Robert Graves, Michael Longley

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Give Us Rain

“Give us Rain, Rain,” said the bean and the pea,
“Not so much Sun,
Not so much Sun.”
But the Sun smiles bravely and encouragingly,
And no rain falls and no waters run.

“Give us Peace, Peace,” said the peoples oppressed,
“Not so many Flags,
Not so many Flags.”
But the Flags fly and the Drums beat, denying rest,
And the children starve, they shiver in rags.

 

A Boy In Church

“Gabble-gabble,… brethren,… gabble-gabble!”
My window frames forest and heather.

I hardly hear the tuneful babble,
Not knowing nor much caring whether
The text is praise or exhortation,
Prayer or thanksgiving, or damnation.

Outside it blows wetter and wetter,
The tossing trees never stay still.
I shift my elbows to catch better
The full round sweep of heathered hill.
The tortured copse bends to and fro
In silence like a shadow-show.

The parson’s voice runs like a river
Over smooth rocks. I like this church:
The pews are staid, they never shiver,
They never bend or sway or lurch.
“Prayer,” says the kind voice, “is a chain
That draws down Grace from Heaven again.”

I add the hymns up, over and over,
Until there’s not the least mistake.
Seven-seventy-one. (Look! there’s a plover!
It’s gone!) Who’s that Saint by the lake?
The red light from his mantle passes
Across the broad memorial brasses.

It’s pleasant here for dreams and thinking,
Lolling and letting reason nod,
With ugly serious people linking
Sad prayers to a forgiving God….
But a dumb blast sets the trees swaying
With furious zeal like madmen praying.

 

She Tells Her Love

She tells her love while half asleep,
In the dark hours,
With half-words whispered low:
As Earth stirs in her winter sleep
And put out grass and flowers
Despite the snow,
Despite the falling snow.

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Vijftig jaar

Je hebt keer op keer met me gewandeld
Over het stenige pad naar Carrigskeewaun
En halt gehouden tussen de heksenringen om
Champignons te plukken voor het ontbijt en voor poëzie.

Je hebt erop gewezen, zoals op een slakkenhuis
Of een wulpveer of rogge-eieren,
Op het juiste woord, stiltes en lettergrepen
Hoorbaar aan de winderige rand van het water.

We hebben otterafdrukken gevolgd naar Allaran
En  uren op onze kille troon gewacht,
Vijftig jaar lang, man en vrouw, met zachte stem,
Scholeksters en kleine zandlopers geteld.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Hier met zijn echtgenote

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Pierre Kemp, Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, John Newton, Dolce far niente

Dolce far niente

 

Prague heatwave 2004 door Caroline Evans
 

Hittegolf

Soms kan het zo stil zijn in de stad
en ligt de brug haast verlaten.
Het gerucht van de schoenen en wielen – wat
is dat? – dempt op de straat.
Hitte regeert, er roert zich geen blad.
Twee mannen op het brugbeton
kijken omhoog. ‘Hoor je dat?
Pierre Kemp schiet weer op de zon!’

 

Pierre Kemp (1 december 1886 – 21 juli 1967)
Het Vrijthof in Maastricht, de geboorteplaats van Pierre Kemp

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Morning Phœnix

In my body lives a flame,
Flame that burns me all the day;
When a fierce sun does the same,
I am charred away.

Who could keep a smiling wit,
Roasted so in heart and hide,
Turning on the sun’s red spit,
Scorched by love inside?

Caves I long for and cold rocks,
Minnow-peopled country brooks,
Blundering gales of Equinox,
Sunless valley-nooks,

Daily so I might restore
Calcined heart and shrivelled skin,
A morning phœnix with proud roar
Kindled new within.

 

The God Called Poetry

Now I begin to know at last,
These nights when I sit down to rhyme,
The form and measure of that vast
God we call Poetry, he who stoops
And leaps me through his paper hoops
A little higher every time.

Tempts me to think I’ll grow a proper
Singing cricket or grass-hopper
Making prodigious jumps in air
While shaken crowds about me stare
Aghast, and I sing, growing bolder
To fly up on my master’s shoulder
Rustling the thick strands of his hair.

He is older than the seas,
Older than the plains and hills,
And older than the light that spills
From the sun’s hot wheel on these.
He wakes the gale that tears your trees,
He sings to you from window sills.

At you he roars, or he will coo,
He shouts and screams when hell is hot,
Riding on the shell and shot.
He smites you down, he succours you,
And where you seek him, he is not.

To-day I see he has two heads
Like Janus–calm, benignant, this;
That, grim and scowling: his beard spreads
From chin to chin’ this god has power
Immeasurable at every hour:
He first taught lovers how to kiss,
He brings down sunshine after shower,
Thunder and hate are his also,
He is YES and he is NO.

The black beard spoke and said to me,
‘Human frailty though you be,
Yet shout and crack your whip, be harsh!
They’ll obey you in the end:
Hill and field, river and marsh
Shall obey you, hop and skip
At the terrour of your whip,
To your gales of anger bend.’

The pale beard spoke and said in turn
‘True: a prize goes to the stern,
But sing and laugh and easily run
Through the wide airs of my plain,
Bathe in my waters, drink my sun,
And draw my creatures with soft song;
They shall follow you along
Graciously with no doubt or pain.’

Then speaking from his double head
The glorious fearful monster said
‘I am YES and I am NO,
Black as pitch and white as snow,
Love me, hate me, reconcile
Hate with love, perfect with vile,
So equal justice shall be done
And life shared between moon and sun.
Nature for you shall curse or smile:
A poet you shall be, my son.

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Cover

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Zie ook alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

’t Jonge, lelijke eendje

Dan las ik weer van ’t jonge, lelijke eendje:
eerst zwom hij blij door ’t groene licht op ’t water;
toen joegen ze hem weg met kwaad gesnater,
en gooide een jongen naar hem met een steentje;

toen plaste hij rond met één bevroren beentje
’s nachts in een kolk; en toen ontmoette hij, later,
bij de oue vrouw, die deft’ge, wijze kater
en kipje Kortpoot met ’t verbrande teentje!

En stilletjes werd ’t kleine eendje groot;
en vloog eens in een meer. Daar kwamen aan,
drie zwanen, en hij zei: ‘Pik me maar dood!’
en boog naar ’t water; en hij zag een zwaan.

En ‘k had altijd, wanneer ik ’t sprookje las,
een vreemd gevoel, dat ‘k zelf zo’n zwaantje was.

 

Orpheus

Waar ’t strandgebergt’ duiz’lend de hemel bijt
Met gletscherkaak, die dreunt van ’t golvenbranden –
Langblauwe zaag, prikken zich vast de tanden,
Tot waar wegwaast zilv’rige oneindigheid;

Wolken trekken, tot slagorden gerijd,
Vol sperengoud langs ’t midden van de wanden,
Afwerend de overmoed, die aan mocht randen
De stille toppen en hun heiligheid;

Brandingen stuiven, nieuwe bergen deinen,
Aantorsend, wit, in evenwijd’ge lijnen
Hun lange donder op brekende rug;

En, tweede brandingstreep, slingert naar onder
Het wakend wolkenvolk zijn lange donder
Op dubbel-echoënd strand en zee terug.

 

Violenbed

Het heele perk was vol: je zag geen zand.
De paarsen leken ernstige oude heertjes,
De bruinen glanzend-moll’ge, goed’ge beertjes,
De gelen pluimen van een goudfazant;

En massa’s witten stonden om de rand,
Zoo wit als vlinders of als duiveveertjes,
Net roomsche kindertjes in Pinksterkleertjes,
Die om iets heiligs heen staan, hand in hand.

Verwilderd is ‘t, deels plat, deels uitgeschoten,
Zoodat ik – ‘k zie ze nog – die mooie grooten
In de verschrompelden nauw’lijks herken;

Maar even lang als toen sta ik te kijken:
Ze deden goed hun best; ’t mag nu niet lijken,
Alsof ‘k voor ’t vroeger moois ondankbaar ben.

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)
Cover biografie


De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook alle tags voor Banana Yoshimoto op dit blog.

Uit: Lebensgeister (Vertaald door Thomas Eggenberg)

„Als ich die Eisenstange bemerkte, wie sie da in meinem Bauch steckte, dachte ich: Verdammt, das sieht nicht gut aus … Ich werde sterben.
Was mich nicht weniger beunruhigte, war der Rost an der Stange. Verrückt. Sollte es in einer solchen Situation nicht vollkommen egal sein, ob die Stange rostig war oder glänzte wie Edelstahl?
Ein hef tiger Widerwille packte mich. Wie gebannt starrte ich auf das rostige Ding.
Damals war ich achtundzwanzig und lebte in dem Gefühl, noch eine Ewigkeit vor mir zu haben.
Aus dem Nichts wurde ich mit der elementaren Lebenswirklichkeit konfrontiert, dass der Tod tatsächlich unser ständiger Begleiter ist. Ah, da ist er also!, dachte ich ungläubig.
Irgendwann war die Stange dann zwar weg, doch ich spürte sie noch lange Zeit in mir.
Der Unfall geschah auf dem Heimweg zum Wohnatelier meines Freundes Yōichi, er saß am Steuer. Yōichi lebte im Kamigamo-Viertel von Kyōto, ich in Tōkyō, Hunderte Kilometer weit entfernt.
Es war Spätsommer. In Kurama* hatten wir uns ein heißes Quellenbad gegönnt, waren dann nach Kibune gefahren, um uns im Schatten von üppigfeuchtem Grün ein wenig abzukühlen, und von da aus zurück nach Kyōto. Bis sich die herrlich weite Flusslandschaft des Kamo vor uns ausbreiten würde, war es nur noch ein kleines Stück.
Den kanadischen Sänger und Songwriter Leonard Cohen bewunderte Yōichi über alles. Er liebte seine Musik und hörte sie oft. Auch damals im Auto erklang Cohens tiefe, wundervolle Stimme –
eine Liveaufnahme von Lover Lover Lover.
Wie schon tausend Mal zuvor, ganz alltäglich, selbstverständlich.
Wir ließen uns gegenseitig viel Freiheit, und wir genossen das beide sehr. Es war mir selbst ein Rätsel, wie ein solcher Raum an Freiheit zwischen Mann und Frau überhaupt möglich war. Ganz langsam, behutsam, mit viel Liebe und Geduld wuchs er heran. Es fühlte sich an wie ein Souf flé oder wie ein frisches, noch warmes Brötchen.
Plötzlich sahen wir ein Auto direkt auf uns zukommen. Der Fahrer musste eingenickt sein.
Yōichi versuchte auszuweichen. Vergeblich. Ein heftiger Aufprall, unser Auto schoss über die Uferböschung und überschlug sich.
Mein Kopf schlug irgendwo auf, Blut spritzte in die Augen, färbte alles rot. Und dann spürte ich auf einmal die Stange, die sich in meinen Bauch gebohrt hatte. Yōichi hatte sich gleich mehrere davon für eine Kunstinstallation besorgt.“

Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)
Cover

 

De Britse dichter en Anglicaans priester John Henry Newton werd geboren in Londen op 24 juli 1725. Zie ook alle tags voor John Newton op dit blog.

Harvest

See! the corn again in ear!
How the fields and valleys smile!
Harvest now is drawing near
To repay the farmer’s toil:
Gracious Lord, secure the crop,
Satisfy the poor with food;
In thy mercy is our hope,
We have sinned but thou art good.

While I view the plenteous grain
As it ripens on the stalk;
May I not instruction gain,
Helpful, to my daily walk?
All this plenty of the field
Was produced from foreign seeds;
For the earth itself would yield
Only crops of useless weeds.

Though, when newly sawn, it lay
Hid awhile beneath the ground,
Some might think it thrown away
Now a large increase is found:
Though concealed, it was not lost,
Though it died, it lives again;
Eastern storms, and nipping frosts
Have opposed its growth in vain.

Let the praise be all the Lord’s,
As the benefit is ours!
He, in seasons, still affords
Kindly heat, and gentle flow’rs:
By his care the produce thrives
Waving o’er the furrowed lands;
And when harvest-time arrives,
Ready for the reaper stands.

Thus in barren hearts he sows
Precious seeds of heav’nly joy;
Sin, and hell, in vain oppose,
None can grace’s crop destroy:
Threatened oft, yet still it blooms,
After many changes past,
Death, the reaper, when he comes,
Finds it fully ripe at last.

John Newton (24 juli 1725 – 21 december 1807)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2018 en ook mijn blog van 24 juli 2017 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Judith Herzberg, Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō Tanizaki, Betje Wolff

Dolce far niente

 

 
All Summer In A Day door Peter Graham, 2015

 

Er is nog zomer en genoeg

Er is nog zomer en genoeg
wat zou het loodzwaar
tillen zijn wat een gezwoeg
als iedereen niet iedereen
terwille was
als iedereen niet iedereen
op handen droeg.

 

 
Judith Herzberg (Amsterdam, 4 november 1934)
Amsterdam op een zomeravond

 

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

“I came into the inner cavern, after groping painfully on all-fours up the stairs, and saw the Sibyl, more like an ape than a woman, sitting on a chair in a cage that hung from the ceiling, her robes red and her unblinking eyes shining red in the single red shaft of light that struck down from somewhere above. Her toothless mouth was grinning. There was a smell of death about me. But I managed to force out the salutation that I had prepared. She gave me no answer. It was only some time afterwards that I learnt that this was the mummied body of Deiphobe, the previous Sibyl, who had died recently at the age of 110; her eyelids were propped up with glass marbles silvered behind to make them shine. The reigning Sibyl always lived with her predecessor. Well, I must have stood for some minutes in front of Deiphobe, shivering and making propitiatory grimaces – it seemed a lifetime. At last the living Sibyl, whose name was Amalthea, quite a young woman too, revealed herself. The red shaft of light failed, so that Deiphobe disappeared – somebody, probably the novice, had covered up the tiny red-glass window – and a new shaft, white, struck down and lit up Amalthea, seated on an ivory throne in the shadows behind. She had a beautiful mad-looking face with a high forehead and sat as motionless as Deiphobe. But her eyes were closed. My knees shook and I fell into a stammer from which I could not extricate myself. `O Sib … Sib … Sib … Sib … Sib …’ I began. She opened her eyes, frowned, and mimicked me: ‘O Clau Clau Clau… ‘
That shamed me and I managed to remember what I had come to ask. I said with a great effort: ‘0 Sibyl: I have come to question you about Rome’s fate and mine.’ Gradually her face changed, the prophetic power overcame her, she struggled and gasped, and there was a rushing noise through all the galleries, doors banged, wings swished my face, the light vanished, and she uttered a Greek verse in the voice of the God:
Who groans beneath the Punic Curse And strangles in the strings of purse, Before she mends must sicken worse.
Her living mouth shall breed blue flies, And maggots creep about her eyes. No man shall mark the day she dies. Then she tossed her arms over her head and began again: Ten years, fifty days and three, Clau – Clau – Clau shall given be A gift that all desire but he.”

 
Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Cover biografie

 

De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd geboren op 24 juli 1863 in Westervoort. Zie ook alle tags voor Johan Andreas dèr Mouw op dit blog.

Nagelaten Verzen

1
‘T is lang geleden; ‘k was nog maar een kind.
Toen dacht ik: Als ik maak, dat ik nooit meer
Ondeugend ben, en dat ‘k op school goed leer,
Dan word ik vast ‘een kind, van God bemind’.

En – dacht ik – als ik dood ga, nou, dan vind
Ik in de lucht bij onze Lieven Heer
De menschen, waar ‘k van hou, allemaal weer,
Mijn vader en mijn moeder en mijn vrind.

In ons salon, boven ’t antiek buffet,
Hing aan de muur een prachtig-mooi portret,
Van hoe een moeder slaapt; ze is zeker moe;

En naast haar ligt een kindje dood in ’t bed;
Een engel hangt erbij; ‘k begreep niet, hoe;
En draagt het kindje naar de hemel toe.

 

2
Zoo zou ik eenmaal naar de hemel gaan,
En vleugels krijgen, wit als een kapel,
En vliegen door de lucht, zoo hoog, zoo snel,
Sneller dan vogels, hooger dan de maan;

En ‘k zou misschien op Zondag mogen staan
Vlak bij de troon van God, naast Gabriël;
Jesus vond ’t zeker goed: die wist het wel,
Dat ik op school mijn best zoo had gedaan.

En dan zongen ze vast een kerkgezang;
Alleen: als ’t licht maar niet te helder was:
Zoo dicht bij God – een heele Zondag lang –

Als ‘k daaraan dacht, werd ‘k om mijn oogen bang.
Maar groen is goed voor de oogen: een stuk glas
Hield men zich voor ’t gezicht, daar, groen als gras.

           

3
Maar – één ding was er, dat ‘k niet prettig vond:
Ik kende een plaat, waarop een neger vloog
Met de armen om een blanke, in ’t donker. Hoog
Zag je veel licht; beneden was de grond.

Werd hij nu ook een engel? Met zoo’n mond?
En met dat griez’lig witte van zijn oog?
Ik hoopte, dat grootmoeder zich bedroog,
En hij niet was bij God, als ik er stond.

Grootmoeder zei – ‘k hoor nog haar lieve stem -:
De kleur was niets; God zag alleen de harten;

En was dàt goed, dan kwam je vast bij Hem;
Hij hield niet meer van blanken dan van zwarten.

En ik begreep ‘t: gelijk zijn al de dooden,
De menschen en de negers en de Joden.

 
Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)
Cover

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook alle tags voor Banana Yoshimoto op dit blog.

Uit: The Lake (Vertaald door Michael Emmerich)

“No, I know that, it’s just … I know I can’t express it very well, no matter how I phrase it, but you’re just right. This sounds kind of odd, but your proportions are just right.” I sort of knew what he was trying to say. Considering how smart Nakajima was, I bet he could have found a way to express more precisely what it was like to push his body to the limit while studying, or his perspec-tive on the way my emotions were structured inside me. He was just being nice, communicating on my level. That’s what made it sound vague. Still, I had the sense that right then it helped for him to be talking about something, and so I decided to draw him out. I intentionally cocked my head slightly, feigning puzzle-ment. “I mean, for you love is more important than anything else, right, Chihiro?” Nakajima said. “But you don’t try to control other people, do you?” “I guess that’s pretty true,” I replied. “And you cherish the memory of your mother? Of course, everyone has little knots in their hearts, no matter what their families are like—but wouldn’t you say that in your case you feel love and hate in ordinary, healthy amounts? Even if one may seem a bit stronger at times?” “Yeah, I’d agree with that.” “And you don’t hate your father, do you?” “No, I don’t. If anything I think he’s kind of lovable. The environment we lived in wasn’t ideal, but I suspect that it actually made it easier for us to express our love than in your average family. We didn’t fit into any ready category, so we all had to work that much harder.” “Exactly—you don’t have that sense that you can take your family for granted, that’s why I feel so comfortable with you. You see your family members for what they are, and you look at me in an ordinary way, without wishing that I was some-how different,” Nakajima said, his tone very level. “That’s what I like about you. I’m extremely, almost pathologically sensitive to violence, and I pick up on it immediately when something violent is happening. Most people are constantly perpetrating little acts of violence on others, even when they don’t mean to. You almost never do that, Chihiro.” “How about you?” I asked. “I’ve never been able to discuss this before,” Nakajima said, “but honestly, I felt oppressed the whole time until my mother died, because of the way she was always fretting over me—no one else mattered.”

 
Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)

 

De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli 1928 in Jena. Zie ook alle tags voor Rosemarie Schuder op dit blog.

Uit: In der Mühle des Teufels

„Je mehr Furcht und Schmerz Siegmund verspürte, desto frecher redete er, er wollte sich selbst Mut machen.
“Gut, daß ihr gekommen seid”, rief er dem Hauptmann zu, “ich wollte sowieso zum Statthalter. Nun komme ich viel schneller hin. Und so vornehm zu Pferde.”
“Was wolltest du denn bei ihm?” fragte einer der Reiter. Sie hatten Spaß an ihren Gefangenen.
“Was Wichtiges sagen”, rief Siegmund, “was sehr Wichtiges.” Er wollte sich wertvoll machen, vielleicht würden sie ihn besser behandeln und die Stricke nur ein ganz klein wenig lockern.
“Kennst du Anführer?” fragte der Hauptmann, aufmerksam geworden.
Siegmund bedachte sich kurz.
“Ja, ich kenne sie alle”, sagte er entschlossen.
“Willst du darum zum Statthalter?” vergewisserte sich der Hauptmann.
“Ja”, sagte Siegmund schroff, “aber eh wir da sind, werd ich vor Schmerzen tot sein. Dann kannst du Herrn Adam einen schönen Gruß von mir bestellen.”
“Nehmt ihm die Fesseln ab!” ordnete der Hauptmann an. Er berechnete rasch, daß für ihn auf alle Fälle etwas dabei herausspringen würde; es wäre wirklich dumm gewesen, wenn der Mann vorher unbrauchbar zu einer Aussage geworden wäre.
Der Färbergeselle atmete auf. Er vermied es, hinzusehen zu dem Wirt von Baumgarting. Der war auch gefragt worden:
“Kennst du Namen von Anführern?”
“Nein!” hatte der geschrien. Und man hatte seine Fesseln noch enger zusammengezogen.
Während des Rittes nach Vöcklabruck, wo der Statthalter Quartier genommen hatte, sprach Siegmund kein Wort mehr. Die Reiter, die ihn ins Gespräch zu ziehen versuchten, fertigte er mit einem Knurren ab. Er mußte viel denken. Anne, dachte er, Anne Preiner, ich könnt deinen Mann angeben, dann wärst du los und ledig. Er spielte weiter mit dem Gedanken. Ich könnte dann hingehen zu dir und sagen, nun muß ich dich beschützen. Niemand wird wissen, daß ich den Namen gesagt hab. Dem Wirt hast du pfui gesagt, entgegnete er sich selbst, ihn Verräter genannt.“

 
Rosemarie Schuder (Jena, 24 juli 1928)

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook alle tags voor Katia Mann op dit blog.

Uit:Katia Mann: Meine ungeschriebenen Memoiren

„Meine Eltern machten, wie man sagt, ein ziemliches Haus. Sie hatten ein ganz angesehenes und vielfältig besuchtes Haus und gaben große Gesellschaften.
Durch den Beruf meines Vaters und seine persönlichen Neigungen war es ein wissenschaftliches Haus mit musikalischen Interessen. Zur Literatur hatte er kein sehr lebhaftes Verhältnis, im Gegensatz zu meiner Mutter. Es kamen sehr viele Leute in die Arcisstraße, auch Literaten, besonders aber Musiker und Maler. Richard Strauss kam zu uns und Schillings, es kamen Fritz August Kaulbach, Lenbach, Stuck und viele andere aus Münchens gesellschaftlich-künstlerischen Kreisen. Mein Vater war ein begeisterter Früh-Wagnerianer und hatte auch seine Eltern veranlaßt, Anteilscheine, Patronatsscheine nannte man sie, für den Bau des Theaters in Bayreuth zu nehmen. Er kannte Wagner persönlich und besaß einen oder zwei Briefe von ihm, die seine Heiligtümer waren. 1876 bei den Proben für den >Ring< war er in Bayreuth, aber er hat nie intim in Wahnfried verkehrt. Weil er sich einmal Wagners wegen in Bayreuth duellierte, hatte er sich seine persönliche Beziehung zu Wahnfried verscherzt. Es hatte sich in einem Restaurant irgend jemand in seiner Nähe abschätzig über Wagner geäußert, und da mein Vater sehr jähzornig war, schlug er diesem Mann mit seinem Bierglas auf den Kopf und wurde darauf der »Schoppenhauer« genannt. Der andere forderte ihn, es kam zu einem Pistolenduell, welches aber unblutig verlief. Nun, in Wahnfried haben sie sich darüber furchtbar geärgert. Das wollten sie nicht; sie wollten keinen Skandal. Aber mein Vater blieb zeit seines Lebens ein leidenschaftlicher Wagnerianer und hat eine Menge Sachen für Klavier, auch zu vier Händen, gesetzt. Diese Arrangements wurden dann bei uns zu Hause gespielt. Bei uns wurde sehr viel und sehr oft Hausmusik gemacht. Wir hatten einen sehr hübschen Musiksaal. Es kamen oft erste Sänger von der Oper. Da gab es eine hervorragende Wagnersängerin, die Primadonna, sie nannte sich Ternina, und mein Vater verehrte sie über alle Maßen.“

 
Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)
V.l.n.r. Alfred en Hedwig Pringsheim (Katia’s ouders), Katia, Thomas, Elisabeth, Monika en Golo Mann in 1931

 

De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli 1886. Zie ook alle tags voor Junichirō Tanizaki op dit blog.

Uit: Kinderjaren. Herinneringen (Vertaald door Tinke Davids)

“Ik heb twee of drie herinneringen die lijken te stammen uit de tijd dat ik vier of vijf jaar was, maar het is geen gemakkelijke opgave uit te zoeken welke daarvan de allereerste is.
De mensen beginnen meestal redelijk duidelijke herinneringen te krijgen vanaf de leeftijd van een jaar of vijf; er zijn er een paar die zich dingen uit hun vierde jaar herinneren, maar die zijn relatief zeldzaam. En er is nauwelijks iemand die veel weet op te halen uit zijn derde jaar — afgezien van Yoshitsune zoals beschreven in de scène van `Kumagais kamp’. Hoewel ik er niet helemaal zeker van ben dat ik destijds vier was, herinner ik me dat ik op een dag, heel lang geleden, in een riksja reed, en op en neer hupte op mijn moeders schoot; we kwamen bij een huis in de wijk Yanagiharain het district Kanda, in het centrum, een gebouw van rode baksteen, wat nog ongewoon was in het laatnegentiende-eeuwse Japan. We stapten uit de riksja en gingen naar binnen, en daar zagen we Vader zitten aan een toonbank, met tralies voor zich.
Moeder en ik bogen en begroetten hem van bij de ingang — dat alles herinner ik me, weliswaar vaag, maar niet als een droom — als werkelijkheid. Wat ik me herinner, dat is dat gebouw van rode baksteen, de uitdrukking op mijn vaders gezicht, de toonbank met de tralies, de hoge drempel van de tatami-kamer daarachter, en het feit dat het mooi weer was. Ik herinner me niet wat ik of mijn moeder of vader voor kleren droegen, of welk jaargetijde het was.
Toch weet ik om de een of andere reden dat het kantoor in de wijk Yanagihara in Kanda lag, en dat het was in de periode dat mijn vader een agentschap voor lantarenopstekers had. Waarschijnlijk hebben mijn moeder en mijn verzorgster me dat destijds verteld.
Toch heb ik me lange tijd afgevraagd waar Moeder en ik die dag vandaan waren gekomen: woonden we misschien bij mijn vader in Yanagihara en waren we net teruggekomen van een tochtje naar een of andere tempel, of van een bezoek aan het familiehuis in de wijk Kakigara-cho in Nihombashi? Maar goed, omdat mijn herinneringen aan dat huis in Yanagihara beperkt blijven tot dit fragment van één dag (als één enkele opname uit een scène in een film), vermoed ik dat ze dateren uit mijn vierde jaar, en dat ze dus mijn `allervroegste’ herinneringen zijn. Toen ik bij de voorbereidingen voor dit boek naar deze dingen informeerde bij mijn jongste oom, de enige die nog leeft, en bij mijn inmiddels overleden neef, vertelden ze me dat het gebouw in Yanagihara de plaats was waar mijn vader hoofdzakelijk werkte, niet waar hij woonde; en dat wij destijds woonden in het familiehuis in Kakigaracho, vanwaar Vader elke dag naar zijn werk ging.

 
Junichirō Tanizaki (24 juli 1886 – 30 juli 1965)
Cover

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zie ook alle tags voor Betje Wolff op dit blog.

Uit:Historie van mejuffrouw Sara Burgerhart (Samen met Aagje Deken)

Veele deezer menschen, ik spreek van de besten uit de zôô, meenden dat haar grimmige uitkyk, haar grommig voorkomen, haar nutteloze berisping, de zoete vrugtjes waren van eene naauw gezette godsvrugt. Die goede Slooven dagten, dat Tante los was van de Waereld, om dat de wyze schikkingen der Voorzienigheid nooit de eer hadden van haar Wel Edele te voldoen. Hoe zeer zy ook de Fyne uithing, zy beviel evenwel méér aan de Zusjes, dan aan de Broedertjes: men moet bekennen, dat Juffrouw Holland juist niet heel oogelyk is. Met myn zesde jaar hielt ik al meé Oeffening by Tante. De Vriendjes hadden veel met my op. Men zag wat goeds in my. Ik hielt ook veel van Tantes Oeffening; want, met myn zak en peperhuizen vol Lekken, kwam ik altoos thuis, zie daar de genoegzame rede Hoe zeidt WOLFF, de ratio sufficiens der dingen? Zo veele middelen bleven niet ongezegend. Ik verlangde altoos naar Tantes oeffendag. Wat zal ik meer zeggen? Gy kent my: medelydend, meëgaande, en zo voords. Toen kon ik al geene droefheid zien zonder ook te kryten; en er werdt ook meest altyd eens geweent, (waarom weet Joost; want me dunkt, dat zy het nog al zo taamlyk wél hadden.) Deeze weekheid behaagde. Myne Tante zelf, of schoon ik hare gehaate Zusters dochtertje was, kreeg my, op hare wys, recht lief. Zy mydde ons huis niet meer, om dat ik me’è oeffening hield, en me’è huilde Twaalfjaren leefde ik zo gelukkig, als een gehoorzaam en gelieft kind leven kan. Toen keerde myn lot. Myn waarde Vader, zich op eenen heten dag, door het inpakken en afzenden van Thee, zeer verhit hebbende, kreeg een pleuris, en stierf binnen drie dagen, nog geen veertig jaren oud zynde. Geene V AN MERKEN zou u kunnen afbeelden, hoe groot myner Moeders en myne droefheid was. Wy verloren alles, en myne tederlievende Moeder voelde alles wat zy verloor; meer zeg ik niet. Oordeel nu. Myne Moeder deedt den handel aan iemand onzer Kantoorbedienden over, vertrok naar de …. gragt, en hielt maar eene onzer meiden; daar leefden wy stil en proper. Maar haar verlangen naar stilte was te gunstig voor haar, om toch onafgebroken aan haar Overledenen te denken! Myne Ouders hadden elkander hartlyk bemint: de dood myn’s Vaders stortte haar in de aller diepste zwaarmoedigheid. Zy sneedt alle uitspanningen af, zag niemand, sprak weinig, zuchtte veel, en stortte veele droeve tranen.”

 
Betje Wolff (24 juli 1738 – 5 november 1804)
De schrijfkamer in het Betje Wolff Museum in Middenbeemster

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2017 en ook mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō Tanizaki, Frank Wedekind, Alexandre Dumas père, Betje Wolff

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

This is a confidential history. But who, it may be asked, are my confidants?
My answer is: it is addressed to posterity. I do not mean my great-grandchildren, or my great-great- grandchildren: I mean an extremely remote posterity.
Yet my hope is that you, my eventual readers of a hundred generations ahead, or more, will feel yourselves directly spoken to, as if by a contemporary: as often Herodotus and Thucydides, long dead, seem to speak to me. And why do I specify so extremely remote a posterity as that? I shall explain.
I went to Cumae, in Campania, a little less than eighteen years ago, and visited the Sibyl in her cliff cavern on Mount Gaurus. There is always a Sibyl at Cumae, for when one dies her novice-attendant succeeds; but they are not all equally famous. Some of them are never granted a prophecy by Apollo in all the long years of their service. Others prophesy, indeed, but seem more inspired by Bacchus than by Apollo, the drunken nonsense they deliver; which has brought the oracle into discredit. Before the succession of Deiphobe, whom Augustus often consulted, and Amalthea, who is still alive and most famous, there had been a run of very poor Sibyls for nearly three hundred years. The cavern lies behind a pretty little Greek temple sacred to Apollo and Artemis–Cumae was an Aeolian Greek colony. There is an ancient gilt frieze above the portico ascribed to Daedalus, though this is patently absurd, for it is no older than five hundred years, if as old as that, and Daedalus lived at least eleven hundred years ago; it represents the story of Theseus and the Minotaur whom he killed in the Labyrinth of Crete. Before being permitted to visit the Sibyl I had to sacrifice a bullock and a ewe there, to Apollo and Artemis respectively. It was cold December weather.
The cavern was a terrifying place, hollowed out from the solid rock, the approach steep, tortuous, pitch-dark and full or bats. I went disguised, but the Sibyl knew me. It must have been my stammer that betrayed me. I stammered badly as a child and though, by following the advice of specialists in elocution, I gradually learned to control my speech on set public occasions, yet on private and unpremeditated ones, I am still, though less so than formerly, liable every now and then to trip nervously over my own tongue: which is what happened to me at Cumae.”

 
Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Derek Jacobi als Claudius in de BBC-serie uit 1976

Doorgaan met het lezen van “Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō Tanizaki, Frank Wedekind, Alexandre Dumas père, Betje Wolff”

Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō Tanizaki

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Uit: I, Claudius

« I dictated most of the first four volumes to a Greek secretary of mine and told him to alter nothing as he wrote (except, where necessary, for the balance of the sentences, or to remove contradictions or repetitions). But I admit that nearly all the second half of the work, and some chapters at least of the first, were composed by this same fellow Polybius (whom I had named myself, when a slave-boy, after the famous historian) from material that I gave him. And he modelled his style so accurately on mine that, really, when he had done, nobody could have guessed what was mine and what was his.
It was a dull book, I repeat. I was in no position to criticize the Emperor Augustus, who was my maternal granduncle, or his third and last wife, Livia Augusta, who was my grandmother, because they had both been officially deified and I was connected in a priestly capacity with their cults; and though I could have pretty sharply criticised Augustus’ two unworthy Imperial successors, I refrained for decency’s sake. It would have been unjust to exculpate Livia, and Augustus himself, in so far as he deferred to that remarkable and—let me say at once—abominable woman, while telling the truth about the other two, whose memories were not similarly protected by religious awe.
I let it be a dull book, recording merely such uncontroversial facts as, for example, that So-and-so married So-and-so, the daughter of Such-and-such who had this or that number of public honours to his credit, but not mentioning the political reasons for the marriage nor the behind-scene bargaining between the families. Or I would write that So-and-so died suddenly, after eating a dish of African figs, but say nothing of poison, or to whose advantage the death proved to be, unless the facts were supported by a verdict of the Criminal Courts. I told no lies, but neither did I tell the truth in the sense that I mean to tell it here.
When I consulted this book to-day in the Apollo Library on the Palatine Hill, to refresh my memory for certain particulars of date, I was interested to come across passages in the public chapters which I could have sworn I had written or dictated, the style was so peculiarly my own, and yet which I had no recollection of writing or dictating. If they were by Polybius they were a wonderfully clever piece of mimicry (he had my other histories to study, I admit), but if they were really by myself then my memory is even worse than my enemies declare it to be. Reading over what I have just put down I see that I must be rather exciting than disarming suspicion, first as to my sole authorship of what follows, next as to my integrity as an historian, and finally as to my memory for facts. But I shall let it stand; it is myself writing as I feel, and as the history proceeds the reader will be the more ready to believe that I am hiding nothing—so much being to my discredit.”

 
Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Scene uit de Britse tv-serie met o.a. Derek Jacobi als Claudius (rechts), 1976

Bewaren

Doorgaan met het lezen van “Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Katia Mann, Junichirō Tanizaki”

Dolce far niente, Nescio, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

Dolce far niente

 

Titaantjes in het Oosterpark, beeld door Hans Bayens, Amsterdam

                              

Uit: Titaantjes

“Heele zomernachten stonden we tegen ’t hek van ’t Oosterpark te leunen en honderd uit te boomen. Een heel kamerameublement zou je daaraan hebben kunnen verdienen, als je dat allemaal had kunnen onthouden. Er wordt toch zooveel geschreven tegenwoordig.
Dikwijls waren we ook minder spraakzaam. Aan den rand van ’t trottoir zaten we tot lang na twaalven, zoo maar op de straatsteenen en waren weemoedig en tuurden naar de klinkers, en van de klinkers naar de sterren. En dan zei Bekker, dat-i eigenlijk medelijden met z’n baas had en ik probeerde een gedicht te maken, en Hoyer zei, dat-i opstond want dat die blauwe steen zoo optrok. En als in die korte, zoele nachten het zwart recht boven onze hoofden wat verschoot, dan zat Bavink met z’n hoofd in z’n handen, over de zon te praten, bij ’t sentimenteele af. En we vonden dat ’t zonde was naar bed te gaan, dat een mensch eigenlijk altijd op moest kunnen blijven. Ook dat zouden we veranderen. Kees zat te slapen.
En dan gingen we de zon op zien komen aan de Zuiderzee, behalve Kees, die naar huis ging. Hoyer klaagde over de kou, maar Bavink en Bekker wisten nergens van. Die zaten op de steenen onder aan den zeedijk met de oogen half dicht en keken tusschen hun oogharen door naar de dansende gouden pijltjes die de zon in ’t water maakte. Stapelmal werd Bavink er van. Naar de zon loopen wilde-i over de lange, lange schitterende streep. Maar aan den kant van ’t water bleef-i toch maar staan. Ik herinner me, dat we, Bavink en ik, eens op een keer aan zee kwamen, toen de halve zon groot, koud en rood aan de kim stond. Bavink sloeg met z’n vuist tegen z’n voorhoofd en vloekte: „God, God, dat schilder ik nooit. Dat kan ik nooit.” Nu zit-i in een gesticht. Als we teruggingen, konden we een heelen tijd niets zien dan gele vlekken en voor onze bazen waren zulke tochten heel slecht. Want ik was er op kantoor nog slaperig van en Bekker, die er beter tegen kon, zat den geheelen dag over de zon te suffen en meer dan ooit naar de verlichte boomtoppen aan de overzij van de tuinen te staren en erger dan ooit naar zes uur te verlangen.”

Nescio (22 juni 1882 – 25 juli 1961)
Nescio op het terras van het (nu verdwenen) Noord- en Zuidhollands koffiehuis tegenover het Centraal Station in Amsterdam
Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Nescio, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw”

Robert Graves, Lion Feuchtwanger, Ivo Victoria, Vladimir Majakovski

Dolce far niente

 

 
Spelende kinderen op het strand door Albert Edelfelt, 1884

 

The Beach

Louder than gulls the little children scream
Whom fathers haul into the jovial foam;
But others fearlessly rush in, breast high,
Laughing the salty water from their mouthes–
Heroes of the nursery.

The horny boatman, who has seen whales
And flying fishes, who has sailed as far
As Demerara and the Ivory Coast,
Will warn them, when they crowd to hear his tales,
That every ocean smells of tar.

 

 
Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Londen, waar Robert Graves werd geboren.

Doorgaan met het lezen van “Robert Graves, Lion Feuchtwanger, Ivo Victoria, Vladimir Majakovski”

Dolce far niente, Frans Erens, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw

Dolce far niente

 

Hartjesdag op de Zeedijk door Johan Braakensiek, 1926

 

Uit: Zeedijk

“Zij was een teêre, slanke meid.
Op den Zéédijk ging ze wandelend voort.
In het vierkantig gerok der breede meiden liep ze buigend zacht; in het stevig getrap der voortschommelende matrozen, ging ze, buigend zacht als waaiend riet.
Onder de helmen diep, glommen heimelijk de oogen der stappende agenten, als waterpoelen in het ruig gestruik op de avond-hei.
Als glimwormen hel, glommen de helmen der loerende agenten.
Vijandig recht, de gezichten strak, liepen vrouwen blootshoofd en in wit gejak, langs het kalm gestap der loerende agenten.
Van rechts en links glansde kroeg aan kroeg met de rijen van flesschen der vonkelende likeuren. Van rechts en links kwam zang en spel en getrappel van dans en gespring.
Binnen ging de lieve meid, stil en met ernst.
Zij danste, danste de lieve meid, de slanke witte hand gespreid op den schouder van den dronken matroos.
Haar gezichtje zacht, geresigneerd, draaide weg tusschen de gezichten vol, wellustig-vol, slaperig-dik, lachend-dik der op- en neêr springende vrouwen.
Tusschen de vierkante meiden met de donkere rokken, die waaiden breed, als krinolinen wijd.
Vloog licht en rank, in vollen zwaai en leliewit de slanke meid.
Gloeiend heet en rood in zweet trapte ferm de sterke matroos, meênemend licht, het lichte wicht.
In den nevelenden stof, in den wirbelenden dans, in het voeten gebons, in het plompende gestomp, in het vioolgesnerp verdween, kwam op de vliegende meid.
Op de borsten en ruggen de halssnoeren klikten en tikten. De zwaar-vleezige, zwart-nagelige handen op de ruggen gespreid, kwamen op? verdwenen snel in het gezwaai en gedraai. Er tusschen door de witte hand, verdwijnend hier, verdwijnend daar.”

Frans Erens (23 juli 1857– 5 december 1936)
Plaquette in Landgraaf
Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Frans Erens, Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw”

Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009 en ook mijn blog van 24 juli 2010.

 

The Naked And The Nude

For me, the naked and the nude

(By lexicographers construed

As synonyms that should express

The same deficiency of dress
Or shelter) stand as wide apart

As love from lies, or truth from art.

Lovers without reproach will gaze

On bodies naked and ablaze;

The Hippocratic eye will see

In nakedness, anatomy;

And naked shines the Goddess when

She mounts her lion among men.

The nude are bold, the nude are sly

To hold each treasonable eye.

While draping by a showman’s trick

Their dishabille in rhetoric,

They grin a mock-religious grin

Of scorn at those of naked skin.

The naked, therefore, who compete

Against the nude may know defeat;

Yet when they both together tread

The briary pastures of the dead,

By Gorgons with long whips pursued,

How naked go the sometime nude!

 

Symptoms of Love

Love is universal migraine,

A bright stain on the vision

Blotting out reason.

Symptoms of true love

Are leanness, jealousy,

Laggard dawns;

Are omens and nightmares –

Listening for a knock,

Waiting for a sign:

For a touch of her fingers

In a darkened room,

For a searching look.

Take courage, lover!

Could you endure such pain

At any hand but hers?

 

Smoke-Rings

BOY

Most venerable and learned sir,

Tall and true Philosopher,

These rings of smoke you blow all day

With such deep thought, what sense have they?

PHILOSOPHER

Small friend, with prayer and meditation

I make an image of Creation.

And if your mind is working nimble

Straightway you’ll recognize a symbol

Of the endless and eternal ring

Of God, who girdles everything—

God, who in His own form and plan

Moulds the fugitive life of man.

These vaporous toys you watch me make,

That shoot ahead, pause, turn and break—

Some glide far out like sailing ships,

Some weak ones fail me at my lips.

He who ringed His awe in smoke,

When He led forth His captive folk,

In like manner, East, West, North, and South,

Blows us ring-wise from His mouth.

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

Doorgaan met het lezen van “Robert Graves, Johan Andreas der Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder”

Robert Graves, Johan Andreas dèr Mouw, Banana Yoshimoto, Rosemarie Schuder, Junichirō Tanizaki, Katia Mann, Frank Wedekind, Hermann Kasack, E. F. Benson, Alexandre Dumas père, Betje Wolff

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009.

Uit: The White Goddess

“It seems that the Welsh minstrels, like the Irish poets, recited their traditional romances in prose, breaking into dramatic verse, with harp accompaniment, only at points of emotional stress. Some of these romances survive complete with the incidental verses; others have lost them; in some cases, such as the romance of Llywarch Hen, only the verses survive. The most famous Welsh collection is the Mabinogion, which is usually explained as ‘Juvenile Romances’, that is to say those that every apprentice to the minstrel profession was expected to know; it is contained in the thirteenth-century Red Book of Hergest. Almost all the incidental verses are lost. These romances are the stock-in-trade of a minstrel and some of them have been brought more up-to-date than others in their language and description of manners and morals.

The Red Book of Hergest also contains a jumble of fifty-eight poems, called The Book of Taliesin, among which occur the incidental verses of a Romance of Taliesin which is not included in the Mabinogion. However, the first part of the romance is preserved in a late sixteenth-century manuscript, called the ‘Peniardd M.S.’, first printed in the early nineteenth-century Myvyrian Archaiology, complete with many of the same incidental verses, though with textual variations. Lady Charlotte Guest translated this fragment, completing it with material from two other manuscripts, and included it in her well-known edition of the Mabinogion (1848). Unfortunately, one of the two manuscripts came from the library of Iolo Morganwg, a celebrated eighteenth-century ‘improver’ of Welsh documents, so that her version cannot be read with confidence, though it has not been proved that this particular manuscript was forged.“

graves

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)
Portret door Roger Backwell

 

 De Nederlandse dichter Johan Andreas dèr Mouw (Adwaita) werd  geboren op 24 juli 1863 in Westervoort Zie ook mijn blog van 24 juli 2006 en ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009.

Aquarium

In schem’rig groen stukje van de oceaan
Zweeft als een schim het zeedier, transparant:
Zich vergetend, ziet door glazen wand
De mensengeest ‘t ontzaglijk wonder aan,

Hoe ‘t zieltje, dat in elk trillend orgaan,
Teer van doorschijnendheid, onzichtbaar brandt,
‘t vreemd, glazen vogeltje, zijn fijn als kant
Geweven vleugeltjes doet slaan.

Zo drijft mijn vers in mij, zelf deel van God
En iets, dat met verstand en weten spot,
Verbergt zich in kunst’ge doorschijnendheid;

En wie het leest, voelt, voor het ogenblik
Verplaatst, buiten de grenzen van zijn Ik,
Trillen ‘t mysterie van zijn eeuwigheid.

 

De gele wolken werden langzaam rood

De gele wolken werden langzaam rood.
Dan dacht hij: Nu begint zonsondergang;
En keek weer naar de zwaluwen, die zo lang
De zon nog konden zien. En dikwijls schoot

De angst door hem heen: Eenmaal gaat moeder dood,
Hoe moet het dan? – Eens voelde hij bij zijn wang
‘T laag rits’len van een vleermuis, en werd bang,
Toen hij ‘m van dichtbij zag, grijs, plots’ling-groot.

Dan merkte hij, hoe in zijn afgrond diep
Het donker stond en langzaam overliep,
En golven duisternis de omgeving vulden;

En dan, op eens, zag hij blauw fonk’ len, vlak
Tegen de schuine lijn van ’t verste dak,
Die mooie ster, blank als een nieuwe gulden.

 

Felgeel van brem lag, rond, op grijze heiden

Felgeel van brem lag, rond, op grijze heiden
De zonn’ge heuvel, opgaande aardse zon,
Waarom, bolvormig, op de horizon
Zich werelden van wolken samenrijden.

Scheef, aan weerskant, streefde een bloedbeuke-allee,
Doorschijnend rood de apart zichtbare blad’ren:
De gele punt wachtte op het wachtend nad’ren,
Maar, roodgestippeld, bleef niet-af de V.

Jij, stralend voor mijn halfverduisterde ogen,
Ging voor me, rood je vlecht langs het witte kleed:
Donk’re meteoor ik, jij, lichte komeet,
We voelden naar de zon ons heengezogen.

Zwart lag ‘k in geel; jij, triomfant’lijk, stond,
Je gratie gemarkeerd door elegance:
‘K weet nog, hoe ‘k jou zag als protuberance,
En hoe ‘k mezelf een zonnevlekje vond.

dermouw 

Johan Andreas dèr Mouw (24 juli 1863 – 8 juli 1919)
Portret door Serge Baeken (sergebaekenblog)

 

De Japanse schrijfster Banana Yoshimoto werd geboren op 24 juli 1964 inTokyo. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007  en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009.

Uit: Amrita

“Before they performed my surgery, they shaved my head, and in an instant I was bald. By the time winter rolled around my hair had finally grown in, and I was sporting a trendy, short cut.

When I revealed myself to my family and friends, they barked out unanimously, “Sakuchan! We’ve never seen you with short hair. You look so different, almost like a new person.”

Really? I thought, returning their smiles. Later, all alone, I opened the pages of my photo album in secret. Without a doubt, it was me in the pictures — that long hair and radiant smile. All the places I’d visited, all the scenes I’d encountered. I recognized each one of them from somewhere. I remembered…

…the weather in this picture, and…

…I had my period when they took that shot, so it was a pain to even stand up, and…

…and so on.

There was no question about it; it really was me in that album. It couldn’t have been anyone else. Still, something refused to ring a bell. A strange sensation, almost as if I had been floating.

Now I want to stand up and give myself, steadfast and determined, a round of applause for maintaining “me,” even though I had been thrust into such a strange psychological dilemma.

***

There were quite a few of us at home back then: my mother, me, my little brother Yoshio, who had just entered the fourth grade, and my mother’s old friend Junko, who was living with us for a while. My cousin Mikiko, a student at a nearby women’s university, was also at home. My father had passed away many years before, and since then my mother had both remarried and divorced. That’s why my brother’s father was different from mine. Actually, there was another sister between me and Yoshio. Her name was Mayu. She was my younger sister, from my mother’s first husband, so we shared the same father. Throughout her early life Mayu worked in the entertainment business, but that didn’t last for very long. Eventually she got out of it and moved in with a friend who was a writer. In the end her heart was troubled, and she died — as if she had taken her own life. It all happened quite some time ago.

banana

Banana Yoshimoto (Tokyo, 24 juli 1964)

 

De Duitse schrijfster Rosemarie Schuder werd geboren op 24 juli 1928 in Jena. Zie ook mijn blog van 24 juli 2009.

Uit: Der Ketzer von Naumburg

“… Der Reimser suchte ihn zu beschwichtigen: “Schimpf nicht, Anton, ich weiß, er wird es nicht tun; das kann er gar nicht – er hat die richtige Fingerfertigkeit dafür nicht. Und er weiß auch noch nicht, daß die Johanna, wenn sie ihn wirklich liebt, eine Spange gar nicht so dringlich erwartet”
Anton wollte weiter schelten, er kam nicht zu Worte, draußen lärmten die Steinmetzen. Die beiden Meister und der Geselle traten aus der Bauhütte, zu sehen, was es gäbe.
Da hockte inmitten der Männer der Gugel mit weitaufgerissenen, tränenleeren Augen. Seine Hände verkrampften sich ineinander, und sein Körper zuckte vor verhaltenem Weinen. Er flüsterte vor sich hin, und er flüsterte immer nur ein Wort: “Verhungert.”
Fragend schaute der Reimser zu Matthias, der neben Gugel stand. Der nahm ihn beiseite, sagte es ihm leise: “Gestern abend, als der Gugel nach Hause kam, saß sein Vater nicht wie sonst noch vor der Hütte. – Ja, neun Tage sind es wohl – so lange bekam der Alte nichts Ordentliches mehr zu essen – er war ja schon ohnehin nicht mehr der kräftigste – hätten wir den Lohn bekommen, dann würde er vielleicht jetzt vor der Hütte sitzen – und in die Sonne sehen – ja -.”
Da klang in dem Reimser der Satz nach, den ihm der Anton vorhin gesagt hatte: “- als ob sie selbst hingehen wollte zum Erzbischof.” – Und er sagte zu Matthias, was er dachte: “Man sollte hingehen zum Erzbischof – und fordern …”
Matthias packte ihn bei den Schultern. “Ja!” rief er erregt. “Ja! Ja!”
Niemand fragte: “Wer soll gehen? Wer soll sprechen?” Sie gingen alle zusammen.”

schuder

Rosemarie Schuder (Jena,  24 juli 1928)

 

De Japanse schrijver Junichirō Tanizaki werd geboren in Tokio op 24 juli 1886. Zie ook mijn blog van 24 juli 2009.

Uit: The Key (Vertaald door Howard Hibbett)

New Year’s Day
This year I intend to begin writing freely about a topic which, in the past, I have hesitated even to mention here. I have always avoided commenting on my sexual relations with Ikuko, for fear that she might surreptitiously read my diary and be offended. I dare say she knows exactly where to find it. But I have decided not to worry about that any more. Of course, her old-fashioned Kyoto upbringing has left her with a good deal of antiquated morality; indeed, she rather prides herself on it. It seems unlikely that she would dip into her husband’s private writings. However, that is not altogether out of the question. If now, for the first time, my diary becomes chiefly concerned with our sexual life, will she be able to resist the temptation? By nature she is furtive, fond of secrets, constantly holding back and pretending ignorance; worst of all, she regards that as feminine modesty. Even though I have several hiding places for the key to the locked drawer where I keep this book, such a woman may well have searched out all of them. For that matter, you could easily buy a duplicate of the key.
I have just said I’ve decided not to worry, but perhaps I really stopped worrying long ago. Secretly, I may have accepted, even hoped, that she was reading it. Then why do I lock the drawer and hide the key? Possibly to satisfy her weakness for spying. Besides, if I leave it where she is likely to see it, she may think: “This was written for my benefit,” and not be willing to trust what I say. She may even think: “His real diary is somewhere else.”
Ikuko, my beloved wife! I don’t know whether or not you will read this. There is no use asking, since you would surely say that you don’t do such things. But if you should, please believe that this is no fabrication, that every word of it is sincere. I won’t insist any further-that would seem all the more suspicious. The diary itself will bear witness to its own truth.“

tanizaki

Junichirō Tanizaki (24 juli 1886 – 30 juli 1965)

 

De Duitse schrijversvrouw Katia Mann, steun en toeverlaat van de Duitse schrijver Thomas Mann, werd geboren als Katharina Pringsheim op 24 juli 1883 in Feldafing. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009.

Uit: Liebes Rehherz. Brieven aan Thomas Mann (Bespreking door Wolfgang Schneider)

„Die frühesten Briefe stammen von 1920. Damals verbrachte die vielfache Mutter, gestresst auch von den Versorgungsengpässen der Kriegs- und Revolutionszeit, längere Zeit in Sanatorien für Erschöpfungszustände, unter anderem in Oberammergau und Oberstdorf. Sechs Kinder und zwei Fehlgeburten – da gaben sich die Ärzte bisweilen irritiert. „Man findet es wohl eher in den unteren Schichten“, schreibt Katia. Und dabei war ein siebtes Kind zumindest angedacht: „Ich will dir auch noch ein feines Söhnlein schenken, weil ich doch mit dem Bibi Deinen Geschmack so gar nicht getroffen habe.“

Zufrieden wird das Anschlagen der Kurmaßnahmen festgestellt: „Auf den heutigen Bildern sehe ich doch nun wirklich ungemein beleibt aus“ – Schönheitsideal für magere Zeiten. Thomas Mann arbeitet gerade im zweiten Anlauf am „Zauberberg“, und wenn Katia ihm detailfreudig ihren Sanatoriumsalltag schildert, hofft sie, ihm auch Material zu liefern. Vor allem richtet sie fernwirkend das labile Autorenselbstbewusstsein auf. Wie könne er nur am „Zauberberg“ zweifeln? „Das ist doch sündhaft.“ Während der Liegekur arbeitet sie sich durch die „Betrachtungen eines Unpolitischen“. „Ich muss doch sehr bewundern, wie Du es alles so schreiben konntest. Und von dem Meisten ist es doch sehr gut, dass es gesagt wurde und ein für alle Mal dasteht.“ Thomas Mann hatte in ihr ein unerschöpfliches Reservoir der Anerkennung. Sogar dass er den Kindern ein Stündchen beim Holzschleppen geholfen hat, findet gebührende Bewunderung – „du himself in Hemdsärmeln“.

katia

Katia Mann (24 juli 1883 – 25 april 1980)

 

De Duitse dichter, schrijver en acteur Frank Wedekind werd geboren in Hannover op 24 juli 1864. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009.

Alte Liebe

Ich hab dich lieb, kannst du es denn ermessen,
Verstehn das Wort, so traut und süß?
Es schließet in sich eine Welt von Wonne,
Es birgt in sich ein ganzes Paradies.

Ich hab dich lieb, so tönt es mir entgegen,
Wenn morgens ich zu neuem Sein erwacht;
Und wenn am Abend tausend Sterne funkeln,
Ich hab dich lieb, so klingt die Nacht.

Du bist mir fern, ich will darob nicht klagen,
Dich hegen in des Herzens heil’gem Schrein.
Kling fort, mein Lied! Jauchz auf, beglückte Seele!
Ich hab dich lieb, und nie wirds anders sein.

 

Der Anarchist

Reicht mir in der Todesstunde
Nicht in Gnaden den Pokal!
Von des Weibes heißem Munde
Lasst mich trinken noch einmal!

Mögt ihr sinnlos euch berauschen,
Wenn mein Blut zerrinnt im Sand.
Meinen Kuss mag sie nicht tauschen.
Nicht für Brot aus Henkershand.

Einen Sohn wird sie gebären,
Dem mein Kreuz im Herzen steht,
Der für seiner Mutter Zähren
Eurer Kinder Häupter mäht.

 

Liebesantrag

Lass uns mit dem Feuer spielen,
Mit dem tollen Liebesfeuer;
Lass uns in den Tiefen wühlen,
Drin die grausen Ungeheuer.

Menschenherzens wilde Bestien,
Schlangen, Schakal und Hyänen,
Die den Leichnam noch beläst’gen
Mit den gier’gen Schneidezähnen.

Lass uns das Getier versammeln,
Lass es stacheln uns und hetzen.
Und die Tore fest verrammeln
Und uns königlich ergötzen.

wedekind

Frank Wedekind (24 juli 1864 – 9 maart 1918)

 

De Duitse dichter en schrijver Hermann Kasack werd geboren op 24 juli 1896 in Potsdam. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007.

Rosen hab ich …

Rosen hab ich aus dem Garten
In das Zimmer auf den Tisch gestellt,
Und ich spüre das Erwarten,
Wenn ein Blütenblatt sich löst und fällt.

Bald in rötlichem Erstrahlen,
Wie ein Zauberfloß aus Duft,
Schwimmen tausend Rosenschalen
Durch die laue Abendluft.

Wo ihr Blühen angekommen,
In dem Paradies der Welt,
Ist auch mein Lied aufgenommen,
Ihnen wieder beigesellt.

 

Grabschrift

Wenn du mich beweinen willst, beweine:
Was vergeblich in mir sang.
Denn ich schlug, wie du, auf Steine,
Daß der Quell daraus entsprang.

Das Vermächtnis unsrer Tage
Ist ins Schattenreich verbannt.
Wenn du klagen mußt — beklage
Gottes Welt in Menschenhand.

kasack

Hermann Kasack (24 juli 1896 – 10 januari 1966)

 

De Engelse schrijver E. F. Benson werd geboren in Berkshire op 24 juli 1867. Zie ook mijn blog van 24 juli 2009.

Uit: Across the Stream

“There was something odd about females, and it was a mystery into which he did not at all want to enquire. They wore skirts, which perhaps concealed some abnormality, which would be fearful to contemplate. They had soft faces and soft bodies; when his mother took him on her knee–she already said that he was getting too big a boy to sit on her knee, which to Archie sounded very grand and delightful–she was soft to his shoulder, and her cheek was soft to his. But when he sat on his father’s knee, he felt a hard firm substance behind him, and the contrast was similar to the contrast between his mother’s soft cushions and his father’s leather-clad chairs. And his father had a hard bristly cheek on which to receive Archie’s goodnight kiss. Judged by the standards of pleasure and luxury it was not nearly as nice as his mother’s, but it gave him, however great need there was for caution, a sense of identity with himself. He was of that species….”

benson

E. F. Benson (24 juli 1867 – 29 februari 1940)

 

De Franse dramaturg en schrijver Alexandre Dumas père werd geboren in (Villers-Cotterêts (Aisne) op 24 juli 1802. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007  en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009.

Uit: La dame De Monsoreau

“Le dimanche gras de l’année 1578, après la fête du populaire, et tandis que s’éteignaient dans les rues les rumeurs de la joyeuse journée, commençait une fête splendide dans le magnifique hôtel que venait de se faire bâtir, de l’autre côté de l’eau et presque en face du Louvre, cette illustre famille de Montmorency qui, alliée à la royauté de France, marchait l’égale des familles princières. Cette fête particulière, qui succédait à la fête publique, avait pour but de célébrer les noces de François d’Epinay de Saint-Luc, grand ami du roi Henri III et l’un de ses favoris les plus intimes, avec Jeanne de Cossé-Brissac, fille du maréchal de France de ce nom.

Le repas avait eu lieu au Louvre, et le roi, qui avait consenti à grand’peine au mariage, avait paru au festin avec un visage sévère qui n’avait rien d’approprié à la circonstance. Son costume, en outre, paraissait en harmonie avec son visage : c’était ce costume marron foncé sous lequel Clouet nous l’a montré assistant aux noces de Joyeuse, et cette espèce de spectre royal, sérieux jusqu’à la majesté, avait glacé d’effroi tout le monde, et surtout la jeune mariée, qu’il regardait fort de travers toutes les fois qu’il la regardait.

Cependant cette attitude sombre du roi, au milieu de la joie de cette fête, ne semblait étrange à personne ; car la cause en était un de ces secrets de coeur que tout le monde côtoie avec précaution, comme ces écueils à fleur d’eau auxquels on est sûr de se briser en les touchant.

A peine le repas terminé, le roi s’était levé brusquement, et force avait été aussitôt à tout le monde, même à ceux qui avouaient tout bas leur désir de rester à table, de suivre l’exemple du roi.”

dumas

Alexandre Dumas père (24 juli 1802 – 5 december 1870)

 

De Nederlandse schrijfster Betje Wolff (eig. Elizabeth Bekker) werd geboren in Vlissingen op 24 juli 1738. Zie ook mijn blog van 24 juli 2007 en ook mijn blog van 24 juli 2008 en ook mijn blog van 24 juli 2009.

Morgen lied voor een ambagtsman.
Wys: Hier heeft my Roozemond bescheiden.

‘k Moet op; ’t word licht. ‘k Heb nieuwe kragten
Van u alleen, ô lieve Heer!
Ik geef ‘er u, in myn gedagten,
Den roem van, want ik kan niet meer.

‘k Bevind my aanstonds in het midden
Van Kindren, in een groot geweld.
‘k Beveel ons U: dit is myn bidden;
Gy zyt meest op het hart gesteld.

‘k Heb geen Bidkamer, ‘k heb geen Boeken,
Ik heb geen tyd, om zo alleen
Al myne pligten te doorzoeken,
Maar doe myn werk altoos te vreên.

Al kan ik dus geen kamer sluiten,
Als andren doen tot hun gebed;
‘k Sluit alles, wat niet goed is, buiten
Een hart, dat knielt voor uwe wet.

Ik ga myn brood met vreugde winnen,
Voor my en voor myn huisgezin;
Ik zal met u den dag beginnen:
‘k Wagt van uw zegen myn gewin.

‘k Heb gister avond nog gelezen:
(Gelukkig zo ik hier op let!)
‘Te vreden zyn, is dankbaar wezen;
Vertrouwen, is het recht Gebed’.

‘k Ben wel gemoed, ik voel geen kommer,
Ik dank u voor myn gunstig lot;
En denk, in al myn aardschen slommer,
Aan Dood, aan de Eeuwigheid, aan God.

wolff

Betje Wolff (24 juli 1738 – 5 november 1804)