Prinsenkind (Rouke van der Hoek)

Bij Carnaval

 

Prins Carnaval door Eugène Peters, z.j.

 

Prinsenkind

Dat we jou, Luuk, ook wel ‘t Uulke noemen dank je
aan de doordringende blik waarmee de kirrende clowns
boven je ledikant ter plekke tot bezinning dwingt.

Terecht, jij bepaalt wanneer je jouw lach weggeeft.
Gezaghebbender in jouw rijk dan je vader in het zijne.
Daarover dit nog. Sommigen willen dichter worden,

anderen bankdirecteur. Maar je vader droomde ervan
carnavalsprins te zijn onder de zijnen. De fazantenveer zo hoog
opgestoken dat hij als een botsauto met het

plafond verbonden blijft, alle dolle dagen energiek.
En in je moeder smachtte lang een prinses naar bevrijding.
Gun ze daarom hun uitbundigheid, prinsenkind, want in jou

komt alle adel samen. Als een veldheer observeer je de
manoeuvres. Weegt, wikt tot je plan klopt. Dan breek

de zon door, valt het ernstig masker van je prethoofd

 

Rouke van der Hoek (Eindhoven, 15 augustus 1952)
Een Lampegatse optocht door het centrum van Eindhoven

 

Zie voor de schrijvers van de 14 februari ook mijn blog van 14 februari 2019 deel 1 en ook mijn blog van 14 februari 2016 deel 2 en ook deel 3.

Rouke van der Hoek

De Nederlandse dichter Rouke van der Hoek werd op 12 augustus 1952 in Eindhoven geboren. Hij studeerde in Amsterdam en woont sinds 1980 in Zuid-Limburg (Meerssen). Na twee bundels in het marginale circuit, debuteerde hij in 1992 met de bundel “Doorgewinterd Landschap” (1992. Deze bundel werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs voor debuten van Poetry International Rotterdam. Na de bibliofiel uitgegeven bundels “Vaarwater” (1994) en “Wespland”(1997) verscheen in 2001 bij uitgeverij Atlas de bundel “Het magnetische noorden”. In 2005 verscheen de bundel “Bodemdaling”, voorafgegaan door een ‘bibliofiele’ uitgave “Gedempt gejuich”. In 2008 volgde de bundel “Wolventeldag”.  Tussen 2014 en 2016 was Rouke van der Hoek stadsdichter van Sittard-Geleen.

De paddentrek

Als het in maart zacht wordt, lauw vochtig
komen de padden tevoorschijn.
Ze kruipen als op afspraak uit komposthopen en putjes,
hun ogen sluw van een hele winter films kijken.

Even bidden ze tot Baden-Powell: help ons ons pad vinden
en verlos ons van de heer in de hemel der mensen,
die uitvond de wielen van de automobielen
en de dodelijke infrastruktuur.

Dan gaan ze naar hun geboortewater, liefst ’s nachts.
Als je stil bent hoor je ze draven, hun poten pletsen
en hun hart bonkt. Absoluut op weg, alsof ze beseffen
dat ze symptomen zijn van iets groters en iets dreigends:

het onderbewuste van de aarde bijvoorbeeld.
En inderdaad: alleen de liefdelozen onder ons
raken niet ontroerd door de onverklaarbare moed
van deze schepsels.

Kinderboeken vol zijn hierover geschreven:
Alleen op de wereld, Kinderen van de grote fjelt,
alle verhalen waarin mensen gaan trekken
om het noodlot te ontlopen (wat niet lukt).

Met de padden komen rouwgevoelens
uit de bodem omhoog.

 

Lichtzoekers

Wie op open land
de zon achterna loopt
beschrijft een ellips.

Ga maar na.

Nee, het licht moet je verschalken
via omwegen, stegen en tunnels,
zwarte episodes

als de oude veldheren die met listen
maar zonder leger uittrokken

om veldslagen en geschiedenisboeken te vermijden
en niet ingeruild te worden
voor een standbeeld.

Ja, al die eeuwen
manoeuvreren zij in het verborgene.

Door hun geritsel en macht
wagen we ons deze zomernacht
niet ver van het verlicht terras.

 

Nacht op de Vaalserberg

Lange klim na sluitingstijd. Afscheid van lantaarns;
bos overkapt de stappen; maan vlekt op mijn voet.
Langzaam wennen ogen aan muisvormige keilkeitjes
wegketsend over mos. Nooit zinken. Daarom hier,

hoog boven het land dat zijn bekoorlijkheid verloor:
ontaard experiment: wordt teruggedraaid. Op de top
is het hoogste punt het hoogste punt niet meer.
Münchnausen laat u groeten van 324 meter.

In het Drielandendoolhof surveilleren grenswachten
van 1914. Herrezen. Opvliegende kleiduiven
verraden dat de blauwe overalls nu komen
Ze rollen het tapijt op van beneden naar boven.

De frietkraam zwijgt in alle talen; ook haar schaduw
gaat eraan. Pas bij de grenspaal stoppen ze en
kloppen ze schoon wat overwoekerd is door
onbeheerste ambities, deze loyale nachtarbeiders.

1930 zeg ik, of 1950. Ze knikken en kiezen en rollen
dan het Nederland zoals mijn grootouders
dat kenden met vastberaden armen uit, de zee in,
die intussen tegen de parkeerplaats klotst.

 

Rouke van der Hoek (Eindhoven, 12 augustus 1952)