Robert Gray

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

 

Negen kommen water

Helder water, in zilverachtige tinnen schotels
gedeukt als pingpongballen:
er zit een vleugje citroensap van het verstrijkende licht in;
ze hebben een dun deksel van stof.

Een pot water op een bord loopt over
en druppelt.
Terwijl de mannen aan de stadsweg werken, uitgravend
zijn verkoolde zwartheid,

wacht het water
achter een golfplaten keet die is geplaatst
naast het trottoir,
onder het lange schaduwen werpende lege stadion.

Op die lage plank, ook stukken ruwe zeep,
helder als het vet
van geslachte kippen – maar, bij nader inzien, resistent,
donker gebarsten, zoals oude botten –

één naast elke kom,
en elk vod aan zijn stukje prikkeldraad.
De stroom auto’s houdt niet op,
maar slechts een paar mensen komen hier tussen de schaftkeet

en de bakstenen muur voorbij. Te zien langs een natte bank,
het knielende water:
deze realiteit waarvan we de geest hebben gedroomd.
We lopen door het vuil,

over kranten, slibresten,
bespat door sporadisch drilboorlawaai,
voorbij negen kommen water – een aardigheidje van de bond.
Bomen in lanen en zeilboten en vrouwen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn blog van 23 februari 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Lavinia Braniș,te, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Ghosts (Vertaald door Chris Andrews)

“On the morning of the 31st of December, the Pagaldays visited the apartment they already owned in the building under construction at 2161 Calle Jose Bonifacio, along with Bartolo Sacristan Olmedo, the landscape gardener they had hired to arrange plants on the two broad balconies, front and rear. They climbed the stairs littered with rubble to the middle level of the edifice: like the other apartments, the one they had acquired occupied a whole floor, the fourth. Apart from the Pagaldays there were only six other owners, all of whom made an appearance on that last morning of the year to see how the work was coming along. The builders were conspicuously busy. By eleven, there were people everywhere. It was in fact the day on which, according to the contracts, the apartments should have been ready to move into; but, as usual, there had been a delay. Felix Tello, the construction company’s architect, must have gone up and down fifty times, allaying the owners’ concerns. Most had come with a tradesman of some kind: a carpet layer to measure the floors, a carpenter, a tiler, or an interior decorator. Sacristan Olmedo was talking about the dwarf palms that would be arranged in rows on the balconies, while the Pagalday children went running through rooms, which still had no flooring, doors or windows. The air conditioning units were being installed, ahead of the elevators, which would have to wait until after the holiday. Meanwhile materials were being hoisted up through the shafts. Perched on their high heels, the ladies were climbing the dusty stairs scattered with pieces of rubble; since the banisters had not yet been fitted, they had to be especially careful. The first basement level was to be used for garages, with ramps up to the street, which had not yet been covered with their special anti-slip surface. The second level was for box rooms and storage space. On top of the seventh floor, a heated swimming pool and a games room, with a panoramic view over rooftops and streets. And the caretaker’s apartment, which was no more finished than the rest of the building, but had been inhabited for some months by Raul Virias, the night watchman, and his family. virias was a reliable Chilean builder, although he had turned out to be a prodigious drinker. The heat was supernatural. Looking down from the top was dangerous. The glass panels that would enclose the whole terrace were not yet in place. The visitors kept their children well away from the edges. It’s true that buildings under construction seem smaller before the windows, doors and flooring have been put in. Everyone knows that; and yet somehow the opposite also seemed to be true. Domingo Fresno, the architect in charge of the interiors on the second floor, was walking anxiously through that capacious labyrinth, as if across the sands of a desert. Tello had done his job well enough. At least the building was standing firm on its foundations; it could have melted like an ice cream in the sun. No one had come to see the first floor. The Kahns, an older couple with two young daughters, were on the fifth floor with their decorator, the extraordinary Elida Gramajo, who was calculating aloud, working out the quantities of fabric required for drapes. Every detail had to be taken into account. And no detail could be specified without measuring both the space it would occupy and the surrounding space.”


César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

 

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

In Departing Light (Fragment)

My mother will get lost on the roads after death.
Too lonely a figure
to bear thinking of. As she did once,
one time at least, in the new department store
in our town; discovered
hesitant among the aisles; turning around and around, becoming
a still place.
Looking too kind
to reject even a wrong direction,
outrightly. And she caught my eye, watching her,
and knew I’d laugh
and grinned. Or else, since many another spirit will be arriving over there, whatever
those are – and all of them clamorous
as seabirds, along the walls of death – she will be pushed aside
easily, again. There are hierarchies in Heaven, we remember; and we know
of its bungled schemes.
Even if the last shall be first’, as we have been told, she
could not be first. It would not be her.
But why become so fearful?
This is all
of your mother, in your arms. She who now, a moment after your game, has gone;
who is confused
and would like to ask
why she is hanging here. No – she will be safe. She will be safe
in the dry mouth
of this red earth, in the place
she has always been. She
who hasn’t survived living, how can we dream that she will survive her death?


Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)
Cover

 

De Vlaamse schrijver Jef Geeraerts werd geboren op 23 februari 1930 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jef Geeraerts op dit blog.

Uit: Gangreen 1 / Black Venus

…”de Lybische slavin van de Romeinse veldheer en als het – soms na een uur genot-en-pijn – kwam, had ze het ook, met schokken en daarna had ze meestal dorst en ik voerde haar witte wijn en ze liet me meedrinken en vroeg week, bijna beschaamd, hetzelfde bij haar te doen en op een nacht zat ik geknield, mijn handen op haar billen, kussend, rauwe mosselen etend en opeens voelde ik al haar spieren verstijven, ze ademde niet meer en ik hield op en in het gele schijnsel van de lantaren zag ik steil boven mij een Egyptisch beeld van donkerrood basalt oprijzen, koud, gepolijst (en ademloos keek ik toe, de oerbronnen van Griekenland liggen hier, de Nijl is de ader, dacht ik en met sacrale, duizenden jaren oude gebaren begon ik mijn oorsprong te aanbidden) en later, als ze, dicht tegen me aangewurmd, ademend als een lichtgeolied dier, een hand vast om mijn penis, haar wapen, insliep, lag ik ontspannen, soms gelukkig naar haar te kijken, haar huid te strelen die fijn was als geboende notelaar, haar te besnuffelen als een jachthond met soms opeens de allesoverheersende gedachte dat ze eenmaal oud en rimpelig zou zijn als de vele uitgezakte, snuivende, dikke vrouwen van de wereld en dan was het alsof de hand van een geraamte mijn penis omvatte en ‘m niet meer los kon laten en dan kreeg ik het koud en moest whisky drinken om weer normaal onverschillig, oppervlakkig te kunnen denken (als altijd, buiten in de zon, voortdurend op overwinningen uit) en om te kunnen slapen, beven of snikken in vreemde dromen en smorgens, even voor vijf uur, de zon was net op, wekte ze me door mijn neus dicht te knijpen en Mohongu hoorde dan aan ons gepraat dat we wakker waren en hij bracht met neergeslagen ogen een ketel heet water en daarna een kop sterke koffie om de dag niet reeds slecht te beginnen, wenste me ritueel goedemorgen en verdween en dan werd ik door mijn slavin van kop tot teen ingezeept, zorgvuldig afgespoeld, afgedroogd en gepoederd, en zonder een woord ging ze daarna weg,…”


Jef Geeraerts (23 februari 1930 – 11 mei 2015)

 

De Roemeense schrijfster en vertaalster Lavinia Braniște werd geboren op 23 februari 1983 in Brăila. Zie ook alle tags voor Lavinia Braniște op dit blog.

Uit: Interior Zero (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“I don’t know exactly.”
“They can hardly come with a cistern to empty a cesspit for an entire block.”
“Hardly.”
We come to a muddy street. A little way ahead, right in the middle of the road, there’s a huge puddle.
“Where did that water come from ? It hasn’t been raining,” I say.
“Must be a burst pipe,” says Mother.
We walk the streets at random, until we’ve wandered far from any landmark. Some streets are asphalted, others are not. There are no pavements. The buildings are crowded together. From one balcony you could jump across to the balcony opposite. When you walk between the blocks, you’re in a dark labyrinth. There are no green areas. You can’t breathe. Even so, they’re inhabited. There are lots of curtains at the windows, lots of cars parked everywhere.
After a while, we reach the edge and find ourselves facing an empty field.
We see a pack of dogs.
“Do we still know the way back ?” asks Mother.
“I think we came from that direction,” I say, pointing back the way we came. “What do you think ?”
“I’ve no idea. Let’s go this way.”
“Are you tired ? Can you walk further ?” I ask.
“Yes, I can.”
We walk back between the blocks. The streets aren’t laid out in straight lines, but at random, and I get the feeling we’re going astray again.
Mother lags a little way behind.
“Are we walking too fast ?”
“Nobody is going to come and visit you here,” she says. “It’s the back of beyond.”
We stop.
“Better we ask somebody, so that we’ll know we’re going in the right direction,” I say.
“What’s the deposit on a loan of twenty thousand ?”
Before I can answer, she goes on : “I reckon the ones that cost twenty thousand are in the semi basement.”

 
Lavinia Braniște (Brăila, 23 februari 1983)

 

De Britse schrijver Bernard Cornwell werd geboren op 23 februari 1944 in Londen. Zie ook alle tags voor Bernard Cornwell op dit blog.

Uit: Death of Kings

‘Sigurd isn’t.’
‘He’s still sick.’
‘Pray God he dies,’ Weohstan said savagely.
I learned more news in the city’s taverns. There were shipmasters from the whole coast of Britain who, for the price of an ale, offered rumours, some of them true. And not one rumour spoke of war. Æthelwold was still sheltered in Eoferwic, and still claimed to be King of Wessex, but he had no power until the Danes gave him an army. Why were they so quiet? It puzzled me. I had been so confident they would attack at the news of Alfred’s death, but instead they did nothing. Bishop Erkenwald knew the answer. ‘It’s God’s will,’ he told me. We had met by chance in a street. ‘God commanded us to love our enemies,’ he explained, ‘and by love we shall make them Christian and peaceable.’
I remember staring at him. ‘Do you really believe that?’ I asked.
‘We must have faith,’ he said fiercely. He made the sign of the cross towards a woman who had curtseyed to him. ‘So,’ he asked me, ‘what brings you to Lundene?’
‘We’re looking for whores,’ I said. He blinked. ‘Do you know any good ones, Bishop?’ I asked.
‘Oh, dear God,’ he hissed, and went on his way.
In truth I had decided against finding whores in Lundene’s taverns because there was always a chance that the girls might be recognized and so I led Finan, Ludda and Father Cuthbert down to the slave dock which lay upriver of the old Roman bridge. Lundene had never possessed a thriving slave market, but there was always some small trade in young folk captured from Ireland or Wales or Scotland. The Danes kept more slaves than the Saxons, and those that we did possess were usually farm labourers. A man who cannot afford an ox could harness a pair of slaves to a plough, though the furrow would never be as deep as that made by an ox-drawn blade.”

 
Bernard Cornwell (Londen, 23 februari 1944)
Alexander Dreymon als Uhtred in de tv-serie “The Last Kingdom”

 

De Russische schrijfster Ljoedmila Jevgenjevna Oelitskaja werd geboren in Davlenkanovo, Basjkirostan, op 23 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ljoedmila Oelitskaja op dit blog.

Uit: Een russische geschiedenis (Vertaald door Arie van der Ent)

“Ook zijn kleine postuur droeg aan de vertedering bij: op zijn achtste dacht men dat hij nog op de kleuterschool zat, op zijn twaalfde zag hij eruit als acht. Om deze reden werd Sanja op de gewone school dan ook Gnoom genoemd. Niks vertedering, louter bijtende spot. Sanja ging Ilja bewust uit de weg: niet zozeer vanwege diens werktuiglijke, niet speciaal tegen Sanja gerichte, maar hem wel van tijd tot tijd treffende venijnigheid, als wel vanwege het vernederende verschil in lengte. Het was Micha die Ilja en Sanja met elkaar verenigde, toen hij in de vijfde klas zijn opwachting maakte en ieders verrukking opriep; hij was het klassieke mikpunt voor iedereen die daar niet te beroerd voor was —zo rood als een kroot. Gemillimeterd haar, een scheef kuifje met een roodgouden weerschijn, doorschijnende frambozenrode zeiloren, die verkeerd aan zijn hoofd stonden, net iets te dicht bij zijn wangen, zijn witheid en zijn sproeten, zelfs zijn ogen met een oranje gloed. En dan ook nog eens een brillejood. Het eerste pak slaag kreeg Micha meteen op r september, niet te hard, maar wel leerzaam, tijdens de grote pauze in de wc’s. Niet eens van Moerygin en Moetjoekin zelf, die verlaagden zich daar niet toe, maar van ja-knikkers en meelopers. Micha nam zijn portie stoïcijns in ontvangst, maakte zijn schooltas open, haalde een zakdoek tevoorschijn om zijn snottebellen af te vegen, en toen stak het katje zijn kopje uit de schooltas op. Het katje werd eruit gehaald en over en weer gegooid. Op dat moment stapte Ilja — de langste van de klas! — binnen en ving het katje boven de hoofden van de volleyballers weg en was het de bel die een eind aan deze onderhoudende bezigheid maakte. Toen hij de klas binnenstapte, gaf Ilja het katje aan Sanja, die in de buurt stond, en deze stopte het beestje in zijn schooltas. In de daaropvolgende grote pauze gingen de grootste vijanden van de menselijke soort, wier namen, Moerygin en Moetjoekin, als basis voor een toekomstig taalspelletje zouden dienen en die om meerdere redenen het vermelden waard zijn, wel even op zoek naar het katje, maar vergaten het algauw weer. Na het vierde uur mocht iedereen weg, stormden de jongetjes joelend en schreeuwend de school uit en lieten deze drie in het lege lokaal, dat vol met bontgekleurde asters stond, aan hun lot over. Sanja haalde het halfgesmoorde katje tevoorschijn en gaf het aan Ilja. Die gaf het weer aan Micha. Sanja glimlachte naar Ilja, Ilja naar Micha, Micha naar Sanja. `Ik heb een gedicht geschreven. Over het katje’, zei Micha verlegen.”


Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943)

 

De Nederlandse schrijver Toon Kortooms werd op 23 februari 1916 in Deurne geboren. Zie ook alle tags voor Toon Kortooms op dit blog.

Uit: Help! De dokter verzuipt…

“Kareltje Schutte, zoon van de Rechtvaardige, zag het gebeuren. Hij was druk doende de zegswijze in praktijk te brengen dat men in het veen op geen turfje ziet. Zijn vader, om nog nimmer achterhaalde redenen Herman de Rechtvaardige genaamd, had Kareltje erop uitgezonden. Hij diende wat brandstof te vergaren voor het kacheltje in de woonwagen van de familie Schutte.
‘Trek iets verder de Peel in, jongen,’ had hij gezegd. ‘Ze hoeven het nou ook weer niet te zien. Dat wekt maar ergernis.’
Trouwens Kareltje móést wel verder van huis opereren. De turfhopen in de onmiddellijke omgeving van het woonwagenkamp begonnen een aanfluiting te vormen van de eerder aangehaalde spreuk – er was nauwelijks nog een turfje te bespeuren. Die er gelegen hadden, volop, waren door de zwarte kachelpijpjes van de woonwagens vervlogen tot lichtblauwe rook. De gemeente, eigenaresse en exploitante van het veen, kon tegen dit brandoffer niets ondernemen. Het gappen geschiedde ongezien en op onmogelijke tijdstippen. De politiemacht van de Peel was er nooit bij. Patrouilles, hinderlagen en bliksemcontroles haalden weinig uit. Niemand van het woonwagenvolk werd ooit op heterdaad betrapt. Men keek wel uit.
Kareltje Schutte zag het gebeuren. Hij had net zijn hondekarretje beladen met eerste soort huisbrandturf en zijn zonde tegen het zevende gebod onder todden bedekt, toen de auto over de smalle grindweg naderde. Het voertuig kwam in volle vaart uit de verte en stoof, een langgerekte wervelende stofwolk achter zich latend, in de richting van het dorp.
‘Snetverderrie,’ mompelde Kareltje, ‘die heeft haast!’
De open wagen stoof voorbij, bestuurd door een vervaarlijk uitziend man, gehuld in leren kledij, een coureurskap op het hoofd en voor de ogen een indrukwekkende motorbril die de overmatig voorwaarts huivende witte wenkbrauwen verborg. Forse, in leder gestoken handen, machtig als plavuizen, omknelden het stuurwiel.”

 
Toon Kortooms (23 februari 1916 – 5 februari 1999)
Cover

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Johanna Margaretha Wela (Jo) Ypma werd geboren in Haastrecht op 23 februari 1908. Zie ook alle tags voor Jo Ypma op dit blog.

Balans

Gij weet wie mij het felste wondden.
Gij weet wie met hun oordeel over mij
Mij dreven in mijn hoogmoeds zonden
En deden wanen: ’t recht is aan mijn zij.

Ik heb gehoond, gespot en uitgezegend
Ik heb verkracht het eerst en groot gebod.
Uw schepsel heb ik met mijn spot bejegend
En in dat schepsel U gehoond, mijn God.

Ik dacht dat ik U helpen moest en strijden.
Voor alles wat ik meende waar te zijn.
Ik hief het mes, om ’t valse uit te snijden.
Ik korf in liefde en ik won de schijn.

Zie nu naar mijn gewonde handen.
Ik heb gekorven en ik sta alleen.
Ik meende ‘k breng de goede offerande,
Ik bracht U niets, dan ’t hart van steen.

 

Rondeel van het geloof

Het wordt je niet van mensen aangedaan……,
maar God, dat zò uw hand het licht verduistert,
ons leven van z’n laatste glans ontluistert,
dat wij in donker moeten verder gaan,

het turend oog geen enkle ster ziet staan,
de voeten door het duister zijn gekluisterd,
’t vertwijflend hart het honen bang beluistert:
het wordt je niet van mensen aangedaan!

Totdat wij stil, hoewel geheel omduisterd,
weer blindelings uw wegen kunnen gaan,
een kind gelijk, dat zacht vertrouwend fluistert:
– zijn handje in Vaders hand bij ’t verder gaan –
het wordt je niet van mensen aangedaan.


Jo Ypma (23 februari 1908 – 19 februari 1986)

 

De Australische schrijfster Sonya Hartnett werd geboren op 23 februari 1968 in Box Hill, Melbourne. Zie ook alle tags voor Sonya Hartnett op dit blog.

Uit:Golden Boys

“With their father, there’s always a catch: the truth is enough to make Colt take a step back. There’s always some small cruelty, an unpleasant little hoop to be crawled through before what’s good may begin: here is a gift, but first you must guess its colour. Colt’s instinct is to warn his brother —Bastian,don’t— as if away from a cliff ’s edge or some quaggy sinkhole, but doing so risks leaving him stranded, alone like someone fallen overboard in the night, watching a boat full of revellers sail on. Bastian will want to play. Their mother will say, in her voice of reined-in dismay, “It’s just a bit of fun.”As the eldest he gets to guess first, so he guesses, “Blue.”Their father shakes his head happily. “Nope! Bas?”Bastian is prone to birdiness, his whole world one of those plastic kitchens in which girls make tea from petals and water. He guesses, “Yellow?” as though it’s perfectly possible their father would bring home for his two boys a bicycle coloured yellow.“Nope again!” Their father is cheered, rather than nonplussed, by the attempt. “Colt?”
Already Colt feels they’ve run out of colours. “Green?”“Not green. Your guess, Bas.”Colt lets his shoulders fall. He looks at his mother, who is lin-gering by the leather recliner where their father would be sitting if he wasn’t standing by the mantelpiece conducting this game. She wears an apron, like a mother on a television show, and doesn’t look at him, although she surely feels it, his stare that is leaden even to him. And it happens again, like the clear tinging of a bell, the eerie moment when a truth breaks from the green depths into sunlight: she’ll ignore Colt for the rest of his life, if the choice is between her husband and her son. His mother will cling tight to the rail of the boat.”

 
Sonya Hartnett (Box Hill, 23 februari 1968)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

 

César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett, Maxim Februari

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit:An Episode in the Life of a Landscape Painter (Vertaald door Chris Andrews)

“The horse did indeed rise to its feet, bristling and monu-mental, obscuring halfthe mesh oflightning, his giraffe-like legs contorted by wayward steps; he turned his head, hear-ing the call of madness … and took off … But Rugendas went with him! He could not understand, nor did he want to—it was too monstrous. He could feel himself being pulled, stretching (the electricity had made him elastic), almost levitating, like a satellite in thrall to a dangerous star.The pace quickened, and off he went in tow, bouncing, bewildered … What he did not realize was that his foot was caught in the stirrup, a classic riding accident, which still occurs now and then, even afterso many repetitions.The generation of electricity ceased as suddenly as it had begun, which was a pity, because a well-aimed lightning bolt, stopping the creature in its flight, might have spared the painter no end of trouble. But the current withdrew into the clouds, the wind began to blow, rain fell … It was never known how farthe horse galloped, nor did it really matter.Whateverthe distance,shortorlong,thedisas-ter had occurred. Itwas not until the morning ofthe follow-ing day that Krause and the old guide discovered them.The horse had found his clover, and was grazing sleepily, with a bloody bundle trailing from one stirrup. After a whole night spent looking for his friend, poor Krause, at his wits’ end, had more or less given him up for dead. Finding him was not entirely a relief: there he was, at last, but prone and motionless.They hurried on and, as they approached, saw him move yet remain face down, as if kissing the earth; the flicker of hope this aroused was quenched when they real-ized that he was not moving himself, but being dragged by the horse’s blithe little browsing steps. They dismounted, took his foot from the stirrup and turned him over …The horror struck them dumb. Rugendas’s face was a swollen, bloodymass;theboneofhisforehead wasexposed and strips of skin hung over his eyes. The distinctive aquiline form of hisAugsburg nosewas unrecognizable,and his lips,splitand spread apart, revealed his teeth, all miraculously intact. The first thing was to see if he was breathing. He was. This gave an edge of urgency to what followed. They put him on the horse’s back and set off. The guide, who had re-covered hisguiding skills,rememberedsomeranchesnearby and pointed the way. They arrived half way through the morning, bearing a gift that could not have been more dis-concerting for the poor, isolated farmers who lived there. It was, at least, an opportunity to give Rugendas some simple treatment and take stock of the situation.They washed his face and tried to put it back together, manipulating the pieces with their fingertips; they applied witch hazel dress-ings to speed the healing and checked that there were no broken bones.“

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Doorgaan met het lezen van “César Aira, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Ljoedmila Oelitskaja, Toon Kortooms, Jo Ypma, Sonya Hartnett, Maxim Februari”

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner, Sonya Hartnett, Maxim Februari

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn vader had zich er zo op verheugd me blij te kunnen maken, en dat was zo ongewoon voor hem, een afstandelijke, driftige man zonder merkbare zachtaardige kanten, dat het niet aangrijpen van zo’n gelegenheid me misdadig leek. Even overwoog ik zelfs, hoe vreselijk de gedachte ook, het hele ijsje op te eten, alleen om hem een plezier te doen. Het was een kuipje, het kleinste, voor kleine kinderen, maar het kwam me voor als een ton.
Ik weet niet of mijn heldhaftigheid zoiets zou kunnen opbrengen maar ik kon die niet eens op de proef stellen. De eerste hap had mijn gezicht onwillekeurig van walging doen vertrekken, en dat kon hem onmogelijk zijn ontgaan. Het was haast een overdreven grimas, de fysiologische reactie gepaard gaande met een psychische component van teleurstelling, angst en de tragische droefenis zelfs wat dit soort genoegens betreft mijn vader niet te kunnen volgen. Pogen dat te verbergen zou dwaas zijn geweest; zelfs op dit moment zou het onmogelijk zijn, want die grimas is niet meer van mijn gezicht verdwenen.
‘Wat is er?’
In zijn toon school meteen al alles wat erna kwam.
In normale omstandigheden zouden tranen me hebben verhinderd hem antwoord te geven. Ik huilde altijd heel snel, zoals veel hypergevoelige kinderen. Maar een oprisping van die vreselijke smaak, die was weggegleden naar mijn keel en nu als een zweepslag terugkwam, bezorgde me een schok.
‘Gggh…’
‘Wat is er?’
‘Het is… vies.’
‘Het is wat?’
‘Vies!’ gilde ik wanhopig.
‘Vind je het ijsje niet lekker?’
Ik herinnerde me dat hij onderweg, naast andere dingen die aangename verwachtingen schiepen, had gezegd: ‘Ik ben benieuwd of je ijs lekker vindt.’ Uiteraard in de veronderstelling dat ik het lekker zou vinden. Welk kind vindt ijs nou niet lekker?”

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Doorgaan met het lezen van “César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner, Sonya Hartnett, Maxim Februari”

César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner

De Argentijnse schrijver en vertaler César Aira werd geboren op 23 februari 1949 in Coronel Pringles. Zie ook alle tags voor César Aira op dit blog.

Uit: Hoe ik een non werd (Vertaald door Adri Boon)

“Mijn verhaal, het verhaal ‘hoe ik non werd’ begon al heel vroeg in mijn leven; ik was net zes geworden. Het begin is getekend door een levendige herinnering die ik tot in het kleinste detail kan reconstrueren. Daarvoor is er niets: daarna bleef alles zich aaneenrijgen in één enkele, lange ononderbroken herinnering, de onderbrekingen dat ik sliep inbegrepen, tot ik het klooster in ging.
We waren verhuisd naar Rosario. Mijn eerste zes jaar hadden wij – vader, moeder en ik – doorgebracht in een plaats in de provincie Buenos Aires, waarvan ik me niets herinner en waar ik nooit meer naar ben teruggekeerd: Coronel Pringles. De grote stad (want dat leek Rosario vergeleken met waar we vandaan kwamen) maakte diepe indruk op ons. Al na een paar dagen loste mijn vader een belofte in: met mij een ijsje gaan halen. Het zou voor mij het eerste ijsje zijn, want in Pringles bestonden ze niet. Hij, die in zijn jeugd steden had gekend, had meerdere malen de loftrompet gestoken over die traktatie, waaraan hij terugdacht als iets verrukkelijks en feestelijks, al kon hij de bekoring ervan niet onder woorden brengen. Hij had me er een heel accurate beschrijving van gegeven, als iets onvoorstelbaars voor een niet-ingewijde, en dat was voldoende volstond om ijs in mijn kinderlijke geest wortel te laten schieten, zo te laten groeien dat het een mythische omvang kreeg.
We liepen naar een ijssalon die we de vorige dag hadden gezien en gingen naar binnen. Hij bestelde een ijsje van vijftig centavo, met pistache, toffee en kumquat whisky, en voor mij een van tien centavo, met aardbeiensmaak. De roze kleur vond ik prachtig. Mijn dag kon niet meer stuk. Ik aanbad mijn vader, vereerde alles wat hij deed. We gingen op een bank zitten onder de bomen die destijds in het centrum van Rosario stonden: platanen. Ik keek toe hoe mijn vader het deed in een mum van tijd het groene bolletje had verorberd, nam toen uiterst voorzichtig een lepeltje ijs en stak het in mijn mond.
Zodra het eerste laagje op mijn tong smolt, begon ik me al ziek van ellende te voelen. Zoiets smerigs had ik nog nooit geproefd. Ik was nogal een moeilijke eter en de komedie van walging kende geen geheimen voor mij, maar dit overtrof alles wat ik ooit had meegemaakt; mijn grootste overdrijvingen, inclusief die welke ik mezelf nog nooit had toegestaan, waren ineens meer dan gerechtvaardigd. Heel even overwoog ik te doen alsof ik het lekker vond.”

 
César Aira (Coronel Pringles, 23 februari 1949)

Doorgaan met het lezen van “César Aira, Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, Jef Geeraerts, Bernard Cornwell, Toon Kortooms, Erich Kästner”

Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms, Erich Kästner

De Russische schrijfster Ljoedmila Jevgenjevna Oelitskaja werd geboren in Davlenkanovo, Basjkirostan, op 23 februari 1943. Zie ook alle tags voor Ljoedmila Oelitskaja op dit blog.

Uit: Een Russische geschiedenis (Vertaald door Arie van der Ent)

“Tamara zat voor een bord met een spiegelei en at terwijl ze haar droom nog afkeek.
Haar moeder Raïsa Iljinitsjna haalde zo teder ze kon de kam met de spaarzame tanden door haar haar en deed haar best het levende vilt zo veel mogelijk te ontzien.
De radio braakte plechtige muziek uit, maar niet te hard: oma lag te slapen achter het scherm. Toen zweeg de muziek. De pauze was te lang en niet zomaar, zo leek. Daarna weerklonk de stem die iedereen kende: ‘Attentie! Dit is Radio Moskou. Alle radiostations van de Sovjet-Unie zijn in de lucht. Dit is een mededeling van de overheid …’
De kam verstarde in Tamara’s haar, zelf was ze mete en klaarwakker, schrokte haar gebakken ei op en zei met hese ochtendstem: ‘Mam, vast een of andere stomme verkoudheid en dan meteen het hele land …’
Ze kreeg geen tijd haar zin af te maken, omdat Raïsa Iljinitsjna opeens met alle kracht een ruk aan de kam  gaf, Tamara’s hoofd abrupt achteroversloeg en haar tanden op elkaar klapten.
‘Hou je mond’, siste Raïsa met verstikte stem.
In de deuropening stond oma in haar kamerjas, zo oud als de Chinese Muur. Ze hoorde het radiobericht stralend aan en zei: ‘Rajetsjka, koop jij iets lekkers bij Jelesejev. Het is vandaag trouwens Poerim. Ik geloof echt dat Samech de pijp uit is.’
Tamara wist toen niet wat Poerim was, waarom er iets lekkers gekocht moest worden, laat staan wie Samech was, die de pijp uit was. Hoe had ze ook moeten weten dat Stalin en Lenin uit veiligheidsoverwegingen in hun familie sinds jaar en dag bij de eerste letter van hun partijnaam werden genoemd, de s en de l, en dan in een geheimzinnige oeroude taal: ‘samech’ en ‘labed’.”

 
Ljoedmila Oelitskaja (Davlenkanovo, 23 februari 1943)

Doorgaan met het lezen van “Ljoedmila Oelitskaja, Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms, Erich Kästner”

Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms

De Australische dichter Robert Gray werd geboren op 23 februari 1945 in Port Macquarie. Zie ook alle tags voor Robert Gray op dit blog.

funeral in early spring

as the grave preacher recites
tired disingenuous clichés
on the glories of eternal life
a little girl wanders off
during her grandmother’s funeral
a girl of three or four
in her brand-new easter bonnet
bought three days earlier
with easter still weeks away

her mother had seemed horrified
at the girl’s fashion faux pas
but harried after weeks in the hospital
watching her own mother fade
she had reluctantly given in
to her daughter’s begs and cries
to wear the dress before its time

and now beneath the preacher’s words
the whispers grow among the spinsters
as they scowl at the impropriety
the very audacity of this splash of pink
gliding over the land of the dead

but the girl continues her dance
over the nearby graves
still far too young to pretend to understand
what it means to die

she dances along
her dress catching the breeze
floating upward as if buoyed by the souls
the memories
the empty silences
of the dead
flowing softly
into the promise of her silent womb

 

Twilight

These long stars
on

stalks
that have grown up

early
and are like

water
plants and that stand

in all
the pools and the lake

even
at the brim

of
the dark cup

before
your mouth these are

the one
slit star

 
Robert Gray (Port Macquarie, 23 februari 1945)

Doorgaan met het lezen van “Robert Gray, César Aira, Sonya Hartnett, Maxim Februari, Toon Kortooms”