Erwin Mortier, Alberto Moravia, Stefan Zweig, Hugo Pos, Sherko Fatah, Philippe Sollers, William Blake, Alexander Blok, Rita Mae Brown

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

Uit: Gestameld liedboek. Moedergetijden

“Wat me nog het meest bij haar opvalt, wat me de meeste treurnis bezorgt, dat is de dubbele stilte van haar zijn. De taal heeft de koffers gepakt en is over de reling van het kapseizende schip gesprongen, maar er heerst ook een andere stilte in haar of rond haar.
Ik hoor de muziek van haar ziel niet meer; de existentiële aura om haar heen, dat hele vibrerende laken van narratieven en symbolieken waarmee ze zichzelf in de wereld heeft geweven – of omgekeerd, de wereld in haar.
Ik ben zeer gevoelig voor dat hele stelsel, dat web, dat netwerk, dat ons zijn uitmaakt en dat ik bij gebrek aan betere betitelingen nog altijd onze ziel noem. Het is de subtiele poëzie (de tragiek, de schoonheid, de microscopische gruwel) die ieder concreet leven met zich meedraagt en op een of andere wijze ook woordloos weet uit te stralen. Mensen hebben hun eigen echo, ik kan het moeilijk uitleggen. Ik kan de ruis van hun bestaan soms horen, de flarden muziek – en die klinken mooi, of niet, en ook in mij galmt de gehele menselijke fanfare, soms harmonisch en soms schril.
Maar bij haar hoor ik nog amper iets, soms eenzelfde soort van suizen dat me voor het eerst opviel toen ik nog heel erg jong was en op een nacht het kasteel in lichterlaaie stond. Ik herinner me dat ik naar de vlammenzee keek en me er toen we dichterbij kwamen over verbaasde dat die niet stil om zich heen greep. Ik hoorde het inferno zachtjes gieren. Ergens in die spelonken van vuur en walmen sprong glas aan scherven, floten brandende balken, barstten stenen, enzovoort.
Iets gelijkaardigs hoor ik nu in haar: een zachte klaagzang van vrijwel geruisloos, alomvattend verval.”

******

Met de dag wordt ze stiller. Steeds meer tranen moeten de vervlogen woorden vervangen. Soms bewegen haar lippen, trillen haar mondhoeken, brengt ze kort gezucht voort. Dan lijken er nog altijd gedachten te zijn, maar op andere golflengtes, buiten het bereik van mijn trommelvlies. Dan denk ik aan haar als was ze een oude lampenradio, zoals die vroeger in de huizen van verwanten stonden. Ik denk aan het geruis en gefluit en de flarden van stemmen wanneer de zoeker over de frequenties bewoog. Soms lijkt ze ontredderd, lijkt haar brein even op zoek: gestamel, gestotter, veel Stilte.”

 
Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

De Italiaanse schrijver Alberto Moravia werd geboren in Rome op 28 november 1907. Zie ook alle tags voor Alberto Moravia op dit blog.

Uit: Daar moet je je niet in verdiepen (Vertaald door Anna Kapteijns)

“Agnes had me kunnen waarschuwen, in plaats van zo weg te gaan zonder zelfs maar te zeggen: ‘barst’. Ik wil helemaal niet beweren dat ik perfect ben en als ze me had verteld wat er aan scheelde, dan hadden we er over kunnen praten. Maar nee hoor, in twee jaar huwelijk geen woord; en toen op een morgen maakte ze gebruik van een ogenblik dat ik er niet was om er stiekem vandoor te gaan, als een dienstmeisje dat een betere betrekking heeft gevonden. Ze is weggegaan en zelfs nu, na zes maanden, heb ik nog niet begrepen waarom.
Die morgen was ik nadat ik boodschappen had gedaan op de markt, weer uitgegaan om anderhalve meter franje te kopen voor het gordijn in de eetkamer. (Ik vind het leuk om boodschappen te doen, ik weet wat alles kost, weet wat ik wil hebben, ik houd van pingelen en praten, proeven en betasten, ik wil weten van welk dier mijn biefstuk komt, uit welke mand mijn appel.) Omdat ik niet meer dan een bepaald bedrag wilde uitgeven, moest ik nogal lang zoeken voor ik vond wat ik wilde hebben in een klein winkeltje aan de Via dell’ Umiltà. Om twintig over elf kwam ik weer thuis; ik liep de eetkamer in om de kleur van de franje te vergelijken met die van het gordijn en ik zag meteen de inktpot, de pen en een brief op tafel. Om de waarheid te zeggen: wat mij vooral trof was een inktvlek op het tafelkleed. Ik dacht: ‘Wat een knoeipot, ze heeft een vlek op het kleed gemaakt.’ Ik haalde de inktpot, de pen en de brief weg, nam het kleed, ging naar de keuken en daar lukte het me de vlek weg te krijgen door flink te wrijven met citroen. Ik ging weer naar de eetkamer, legde het kleed op zijn plaats terug en toen pas dacht ik aan de brief. Hij was aan mij gericht: ‘Alfredo’. Ik maakte hem open en las: ‘Ik heb het huis schoongemaakt. Het eten kook je zelf maar, dat ben je toch gewend. Dag. Ik ga terug naar mijn moeder. Agnes.’ Even begreep ik er niets van. Toen las ik de brief nog eens en eindelijk snapte ik het: Agnes was weggelopen. Ze had me na twee jaar huwelijk verlaten. Gewoontegetrouw deed ik de brief in de la van het buffet waar de rekeningen en de correspondentie in liggen en ging op een stoeltje bij het raam zitten. Ik wist niet wat ik ervan moest denken, ik was er niet op voorbereid en ik kon het bijna niet geloven. Terwijl ik zo zat na te denken keek ik naar de vloer en zag een klein wit veertje dat uit de plumeau moest zijn losgeraakt toen Agnes aan het afstoffen was. Ik raapte het op, deed het raam open en liet het naar beneden vallen. Toen pakte ik mijn hoed en ging de deur uit.”

 
Alberto Moravia (28 november 1907 – 26 september 1990)
Cover biografie

 

De Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig werd op 28 november 1881 geboren in Wenen. Zie ook alle tags voor Stefan Zweig op dit blog.

Uit: Verwirrung der Gefühle

„Und mit plötzlicher Wendung fuhr unvermutet das Blinkfeuer der Rede auf uns zu: »Versteht ihr nun, warum ich meine Vorlesung nicht in historischer Folge bei den Anfängen beginne, beim King Arthur und Chaucer, sondern aller Regel zum Trotz bei den Elisabethanern? Und versteht ihr, daß ich vor allem Vertrautheit mit ihnen verlange, Einleben in diese höchste Lebendigkeit? Denn es gibt kein philologisches Verstehen ohne Erleben, kein bloß grammatikalisches Wort ohne Erkenntnis der Werte, und ihr jungen Menschen sollt ein Land, eine Sprache, die ihr euch erobern wollt, zuerst in ihrer höchsten Schönheitsform sehen, in der starken Form seiner Jugend, seiner äußersten Leidenschaft. Erst müßt ihr bei den Dichtern die Sprache hören, bei ihnen, die sie schaffen und vollenden, ihr müßt Dichtung einmal atmend und warm am Herzen gespürt haben, ehe wir sie zu anatomisieren anfangen. Darum beginne ich immer mit den Göttern, denn England ist Elisabeth, ist Shakespeare und die Shakespearianer, alles Frühere Vorbereitung, alles Spätere lahmes Nachlaufen diesem eigenen kühnen Sprung ins Unendliche zu – hier aber, fühlt es, fühlt es selbst, ihr jungen Menschen, hier die lebendigste Jugend unserer Welt.
Immer erkennt man ja jede Erscheinung, jeden Menschen nur in ihrer Feuerform, nur in der Leidenschaft. Denn aller Geist steigt aus dem Blut, alles Denken aus Leidenschaft, alle Leidenschaft aus Begeisterung – darum Shakespeare und die Seinen zuerst, die euch junge Menschen erst wahrhaftig jung machen! Erst der Enthusiasmus, dann erst der Fleiß, erst Er, der Höchste, der Äußerste, Shakespeare, dies herrlichste Repetitorium der Welt, vor dem Studium des Worts!« »Und nun genug für heute – lebt wohl!« – Mit jäh abschließender Geste wölbte sich die Hand und taktierte herrisch unvermutet ab, indes er gleichzeitig vom Tische absprang. Wie auseinandergerüttelt fuhr mit einmal das dicht zusammengedrückte Bündel der Studenten schütter auf, Sessel knackten und polterten, Tische rückten, zwanzig verschlossene Kehlen huben mit einmal an zu reden, sich zu räuspern, breitströmig zu atmen – jetzt erst sah man, wie magnetisch die Bannung gewesen, die alle diese atmenden Lippen verschloß. Um so hitziger und hemmungsloser wogte nun im engen Raume das Durcheinander; einige traten auf den Lehrer zu, um ihm Dank oder ein anderes zu sagen, indes die übrigen heißen Gesichts untereinander ihre Eindrücke austauschten; keiner aber stand ruhig, keiner unberührt von der elektrischen Spannung, deren Kontakt brüsk gerissen war und von der doch Hauch und Feuer noch in der gedrängten Luft zu knistern schien. Ich selbst konnte mich nicht rühren: ich war wie auf das Herz getroffen. Leidenschaftlich ich selbst, und fähig, alles nur passioniert, mit einem vorstürzenden Stoß aller Sinne zu begreifen, hatte ich zum erstenmal von einem Lehrer, von einem Menschen mich gefaßt gefühlt, eine Übermacht empfunden, vor der sich zu beugen Pflicht und Wollust sein mußte. Meine Adern gingen warm, ich spürte es, mein Atem schneller, bis in meinen Körper hinein hämmerte sich dieser jagende Rhythmus und riß ungeduldig an jedem Gelenk. Endlich gab ich mir nach, drängte langsam in die vordere Reihe, das Gesicht dieses Mannes zu sehen, denn – sonderbar! – während er sprach, hatte ich seine Züge gar nicht wahrgenommen, so sehr waren sie vergangen, so sehr eingegangen in die Rede. Auch jetzt konnte ich vorerst nur ein ungenaues Profil schattenhaft erblicken: er stand, einem Studenten halb zugewandt, die Hand vertraulich auf die Schulter gelegt, im Zwielicht des Fensters. Aber selbst diese flüchtige Bewegung hatte eine Innigkeit und Anmut, wie ich sie niemals bei einem Schulmann für möglich gehalten.“

 
Stefan Zweig (28 november 1881 – 22 februari 1942)
Scene uit „La confusion des sentiments”, de verfilming van de novelle met Michel Piccoli en Pierre Malet uit 1981

 

De Surinaamse schrijver, dichter en jurist Hugo Pos werd geboren in Paramaribo op 28 november 1913. Zie ook alle tags voor Hugo Pos op dit blog.

Uit: In triplo

“Al spoedig word ik dan lid van de redactie. Hoeveel redactievergaderingen, beurtelings in de kamer van een van de leden onder het genot van een goed verzorgde borrel, heb ik niet bijgewoond, hoeveel verzen heb ik niet laat op donderdagavond geschreven en dan op de vrijdagmiddagen voorgelezen en overlegd. Toch hebben een groot aantal zelfs dat stadium niet bereikt. Toen ik na de oorlog in januari 1948 naar Holland terugkwam vond ik in de bundel Leidse Studentenpoëzie, die zonder dat ik er iets van wist was uitgekomen, twaalf van mijn verzen afgedrukt. Plus een lovende recensie in de NRC die een vriend voor mij had uitgeknipt. Twee verzen moeten tot de verbeelding van mijn medestudenten hebben gesproken. Want nu nog kan het gebeuren dat een heer, die ik vanwege zijn gevorderde leeftijd nauwelijks meer herken, mij aanspreekt met de dichtregel

Annie-Marie heeft met haar mooie ogen
haar man en minnaar beî bedrogen

of, met een ondeugende twinkeling vanachter de brilleglazen, met de aanhef van de Repelsteeltje-aria

Ik klim
overal in.

Het is mogelijk dat ik daardoor op de idee ben gekomen dat dichters in het collectieve geheugen voornamelijk voortleven door slechts enkele regels.
Ik verbaas mij erover dat er voor de televisie geen quiz of hoe zoiets ook heten mag wordt gehouden, waarbij aan de deelnemers gevraagd wordt uit het hoofd regels van bekende dichters te citeren. Waarschijnlijk is dat niet praktisch uitvoerbaar, want de juryleden zouden dan over een fenomenale kennis van de poëzie moeten beschikken om stante pede het goed of fout te kunnen uitspreken. Maar toch, ook zonder quiz blijven de namen van de dichters in den volke alleen levend als er telkens en telkens weer een regel van hen wordt aangehaald.”

 
Hugo Pos (28 november 1913 – 11 november 2000)
Portretfoto door Nicolaas Porter, 2012

 

De Duitse schrijver Sherko Fatah werd geboren op 28 november 1964 in Oost-Berlijn. Zie ook alle tags voor Sherko Fatah op dit blog.

Uit: Der letzte Ort

„Sein Auge tränte und der Staub ließ ihn husten.
Er kniete nieder und lehnte den Oberkörper zurück. Jetzt begannen die Fesseln zu scheuern, die Blutarmut lähmte seine Hände. Er bewegte die Finger, stellte sich vor, einen Fahrradlenker zu halten — und plötzlich verließ ihn der Mut. Er ließ sich auf die Seite fallen, wobei die Hände an den Fesseln zerrten. Er stöhnte, blickte unruhig im Verschlag umher, robbte auf die Blechschale zu, die sie ihm dagelassen hatten. Er schob sein Kinn hinein, nur um festzustellen, dass sie leer war.
»Das wusstest du, und doch hast du nachgeschaut.«
Er schüttelte den Kopf über sich selbst und schob mit der gleichen Bewegung die Blechschale von sich. Draußen war das Gemecker von Ziegen zu hören, von fernher wurden menschliche Stimmen herangeweht. Das einfallende Licht veränderte sich, Albert döste vor sich hin. Wie leicht sie es sich gemacht haben, dachte er, einen wertvollen Gefangenen einfach nur zu fesseln und in einen leeren Schuppen zu sperren. Nichts daran wirkte vorbereitet oder gar geplant. Sie improvisieren, dachte er und fragte sich, ob das ein gutes Zeichen sei. Der Ruf des Muezzins lenkte ihn ab. Er dachte an die Stadt, die wieder so weit entfernt zu sein schien wie bei seiner Anreise.
Er fuhr auf einer der endlosen Landstraßen durch das staubtrockene Land. Ununterscheidbare Dornensträucher wuchsen am Weg und zuweilen, inmitten von Hügelrücken aus Sand und
Geröll, entdeckte er Reste steinerner Gebäude, die aussahen wie zertreten. Er verspürte keinerlei Bedürfnis nach Zwischenstopps in halb verlassenen Dörfern mit Hütten, an denen im beständigen Wind immer etwas flatterte, als würden sie ganz aus dunklen Stofffetzen bestehen, die sich gerade jetzt, als sie daran vorbeifuhren, an den Nähten voneinander lösten. Dennoch blieb ihm nichts übrig, als jede dieser Rasten durchzu-stehen und die durch das Wagenfenster gekaufte warme Cola in sich hineinzuschütten. Er hielt die Augen halb geschlossen, ruhte sie aus für den zu erwartenden, aber immer wieder un-glaublichen Anblick der Kamelkarawanen, die mit der gleich-mütigsten aller Bewegungen in Dunstschleier trotteten, um darin zu verblassen. Albert atmete gleichmäßig. Möglicherweise war er bereits versöhnt mit den Mühen, der Hitze und dem unaufhörlich auf das Armaturenbrett schlagenden Rosenkranz, den der Taxifah-rer ab und an beiläufig berührte. Vor der Weite der Wüsten-landschaft zogen die klaren Bilder ausgedachter Situationen an Albert vorbei, als würde diese leere Landschaft sie aus ihm he-rausziehen und sich damit beleben.“

 
Sherko Fatah (Oost-Berlijn, 28 november 1964)

 

De Franse schrijver Philippe Sollers werd geboren op 28 november 1936 in Bordeaux. Zie ook alle tags voor Philippe Sollers op dit blog.

Uit: Het park ((Vertaald door Kiki Coumans)

“De lucht boven de lange glimmende lanen is donkerblauw.
Straks ga ik naar buiten, dan loop ik met opgeheven hoofd op hem af, en hij zal langzaam onzichtbaarder worden, totdat hij verdwenen is. Nu ligt hier de stad, ze is plotseling voelbaar, ze rijst omhoog, vol nieuwe geluiden en vol nacht. Weggaan. Maar eerst nog even de straat bekijken met de vergeelde bomen, en aan de overkant het pand met de zuiltjes, de halfronde balkons, de nog heldere zinken daken en de verlichte vertrekken in de verte, waarin vrouwen af en aan lopen om de tafel te dekken voor het avondeten. Een zitkamer, een eetkamer, een keuken, nog een keuken, nog een zitkamer…
In de leren fauteuil daar rechts naast de schoorsteenmantel en de staande lamp, zit een man in zijaanzicht met een glas wijn in zijn hand. Tegenover hem zit een vrouw die af en toe beweegt, ik kan haar rode jurk achter de gordijnen zien, haar gebaren, het bewegen van haar lippen als ze praat, terwijl de man voorover buigt om naar haar te luisteren, en het lijkt alsof ik hem kan horen, zoals gewoonlijk, en een beetje verstrooid zegt hij:
‘Jazeker.’ Ja, niets zal me ontgaan als ik in de leunstoel ga zitten die ik op het smalle balkon heb neergezet, waar ik mijn benen schuin kan uitstrekken en op het ijzeren hekje kan leggen, met de gesmede bladeren die langs symmetrisch gebogen, ronde, zwarte spijlen gekruld zijn. De walmende schoorstenen daarboven, die slordig op een rijtje op de daken staan, en die een dunne donkere pluim in de nog zichtbare lucht doen opstijgen; en de vogels, de zwaluwen die tijdens de schemering hun ingewikkelde patronen hebben gevlogen, die uiteenvliegen en na de regenbui klapwiekend de brede opening in de hemel doorkruisen. Beneden het geraas van de auto’s, de bussen (het motorgeronk van de bus die net op de hoek van de straat van snelheid verandert en doorrijdt; het doffere, onderbroken, haast stiekeme gebrom van de auto’s); de verlichte etalages (alleen het onderste deel van de huizen wordt zo voortdurend zichtbaar); de neonreclames (de rode ruitvorm van de sigarenwinkel); en precies aan de overkant, die vrouw en die man die glimlachend met elkaar zitten te praten in het ruime, helder verlichte appartement.”

 
Philippe Sollers (Bordeaux, 28 november 1936)

 

De Engelse schrijver, dichter en schilder William Blake werd geboren op 28 november 1757 in Londen. Zie ook alle tags voor William Blake op dit blog.

The Fairy

‘Come hither, my Sparrows,
My little arrows.
If a tear or a smile
Will a man beguile,
If an amorous delay
Clouds a sunshiny day,
If the step of a foot
Smites the heart to its root,
‘Tis the marriage-ring…
Makes each fairy a king.’

So a Fairy sung.
From the leaves I sprung;
He leap’d from the spray
To flee away;
But in my hat caught,
He soon shall be taught.
Let him laugh, let him cry,
He’s my Butterfly;
For I’ve pull’d out the sting
Of the marriage-ring.

 
William Blake (28 november 1757 – 12 augustus 1827)
William Blake: Oberon Titania And Puck With Fairies Dancing, ca. 1785

 

De Russische schrijver en dichter Alexander Blok werd geboren op 28 november 1880 in St. Petersburg. Zie ook alle tags voor Alexander Blok op dit blog.

Ik dwaalde in oktober door de nevel

Ik dwaalde in oktober door de nevel
en zocht in geheugen ’t refrein
(o, tijd van onkreukbaar beleven
o, liefde van meisjes niet veil)
en daar, uit de donkere nevel
herrees het verloren refrein.

Mijn jeugd kwam terug, ging ik dromen,
en jij, als in leven, en jij…
en dromend begon ik te ontkomen
aan regen, en wind, duister tij
(want zo van je vroege jeugd droom je
en jij, kom je soms weer erbij?)

Daar zie ik – uit nacht en uit nevel
wat waggelend loopt op mij aan
een ouder jongmens (vreemd beleven,
had ik hem in droom al zien staan?)
hij treedt uit de nacht en de nevel
en recht loopt hij nu op mij aan.

Hij lispt: ‘Ik ben moe van het dwalen,
ik ademde kilte en mist,
in spiegels van and’ren weerstraalde ik,
heb vrouwen van and’ren gekust…’
en ik ging mij steeds meer verbazen
dat ik dit een wederzien wist.

Opeens met een grijnslach verdween hij
en naast mij was niemand nadien…
ik kende dat droevige wezen
en had hem al ergens gezien…
Of kwam ik mijzelve misschien
weerkaatst in een spiegelvlak tegen?

 

oktober 1909

 

Vertaald door Frans-Joseph van Agt

 

Do not entrust

Do not entrust all roads yours
To the unfaithful, immense crowd:
It’ll smash your castle with rough force,
And quench light of your temple, proud.

He’s single to bear his hard cross
Whose spirit is unmoved in rightness,
His fire on high hills he burns,
And breaks a curtain of the darkness.

 

Ich trete vor düstre Altare

Ich trete vor düstre Altare,
Vollzieh karge Riten allein,
Die Herrliche Dame erwart ich
Im rötlichen Kerzenschein.

Im Schatten der hohen Säule
Vernehm ich, erzitternd, die Tür,
Doch blickt mir ins Antlitz, erleuchtet,
Der Traum nur, das Abbild von Ihr.

Wie bin ich gewöhnt an die Kleider
Des Ewig Hochherrlichen Weibs!
Hoch auf Gesimsen erscheinen
Sagen von Freuden und Leid.

O Heilige, flackernd zart leuchtend,
Dein Antlitz, wie tröstlich ist’s mir!
Ich höre kein Flüstern, kein Seufzen
Und weiß doch: Du, Liebste, bist hier.

 

25. Oktober 1902

 

Vertaald door Eric Boerner

 
Alexander Blok (28 november 1880 – 7 augustus 1921)
Monument voor Alexander Blok en Ljuba Mendeljeva in Tarakanovo

 

De Amerikaanse schrijfster Rita Mae Brown werd geboren in Hanover, Pennsylvania op 28 november 1944. Zie ook alle tags voor Rita Mae Brown op dit blog.

Uit: The Sand Castle

“A white-hinged sign with a big red crab painted on it loomed out of the thinning fog.
“Jesus.” Mother swerved to the right.
Her sister, Louise, replied sharply, “Thou shalt not take the name of the Lord in vain.”
“I didn’t, you twit, I took his son’s.”
“The Holy Trinity, Father, Son, and Holy Ghost. Same.”
“This is supposed to be a trip to the Bay. If I want religious instruction I’ll go to church.”
“Well, that’s just it, isn’t it?” Louise was smug. “You’re a Lutheran, which is God’s punishment. Otherwise you’d worship at the One True Church.”
Mother, sidestepping the bait for a fight dangled by her older sister—just how much older also a ripe subject for contention—shrugged. “God will forgive me, that’s His trade.”
Louise, pretty in what she deemed her mid-forties, crossed her arms over her chest. She was closer to fifty-two or fifty-three.
Awakened by the swerve, I piped up, “How long till we get there?”
“Not long.” Mother avoided being specific.
“Forty-five minutes. If this fog would lift we’d get there faster.” Louise feared driving in fog, which was sensible.
Mother feared nothing. At least that’s what I thought at seven. Although Mother drove, we rumbled along in Aunt Wheezie’s new black Nash with the dull gray interior. I hated the car but kept that opinion to myself. Why would anyone want to drive a car that looked like a cockroach? Even at seven I was a gearhead, which delighted my father and amused my mother. Leroy, still asleep next to me, evidenced no interest in motors even though he was a boy. He’d turned eight in June. I wouldn’t reach that advanced age until November, so those extra months pleased him even if cars did not.”


Rita Mae Brown (Hanover, 28 november 1944)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e november mijn blog van 28 november 2015 deel 2 en eveneens deel 3.

Erwin Mortier, Alberto Moravia, Hugo Pos, Stefan Zweig, Sherko Fatah, Philippe Sollers, William Blake, Alexander Blok, Rita Mae Brown

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

Brief achtentwintig

Als ik zwijg kan ik u horen. Wat ik hoor
legt mij het zwijgen op. Wat ik verzwijgen moet

hoor ik met mijn ziel vol tanden aan.
Als ik u uitspreek scheuren de talen mij open

–dus ik zwijg en ik slaap
in het voorhoofd van uw nacht.

Blijf, trek het laken der firmamenten
niet van mij af. Laat uw naakte hemel

en diens hemisferen als een dakloos
raadsel op mijn ogen rusten.

Leg een vinger op mijn lippen Liefste.
Uit één vinger valt men niet.

 

Gebed
(Hadewijchvariatie)

Ik vrees dat ik te licht word en teveel
voel dat ik barst hier (in mijn hoofd het uitbreekt,
geen woord volstaat). Ik ben de veer

het buigzaam schreeuwen (in uw vel – syllaben).
Ik ben de vlekken die ik tel

als jamben troubadoursmuziek maar ik wil
de schuimende muil zijn van de gargouille de water-
spuwende draak (lief) wanneer het op uw

gewelven regent en de verdoemden (de versteenden)
in het westportaal zich warmen

aan de troost van uw hel.

 

Uiteindelijk reinigt alles zich, altijd

Uiteindelijk reinigt alles zich, altijd. Waarom
anders heft het huis zijn goten hoog op zinken

pijpen rank als libellenpoten
langs de gevels, om dorstig te wachten

tot de wolken splijten ? Het dak
wordt dak wanneer het regent.

Veld van glinstering. De pannen blozen
nu de pijpen gulzig slikken.

Langs rozen, langs leipeer
en klimop omlaag. Tot ergens,

onder de keukenvloer, een maag
de vangst opslaat.

Voor ons, voor later.

 
Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)
In 2014

Continue reading “Erwin Mortier, Alberto Moravia, Hugo Pos, Stefan Zweig, Sherko Fatah, Philippe Sollers, William Blake, Alexander Blok, Rita Mae Brown”

Alexander Blok, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow, Philippe Sollers, Nancy Mitford

De Russische schrijver en dichter Alexander Blok werd geboren op 28 november 1880 in St. Petersburg. Zie ook alle tags voor Alexander Blok op dit blog.

The night

The night. The street. Street-lamp. Drugstore.
A meaningless dull light about.
You may live twenty-five years more;
All will still be there. No way out.

You die. You start again and all
Will be repeated as before:
The cold rippling of a canal.
The night. The street. Street-lamp. Drugstore.

 

Vertaald door Vladimir Markov en Merrill Sparks

 

Here We Live..

Here we live in ancient chambers
By the water strings.
Here at spring the gladness rambles,
And the river sings.

As the gaiety’s first message,
With the first spring gales,
There will pour the blazing azure
In the doors of cells.

And quite full of sacred shudder
Of the years of dreams,
Through the fields we’ll gaily ride in
Bless of dazzling beams. 

 

My Monastery, Where..

My monastery, where I’m badly pining,
Is granite, melted by the burning mind.
I’m strangled and blinded under this heat, lying,
And leave it, trying a new cell to find…

There’ll be still heat, but one that’s always warming.
The bloody ball will melt my brain to ash,
I’ll lose my mind in ways, the more calming,
Than in this one, oppressing blood and flesh.

Where’s the new cell? Where is my cloister, novel?
Not on the skies, the grave’s darkness behind,
But on the Earth it’s healthy one and low,
Where I’ll find all, when having lost my mind!…

 

Vertaald door Yevgeny Bonver

 
Alexander Blok (28 november 1880 – 7 augustus 1921)
Portret door Ladunya, 2010

Continue reading “Alexander Blok, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow, Philippe Sollers, Nancy Mitford”

Erwin Mortier, Sherko Fatah, Alberto Moravia, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook alle tags voor Erwin Mortier op dit blog.

 

Uit: Gestameld liedboek – Moedergetijden

“Ze is een spiegel geworden. Zien wij er opgewekt uit, dan is zij het ook–min of meer. Staan de zorgen en het verdriet op ons aangezicht te lezen, dan slaat ook bij haar de treurnis toe. Maar de laatste tijd, de laatste tijd verblijft ze steeds vaker in wat een permanente ontwrichting lijkt. Ik kan alleen maar hopen dat in haar geest nog maar weinig besef heerst van tijd, dat er in haar niets meer leeft dat weet dat het vroeger anders was, beter. De gedachte kan nooit lang troost bieden.
In een eeuwig nu van angst moeten leven is wellicht een even grote marteling – alleen maar heden, alleen maar paniek.
Soms, wanneer ze me met haar blik fixeert, denk ik dat in haar brein een of ander mechanisme naar alle tekenen van emoties speurt, in mijn gelaat, in mijn hele lichaam. Doe ik me opgewekter voor dan ik me voel, dan lukt het niet haar tot rust te brengen. Ergens in haar hersenen pikt een of ander circuit op dat ik me anders gedraag dan het gesteld is met mijn humeur. Een instinct misschien, dat nog min of meer intact is of wie weet sterker naar de voorgrond treedt nu de complexe functies van denken en spreken zo goed als ingestort zijn.

(…)

We zijn doodsbang. We zeggen er weinig over, maar we zijn doodsbang. Doodsbang voor wat komen gaat, hoe onvermijdelijk ook. Doodsbang voor de rouw, die we tegelijk vandaag nog zouden willen aanvatten om niet langer in deze schemerzone tussen leven en dood te moeten blijven hangen. Het is vis noch vlees, dag noch nacht, dood noch leven. De ziekte trapt haar de tijd uit en schopt ons uit de taal. Woorden, ze lijken me een soort van granenontbijt tegenwoordig: ongetwijfeld gezond, maar nogal smaakloos.”

 

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

Continue reading “Erwin Mortier, Sherko Fatah, Alberto Moravia, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow”

Erwin Mortier, Sherko Fatah, Alberto Moravia, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en ook mijn blog van 28 november 2007 en ook mijn blog van 28 november 2008 en ook mijn blog van 28 november 2009.

 

Uit: Godenslaap

 

“Natuurlijk was ik jaloers, en ik ben het nog steeds. Jaloers op de schilders, op hun woordenschat van coloriet. Jaloers omdat ik de taal niet kan fijnstampen in een mortier en naar goeddunken vloeiend of pasteus kan maken door er olie doorheen te mengen, noch een nieuwe kleur kan scheppen door wat poeder van het ene woord aan wat poeder van het andere toe te voegen. Jaloers ook, omdat er geen taal bestaat waarmee je eerst een ondergrond kunt aanbrengen, die door het kleurenweefsel dat je erbovenop legt heen blijft schemeren. Jaloers omdat ik een taal zou willen die geen betekenis draagt, maar bovenal intensiteit, een betekenis die aan de betekenis ontstijgt, en die je niet zozeer zou moeten lezen, als wel bezien, met de geletterdheid van het oog, de eruditie van het netvlies.”

(…)

 

Het was zonder meer een vredig tafereel, en een even vredige, melancholieke septemberochtend, en voor de zoveelste keer verwonderde ik me erover hoe snel we, na slechts enkele uren voordien voor de vleugels van het noodlot te hebben geschuild de alledaagsheid als een taai kleed over de kraters en de doden wierpen- en ik weet nog steeds niet of ik zulks een vorm van genade vond, een teken van onverzettelijkheid, of een soort zelfverdoving, de kalmte van een schaap dat in de nabijheid van een roedel wolven te dichtbij om ze te kunnen ontvluchten, een glorieus fatalisme over zich afroept en zijn fatum kalm in de ogen blikt. “

(…)

 

“We hebben zerken nodig, iets tastbaars dat de dode toedekt, ons de toegang tot de Hades verspert, een offertafel of een wierookschaal waarin we het gevoelen van schuld kunnen verbranden nadat we de doden, die al een keer gestorven zij n, in de spelonken van onze geest nog een tweede keer in de rug hebben geschoten, om ver de kunnen. “(Dit is een metaforische manier van aanduiden hoe we met de doden uit een oorlog moeten omgaan.)

 

 

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

Continue reading “Erwin Mortier, Sherko Fatah, Alberto Moravia, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow”

Erwin Mortier, Sherko Fatah, Alberto Moravia, Rita Mae Brown, Julian Randolph Stow, Philippe Sollers, Hugo Pos

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en ook mijn blog van 28 november 2007 en ook mijn blog van 28 november 2008. en eveneens mijn blog van 11 november 2009.

Signalement van het lijf

Berispt mijn hekel aan geografie
met blauwe meanders, zeeëngtes,

havensteden op mijn benen. Herhaalt
in ademnood rampzalige tentamens

economie. Beheerst tal van richtingen.
Inzichten in ruimte, tijd in weefsels

uitgespreid. Sprint windingen. Zet
verdichtingen uiteen. Zucht

pneumatisch. Verdeelt hydraulisch
lust. Trekt zich lauter mechanisch

af. Niettemin zindelijk.
Lekt zelden. Braakt amper.

Doorgaans ongevaarlijk.
Tenzij men het voortijdig wekt..

 

 

Huis in mij

Het huis herademt mij, eindelijk.
Het legt zijn moederlijke muren

op de mijne. Behaagziek laat het deuren
in sloten vallen, slaat luiken open, klapt

ze weer dicht. Het diept vergeten licht
op uit zijn kelders, haalt op zolder bestofte

dromen uit het rag tussen de balken vandaan.
Vleermuizen of dode tantes worden wakker,

fladderen op, verschrikt maar koket.
Bij het raam kennen twee verschoten vitrages

plotseling hun vorige bestaan
als onderrok of voile, ooit om boezems

spelend, of, in hun strenge verbintenis
van gat en draad, panty’s die vrouwen-

kuiten ongenaakbaar maakten.
Het woelt zijn lege kamers om, het huis.

Het vouwt me zorgzaam op en slaat
zich ombekommerd dicht om mij.

 

Mortier

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

De Duitse schrijver Sherko Fatah werd geboren op 28 november 1964 in Oost-Berlijn. Zie ook mijn blog van 28 november 2008.

Uit: Das Dunkle Schiff

Die Frauen hatten sich in der Ferne verteilt und mit dem Sammeln der Kräuter begonnen. Wie ein schwaches Echo, von den Felsen mehr verschluckt als zurückgeworfen, erhob sich das Geräusch. Es war ein Helikopter, angestrahlt vom späten Licht, das selbst seine Tarnfarbe fröhlich erscheinen ließ. Er beschirmte seine Augen mit der Hand und blickte hinauf. Er sah den Haupt- und den Heckrotor und vernahm das anschwellende Donnern. Doch nichts, auch nicht diese Maschine war fähig, den tiefen Frieden über den Hügeln zu stören. Der Helikopter flog vorüber, kam zurück und zog einen weiten Kreis über ihm. An der offenen Seitenluke kauerten zwei Soldaten, einer winkte ihm zu. Alles konnte geschehen an diesem Tag, und so winkte er ohne Furcht zurück. Der Helikopter zog seine Bahn und sank unwirklich langsam zur Erde nieder. Im Geheimen hatte er den Kinderwunsch verspürt, und nun wurde er wahr; er landete, weit entfernt zwar, aber er landete. Vielleicht nehmen sie mich mit, war sein nächster Gedanke, vielleicht kann ich mit ihnen fliegen.
Er lief los, winkend und rufend, scharfkantige Steine und spitze Distelsträucher waren in seinem Weg, doch nichts ließ ihn stolpern, und nichts stach ihn. Weit vor ihm wurde der Helikopter eingehüllt von aufgewirbeltem Sand, trockene Halme segelten durch die Luft. Es ist zu weit, ich schaffe es nicht, dachte er, als er die beiden Soldaten herausspringen und geduckt zu den Frauen hinüberlaufen sah. Diese hatten ihre Körbe abgestellt, die Hände in die Hüften gestützt oder an die Stirn gelegt und blickten den Männern entgegen. Er sah, wie die Soldaten sie zum Helikopter trieben, sah es undeutlich durch den Staub, und da blieb er stehen. Ich schaffe es nicht, dachte er noch einmal bedauernd, doch tröstete ihn, dass es überhaupt geschehen war, das ganz und gar Außergewöhnliche. Er stand und sah sie abheben, ruckartig erst, dann unaufhaltsam, wie in den Himmel gezogen, bis sie die Staubwolke unter sich ließen. Ganz leicht legte sich der Helikopter auf die Seite und flog erneut seine weite Kurve, schraubte sich allmählich höher und höher, bis er befreit im Himmel dahinschwamm. Er blickte ihnen nach und winkte wieder. Und tatsächlich kam die Maschine erneut heran, das Donnern wurde laut und lauter, bis er sich die Ohren zuhielt. Den Kopf im Nacken sah er die Frauen. Da fielen sie, eine nach der anderen stürzte aus der Luke, mit gebreiteten Armen glänzten sie auf im Licht, und wie um sie aufzuhalten, riss an ihren Gewändern der Wind.“

 

Fatah

Sherko Fatah (Oost-Berlijn, 28 november 1964)

 

De Italiaanse schrijver Alberto Moravia werd geboren in Rome op 28 november 1907. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en ook mijn blog van 28 november 2008.

 

Uit: Römische Erzählungen (Vertaald door Jutta Eckes)

 

Der Dickschädel  Eines Morgens im Juli machte ich gerade ein Nickerchen auf der Piazza Melozzo da Forlì, im Schatten der Eukalyptusbäume in der Nähe des ausgetrockneten Brunnens, als zwei Männer und eine Frau auf mich zukamen und mich baten, sie an den Lido di Lavinio zu bringen. Während sie sich überlegten, was sie zahlen wollten, sah ich sie mir genauer an: Blond, groß und dick der eine, ein farbl
oses, fast graues Gesicht und Augen wie aus himmelblauem Porzellan, die tief in dunklen Höhlen lagen, ein Mann um die Fünfunddreißig; der andere jünger, dunkle, zerzauste Haare, Schildpattbrille, schlaksig, mager, ein Student vielleicht. Die Frau schließlich war geradezu spindeldürr, sie hatte ein langes, schmales Gesicht zwischen zwei Wogen lose herabfallender Haare und wirkte mit ihrem schlanken Körper und dem grünen Kleidchen wie eine Schlange. Doch ihr roter und voller Mund glich einer Frucht, und ihre schönen, schwarzen und leuchtenden Augen waren wie nasse Kohle; sie sah mich auf eine Weise an, daß ich Lust bekam, mich auf das Geschäft einzulassen. Tatsächlich akzeptierte ich den ersten Preis, den sie mir vorschlugen; darauf stiegen sie ein, der Blonde neben mir, die beiden anderen hinten, und los gings.  Ich durchquerte ganz Rom, um die Straße hinter der Basilika San Paolo zu erreichen, welche der kürzeste Weg nach Anzio ist. Bei der Basilika tankte ich voll und bog dann mit Vollgas in die Straße ein. Ich rechnete mir aus, daß es ungefähr fünfzig Kilometer sein müßten; es war halb zehn, wir wären also gegen elf dort, genau die richtige Zeit für ein Bad im Meer. Das Mädchen hatte mir gefallen, und ich hoffte, mit ihm Freundschaft zu schließen: Sie waren nicht besonders vornehm, die beiden Männer schienen dem Akzent nach Ausländer zu sein, Flüchtlinge vielleicht, wie sie in den Sammellagern rings um Rom leben. Das Mädchen dagegen war Italienerin, sogar Römerin, aber auch sie nichts Besonderes: sagen wir Zimmermädchen oder Büglerin oder etwas Ähnliches. Während ich darüber nachdachte, spitzte ich die Ohren und hörte das Mädchen und den Dunkelhaarigen hinten im Wagen miteinander plaudern und lachen. Vor allem das Mädchen lachte, denn es war, wie ich bereits bemerkt hatte, recht liederlich und schlüpfrig, geradezu wie eine betrunkene Schlange. Der Blonde zog angesichts dieses Gelächters unter seiner schwarzen Sonnenbrille die Nase kraus, sagte jedoch nichts, er drehte sich nicht einmal um.“

 

moravia1

Alberto Moravia (28 november 1907 – 26 september 1990)
Portret door Renato Guttuso

 

De Amerikaanse schrijfster Rita Mae Brown werd geboren in Hanover, Pennsylvania op 28 november 1944. Zie ook mijn blog van 28 november 2008.

Uit: Claws and Effect

“Odd that Mim would own a Bentley for she was a true Virginian, born and bred, plus her family had been in the state since the early 1600s. Driving anything as flashy as a Bentley was beyond the pale. The only thing worse would be to drive a Rolls Royce. And Mim didn’t flaunt her wealth. Miranda, who had known Mim all of her life, figured this was a quiet rebellion on her friend’s part. As they both cruised into their sixties, not that they were advertising, this was Mim’s salvo to youth: Get Out Of My Way.
People did.
Mary Minor “Harry” Haristeen smiled when Mim pushed open the door. “Good morning.”
“Good morning, Harry. Did you have trouble driving in today?”
“Once I rolled down the driveway I was fine. The roads are clear.”
“You didn’t ask me if I had trouble.” Miranda walked up to the counter dividing the post office staff from the public. As she lived immediately behind the post office, with just an alleyway in between, she slipped and slid as she made her way to work on foot.
“You haven’t broken anything so I know you’re fine.” Mim leaned on the counter. “Gray. Gray. Cold. Hateful.”

“Four degrees Fahrenheit last night.” Miranda, passionate gardener that she was, kept close watch on the weather. “It must have been colder at Dalmally.” She mentioned the
name of Mim’s estate just outside of town. As some of Mim’s ancestors fled to America from Scotland they named their farm Dalmally, a remembrance of heather and home.
“Below zero.” Mim strolled over to her postbox, took out her key, the brass lock clicking as she turned the key.
Curious, Mrs. Murphy dropped off the windowsill, jumped onto the wooden counter, then nimbly stepped off the counter onto the ledge that ran behind the postboxes, dividing the upper boxes from the larger, lower boxes. She enjoyed peering in the boxes. If a day dragged on she might reach in, shuffle some mail, or even bite the corners.
Today she noticed that Susan Tucker’s mailbox had Cracker Jacks stuck on the bottom of it.

Brown

Rita Mae Brown (Hanover, 28 november 1944)

 

De Australische dichter en schrijver Julian Randolph Stow werd geboren in Geraldton in het westen van Australië op 28 november 1935. Zie ook mijn blog van 28 november 2008.

 

Uit: The Merry-Go-Round in the Sea

 

The merry-go-round had a centre post of cast iron, reddened a little by the salt air, and of a certain ornateness: not striking enough to attract a casual eye, but still, to an eye concentrated upon it (to the eye, say, of a lover of the merry-go-round, a child) intriguing in its transitions. The post began as a square pillar, formed rings, continued as a fluted column, suddenly bulged like a diseased tree with an excresence of iron leaves, narrowed to a peak like the top of a pepperpot, and at last ended, very high in the sky, with an iron ball. In the bulge where the leaves were, was an iron collar. From this collar eight iron stays hung down, supporting the narrow wooden octagonal seat of the merry-go-round, which circled the knees of the centre post rather after the style of a crinoline. The planks were polished by the bottoms of children, and on every one of the stays was a small unrusted section where the hands of adults had grasped and pulled and send the merry-go-round spinning.”

 

Stow

Julian Randolph Stow (Geraldton, 28 november 1935)

 

De Franse schrijver Philippe Sollers werd geboren op 28 november 1936 in Bordeaux. Zie ook mijn blog van 28 november 2008.

Uit: Guerres secrètes

“Je me demande depuis un certain temps, alors que j’ai lu et relu Homère, L’Iliade et L’Odyssée, pourquoi ce vieux texte monte de plus en plus vers moi d’une façon fraîche, énigmatique et violente. Et pourquoi, dans le même temps, tout ce qui peut se dire en chinois, dans la stratégie chinoise en particulier, monte avec le même caractère d’urgence. Serait-ce que la Grèce et la Chine ont des choses à se dire Le grand stratège Sunzi a vécu entre Homère et Euripide. Ces figures précèdent de peu l’ère qu’on dit chrétienne, et qui méritait mieux que d’inaugurer un calendrier. Les Grecs et les Chinois ont failli se rejoindre après le Concile de Trente. Puis ces mondes se sont séparés, grosso modo depuis la Révolution française, avant d’être peu à peu oubliés de tous: la synthèse, ou plutôt la tenue de la contradiction, n’a pu être opérée longtemps. Les Chinois sont délibérément méconnus. Quant aux Grecs, on sait le sort d’oubli qui leur est maintenant réservé.

Philippe_Sollers

Philippe Sollers (Bordeaux, 28 november 1936)

 

De Surinaamse schrijver, dichter en jurist Hugo Pos werd geboren in Paramaribo op 28 november 1913. Zie ook mijn blog van 28 november 2008.

 

Uit: In Triplo

 

Zelfportret

 

Voor de joden

 

 Vraag niet: ‘Wat heb ik misdaan?’

 Wat kan het ze schelen

 Het enkele feit, dat je leeft,

 is een blaam voor de velen.

 

 Je bent zo oud en zo wijs

 geworden in het lijden.

 Bal nu je vuist en trek uit

 om hartstochtelijk te strijden.

 

 Want beter is het te sterven

 met een geweer in je handen,

 dan te leven in vrees

 en in grote schande.

 

 En ga je kapot

 zullen anderen strijden

 – want praten geeft geen moer –

 voor betere tijden.

 

Zoiets zou ik nooit meer kunnen schrijven. Het druist helemaal in tegen wat ik mijn natuur zou willen noemen. Het past niet bij mij. En toch. Daar ligt het, de woorden zijn uit mijn pen gevloeid. Bestrijd de barbaren, hoi polloi, de velen.

De meeste verzen die in de oorlog met hartebloed zijn geschreven hebben, hoe waarachtig ook verwoord, hun zeggingskracht verloren. Gedichten vlak na de oorlog geschreven, met de dauw van de herwonnen vrijheid nog op de lippen, houden daarentegen een schone belofte in. Vrede, vrouw, vrijheid, verlangen, het is de wereld van de zachte V die gaat opbloeien nadat het geweld is gekeerd.”

 

HugoPos

Hugo Pos (28 november 1913  – 11 november 2000)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e november ook mijn vorige blog van vandaag.

Erwin Mortier, Philippe Sollers, Dennis Brutus, Sherko Fatah, Rita Mae Brown, Stefan Zweig, Alexander Blok

De Vlaamse dichter en schrijver Erwin Mortier werd geboren in Nevele op 28 november 1965. Zie ook mijn blog van 28 november 2006 en ook mijn blog van 28 november 2007.\

Uit: Godenslaap

‘Een deur ging open, van de speelzaal die ik me vaag herinnerde uit vroeger jaren. Het rook er beslapen. De hoge ramen wierpen schuine balken van maanlicht op de vloeren, haalden uit de duisternis het plooienspel van dekens, een mouw, een hand, een hoofd tevoorschijn. Her en der lagen soldaten te slapen, alleen of tegen elkaar aan gekropen. Uit hun schoeisel, dat tegen de speeltafels aan lag waarop hun rugzakken rustten, steeg de lucht op van aarde, zomerse aarde, van tentzeil, geolied staan en gras op naar de zoldering met haar frivole stucwerk, dat sureëel boven de slapende gestalten hing.’

 

 

Aan de dichters

 

Hangen wij nog aan zijden draden
aan een wereld zonder graden vast
en flakkert de lamp van taal

 

in onze knuisten nog altijd zwakke magie?

 

Zijn wij nog immer spreeuwen
die het vlees van krieken klieven
en onverantwoord kleurrijk

 

de bril dichtschijten van het journaille en al
wat maliënkolders of mijters draagt?

 

Wegen wij nog altijd de wereld af
tegen plukken wol, één vrouwenhaar,
gevederte, en noemen wij,

 

onverbeterbaar, de wereld het lichtste?

 

Al zijn tijd en al zijn slachtingen ten spijt:
schateren wij in kieren? Laten wij scharnieren
janken? Vouwen wij vliegers,

 

puntige vliegers uit formulieren?

 

Mortier

Erwin Mortier (Nevele, 28 november 1965)

 

De Franse schrijver Philippe Sollers werd geboren op 28 november 1936 in Bordeaux. In 1959 debuteerde hij met de ontwikkelingsroman Une curieuse solitude die enthousiast werd ontvangen. In de jaren tussen 1960 en 1982 experimenteerde hij zowel op politiek als op literair gebied. (Maoïsme). In 1983 lukte hem met Femmes een bestseller, waardoor hij weer terugkeerde naar het meer traditionele vertellen.

 

Uit: Une vie divine

 

„Ludi est une merveilleuse menteuse. C’est d’ailleurs la phrase que je me suis murmurée au bout de trois ou quatre rencontres : “merveilleuse menteuse”. Mère en veilleuse, très bo
nne menteuse. Il suffit de la voir, là, bien blonde épanouie aux yeux noirs, cheveux courts, avec sa robe noire moulante, sur la terrasse de cet hôtel, en été. Elle est fraîche, bronzée, elle sait qu’elle se montre, elle laisse venir les regards vers elle, elle s’en enveloppe comme d’une soie. Oui, je sais, elle vous dira qu’elle a pris deux kilos et que c’est dramatique, mais non, justement, elle est parfaite comme ça, rebondie, ferme, ses seins, son ventre, ses cuisses évoquent aussitôt de grands lits ouverts. Ah, ce croisement de jambes, ses fesses lorsqu’elle va au bar, sa façon de sortir et de rentrer et de ressortir et de rerentrer son pied de son soulier gauche – la cheville, là, en éclair -, et puis de rester cinq secondes sur sa jambe droite, et de recommencer, rentrer-sortir, rentrer-sortir, comme pour dire j’ai trouvé chaussure à mon pied, et c’est moi, rien que moi, venez vous y frotter si vous croyez le contraire. Son corps se suffit à lui-même et elle n’a pas à s’en rendre compte. Il dit tout ce qu’il y a à dire, mais elle ne pourrait pas le parler“.

 

Philippe_Sollers

Philippe Sollers (Bordeaux, 28 november 1936)

 

De Zuidafrikaanse dichter en (oud-)verzetsstijder Dennis Brutus werd geboren op 28 november 1924 in Harare in Zimbabwe. Hij studeerde Engels en pedagogie aan de universiteit van Witwatersrand. Van 1947 tot 1961 was hij leraar Engels en Afrikaans in Port Elizabeth. Vanwege zijn verzetswerk kreeg hij een publicatieverbod en mocht hij ook geen les meer geven. In 1963 werd hij veroordeeld tot 18 maanden dwangarbeid op Robben Island. In 1966 kon hij naar Engeland en later naar de VS emigteren, waar hij aan verschillende universiteiten doceerde.

 

 

On The Beach

 

Seablue sky and steelblue sea

surge in cubist turbulence,

dissolve, reform in fluid light

and cadences of sandsharp breeze;

 

spindrift from sand-dunes tresses down

to inlets where rock-fragments shoal,

seaspray and statice distil the mood

salt-sweet, foamwhite, seaweed-brown.

 

All in this jagged afternoon

where rock, light, sand and sea-air sing,

brown hair and air-live skin complete

this transitory plenitude.

 

 

 

Their Behavior

 

Their guilt

is not so very different from ours:

— who has not joyed in the arbitrary exercise of

        power

or grasped for himself what might have been

        another’s

and who has not used superior force in the

moment when he could,

(and who of us has not been tempted to these

        things?) —

so, in their guilt,

the bare ferocity of teeth,

chest-thumping challenge and defiance,

the deafening clamor of their prayers

to a deity made in the image of their prejudice

which drowns the voice of conscience,

is mirrored our predicament

but on a social, massive, organized scale

which magnifies enormously

as the private dehabille of love

becomes obscene in orgies.

 

Brutus

Dennis Brutus (Harare,  28 november 1924)

 

De Duitse schrijver Sherko Fatah werd geboren op 28 november 1964 in Oost-Berlijn. Zijn vader kwam uit het Iraakse Koerdistan, zijn moeder is Duitse. Zijn jeugd bracht hij door in de DDR, maar hij verbleef ook vaker in het land van zijn vader. In 1975 verhuisde hij naar Wenen, later naar West-Berlijn. Ftah studeerde filosofie en kunstgeschiedenis.Voor zijn roman „Im Grenzland“ ontving hij in 2001 de Aspekte-Literaturpreis. In 2002 kreeg hij de „Ehrenpreis zum Deutschen Kritikerpreis“.

 

Uit: Das Dunkle Schiff

 

Es war ein Sommertag, heiß, aber doch so windig, dass man es nicht wirklich spürte. Wolkenschatten eilten dunkel über die Ebenen und Hänge, als schwebten Luftschiffe durch den tiefblauen Himmel. Vielleicht war es der schönste Tag seines Lebens, nicht des leichten Lichtes und des sanften Windes wegen, nein, an diesem späten, saumselig vergehenden Tag verspürte er ein erstes Mal die tiefe Ruhe, welche die Schönheit gewährt, und erfuhr zugleich ihre Vergeblichkeit.

Um diese Jahreszeit zogen die alten Frauen hinaus, um Heilkräuter zu sammeln. Sie wussten, wann sie für welches Gewächs an einen bestimmten Ort zu gehen hatten. Weit mußten sie nicht hinaufsteigen, nur auf die Hügel. Dort sah er sie, eine kleine Kolonne, die wie so oft schon den nie ganz überwucherten Pfaden folgte. Sie sprachen und lachten laut, hier draußen waren sie endlich ganz unter sich, für ein paar Stunden fern von Räumen und Regeln. Hätten sie umhergeschaut, auch ihnen wäre die Unberührbarkeit der wilden Gräser, der Dolden und der warmen Steine aufgefallen. Doch sie schwenkten ihre Körbe, und ihre farbenfrohen Gewänder wehten im Wind, sie waren zu sehr miteinander beschäftigt. Fast beneidete er sie darum, so selbstvergessen hineingestellt zu sein in den Tag, der wie ein riesiges, geöffnetes Fenster um sie stand. Er lief ihnen nach, als sie hinter den Hügeln verschwanden, nur einfach um sie weiterhin zu sehen, winzig, doch nicht verloren, und blieb auf dem Hügel stehen. Er fühlte nicht mehr die Abgeschiedenheit hier draußen, nicht mehr die rauhe Einöde, er sah die Landscha
ft wie eine geöffnete Hand. Er atmete schwer. Ich bin noch ein Kind, dachte er kurz, meine Lungen sind nicht weit genug für diesen Tag. Und selbst wenn sie es wären, so ahnte er, dann könnte ich doch niemals weit genug in ihn hineingehen.

 

Sherko_Fatah

Sherko Fatah (Oost-Berlijn, 28 november 1964)

 

De Amerikaanse schrijfster Rita Mae Brown werd geboren in Hanover, Pennsylvania op 28 november 1944 als dochter van een ongehuwde tienermoeder die haar ter adoptie opgaf aan Ralph en Julia Brown. Rita Mae was leergierig en kon op haar derde al lezen. Op haar elfde verhuisde het gezin naar Fort Lauderdale, Florida, waar Rita Mae de middelbare school bezocht.Na het behalen van haar diploma ging ze in 1962 naar de Universiteit van Florida waar ze politiek actief werd en gedreven campagne voerde voor gelijke rechten en tegen maatschappelijke segregatie van Afro-Amerikanen. Haar sympathie voor figuren als Martin Luther King werd haar niet in dank afgenomen en haar beurs werd ingetrokken. Dit had tot gevolg dat ze de universiteit moest verlaten. Ze vertrok naar New York City waar ze enige jaren in armoede doorbracht, maar uiteindelijk ging studeren aan de New York University.  Ze was actief in de beweging tegen de Vietnamoorlog en richtte in 1967 de Student Homophile League op. Dit was de eerste homoseksuele studentenvereniging in heel Amerika. Ze was bovendien als een van de weinige vrouwen betrokken bij de Stonewall-rellen op 27 juni 1969 in Greenwich Village in New York.  In 1973 publiceert ze haar eerste roman, het semi-autobiografische Rubyfruit Jungle. Het boek werd een groot succes. Het werd een wereldwijde bestseller en een klassieker, waardoor ze een belangrijke rol binnen de homobeweging kon gaan spelen. Nu er was bewezen dat lesbische romans goed konden verkopen, ging Rita Mae zich volledig op het schrijven richten.

 

Uit: Rubyfruit Jungle

 

No one remembers her beginnings. Mothers and aunts tell us about infancy and early childhood, hoping we won’t forget the past when they had total control over our lives and secretly praying that because of it, we’ll include them in our future.

I didn’t know anything about my own beginnings until I was seven years old, living in Coffee Hollow, a rural dot outside of York, Pennsylvania. A dirt road connected tarpapered houses filled with smear-faced kids and the air was always thick with the smell of coffee beans freshly ground in the small shop that gave the place its name. One of those smear-faced kids was Brockhurst Detwiler, Broccoli for short. It was through him that I learned I was a bastard. Broccoli didn’t know I was a bastard but he and I struck a bargain that cost me my ignorance.

One crisp September day Broccoli and I were on our way home from Violet Hill Elementary School.

“Hey, Molly, I gotta take a leak, wanna see me?.

“Sure, Broc.”

He stepped behind the bushes and pulled down his zipper with a flourish.

“Broccoli, what’s all that skin hanging around your dick?”

“My mom says I haven’t had it cut up yet.”

“Whaddaya mean, cut up?”

“She says that some people get this operation and the skin comes off and it has somethin’ to do with Jesus.”

“Well, I’m glad no one’s gonna cut up on me.”

“That’s what you think. My Aunt Louise got her tit cut off.”

“I ain’t got tits.”

“You will. You’ll get big floppy ones just like my mom. They hang down below her waist and wobble when she walks.”

“Notme, I ain’t gonna look like that.”

“Oh yes you are. All girls look like that.”

 

ritamaeBrown

Rita Mae Brown (Hanover, 28 november 1944)

 

De Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig werd op 28 november 1881 in Wenen. Zie ook mijn blog van 28 november 2006.

 

Uit: Verwirrung der Gefühle

 

Ich weiß nicht, wie diese Geschichte zu mir kam. Ich bin nur, dessen entsinne ich mich, am frühen Nachmittage hier lang gesessen, habe in einem Buche gelesen und es dann sinken lassen, hindämmernd in Träumerei, vielleicht auch in leisen Schlaf Und plötzlich sah ich Gestalten hier, und sie glitten die Wand entlang, und ich konnte ihre Worte hören und in ihr Leben sehen.
Doch als ich den Entschwindenden nachblicken wollte, war ich schon wieder wach und allein. Zu meinen Füßen gesunken, lag das Buch. Nun ich es aufhob und nach den Gestalten frug, fand ich darin die Geschichte nicht mehr; es war, als sei sie aus den Blättern in meine Hände gefallen, oder sie war nie darin gewesen.
(…)
Wie soll ich beginnen? Ich fühle, ich muss einen Augenblick aus dem Dunkel herausheben, ein Bild und eine Gestalt, denn so beginnen auch in mir diese seltsamen Träume. Nun entsinne ich mich schon. Ich sehe einen schlanken Knaben, der die breitstufige Treppe eines Schlosses niedersteigt. Es ist Nacht und eine Nacht mit nur mattem Mondlicht, aber ich umfasse wie mit einem erhellten Spiegel jede Kontur seines geschmeidigen Körpers, sehe genau in seine Züge. Er ist außerordentlich schön. Kindhaft gekämmt fallen die schwarzen Haare glatt über die fast überhohe Stirne, und die Hände, die er im Dunkel verbreitet, um die Wärme der durchsonnten Luft tastend zu fühlen, sind sehr zart und edel. Sein Schritt zögert. Verträumt steigt er nieder zu dem großen, mit vielen runden Bäumen rauschenden Garten, durch den wie ein weißer Steg eine einzige breite Chaussee strahlt.

 

stefanzweig

Stefan Zweig (28 november 1881 – 22 februari 1942)

 

De Russische schrijver en dichter Alexander Blok werd geboren op 28 november 1880 in St. Petersburg. Zie ook mijn blog van 28 november 2006.

 

De blauwe cape

 

Ik heb naar grootheid, naar succes, naar glorie
op deze bitt’re aarde niet getaald,
zolang mij jouw gelaat op tafel voor me
in ’t simpel lijstje maar heeft toegestraald.

 

’t Uur kwam, en jij ging heen, het huis ontstolen.
In nacht wierp ik de ring van goed en kwaad.
In and’rer hand heb jij je lot bevolen,
en ik vergat het wonderschoon gelaat.

 

De dagen vluchtten, één vloek na de ander…
Van drank en hartstocht is mijn leven moe…
En plotseling zag ik jou weer bij het altaar,
en, evenals mijn jeugd, riep ik je toe.

 

Ik riep je, maar je hebt niet omgekeken,
ik huilde, maar je bleef onaangedaan. T
Terneergedrukt sloeg jij je blauwe cape om,
in kille nacht ben jij uit huis gegaan.

Ik weet niet waar je voor je trotse wezen,
jij liefste, tederste, een rustpunt vond…
In droom zie ik de blauwe cape herrezen,
waarin jij in de kille nacht verzwond.

 

Het is te laat voor tederheid, voor glorie,
voorbij is alles, jeugd is heengegaan!
‘k Heb jouw gelaat, in ’t simpel lijstje voor me
van tafel eigenhandig weggedaan.

 

 

 

Vertaald door Frans-Joseph van Agt

 

 

 

Those born in obscure times

 

Those born in obscure times

Do not remember their way.

We, children of Russia’s frightful years

Cannot forget a thing.

 

Incinerating years!, do you bring tidings

of madness or of hope?

The days of war, the days of freedom

Have left a bloody sheen on our faces.

 

There is a muteness – the tocsin bell

Has made us close our lips.

In our hearts, once so ardent,

There is a fateful emptiness.

 

Let the croaking ravens

Take flight above our deathbed –

O Lord, O Lord, may those more worthy than us,

Behold Thy kingdom!

 

September 8, 1914

 

Blok

Alexander Blok (28 november 1880 – 7 augustus 1921)

 

Zie voor meer schrijvers die geboren werden op 28 november ook mijn vorige bericht.