William Styron, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Sophie van der Stap, Ben Jonson

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook mijn blog van 11 juni 2010 en eveneens alle tags voor William Styron op dit blog.

Uit: Sturz in die Nacht

(Darkness Visible: A Memoir of Madness, vertaald door Willy Winkler)

 “In Paris, an einem kalten Abend Ende Oktober 1985, wurde mir zum ersten Mal voll bewusst, dass der Kampf mit meiner psychischen Störung – ein Kampf, der mich schon seit einigen Monaten in Anspruch nahm – tödlich ausgehen könnte. Das war mir in dem Augenblick klar, als das Auto, in dem ich saß, eine vom Regen glänzende Straße in der Nähe der ChampsÉlysées hinabfuhr und an einem matt leuchtenden Neonschild mit der Aufschrift HÔTEL WASHINGTON vorbeiglitt. Beinah fünfunddreißig Jahre war es her, seit ich das Hotel gesehen hatte, als es im Frühjahr 1952 für einige Nächte meine erste Unterkunft in Paris gewesen war. Während der ersten Monate meines »Wanderjahrs « war ich im Zug von Kopenhagen nach Paris gekommen und dank der nachdrücklichen Laune eines New Yorker Reisebüroangestellten im Hôtel Washington gelandet.

Damals war das Hotel eine der vielen feuchten, anspruchslosen Herbergen für vorwiegend amerikanische Touristen, die nur über sehr bescheidene Mittel verfügten, dafür aber, wenn

sie wie ich reagierten und zum ersten Mal aufgeregt mit den Franzosen und ihren komischen

Gepflogenheiten in Berührung kamen, nie vergessen würden, wie das exotische Bidet, unverrückbar

an seinem Platz im tristen Schlafzimmer, zusammen mit der Toilette am anderen Ende des schwach beleuchteten Flurs buchstäblich den Abgrund zwischen der gallischen und der angelsächsischen Kultur definierte.

Im Washington war ich allerdings nur kurz geblieben: Innerhalb weniger Tage hatten mich

neugewonnene junge amerikanische Freunde zum Auszug überredet und mich in einem noch schäbigeren, dafür aber bei weitem pittoreskeren Hotel am Montparnasse in nächster Nähe von Le

Dôme und anderen, einem Literaten angemessenen Lokalen untergebracht. (Ich war Mitte zwanzig, hatte soeben meinen ersten Roman veröffentlicht und war eine Berühmtheit, allerdings eine recht bescheidene, weil nur sehr wenige in Paris lebende Amerikaner von meinem Buch gehört, geschweige denn es gelesen hatten.) Und im Lauf der Jahre verschwand das Hôtel Washington

allmählich aus meinem Bewusstsein.”

   


William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

Continue reading “William Styron, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Sophie van der Stap, Ben Jonson”

William Styron, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Sophie van der Stap, Ben Jonson

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook mijn blogs van 11 juni 2006, van 4 november 2006. en mijn blog van 11 juni 2007 en ook mijn blog van 11 juni 2008 en ook mijn blog van 11 juni 2009.

Uit: The Suicide Run

 

Amid the smelly stretch of riptides and treacherous currents formed by the confluence of the upper East River and Long Island Sound stands a small low-lying island. Surmounted for most of its length by ancient prison buildings, it is an island hardly distinguishable, in its time-exhausted drabness, from those dozen or so other islands occupied by prisons and hospitals which give to the New York waterways such a bleak look of municipal necessity and — for some reason especially at twilight — that air of melancholy and erosion of the spirit. Yet something here compels a second glance. Something makes this island seem even excessively ugly, and a meaner and shabbier eyesore. Perhaps this is because of the island’s situation; for a prison island it just seems to be in too nice a place. It commands a fine wide view of the blue Sound to the east and the white houses on the mainland nearby — houses which, though situated in the Bronx, are so neat and scrubbed and summery-looking as to make New York City seem as remote as Nantucket. One passing by the island might more logically envision a pretty park here, or groves of trees, or a harbor for sailboats, than this squalid acre of prison buildings. Yet perhaps it’s the buildings themselves which make the place look more than ordinarily grim and depressing — so that the cleanly utilitarian, white marble structures on the other of the city’s islands seem, by comparison, almost beguiling sanctuaries. These date back nearly a century, soot-encrusted brick piles of turrets and fake moats and parapets and Victorian towers. With these, and with their crenellated battlements and lofty embrasures and all the sham artifices of fortressed power, the buildings possess a calculated, ridiculous ugliness, as if for someone locked within the walls they must add to the injury of simple confinement the diurnal insulting reminder — in every nook and cranny unavoidable and symbolic — of his incarceration.”

 

 

Styron

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

 

De Britse dichteres en schrijfster Renée Vivien (eig. Pauline Mary Tarn) werd geboren op 11 juni 1877 in Londen. Zie ook mijn blog van 11 juni 2007 en ook mijn blog van 11 juni 2008 en ook mijn blog van 11 juni 2009.

 

 

Ondina

 

Je lach is helder, je streling is diep;
Je koude kussen beminnen het begane kwaad;
Je ogen zijn blauw zoals een lotus op een golf,
en je voorhoofd is zuiverder dan waterlelies.

Je vorm vlucht, je beweging is vloeiend;
Je haren lijken op wuivend riet;
Je stem ruist zoals een verraderlijke vloed;
Je armen zijn buigzaam als riet.

Langs het hoge riet van rivieren, wiens omhelzing
verstrengelt, versmacht, wreedaardig wurgt;
Diep in de golven, dooft een doodsstrijd
in een nachtelijke bezwijming.

 

Vertaald door Lepus

 

 

Chanson

 

In pleated robes, long and flowing

Like all chimeras, gleaming bright

The bloom of spring to me you bring

Within your hands, so fair and light.

 

I dread that thrill, pearly and fresh;

Your fragile breast, I do not touch;

Trembling before your sacred flesh,

I dread your charming mouth as much!

 

To God, I feel my soul allies

When, underneath my proud embrace

The sweet blue bruising of your eyes

Extinguishes, without a trace.

 

But then, so white in my arms’ bonds,

At my love-cry, faint and devout,

You smile and you give no response,

Your closed eyes freezing my soul out…

 

Spectral remorse still makes me dread, –

Which ecstasy cannot suppress, –

That you, somehow, may be wounded

By a spontaneous caress.

 

 

Vertaald door Melanie Davies

 

 

Vivien

Renée Vivien (11 juni 1877 – 10 november 1909)

 

De Franse schrijver Jean-Pierre Chabrol werd geboren op 11 juni 1925 in Chamborigaud. Zie ook mijn blog van 11 juni 2009.

 

Uit: L’arbre de la liberté

 

„Quand j’étais petit, je voyais un homme embrasser un arbre. L’homme avait quatre-vingts ans. L’arbre avait soixante ans. Moi, j’avais cinq ans.

Ce vieillard était l’un de ces artisans autodidactes, féru d’idées nouvelles. Sa religion à lui, c’était la science. Il était bavard, il pouvait, pendant des heures, vous citer aussi bien la Bible que Proudhon.

Il me disait : « Mon petit, quelle chance tu as d’arriver dans un siècle où la science avance à pas de géant. Bientôt, l’homme sera tellement intelligent, tellement bon, qu’il n’y aura plus de guerre, plus d’armée, plus de frontière, plus de nation. Chacun se régalera de vivre à son aise, avec le métier qu’il aura choisi, le métier qui le passion¬nera. Chacun se cultivera, s’épanouira. L’homme sera enfin un ami pour l’homme… »

Les soirs d’été, il se rendait à pas lents vers notre petite mairie pour saluer l’arbre de le Liberté. Cet arbre avait été planté en 1871, à la chute de l’Empire, pour célébrer la République nouvelle. Le vieillard avait alors vingt ans. Il avait fait partie de ces garçons et de ces filles qui avaient dansé des rondes folles autour de l’arbuste qu’ils venaient de planter.

Mais l’arbuste était devenu un arbre magnifique. Le vieux posait sa canne contre le tronc rugueux, de ses bras maigres il enlaçait convulsi¬vement le tronc, il levait les yeux vers le feuillage magnifique, et on entendait qu’il murmurait : « Ah, ma liberta ! » et une grosse larme allait se perdre dans sa barbe blanche.„

 

 

jp-chabrol

Jean-Pierre Chabrol (11 juni 1925 – 1 december 2001)

 

 

De Nederlandse schrijfster Sophie van der Stap werd geboren in Amsterdam op 11 juni 1983. Zie ook mijn blog van 11 juni 2009.

 

Uit: Duurzaamheid (Column)

 

Ook in de keuken doe ik hard mee met het opvreten van het wereldschoon. Eigenlijk maak ik me tussen opstaan en weer
naar bed gaan meerdere keren per dag schuldig aan een overbodig consumeergedrag, en moet ik helaas toegeven dat er met de jaren meer behoeftes dan principes in mijn lijf zijn geslopen. Goed, ik ben geen werkpaard dat zijn geluk binnen de muren van een winstgevend bedrijf zoekt, maar dat komt eerlijk gezegd slechts door een kapitalistisch gelukje waar ik nog steeds de vruchten van pluk. In ieder geval niet omdat ik al begrijp dat het niet hebben van geld misschien wel veel meer vrijheid waarborgt dan het altijd hebben van geld.
Deze test ga ik binnenkort trouwens aan levende lijve ondervinden. Als reizende schrijfster is niet alleen het bed waar ik in wakker word vrij onbepaald, maar tegenwoordig ook mijn bankrekening. Wat wil zeggen dat ik geen idee heb of ik in het voorjaar nog duurzame kippen van 23 euro per stuk kan kopen. (Een Bresse kip gaat hier op de Rue de Bretagne voor 35 euro over de toonbank).”

 

VanderStap

Sophie van der Stap (Amsterdam, 11 juni 1983)

 

 

De Engelse dichter en schrijver  Ben Jonson werd geboren rond 11 juni 1572 in Westminster, Londen. Zie ook mijn blog van 11 juni 2006 en ook mijn blog van 11 juni 2007 en ook mijn blog van 11 juni 2008 en ook mijn blog van 11 juni 2009.

 

 

That Women Are But Men’s Shadows

 

Follow a shadow, it still flies you,

Seem to fly it, it will pursue :

So court a mistress, she denies you ;

Let her alone, she will court you.

Say are not women truly, then,

Styl’d but the shadows of us men ?

 

At morn and even shades are longest ;

At noon they are or short, or none :

So men at weakest, they are strongest,

But grant us perfect, they’re not known.

Say, are not women truly, then,

Styl’d but the shadows of us men ?

 

 

 

To Celia.            

 

Come, my CELIA, let us prove,

While we may, the sports of love ;

Time will not be ours for ever :

He at length our good will sever.

Spend not then his gifts in vain.       

Suns that set, may rise again:

But if once we lose this light,

‘Tis with us perpetual night.

Why should we defer our joys ?

Fame and rumor are but toys.        

Cannot we delude the eyes

Of a few poor household spies ;

Or his easier ears buguile,

So removed by our wile ?

‘Tis no sin love’s fruit to steal,       

But the sweet theft to reveal :

To be taken, to be seen,

These have crimes accounted been.

 

 

BenJonson

Ben Jonson (ca. 11 juni 1572 – 6 augustus 1637)

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

William Styron, Sophie van der Stap, Renée Vivien, Jean-Pierre Chabrol, Ben Jonson, Athol Fugard, Yasunari Kawabata, Jules Vallès, George Wither, Barnabe Googe, Eduard Escoffet

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook mijn blogs van 11 juni 2006, van 4 november 2006. en mijn blog van 11 juni 2007 en ook mijn blog van 11 juni 2008.

Uit: Darkness Visible

 

„I was feeling in my mind a sensation close to, but indescribably different from, actual pain. This leads me to touch again on the elusive nature of such distress. That the word “indescribable” should present itself is no fortuitous, since it has to be emphasized that if the pain were readily describable most of the countless sufferers from this ancient affliction would have been able to confidently depict for their friends and loved ones (even their physicians) some of the actual dimensions of their torment, and perhaps elicit a comprehension that has been generally lacking; such incomprehension has usually been due not to a failure of sympathy but to the basic inability of healthy people to imagine a form of torment so alien to everyday experience. For myself, the pain is most closely connected to drowning or suffocation—but even these images are off the mark. William James, who battled depression for many years, gave up the search for an adequate portrayal, implying it near-impossibility when he wrote in The Varieties of Religious Experience: “It is a positive and active anguish, a sort of psychical neuralgia wholly unknown to normal life.”

The pain persisted during my museum tour and reached crescendo in the next few hours when, back at the hotel, I fell onto the bed and lay gazing at the ceiling, nearly immobilized and in a trance of supreme discomfort. Rational thought was usually absent from my mind at such times, hence trance. I can think of no more apposite word for this state of being, a condition of helpless stupor in which cognition was replaced by that “positive and active anguish.” And one of the most unendurable aspects of such an interlude was the inability to sleep. It had been my custom of a near-lifetime, to settle myself into a soothing nap in the late afternoon, but the disruption of normal sleep patterns is a notoriously devastating feature of depression; to the injurious sleeplessness with which I had been afflicted each night was added the insult of this afternoon insomnia, diminutive by comparison but all the more horrendous because it struck during the hours of the most intense misery.“

 

 

styron

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

De Nederlandse schrijfster Sophie van der Stap werd geboren in Amsterdam op 11 juni 1983.  Het Barlaeus Gymnasium en haar verre reizen brachten haar tot de studiekeuze politicologie, met als afstudeerrichting ontwikkelingssamenwerking. Deze weg werd abrupt onderbroken, toen ze in 2005 te horen kreeg dat ze kanker had. Ze hield al haar ervaringen met betrekking tot haar ziekte en het gevecht ertegen gedurende 54 weken bij in een weblog en een dagboek. Ze debuteerde in 2006 met haar roman “Meisje met negen pruiken”. Bij het verschijnen van de Duitse vertaling van haar debuutroman zond het Duitse televisiekanaal ZDF de uitgebreide reportage Das Mädchen mit den neun Perücken uit over Sophie in haar reeks 37°. In 2007 richtte Sophie samen met Walter Scheffrahn en Jurriaan van Dam de stichting Orange Ribbon International op. De liefdadigheidsinstelling heeft zich ten doel gesteld om wereldwijd alle vormen van kinderkanker te bestrijden. Sophie is de internationale ambassadeur van Orange Ribbon International.

In april 2008 verscheen haar tweede roman “Een blauwe vlinder zegt gedag”. In juni 2009 presenteerde ze in het NKI-AVL het eerste luisterboek van “Meisje met negen pruiken”. Momenteel woont en werkt Sophie het merendeel van haar tijd in Parijs aan haar derde boek en is een verfilming van “Meisje met negen pruiken” in voorbereiding.

 

Uit: Meisje met negen pruiken

‘Tja, Lange Wapper kan een heleboel. Maar het beste is hij in stil zijn. “De stilte bewaren, zegt hij dan, is als het leven vasthouden.” Het leven dat jou en mij verbindt. Jou en mij, jij en ik, Lange Wapper en Sophie. Verbonden zijn we door een beetje vocht dat ons door een dun draadje verbindt. Samen luisteren we graag naar de muziek van dat draadje, de klank van al die luchtbelletjes en pompgeluidjes bij elkaar. Dan genieten wij van de stilte totdat Lange Wapper het gevaar hoort naderen en zijn piep weer laat horen. Want dan komen de zusters weer aansnellen en gaan de lichten weer aan. De stilte laat zijn plaats dan eensklaps veroveren door een schelle stem. De stem van mijn lange vriend, die eveneens eensklaps verandert in een felle strijder die zich met al zijn krachten ontfermt over mij. Maar gelukkig gaan de lichten altijd weer uit en worden we weer alleen gelaten met onze vredige stilte. Slechts onze stilte en een beetje vocht, dat ons met een dun draadje verbindt.’

(…)

 

‘Zoenen, knuffelen en vrijen. Passie en seks. Toch nog maar even langs bij mijn pruikenwonder om wat extra plakkertjes te kopen en zo mijn pruiken wat seksbestendiger te maken. Zonder pruik vrij ik niet, mijn haar ligt altijd op de rand van het bed. Ik vind het nog moeilijk me helemaal te laten gaan bij Rob, uit angst dat hij schrikt voor de bagage die ik mee naar bed neem. Ik leef zo in mijn eigen wereld. Misschien dat ik daarom ook wel zo aan mijn pruiken vasthoud, die kale kop is zo confronterend.’

 

VanDerStap

Sophie van der Stap (Amsterdam, 11 juni 1983)

 

 

De Britse dichteres en schrijfster Renée Vivien (eig. Pauline Mary Tarn) werd geboren op 11 juni 1877 in Londen. Zie ook mijn blog van 11 juni 2007 en ook mijn blog van 11 juni 2008.

 

 

Prolong the Night

 

Prolong the night, Goddess who sets us aflame!

Hold back from us the golden-sandalled dawn!

Already on the sea the first faint gleam

   Of day is coming on.

 

Sleeping under your veils, protect us yet,

Having forgotten the cruelty day may give!

The wine of darkness, wine of the stars let

   Overwhelm us with love!

 

Since no one knows what dawn will come,

Bearing the dismal future with its sorrows

In its hands, we tremble at full day, our dream

   Fears all tomorrows.

 

Oh! keeping our hands on our still-closed eyes,

Let us vainly recall the joys that take flight!

Goddess who delights in the ruin of the rose,

   Prolong the night!

 

 

Vivien

Renée Vivien (11 juni 1877 – 10 november 1909)

 

 

De Franse schrijver Jean-Pierre Chabrol werd geboren op 11 juni 1925 in Chamborigaud. Hij groeide op in het hart van de Cévennes en kreeg zijn opleiding in Alès. In 1944 sloot hij zich aan bij het Franse verzet. Hij werkte als journalist en tekenaar voor l’Humanité. Louis Aragon spoorde hem aan om zijn eerste roman te schrijven, La dernière cartouche. Hij raakte bevriend met mensen als Georges Brassens, Léo Ferré, Jacques Brel, Pierre Mac Orlan, werkte veel mee aan radio –en televisieprogrammá’s en maakte talrijke reizen.

 

Uit: Le crève Cévenne

 

„C’est long de mourir. C’est insupportable, une langueur ! Y aurait de quoi se flinguer un bon coup. Surtout quand il ne s’agit pas que de sa propre mort, quand se mourir soi-même ne suffit plus, quand il faut bien, se mourant, mourir aussi son pays. Crever sa mort dans la mort de sa terre. On ne peut que rester le soir au coin de sa cheminée, quand on en a encore une, à regarder flamber les dernières bougnes des derniers mûriers. Mais il y a pire, mais il est des soirs, des nuits, l’hiver surtout, par des temps à ne pas mettre un assureur dehors, où personne ne passe, où personne ne vient s’accroupir dans l’autre coin, outre-flammes. Alors on se résout à sortir, à chercher un toit, un autre feu, un autre coin, un autre agonisant, un mourant veinard qui voit, lui guilleret, quelqu’un venir mourir avec lui dans la crève du vieux pays.
Les feuilles mortes ont un tel poids qu’elles font crier le sol. À ne plus passer sous les arbres. Les voitures ont de bons freins. La rue-route du village, l’artère unique, est une immensité de frissonnantes grisailles. À cette heure,
en ce lieu, un cri d’enfant paraît déplacé, choquant même, c’est une atteinte aux bonnes mœurs.
Le vieux Socrate est couché, sans connaissance depuis quatre semaines. Son cousin Platon en est à sa troisième attaque, je l’entends gémir derrière les volets de la fenêtre à gauche de ce cadran solaire qui porte en exergue, sous les heures : « Chacune d’entre elles blesse, la dernière tue ».

 

chabrol

Jean-Pierre Chabrol (11 juni 1925 – 1 december 2001)

 

 

De Engelse dichter en schrijver  Ben Jonson werd geboren rond 11 juni 1572 in Westminster, Londen. Zie ook mijn blog van 11 juni 2006 en ook mijn blog van 11 juni 2007 en ook mijn blog van 11 juni 2008.

 

 

The Hour-Glass

 

O but consider this small dust, here running in the glass,

By atoms moved.

Could you believe that this the body was

Of one that loved?

 

And in his mistress’ flame playing like a fly,

Turned to cinders by her eye?

Yes, and in death as life unblest,

To have’t expressed,

Even ashes of lovers find no rest.

 

 

 

On My First Son

 

Farewell, thou child of my right hand, and joy,

My sin was too much hope of thee, loved boy;

Seven years th’ wert lent to me, and I thee pay,

Exacted by thy fate, on the just day.

O, I could lose all father now. For why

Will man lament the state he should envy?

To have so soon ‘scaped world’s and flesh’s rage,

And, if no other misery, yet age?

Rest in soft peace, and, asked, say here doth lie

Ben Jonson his best piece of poetry;

For whose sake, henceforth, all his vows be such

As what he loves may never like too much.

 

 

Ben_Jonson

Ben Jonson (ca. 11 juni 1572 – 6 augustus 1637)

 

 

De Zuidafrikaanse schrijver Harold Athol Lannigan Fugard werd geboren op 11 juni 1932 in Middelburg, Kaapprovincie. Zie ook mijn blog van 11 juni 2007 en ook mijn blog van 11 juni 2008.

 

Uit: On Tsotsi (Interview in The Morning After, 2006)

 

„I wrote Tsotsi at the same time that I was writing the first of my plays to really receive recognition within South Africa, and then ultimately outside of South Africa: The Blood Knot. It went to London where good old Ken Tynan killed it stone dead. It launched my career, really, [it was a] watershed play.

I felt I had arrived, then, at a kind of crossroads. I had to choose disciplines. Of course they’re such very, very different disciplines. To this day, I still don’t think that I really know how to write a novel. I really mean that. I know I took the plunge [at the] deep end with Tsotsi.

I think I just naturally gravitated — by virtue of my chemistry as a man, my metabolism as a writer — towards theatre. And that snuffed out the possibility of being a prose writer, a novelist. I don’t think I could do the two in tandem. I don’t know if you really can… Can you think of any successful novelist who is also a good playwright —

 

 

Fugard

Athol Fugard (Middelburg (ZA), 11 juni 1932)

 

 

De Japanse schrijver Yasunari Kawabata werd geboren op 11 juni 1899 in Osaka. Zie ook mijn blog van 11 juni 2007

 

Uit: First Snow on Fuji (Vertaald door Michael Emmerich)

 

Takako read “This Country, That Country” in the Sankei Daily Times a second and even a third time on the eve of Culture Day, which is to say on November second. The column printed curious and interesting articles about occurrences abroad, more like stories or seeds of stories than hard news.

The previous day’s edition had given rather extensive coverage to an announcement made by England’s Princess Margaret, in which she had said that she would not marry Group Captain Townshend after all. It was only natural that one of the stories in today’s “This Country, That Country” should concern the princess’s love affair:

One often comes across mounds of stones in the Scottish highlands. In the past, these mounds were erected in memory of heroes who fell in battle, but now it’s said that lovers who add stones to these mounds achieve “eternal love.” Four years ago, at a time when Princess Margaret and Group Captain Townshend were both staying in Balmoral, they placed a stone on a mound located in the middle of an overgrown field some three miles outside of town, swore their love for one another, and by this act leapt instantly into fame. The princess’s love affair has now ended.

There was a picture of the mound at the end of the article. Its size could be estimated from the size of the people who stood around it—the pile itself was almost as tall as a man, and the individual stones that formed it were a good deallarger than a person’s head. A few stones were as wide across as a person’s shoulders.

Of course it was impossible to tell which of the stones the princess and the group captain had placed on the pile, but none looked as though the princess could have lifted it alone. She and Group Captain Townshend must have lifted the stone together, and even so it must have been heavy.“

 

Kawabata

Yasunari Kawabata (11 juni 1899 — 16 april 1972)

 

De Franse schrijver Jules Vallès werd geboren op 11 juni 1832 in Puy-en-Velay, Haute-Loire. Vallès was een van de kopmannen van de Parijse Commune van 1871. Na de bloedige week wist hij te ontsnappen naar Engeland en kon pas in 1880 terugkeren. Als schrijver was hij vergeten totdat hij in Frankrijk zo’n 20 jaar geleden werd (her)ontdekt. Hij wordt nu als een van de grootste schrijvers uit de 19e eeuw gezien.  In zijn boeken beschrijft hij het leven in Frankrijk en Parijs voor en tijdens de Commune van Parijs. Hij was een strijdmakker van o.a. Paul Lafargue, de schoonzoon van Karl Marx en van Eugène Pottier, de dichter van de Internationale. Hij werkte onder andere mee aan de dagbladen ‘La Révolution française’ en ‘Cri du Peuple’, het eerste grote revolutionaire dagblad na de Commune.

 

Uit: L’Enfant

 

“Ai-je été nourri par ma mère?Est-ce une paysanne qui m’a donné son lait?Je n’en sais rien.Quel que soit le sein que j’ai mordu, je ne me rappelle pas une caresse du temps où j’étais tout petit; je n’ai pas été dorloté, tapoté, baisotté; j’ais été beaucoup fouetté.

  Ma mère dit qu’il ne faut pas gâter les enfants, et elle me fouette tous les matins; quand elle n’a pas le temps le matin, c’est pour midi, rarement plus tard que quatre heures.

  Mlle Balandreau m’y met au suif.

  C’est  une bonne vieille fille de cinquante ans. Elle demeure au-dessous de nous. D’abord elle était contante: comme elle n’a pas d’horloge, ça lui donnait l’heure.

“Vlin! Vlan! Zon! Zon!-voilà le petit Chose qu’on fouette; il est temps de faire mon café au lait.”

  Mais un jour que j’avais levé mon pan, parce que ça me cuisait trop,et que je prenais l’air entre deux portes, elle m’a vu; mon derrière lui a fait pitié.

  Elle voulait d’abord le monter a tout le monde, ameuter les voisins autour; mais elle a pensé que ce n’était pas le moyen de le sauver, et elle a inventé autre chose.

  Lorsqu’elle entend ma mère me dire: “Jacques, je vais te fouetter!

-Madame Vingtras, ne vous donnait pas la peine, je vais faire ça pour vous.

-Oh! chère demoiselle, vous êtes trop bonne!”

 

Jules_Vallès

Jules Vallès (11 juni 1832 – 14 februari 1885)

Portret door Gustave Courbet

 

 

 

 

De Engelse dichter en satiricus George Wither werd geboren op 11 juni 1588 in Bentworth. Zie ook mijn blog van 11 juni 2007

 

 

Veil, lord, mine eyes till she be past

  

Veil, Lord, mine eyes till she be past,

When Folly tempts my sight;

Keep Thou my palate and my taste

From gluttonous delight.

Stop Thou mine ear from sirens’ songs,

My tongue from lies restrain;

Withhold my hands from doing wrongs,

My feet from courses vain.

 

Teach, likewise, ev’ry other sense

To act an honest part,

But chiefly settle innocence

And pureness in my heart;

So naught without me or within,

Shall work an ill effect,

By tempting me to act a sin,

Or virtues to neglect.

 

Whither

George Wither (11 juni 1588 – 2 mei 1667)

 

 

De Engelse dichter en vertaler Barnabe Googe werd geboren op 11 juni 1540 in Londen of Kent. Hij studeerde aan het Christ’s College, Cambridge. Hij verhuisde daarna naar Staple’s Inn, waar ook zijn neef William Lovelace verbleef. Hij begon te dichten en ontmoette ook andere dichters en schrijvers als Jasper Heywood en George Turberville. Ook had hij nauwe contacten met het hof van koningin Elisabeth. Hij begeleidde Sir Thomas Challoner op een diplomatie missie naar Spanje.

 

 

Of Money

 

Give money me, take friendship whoso list,

For friends are gone, come once adversity,

When money yet remaineth safe in chest,

That quickly can thee bring from misery;

Fair face show friends when riches do abound;

Come time of proof, farewell, they must away;

Believe me well, they are not to be found

If God but send thee once a lowering day.

Gold never starts aside, but in distress,

Finds ways enough to ease thine heavin.

 

Googe_Londen

Barnabe Googe (11 juni 1540 – 1594)

Een bewaard gebleven 16e eeuws steegje in Londen, West End.

Ook de ramen links zijn 16e eeuws. (Geen portret beschikbaar)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Catalaanse dichter, schrijver en vertaler Eduard Escoffet werd geboren in Barcelona in 1979. Het zwaartepunt ligt bij zijn gedichten op klankpoëzie en performance, Ook vertaalde hij werk van Goethe, Quasimodo en M. Lenz. Ook was hij initiatiefnemer tot het festival voor experimentele literatuur PROPOSTA. Zijn eigen werk verschijnt wel in allerlei tijdschriften en bloemlezingen, maar uit ecologische overwegingen heeft hij nog geen eigen bundel uitgegeven.

 

 

sie haben alle schulen geschlossen

 

sie haben alle schulen geschlossen. es wird dort nicht mehr lesen gelernt. es wird dort nicht mehr schreiben gelernt. wir haben alle wörter geschlossen. da die körper nicht mehr so lange halten, wie sie sollten – so wie die nacht und das blinde feuer der minnenden –, ist es besser, die wörter beiseite zu lassen. heute sorgen sich die mütter nicht mehr um die kinder und die schule und die stunden. heute kümmern sich die mütter, weit entfernt von der väterwärme, nur noch um die uniformen. und die söhne werkeln oder verformen ihre körper. sie haben alle kleidungsstücke verfleckt. trotzdem: sie können nicht mehr schreiben, und lesen können sie auch nicht mehr. und die nacht, schwach und kurz, nimmt zwei körper auf, die sich verformen. wie die wörter, aber ohne wörter.

 

 

Vertaald door Àxel Sanjosé

 

 

escoffet

Eduard Escoffet (Barcelona, 1979)

William Styron, Renée Vivien, Athol Fugard, Ben Jonson, Yasunari Kawabata, George Wither

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. Zie ook mijn blogs van 11 juni 2006, van 4 november 2006. en mijn blog van 11 juni 2007.

 

Uit: The Paris Review, interview (1954)

 

 

INTERVIEWER

 

Does your emotional state have any bearing on your work?

 

STYRON

 

I guess like everybody I’m emotionally fouled up most of the

time, but I find I do better when I’m relatively placid. It’s hard to

say, though. If writers had to wait until their precious psyches were

completely serene there wouldn’t be much writing done.

Actually—though I don’t take advantage of the fact as much as

I should—I find that I’m simply the happiest, the placidest, when

I’m writing, and so I suppose that that, for me, is the final answer.

When I’m writing I find it’s the only time that I feel completely

self-possessed, even when the writing itself is not going too well.

It’s fine therapy for people who are perpetually scared of nameless

threats as I am most of the time—for jittery people. Besides, I’ve

discovered that when I’m not writing I’m prone to developing

certain nervous tics, and hypochondria. Writing alleviates those

quite a bit. I think I resist change more than most people. I dislike

traveling, like to stay settled. When I first came to Paris all I could

think about was going home, home to the old James River. One of

these days I expect to inherit a peanut farm. Go back home and

farm them old peanuts and be real old Southern whiskey gentry.

 

INTERVIEWER

 

Your novel was linked to the Southern school of fiction.

Do you think the critics were justified in doing this?

 

STYRON

 

No, frankly, I don’t consider myself in the Southern school,

whatever that is. Lie Down in Darkness, or most of it, was set in

the South, but I don’t care if I never write about the South again,

really. Only certain things in the book are particularly Southern.

I used leitmotifs—the negroes, for example—that run throughout

the book, but I would like to believe that my people would have

behaved the way they did anywhere. The girl, Peyton, for instance,

didn’t have to come from Virginia. She would have wound up

jumping from a window no matter where she came from. Critics

are always linking writers to “schools.” If they couldn’t link

people to schools, they’d die. When what they condescendingly

call “a genuinely fresh talent” arrives on the scene, the critics

rarely try to point out what makes him fresh or genuine but

concentrate instead on how he behaves in accordance with their

preconceived notion of what school he belongs to.

 

 

Styron

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

Foto uit 1952

 

 

 

De Britse dichteres en schrijfster Renée Vivien (eig. Pauline Mary Tarn) werd geboren op 11 juni 1877 in Londen. Zie ook mijn blog van 11 juni 2007

 

Roses Rising

 

My brunette with the golden eyes, your ivory body, your amber
Has left bright reflections in the room
Above the garden.

The clear midnight sky, under my closed lids,
Still shines….I am drunk from so many roses
Redder than wine.

Leaving their
garden, the roses have followed me….
I drink their brief breath, I breathe their life.
All of them are here.

It’s a miracle….The stars have risen,
Hastily, across the wide windows
Where the melted gold pours.

Now, among the roses and the stars,
You, here in my room, loosening your robe,
And your nakedness glistens

Your unspeakable gaze rests on my eyes….
Without stars and without flowers, I dream the impossible
In the cold night.

 

Undine

 

Your laughter is light, your caress deep,
Your cold kisses love the harm they do;
Your eyes-blue lotus waves
And the water lilies are less pure than your face..

You flee, a fluid parting,
Your hair falls in gentle tangles;
Your voice-a treacherous tide;
Your arms-supple reeds.

Long river reeds, their embrace
Enlaces, chokes, strangles savagely,
Deep in the waves, an agony
Extinguished in a night drift.

 

 

 

Vertaald door Margaret Porter and Catherine Kroger

 

 

VivienDoorRodin

Renée Vivien (11 juni 1877 – 10 november 1909)

Beeld door Auguste Rodin

 

 

 

De Zuidafrikaanse schrijver Harold Athol Lannigan Fugard werd geboren op 11 juni 1932 in Middelburg, Kaapprovincie. Zie ook mijn blog van 11 juni 2007.

 

Uit: Encounters with Fugard: native of the Karoo (artikel in ‘Twentieth Century Literature’ door Mary Benson)

 

His sense of rootedness became a recurring theme. “I know that I have mastered the code of one time, one place,” he confided in another letter. “My life’s work is possibly to witness as truthfully as I can the nameless and destitute of this one little corner of the world.” And so he wrote about Johnnie and Hester Smit living in a back street of Port Elizabeth and in the first production of Hello and Goodbye, directed by Barney Simon at the Library Theatre in Johannesburg, gave a poignant and wonderfully comic performance as Johnnie. Next he created Boesman and Lena, the “coloured” couple scratching for bait in the mudflats, and embraced them “so fiercely and lovingly,” as Stanley Kauffmann wrote in The New Republic, “that in their rags and drunkenness and cunning and persistence they move through a small epic of contemporary man” .

Deprived of his passport for four years by the South African government, Fugard was not free until 1971 to journey to London for a production of Boesman and Lena. He arrived exhausted after touring the play in South Africa. Paul Klee’s Pedagogical Sketchbook stimulated him with its theme of the flight of an arrow and the question, “How do I expand my reach?” (Klee 54). Here is restriction, thither is there and liberation, Klee was saying. The consolation, then, is to go a bit farther than customary. “Yes!” Athol exclaimed, when I gave him Klee’s book and he glanced through it, “I must extend my reach with this new production!”

 

fugard

Athol Fugard (Middelburg (ZA), 11 juni 1932)

 

 

De Engelse dichter en schrijver  Ben Jonson werd geboren rond 11 juni 1572 in Westminster, Londen. Zie ook mijn blog van 11 juni 2006 en ook mijn blog van 11 juni 2007

 

 

To John Donne

 

DONNE, the delight of Phoebus, and each Muse,

Who, to thy one, all other braines refuse ;

Whose every work, of thy most early wit,

Came forth example, and remaines so, yet ;

Longer a knowing, than most wits do live ;

And which no affection praise enough can give !

To it, thy language, letters, arts, best life,

Which might with halfe mankinde maintaine a strife ;

All which I meant to praise, and, yet, I would ;

But leave, because I cannot as I should !

 

 

 

WHY I WRITE NOT OF LOVE

 

SOME act of LOVE’S bound to rehearse,

I thought to bind him in my verse :

Which when he felt, Away, quoth he,

Can poets hope to fetter me ?

It is enough, they once did get

Mars and my mother, in their net :

I wear not these my wings in vain.

With which he fled me ; and again,

Into my rhymes could ne’er be got

By any art : then wonder not, 

That since, my numbers are so cold,

When Love is fled, and I grow cold.

 

 

 

OF LIFE AND DEATH

 

The ports of death are sins ; of life, good deeds ;

Through which our merit leads us to our meeds.

How wilful blind is he, then, that would stray,

And hath it, in his powers, to make his way !

This world death’s region is, the other life’s ;

And here, it should be one of our first strifes,

So to front death, as men might judge us past it :

For good men but see death, the wicked taste it.

 

 

Jonson_L

Ben Jonson (ca. 11 juni 1572 – 6 augustus 1637)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 11 juni 2007

 

De Japanse schrijver Yasunari Kawabata werd geboren op 11 juni 1899 in Osaka.

De Engelse dichter en satiricus George Wither werd geboren op 11 juni 1588 in Bentworth.

William Styron, Renée Vivien, Yasunari Kawabata, Athol Fugard, Ben Jonson, George Wither

De Amerikaanse schrijver William Styron werd op 11 juni 1925 in Newport News in de staat Virginia geboren. In 1979 publiceerde hij de roman Sophie’s Choice waarvoor hij de National Book Award kreeg. In 1998 werd de roman opgenomen in de lijst van de 100 beste Engelstalige boeken van de 20ste eeuw opgesteld door de American Modern Library. Zie ook mijn blogs van 11 juni 2006 en van 4 november 2006.

Uit: Sophie’s Choice

 

“In those days cheap apartments were almost impossible to find in Manhattan, so I had to move to Brooklyn. This was in 1947, and one of the pleasant features of that summer which I so vividly remember was the weather, which was sunny and mild, flower-fragrant, almost as if the days had been arrested in a seemingly perpetual springtime. I was grateful for that if for nothing else, since my youth, I felt, was at its lowest ebb. At twenty-two, struggling to become some kind of writer, I found that the creative heat which at eighteen had nearly consumed me with its gorgeous, relentless flame had flickered out to a dim pilot light registering little more than a token glow in my breast, or wherever my hungriest aspirations once resided. It was not that I no longer wanted to write, I still yearned passionately to produce the novel which had been for so long captive in my brain. It was only that, having written down the first few fine paragraphs, I could not produce any others, or–to approximate Gertrude Stein’s remark about a lesser writer of the Lost Generation–I had the syrup but it wouldn’t pour. To make matters worse, I was out of a job and had very little money and was self-exiled to Flatbush–like others of my countrymen, another lean and lonesome young Southerner wandering amid the Kingdom of the Jews.

Call me Stingo, which was the nickname I was known by in those days, if I was called anything at all. The name derives from my prep-school days down in my native state of Virginia. This school was a pleasant institution to which I was sent at fourteen by my distraught father, who found me difficult to handle after my mother died. Among my other disheveled qualities was apparently an inattention to personal hygiene, hence I soon became known as Stinky. But the years passed. The abrasive labor of time, together with a radical change of habits (I was in fact shamed into becoming almost obsessively clean), gradually wore down the harsh syllabic brusqueness of the name, slurring off into the more attractive, or less unattractive, certainly sportier Stingo.”

 

 

Styron

William Styron (11 juni 1925 – 1 november 2006)

 

De Britse dichteres en schrijfster Renée Vivien (eig. Pauline Mary Tarn) werd geboren op 11 juni 1877 in Londen. Zij was de dochter van een Schotse vader en een Amerikaanse moeder. Na haar schooltijd die zij in New York, Parijs en Londen doorbracht, vestigde zij zich als schrijfster in Parijs. Schrijven deed zij in het Frans. Vivien was bekend vanwege haar excentrieke manier van kleden en voor haar openlijk beleden lesbische geaardheid. Zij had jarenlang een relatie met Natalie Clifford Barney, de spil van een literaire salon. Vivien was zeer gecultiveerd en maakte talrijke reizen. Een deel van haar werk verscheen onder het pseudoniem Paule Riversdale.

 

Roses du soir

Des roses sur la mer, des roses dans le soir,
Et toi qui viens de loin, les mains lourdes de roses !
J’aspire ta beauté. Le couchant fait pleuvoir
Ses fines cendres d’or et ses poussières roses…

Des roses sur la mer, des roses dans le soir.

Un songe évocateur tient mes paupières closes.
J’attends, ne sachant trop ce que j’attends en vain,
Devant la mer pareille aux boucliers d’airain,
Et te voici venue en m’apportant des roses…

Ô roses dans le ciel et le soir ! Ô mes roses !

 

 

Ta royale jeunesse a la mélancolie

Ta royale jeunesse a la mélancolie
Du Nord où le brouillard efface les couleurs,
Tu mêles la discorde et le désir aux pleurs,
Grave comme Hamlet, pâle comme Ophéli

Tu passes, dans l’éclair d’une belle folie,
Comme elle, prodiguant les chansons et les fleurs,
Comme lui, sous l’orgueil dérobant tes douleurs,
Sans que la fixité de ton regard oublie.

Souris, amante blonde, ou rêve, sombre amant,
Ton être double attire, ainsi qu’un double aimant,
Et ta chair brûle avec l’ardeur froide d’un cierge.

Mon coeur déconcerté se trouble quand je vois
Ton front pensif de prince et tes yeux bleus de vierge,
Tantôt l’Un, tantôt l’Autre, et les Deux à la fois.

 

Vivien

Renée Vivien (11 juni 1877 – 10 november 1909)

 

De Japanse schrijver Yasunari Kawabata werd geboren op 11 juni 1899 in Osaka. Hij won in 1968 als eerste Japanner (en tweede Aziaat) de Nobelprijs voor de Literatuur won.Het werk dat hijzelf het beste vond is in de jaren 70 in het Nederlands vertaald onder de titel De meester van het go-spel en heet in het Engels The master of Go. Het gaat over een match tussen de twee beste Go-spelers ter wereld, de ene een oude vos, de andere een onconventioneel aanstormend jong talent. De match heeft echt plaatsgevonden in 1938 tussen de oude Honinbo Shusai en Minoru Kitani. Kawabata maakte in 1972 een einde aan zijn leven.

 

Uit: Tausend Kraniche

 

“Kikuji war in den Garten des Enkakuji-Tempel in Kamakura eingetreten, aber er wusste immer noch nicht recht, ob er an dieser Teezeremonie teilnehmen sollte. Sie musste längst begonnen haben.

Chikako Kurmoto, die Teezeremonienlehrerin seines verstorbenen Vaters, pflegte Kikuji jedesmal einzuladen, wenn sie mit ihren Schülern und Schülerinnen eine Teezeremonie in einem Pavillon des Tempels beging. In den Jahren nach dem Tod seines Vaters hatte Kikuji diese Einladungen nur noch als Gesten der Höflichkeit betrachtet und war ihnen nie mehr gefolgt.

Unter die jüngste Einladung hatte Chikako jedoch geschrieben, dass sie ihn bäte, dieses Mal zu kommen, da sie ihn mit einer ihrer Schülerinnen bekannt machen möchte.

Als Kikuji die Einladung las, war eine merkwürdige Erinnerung in ihm aufgestiegen: er musste an Chikakos Muttermal denken.”

 

KAWABATA

Yasunari Kawabata (11 juni 1899 — 16 april 1972)

 

De Zuidafrikaanse schrijver Harold Athol Lannigan Fugard werd geboren op 11 juni 1932 in Middelburg, Kaapprovincie. Hij studeerde in Kaapstad en was daarna enige tijd werkzaam als zeeman, klerk bij een gerechtshof en journalist voordat hij zich in 1957 definitief aan het theater ging wijden. Zijn stukken werden opgevoerd in onder andere Engeland, de Verenigde Staten, Zuid-Afrika en Nederland. Fugard debuteerde als toneelschrijver in 1958 met het stuk No Good Friday. Hierin speelden zwarte acteurs mee, wat een gewaagde onderneming was op het hoogtepunt van de Apartheid. Mongogo verscheen een jaar later en in 1963 The Blood Knot. Deze vormde samen met Hello and Goodbye (1966) en Boesman en Lena (1969), een familie-trilogie. Enkele andere werken van Fugard zijn The island (1973) over het leven van gevangenen op Robbeneiland, de roman Tsotsi (1980) over het leven in Sophiatown in de jaren vijftig. In 2005 werd naar deze roman de film Tsotsi gemaakt, onder de regie van Gavin Hood. De film won in 2005 een Oscar voor Beste Niet-Engelstalige Film.

 

Uit: Tsotsi

 

“His Sunday night now, come in a warm cloud of smoke and darkness in the streets and moths raging in soft storms around the lamp; come under a velveted spread of smudged stars and a promise of the moon in the east where a white radiance is already leaping off the rooftops of houses that way; come at last after the hazy end to a day that loitered its way lazily through sunshine and prepares now for sleep with the widest yawn and longest stretch of the week. And wherever the people are gathered togethter in drowsy knots, in rooms, around fires in backyards, on street corners or drinking in the shebeens, words are thrown out dispiritedly like a dice game without a stake. The prospect of sleep and the passing of time recur like lucky numbers, but no one gets excited because no one stands to win.”

 

fugard

Athol Fugard (Middelburg (ZA), 11 juni 1932)

 

De Engelse dichter Ben Jonson werd geboren rond 11 juni 1572 in Westminster, Londen. Zie ook mijn blog van 11 juni 2006.

 

HOW HE SAW HER

I beheld her, on a day,
When her look outflourished May,
And her dressing did outbrave
All the pride the fields then have.
Far I was from being stupid,
For I ran and called on Cupid,
‘Love, if thou wilt ever see
Mark of glory, come with me.
Where’s thy quiver? Bend thy bow.
Here’s a shaft; thou art too slow!’
And withal I did untie
Every cloud about his eye.
But he had not gained his sight
Sooner, than he lost his might
Or his courage; for away
Straight he ran, and durst not stay,
Letting bow and arrow fall;
Nor for any threat or call,
Could be brought once back to look.
I, foolhardy, there uptook
Both the arrow he had quit
And the bow, which thought to hit
This my object. But she threw
Such a lightning, as I drew,
At my face, that took my sight
And my motion from me quite;
So that there I stood a stone,
Mocked of all, and called of one–
Which with grief and wrath I heard–
Cupid’s statue with a beard,
Or else one that played his ape
In a Hercules’s shape.

 

Jonson

Ben Jonson (ca. 11 juni 1572 – 6 augustus 1637)

 

De Engelse dichter en satiricus George Wither werd geboren op 11 juni 1588 in Bentworth. Zijn opleiding kreeg hij aan Magdalen College in Oxford. Twee maal zat hij vast voor zijn satirische werk. Voor Abuses, Stript and Whipt (1613), en later in Newgate voorWither’s Motto (1621). Zijn belangrijkste werken waren Fidelia (1617), Fair Virtue (1622), and Juvenilia (1622). Hij publiceerde ook een A Collection of Emblemes (1634/35).

 

The Marigold

When with a serious musing I behold
The grateful and obsequious marigold,
How duly, ev’ry morning, she displays
Her open breast, when Titan spreads his rays;
How she observes him in his daily walk,
Still bending towards him her tender stalk;
How, when he down declines, she droops and mourns,
Bedew’d, as ‘twere, with tears, till he returns;
And how she veils her flow’rs when he is gone,
As if she scorned to be looked on
By an inferior eye, or did contemn
To wait upon a meaner light than him;
When this I meditate, methinks the flowers
Have spirits far more generous than ours,
And give us fair examples to despise
The servile fawnings and idolatries
Wherewith we court these earthly things below,
Which merit not the service we bestow.

But, O my God! though groveling I appear
Upon the ground (and have a rooting here
Which hales me downward) yet in my desire
To that which is above me I aspire;
And all my best affections I profess
To Him that is the sun of righteousness.
Oh, keep the morning of His incarnation,
The burning noontide of His bitter passion,
The night of His descending, and the height
Of His ascension ever in my sight,
That imitating Him in what I may,
I never follow an inferior way.

 

Whither

George Wither (11 juni 1588 – 2 mei 1667)

Uit: A Collection of Emblemes (geen portret beschikbaar)