Rob van Essen, Lucille Clifton

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“En daarna alles en iedereen doodschieten, te beginnen in de Albert Heijn. Dat zal natuurlijk niet gaan, zoveel munitie heb ik niet, ik heb niet eens een wapen. Ik ben ongewapend. Drie woorden die je de kou om het hart doen slaan. Ik loop al zestig jaar ongewapend op deze planeet rond. Vreedzame jaren grotendeels, ik geef het toe, maar opeens komt het me absurd voor, alsof ik zestig jaar naakt heb rondgelopen en iedereen heb uitgenodigd om zijn gang met mij te gaan. Niet langer! Ik zal pas innerlijke rust vinden als ik me kan bewapenen. Een pistool is genoeg, of een revolver, wat is het verschil ook weer, zie je wel, ik weet niets, en ik weet al helemaal niet hoe je aan zo’n ding komt. Ergens een louche café binnenlopen en dan aan de barman vragen of… Op de een of andere manier gaat dat niet werken, denk ik. Toen ik op het Archief werkte, had ik De Meester om een wapen kunnen vragen, De Meester had contacten, maar dat wisten we toen nog niet, ik niet tenminste, dus dat had ook niet gekund, en hoe lang is dat inmiddels al geleden, veertig jaar, als ik toen een wapen had gekocht was het allang weg geroest op zolder of in de keukenla, dan had ik nu sowieso een nieuwe moeten kopen. En om zomaar ergens iets te bestellen en thuis te laten bezorgen, dat zie ik mezelf ook niet zo gauw doen, als dat al lukt weet je nooit op wat voor lijsten je terechtkomt. En dus zal ik straks weer naakt de straat op gaan, als in een droom waaraan je ’s ochtends met schaamte terugdenkt. Schaamte! Daarvoor heb ik geen dromen nodig, een bezoek aan de Albert Heijn is genoeg.
Toen ik weer thuis was en de boodschappen had opgeruimd ging ik in de stoel van mijn moeder zitten, die sinds een week als een mastodont midden in mijn kamer staat, op de plek waar de mannen hem hebben neergezet, geen goede plek, ik weet nu al dat ik voortdurend over dat snoer ga struikelen, zet daar maar neer heren, zei ik, bedankt, en ik bedenk nu pas dat ik ze een fooi had moeten geven. Daar hebben ze op de terugweg vast nog over gemopperd. Of misschien ook niet, misschien hielden ze zich alleen maar bezig met de vraag waarom die man de oude sta-opstoel van zijn moeder wilde overnemen. Nou heren, ik kan u vertellen, dat weet die man zelf ook niet, zijn zus wilde het ding niet hebben en het verzorgingstehuis ook niet, het leek hem opeens een goed idee toen hij het kamertje van zijn moeder moest leeghalen, en zo werd hij ook hier weer het slachtoffer van zijn quasi-boeddhisme, volg je intuïtie, er zijn diepere bewustzijnslagen aan het werk, dat soort invallen wil iets zeggen, die stoel wil naar jou.”

 

Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

1994

ik liet mijn achtenvijftigste jaar achter me
toen een duim van ijs
zich hard in de buurt van mijn hart ramde

je hebt je eigen verhaal
je kent de angsten de tranen
het litteken van ongeloof

je weet dat de treurigste leugens
die zijn die we onszelf vertellen
je weet hoe gevaarlijk het is

geboren te worden met borsten
je weet hoe gevaarlijk het is
om een donkere huid te dragen

ik liet mijn achtenvijftigste jaar achter me
toen ik wakker werd in de winter
van een koud en sterfelijk lichaam

dunne ijspegels hingen er vanaf
die ene gekke tepel huilde

zijn we geen goede kinderen geweest
hebben we de aarde niet geërfd?

maar je weet hier vast alles van
uit je eigen rillende leven

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juni ook mijn blog van 25 juni 2019 en ook mijn blog van 25 juni 2018 en ook mijn blog van 25 juni 2017 deel 2.

Paul Hetherington, Rob van Essen, Yann Martel, Nina Polak, Michel Tremblay, Leendert Witvliet, Ingeborg Bachmann, Dolce far niente

Dolce far niente

 

Warm Evening Light door George Devlin, z.j.


Summer Heat

Still we didn’t talk,
the summer heat hanging in a haze
as the lake turned
to pale gold and red,
sunset settling
into silhouettes of trees.

Across paddocks
we heard the cries of crickets,
night-birds,
whine of mosquitoes,
went inside where
you lit the stove.

And still we didn’t talk
as smoke began
to plume from the griller.
And I threw out
two pieces of black toast,
burnt as our moods.

Then your laughter
cut through the heat
like a cool breeze.

Paul Hetherington (Adelaide, 6 maart 1958)
Adelaide, de geboorteplaats van Paul Hetherington

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.”

Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

 

De Canadese schrijver Yann Martel werd op 25 juni 1963 geboren in Salamanca. Zie ook alle tags voor Yann Martel op dit blog.

UIt: The High Mountains of Portugal

“He had never said that to anyone, commented so flatly and truthfully about his father’s checkered career, the business plans that collapsed one after the other, leaving him further beholden to the brother who rescued him each time. But to Dora he could reveal such things.
“Oh, you say that, but rich people always have troves of money hidden away.”
He laughed. “Do they? I’ve never thought of my uncle as a man who was secretive about his wealth. And if that’s so, if I’m rich, why won’t you marry me?”
People stare at him as he walks. Some make a comment, a few in jest but most with helpful intent. “Be careful, you might trip!” calls a concerned woman. He is used to this public attention; beyond a smiling nod to those who mean well, he ignores it.
One step at a time he makes his way to Lapa, his stride free and easy, each foot lifted high, then dropped with aplomb. It is a graceful gait.
He steps on an orange peel but does not slip.
He does not notice a sleeping dog, but his heel lands just short of its tail.
He misses a step as he is going down some curving stairs, but he is holding on to the railing and he regains his footing easily.
And other such minor mishaps.
Dora’s smile dropped at the mention of marriage. She was like that; she went from the lighthearted to the deeply serious in an instant.
“No, your family would banish you. Family is everything. You cannot turn your back on yours.”
“You are my family,” he replied, looking straight at her.
She shook her head. “No, I am not.”
His eyes, for the most part relieved of the burden of directing him, relax in his skull like two passengers sitting on deck chairs at the rear of a ship.”

Yann Martel (Salamanca, 25 juni 1963)

 

De Nederlandse schrijfster Nina Polak werd geboren in Haarlem op 25 juni 1986. Zie ook alle tags voor Nina Polak op dit blog.

Uit: Gebrek is een groot woord

“Met behulp van twee vergeelde bibliotheekboeken en een folder van het havenmuseum in IJmuiden produceer ik in een Alfred J. Kwak-schrift een wiebelige tekst, waarin de zeecontainer de hoofdrol vervult als een miskende held van onze tijd, een stille revolutionair. Je ziet ze in het dagelijks leven bijna nooit, maar ze zijn er áltijd. Zonder zeecontainers hadden we alleen spullen uit ons eigen land, zo luidt de wat grove conclusie. Mensen aan de andere kant van de wereld hadden dan misschien wel geen werk gehad en in Japan zouden ze geen Heineken- bier drinken. Leve de zeecontainer.
Als ik de tekst wil uitproberen op Nellie zijn de gordijnen dicht. Ik klop op de deur van haar slaapkamer, waar ze zich heeft teruggetrokken, maar ik krijg geen gehoor. Morgen, klinkt het uiteindelijk zacht, als ik zeur dat ik mijn spreekbeurt wil oefenen. Morgen, poppetje, morgen, goed?
Goed. Maar het wordt morgen en het wordt overmorgen en overovermorgen en de gordijnen blijven dicht. Ik oefen de spreekbeurt zittend op de keukentafel, in de spiegel die erboven hangt. ‘Een standaard zeecontainer is twintig voet lang, acht voet breed en achteneenhalve voet hoog.’ ‘De eerste container in Nederland werd gelost in 1966, in de haven van Rotterdam.’ ‘Ongeveer zestig procent van alle goederen ter wereld wordt per zeecontainer getransporteerd.’
De ‘ruim voldoende’ die meester Marcouch me geeft, weet ik een paar dagen lang pijnlijk zeker, had een ‘goed’ of zelfs een ‘zeer goed’ kunnen zijn als ik maar de kans gekregen had om op een levend publiek te oefenen. Maar tegen de tijd dat het woensdag is, de gordijnen weer open zijn en er twee puddingbroodjes met extra poedersuiker op de keukentafel staan als bolle, blanke vredeoffers, ben ik het vergeten.
Voordat ik terugfiets naar het centrum koop ik in Ruigoord bij een hippievrouw een doosje huisgemaakte, slaafvrije chocolatjes om Mascha en Nico alvast te bedanken voor hun gastvrijheid, voor ik ze zal vragen me nog wat langer te huisvesten. Waar ik me gisteren nog zeker voelde van mijn zaak, vraag ik me nu af of het niet al te vrijpostig is. Het is dat de situatie acuut is en de alternatieven —Borg inlichten, een dure bezemkast huren in de stad — nogal onvoorstelbaar zijn, anders had ik gewacht tot de Zeno’s me zelf zouden uitnodigen. Kunnen jullie me nog een paar maanden verdragen? Ik besluit Mascha en Nico meteen aan te spreken als ik weer thuis ben en oefen een luchtige toon. Tegen de tijd dat ik de Overtoom bereik ben ik zenuwachtig, maar wanneer ik vanuit het steegje de tuin in kom, zit daar alleen Nico aan de tuintafel, voor hem een uitgevouwen bouwplan en een pot thee. Jij was vroeg op,’ constateert hij. `Ik had zin om een stuk te fietsen. Ben helemaal in de havens geweest.’ Hij lacht. ‘Kon je het niet laten?’ Ik vertel hem het containerverhaal, zonder de zielige details, en zie zijn gezicht oplichten met nobele interesse. Grijs of niet, Nico kan eruitzien als zo’n kind uit de jaren vijftig: keurige scheiding, onbezorgd rond gezicht. Ik kan me voorstellen dat je hem zou typeren als ‘ontwapenend’, maar zijn eeuwige zonnigheid wekt bij mij eerder wantrouwen. Ik weet dat daaronder de onverzettelijkheid schuilgaat van iemand die nooit is verzet.”

Nina Polak (Haarlem, 25 juni 1986)


De Canadese schrijver Michel Tremblay werd geboren in Quebec op 25 juni 1942. Zie ook alle tags voor Michel Tremblay op dit blog.

Uit: Bonbons assortis

« Nous nous étions donc tous mis au lit ce soir-là en espérant être réveillés par ledoux bruissement de la pluie dans les arbres et la fraîcheur de l’automne àtravers nos draps propres. Dix per sonnes s’entassaient dans ce grandappartement de sept pièces: ma grand-mère Tremblay, sa fille Robertine et sesdeux enfants, Hélène et Claude; son fils, mon père, avec sa femme et leurs troisfils, mes deux frères, Jacques et Bernard, et moi. Mon oncle Lucien, le mari dema tante Robertine, était disparu depuis un certain temps et personne ne s’enplaignait. Quant à mes deux oncles célibataires, Fernand et Gérard, ilspartageaient une petite chambre en attendant de se trouver du travail.Mais ce furent les grandes orgues de la foudre qui nous réveillèrent. Unspectaculaire coup de tonnerre se fit entendre vers les deux heures du matin,pendant qu’un véritable cataclysme s’abattait sur Montréal endormie.Des hurlements sortirent aussitôt des chambres: «Fermez les châssis!- Mon Dieu, c’est la fin du monde!
– Mon lit est déjà tout mouillé!- J’ai jamais entendu une affaire de même!- Avez-vous vu ça? Je pensais que quelqu’un prenait des portraits!- On n’a pus d’étriceté! On n’a pus d’étri ceté! »C’était vrai. Le quartier au complet était plongé dans le noir. Ma mère se leva entâtonnant dans l’obscurité et ferma la fenêtre de la chambre qui se trouvait justeà côté de mon lit.«J’espère que ça durera pas longtemps, parce qu’on va avoir chaud t’à l’heure! »La porte de la chambre s’ouvrit brusquement et claqua contre le mur. Ma tanteRobertine tenait une chandelle et un rameau à bout de bras; elle avait de ladifficulté à s’exprimer tant elle était énervée.«Moman a disparu! »Maman lui prit la chandelle des mains et, tout en lui répondant, vint vérifier sij’étais réveillé. «As-tu regardé dans son garde-robe? C’est toujours là qu’a’ secache quand y tonne! Même la nuit!- Mon Dieu, c’est vrai, j’ y avais pas pensé tellement j’étais énarvée ! »Ma mère avait déjà allumé une chandelle trouvée au fond du tiroir de sa table dechevet.Ma tante repartit avec la sienne et disparut vers le devant de la maison.«Moman! Moman, êtes-vous dans le garde robe? Vous auriez pu me le direquand chus rentrée dans votre chambre! J’étais là que je m’époumonais pourrien! »Mon père venait juste de se réveiller. Partielle ment sourd et toujours difficile à tirer du sommeil tellement il dormait dur, il n’avait pas dû entendre ladéflagration et se demandait ce qui se passait.«Que c’est que tu fais avec une chandelle, Nana? Es-tu somnambule?»Un éclair illumina la fenêtre, suivi d’un second coup de tonnerre, pire que lepremier. Il comprit aussitôt et sauta du lit.«Bon, ben, je suppose que toute la maison est sens dessus dessous, là ! »D’autres cris s’étaient élevés d’un peu partout dans l’appartement.«Poussez-vous, moman, que je m’enfarme avec vous!- J’ai échappé ma chandelle dans mon lit!J’ai échappé ma chandelle dans mon lit! Ah, la v’là! Ma chandelle est éteinte!Ma chandelle est éteinte! »

Michel Tremblay (Quebec, 25 juni 1942)
Cover


De Nederlandse dichter en schrijver Leendert Witvliet werd geboren in Werkendam op 25 juni 1936. Zie ook alle tags voor Leendert Witvliet op dit blog.

Schoolzwemmen

Iedere maandag half negen – zomer,
herfst, winter, lente – zwemmen,
’s zondags buikpijn en niet slapen,
’s maandags zwemmen in het overdekte bad.

Het is er leeg. Kinderen aan een touwtje,
de schreeuwende badmeneer in korte broek,
kom op de kop er onder, het water is zo
koud, je hart klopt vlugger dan gewoon.

Soms zit je moeder, heel alleen,
op een bankje op de tegels en de man,
die badmeneer, schreeuwt minder luid
en soms, als ’t vriest, hangt je juf
de jassen over de verwarming.

Iedere maandag half negen bad.

 

Evolutie

Toen we nog gewoon vissen waren
en zweefden door het water
of voor ons uit lagen te staren
toen dachten we niet aan later

als we geen vis meer zouden zijn,
maar wezens met twee benen
om te vallen, twee wangen om te
blozen, twee ogen om te wenen,

toen moeten we gelukkig zijn geweest
in het water, ons vlug voortbewegen
zonder vallen en zachtjes groeien

zonder steeds een kleur te krijgen
en als we huilen moesten
zag niemand onze tranen vloeien.

Leendert Witvliet (Werkendam, 25 juni 1936)


De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann werd geboren op 25 juni 1926 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Ingeborg Bachmann op dit blog.

Uit:Onder moordenaars en gekken (Vertaald door Paul Beers)

“De mannen zijn onderweg naar zichzelf, als ze ’s avonds bij elkaar zijn, drinken en praten en meningen ten beste geven. Als ze doelloos praten, zijn ze op hun eigen spoor – als ze hun meningen ten beste geven die met de rook van pijpen, sigaretten en sigaren opstijgen, en als de wereld rook en waan wordt in de herbergen van de dorpen, in de zaaltjes, in de achterkamers van de grote restaurants en in de wijnkelders van de grote steden.
We zijn in Wenen, meer dan tien jaar na de oorlog. ‘Na de oorlog’ – dat is de tijdrekening.
We zijn ’s avonds in Wenen en zwermen uit over de koffiehuizen en restaurants. We komen rechtstreeks van de redacties en de kantoren, van het werk en de ateliers, en treffen elkaar, houden het spoor vast, jagen op het beste dat we verloren hebben als op wild, verlegen en lachend. In de pauzes, als iemand een mop invalt of een verhaal dat beslist verteld moet worden, als iemand het zwijgen verbreekt en ieder in zichzelf verzinkt, hoort af en toe iemand het blauwe wild klagen – nog eenmaal, nog altijd.
Die avond ging ik met Mahler naar de ‘Kronenkeller’ in de binnenstad voor onze mannenclub. Overal waren, nu het avond in de wereld was, de kroegen vol, en de mannen praatten en beweerden en vertelden als zoekers en dulders, als titanen en halfgoden over de geschiedenis en de geschiedenissen; ze reden omhoog naar het nachtland en zetten zich neer bij het vuur, het gemeenschappelijke open vuur dat ze oppookten in de nacht en de woestijn waar ze zich bevonden. Vergeten waren ze hun beroepen en gezinnen. Geen van hen wilde eraan denken dat thuis de vrouwen nu de bedden opensloegen en zich ter ruste begaven omdat ze met de nacht niets wisten aan te vangen. Met blote voeten of in pantoffels, met opgebonden haar en moede gezichten deden de vrouwen thuis de ronde, sloten de gaskraan en keken angstig onder het bed en in de kasten, kalmeerden de kinderen met verstrooide woorden of gingen lusteloos bij de radio zitten, om dan toch met wraakgedachten te gaan liggen in de eenzame woning. Met de gevoelens van slachtoffers lagen de vrouwen daar, met opengesperde ogen in het donker, vol wanhoop en boosheid. Ze maakten de balans op van hun huwelijk, van de jaren en het huishoudgeld, ze manipuleerden, vervalsten en verduisterden.”

Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)
Borstbeeld in Klagenfurt


Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juni ook mijn blog van 25 juni 2018 en ook mijn blog van 25 juni 2017 deel 2.

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

Libris Literatuur Prijs 2019 voor Rob van Essen

 De Nederlandse schrijver Rob van Essen heeft de Libris Literatuur Prijs 2019 gewonnen. Dat werd gisteravond bekendgemaakt in Nieuwsuur, traditioneel vanuit het Amstel Hotel in Amsterdam. Van Essen won met zijn autobiografische roman “De goede zoon”. Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.
En daarna alles en iedereen doodschieten, te beginnen in de Albert Heijn. Dat zal natuurlijk niet gaan, zoveel munitie heb ik niet, ik heb niet eens een wapen. Ik ben ongewapend. Drie woorden die je de kou om het hart doen slaan. Ik loop al zestig jaar ongewapend op deze planeet rond. Vreedzame jaren grotendeels, ik geef het toe, maar opeens komt het me absurd voor, alsof ik zestig jaar naakt heb rondgelopen en iedereen heb uitgenodigd om zijn gang met mij te gaan. Niet langer!”

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

Yann Martel, Rob van Essen, George Orwell, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Leendert Witvliet, Arseny Tarkovsky, Larry Kramer

De Canadese schrijver Yann Martel werd op 25 juni 1963 geboren in Salamanca. Zie ook alle tags voor Yann Martel op dit blog.

UIt: The High Mountains of Portugal

« Tomás decides to walk.
From his modest flat on Rua São Miguel in the ill-famed Alfama district to his uncle’s stately estate in leafy Lapa, it is a good walk across much of Lisbon.
It will likely take him an hour. But the morning has broken bright and mild, and the walk will soothe him. And yesterday Sabio, one of his uncle’s servants, came to fetch his suitcase and the wooden trunk that holds the documents he needs for his mission to the High Mountains of Portugal, so he has only himself to convey.
He feels the breast pocket of his jacket. Father Ulisses’ diary is there, wrapped in a soft cloth. Foolish of him to bring it along like this, so casually. It would be a catastrophe if it were lost. If he had any sense he would have left it in the trunk.
But he needs extra moral support this morning, as he does every time he visits his uncle.
Even in his excitement he remembers to forgo his regular cane and take the one his uncle gave him. The handle of this cane is made of elephant ivory and the shaft of African mahogany, but it is unusual mainly because of the round pocket mirror that juts out of its side just beneath the handle. This mirror is slightly convex, so the image it reflects is quite wide. Even so, it is entirely useless, a failed idea, because a walking cane in use is by its nature in constant motion, and the image the mirror reflects is therefore too shaky and fleeting to be helpful in any way. But this fancy cane is a custom-made gift from his uncle, and every time he pays a call Tomás brings it.
He heads off down Rua São Miguel onto Largo São Miguel and then Rua de São João da Praça before turning onto Arco de Jesus—the easy perambulation of a pedestrian walking through a city he has known his whole life, a city of beauty and bustle, of commerce and culture, of challenges and rewards. On Arco de Jesus he is ambushed by a memory of Dora, smiling and reaching out to touch him. For that, the cane is useful, because memories of her always throw him off balance.
“I got me a rich one,” she said to him once, as they lay in bed in his flat.
“I’m afraid not,” he replied. “It’s my uncle who’s rich. I’m the poor son of his poor brother.
Papa has been as unsuccessful in business as my uncle Martim has been successful, in exact inverse proportion.”

 
Yann Martel (Salamanca, 25 juni 1963)

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: Visser

“Anders denk je maar dat Ajax morgen tegen fc Zwoldrecht komt spelen. Kom op, nog eens.’ Hij zet nog eens in, en een paar jongens beginnen voorzichtig mee te zingen. Er wordt een bierfles naar het podium gegooid die tegen de kale achterwand uit elkaar spat en een paar mensen steken hun middelvinger op naar het podium. Het gezang zwelt aan. Als Jonathan voor de derde keer inzet, wordt er uit volle borst meegezongen. Een aantal jongens in leren jasjes hossen met de armen om elkaars schouders rond. ‘Fascisten, fascisten!’ gilt iemand. Midden in de zaal wordt geduwd en getrokken. Wegereef begint iets in Jacobs oor te schreeuwen en Jacob werkt zich door de zingende menigte bij hen vandaan, verder naar voren. `Het zijn de moslims!’ roept een student die vlak voor het podium staat. Jonathan buigt zich naar hem toe. ‘Natuurlijk niet!’ roept hij terwijl het gezang en de vechtpartijen in de zaal gewoon doorgaan. Hij schreeuwt iets over vlieglessen en wolkenkrabbers.

`Kutkankermoslims,’

beginnen een paar andere studenten te zingen,

`0, o, o, kutkankermoslims, Kutkankermóslims, 0, o, o, kutkankermoslims.’

Als het groepje Marokkaanse jongens op hen af komt, vallen ze stil. Jonathan zet weer in, gevolgd door een groot deel van de zaal.

`Kutkankerjoden,’ 0, o, o, kutkankerjoden.’

De Marokkanen delen klappen uit aan de studenten. Jacob krijgt een fles bier in zijn handen gedrukt door Clarissa. ‘Het gaat over jou!’ roept ze. ‘Hij is goed, hè?’ Achter Clarissa staan een kale jongen in een lange leren jas en een jongen met een rode hanenkam tegen elkaar te schreeuwen.”

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

 

De Britse schrijver George Orwell (pseudoniem van Eric Arthur Blair) werd op 25 juni 1903 geboren in Motihari, India. Zie ook alle tags voor George Orwell op dit blog.

Uit: 1984

“Winston stroked his nose gently with a paper clip. In the cubicle across the way Comrade Tillotson was still crouching secretively over his speakwrite. He raised his head for a moment: again the hostile spectacle-flash. Winston wondered whether Comrade Tillotson was engaged on the same job as himself. It was perfectly possible. So tricky a piece of work would never be entrusted to a single person; on the other hand, to turn it over to a committee would be to admit openly that an act of fabrication was taking place. Very likely as many as a dozen people were now working away on rival versions of what Big Brother had actually said. And presently some master brain in the Inner Party would select this version or that, would re-edit it and set in motion the complex processes of cross-referencing that would be required, and then the chosen lie would pass into the permanent records and become truth.
Winston did not know why Withers had been disgraced. Perhaps it was for corruption or incompetence. Perhaps Big Brother was merely getting rid of a too-popular subordinate. Perhaps Withers or someone close to him had been suspected of heretical tendencies. Or perhaps—what was likeliest of all—the thing had simply happened because purges and vaporizations were a necessary part of the mechanics of government. The only real clue lay in the words “refs unpersons,” which indicated that Withers was already dead. You could not invariably assume this to be the case when people were arrested. Sometimes they were released and allowed to remain at liberty for as much as a year or two years before being executed. Very occasionally some person whom you had believed dead long since would make a ghostly reappearance at some public trial where he would implicate hundreds of others by his testimony before vanishing, this time forever. Withers, however, was already an unperson. He did not exist; he had never existed. Winston decided that it would not be enough simply to reverse the tendency of Big Brother’s speech. It was better to make it deal with something totally unconnected with its original subject.”

 
George Orwell (25 juni 1903 – 21 januari 1950)
Cover

 

De Canadese schrijver Michel Tremblay werd geboren in Quebec op 25 juni 1942. Zie ook alle tags voor Michel Tremblay op dit blog.

Uit: Un ange cornu avec des ailes de tôle

« On dit que désirer est plus jouissant que posséder.

C’est faux pour les livres. Quiconque a senti cette chaleur au creux de l’estomac, cette bouffée d’excitation dans la région du cœur, ce mouvement du visage – un petit tic de la bouche, peut-être, un pli nouveau au front, les yeux qui fouillent, qui dévorent- au moment où on tient enfin le livre convoité, où on l’ouvre en le faisant craquer mais juste un peu pour “l’entendre”, quiconque a vécu ce moment de bonheur incomparable comprendra ce que je veux dire. Ouvrir un livre demeure l’un des gestes les plus jouissifs, les plus irremplaçables de la vie.
(…)

J’aime les livres, je I’ ai assez dit jusqu’ici, j’aime les palper,les feuilleter,les humer; j’aime les presser contre moi et les mordre; j’aime les malmener, les sentir vieillir entre mes doigts, les tacher de café- sans toutefois faire exprès-, y écraser de petits insectes, l’été, et les dépose n ‘importe où ils risquent de se salir, mais quand je vois pour la première fois un de mes livres à moi, un enfant que j’ai pensé,pondu, livré, l’émotion est tellement plus forte, la joie tellement plus vive, que le monde s ‘arrête littéralement de tourner. Je ressens une petite secousse comme lorsqu’un ascenseur s’arrête, mes genoux se dérobent, mon coeur tape du pied comme ma grand-mère Tremblay sur le balcon de la rue Fabre quand j ‘étais enfant, et chaque fois – ce livre-ci sera le quarantième -, je pense à maman qui n’a jamais su que j ‘écrivais, qui est partie doublement trop tôt: parce que je I’aimais et parce que je n’ai jamais pu lui confier les deux secrets de ma vie, mon orientation sexuelle et… Qu’aurait-elle dit en ouvrant le premier livre de son fils qui I’avait si souvent exaspérée?”

 
Michel Tremblay (Quebec, 25 juni 1942)

 

De Engelse schrijver Nicholas Mosley werd geboren op 25 juni 1923 geboren in Londen. Zie ook alle tags voor Nicholas Mosley op dit blog.

Uit: Efforts At Truth

“So I got the idea of trying to do some autobiographical writing that would examine what I was saying in my early novels, what was written in letters at the time, and what I remembered of my life, and consider what relation there was between the sort of novels I was writing and the sort of life I was leading. Because one of the things that had come to interest me was the way in which so many writers of my generation, and of a later generation in particular, were writing about life as an absolutely hopeless business where no one made any communication with anyone else and life was a very dismal affair, and yet they – these people, some of whom I knew – seemed to be leading a happy life, they seemed to be able to make communication with other people, they seemed to be okay. And yet they were writing about life as if it were an awful mess. So I was interested in that. Then, when I looked back on my early novels, I found that I was doing the same sort of thing. After I came back from the war, I wrote Spaces of the Dark, which is about a young man who has returned from the war, where things had gone wrong for him, and for whom things kept on going wrong at home. This wasn’t like my own experience. My own experience was that I’d got through the war okay, I’d been lucky. And when I got home I had a nice time. When I was twenty-four I married, and we were happy, and we went off on a long sort of working honeymoon. I was going to write my first novel, which I did.
Anyway, that was one of the things that interested me. Why do these people write novels about life being a mess, when in fact their lives, to a very large extent, don’t seem to be a mess. Then I wondered whether novel writing was actually putting up some sort of smokescreen, some sort of protection: you had to say life was a mess, because if you said life was not a mess then perhaps your luck would run out and you would become a mess. This would be rather like touching wood: you have to sort of get the worst out in novels, as some sort of self-protection. And yet at the same time, I thought my own novels – which were to a certain extent doing this – were also some desperate way of trying to break through the smokescreens and protections that one put up in ordinary life, or ordinary life put up around one. And so I thought I’d try to write about that.“


Nicholas Mosley (Londen, 25 juni 1923)
Cover

 

De Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann werd geboren op 25 juni 1926 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Ingeborg Bachmann op dit blog.

 

Schwarzer walzer

Das Ruder setzt auf den Gong mit dem schwarzen Walzer ein,
Schatten mit stumpfen Stichen nähn die Gitarren ein.

Unter der Schwelle erglänzt im Spiegel mein finstres Haus,
Leuchter treten sich sanft die flammenden Spitzen aus.

Ueber die Klänge verhängt: Eintracht von Welle und Spiel;
immer entzieht sich der Grund mit einem anderen Ziel.

Schuld ich dem Tag das Marktgeld und den blauen Ballon –
Steinrumpf und Vogelschwinge suchen die Position

zum Pas de deux ihrer Nächte, lautlos mir zugewandt,
Venedig, gepfählt und geflügelt, Abend- und Morgenland.

Nur Mosaiken wurzeln und halten im Boden fest,
Säulen umtanzen die Bojen, Fratzen- und Freskenrest.

Kein August war geschaffen, die Löwensonne zu sehn,
schon am Eingang des Sommers liesz sie die Mähne wehn.

Denk dir abgöttische Helle, den Prankenschlag auf den Bug
und im Gefolge des Kiels den törichten Maskenzug,

überm ersäuften Parkett zu Spitze geschifft ein Tuch,
brackiges Wasser, die Liebe und ihren Geruch,

Introduktion, dann den Auftakt zur Stille und nichts nachher,
Pauken schlagende Ruder und die Coda vom Meer!

 

Aanroeping van de grote beer

Grote Beer, daal af, ruige nacht,
wolkenpelsdier met je oude ogen,
sterreogen,
door het struikgewas breken glinsterend
je poten met de klauwen,
sterreklauwen,
waakzaam hoeden wij de kudden,
echter in de ban van jou, en wantrouwen
je vermoeide flanken en je scherpe,
halfontblote tanden,
oude beer.

Een denneappel: jullie wereld.
Jullie: de schubben eraan.
Ik drijf ze, rol ze
van de dennen in het begin
naar de dennen aan het einde,
snuffel aan ze, proef ze in mijn bek
en pak ze met mijn poten.

Vrees of vrees niet!
Gooi in het kerkezakje en geef
de blinde man een goed woord,
dat hij de beer aan de lijn houdt.
En kruid de lammeren goed.

Het kan gebeuren dat deze beer
zich losrukt, niet meer dreigt
en op alle denneappels jaagt die van de bomen
zijn gevallen, van de grote, gevleugelde dennen
die uit het paradijs neerstortten.

Vertaald door Paul Beers en Isolde Quadflieg

 


Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)
Hier tussen Hans Magnus Enzensberger en Gunter Grass

 

De Nederlandse dichter en schrijver Leendert Witvliet werd geboren in Werkendam op 25 juni 1936. Zie ook alle tags voor Leendert Witvliet op dit blog.

 

Al die oude gedichten

Obligate woorden,
woorden met spleen
in een schimmig en gestoken landschap
van nevel, mist en nutteloze regen,
de landerige herhaling van het nakijken.

Hoe door het opgeschoven raam
de lucht van de zomer binnendreef,
vergankelijk als geluiden
en het spokende relaas
van de gespleten vage man bij de molen,
die lucht aan flarden draaide.

Maar

hoe we liggen en niet liggen
in droomloos geworden ruimte.

 

Voor F.

Avonden in de tuin
een schemerlamp op de tafel
vader en moeder en vrienden kaartten
muggen dansten om de lamp
de lucht rook naar grolsch.
Achter de tuindeuren
wachtten de kinderen.
Alles was vrede
en iedereen was er nog,
al was het aan de rand.

 
Leendert Witvliet (Werkendam, 25 juni 1936)

 

De Russische dichter en vertaler Arseny Alexandrovich Tarkovsky werd geboren op 25 juni 1907 in Elisavetgrad. Zie ook alle tags voor Arseny Tarkovsky op dit blog.

 

After The War

I
Like a tree on top of forest grass
Spreads its leafy hands through the leaves
And, leaning on a shrub, propagates
Its branches sideways, widthwise —
So I shot up gradually. My muscles
Swelled, my rib cage expanded. From the blue
Goblet with prickly alcohol, my lungs
Filled to the smallest alveoli, and my heart
Took blood from the veins and veins
Returned the blood, and took the blood again
And it was like a transfiguration
Of simple happiness and simple grief
In a prelude and fugue for organ.
II
I would be sufficient for all living things,
Both plants and people,
Who’d been dying somewhere near
And somewhere at the other end of the earth
In unimaginable suffering, like Marsyas,
Who was flayed alive. If I’d given them my life,
I would not become any poorer
In life, in myself, in my blood.
But I myself became like Marsyas. I’d long lived
Among the living, and became like Marsyas

Vertaald door Philip Metres en Dimitri Psurtsev

 

 
Arseny Tarkovsky (25 juni 1907 – 27 mei 1989)

 

De Amerikaanse schrijver, columnist en homoactivist  Larry Kramer werd geboren in Bridgeport, Connecticut op 25 juni 1935. Zie ook alle tags voor Larry Kramer op dit blog.

Uit: Faggots

« I know it, too.” Sammy continued to marvel at such com-mon sense. Then he recollected the fairy business and asked: “Do you … do you look at me in the showers as much as I look at you?” “Yes. I do.” And Dunnie, again giving himself the look of the loved in that tilted mirror, further said: “I think sometimes we’re lucky to know certain things early, like being shown what’s in the crystal ball at the beginning of your life instead of at the end. I know I want to be looked at by everybody and to pass around my beauty … ,” at this point he took Sammy’s damp hand and used it to make his further illustrative point, “… and have everybody touching me all over and letting me do the same to them and … maybe we better not tell anybody about this Poor Sammy. He was not only on scholarship but was also getting very excited. His schoolmate, between reaching for the maternal brownies, was massaging his penis, now bulging mightily within Sammy’s only pair of gray-flannel trousers, which he had begged his mother and father to buy for him on the trip to Philadelphia at the start of term and he had summoned up all his cour-age to ask for them and to say that every boy in class had at least one pair except him and his dad had mumbled something about how the fucking scholarship Sammy had should include a gray-flannel-pants allowance but had bought them for the boy anyway and Sammy had never been able to wear them without a slight tinge of guilt and if Dunnie rubbed him anymore he might explode white stuff all over the gray and then he’d have to throw the pants away. “Please, Dunnie, could I … please… take off my gray flannels?” And that of course had been the beginning of the end, or of the beginning. It was only seconds before both boys were completely naked and opening themselves to the joys and conflicts redolent in this early tender moment of exploring themselves in the body of another, holding on to each other’s dickies as if they were holding on to their own. It was as if each were rather hungry from some already precocious deprivation now being at last fulfilled, their little hands grabbing their little things, Dunnie even returning kisses and not worrying that the lips, too, were Jewish. Unfortunately, Sammy could not contain his involuntary reflexes for too long and his little load of white stuff melded not with the gray flannels from the Broth-ers Brooks but with the brownies from the Mother Rosen. It came so suddenly, the spurt of liquid, that he looked down upon himself as it quivered out, then just sat there studying the improbable com-bination of semen and chocolate. Dunnie was also looking at the brownies rather strangely.”


Larry Kramer (Bridgeport, 25 juni 1935)
Hier met echtgenoot David Webster (links)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juni ook mijn blog van 25 juni 2017 deel 2.

George Orwell, Yann Martel, Rob van Essen, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky

De Britse schrijver George Orwell (pseudoniem van Eric Arthur Blair) werd op 25 juni 1903 geboren in Motihari, India. Zie ook mijn blog van 25 juni 2010 en eveneens alle tags voor George Orwell op dit blog.

Uit: 1984

“On occasion he had even been entrusted with the rectification of The Times leading articles, which were written entirely in Newspeak. He unrolled the message that he had set aside earlier. It ran:
times 3.12.83 reporting bb dayorder doubleplusungood refs unpersons rewrite fullwise upsub antefiling
In Oldspeak (or standard English) this might be rendered:
The reporting of Big Brother’s Order for the Day in The Times of December 3rd 1983 is extremely unsatisfactory and makes references to non-existent persons. Rewrite it in full and submit your draft to higher authority before filing.
Winston read through the offending article. Big Brother’s Order for the Day, it seemed, had been chiefly devoted to praising the work of an organization known as FFCC, which supplied cigarettes and other comforts to the sailors in the Floating Fortresses. A certain Comrade Withers, a prominent member of the Inner Party, had been singled out for special mention and awarded a decoration, the Order of Conspicuous Merit, Second Class.
Three months later FFCC had suddenly been dissolved with no reasons given. One could assume that Withers and his associates were now in disgrace, but there had been no report of the matter in the Press or on the telescreen. That was to be expected, since it was unusual for political offenders to be put on trial or even publicly denounced. The great purges involving thousands of people, with public trials of traitors and thought-criminals who made abject confession of their crimes and were afterwards executed, were special show-pieces not occurring oftener than once in a couple of years. More commonly, people who had incurred the displeasure of the Party simply disappeared and were never heard of again. One never had the smallest clue as to what had happened to them. In some cases they might not even be dead. Perhaps thirty people personally known to Winston, not counting his parents, had disappeared at one time or another.”

 
George Orwell (25 juni 1903 – 21 januari 1950)
Cover

Doorgaan met het lezen van “George Orwell, Yann Martel, Rob van Essen, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky”

Yann Martel, Rob van Essen, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky, George Orwell

De Canadese schrijver Yann Martel werd op 25 juni 1963 geboren in Salamanca. Zie ook alle tags voor Yann Martel op dit blog.

Uit: Life of Pi

“My brother Ravi once told me that when Mamaji was born he didn’t want to give up on breathing water and so the doctor, to save his life, had to take him by the feet and swing him above his head round and round.
“It did the trick!” said Ravi, wildly spinning his hand above his head. “He coughed out water and started breathing air, but it forced all his flesh and blood to his upper body. That’s why his chest is so thick and his legs are so skinny.”
I believed him. (Ravi was a merciless teaser. The first time he called Mamaji “Mr. Push” to my face I left a banana peel in his bed.)
Even in his sixties, when he was a little stooped and a lifetime of counter-obstetric gravity had begun to nudge his flesh downwards, Mamaji swam thirty lengths every morning at the pool of the Aurobindo Ashram.

 
Scene uit de film “Life of Pi” uit 2012

He tried to teach my parents to swim, but he never got them to go beyond wading up to their knees at the beach and making ludicrous round motions with their arms, which, if they were practising the breaststroke, made them look as if they were walking through a jungle, spreading the tall grass ahead of them, or, if it was the front crawl, as ifthey were running down a hill and flailing their arms so as not to fall. Ravi was just as unenthusiastic.
Mamaji had to wait until I came into the picture to find a willing disciple. The day I came of swimming age, which, to Mother’s distress, Mamaji claimed was seven, he brought me down to the beach, spread his arms seaward and said, “This is my gift to you.”
“And then he nearly drowned you,” claimed Mother.“

 
Yann Martel (Salamanca, 25 juni 1963)

Doorgaan met het lezen van “Yann Martel, Rob van Essen, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky, George Orwell”

Rob van Essen, Yann Martel, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky, George Orwell, Claude Seignolle

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: Hier wonen ook mensen

“Walter had deze mensen zelf bij elkaar gezocht. Soms vroeg hij zich af waar ze over spraken tijdens de lange rit, of ze elkaar in de loop der tijd beter hadden leren kennen, of ze informeerden naar elkaars gezondheid, of ze bij elkaar over de vloer kwamen. Wanneer ze aan het werk waren, sprak hij nauwelijks met hen. Meestal stond hij uren voor het raam en keek toe hoe de monnik het grind harkte. Elk jaar kocht hij een nieuw busje voor ze.
Ze spraken ook nauwelijks met hem. Blijkbaar wisten ze wel wie hij was, want de Mexicaanse vrouw had ooit een poster van de Frutzles voor hem uitgerold en gevraagd of hij die wilde signeren. Hij deed dat, achteloos, alsof hij het elke dag deed. Hij vroeg zich af of ze de volgende keer met ander materiaal (bekers, t-shirts, schoolspullen) zou komen, maar ze hield het bij die poster, die blijkbaar voor gebruik in eigen kring was. In ieder geval dook er op internet nergens een aanbieding op van een door de maker zelf gesigneerde Frutzlesposter.
Veel andere mensen kwamen niet langs. Walter haalde zelf zijn post op in de dichtstbijzijnde nederzetting. Verzoeken voor interviews wimpelde hij af. De enige andere vaste gast was de Finse architect die dit huis had ontworpen en bedongen had dat hij één keer per jaar met een groepje studenten mocht langskomen. De studenten luisterden bedachtzaam knikkend naar de uitleg van de architect, namen zo nu en dan een foto en glimlachten bescheiden wanneer ze Walters blik vingen. De architect was telkens weer een jaar ouder, maar de studenten zagen er ongeacht hun herkomst elk jaar hetzelfde uit en goten hun bewondering voor het huis in exact dezelfde termen als hun voorgangers.”

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

Doorgaan met het lezen van “Rob van Essen, Yann Martel, Michel Tremblay, Nicholas Mosley, Ingeborg Bachmann, Arseny Tarkovsky, George Orwell, Claude Seignolle”

J.M.A. Biesheuvelprijs voor Rob van Essen

De Nederlandse schrijver Rob van Essen heeft zaterdag de J.M.A. Biesheuvelprijs gewonnen voor de beste Nederlandstalige korte verhalenbundel van 2014. Van Essen kreeg de prijs, een bedrag van 4.867 euro en het lievelingsboek van Maarten Biesheuvel (Wind in de wilgen), voor zijn bundel “Hier wonen ook mensen”. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: Hier wonen ook mensen

“Tot het moment waarop de vrouw aan de overkant van het water verscheen, bestond er geen tijd meer in het leven van Walter Denitz. Natuurlijk, de dagen regen zich aaneen, de zon kwam op, de zon ging onder, maar nu Walter niets meer hoefde te doen, zou je net zo goed kunnen zeggen dat na elke nacht weer dezelfde dag aanbrak; en ook het feit dat hier, aan de rand van de woestijn, de weersomstandigheden nooit veranderden, droeg bij aan het idee van een stilstaande tijd waarin dezelfde dag zich eindeloos herhaalde.
Wanneer hij in zijn grote, uit één bouwlaag bestaande huis rondliep, verbaasde Walter zich soms over zijn geschiedenis. Die verbazing was niet ironisch of berustend; ze was zuiver, onvermengd met ander emoties, een verbazing die als ze iets sterker werd aangezet, zou leiden tot gefrons en de vraag hoe het allemaal zo gekomen was. De relativerende, stoïcijnse houding die bij zijn vrienden zoveel bewondering had afgedwongen toen hij zijn strips nog in undergroundbladen publiceerde en zijn inkomen rond het bestaansminimum schommelde, zou hem in zijn huidige positie goed van pas komen, maar hoorde inmiddels bij het verleden. Het was alsof hij een stadium had overgeslagen: het stadium van brandende ambitie. In de tijd dat hij een verbeten om erkenning en beloning strijdende kunstenaar had moeten zijn, had hij alvast een voorschot genomen op de kalme houding die paste bij iemand die geslaagd was en zich geen zorgen meer hoefde te maken; en nu hij inderdaad geslaagd was en zich geen zorgen meer hoefde te maken, was de bijpassende houding niet meer beschikbaar omdat hij haar al had opgebruikt. Het was alsof hij in zijn dagen van armoede al had geweten hoe het zou eindigen, zodat er geen reden was geweest om zich ongerust te maken.
Hij was niet ongelukkig. Als hem gevraagd werd hoe hij zich voelde, zou hij waarschijnlijk antwoorden: tijdloos. Toch was niet elke dag hetzelfde. Twee keer per week arriveerde een busje uit de dichtstbijzijnde stad, met een Mexicaans echtpaar, een kok en een kale boeddhistische monnik in een zwarte pij. Wanneer het busje vijf uur later weer vertrok, had het Mexicaanse echtpaar het huis schoongemaakt, de kok de maaltijden voor de komende dagen bereid en de boeddhistische monnik het grind in de rotstuin in nieuwe patronen geharkt.”

 
Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

Rob van Essen

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen en groeide op in Twente en op de Veluwe. Zijn eerste boek verscheen in 1996: “Reddend Zwemmen”. Daarna volgden: “Troje” (2000), “Kwade dagen” (2002), “Engeland is gesloten” (2004), “Het jaar waarin mijn vader stierf” (2006) en “Visser” (2008). Rob van Essen vertaalt vanuit het Engels, zowel fictie als non-fictie. Sinds 2005 maak t hij deel uit van de redactie van het Biografie Bulletin. Ook schrijft hij vanaf oktober 2007 voor NRC Boeken over Engelstalige literatuur.

Uit: In het restaurant (drie gangen)

“1. voorgerecht
Nadat hij mijn soep heeft neergezet, blijft de ober naast mijn tafeltje staan. Hij pakt het mes dat klaar ligt voor het hoofdgerecht en begint met de punt ervan in het tafellaken te tekenen. Hij trekt de lijnen van een slordige rechthoek, waarin hij her en der wat kleine vormen plaatst.
‘De woning van mijn grootmoeder,’ zegt hij zacht, en zonder mij aan te kijken trekt hij nog wat lijnen. Het tafellaken is dik, aan weerszijden van elke lijn bolt de stof een beetje op.
De kok komt naast hem staan en haalt zijn handen over zijn schort. ‘Kwam hij daar vandaan?’ Hij laat een dikke wijsvinger vlak boven de tekening zweven.
‘Nee, nee,’ zegt de ober. ‘Dat is de gang. Hij kwam via het balkon.’  Hij wijst met de punt van het mes.
De kok veegt met zijn hand over zijn ongeschoren kin en kijkt nadenkend naar de tekening.  ‘Soep goed, meneer?’ vraagt hij wanneer hij mijn blik vangt.
‘Ja, ja,’ zeg ik haastig, hoewel ik nog niet heb geproefd. Ik steek mijn hand uit naar de lepel.
De kok richt zich weer naar de ober. ‘En de balkondeuren?’
De ober haalt zijn schouders op. ‘Ze lag ik bed, wat kan ze nou…’
De kok knikt en kijkt weer naar de tekening, waarvan de lijnen langzaam vervagen. De ober ziet het ook en zet met de mespunt sommige lijnen  wat duidelijker aan.
Ik leg mijn lepel neer en strek mijn hand uit naar mijn glas rode wijn. Ik doe het niet goed, in plaats dat ik het glas oppak, gooi ik het om. De tekening van de ober wordt onmiddellijk bedekt door een grote paarsrode vlek.
De ober trekt wit weg. Hij keert zich naar mij, maar voor hij iets kan doen, pakt de kok hem vanachteren bij de schouders en trekt hem mee naar de keuken.
‘Alsof hij erbij was,’ sist de ober, ‘alsof hij erbij was.’ En hij blijft geagiteerd fluisteren. ‘Nee, nee, dat is onzin,’ zegt de kok, en hij blijft de ober kalmerend toespreken tot ze beiden achter de slappe klapdeuren naar de keuken zijn verdwenen.”

Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)