Wam de Moor, Roos van Rijswijk, Hanane Aad, Bas Belleman, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Henry Kendall, Katharina Schwanbeck

De Nederlandse schrijver, dichter, neerlandicus en literatuurcriticus Willem Anton Marie (Wam) de Moor werd geboren in Zevenaar op 18 april 1936. Zie ook alle tags voor Wam de Moor op dit blog.

Uit: Tussen het Derde Straatje en Fifth Avenue

“Reeds in de wintermaanden van 1943, toen ik zinnetje voor zinnetje de avonturen van Puk en Muk spelde, daagde bij mij het besef dat er een oceaan lag tussen het Derde Straatje achter Luilekkerland en de Fifth Avenue van New York. Waar mijn kleine helden ook heen reisden, naar China, Afrika, Drakenland of de maan, ze ontmoetten monsters, reuzen, salamanders en mandarijnen, maar nooit zoveel gekken als daar overzee, in het land van de Italiaanse immigrant Bedotti. Mijn onbestemde afkeer werd minder vaag, toen ik in de herfst die volgde kennis maakte met het fenomeen van de Yankee die in Nijmegen kwam passagieren. Deze onderscheidde zich van de bij ons ingekwartierde Tommie door een vrijheid van bewegen die mijn vader ertoe bracht om mijn geslachtsrijpe zusters binnen te houden en elk tegenaanbod in de vorm van in een der omliggende gemeenten gestolen cognac, zilveren bestek of corned beef, met klem af te wijzen. Er waren sedert dien niet alleen veel Amerikanen, maar ze waren ook brutaal. En toen nog wat later, in het kader van het Marshallplan, uit Albany, een stad ergens aan de oostkust, grote klerenpakketten bezorgd werden, waaruit losse flodderjurken en lange onderbroeken met poepsplitten te voorschijn kwamen, was ik er zeker van: Amerikanen waren gekker dan wij. Het wantrouwen was gewekt en ik ben er nooit meer vanaf gekomen. Ze hebben ook alles gedaan, in Korea, later in Vietnam en in Chili, om mijn vooroordelen te voeden. Vandaar dat Portnoy’s Complaint zomin als Myra Breckinridge en Fear of Flying op een welwillende ontvangst konden rekenen. Maar ik noem daar dan wel meteen drie romans die ik typisch Amerikaans vind.
De problematiek die Anbeek oproept, kent naar mijn mening vier aspecten: ten eerste het verschil tussen de Amerikaanse en de Nederlandse literatuur, hier beperkt tot de hedendaagse literatuur; ten tweede de verschillende verwachtingspatronen van Amerikaanse studenten en Nederlandse lezers; ten derde de concrete situatie van onze literatuur op het tijdstip dat de bestsellers Een vlucht regenwulpen en Opwaaiende zomerjurken verschenen; en ten laatste het functioneren van de literaire kritiek.
Mijn kennis van de moderne Amerikaanse literatuur gaat niet verder dan ik lezend in Janssens’ standaardwerk als overzicht verwerken kan en wat ik haphazard in twee decennia van de bekendsten – Kerouac, Vidal, Roth, Bellow, Kosinski, Malamud, Purdy, Nabokov, Styron, Kesey, Cheever en Jong – heb gelezen. Het zal niemand moeite kosten om intuïtief vast te stellen dat deze schrijvers geen Engelsen maar Amerikanen zijn, zoals Cortázar, Donoso, Borges, Marquez en Trevisan als Zuidamerikanen ervaren worden en Boon, Claus, Gijsen en Walschap als Vlamingen, niet-Nederlanders.“

 
Wam de Moor (18 april 1936 – 12 januari 2015)
In 1979

 

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: Onheilig

“Als je stervende mensen begeleidt moet je soms over je principes heen stappen, moet ze gedacht hebben, en ze schoof die van haar opzij om te doen alsof ze vond dat ik een nobel mens geweest ben. Wat heeft het voor zin een halfdode de les te lezen? Het schrijven is vervreemdend, of eigenlijk vooral het teruglezen, alsof ik brieven lees van een ander, iemand die sterft — brieven zonder aanhef, aan niemand geschreven. Aan wie kan ik schrijven?
De halfdoden. Er zijn praatgroepen voor mensen die met één been in het graf staan, zodat ze samen naar hun einde toe kunnen schemeren. Dat zijn de mensen die in de supermarkt een doos eieren pakken en denken aan de levens die er met eieren verloren gaan. of aan hoe ze vroeger eieren zochten in de tuin van hun ouders. Het zijn mensen met een vroeger dat opeens zonovergoten is, maar vol gemiste kansen. Ik schemer liever alleen. Als ik in de supermarkt sta denk ik wel: het is vreemd dat het niet aan me te zien is. Maar wat als het wél aan me te zien was?
Leendert liet zijn handen hangen, in een ervan zat mijn pakje nog. Hij keek me aan en zag niets bijzonders en toen keek hij achter me, naar de steile smalle trap waar er nog twee van zijn voor je mijn huis bereikt. Boven ons rolden de kinderen van de buren over de grond, achter Leendert rammelden fietsen langs. Ik heb Leendert, die me sinds mensenheugenis mijn pakjes brengt, en Jacoba, die me laat schrijven. Leendert omhelsde me met het spul nog steeds in zijn hand en ik moet geritseld hebben als een bos droge takken. Zijn ogen spiegelden en zijn verbeten kop werd verbetener en daarna zei hij: kut met peren, kankerzooi. Hij sloeg zijn hand voor zijn mond. Ja, zei ik, kanker. De stipjes in mijn lichaam trilden van plezier, ze horen nog steeds niet bij mij, terwijl ik ze zelf aanmaak.”

 
Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)

 

De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.

Self-Sacrifice

My face broke long ago.
For ages I lived without my face,
could not cry,
because my eyes were broken too.
Mirrors grew dumb,
locked their worlds away.
My face shattered,
the universe quaked,
my face shattered
and my heart heard the steps of the frost approaching
but refused to resist.
It said: break me, as you did the face,
but spray me like rays of love
where coldness, darkness and flagellation prevail.
Plant my remains in the desert
then the miracle will come to pass,
plant my remains in the desert
then the sand will bear lilies and jasmine.
Sprinkle my blood around the edges of the wound
and through my wounds I will become balsam.

 

The Tools of Patience

I place a necklace of poetry
around the neck of the moment,
and flee the limitations of time.
Aboard the enigmatic horizon
I clothe the mind with light.
I cast the lava of suspicion
into the flaming furnace.
Employing the tools of patience
I tame the heat of the deserts,
employing the philosophy of generosity
I attain laurels of riches.
and at the peak of death nihilism.
I embrace the miracle of survival.

 

Vertaald door de dichteres en John Wilmot

 
Hanane Aad (Beiroet, 18 april 1965)

 

De Nederlandse dichter en vertaler Bas Belleman werd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Zie ook alle tags voor Bas Belleman op dit blog.

Baviaan antwoordt

Ik weet niet wat er hier te lachen of te huiveren valt

Wel weet ik wie mijn hok verschoont

Darwin hing de slingers aan mijn dak,
knipte de confetti die ik strooi.
Kinderen leren: daar stammen wij van af.
Maar zij zijn vrij en ik zit in een kooi.
Zelfs mijn botten zijn tralies.

Waar u vandaan komt? Van huis.

Waar u heen gaat? Naar huis.

En ik zit hier op mijn rooie reet
mijn bloed rond te pompen.


Bas Belleman (Alkmaar, april 1978)

 

De Nederlands dichteres en schrijfster Clara Eggink werd geboren in Utrecht op 18 april 1906. Zie ook alle tags voor Clara Eggink op dit blog.

Nixe

Mijn hart is koel, mijn lijf is koud.
Het water is mij meer vertrouwd
Dan al uw groene wegen.

Een streeling en een warme hand
Binden mij toch niet aan dit land.
Ik ga de stroomen tegen.

Ik duik bij dag en drijf bij nacht.
Mijn zingen is een waterklacht:
Geluk alleen verzwegen.

Ik leef naar zee, mijn dood wordt schuim.
Ik zweef dan een met ’t waterruim
En daal eens neer als regen.

 

Geluk en hart

Geluk en hart zijn niet te binden.
Het hart wil vangen en behouden.
Geluk is damp en bij vertrouwde
Dingen is het toch niet te vinden.

Geluk is plotseling en snel.
Het hart is taai en wil volharden
Wanneer die tijdelijke wel,
Na eene hooge straal, verstarde.

Het hart blijft zwaar en dorstig achter.
Het zoekt in weer gesloten steenen
Het water eens door zon beschenen.
’t Geluk is in een wolk verdwenen.

 
Clara Eggink (18 april 1906 – 3 maart 1991)

 

De Amerikaanse schrijfster, essayiste en feministe Kathy Acker werd op 18 april 1947 in New York geboren als Karen Alexander. Zie ook alle tags voor Kathy Acker op dit blog.

To Slave trader

Are you really crazy, doesn’t you my love mean anything to?
Do you think I’m than icy more frigid Illyria?
To you so valuable, whoever she is, does that girl seem
That without me controlled by the winds to go you want?
You hear can the raging of oceans under bridges,
brave? on hard cold floor how to sleep you can know?
you, delicate and scared, survive chills and frosts
you can, not used to the slightest snow?
Let winter’s be double the length of solstice
let be dead ‘cause of late the sailors Pleiades
let no your from the Tyrrhenian be freed ropes muck
let not unfriendly my throw away winds pleas!

But, let there be no double winter dead winds,
if you on a speeding carry away the waves ship
from me prisoned on this empty and allow shore
you horror with clenched to threaten wrist.

But whatever happens whatever I, horror, you owe,
I hope Galatea brings you luck
may be sailed-by Ceraunian cliffs by oar felicitous
let in Oricos with calmness.
Me no one will take away from you
but I, life, in front of your house bitter puss will keep screaming
and not I may fail ever sailor to ask passing-by,
‘Tell me, in what port in prison my boy is?’
and I will cry, ‘It’s possible on Atracian he’s set down shores
or it’s possible in Hylaeia, he my future is.’


Kathy Acker (18 april 1947 – 30 november 1997)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joy Davidman werd geboren op 18 april 1915 in New York. Zie ook alle tags voor Joy Davidman op dit blog.

Prayer before Daybreak

I have loved some ghost or other all my years.
Dead men, their kisses and their fading eyes
dim in the house of memory; glimmers
in twilight air, no more. They were not there
to say no to me when I wanted them,
so it was safe to love them.
And dead gods,
blind eyes in plaster in the safe museum,
the broken hands without the thunderbolt
and the lost mouths that could not laugh at prayers
I did not make to them.
And a worse ghost,
the thin unearthly shadow of tomorrow
scudding ahead of my realities,
that since it never could be overtaken
could never disappoint me.
Dear shadows,
images of bare branches on the snow
already melting; images
of dwindled sun in the shadows of eclipse
running like ghosts of snakes along the ground
while the moon’s shadow passes. Ghosts of ghosts,
the twittering echoes of the strengthless dead
who do no harm.

Only the terrible Now
I dared not love. Not the word made flesh,
not the Incarnation bearing a sword
to strike me to the heart; not that which is,
but is not I. Not God,
or sun, or blood, or anything real
that when I spoke it could not say no to me.

For I have loved my own ghost all these years
till there is nothing to say yes to me;
till there is only vast and lightless nothing
and in the heart of it not even I.

O Love, let shadows flee;
O live sun, living God, incarnate sword
of edged reality, let me be hurt,
but let me be alive enough to die.

 
Joy Davidman (18 april 1915 – 13 juli 1960)
Cover biografie

 

De Australische dichter Henry Kendall werd geboren op 18 april 1839 in Milton. Zie ook alle tags voor Henry Kendall op dit blog.

Uit: The Austral Months

January

The first fair month! In singing Summer’s sphere
She glows, the eldest daughter of the year.
All light, all warmth, all passion, breaths of myrrh,
And subtle hints of rose-lands, come with her.
She is the warm, live month of lustre — she
Makes glad the land and lulls the strong, sad sea.
The highest hope comes with her. In her face
Of pure, clear colour lives exalted grace;
Her speech is beauty, and her radiant eyes
Are eloquent with splendid prophecies.

 

February

The bright-haired, blue-eyed last of Summer. Lo,
Her clear song lives in all the winds that blow;
The upland torrent and the lowland rill,
The stream of valley and the spring of hill,
The pools that slumber and the brooks that run
Where dense the leaves are, green the light of sun,
Take all her grace of voice and colour. She,
With rich warm vine-blood splashed from heel to knee,
Comes radiant through the yellow woodlands. Far
And near her sweet gifts shine like star by star.
She is the true Demeter. Life of root
Glows under her in gardens flushed with fruit;
She fills the fields with strength and passion — makes
A fire of lustre on the lawn-ringed lakes;
Her beauty awes the great wild sea; the height
Of grey magnificence takes strange delight
And softens at her presence, at the dear
Sweet face whose memory beams through all the year.

 
Henry Kendall (18 april 1839 – 1 augustus 1882)
Cover

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse schrijfster Katharina Schwanbeck werd geboren in 1979 in Rostock. Zie ook alle tags voor Katharina Schwanbeck op dit blog.

Uit: Der Krebs in den Köpfen

„Du besuchst deine Freundin in Hamburg. Du willst fliehen, weil du mal wieder Kummer hast, ausgerechnet jetzt, denkst du. Sie schleppt dich hierhin und dorthin, überall ist es laut und schick. Zu schick für deine momentane Gefühlslage. Dein Gesicht entwickelt Hitzepickel, deine Haare hängen in klebrigen Strähnen auf die Schultern. Egal ist dir das noch lange nicht.
Abends geht ihr in eine Bar, du kannst den Namen nicht aussprechen und läßt es lieber gleich. Ihr sitzt auf weißen, eckigen Lederpolstermöbeln, werdet beschienen von schummerigen Designerlampen, bestellt übertrieben teure Cocktails und vor euch sitzen die beiden größten Trottel des Abends: Lutz und Jens. Deine Freundin kennt sie aus dem Büro und meint, dass es doch lustig sein könnte.
Lutz und Jens sind über fünfunddreißig, sie tragen auffallend neutrale Klamotten. Na klar. Sie erzählen nicht viel und stochern statt dessen in ihren Caipis rum. Langweilig, denkst du und deine Freundin stößt dich mit dem Bein unter dem Tisch an.
Wo wohnst du, fragst du, weil du höflich bist. Uhlenhorst, sagt Jens. Aha, sagst du und denkst, langweilig!
Später knutscht deine Freundin noch mit Jens vor der Tür. Du stehst auf der Straße, drehst mit den Augen und denkst, dass das doch alles nicht wahr sein kann. Du kommst dir vor wie bestellt und nicht abgeholt. Eine halbe Stunde später wankt ihr nach Hause. Deine Freundin kichert und sie bekommt alle zwei Minuten eine Sms von Jens, der ganz heiß gelaufen zu sein scheint und anfragt, ob sie sich nicht noch treffen wollen, ohne dich, versteht sich.
Du verstehst das alles nicht und denkst, dem ist der Sommer in den Kopf gestiegen. Deine Freundin lacht und sagt: der Trottel hat wenigstens die Getränke bezahlt. Meine nicht, sagst du und stellst dir vor, wie Jens verliebt im Bus nach Uhlenhorst sitzt.“


Katharina Schwanbeck (Rostock, 1979)
Rostock, Neuer Markt

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e april ook mijn blog van 18 april 2017 en ook mijn blog van 18 april 2015 deel 2.

Wam de Moor, Bas Belleman, Roos van Rijswijk, Hanane Aad, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Henry Kendall, Katharina Schwanbeck

De Nederlandse schrijver, dichter, neerlandicus en literatuurcriticus Willem Anton Marie (Wam) de Moor werd geboren in Zevenaar op 18 april 1936. Zie ook alle tags voor Wam de Moor op dit blog.

Allemanswicht

Ach jij, je rechterpink verlegen aan je mond,
je mandje aan de linkerarm, hoe je
daar stond, Mariken, mooie verloren meid.

Hoe je daar staat en kijkt naar
wat voorheen niet voor je was te zien,
winkels rechts, kroegen links,
de heksenwaag vooraan, en door
de Stevenspoort het zonlicht
achter je, licht van de ondergang.

Wij hebben ons jou toegeëigend,
bezit van je genomen zonder vragen,
we moesten wel, je was zo onweerstaanbaar

allemanswicht.

 

Nog even dan

Toe, heb mij lief, nog even dan,
voordat de horden uit het zuiden,
als eigen land is leeggemoord,
jouw lieve lijf verkrachten
en dit, mijn lichaam, slachten.
Toe, nu het nog kan, bemin me.

Toe, heb mij lief, nog even dan,
voor onze dagen zijn geteld
als door het onbekommerd vragen
naar meer en mateloos bejagen
van lijf en goed de poolkap smelt.
Ach lief, nog even maar, bemin me.

Toe, heb me lief, nog even vóór
lid en hart en hersens het begeven
een wervelwind van ziekten
door dit lichaam raast. Heb lief
zoals het moet: niet geil of
gulzig; gretig, grauw noch gauw;
maar gestadig, ongenadig zoet.

Heb ons nog even overdadig lief!


Wam de Moor (18 april 1936 – 12 januari 2015)
In 1983

 

De Nederlandse dichter en vertaler Bas Belleman werd in Alkmaar geboren “op een heldere ochtend in april” (Rottend Staal) van het jaar 1978. Zie ook alle tags voor Bas Belleman op dit blog.

Misleidingen

En Leentje zei: ‘Word jij een vijver, dan word ik de eend die erin zwemt’
Grimm, Vondevogel

1
waar is de tijd dat de bossen nog wouden waren?
nu zijn ze kromgegroeid, woonwijken.
dat achtervolgt niet lekker.
ze zien me rennen.

zo’n zigzag dat meisje.
ik snoei ze recht achterna, dwars door de auto’s, de speelpleintjes.
de jongen sleurt haar mee, maar haar hielen zijn te zacht.
drie stappen en ik heb ze.

waar zijn ze?
hier ligt alleen een dobbelsteen zijn toeval te bewaken.

 

Uit: Sonnetten voor de Donkere Dame

Sonnet nr. 130

Mijn liefje heeft geen ogen als de zon;
Veel roder dan haar lippen is koraal;
En sneeuw is wit? Dan zijn haar borsten vaal;
Zijn haren goud? ’t Is zwart goud dat zij spon.
En ik ken rozen, roze, wit en rood,
Maar zulke rozen sieren niet haar wangen;
Ook zijn er geurtjes waar ik meer van genoot;
Dan die er in mijn liefjes adem hangen.
Ik die graag hoor praten moet beamen
Dat ik muziek vaak aangenamer vond;
Nooit zag ik hoe godinnen nader kwamen,
als zij loopt, stampt mijn liefje op de grond.

En toch, mijn hemel, mijn lief kan meer bekoren
Dan al die vrouwen vervalst in metaforen.

 
Bas Belleman (Alkmaar, april 1978)

 

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: De olifant van de bovenbuurman

‘Vroeger,’ moppert de bovenbuurman, ‘stond iedereen gewoon om halfzes op.’
Kangoeroe draait zich nog eens om in haar mandje bij de verwarming.
‘Vroeger,’ gaat hij verder, ‘wisten mensen tenminste nog wat arbeid was!’
Kreunend komt Kangoeroe overeind.
‘bovendien!’ schreeuwt de bovenbuurman. ‘normen waarden gezin hoeksteen gezellig traditie papieren boeken hutspot respect!’
De olifant van de bovenbuurman stommelt verbaasd de woonkamer binnen terwijl ze een laatste krulspeld van haar hoofd haalt.
‘Ssst!’ doet Kangoeroe, die wenste dat ze in haar eigen buidel kon verdwijnen, en wijst angstig naar de bovenbuurman. ‘Hij is geloof ik niet goed geworden.
‘De jeugd buitenlanders internet de elite popmuziek porno videogames!’ briest de bovenbuurman.
Met haar slurf wrijft de olifant de slaap uit haar ogen, flappert even met haar oren. Kangoeroe is nieuw, die kon het ook niet weten: de bovenbuurman kan niet tegen vakantie.
‘ledigheid is des duivels oork–’
‘Lieve schat,’ breekt Olifant in, ‘vroeger hadden vrouwen geen stemrecht en was jij op je dertiende overleden aan een blindedarmontsteking.’
‘Het enige recht van een vr–’
‘PEP!’ doet Olifant. ‘Wat hadden we afgesproken?’
De bovenbuurman kijkt bedroefd naar zijn lege handen: ‘Ik weet niet wat ik met mezelf aan moet,’ jammert hij.
Poot over het hart, denkt Olifant, en iets met de kerstgedachte. Ze geeft de bovenbuurman zijn kleinste boormachientje.
‘Maar je weet het, hè,’ bijt ze hem toe. ‘Voor halfnegen zachtjes boren.’


Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)

 

De Libanese dichteres, journaliste en vertaalster Hanane Aad werd geboren op 18 april 1965 in Beiroet. Zie ook alle tags voor Hanane Aad op dit blog.

Wie koopt mij zekerheid?

Ik ben de eeuwige onrust
wie koopt mij zekerheid
waar wordt rust stilte
wie bouwt voor mij een koninkrijk van stilte
waar overwin ik het labyrint
ik ben de eeuwige onrust
elke morgen roep ik mijzelf
uit werelden van slaap
van de uiterste grens
naar de oceaan van de hartenklop
mijn hartslag is die van de onrust
hoe bereid ik voor mijn ooglid
de zegening van de slaap
in mij is eeuwige onrust
hoe breng ik mijzelf
naar de jasmijn- en lavendelvelden
wie leent mij het geduldelixer
hoe bereik ik de haven
zal ik erin slagen
naar de grotten van de weldadige lach te klimmen
ik ben de eeuwige onrust
wanneer zal ik de duisternis van het bestaan verjagen
wanneer zal ik de geest
naar de tuinen van de geest brengen
wanneer zal de eeuwigheid voor mij
het lied der liederen zingen
tot in alle eeuwigheid.

 

Vertaald door Cees Nijland

 

Wunsch

Der Staub riecht nach ewiger Ruhe.
Das Lied duftet nach Freiheit.
Hoffentlich rieche ich meine Freiheit
vor dem Tod.
Hoffentlich kann ich mein Lied singen,
bevor der Staub mich verschlingt.

 

Vertaald door Andrea Heuser

 
Hanane Aad (Beiroet, 18 april 1965)

 

De Nederlands dichteres en schrijfster Clara Eggink werd geboren in Utrecht op 18 april 1906. Zie ook alle tags voor Clara Eggink op dit blog.

Geluk en hart

Geluk en hart zijn niet te binden.
Het hart wil vangen en behouden.
Geluk is damp en bij vertrouwde
Dingen is het toch niet te vinden.

Geluk is plotseling en snel.
Het hart is taai en wil volharden
Wanneer die tijdelijke wel,
Na eene hooge straal, verstarde.

Het hart blijft zwaar en dorstig achter.
Het zoekt in weer gesloten steenen
Het water eens door zon beschenen.
’t Geluk is in een wolk verdwenen.

 

De pauw

De pauw, op korte grijze zuilen
Dom en aandachtig het gekroonde hoofd
Zal achteloos zijn kleed bevuilen
En haalt zijn voedsel uit het stof.
Maar eensklaps spreidt hij zonder doel of reden
Het siergewaad van een barok verleden
En tooit zich als een afgezet prelaat
En schreeuwt om ’s werelds ijdelheden.

 
Clara Eggink (18 april 1906 – 3 maart 1991)
Utrecht

 

De Amerikaanse schrijfster, essayiste en feministe Kathy Acker werd op 18 april 1947 in New York geboren als Karen Alexander. Zie ook alle tags voor Kathy Acker op dit blog.

Uit: Portrait of an Eye

„One day the palace was upside-down. Orders are given in a high voice. The valet runs up and down the stairs. The win-dows are opened; grand rooms aired; slipcovers dropped; gilded marbles uncovered. Someone wakes me early in the morning. I’m six years old. All day carriages come and go. In the exterior courts, brief commandments resound, companies present arms to fifes and tambours. They find me: I go downstairs. The hall was full of the world: dames in high fashion and decorated officers. All is splendor! Suddenly silver trumpets sound across the fields! A carriage pulls up to my stone entrance steps. An old man steps out, then a little girl. Someone shoves me against them. I said hello to the little girl. She hid her face behind her flowers; I saw only her eyes full of tears. I took her hand. The old general bleating guided us. Immediately a cortege formed around the chateau’s chapel. The ceremony unfolded itself. Kneeling on the same cushion, enveloped in the same veil, bound by the same ribbons whose ends the maids-of-honor held, we took the same vow. As the pope said, “I do,” the girl smiled through her tears.
We were one. The pretty princess Rita was my wife. We’re standing under the ceiling of white roses. We’re alone at a table heaped with delicacies. The general crops up, takes her away. As she leaves, I see myself crying alone in the immense, chandelier upon chandelier, wedding salon. “I’m sick of ideas,” I said. “They bore me to shit. The thing is to find out what doesn’t bore me to shit.” Rita’s my first friend. I think more and more of the actuality of the new world. I suppose I dream. I wander around the empty silent house I prowl like a hungry deserted cat I become aware of my body. I’m not just a mind behind two eyes: I have thoughts in every part of my body all fighting each other all dying to get out. I needed outlets as much as input. I had radios constantly going to drown out the incoming information. Only the heavy furniture pitied me, and crashed to the floor. I was frightened. In the back of some black corridor, or at the bottom of a staircase a breast plate on duty made a half-turn the noise of spurs. That noise transported me to the grand day of the fete. I heard the trumpets the tambours clatter. Artillery sa-lutes. Bells. Organs played, Princess Rita’s open carriage like a rocket crossed my sky and was about to crash in the meadow. The old general fell head to his feet, like a clown, gesticulated his arms and legs, signaled me. He told me to come, to come join them, the princess awaited me, she was there, in the meadow. My friend. The air was the flesh-colored perfume of clover. I wished to penetrate the meadow. The cops stopped me.”


Kathy Acker (18 april 1947 – 30 november 1997)
Cover

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Joy Davidman werd geboren op 18 april 1915 in New York. Zie ook alle tags voor Joy Davidman op dit blog.

Resurrection

Pain cannot contrive for you
Humility beyond your own,
Stripped of your body to the bone.
Passion will not phrase anew
A fabric more than skeletal
To veil the candor of your skull.

Fire and anger let you rest ;
The wind comes where your lips are mute,
Blowing a labyrinthine flute
Out of the caverns of your breast.
Fire and agony depart
From fallen ashes of a heart.

This is the kingdom that you find
When the brave empty eye-holes stare
Impartially against the air;
A little universe defined
By infinite white ribs for bars
Against the struggles of the stars.

This is the power that you hold
Over these worlds of splintered sand:
Your crystal framework of a hand
Can crumple space in hollow cold,
And your small broken fingers roll
The seven heavens in a scroll.

This is the glory that you have:
A broad sun standing overhead
To shape a halo for your head;
Skies wheel and laugh above a grave
To worship, in the fields of breath,
Inviolable lovely Death.

Symbols for the celebrant
Are your sharp and silver feet,
Syllables he shall repeat;
So your light bones lie aslant
The mystical and sacred sun —
Infinity in skeleton.

 
Joy Davidman (18 april 1915 – 13 juli 1960)
Hier met dichter en schrijver C. S. Lewis

 

De Australische dichter Henry Kendall werd geboren op 18 april 1839 in Milton. Zie ook alle tags voor Henry Kendall op dit blog.

Uit: The Austral Months

October

Where fountains sing and many waters meet,
October comes with blossom-trammelled feet.
She sheds green glory by the wayside rills,
And clothes with grace the haughty-featured hills.
This is the queen of all the year. She brings
The pure chief beauty of our Southern springs.
Fair lady of the yellow hair.
Her breath
Starts flowers to life, and shames the storm to death.
Through tender nights and days of generous sun,
By prospering woods her clear strong torrents run.
In far deep forests, where all life is mute,
Of leaf and bough she makes a touching lute,
Her life is lovely. Stream and wind and bird
Have seen her face — her marvellous voice have heard;
And, in strange tracts of wildwood all day long,
They tell the story in surpassing song.

 

November

Now beats the first warm pulse of Summer —
now There shines great glory on the mountain’s brow.
The face of heaven in the western sky,
When falls the sun, is filled with Deity!
And while the first light floods the lake and lea,
The morning makes a marvel of the sea;
The strong leaves sing; and in the deep green zones
Of rock-bound glens the streams have many tones;
And where the evening-coloured waters pass,
Now glides November down fair falls of grass.
She is the wonder with the golden wings,
Who lays one hand in Summer’s — one in Spring’s;
About her hair a sunset radiance glows;
Her mouth is sister of the dewy rose;
And all the beauty of the pure blue skies
Has lent its lustre to her soft bright eyes.

 
Henry Kendall (18 april 1839 – 1 augustus 1882)
Cover biografie

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Duitse schrijfster Katharina Schwanbeck werd geboren in 1979 in Rostock. Zie ook alle tags voor Katharina Schwanbeck op dit blog.

Uit: Golden City

„Ich hatte meinen Vater nicht gekannt. Und das war das Puzzle­stück, was fehlte, um zu wissen wer ich war. Ich irrte wie ein Irrlicht durch die Welt. Und davon hatte ich irgend­wann genug.
Ich begann, Nach­forschungen
über ihn anzu­stellen. Natürlich hatte ich meine Mut­ter gefragt, denn die musste es ja schließlich wissen. Doch alles, was sie äußer­te war, dass sie an einem Abend im Mai 1978 sagte: Jurotschka, lass das! und es gar nicht so meinte und was er auch gar nicht ver­stand, denn er war der deutschen Spra­che kaum mäch­tig. Es stellte sich heraus, dass Jurotschka für einen fah­renden Ver­gnügungs­park arbei­tete, (er half die Fahr­geschäfte auf- und wieder abzu­bauen) und dass dieser eines Tages durch das Dorf meiner Mutter gekommen war und für fünf Tage blieb.
Er sah gut aus, sagte sie und der Schleier verschwand von den Augen meiner traurigen Mutter und pl
ötz­lich wurden sie ganz hell die Augen, wie schon seit Jahren nicht mehr. Er war zwar nicht groß, aber kräftig und er besaß eine Narbe über dem linken Auge, was ihn noch männlicher aussehen ließ. Sie liebte die russische Sprache immer schon und als sie ihn fragte, mit Händen und Füßen, wo er herkam und er sagte „Odessa“, war es um sie geschehen. Odessa, dachte sie, die Perle des Schwarzen Meeres und dann brannte sie lichterloh. Es kam wie es kommen musste: Jurotschkas Spermien gelang­ten nach einer zärt­lichen Ver­eini­gung, wie meine Mutter sagt: in der Gondel einer Berg- und Tal­bahn, in ihren Unter­leib. Statis­tisch gesehen ist es wahr­scheinlich, dass dabei ein Großteil seiner Spermien schon außerhalb ihrer Vagina zugrunde gingen.“

 
Katharina Schwanbeck (Rostock, 1979)
Rostock, Neuer Markt

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e april ook mijn blog van 18 april 2017 en ook mijn blog van 18 april 2015 deel 2.

Wam de Moor, Bas Belleman, Roos van Rijswijk, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Richard Harding Davis, Henry Kendall, Katharina Schwanbeck

De Nederlandse schrijver, dichter, neerlandicus en literatuurcriticus Willem Anton Marie (Wam) de Moor werd geboren in Zevenaar op 18 april 1936. Zie ook alle tags voor Wam de Moor op dit blog.

Rotstekening

De hemel vloeit blauw
langs de grauwrotsige hand
van het land.
Mijn liefste danst in het water.

Ze heeft haar been
als een vogel opgeheven
als een rose flamingo
Haar hoofd

wiegt op haar hals
Mijn liefste slaapt
in de zachtrode huid
van haar geurige lichaam.

Zal ik haar doen ontwaken
met de bloem van mijn mond?
Zal ik voorzichtig
haar hand aanraken?

 

Ik raak je aan

Ik raak je aan. Niet langer in het vlees
maar in de geest. Noem het bedaard.
Noem het bedeesd. Ik raak je aan.

Ik regel woorden die je raken.
Die dat waard zijn. Die het meest.
Ik raak aan lippen die mijn woorden

aten. Ik raak aan oren, die horen
willen wat verloren leek. Ik
raakte zo in alle staten, uitgelaten

en op streek. Hier aan de grens van
mijn bestaan raak ik je aan.
het is volbracht, gedaan. Wees maar

gerust, geraakt, ja, wees vanaf
vandaag maar eindeloos en
totterdood voldaan.

 
Wam de Moor (18 april 1936 – 12 januari 2015)

Doorgaan met het lezen van “Wam de Moor, Bas Belleman, Roos van Rijswijk, Clara Eggink, Kathy Acker, Joy Davidman, Richard Harding Davis, Henry Kendall, Katharina Schwanbeck”

Anton Wachterprijs 2016 voor Roos van Rijswijk

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk krijgt dit jaar de Anton Wachterprijs, de tweejaarlijkse prijs voor een literair prozadebuut. De schrijfster krijgt die voor haar eerder dit jaar verschenen roman “Onheilig”. Van Rijswijk is de twintigste Anton Wachterprijswinnaar. Zie ook alle tags voor Roos van Rijswijk op dit blog.

Uit: Onheilig

“Mijn sigaret was bijna op en ik stak er nog een aan om ze na te kijken, en aan de overkant van mijn straat stonden twee jongens in de keuken, een zwarte en een witte. Ze zwaaiden naar me. want dat doen we altijd. Het zijn studenten of jonge vrienden die ik in het wild niet zou herkennen om-
dat ze in dat raam horen‚ in het gele licht van hun keuken, en ik hoor in mijn raamkozijn met een siga-
rct tussen mijn vingers. Soms krijgen zij mijn kranten‚ de donkere jongen komt ze me dan brengen. Een aai over zijn bol wil ik hetn geven. hij zegt u en mevrouw. Ik durf hem niet te vragen waar hij vandaan komt: Miguel haatte het als mensen dat deden, nog meer dan wanneer hij in de stad voor toerist gehouden werd. 1 am not a tourist, 1 live here.
Ik moet er niet aan denken dat alle laatste keren nog dagen, weken of maanden verder liggen. Kan het niet gewoon klaar zijn?
*
U heeft kinderenf zei de arts.
‘Ja’.
Ik weet niet of mijn leven begon of eindigde toen Miguel kwam, ik neig naar dat laatste. Het eindigde
toen ik doorhad dat hij zou komen, toen het te laat was om hem tegen te houden. Het enige onverwachte wat die jongen ooit gedaan heeft, op zijn plotselinge verhuizing naar nota bene Duitsland na, is geboren worden op de wc van de Bijenkorf. Zo banaal dat je het niet verzinnen kunt, ik zocht een angoratrui en kreeg ineens ontzettende kramp.
Toen kwam Miguel. Zijn naam kreeg hij pas een paar dagen later, op de dag dat Alfons hem aangaf op het gemeentehuis. Doe maar wat. had ik gezegd, in de volle overtuiging dat ik later nog wel eens van dat kind zou gaan houden.”


Roos van Rijswijk (Amsterdam, 1985)

Roos van Rijswijk

De Nederlandse schrijfster Roos van Rijswijk werd geboren in Amsterdam op 18 april 1985. Zij groeide op in Amsterdam Zuid-Oost en woonde daarna in bijna alle hoeken van de stad. Van Rijswijk studeerde Nederlands en literatuurwetenschap. Ze werkt als columniste en journaliste. In diverse literaire tijdschriften (DeRevisor, Tirade, SLANG, hard//hoofd en Das Magazin) publiceerde zij korte verhalen en in 2014 was zij een van de initiatiefnemers van de J.M.A. Biesheuvelprijs voor de beste korteverhalenbundel. Ze schreef toneel voor Theatergroep Thomas. Zij is redacteur van het literaire tijdschrift Tirade.

Uit: Onheilig

“Leeg, mijn huis voelt leeg, of misschien ben ik het zelf, want hier is niets veranderd. En dat terwijl ik steeds voller word, een lijf gevuld met zwarte stippen, hoewel ik niet zeker weet of die erbij komen of dat die stippen andere dingen opeten. Ik probeer de gezwellen toe te spreken ’s nachts, ik zeg: kunnen jullie niet gewoon naast wat er al was bestaan, naast mijn ingewanden, mijn botten, ik draag jullie, jullie zijn mij, ik ben jullie. Waarom dat eindige, bedoel ik. Maar tijdens het preken tegen mijn lijf dwaal ik af. Of ik val in slaap, op slechte dagen val ik in slaap. Later worden dat de goede dagen, later is over een maand, twee maanden, wie zal het zeggen.
Ik woon niet hoog genoeg om me uit het raam te laten vallen. Zelfs als ik uit het zolderraam op het dak klim is de val te kort om zeker te weten dat ik doodga.
Er zouden ongezonde ledematen knakken en ze zouden me in het ziekenhuis in leven houden terwijl dat geen zin heeft omdat het toch allemaal zal stoppen, ze zouden op de gebroken botten dingen zien zitten die er niet horen, het is walgelijk, ik ben de ziekte.
Die ben ik altijd al geweest, in zekere zin, het zit in je DNA zei de arts, maar ze zei ook dat mijn levensstijl me niet geholpen heeft. Ze zei dat alsof het een keuze was, zoals sommige mensen zich identificeren met hun motor, of met het feit dat ze veel sporten, zoals de naturisten die in mijn jeugd ook de hele tijd verkondigden dat ze het liefst vrij waren.
Dat is een naturist, zei mijn vader over een van zijn werknemers, die gaat in het weekend in zijn blootje badmintonnen. Een levensstijl dus, ik was iemand met een levensstijl.
Bij alles wat ik zie denk ik dat het misschien wel de laatste keer is dat ik het zie. Feit is dat die dingen er hetzelfde uitzien als ze eruitzagen voordat het de laatste keer was, en ook dat al die laatste keren nog weken (maanden? jaren?) verder kunnen liggen. Zomerregen, rode auto’s, het wuivende park, een onooglijk klein hondje met een jasje aan. Gisteren slenterde er een uitgeblust straatorkest onder mijn raam langs, de instrumenten sleepten bijna over de grond en de muzikanten zeiden helemaal niets, ze waren van de metro onderweg naar de markt en natuurlijk regende het, de zomer is herfstig.”

 
Roos van Rijswijk (Amsterdam, 18 april 1985)