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en essayist Rudy Kousbroek werd op 1 november 1929 in Pematang Siantar in Indonesië geboren. Zie ook alle tags voor Rudy Kousbroek op dit blog.

Uit: Bestaan er gradaties in het geloof?

“Er zijn in de wereld nog altijd massa’s mensen die geloven. Zijn daar gradaties in mogelijk? Is geloof quantificeerbaar? Dat is een vraag die zich voordoet in deze tijd, nu steeds meer mensen zich niet langer op een van de gevestigde godsdiensten beroepen en in plaats daarvan volstaan met de belijdenis: ‘er moet toch “iets” zijn’.
Op de vraag wat dit ‘iets’ dan wel inhoudt komt meestal geen duidelijk antwoord, maar wat er in alle gevallen mee bedoeld wordt is dat de wereld ‘uit meer bestaat dan alleen het stoffelijke’. Een coherente religie kun je het niet noemen, het is meer een metafysische grabbelton. Zo is uit recent onderzoek gebleken dat in Nederland, zowel onder kerkelijken als onkerkelijken, één op de vier mensen in engelen en gebedsgenezing gelooft, en bijna de helft in wonderen. Ook blijkt van tijd tot tijd dat de letter van het Christendom de mensen meer en meer onbekend is. Nog onlangs werd een 17de-eeuwse gevelsteen in een veelgelezen krant als volgt beschreven: ‘Een kleurige gedenksteen beeldt het bijbelse verhaal uit waarin een jongetje wordt gered door een walvis’. Het is kortom religie zoals beleden door analfabeten, met aanvullingen afkomstig uit allerlei populair bijgeloof (occultisme, zielsverhuizing, astrologie, wedergeboorte etc.).
Dat is dus grosso modo waar het over gaat als er sprake is van ‘een beetje geloven’ of ‘ietsisme’. De vraag is dan of mensen met deze opvattingen, hoe vaag ook, gezien moeten worden als gelovigen. Volgens mij is daar geen twijfel aan. Sinds jaar en dag heb ik betoogd dat ‘een beetje geloven’ een vorm is van geloof en niet van ongeloof; ook een beetje geloven is geloven, schreef ik, ‘zoals een beetje zwanger zwanger is’.
Over deze uitspraak is nogal wat te doen geweest en van tijd tot tijd laait het vuur weer op. ‘Volgens Rudy Kousbroek,’ schreef Ger Groot in De Groene Amsterdammer, ‘kun je niet een beetje geloven. Toch is “een beetje geloven” precies wat katholieken altijd hebben gedaan.’
Het merkwaardigste van deze discussie is dat de door mij gebruikte metafoor door iedereen die het er niet mee eens is wordt opgevat als een ontkenning: ‘volgens K kun je niet een beetje geloven’, ‘K zegt een beetje geloven kan niet’. ‘K ontkent dat er verschillende manieren van geloven zijn’.


Rudy Kousbroek (1 november 1929 – 4 april 2010)

 

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog.

Psalm van David

Jonatan mijn broeder uw borst heeft mij bewogen
de tempel van uw tanden de vlam van uw handen
uw lichaam uw liefde uw hart in uw lijf
– mijn hart in uw handen mijn broeder mijn geliefde

uw liefde van verre van boven
uw lichaam gekust en verkregen
uw ziel zo begeerd ik sta verlegen
om uw schoonheid mijn broeder mijn geliefde

gij zult mij vrij maken gij zijt
mij zozeer als mijn leven
geliefde waar zijt
gij gebleven

 

Woord en vriend

Men vindt eenmaal een woord
men wordt eenmaal gehoord
en andermaal verstaan –
dan heeft men afgedaan.

Men wordt eenmaal bemind
men wordt eeuwig, men vindt
eenmaal een vriend, men maait
wat men niet heeft gezaaid.

Dan nooit meer. men heeft
alles gezien. men leeft
voorgoed in duisternis.
Maar men weet wie men is.

 
Huub Oosterhuis (Amsterdam, 1 november 1933)

 

De Hongaarse dichter, schrijver, vertaler en letterkundige Szilárd József Borbély werd geboren op 1 november 1963 in Fehérgyarmat. Zie ook alle tags voor Szilárd Borbély op dit blog.

Uit: Die Mittellosen (Vertaald door Heike Flemming en Lacy Kronitzer)

»Warum haben sie es weggenommen ?«, frage ich, um etwas zu fragen. Damit sie mit mir spricht. Doch sie antwortet nicht.
Ich frage sie erneut, weil die Stille nicht gut ist. Sie gebiert Angst. Schnüffelt an einem herum wie ein Hund. Hat keine Stimme, taucht plötzlich auf, geräuschlos. Lauert einem immer auf. Er tut dir nichts. Schmiegt sich heimtückisch an dich. Verharrt in deiner Nähe. Doch zuvor entscheidet er, ob er es mit einem Dieb zu tun hat. Man muss dann warten, bis sein Herrchen auftaucht und die Stille, die in den unteren Ästen des Baumes hockt, aufschreckt. Der Ton lässt sie davonfliegen. Und der Hund verzieht sich hinter den Rücken seines Herrchens.
Die Bauern hassen die Herren«, sagt sie, »aber sie hassen auch einander.«
»Sind die Alecskas keine Bauern ?«, frage ich.
»Sie waren es nie. Sie kamen aus Szlatina. Wir sind nicht so wie die hier. Kotzt ein Bauer das Essen aus, frisst es sofort der andere, damit nichts umkommt«, sagt Mutter. Und sie spuckt aus. Meine Mutter kann eigentlich nicht so gut spucken. Spucken muss man geradeaus. Scharf. Mutter spuckt nur zwanghaft wegen des Brechreizes. Weil sich ihr der Magen umdreht. Sie hat einen bitteren Geschmack im Mund. Die Säure beißt sie. Aber sie hat nichts zum Ausspucken. Die Männer können richtig spucken. Scharf, kräftig. Gelb, schleimig. Man kriegt es kaum weg, wenn es getrocknet ist. Es kommt wahrscheinlich vom Tabak.
»Die hier sind allesamt Bauern, zu jeglicher Verschwendung unfähig. So wie sie auch nicht träumen können. Wenn sie merken, dass ein Kind träumt, lassen sie es so lange nicht schlafen, bis es sich das Träumen abgewöhnt hat. Die Großen verheimlichen es, aber irgendwann kommt es doch heraus. Dann werden sie gewissen sofort, was zu tun ist.
Man muss es dem Kind abgewöhnen, sagen sie.
Und dann, wenn es schon sehr müde ist und sie es vergeblich schütteln und nicht aufwecken können, schaffen sie eine schwarze Katze herbei. Sie muss schwarz sein, das ist wichtig. Mit dem Katzenjungen geht es am besten. Sie nähen die Katze in ein enges Säckchen, damit sie nicht zappelt, und schlagen sie neben dem schlafenden Kind tot …«
»Das ist nicht wahr, oder ?«, frage ich meine Mutter.
»Doch, sicher ist es wahr. Und sie beeilen sich dabei nicht, machen es ganz sachte. Weil die Bauern alles gemächlich machen. Gleichgültig. So schlagen sie auch die schwarze Katze tot. Langsam, mit gelangweiltem Gesicht. Lustlos wie bei der Arbeit. Sie müssen es. Weil sie keine Freude mögen. Die Freude nach einer gelungenen Arbeit. Sie kennen das nicht. Sie wollen, dass das schlafende Kind nicht aufwacht, aber die Qual der Katze hört. Damit die Todesangst des Tieres in das Kind übergeht.«quält, bis man sie gebrochen hat. Die Großen verheimlichen es. Aber die Kinder plaudern es noch unvorsichtig aus.”


Szilárd Borbély (1 november 1963 – 19 februari 2014)

 

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

Uit: Das vierte Tor

“Die Tramway fährt so schnell daran vorbei, als hätte sie ein schlechtes Gewissen, und verschwindet rot und glänzend im Dunst der Ebene. So bleibt denjenigen, die es suchen, keine andere Wahl, als beim dritten Tor schon auszusteigen und mit schnellen Schritten die kleine Mauer entlang zu gehen, verfolgt von den neugierigen Blicken der Menschen, die vergessen haben, daß es ein viertes gibt. Nur wenige suchen es! Wohin führt das vierte Tor?
Fragen Sie doch die Kinder mit den scheuen klugen Gesichtern, die eben – beladen mit Reifen, Ball und Schultasche – von der letzten Plattform abgesprungen sind. Sie tragen keine Blumen in den heißen Händen und sind nicht geführt von Vater, Mutter und Großtante, wie andere Kinder, die man behutsam zum erstenmal einweiht in das Mysterium des Todes! Nicht wahr – das erschüttert Sie ein wenig und Sie fragen neugierig: „Wohin geht ihr?“ „Wir gehen spielen!“ „Spielen! Auf den Friedhof? Warum geht ihr nicht in den Stadtpark?“ „In den Stadtpark dürfen wir nicht hinein, nicht einmal außen herum dürfen wir gehen!“ „Und wenn ihr doch geht?“ „Konzentrationslager“ sagt ein kleiner Knabe ernst und gelassen und wirft seinen Ball in den strahlenden Himmel. Sie frösteln und haben plötzlich ein leises beklemmendes Gefühl in der Herzgegend, fast bereuen Sie es, gefragt zu haben! Doch ein unerklärliches Etwas zwingt Sie, die Unterhaltung fortzusetzen: „Ja, habt ihr denn gar keine Angst vor den Toten?“ „Die Toten tun uns nichts!“ Sie wollten noch etwas fragen, aber steht nicht dort an der Ecke ein Mensch im hellgrauen Anzug und beobachtet Sie? Könnte es Ihnen nicht schaden, mit diesen Kindern hier gesehen zu werden? Sicher ist es besser, vorsichtig zu sein! Sie verabschieden sich also schnell und wenden sich um. Vielleicht gelingt es Ihnen, Ihre Herzbeklemmungen loszuwerden? . . .
Auf dem jüdischen Friedhof blüht der Jasmin, strahlend weiß und gelassen und wirft Wolken von Duft in das flirrende Licht der Sonne. Er blüht restlos und hingegeben, ohne Angst, Haß und Vorbehalt, ohne die traurigen Möglichkeiten des Menschlichen. Über die Gräber wuchern Sträucher und Blattpflanzen, die niemand mehr pflegt, ranken sich rund um den Stein, beugen sich tief hernieder und zittern leicht in der Wärme des Mittags, so als wären sie sich der Berufung bewußt, Zeugen einer Trauer zu sein, die in alle Winde verweht wurde, einer unnennbar schweren erschütternden Trauer, der Trauer der Verstoßenen! Und wachsen und wachsen wild und unaufhaltsam wie das Heimweh der Emigranten in Schanghai, Chicago und Sydney, wie die letzte Hoffnung der Verschleppten, wie der letzte Seufzer der Getöteten und verbergen mitleidend die eingesunkenen Hügel. Gelassen liegen die Toten unter den zerfallenden, überwucherten Steinen. Ganz selten nur hört man das Knirschen von Schritten auf Kies, das Geräusch des Grasschneidens oder das leise Weinen Hinterbliebener.”


Ilse Aichinger (1 november 1921 – 11 november 2016)

 

De Canadese schrijver Jean-Simon DesRochers werd geboren op 1 november 1976 in Montréal, Québec, Canada. Zie ook alle tags voor Jean-Simon DesRochers op dit blog.

Uit: Les inquiétudes

“L’idée venait de sa femme. «On peut pas laisser le plancher de même, voyons, Alex, c’est plein de rayures pis de marques… C’est laitte. » Xavier passe une fois de plus devant la maison, il roule à pleine vitesse, le front bas, comme s’il voulait battre un record. Alexandre se souvient des affiches collées aux murs. Des joueurs de hockey, des légendes.
Gretzky, Lemieux, Savard, Coffey, Kurri, Tretiak. Ses idoles de papier. Il repense à cette partie qu’il avait jouée sachant que Denis Savard était dans les gradins. Il avait marqué deux fois. Des buts de gros ouvrage. Des rondelles récupérées dans le coin à coups d’épaules et de coudes, rien d’élégant.
Alexandre n’était pas ce type de joueur.
L’horloge au mur indique dix-huit heures. Diane devrait arriver dans quelques instants. D’une main lente, Alexandre clique sur le dossier où sont stockés les photos et les extraits de presse de sa dernière saison, il y a quatre ans. L’uniforme noir, violet, gris et blanc des Royals de Reading, les articles du journal local, ses bonnes parties, ses bagarres, ses deux entrevues, sa blessure au genou. Au-delà des images, il y a les souvenirs plus nets, ce bruit d’os qui craque, celui de sa carrière qui prend fin sans prévenir. Son cri, la surface de la glace à peine entamée, le silence dans l’aréna vide aux deux tiers. Le verrou de la porte principale glisse.
Alex? T’es là? Xavier? T’es où, mon grand?
Y fait le tour du bloc en bicycle.
Ah. On mange quoi?
D’la pizz.
Encore? Maudit, Alex… J’essaye de maigrir.
Alexandre recule sa chaise à roulettes jusqu’au couloir.
Sa femme accroche son manteau à un crochet mal vissé. Elle porte un tailleur acheté le printemps dernier, lors d’une vente de fin de saison. Une maille file à l’un de ses bas.”

 
Jean-Simon DesRochers (Montréal, 1 november 1976)

 

De Belgische dichter en schrijver Stefaan van Laere werd geboren op 1 november 1963 in Wetteren. Zie ook alle tags voor Stefaan van Laere op dit blog.

Uit: Man genoeg om vrouw te zijn. Een leven in travestie

“6 januari 2003. Ik heb net een documentaire gezien over oud-artiesten in Barcelona en krijg ineens een onbehaaglijk gevoel dat me helemaal van streek maakt. Hoelang zal het duren voor ik zelf een van die zielige artiesten word die het net niet gered hebben en die vol nostalgie naar vervlogen tijden krampachtig hun lang vervlogen status proberen hoog te houden?
Wacht ook op mij een roemloos einde op een sjofel podium in een achterafzaaltje, enkel nog toegejuicht door al even meelijwekkende collega’s van weleer, die enkel applaudisseren om de waarheid niet onder ogen te moeten zien?
De tijd in showbizzland gaat snel. Voor je het weet raak je overvleugeld door een nieuwe generatie die nóg gretiger is, en de weg bergaf gaat razendsnel. Ik heb ze zien komen en gaan, de jonge snaken met talent, hoop en kracht die de wereld zouden veroveren. Velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren. De weg naar de top loopt langs grillige bochten en ravijnen, bezaaid met vele verlokkingen. Slechts een handjevol maakt het echt in de keiharde wereld van glitter en glamour.
Hoe vaak heb ik niet in een kleedkamer in een of ander godvergeten gat voor de spiegel naar mijn gezicht zitten kijken, me afvragend hoe lang ik het nog zou volhouden. Met eyeliner proberend mijn gelaat wat terug te geven van de jeugd die ik na zovele jaren leven buiten het zonlicht voorgoed verloren ben. Lachend alsof ik nog in schone schijn geloof, terwijl de lach vanbinnen allang verstomd is en ik niet meer in de spiegel durf kijken, bang als ik ben voor de diepe plooien in mijn wangen die mijn grimas met zich mee brengt.
Zeker, ik speel op de bühne nog steeds de altijd goedgeluimde travestiester, al geloof ik er zelf niet meer in.
Ik heb op grote podia gezongen en gedanst, geflankeerd door beroemdheden. Ik ben afwisselend geprezen, verguist en begeerd, maar om een of andere reden is het allemaal aan me voorbijgegaan. Waar anderen genieten van hun welverdiend succes vond ik het maar normaal, niet echt beseffend dat een leven in de spotlights een schijnbestaan is.
Ik begon in kleine cafés en werkte me op naar vooraanstaande nightclubs en theaters. Op het eerste gezicht een weloverwogen carrièreplanning, maar het is me allemaal overkomen. Vele jonge mensen dromen van een loopbaan zoals de mijne, maar die droom is leuker dan de realiteit.”

 
Stefaan van Laere (Wetteren, 1 november 1963)
Cover

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Hermann Broch werd op 1 november 1886 in Wenen geboren. Zie ook Zie ook alle tags voor Hermann Broch op dit blog.

Uit: Der Tod des Vergil

“Blattwehendes und Schmetterlingswehendes, vieles pfeilartig, vieles gabelschwänzig, vieles mit langen Peitschenschwänzen, vieles so durchsichtig, daß es bloß unsichtbar-stumm gleich schweigenden Schreckensrufen umherflog, manches dagegen bloß harmlos und einem blöd-durchsichtigen Lächeln gleichend, das sonnenstäubchenhaft vervielfacht, mückenhaft unbekümmert leer umherschwärmte, den Kandelaber in des Raumes Mitte umtanzte, an den erloschenen Kerzen nippte, freilich sofort wieder durch Nachstürmendes, Nachsausendes, Nachtanzendes verdrängt und weitergedrängt, das Hohlgedränge der Gestaltlosigkeit, in dem neben Gesicht und Ungesicht, neben zwiegestalteten Szyllen und seltsamen Robben und gesträubten Hydren, neben blutig einhersausenden, blutig umbänderten Köpfen zerflattert zerschlängelten Haares, sich allerlei Verwachsenes tummelte, sausend allerlei Bekörpertes und Befußtes, allerlei Behuftes, kleinverkümmerte oder unfertige Zentauren und Zentaurenreste, geflügelte und ungeflügelte; es barst der orkusgeschwängerte Raum vor Fratzengetier, Krötiges und Eidechsiges und Hundspfötiges tauchte auf, Gewürm unbestimmbarer Beinzahl, beinlos, einbeinig, zweibeinig, dreibeinig, hundertbeinig, oftmals zappelschrittig im Bodenlosen, oftmals beingestreckthölzern, steifgestreckt dahinsegelnd, oftmals eng aneinandergepreßt, als wollten sie sich, bei aller Geschlechtslosigkeit, fliegend begatten, oftmals einander pfeilgeschwinde durchdringend, als wären sie durchlässiger Äther, als wären sie Äthergeschöpfe, äthergeboren und äthergetragen, wahrhaftig, das waren sie, da ihr übereinanderkollerndes, übereinanderkriechendes, übereinanderpurzelndes Fliegegewühl, obwohl sie einander verdeckten und überdeckten, bis zu den letzten Grenzen des mit ihnen vollgepackten Raumes und bis in die letzten Einzelheiten mühelos vom Blicke erhascht und erfaßt werden konnte, oh, sie waren das ätherbeschuppte, ätherbefiederte Äthergezücht aus dem Vulkan der Äonen, stoßweise emporgeworfen, sturzartig, flutartig, immer wieder verdampfend, immer wieder verflüchtigt, so daß immer wieder der Raum leer wurde, sphärenleer und leer wie das Weltall, nur noch durchtrabt von einem einsamen Roß, das gesträubter Mähne hoch in der Luft vorüberstampfte, nur noch durchschwebt von einem einsamen Mannstorso, dessen flachdurchsichtiges Gesicht, bettwärts gekehrt, sich zu einem leeren höhnischen Spiegellachen verzerrte, ehe es von der neuanschwellenden Ungezieferflut des Grauens wieder überschwemmt wurde -, und keines dieser Geschöpfe atmete, denn in der Vorgeborenheit gibt es keinen Atem; zur Furienkammer war das Gemach geworden, und es bot Raum für das ganze Grauengeschehen, obschon dieses unaufhaltsam weiter wuchs:…”


Hermann Broch (1 november 1886 – 30 mei 1951)
Cover

 

De Franse dichter en schrijver Jean Tardieu werd geboren op 1 november 1903 in Saint German de Joux. Zie ook alle tags voor Jean Tardieu op dit blog.

III Meneer meneer aan zee

Een dag aan zee zaten
Meneer en Meneer in hun eentje
rustig te praten,
ze aten een appel
en keken naar de lucht.

– Kijk toch, zegt een van hen:
Het Aangename Niets!
En wat een zalige rust
nu in de onmetelijke
afgrond dingen en mensen
als vanzelf ontgrenzen!
Voor wie op God gelijkt
zijn de dagen, de een na
de ander, niet meer van node.

– Daar gaat het niet om
Meneer (antwoordt Meneer):
wij zijn slechts schimmen.
Kijk: de totaliteit
van de grote Eenheid
is ons ontzegd en dus
onttrekken wij ons
eraan door hoeveelheid.
En wij maar optellen,
en wij maar oppotten!
Zo is verscheidenheid
op deze aarde voor ons
een bittere noodzaak.
Kijk die vis
die geen vogel is
die geen appel is
die geen walvis is
die geen schip is…

– Ach, voor mijn gevoel,
valt Meneer in de rede,
zijn voor het oog van
de eeuwigheid walvis
en appel gelijk.

Bij deze woorden steekt de wind op
en nemen hun hoeden de vlucht
en de twee personages
in de mooie, blauwe lucht
lossen eensklaps op.

 

Vertaald door Rein Bloem


Jean Tardieu (1 november 1903 – 27 januari 1995)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e november ook mijn blog van 1 november 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en ook mijn blog van 1 november 2009.

Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Szilárd Borbély, Ilse Aichinger, Jean-Simon DesRochers, Stefaan van Laere, Hermann Broch, Jean Tardieu

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952. Zie ook alle tags voor Job Degenaar op dit blog.

Hij is zo’n zomerdromer

Hij is zo’n zomerdromer
hij wil je welvingen bezingen
je hand die in zijn nanacht streelt

Als lijnzaad ritselt in cocons, vlas
in schoven bijeen ligt, de zeelucht
vlugschriften van augustus aanvoert

rookt hij in zijn tuin een cigarillo
en wacht, terwijl de wind
snuffelt in z’n broekspijpen

Nog voor de zee verherfst, kil
als visschubben wordt, sta je
uit zijn waas van woorden op

 

Vooruitzicht

De dag komt dat je het brood laat staan
de deur sluit, de lamp uitdoet, je windsels
als voorbije beloften aflegt
en de laatste gedachten schrapt

dat de spiegel, liefste, langzaam dooft
de wereld zich in je oplost, het nacht wordt
zoals het nooit nacht geweest is en je
misschien ontwaakt in het lichtste licht

En mocht jij van ons daar eerder zijn
weet dat eens de tijd ook mij zal duwen
over de drempel, met beter vooruitzicht
weliswaar: de zachte landing in jouw armen

 
Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

Doorgaan met het lezen van “Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Szilárd Borbély, Ilse Aichinger, Jean-Simon DesRochers, Stefaan van Laere, Hermann Broch, Jean Tardieu”

Dolce far niente, Franz Alfred Muth, Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis

Dolce far niente – Bij Allerheiligen

 

 
Allerheiligen 1 door Wassily Kandinsky, 1911

 

Allerheiligen

Selig, selig sind die Kindlein
Ohne Arg und Falsch, die reinen,
Selig Alle, die noch können
Kindlich jubeln, kindlich weinen,
Selig sind die Kinderherzen,
Ob die Erde auch voll Schmerzen!

Selig, selig alle Herzen
Arm und töricht vor der Erden,
Sie, die lieben Weh und Schmerzen,
Die sich freuen in Beschwerden;
Sel`ge Thorheit vor der Erden,
Ew`ge Weisheit wird dir werden.

Heil`ge Armut, die in Freuden
Alles für den Herrn gegeben,
O was reiche Seligkeiten
Werden dein im andern Leben!
Droben gibt es Edelsteine,
Diese Welt, sie hat ja keine.

Wer verfolgt, gehaßt auf Erden
Um der ew`gen Wahrheit willen,
Selig, selig wird er werden,
Gott wird schon die Tränen stillen.
Wie`s nicht ahnen mag die Erden,
Muß er selig, selig werden.

Alles wird der Herr vergelten,
Was wir litten, was wir stritten,
Seinen Duldern, seinen Helden
In des Himmels ew`gen Hütten:
Wie`s nicht ahnen kann die Erden,
Werden alle selig werden.

Und auch du mußt selig werden,
Ob im Kampfe, ob im Dulden;
Auf das Herz von dieser Erden,
Auf aus deiner Sünden Schulden!
Willst du hoffen, lieben, sehnen,
Selig, selig unter Tränen!

 
Franz Alfred Muth (13 juni 1839 – 3 november 1890)
Hadamar met slot. Franz Alfred Muth werd geboren in Hadamar.

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Franz Alfred Muth, Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis”

Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Hermann Broch

De Nederlandse dichter Job Degenaar werd geboren in Dubbeldam op 1 november 1952. Zie ook alle tags voor Job Degenaar op dit blog.

Bij het ouder worden

zo broos jonge baksteen
in een wei vol ervaring, zo
leeg nog de ramen, de koeien
keken daar dwars doorheen

vader, jouw huis is gaan leven
toen de veestapel verdween
en het gras

zo wit is het nu, zo rood
de rozen, met plukjes vacht nog
aan het prikkeldraad

soms vind je tussen de struiken
een poppenarm, een lekke bal
of ’t ruikt er weer naar jongenspies

dichtgegroeid tegen de buitenwereld
wordt ’t weer vroeger, maar omgekeerd:
de wei het huis en wij verweid

om het huis wiegen nu de populieren,
duwen de katten hun rug
in je hand

 

Nachtzang

De dag laten voorbijgaan tot het
avond werd en in de fruitschaal
de vergeten mandarijn ontaardde

in de verte gloeide de stad, zich
ontstekend aan zichzelf

wat leefde in de beijsde weiden
kroop in cocons, zette stekels
tegen de sterren op

Alleen de hemeljagers van diamant
geluidloos snijdend in het graniet
namen ons mee, losten ons op

Tot de morgen brood en woorden
aandroeg, als vogels takjes

 
Job Degenaar (Dubbeldam, 1 november 1952)

Doorgaan met het lezen van “Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Huub Oosterhuis, Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Hermann Broch”

80 Jaar Huub Oosterhuis, Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Ilse Aichinger

80 Jaar Huub Oosterhuis

De Nederlandse priester, theoloog en dichter Huub Oosterhuis werd geboren in Amsterdam op 1 november 1933. Huub Oosterhuis viert vandaag zijn 80e verjaardag. Zie ook alle tags voor Huub Oosterhuis op dit blog en  ook mijn blog van 1 november 2010

 

 

Tijd van leven

 

Tijd van vloek en tijd van zegen

tijd van droogte tijd van regen

dag van oogsten tijd van nood

tijd van stenen tijd van brood.

Tijd van liefde, nacht van waken

Uur der waarheid dag der dagen

Uur de waarheid dag der dagen

Toekomst die gekomen is

woord dat vol van stilte is.

 

Tijd van troosten tijd van tranen

tijd van mooi zijn tijd van schamen

tijd van jagen nu of nooit

van hopen dat nog ooit.

Tijd van zwijgen zin vergeten

van nergens blijven niemand weten

tijd van kruipen angst en spijt

zee van tijd en eenzaamheid.

 

Wie aan dit bestaan verloren

nieuw begin heeft afgezworen

wie het houdt bij wat hij heeft

sterven zal hij ongeleefd.

Tijd van leven om met velen

Brood en ademtocht te delen

wie niet geeft om zelfbehoud

leven vindt hij honderdvoud.

 

 

 

Lied aan het licht

 

Licht dat ons aanstoot in de morgen, voortijdig licht waarin wij staan.

koud, één voor één, en ongeborgen, licht overdek mij, vuur mij aan.

Dat ik niet uitval, dat wij allen zo zwaar en droevig zijn

niet uit elkaars genade vallen en doelloos en onvindbaar zijn.

 

Licht, van mijn stad de stedehouder, aanhoudend licht dat overwint.

Vaderlijk licht, steevaste schouder, draag mij, ik jouw kijkend kind.

Licht, kind in mij, kijk uit mijn ogen of ergens al de wereld daagt

waar mensen waardig leven mogen en elk z´n naam in vrede draagt.

 

Alles zal zwichten en verwaaien wat op het licht niet is geijkt.

Taal zal alleen verwoesting zaaien en van ons doen geen daad beklijft.

Veelstemmig licht, om aan te horen zolang ons hart nog slagen geeft.

Liefste der mensen, eerstgeboren licht, laatste woord van Hem die leeft.

 

 

 

Zijn onvergankelijk testament

 

Zijn onvergankelijk testament:
Dat Hij ons in de dood nog kent
de dagen van ons leven
ten dode opgeschreven
ten eeuwig leven omgewend.

 

 

 

Huub Oosterhuis (Amsterdam, 1 november 1933)

Doorgaan met het lezen van “80 Jaar Huub Oosterhuis, Job Degenaar, Rudy Kousbroek, Ilse Aichinger”

Allerheiligen, Gaston Burssens, Job Degenaar, Stefaan van Laere, Rudy Kousbroek

Bij Allerheiligen

 

Allerheiligen, Fra Angelico, 15e eeuw, National Gallery, Londen

 

Allerheiligen

De rosse blaren van de najaarsbomen
beleggen ’t macadam met gouden zomen.
Er dwaalt een blijde stemming in de stad
van wemelende mensen, weeldezat.
De zon met gouden draden, fijn als rag
spint haar kleed voor allerheiligendag.
Ach kind er hangt
een waas van weemoed over!
zie jij ’t dan niet?
De glans van zon en lover
is niet zo helder als je meisjeslach;
‘t is immers morgen allerzielendag!
Voel jij niet dat in elke vreugde trilt
het leed om ‘t niet bezit van wat je wilt?
Het leed om ’t niet-bezit van je verlangen,
Zo dat de zon half
in de mist blijft hangen.

 

Gaston Burssens (18 februari 1896 – 29 januari 1965)

Doorgaan met het lezen van “Allerheiligen, Gaston Burssens, Job Degenaar, Stefaan van Laere, Rudy Kousbroek”

Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Rudy Kousbroek, Hermann Broch, Aras Ören

De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ilse Aichinger werd met haar tweelingzusje Helga geboren op 1 november 1921 in Wenen. Zie ook mijn blog van 1 november 2010 en eveneens alle tags voor Ilse Aichinger op dit blog.

 

Seegasse

Die Arche Noah ist auf dem Kanal vorbeigefahren. Der Neger, der vor dem Stacheldraht den Wagen

seines Kommandanten bewachte, hat sie gesehen. Er erkannte sie an der weißen Gans,

die obenauf saß und mit den Flügeln schlug, aber er hat nichts gesagt.

Die kleinen Bälle springen noch auf dem flachen Dach, aber die alte Frau, die in dem Bett am Fenster

lag, ist nicht mehr da. Wem sollen wir erzählen, daß wir in einem neuen Orden sind? Die Straße, die

zum Wasser führt, ist leer.

Am Ufer unten sammeln sich die Bienen und suchen ihre letzte Königin.

 

Chinesischer Abschied

Wir legen uns heute nieder,
doppelt nieder,
wer uns wecken will,
möge es sanft tun,
er möge seine Stimme schonen
und auch sein Herz,
denn beide sind kostbar.

 

Bobingers Klage

Meine Freunde sind ausgegeben,
zwischen den Blättern und Ästen
verlor ich sie.
Wer löst mir das Bild,
wer holt ihre leichten Gestalten
neu aus dem Regen hervor,
wer fängt ihnen Wolkenhauben,
wer dreht mir die Sonnenuhr?

 


Ilse Aichinger (Wenen, 1 november 1921)

Doorgaan met het lezen van “Ilse Aichinger, Stefaan van Laere, Rudy Kousbroek, Hermann Broch, Aras Ören”