Ouderdom (Rolf Jacobsen), John Coetzee, Kees Verheul, Jacques Schreurs

Dolce far niente

 

 
Winter, Italy door Igor Shulman, 2016

 

Ouderdom

Ik houd meer van oude mensen.
Ze zitten naar ons te kijken en zien ons niet.
Ze hebben genoeg aan zichzelf,
als vissers langs grote rivieren,
stil als stenen
in de zomernacht.
Ik houd veel van vissers langs grote rivieren
en bejaarden en zij die na een lang ziekbed
weer naar buiten gaan.

Er zit iets in hun ogen
wat de wereld niet meer ziet,
de oude mensen, als herstellenden
wier voeten nog niet sterk genoeg zijn
hun voorhoofd bleek als na hoge koorts.

De oude mensen
die langzaam weer zichzelf worden
en langzaam oplossen,
als een nevel, ongemerkt gaan ze over
in slaap
en licht.

 

Vertaald door Amy van Marken

 
Rolf Jacobsen (8 maart 1907 – 20 februari 1994)
Universiteitsgebouw in Oslo, de geboorteplaats van Rolf Jacobsen

 

De Zuidafrikaanse schrijver John Maxwell Coetzee werd geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad. Zie ook alle tags voor John Coetzee op dit blog.

Uit: The Schooldays of Jesus

“Bolivar unfolds himself and slides out of the car. From a dis tance he inspects the foreign dog, then decides to ignore him. The boy dashes into the sheds, re-emerges:They’ve got doubl. bunks!’ he shouts.tan I have a top bunk? Please!’
Now a large woman wearing a red apron over a loose cotton frock appears from the rear of the farmhouse and waddles down the path toward them. ‘Good day, good day!’ she calls out. She examines the laden car.’Have you come a long way?’ ‘Yes, a long way. We wondered if you can do with some extra hands.’ ‘We can always do with more hands. Many hands make light work — isn’t that what the books say?’ ‘It will be just two of us, my wife and I. Our friend here has commitments of his own.This is our boy, his name is David. And this is Bolivar.Will there be a place for Bolivar? He is pan of the family. We go nowhere without him: ‘Bolivar is his real name; says the boy.’He is an Alsatian. ‘Bolivar.That’s a nice name, says the woman. ‘Unusual. I am sure there will be a place for him as long he behaves himself and is content to cat scraps and doesn’t get into fights or chase the chickens. The workers are out in the orchards right now, but let me show you the sleeping quarters. On the left side the gentlemen, on the right side the ladies. No family rooms, I’m afraid: ‘I am going to be on the gentlemen’s side; says the boy. ‘Simon says I can have a top bunk. Simon is not my father: ‘Do as you please, young man. There is plenty of space. The others will be back ‘Simon is not my real father and David is not my real name. Do you want to know my real name?’ The woman casts Ines a puzzled look, which Ines pretends not to notice. ‘We were playing a game in the car: he, Simon, intervenes.`To pass the time. We were trying out new names for ourselves.’
The woman shrugs. ‘The others will be back for lunch soon, then you can introduce yourselves. The pay is twenty males a day, the same for men and for women. The day is from sunup until sundown, with a two-hour break at midday. On the seventh day we rest. That is the natural order, that is the order we follow. As for meals, we supply the foodstuffs and you do the cooking. Are you happy with the terms? Do you think you can manage? Have you done picking before? No?You will soon learn, it is not a high art. Do you have hats? You will need hats, the sun can be quite fierce. What else can I tell you? You can always find me in the big house. Roberta is my name. ‘Roberta, pleased to meet you. I am Simon and this is Ines and this is Juan, our guide, whom I am going to drive back to town: ‘Welcome to the farm. I am sure we will get on well. It’s good that you have a car of your own: ‘It has brought us a long way. It is a faithful car.You can’t ask for more than that in a car, fidelity: By the time they have unloaded the car, workers have begun straggling back front the orchards.”


John Coetzee (Kaapstad, 9 februari 1940)

 

De Nederlandse schrijver, vertaler, slavist en essayist Kees Verheul werd geboren in Hengelo op 9 februari 1940. Zie ook alle tags voor Kees Verheul op dit blog.

Uit: De nieuwe jongen

“Ik fantaseerde in mijn lagere schooltijd zelden over later, maar toen de juffrouw ons op een dag vertelde van de nieuwe jongen die we na de zomervakantie in de klas zouden krijgen, stelde ik me direkt voor dat ik zijn beste vriendje zou worden. Het weinige dat ze over hem zei maakte diepe indruk op me. Hij kwam van ver buiten onze streek, uit een provincie in het noorden waar ik nooit was geweest. Onze ouders hadden volgens de juffrouw vast wel gelezen van zijn vader, die in de krant had gestaan omdat hij direkteur was geworden van een van de fabrieken in ons dorp. De naam die ze opschreef was zo ingewikkeld dat hij het bord bijna over de hele lengte vulde – eerst de voornaam van de jongen en dan twee achternamen na elkaar, elk met een hoofdletter. Langzaam, met een gevoel alsof het onbekende vriendje naar me keek, schreef ik het geheel een paar keer over in mijn schrift.
’s Avonds aan tafel legde mijn vader me uit wat een ‘dubbele naam’ was. Ik herinner me sommige van zijn woorden: ‘duur’, ‘deftig’ en ‘van adel’. Het viel me op dat hij, ondanks de smalende trek om zijn mond, al vertellend iets vrolijks kreeg. Terwijl hij zoëven nog stil voor zich uit had zitten staren was zijn lichaam nu vol beweging. Hij trommelde met zijn vingers op tafel, lachte: ‘O ja, ik weet nóg een mooie’ en noemde een naam, die hij met het handvat van zijn mes in de lucht tekende. Dat hij de naam van de nieuwe jongen bleek te kennen – ‘vroeger had je een professor die zo heette’ – gaf me een gevoel van aanhankelijkheid tegenover mijn vader. Ik keek onwillekeurig even op naar zijn gezicht. Terwijl ik verder at zag ik mezelf in mijn fantasie naar hem toelopen en met mijn hoofd leunen tegen de mouw van zijn jasje.
De daarop volgende dagen moest ik steeds weer aan de onbekende jongen denken. Dat ik zo aandachtig naar de juffrouw had geluisterd, net of ze speciaal tegen mij had gepraat, kwam doordat ze was begonnen met te vertellen waar hij zou wonen: in een laan onmiddellijk achter de spoorlijn die onze buurt afgrensde van de villawijk. Geen van de jongens uit de klas woonde zo dichtbij. Als ik na schooltijd een speelkameraad wilde opzoeken moest ik het halve dorp doorfietsen. ’s Avonds, in de huiskamer bij de radio of in bed, voelde ik me soms verlaten, alsof alle jongens die ik op school aardig vond ergens verweg samen plezier hadden. Twee hadden er onlangs nog voorgedaan hoe ze iedere ochtend vanuit hun slaapkamerraam naar elkaar zwaaiden.
Alleen mijn vriendinnetje woonde op loopafstand. Maar sinds de plagerijen, thuis en op school, over ons ‘sjansen’ was ik de spelletjes met haar meisjesachtig gaan vinden en had ik haar ontweken tot ze me, na me een paar keer verbaasd te hebben aangekeken, nooit meer vroeg of ik straks gezellig bij haar kwam.”

 
Kees Verheul (Hengelo, 9 februari 1940)
Lambertusbasiliek, Hengelo

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jacques Schreurs werd geboren in Sittard op 9 februari 1893. Zie ook alle tags voor Jacques Schreurs op dit blog.

De Liefde is dronken, zegt de wind

De Liefde is dronken, zegt de wind,
Want heel de nacht heeft zij haar lied doen schallen –
En zingend is zij uit ’t gebint’
Der sterren in het stroo gevallen
En slaapt met alle maten en getallen
Hier in haar armen als een kind…
De Liefde is dronken, zegt de wind
En Engelen dwalen om de stallen.

 

Duiven

NIET om gewijd of ongewijd symbool
Houd ik van duiven; noch omdat op school
De duif mij dikwijls als model moest gelden;
Dat men mij vrij den duivenmelker schelde:
Ik houd van duiven, en wel even boud
Als gij, Anselm, van goede verzen houdt,
Mijn zus van paarden en mijn broer van honden.
Ik heb de duiven altijd duifsch gevonden
Zooals de duivels duivelsch en de Duitschers dom;
Vraag, bid ik u, dus liever niet waarom
Ik duiven houd, waarom geen witte pauwen,
Of, indien wit te wit is, dan geen blauwe;
Of waarom niet een groene papegaai.
De voorkeur vraagt niet en is even taai
Als teeder, Anselm; lààt mij mijn gebreken
En, àls ik spreken moet, van duiven spreken,
Want duiven en geen pauwen hebben ’t mij gedaan;
De trippeldans en niet het trotsche gaan;
De tuimelvlucht en niet de sleepgewaden
Dier schemerige prinsen langs de paden;
Het koeren en het spiegelen in de bron
En niet de rauwe kreet, de schrik van het gazon.
Als ik een Geest moest prijzen, zou ik prijzen
Hem die uit rozen, sneeuw en parelgrijzen
De duiven schiep: het kanten broekje wit
Onder het frakje dat, voornaam van snit,
Het borstje bloot laat en parmantig open,
Op pootjes als van bessensap bedropen;
En dan in het fraai en frank geheel die drang,
Dat voetenvier, dat vleugelenverlang!

Zoo, als ‘k een Geest moest prijzen, prees ik dezen
Die, in het oerbegin, in zóó’n klein wezen
Het klaar staan schiep voor zeg maar welke reis….
De duif gaat voor en dan naar ’t paradijs!

 
Jacques Schreurs (9 februari 1893 – 31 januari 1966)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e februari ook mijn blog van 9 februari 2018 en mijn blog van 9 februari 2017 en ook mijn blog van 9 februari 2014 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Zie voor bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 9 februari 2007 en ook mijn blog van 9 februari 2008 en eveneens mijn blog van 9 februari 2009.

Rolf Jacobsen

De Noorse dichter en journalist Rolf Jacobsen werd geboren op 8 maart 1907 in Kristiania. Jacobsen studeerde na zijn eindexamen gymnasium in 1926 theologie en filologie. In 1930 was hij een van de oprichters van het eerste gemengde Scandinavische studentenkoor. Onder het pseudoniem Rolf Høvre schreef hij een aantal schlagerteksten. In 1933 verscheen zijn eerste dichtbundel “Jord og jern” (Aarde en ijzer), waarin hij, evenals in de twee jaar later gepubliceerde Bundel “Vrimmel” (Gewemel), enthousiast over de technologie, de grotestadsdrukte beschrijft, echter ook in relatie tot de natuur. Jacobsen werkte als journalist; hij huwde in 1940. In hetzelfde jaar trad hij toe tot de fascistische partij Nasjonal Samling. In 1945 werd hij gearresteerd. Hij zei dat hij niet bij de partij zou zijn geweest als de koning en de regering het land niet hadden verlaten. Hij werd veroordeeld tot drie en een half jaar in een werkkamp. Jacobsen bekeerde zich tot het katholicisme in 1951 en publiceerde zijn derde poëziebundel “Fjerntog” (Lange-afstandstreinen) na een pauze van 16 jaar. In 1953 werd hij opnieuw opgenomen in de schrijversvereniging “Den norske Forfatterforening”. Zijn bekendste gedichten komen uit de in 1954 gepubliceerde bundel “Hemmelig liv” (Geheim leven). Gedichten van Jacobsen werden onder meer door de componisten Helge Iberg, Egil Kapstad, Ketil Bjornstad en Torstein Aagaard-Nilsen op muziek gezet. Rouw om zijn in 1983 overleden vrouw, maar ook resignatie drukken zijn gedichten uit in de in 1985 gepubliceerde dichtbundel “Nattåpent” (Nachtwacht). De poëzie van Jacobsen is vertaald in een tiental talen. Hans Magnus Enzensberger nam hem als enige Noorse dichter op in zijn collectie “Museum der modernen Poesie”..

In januari

O alles wat je kan in januari
wanneer al de dagen maar tot aan je knieën reiken
en je, het etmaal rond, je voorhoofd loopt te stoten tegen de sterren
als op een zolder met oude uniformen.
In januari als de wereld boordevol is van levende sneeuw
die je tegemoet komt met een vrolijk geblaf tegen de ruit
en gehoorzaam languit gaat liggen voor iedere deur
als een grote vriendelijke hond
die scherp met zijn tong je hand wil likken.

In januari
als alles afgesloten is en alle wegen met cement vastgemetseld zijn
en je er met beide benen gaten in kan lopen
en zowat alles doen. Naar buiten gaan of stilzitten
een la opruimen
en daar bedeesde en heel jonge foto’s vinden
die je kan verbranden – of nog maar niet.

En een boek ter hand nemen, beetje stof blazen
en de bladeren onder je vingers door laten ritselen tot in rust
als lichte sneeuwval. Brieven

in steilschrift, handdrukken
van over de zee waar we vandaan kwamen, naar hier
het land zonder geluid
waar alles eender is en alle gezichten plat zijn
als de wijzerplaten van uurwerken, ze trekken de wenkbrauwen op
als je een ongeduldige gedachte denkt.

Wat kan je meer in januari,
als alle woorden dood zijn gepraat
en rondgestrooid liggen als verkreukte kranten
en alle wonden omwikkeld zijn met gaas
en alle sporen weggewassen
en jij rond kan lopen en de planken horen kraken
en de ovens rustig grommen boven hun kluiven.

– Ga zitten. Leg je grote patience
die nooit uitkomt en vraag
wat je meer kan doen voor je hart dan dat.

Zwaardere tabak aanbieden? Op een ladder klimmen
en kolossale rook als een vlag hijsen op je schoorsteen
tot vreugde van de wolken die nu van Karelië komen aandrijven
met wonderlijk verscheurde borst,
om de nieuwe dagen uit te broeden
en de kleine gele zon die je weldra zult zien
op de schuttingpaaltjes in februari.

Maar in januari – dan moet je wachten op je hart.
Laat de sterren maar rinkelen bij je bed. Je ziet
een voorhoofd oprijzen, een gelaat in ’t noorderlicht.
Achter loodgrijze gordijnen zet ze haar lamp neer
bij je kussen zodat ze kan zien
of je trekken veranderd zijn.

 

Vertaald door Lisette Keustermans

 

 
Rolf Jacobsen (8 maart 1907 – 20 februari 1994)