Frans Coenen, Robert Penn Warren

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Onpersoonlijke herinneringen (Het huis)

“Toen ik vele jaren geleden het huis betrad, het heel deftige huis aan de Amsterdamsche hoofdgracht, was de laatste bewoonster eerst drie maanden tevoren overleden. En sedert hadden de testamentaire executeurs daar gehuisd, er in huisgehouden is een beter woord, want overal lag de boel omgehaald voor den inventaris. Maar trots deze grauwe wanorde, als voor een verhuizing, die vergeefs op de kruiers wachtte, had toch het huis zijn eigen sfeer, die sfeer van afwerende, stille beslotenheid, niet gansch verloren. En dat leek wel altijd zoo geweest, sedert het ruim driehonderd jaar geleden, onder de republiek, gebouwd werd voor een burgemeester van Amsterdam. Maar, als ’t ware, boven op het fundementale van dien sfeer, aan het gebouw eigen, en die eerst langzaam tot het volle besef kwam, was er de sfeer en zelfs de atmosfeer van de laatste bewoonster zeer duidelijk en opdringend, zoodra men het schemerige onderhuis betrad. Het rook er namelijk naar katten, al sterker naarmate men uit de lage benedengang de breede trap kwam opgestegen.
Het werd als in Artis, in het gebouw van de kleine roofdieren, voor wie uit de hooge marmeren hoofdgang, door het koepelachtig monumentaal trappenhuis, de eerste verdieping bereikte. Daar was in de kamers die reuk bijna onverdragelijk, als de vertrekken een tijd lang gesloten waren geweest, uitstroomend uit de gordijnzoomen, verhevigd bij alle schoorsteenmantels, klaarblijkelijk overal waar de katers geloopen hadden. Het was vreemd en akelig te bedenken, dat die laatste bewoonster, mevrouw Leroy, jaren lang in deze verpeste atmosfeer had gehuisd. Die oude vrouw met haar katten, het vormde tezamen allengs een griezelige eenheid, iets heksachtigs, dat toch van andere zijden weer werd teniet gedaan. Want eigenlijk alles getuigde hier nog van haar, of zij gisteren was uitgedragen. Allereerst op de ronde, gebeeldhouwde tafel in dat groote, langwerpige voorvertrek, die menigte statiemutsen met linten van elke kleur, maar alle groezelig en wansmakelijk. Dat scheen niet heksachtig, doch meer armzalig van vreemd misplaatste coquetterie. Hoe kon iemand zooveel rare hoofddeksels bezitten? Had zij ze ongeveer alle tegelijk gekocht uit een maniacale behoefte aan verzamelen? Of had zij ze eenvoudig niet weg kunnen doen en er altijd meer bijgekocht? Dit laatste leek wel waarschijnlijk, gezien den vergeelden en verlepten staat van een groot deel der collectie. In elk geval, nu lagen zij daar, bloot voor de onverschillige blikken, een zielige nalatenschap van allicht vergeefsche vrouwelijke behaagzucht en zelf-illusie. Achter de gesloten blinden in het vale schemerlicht van deze kille kamer lagen zij daar al weken, zooals zij uit de laden waren geplukt, pijnlijke getuigenis van een vreemd verleden, dat ons misschien niet had moeten geopenbaard.”

 

Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)
Portret door Ferdinand Hart Nibbrig, 1894

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Penn Warren werd geboren op 24 april 1905 in Guthrie, Kentucky. Zie ook alle tags voor Robert Penn Warren op dit blog.

 

Vertel me een verhaal

Lang geleden, in Kentucky, stond ik, een jongen,
Door een onverharde weg, in het eerste donker, en gehoord
De grote ganzen gieren naar het noorden.

Ik kon ze niet zien, er was geen maan
En de sterren schaars. Ik heb ze gehoord.

Ik wist niet wat er in mijn hart gebeurde.

Het was het seizoen voordat de vlierbes bloeide,
Daarom gingen ze naar het noorden.

Het geluid ging naar het noorden.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Penn Warren (24 april 1905 – 15 september 1989)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e april ook mijn blog van 24 april 2020 en eveneens mijn blog van 24 april 2019 en ook mijn blog van 24 april 2016 deel 2.

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Sue Grafton, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer, Marcus Clarke

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: In duisternis

“In zijn kamertje, grijsdruilend van wintermorgenschemering, lag hij al lange tijd wakker op het ijzerknarsend ledikant, zich telkens omwendend in de bedwarmte, liggend een poos met gesloten ogen, dan weer starend op het groezele vlak van ’t neergelaten gordijn. Zijn hoofd voelde zwaar-moe, zwak van zorggedachten, die hij niet meester worden kon. Het verleden was daar telkens in hem met brokken visie, met gehoorde woorden van vroeger, vermoeiend druk en duidelijk. Dan ineens, als een brede benauwing, kwam het besef van de dag en het noodzakelijk doen dat aanstaande was, zijn bewustheid bezetten, zodat zijn hart hoorbaar bonzen ging en weeë angstgolven borrelden door zijn lijf. Het moest nu wel… het móést… De even-aansluipende verlokking tot nog-uitstellen werd zelve tot walging onder het onverzettelijk besef der noodzakelijkheid. Wat gaf het vandaag niet te doen, als ’t morgen toch moest of overmorgen?…
En hij zag het in, wreed zichzelve pijnend, met bewust willen. Hij zou opstaan, eten in die kille kamer naast-aan en dan, in de grauwe, natte novemberochtend, begon zijn tocht, de zware solliciteergang. Vaag en vluchtig openden zich even de gezichten van zijn sjokkend lopen op straat: een kaal-fatsoenlijk heer met bleek gezicht tussen de onverschillige mensenstoeten. Zijn zenuwig wachten na het aanbellen aan een breed herenhuis, of het lange, pijnlijke wachten in een stommelig hokje tegenover een paar matglazen loketten, sufgrauw-ogend. Een hokje, waar kantoorlopers zwaar binnenstampen en de stroefverende deur moeilijk-piepend openzwaait. En dan herhaalde hij in zich koortsig de woorden, die hij zeggen moest, hoe te doen om zijn optreden zelfbewuster, zekerder te maken…
Maar nu bijna halfluid sprekend, klonk zijn eigen stem leeg-onnozel in de stilte van het kamertje… Hij werd weer zich zelf bewust en zonk vermoeid in het kussen terug, een ogenblik matsoezend zonder gedachten, daar zijn hoofd te vol was om ze afzonderlijk gewaar te worden. Maar allengs klaarde de doezel op, en begon hij weer één gedachte tegelijk uit te spinnen.
Het was een weevragende onrust waar Carolien nu wel zou zijn, hoe ze ’t hebben zou daarginds, en of ze nog met die vent zou wezen. Hij was wel helemaal los van haar… Zij had hem schandalig behandeld… maar een mens kan toch maar niet net zo makkelijk vergeten, als hij ander goed aandoet… Je had toch je momenten van zwakheid… Hij hield nog van d’r… hij voelde het in ’t flauw-zoete verlangen dat nu zijn gedachten tot haar dreef… Hij werd ineens benauwd-ongerust om haar, zoals hij pas nog ongerust om zich zelf was…”

 
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Eric Bogosian werd geboren op 24 april 1953 in Woburn, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Eric Bogosian op dit blog.

Uit: Perforated Heart

“I brought up my own mother’s premature death and we discussed that for a while until I sensed that tears were imminent and I changed the subject. After endless all-night sessions with various ex-girlfriends and lovers, I am no longer available as therapist to fucked-up beauties. I want my perquisites with no strings attached. The awards dinner was a fading memory as we flirted. It was fait ac-compli, wasn’t it? We were striking a deal. She would permit me to caress those mysterious thighs, nuzzle those breasts and enter her. In return I would grant her access to the inner sanctum of a great man’s life. She would be allowed to entertain the illusion that she had melded with a great mind. (A mind not unlike hers, of course.) This entitlement would nourish her grandiosity, which she mistook for authentic talent. My venerable cum was still cooling (or warming?) in her somewhere when I began to get restless. (No, no condom. I’m fixed. Furthermore I always make a pretense of being a person who rarely gets laid, ergo, the logic is, I carry no STDs. Girls like my new friend are usually clean and so am I. I hope.) At two A.M, I let her know I had an early morning appointment and invited her to depart. She seemed surprised by this. As she redressed, I killed time scanning the latest issue of The New York Review of Books, then escorted her down to my driver, who had been waiting patiently under the awning of the building. Something simultaneously chivalrous and vulgar about that. I handed her an autographed copy of A Gentle Death, slammed the door of the car, blew a kiss, turned on my heels and marched smartly back into the mild glow of the lobby, where my stoic doorman kept vigil. His face betrayed nothing. In the elevator I discovered myself in a mirror. I am in my mid-fifties, almost handsome, gray-haired, bespectacled. I have the bearing of what? A successful man of the city. Or just one more putz?”

 
Eric Bogosian (Woburn, 24 april 1953)
Cover

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Penn Warren werd geboren op 24 april 1905 in Guthrie, Kentucky. Zie ook alle tags voor Robert Penn Warren op dit blog.

Uit: Selected Letters of Robert Penn Warren: Triumph and Transition, 1943-1952

“TO LAMBERT DAVIS
January 28, 1943
Dear Lambert: I mentioned in my last note that Samuel Goldwyn wants a reading on At Heaven’s Gate. Recently, I have had two other requests: Richard Mealand, of Paramount, and Irving Deakin, of Warner Brothers. I realize, of course, that these requests area matter of routine, but I have referred them to you, since I don’t have a decent copy of the novel. In fact, your copy is the only complete one of the final version. By the way, Paramount got fairly warm on Night Rider.’ But I suppose that At Heaven’s Gate would offer too many difficulties—unless they simply took some of the material and drastically reworked it. There’s another little matter. Recently, in worrying over the novel coming up (which will probably be called All the King’s Men) and the text book, I got the idea of appealing to the Rosenwald people’ for a grant to enable me to get South for the summer and work the newspaper files and do a little prying around, gossip and interview, etc. to heat myself up for the final business on the political novel. It’s just a damned shame I didn’t get farther into this novel before I had to leave the neighborhood of Louisiana and Mississippi. The Rosenwald people reply that there are sev-eral objections to my application — too much publishing behind me, not living in the South now, only four months involved in project instead of six, etc. But they admit that there’s a chance and send me blanks. I’ve given you as a reference. So you’ll know what it’s all about when you hear from them. If you hear. The trouble is that that damned house of mine in Louisiana is still around my neck, and so the Harcourt $750 simply has to go for the annual extra payment on that. Which means that its teaching for me next summer unless I can scare up the money from Rosenwald. I don’t dare hope for anything from At Heaven’s Gate. And certainly I can’t do any planning on it. By the way, tell the text book people that I haven’t forgotten them. I’ve been fiddling with the project’—inspecting books, doing a few trial outlines, etc. And I taught a section of freshmen last term. I shall teach another in the spring term and try out what few ideas I have come to by that time. I have also written Cleanth about the matter. If it should work out that I could get South next summer, I could kill two birds with one stone — or at least knock off a few tail feathers. As for the date of All the King’s Men. I hope to get down to the final grind of writing next fall. I have begun tinkering with it, and have settled on an approach. It seems to me that my way in is through a single narra-tor who will carry the ball all the way—first-person treatment. I think I’ve got my man picked. The problem was to get a narrator who would have enough opportunity to know the story and would have enough intelli-gence to interpret and would have a style of his own. I believe that I have the boy, all right. He’s a first cousin of Duckfoot (Blake, in At Heaven’s Gate], I should say., Coming back to the date. I should hope to have the thing ready for you in the early fall of next year. I don’t see it as a very long book— rather a shortish and strongly unified one., Well, goodbye, and best luck. We are still wrestling with colds and flu. My head feels like a feather bed the baby wet in. As ever, Red”

 
Robert Penn Warren (24 april 1905 – 15 september 1989)
Cover

 

De Amerikaanse dichter George Oppen (eig. George Oppenheimer) werd geboren op 24 april 1908 in New Rochelle, New York. Zie ook alle tags voor George Oppen op dit blog.

Five Poems about Poetry

1
THE GESTURE

The question is: how does one hold an apple
Who likes apples

And how does one handle
Filth? The question is

How does one hold something
In the mind which he intends

To grasp and how does the salesman
Hold a bauble he intends

To sell? The question is
When will there not be a hundred

Poets who mistake that gesture
For a style.
2
THE LITTLE HOLE

The little hole in the eye
Williams called it, the little hole

Has exposed us naked
To the world

And will not close.

Blankly the world
Looks in

And we compose
Colors

And the sense

Of home
And there are those

In it so violent
And so alone

They cannot rest.

 
George Oppen (24 april 1908 – 7 juli 1984)
Mary en George Oppen op hun boot in California, ca. 1930

 

De Amerikaanse schrijfster Sue Grafton werd geboren in Louisville (Kentucky) op 24 april 1940 als dochter van schrijver C.W. Grafton en Vivian Harnsberger. Zie ook alle tags voor Sue Grafton op dit blog.

Uit: X

“Santa Teresa, California, Monday, March 6, 1989. The state at large and the town of Santa Teresa in particular were nearing the midpoint of a drought that had slithered into view in 1986 and wouldn’t slither off again until March of 1991, when the “miracle rains” arrived. Not that we dared anticipate relief at the time. From our perspective, the pitiless conditions were upon us with no end in sight. Local reservoirs had shrunk, leaving a wide swath of dried mud as cracked as an alligator’s hide.
My professional life was in the same state—always worrisome when you are your sole financial support. Self-employment is a mixed bag. The upside is freedom. Go to work when you like, come home when you like, and wear anything you please. While you still have bills to pay, you can accept a new job or decline. It’s all up to you. The downside is uncertainty, the feast-or-famine mentality not everyone can tolerate.
My name is Kinsey Millhone. I’m a private detective by trade, doing business as Millhone Investigations. I’m female, thirty-eight years old, twice divorced, and childless, a status I maintain with rigorous attention to my birth control pills. Despite the shortage of new clients, I had a shitload of money in the bank, so I could afford to sit tight. My savings account had been plumped by an unexpected sum that dropped into my lap some six months before. I’d invested the major chunk of it in mutual funds. The remaining cash I kept in a money market account that I designated “untouchable.” Friends, on hearing about my windfall, viewed me as certifiable. “Forget about work. Why not travel and enjoy life?”
I didn’t give the question credence. At my age, retirement is out of the question, and even temporary idleness would have driven me insane. True, I could have covered my expenses for months to come with enough in reserve for a lavish trip abroad, except for the following impediments:

1. I’m miserly and cheap.
2. I don’t have a passport because I’ve never needed one. I had traveled to Mexico some years before, but all that was required in crossing the border then was proof of U.S. citizenship.”


Sue Grafton (24 april 1940 – 28 december 2017)

 

De Zwitser dichter, schrijver, essayist en criticus Carl Friedrich Georg Spitteler (eig. Carl Felix Tandem) werd geboren op 24 april 1845 in Liestal bij Basel. Zie ook alle tags voor Carl Spitteler op dit blog.

Uit:Lachende Wahrheiten

Kein empörenderes Schauspiel, als sehen zu müssen, wie unsere leidige Allerweltsschulmeisterei es fertig gebracht hat, die süßesten Früchte mittels pädagogischer Bakterien ungenießbar zu machen und Geschenke, die dazu ersehen waren, uns zu beglücken, in Buß und Strafe umzusetzen. Die Kunst ist großherzig und menschenfreundlich wie die Schönheit, welcher sie entspringt. Sie ist ein Trost der Menschen auf Erden und erhebt keinen andern Anspruch, als innig zu erfreuen und zu beseligen. Sie verlangt weder Studien noch Vorbildung, da sie sich unmittelbar durch die Sinne an das Gemüt und die Phantasie wendet, so daß zu allen Zeiten die einfache jugendliche Empfänglichkeit sich im Gebiete der Kunsturteilsfähiger erwiesen hat, als die eingehendste Gelehrsamkeit. So wenig man Blumen und Sonnenschein verstehen lernen muß, so wenig es Vorstudien braucht, um den Rigi herrlich, ein Fräulein schön zu finden, so wenig ist es nötig, die Kunst zu studieren. Gewiß, die Empfänglichkeit ist beschränkt, die Begabungen sind ungleich zugeteilt, die Sinne, welche die Kunsteindrücke vermitteln, beobachten schärfer oder stumpfer. Indessen habe ich noch keinen Menschen von Gemüt und Phantasie (denn Gemüt und Phantasie sind die Vorbedingungen, aber auch die einzigen Vorbedingungen des Kunstgenusses) gekannt, welcher nicht an irgendeinem Teil der Kunst unmittelbare Freude empfunden hätte. Und darauf kommt es allein an. Jeder suche sich an dem himmlischen Fest diejenige Speise aus, die seine Seele entzückt, und weide sich daran nach Herzenslust, so oft und so viel er mag, im stillen oder, wenn ihm das Herz überläuft, mit gleichgesinnten Freunden. Das ist Kunstgenuß. Das ist aber auch Kunstverständnis. Wer sich aufrichtig und bescheiden an einem Kunstwerke erfreut, der versteht es ebensowohl und wahrscheinlich noch besser, als wer gelehrte Vorträge darüber hält; wie denn auch ewig die Künstler selbst sich unmittelbar an das einfache Publikum wenden und alle Vormundschaft und gelehrte Zwischenträgerei zwischen Kunstwerk und Publikum verabscheuen.“

 
Carl Spitteler (24 april 1845 – 29 december 1924)
Cover

 

De Engelse schrijver Anthony Trollope werd geboren in Londen op 24 april 1815. Zie ook alle tags voor Anthony Trollope op dit blog.

Uit: The Prime Minister

“Ferdinand Lopez, who in other respects had much in his circumstances on which to congratulate himself, suffered trouble in his mind respecting his ancestors such as I have endeavoured to describe. He did not know very much himself, but what little he did know he kept altogether to himself. He had no father or mother, no uncle, aunt, brother or sister, no cousin even whom he could mention in a cursory way to his dearest friend. He suffered no doubt; — but with Spartan consistency he so hid his trouble from the world that no one knew that he suffered. Those with whom he lived, and who speculated often and wondered much as to who he was never dreamed that the silent man’s reticence was a burden to himself. At no special conjuncture of his life, at no period which could be marked with the finger of the observer, did he glaringly abstain from any statement which at the moment might be natural. He never hesitated, blushed, or palpably laboured at concealment; but the fact remained that though a great many men and not a few women knew Ferdinand Lopez very well, none of them knew whence he had come, or what was his family.
He was a man, however, naturally reticent, who never alluded to his own affairs unless in pursuit of some object the way to which was clear before his eyes. Silence therefore on a matter which is common in the mouths of most men was less difficult to him than to another, and the result less embarrassing. Dear old Jones, who tells his friends at the club of every pound that he loses or wins at the races, who boasts of Mary’s favours and mourns over Lucy’s coldness almost in public, who issues bulletins on the state of his purse, his stomach, his stable, and his debts, could not with any amount of care keep from us the fact that his father was an attorney’s clerk, and made his first money by discounting small bills. Everybody knows it, and Jones, who like popularity, grieves at the unfortunate publicity. But Jones is relieved from a burden which would have broken his poor shoulders, and which even Ferdinand Lopez, who is a strong man, often finds it hard to bear without wincing.
It was admitted on all sides that Ferdinand Lopez was a ‘gentleman’. Johnson says that any other derivation of this difficult word than that which causes it to signify ‘a man of ancestry’ is whimsical. There are many who, in defining the term for their own use, still adhere to Johnson’s dictum; — but they adhere to it with certain unexpressed allowances for possible exceptions. “

 
Anthony Trollope (24 april 1815 – 6 december 1882)
Cover

 

De Duitse schrijver Michael Schaefer werd geboren op 24 april 1976 in Bielefeld. Zie ook alle tags voor Michael Schaefer op dit blog.

Uit: Liebe auf Raten

„Als sie dann den Buckingham-Palace aus der Entfernung sahen, wurden die Gespräche über das schöne Schloss und die Queen laut. Immer neue Wunder durften Tom und Steve bewundern. Als sie dann in eine kleinere Seitengasse im Stadtzentrum einbogen und vor dem Jugendhotel zum Stehen kamen, war keiner mehr zu halten. Sie quetschten sich heraus, so als würden sie innerhalb von Minuten alles verpassen. Die Begeisterung fand ihren ersten Höhepunkt als sie in das weitläufige Foyer des Hotels schritten mit seinen hohen Räumen und den Bemalungen an Wand und Decke. Der Boden war sorgsam gebohnert, die kleinen Sitzecken geschickt mit bepflanzten Raumteilem getrennt. In der Mitte der Halle neben der bauchigen Rezeption der Wegweiser zu den Speisesälen, der Waschstube, den Tagungsräumen, dem Freizeitkeller mit Tischtennis, Kicker und Billard. Dem Partykeller mit Discoanlage und Lichtorgeln. Auch eine Bar war ausgeschildert. Tom war hellauf begeistert, wie Licht und Schatten geschickt ausgenutzt wurden, um eine warme, heimische Atmosphäre zu schaffen. Die große Halle wurde optimal genutzt und gab den Betrachtern nicht das Gefühl, eingeengt zu sein. Als die Zimmer verteilt wurden, hatten Tom und Steve das große Los gezogen, als einzige ein Zweibettzimmer zu bekommen, während die anderen in 6-Bett-Zimmern untergebracht wurden. Steve war das relativ egal, schlafen würde er dann ohnehin nur, wenn es unbedingt sein muss. Zuviel gibt es in London zu entdecken. Die Tagesplanung der Lehrer war genau richtig, um die nähere Umgebung zu erkunden. Man durfte ohne Lehrer durch die Stadt ziehen, musste nur am Abend um 19 Uhr wieder im Haus sein, weil es da Abendessen gab. Auch die Zimmer waren eher zweckmäßig als schick eingerichtet, dafür waren sie aber sauber und gepflegt. Tom und Steve warfen einfach ihr Zeug ins Zimmer, bezogen schnell die Betten und waren als eine der ersten bereits schon wieder unten und aus dem Hotel raus. Steve, bewaffnet mit Stadtführer und Stadtplan, und Tom mit einer Fotokamera anno Domini 1980. Tom wünschte sich zwar schon immer eine Digitalkamera als so ein klobiges Ding, allerdings hatten seine Eltern das bisher mangels finanzieller Möglichkeiten abgelehnt.
Als sie die ersten Schritte in der Traummetropole wagten, begannen auch die Probleme. Zuerst verirrten sie sich in der alten Metro mit ihren Tausenden kleinen Durchgängen und Gleisen. Dann stiegen sie auch noch in die falsche Bahn und fuhren bis fast zum Stadtrand, wo es wenig Tolles zu sehen gab. Außerdem war die allgemeine Hektik in der Stadt unter der Stadt völlig unbekannt für die beiden. Die lauten Stimmen und die schiebenden, quetschenden und durchaus mal Ellenbogen nutzenden Massen, waren den beiden Landeiem sehr bald schon zuwider. Auch diese teilweise völlig obskuren Gestalten mit hoch stehenden gefärbten Haaren, zerrissenen Hosen und Ketten an den Schuhen und Jacken.“

 
Michael Schaefer (Bielefeld, 24 april 1976)
Buckingham Palace from St James’s Park door Daisy Sims-Hilditch, z.j.

 

De Australische schrijver Marcus Clarke werd geboren op 24 april 1846 in Londen. Zie ook alle tags voor Marcus Clarke op dit blog.

Uit: Australian Tales of the Bush

“A deeper melancholy seemed to fall on the always melancholy township. Coppinger’s cronies took their “tots” in silence, steaming the while, and Coppinger himself would come gloomily to the door, speculating upon evil unless the leaden curtain lifted.
But it did not lift, and rumour of evil came. Up the country, by Parsham and Merrydale, and Black Adder
s Gully, there were whole tracts of grass-land under water. The neighbouring station of Halls, in the mountains, was a swamp. The roads were bogged for miles. Tim Doolan was compelled to leave his dray and bullocks Tom and Jerrys, and ride for his life before the advancing waters. The dams were brimming, at Quartzborough, St. Rey reservoir was running over. It was reported by little McCleod, the sheep-dealer, that the old bridge at the Little Glimmera had been carried away. It was reported that Old Man Horn, whose residence overlooked the river, had fastened a bigger hook to a larger pole (there was a legend to the effect that Old Man Horn had once hooked a body from the greedy river, and after emptying its pockets, had softly started it down stream again), and was waiting behind his rickety door, rubbing his withered hands gleefully. Young Bartram rode over to Quartzborough to get McCompass, the shire engineer, to look at his new dam. Then the coach stopped running, and then Flash Harry, galloping through the township at night, like the ghost-rider the ghost-rider in Bürger’s ghastly ballad, brought the terrible news: THE FLOODS WERE UP, AND THE GLIMMERA BANK AND BANK AT THE OLD CROSSING-PLACE.
It will be here in less than an hour, he shouted, under Coppingers red lamps; make for the high ground if you love your lives; and so wet, wild-eyed, and white, splashed off into the darkness, if haply he might warn the poor folk down the river of the rushing death that was coming upon them.
Those who were there have told of the horrors of that night. How the muddy street, scarce reclaimed from the river-bed, was suddenly, full of startled half-dressed folk. How Coppinger’ss was crowded to the garret. How the schoolmaster dashed off, stumbling through the rain, to warn them at Seven Creeks. How bullies grew pale with fear, and men hitherto mild of speech and modest of mien, waxed fiery-hot with wrath at incapacity, and fiercely self-assertive in relegating fools to their place in the bewildered social economy of that general overturn. How the roaring flood came down, bearing huge trees, fragments of houses, grotesquely terrible waifs and strays of house-hold furniture upon its yellow and turbid bosom, timid women grew brave, and brave men hid their faces for a while.”

 
Marcus Clarke (24 april 1846 – 2 augustus 1881)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e april ook mijn blog van 24 april 2016 deel 2.

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Sue Grafton, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer, Marcus Clarke

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Bezwaarlijke liefde

“Tusschen tafel en kanapee ging hij met gelijke vervelings passen op en neer, in vage benauwdheid.
De kamer was in schemering, maar in den eenen raamhoek scheen de lamp op zijn schrijftafel door de gekleurdpapieren kap een rooden gloed uit, en hij voelde, verstrooid er heenziende, daar een gezelligheidscentrum, in de lichtsfeer der lamp een hoekje saamgetrokken stilte-aandacht en als het uiterlijk aspect van een geestesstaat, die ernst en wegzijn uit de buitenwereld beduidde.
Maar hij ging in de gevoelige schemering naast de tafel, waarop nog het theegoed stond; pogend zijn verlangen te koelen in beweging, benauwd door de holheid van den tijd en de zwaarte van zijn lijfsbestaan.
Hoog uit het vage donkere, aan het penant tusschen de twee ramen, rusteloosde de bleeke tik van een oud porceleinen klokje, waarvan omlaag de gewichten stil koperglansden.
En er was een vermoeiend accent, telkens op de tweede tik, alsof de tijd mank ging. In zijn prikkelbare leegheid van zijn moest hij daar telkens op letten en die kreupele stap volgen door de stilte, verveeld-zenuwig-nieuwsgierig of het werkelijkheid of maar verbeelding was, dat de tweede tik zwaarder klonk.
Hij zag nog eens op naar de kleine ronde wijzerplaat, die vaag uit de wand bleekte en waar de grove stompe wijzers in de laagte de bekende scherpe hoek van halfnegen vormden.
Halfnegen pas… En hij moest tot minstens tien uur wachten…
De kamer stond om hem, leeg en onverschillig. Die intieme lichthoek met de aandachtschijn over het opgeslagen boek werd hem tot een ergernis, omdat het even smartelijk deed indenken in de zielerust en vruchtbare concentratie van een, die daar zou zitten, onbewust van alle uiterlijke dingen, de uren door.
Staande met de rug naar het smalle penant tusschen de ramen, zond hij vaagzoekende blikken uit in de schemerholle kamerruimte.
Bleek-vervig rezen de rechte, hoekende lijnen van de deur in de rechterhoek. Daarnaast de posten der hooge dubbeldeuren, die in ’t midden der kamer naar de alkoof openden. Die stonden nu open en flauw bleekten hun langwerpige vakken in de alkoofdonkerte, waar een lampet in zijn kom bleek opschimde aan de achterwand.”

 
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)
De Munt te Amsterdam door Cornelis Vreedenburgh, 1926.

 

De Amerikaanse schrijver en acteur Eric Bogosian werd geboren op 24 april 1953 in Woburn, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Eric Bogosian op dit blog.

Uit: One Day in the Life of Ivan Denisovich

“Shukhov had been told that this old man’d been in camps and prisons more years than you could count and had never come under any amnesty. When one ten-year stretch was over they slapped on another. Shukhov took a good look at him close up. In the camp you could pick him out among all the men with their bent backs because he was straight as a ramrod. When he sat at the table it looked like he was sitting on something to raise himself up higher. There hadn’t been anything to shave off his head for a long time-he’d lost all his hair because of the good life. His eyes didn’t shift around the mess hall all the time to see what was going on, and he was staring over Shukhov’s head and looking at something nobody else could see. He ate his thin gruel with a worn old wooden spoon, and he took his time. He didn’t bend down low over the bowl like all the others did, but brought the spoon up to his mouth. He didn’t have a single tooth either top or bottom-he chewed the bread with his hard gums like they were teeth. His face was all worn-out but not like a goner’s-it was dark and looked like it had been hewed out of stone. And you could tell from his big rough hands with the dirt worked in them he hadn’t spent many of his long years doing any of the soft jobs. You could see his mind was set on one thing-never to give in. He didn’t put his eight ounces of bread in all the filth on the table like everybody else but laid it on a clean little piece of rag that’d been washed over and over again.”
(…)

“Shukhov stared at the ceiling and said nothing. He no longer knew whether he wanted to be free or not…it had gradually dawned on him that people like himself were not allowed to go home but were packed off into exile. And there was no knowing where the living was easier – here or there. The one thing he might want to ask God for was to let him go home. But they wouldn’t let him go home.”

 
Eric Bogosian (Woburn, 24 april 1953)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Robert Penn Warren werd geboren op 24 april 1905 in Guthrie, Kentucky. Zie ook alle tags voor Robert Penn Warren op dit blog.

 

Lord Jesus, I wonder

Lord Jesus, I wonder if I would recognize you
On the corner of Broadway and Forty-Second-

Just one more glaze-eyed, yammering bum, nobody to listen
But the halt and maimed. My legs are good.

Yet sometimes I’ve thought of you, sandaled on sand,
Or stub-toed in gravel, dried blood black on a toe-nail,

And you seemed to look beyond traffic, then back with an innocent
Smile, to ask a revealing question

To which I could find no answer. But I suddenly smell
The sweat-putrid mob crowding closer, in pain and emptiness, ready

To believe anything-ignorant bastards. I envy them. Except
Their diseases, of course. For my head roars

With information, true or false, till I feel like weeping
At the garish idiocy of a Sunday School card. At fourteen,

I was arrogantly wrapped up in Darwin, but felt, sometimes,
Despair because I could not love God, nor even know his address.

How about this? God, c/o Heaven-Special Delivery? Well,
The letter was returned: Addressee Unknown. So

I laughed till I vomited. Then laughed again, this time
At the wonder of the world, from dawn to dark, and all

Night long, while stars spoke wisdom in battalions of brilliance.
Sometimes, since then, I have, face up, walked a night road,

Still adolescent enough to seek words for what was in my heart,
Or gut. But words, I at last decided, are their own truth.

There is no use to continue this conversation. We all
Know that. But, for God’s sake, look the next blind man you meet

Straight in the eye. Do not flinch at prune-shriveled socket, or
Blurred eyeball. Not that you have

The gift of healing. You will not heal him, but
You may do something to heal something within yourself.

 
Robert Penn Warren (24 april 1905 – 15 september 1989)

 

De Amerikaanse dichter George Oppen (eig. George Oppenheimer) werd geboren op 24 april 1908 in New Rochelle, New York. Zie ook alle tags voor George Oppen op dit blog.

 

Populist

I dreamed myself of their people, I am of their people,
I thought they watched me that I watched them
that they

watched the sun and the clouds for the cities
are no longer mine image images

of existence (or song

of myself?) and the roads for the light
in the rear-view mirror is not
death but the light

of other lives tho if I stumble on a rock I speak
of rock if I am to say anything anything
if I am to tell of myself splendor
of the roads secrecy

of paths for a word like a glass

sphere encloses
the word opening
and opening

myself and I am sick

for a moment

with fear let the magic
infants speak we who have brought steel

and stone again
and again

into the cities in that word blind

word must speak
and speak the magic

infants’ speech driving
northward the populist
north slowly in the sunrise the lapping

of shallow
waters tongues

of the inlets glisten
like fur in the low tides all that

childhood envied the sounds

of the ocean

over the flatlands poems piers foolhardy

structures and the lives the ingenious
lives the winds

squall from the grazing
ranches’ wandering

fences young workmen’s

loneliness on the structures has touched
and touched the heavy tools tools
in our hands in the clamorous

country birth-
light savage

light of the landscape magic

page the magic
infants speak


George Oppen (24 april 1908 – 7 juli 1984)

 

De Amerikaanse schrijfster Sue Grafton werd geboren in Louisville (Kentucky) op 24 april 1940 als dochter van schrijver C.W. Grafton en Vivian Harnsberger. Zie ook alle tags voor Sue Grafton op dit blog.

Uit: W Is For Wasted

“Two dead men changed the course of my life that fall. One of them I knew and the other I’d never laid eyes on until I saw him in the morgue. The first was Pete Wolinsky, an unscrupulous private detective I’d met years before through Byrd-Shine Investigations, where I’d served my apprenticeship. I worked for Ben Byrd and Morley Shine for three years, amassing the six thousand hours I needed for my license. The two were old-school private eyes, hard-working, tireless, and inventive. While Ben and Morley did business with Pete on occasion, they didn’t think much of him. He was morally shabby, disorganized, and irresponsible with money. In addition, he was constantly pestering them for work, since his marketing skills were minimal and his reputation too dubious to recommend him without an outside push.
Byrd-Shine might subcontract the odd stretch of surveillance to him or assign him a routine records search, but his name never appeared on a client report. This didn’t prevent him from stopping by the office without invitation or dropping their names in casual conversations with attorneys, implying a close professional relationship. Pete was a man who cut corners and he assumed his colleagues did likewise.
More problematic was the fact that he’d rationalized his bad behavior for so long it had become standard operating procedure.
Pete Wolinsky was gunned down the night of August 25 on a dark stretch of pavement just off the parking lot at the Santa Teresa Bird Refuge. The site was right across the street from the Caliente Café, a popular hangout for off-duty cops. It might seem odd that no one in the bar was aware that shots were fired, but the volume on the jukebox, roughly the equivalent of a gas-powered chainsaw at a distance of three feet. The rare moments of quiet are masked by the high-pitched rattle of ice cubes in dueling blenders where margaritas are whipped up at a rate of one every four and a half minutes.
Pete’s body might not have been discovered until daylight if it hadn’t been for an inebriated bar patron who stepped into the shadows to take a leak. I heard about Pete’s death on the morning news while I was eating my Cheerios. The TV set was on in the living room behind me, more for the company than the content.”

 
Sue Grafton (24 april 1940 – 28 december 2017)

 

De Zwitser dichter, schrijver, essayist en criticus Carl Friedrich Georg Spitteler (eig. Carl Felix Tandem) werd geboren op 24 april 1845 in Liestal bij Basel. Zie ook alle tags voor Carl Spitteler op dit blog.

 

Es kam ein Herz an einem Jahrestage

Es kam ein Herz an einem Jahrestage
Vor seinen Herrn, zu weinen diese Klage:

“So muß ich Jahr für Jahr denn mehr verarmen!
Kein Gruß, kein Brieflein heute zum Erwarmen!
Ich brauch ein Tröpflein Lieb, ein Sönnchen Huld.
Ist mein der Fehler? ists der andern Schuld?
Hab jede Güte doch mit Dank erfaßt
Und auf die Dauer niemand je gehaßt.
Noch ist kein Trauriger zu mir gekommen,
Der nicht ein freundlich Wort von mir vernommen.
Wer weiß es besser, wie man Gift vergibt?
Wer hat in Strömen so wie ich geliebt?
Doch dieses eben schmeckt so grausam schnöde:
Da, wo ich liebte, grinst die leerste Öde.”

An seinem Schreibtisch waltete der Herr,
Schaute nicht auf und sprach von ungefähr:
“Ein jeder wandle einfach seine Bahn.
Ob öd, ob schnöde, ei was gehts dich an?
Was tut das Feuer in der Not? Es sprüht.
Was tut der Baum, den man vergißt? Er blüht.
Drum übe jeder, wie er immer tut.
Wasch deine Augen, schweig und bleibe gut.”

 

Die Sängerin

Im Traume wars. Ein Pilgerschwarm
Von Männern und von Frauen zog
Durch meine Heimat Hand in Hand,
Lobsingend einen süßen Psalm.
Im letzten Gliede schreitend folgt
ch selig der verwandten Schar.

Da schwang durch den harmonischen Chor,
Vom Haupt des Zuges, unsichtbar
sich eine Stimme jung und frisch
Und klar, weithin Gebirg und Tal
Vergoldend mit dem sonnigen Sang.
Allein die Stimme jauchzte falsch,
Im Tone hinkend und im Takt.

Und ob dem wundersamen Sang
So schön, so innig und so falsch,
Warf ich mich schluchzend auf den Weg,
Die Zähne klemmend in die Faust,
Die Stirn im heimatlichen Staub.

 
Carl Spitteler (24 april 1845 – 29 december 1924)
Monument in Bennwil

 

De Engelse schrijver Anthony Trollope werd geboren in Londen op 24 april 1815. Zie ook alle tags voor Anthony Trollope op dit blog.

Uit: The Duke’s Children

“No one, probably, ever felt himself to be more alone in the world than our old friend, the Duke of Omnium, when the Duchess died. When this sad event happened he had ceased to be Prime Minister. During the first nine months after he had left office he and the Duchess remained in England. Then they had gone abroad, taking with them their three children. The eldest, Lord Silverbridge, had been at Oxford, but had had his career there cut short by some more than ordinary youthful folly, which had induced his father to agree with the college authorities that his name had better be taken off the college books,–all which had been cause of very great sorrow to the Duke. The other boy was to go to Cambridge; but his father had thought it well to give him a twelvemonth’s run on the Continent, under his own inspection. Lady Mary, the only daughter, was the youngest of the family, and she also had been with them on the Continent. They remained the full year abroad, travelling with a large accompaniment of tutors, lady’s-maids, couriers, and sometimes friends. I do not know that the Duchess or the Duke had enjoyed it much; but the young people had seen something of foreign courts and much of foreign scenery, and had perhaps perfected their French. The Duke had gone to work at his travels with a full determination to create for himself occupation out of a new kind of life. He had studied Dante, and had striven to arouse himself to ecstatic joy amidst the loveliness of the Italian lakes. But through it all he had been aware that he had failed. The Duchess had made no such resolution,–had hardly, perhaps, made any attempt; but, in truth, they had both sighed to be back among the war-trumpets. They had both suffered much among the trumpets, and yet they longed to return. He told himself from day to day, that though he had been banished from the House of Commons, still, as a peer, he had a seat in Parliament, and that, though he was no longer a minister, still he might be useful as a legislator. She, in her career as a leader of fashion, had no doubt met with some trouble,–with some trouble but with no disgrace; and as she had been carried about among the lakes and mountains, among the pictures and statues, among the counts and countesses, she had often felt that there was no happiness except in that dominion which circumstances had enabled her to achieve once, and might enable her to achieve again–in the realms of London society.”

 
Anthony Trollope (24 april 1815 – 6 december 1882)
Cover

 

De Duitse schrijver Michael Schaefer werd geboren op 24 april 1976 in Bielefeld. Zie ook alle tags voor Michael Schaefer op dit blog.

Uit: Liebe auf Raten

„Die letzte Nacht schlief er höchstens zwei Stunden. Er war viel zu aufgeregt und checkte mindestens zwanzig Mal in der Nacht sein gesamtes Gepäck und seine Geldbörse, ob er auch alles hatte. Den Stadtführer, die Stadtkarte, die Metro-Karte, die er sich extra von seiner Klassenlehrerin bestellen ließ, damit er ohne Probleme in London umherfahren konnte, um alles anzusehen, was es dort gab. Er wechselte auch mindestens dreimal sein gesamtes Gepäck, um optimal auf alle ‘Wetterverhältnisse in London ausgerüstet zu sein. Am nächsten Morgen war er als erster am Frühstückstisch, fix und fertig zur Abreise nach London. Er hatte sogar seinen Eltern das Frühstück gemacht, so dass weniger Zeit verloren ging, um loszufahren. An der Schule von Silverville stand bereits der große Reisebus, um die wild durcheinander schreienden Jugendlichen aufzunehmen und sie gen London zu bringen. Er hielt sich nicht lange mit der Verabschiedung seiner Eltern auf. Er umarmte beide kurz und ließ sich seine goldblonden Locken noch etwas zurechtzupfen und seine Jacke etwas fester um seine Schulter ziehen. Dann verstaute er sein Gepäck in dem Lagerraum des Busses und stieg ein, ohne sich noch einmal umzublicken. Tom erwartete ihn bereits etwa in der Mitte des Busses, ganz in der Nähe der Toilette. Man weiß ja nie, wie sehr so ein Bus rütteln kann. Und da weder Tom noch Steve jemals eine solch lange Fahrt mit dem Bus gemacht hatten, konnte man nicht vorsichtig genug sein. Seine Klassenlehrerin und ihr Vertretungslehrer zählten durch und dann konnte die Fahrt endlich beginnen. Zwei Stunden und mindestens dreißig Minuten Busfahrt ohne Pause, Tom und Steve hielten sich beide nicht großartig lang an Gesprächen auf, sondern blickten voller Erwartung aus dem Fenster. Sie ließen Orte, Wiesen, Landstrassen und zum Ende auch die Autobahn hinter sich.
Nach zwei Stunden und 44 Minuten erreichten sie die ersten Außenbezirke von London. Die Jugendlichen drückten sich ihre Nasen an der Scheibe platt und staunten nicht schlecht über diese vielen Menschen, die eilig durch das typische Londoner Regenwetter eilten, um schnell nach Hause oder zum Arbeitsplatz, zum Supermarkt oder zum Bäcker zu kommen. Je näher man dem Stadtkern kam, umso voller wurde es und umso gewaltiger waren die Häuser. Mietswohnungen mit vier Stockwerken waren für die Landjungs schon fast Wolkenkratzer. Jedes Bankgebäude mit seinen metallenen Fassaden oder Glaswänden war Utopie. Die berühmten roten Doppeldecker des Londoner Stadtbildes entlockte dem einen oder anderen ein erstauntes „Boah”.


Michael Schaefer (Bielefeld, 24 april 1976)
London Under Rain door Yetis Uysal

 

De Australische schrijver Marcus Clarke werd geboren op 24 april 1846 in Londen. Zie ook alle tags voor Marcus Clarke op dit blog.

Uit: Australian Tales of the Bush

“She rides like an angel,said pious Fitz, and the next time he met her he told her so.
Now this young maiden, so fair, so daring, and so silent, came upon the Bullocktown folk like a new revelation. The old Frenchman at the Melon Patch vowed tearfully that she had talked French to him like one of his countrywomen, and the school master, Mr. Frank Smith, duly certificated under the Board of Education, reported that she played the piano divinely, singing like a seraph the while. As nobody played (except at euchre) in Bullocktown, this judgment was undisputed. Coppinger swore, slapping with emphasis his mighty thigh, that Miss Jane was a lady, and when he said that he said everything. So, whenever Miss Jane visited the township, she was received with admiration. Coppinger took off his hat to her, Mr. Frank Smith walked to the station every Sunday afternoon to see her, and Poor Joe stood afar off and worshipped her, happy if she bestowed a smile upon him once out of every five times that he held her tiny stirrups.
This taming of Poor Joe was not unnoticed by the whisky-drinkers, and they came in the course of a month or so to regard the cripple as part of the property of Miss Jane, as they regarded her dog for instance. The schoolmaster, moreover, did not escape tap-room comment. He was frequently at Seven Creeks.
He brought flowers from the garden there. He sent for some new clothes from Melbourne. He even borrowed Coppinger s bay mare. Flirt,to ride over to the Sheep-wash, and Dick the mail-boy, who knew that Coppinger s mare was pigeon-toed, vowed that he had seen another horses tracks besides hers in the sand of the Rose Gap Road.
You
re a deep un, Mr. Smith, said Coppinger. I found yer out sparking Miss Jane along the Mountain Track. Deny it if yer can?
But Frank Smith
s pale cheek only flushed, and he turned off the question with a laugh. It was Poor Joe ’s eyes that snapped fire in the corner.
So matters held themselves until the winter, when the unusually wet season forbade riding parties of pleasure. It rained savagely that year, as we all remember, and Bullocktown in rainy weather is not a cheerful place. Miss Jane kept at home, and Poor Joe s little eyes, wistfully turned to the Station on the hill, saw never her black pony cantering round the corner of Archie Camerons hayrick.“


Marcus Clarke (24 april 1846 – 2 augustus 1881)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e april ook mijn blog van 24 april 2016 deel 2.

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: De tuin der fantasie

“..Er is zoveel. dat vertelt op het ogenblik… Kijk eens naar buiten. Luister eens naar de stilte, en luister eens naar die vogel. die daar heel ver weg in avondzang zit te fluiten… En kijk eens naar de lucht. en zeg dan maar, dat de dichter van die psalm het wel geweten heeft toen hij zong: De hemelen verkondigen Gods eer, en het uitspansel Zijner handen werk… De dag aan de dag stort overvloediglijk sprake uit, de nacht aan de nacht toont weten-schap… Geen spraak, en geen woorden zijn er. waar hun stem niet wordt gehoord…” En de stem dezer stilte. de heerlijkheid van de sterrenhemel. en de wonderen der natuur in berg en bos. — dat alles is in Indië nog weer zo anders dan hier… Er is geen stilte zo stil als die van de Indische avonden. als de hemel helder en klaar is. en niets. niets beweegt rondom ons… Als er geen geluid klinkt, geen vogel zingt. geen kikvors roept… Alleen zit daar ergens in de verte een mens. en je weet niet waar. en die maakt op zijn gamelang die heel weemoedige. wonderlijke muziek bijna zonder melodie… 0 jongens. dat is onuitsprekelijk. deze stilte van de avonden in het gebergte van Sumatra of van Java…” ..Wat is er toch verschrikkelijk veel moois in de wereld.” zei Tom zacht en als in zich zelf. ,.Grootvader. zou U denken. dat ik daar nog wel eens komen kon?” ..Hóór nou eens!” zei Wil plotseling luidruchtig…Dat is er nou een. die vanmiddag nog sprak van dat apenland…” Tom gaf geen antwoord. maar Grootvader zeide: ..Ja. we ver-nordeelen het allereerst wat we het allerminst kennen… Of jij er zoudt kunnen komen. Tom? Wel. natuurlijk kan dat. Als jij inge-nieur mag worden met Gods hulp, dan zijn er zeker in Indië allerlei betrekkingen voor je open… Maar, beste jongen. zolang. vooruit moeten we maar niet praten, dunkt me….er kan nog zoveel ge-beuren…” Tom zag Grootvader aan. Dat was nu de tweede maal al, dat hij dit antwoord hoorde vandaag. Kon Grootvader daarmeè iets bedoelen. iets bijzonders?”

 
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)

 

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer”

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Zondagsrust

“Een licht fronselen en kraken in het gangetje, doffen van haastige bloote voetjes op houten vloer, en de gangdeur, die op de trap uitkwam, knapte uit haar slot. Het was of hiermee het buitenleven van de straat intoog, en nu overal de gave stiltebol in geluiden openbarstte. Er was even een geplens van vocht overgieten, onverschillige mompelgroet van een grove stem… Daarna hosklosten zware schoenen de trap af en knapte de deur weer veilig dicht.
De vale alkoofschemering echter leefde nu in klein bewegen en geluiden van wakker worden. Het bovenlijf van juffrouw Verhoef was opgespookt uit de vaalschaduwige bedmassa en op zij gekeerd, steunend op de rechterarm, wreef zij zich met de vlakke linkerhand over de oogen, gerekt geeuwend. Naast haar ging het dek omhoog boven de magere knieën van haar man, die aan de muurkant lag, en zijn lange staakarmen hieven op, strekten langs het kussen met een doffe stoot tegen het beschot.
– Jesis… is ’t nou al weer uit! geeuwde hij.
– Ja… hebbi nog niet genog gemaft? fluisterde zij schorrig, maar haar aandacht ging naar wat zij in de keuken hoorde: kleine scharrelige geluidjes, gekraak en bordengetik. En opeens riep zij luid:
– M’rietje, wat doe je? Nerges ankomme, hoor je? Ga maar vooreerst weer in bed….
En toen er iets na-kletterde, drifte zij op:
– Gà je!
– Ja… moeder… klonk een dunne kinderstem vleiïg-gedwee terug en toen:
– Mag ik bij u komme?
– Nee, nog niet, ga maar eerst weer in bed… Strakkies, as je vader d’r uit is…
En toen zij het zwakke kraken van de bedsteê in de gang gehoord had, lag de vrouw weer stil op de rug te kijken in het alkoofhokje, dat de morgen nu gevuld had met vuilgrijze schemer. In de kamer, in de gang en ook vòor, bij den commensaal heerschte weer stilte en van boven kwam evenmin geluid. Overal de Zondagochtendrust van lang uitslapen en genietende luiheid.
Tot beneden een klok sloeg met donkere klank.”

 
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, George Oppen, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer”

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Bleeke levens

“In den vroegen ochtend, met een treintje, dat aansloot aan een van die groote, stormende internationale treinen zouden wij gaan.
Den avond tevoren, na het souper, werd het eenigermate duidelijk in welke verhouding de oude heer en de jonge vrouw tot elkaar stonden, de twee menschen, waarin deze kleine maatschappij het meest belangstelde. Iemand had hun vier schoenen voor een kamerdeur zier staan en den volgenden dag, toen de kamer open stond ter schoonmaak, even naar binnen gekeken. En het was maar één kamer en er was maar één ledikant! Een ander had bij den hôtelhouder geinformeerd en er was nog iemand die hen zeide te kennen en uit hetgeen zij gezamenlijk er van wisten, moest het nu blijken dat de oude heer een ‘vieux farceur’ was en de jonge vrouw zijn maîtres.
Wij, alle logeergasten, hadden de hoofden bij elkaar gestoken en bespraken het geval met een aangename geheimzinnigheid. Nog altijd had de meneer niets in het boek geschreven, maar dat zou nu toch wel moeten, dacht men. En wat hij er dan van maken zou! En zij met haar mooi engelengezichtje en schuchtere manieren! Het was een curieus geval, een verzamelpunt voor de leege nieuwsgierigheid en het wekte alle gedachten, die zulk een verhouding van een ouden verliefden rijkaard en een arm, mooi meisje, dat zich prostitueert, pleegt te wekken bij de menschen, die de wereld meer uit boeken, dan uit eigen aanzien kennen.
Den volgenden ochtend, toen wij vroeg beneden kwamen in de nog druilige gang en doffe eetzaal, zat het paar daar al te ontbijten. Zij wilden blijkbaar met denzelfden trein als wij afreizen. Er was den vorigen avond niets van bekend geweest onder de andere gasten en het geleek wel iets naar een overhaaste vlucht. Terwijl, in de stille kamer, wij te ontbijten zaten, kwamen onze blikken telkens naar het zonderlinge paar terug. Zij zagen echter nooit naar ons, maar hielden hun oogen voor zich, alsof zij wel wisten, dat zij altijd bekeken werden.
Hij had een lichtbruinen slappen hoed op, te jeugdig voor zijn leeftijd, en was overigens in dezelfde sjofele kleeding der vorige dagen. Zij zat weer met hoed en voile en een vellerig-dun, grijs stofmanteltje omhing haar schouders. Geen woord spraken ze tot elkaar.”

 
Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)
Hier in het midden met zijn vader Frans Coenen Sr. (rechts) en een onbekende.

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Michael Schaefer”

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Carl Immermann

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

Uit: Een avond

“Sakkerloot!’ zei de ander weer, om ièts te zeggen. Cnoop was door zijn verhaal in vuur geraakt, vertelde ijverig verder.
‘O! je wist gewoon niet waar je je bergen zou…. en geen boòm, dat begrijp je…. ’t bestuur wou dan ook….’
‘En is t’r nog gerejen?’ viel de andere in, uit zijn dofheid zich dwingend tot eenige belangstelling.
‘Gereje?… nee! dat kè’je begrijpen,… of wacht is!… ja toch nog… maar d’r kwam geloof ik onweer… ja, zóó was ‘t! d’r kwam onweer…’
Ze waren bij ‘Schreuder’, gelukkig!
Hij werd wee en wrevelig van dat enthousiast gedane verhaal, dat zoo onnut klonk en wezenloos en leeg. Hij wilde binnengaan in het café, maar Cnoop hield hem staande, de hand uitstekend:
‘Hier zal ik de eer hebben afscheid van u te nemen, meneer… ik wou naar huis toe, weet u?’
In zijn toon klonk het zich schrapzetten tegen mogelijk aandringen om toch mee binnen te gaan.
Maar de ander dacht er niet aan hem te bidden, hij voelde eer een kleine verluchting, nu Cnoop weg wilde.
‘Toe, ga nou effen mee, je bent nou al zoò ver,’ zeide hij echter uit beleefdheid.
‘Nee meneer! ik heb je gezegd ik breng je tot aan “Schreuder”, maar d’r in ga ik nièt… en ik moet ook thuis wezen: die arme Kees zit misschien al een half uur op me te wachten.’
‘Nou, in godsnaam!… als je niet kan, dan kan je niet… adieu dan! veel plezier dan!’…
‘Insgelijks, amuseert u verder,… dag meneer!’
Een vischig-slappe handdruk, toen ging Cnoop met een haastigen, ietwat gemaniereerden omdraai van hem af, weer naar de brug toe. Zijn kleine gestalte, in een fattig, grijs pak, wipte haastig op en neer in geaffaireerde stappen. Een keurig heertje! was de indruk, dien de ander kreeg, toen hij hem even nazag, half wrevelig, half medelijdend”


Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Carl Spitteler, Anthony Trollope, Carl Immermann”

Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Michael Schaefer, Carl Spitteler

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

 

Uit: Verveling

 

“Boven onder ’t dak was ’t al broeiheet, met een benauwden reuk van versch hout en door de zon gestoofd lood. Een heen-en-weer geklos over den vloer, en de hooge stem van fräulein Böhmer, de eigenares van ’t hôtel, klonken uit een kamer aan het eind van een middengangetje.

‘Da sind Sie endlich!’ riep ’t fräulein Henriette toe, haar vriendelijk lachend aanziend, in de groote, bruine, uitpuilende oogen, een schalke vogelachtige uitdrukking.

Zij had over ’t geheel veel van een oud-verweerd spekpoppetje op een trumeau, met haar kleine lijfje onder ’t groote eironde hoofd, rood en zon-verbrandend, met glanzend zwart haar.

‘Na, was sagen Sie jetz! ist’s nicht hübsch geworden hier?! Wird ihre Freundin hier nicht ganz heimisch sein? ging zij voort en wees in ’t rond op ’t nieuw hardblauw behang en de tullen gordijntjes, met de roodlinten embracetjes voor ’t raam.

Henriette knikte vriendelijk van ja. Zij was pas drie dagen geleden uit Holland gekomen, doch al op heel goeden voet met de eigenares, die haar overal brjriep waar wat te zien was.

In haar huiselijke omgeving in Amsterdam, stond Henriette de Wal anders niet bekend als iemand, die gauw vertrouwelijk was. Haar donkere oogen, onder de fljne wenkbrauwen, zagen gewoonlijk hoog en onverschillig uit ’t witte smalle gezicht en om de smalle bloedelooze lippen van haar kleinen mond was een trotsche, afwijzende trek.

Maar thans gloeide er iets innigs, een zachte dankbaarheid in den blik, waarmee zij naar buiten tuurde en haar mond was droomerig even-geopend.

Zoo luisterde zij met schijnbare belangstelling naar ’t levendig zelfbehagelijk geratel van fräulein Böhmer, een lang relaas van alles wat er hier en in ’t hoofdgebouw nog aan de kamers moest gedaan worden,…. van buiten, vochtig en koel, kwam ’t onregelmatig, frisch geplas van de fontein tot hen,… toen ’t kleine menschje op eens zich zelf onderbrak:

‘Aber jetz musz ich eilen, sonst wird mein diner nicht fertig,… gehen Si mit, fräulein?’

 

 

Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Robert Penn Warren, Michael Schaefer, Carl Spitteler”

Frans Coenen, Eric Bogosian, Michael Schaefer, Robert Penn Warren

De Nederlandse schrijver, essayist en criticus Frans Coenen werd in Amsterdam geboren op 24 april 1866. Zie ook alle tags voor Frans Coenen op dit blog.

 

Uit: Een avond

„Langzamerhand waren ze vanzelf opgewandeld naar ‘Schreuder’, het koffiehuis aan den overkant der rivier.

Het zou daar koel zitten zijn, na dezen snikheeten Julidag en het was tenminste een eindpunt voor doelloos slenteren langs dompige straten, waar de warme, loome lucht nog zwaar hing en het benauwend rook naar heete stof, die pijnlijk prikkelde in den neus.

Toch altijd nog beter hièr, dan op de lauw-warme kamer, waar een atmosfeer was, als in een kast, die lang gesloten is geweest.

Het was tegen acht uur, toen zij over de groote brug gingen, aan het andere einde waarvan ‘Schreuder’ lag.

De zon ging rosgoud gloeiend onder, rechts boven de rivier, hoog achter de violette huizenstad, maar zij zagen het niet, hadden alleen een vagen indruk van den wijden hemelbrand en de breede verte van het watervlak, dat blauwzilver tintelde.

Onderweg, in hun lange, moeie slentering hadden ze zonder belangstelling loopen praten over de dagelijksch gewone dingen, over wat op het bureau gebeurd was: ‘Zeg, wat was die Beukels weer gek!’ of: ‘Ben je nog uit geweest gisteravond?’ of: ‘Weet je wie ik gezien heb? Die meid van laatst, je weet wel, die zwarte….’

Eindelijk hadden ze ’t over de warmte gehad. Cnoop vertelde, hoe hij maar eens in zijn leven zoo’n zelfde hitte had bijgewoond: dat was nou twee jaar gelejen bij de wielerwedstrijden in Arnhem…..

‘Ik kwam daar, got! zooals je gewoonlijk na die dingen toegaat, hè! in velicopède-kostuum, met een shirt an en korte broek en m’n jas over me arm…. Dan ka’je toch waarachtig niet zeggen, dat je dik gekleed bent, nie waar?’

‘Nee, waarachtig niet,’ zei de ander.

‘Nou maar, meneer! ik verzeker je, ik was nog geen half uur op de baan of ik stierf gewoon van de hitte!…. en zoo in eens kwam dat! We waren hier weggegaan…. ja met warm weer…. een graad of 70, 72 nie meer. Maar toe in de trein veranderde ‘t…. en got! ’t was om gek te worden! De lui kònne niet meer op d’r karren blijven… ik heb er twee zóó af zien donderen!’

 

Frans Coenen (24 april 1866 – 23 juni 1936)

Frans Coenen Jr., 1894. Door F. Hart Nibbrig

Doorgaan met het lezen van “Frans Coenen, Eric Bogosian, Michael Schaefer, Robert Penn Warren”

Achim von Arnim, Frans Coenen, Eric Bogosian, Michael Schaefer, Robert Penn Warren

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 

 paolo_veronese

De opstanding van Christus, Paolo Veronese (1528 – 19 april 1588)

 

 

 

Ostern

Vom Erdenstaub zu reinen, blauen Lüften
Dringt weit der Blick in ersten Frühlingstagen,
Und höher steigt der mächt’ge Sonnenwagen,
Die Erde sehnt nach Blättern sich und Düften,
Und heilige Geschichten uns dann sagen
Was sich geahnet in des Herzens Klüften.
Er ist erstanden aus den Todesgrüften,
Und wie vergebens war der Menschen Zagen,
Ja so ersteht die Welt der Himmelsgaben
Mit jedem Jahre neu, die Knospen brechen,
Und nichts ist unsrer Liebe zu erhaben,
Sie giebt uns alles in den Wonnebächen,
Die nach dem Eisgang Flur und Aug’ durchgraben,
Das Unsichtbarste will zum Lichte sprechen.

 

 


Achim von Arnim (26 januari 1781 – 21 januari 1831)

Doorgaan met het lezen van “Achim von Arnim, Frans Coenen, Eric Bogosian, Michael Schaefer, Robert Penn Warren”