Remco Campert, Claudia Gabler

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Verzet begint niet met grote woorden

Verzet begint niet met grote woorden
maar met kleine daden

zoals storm met zacht geritsel in de tuin
of de kat die de kolder in zijn kop krijgt

zoals brede rivieren
met een kleine bron
verscholen in het woud

zoals een vuurzee
met dezelfde lucifer
die een sigaret aansteekt

zoals liefde met een blik
een aanraking iets wat je opvalt in een stem

jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen.

 

Ja rozen

Dit zijn rozen voor je
en alle poëzie.
Dit is mijn mooiste pose:
die van liefde’s acrobaat,
zwevend schijnbaar moeiteloos,
maar met krampende tenen
boven een bed
van rozen en doornen.

Ik zal je nu beschrijven:
kijk, ik teken rozen op je huid
en jij doornen op de mijne.

Goed,
ik ben een acrobaat.
Is er een mooiere pose?

Pose van gevaar,
balancerend tussen begeerte en verweer:
ik stijg, ik val en onderwijl:

ik teken rozen
rozen
rozen

en dit zijn rozen.

 

Naar buiten

Naar buiten met die woorden!
Alsof ze vertaald zijn, misschien
niet zo best maar wie weet dat,
zó moeten ze klinken….

De straat op met je waar!
Wind staat om de monden en oren!
veel gaat verloren, flarden
zijn verstaanbaar, afzonderlijk-

heden nu treden naar voren
Olie op het asfalt, hier
stond een auto, smeulende peuk
op het trottoir daar

gaat een man

 

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

 

Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen

Onze eigen tuinen hadden ons afgewezen,
zelfs de bloemen, tot op dit moment onze vrienden, waren er nu vandoor gegaan.
Derhalve kozen wij voor andere steden,
alleen hun geluidskwaliteiten waren daarvoor doorslaggevend.

De nieuwe baden stilden snel onze dorst naar douchewater,
maar de groene grens beschermde niet tegen insecten.
Ook niet tegen wilde dieren.
De buren waren echte gevoelsterroristen.

Wij zelf klaagden over berengeluiden
en werden en passant zelf onze ergste vijanden.
Ons voortijdige gezoem lag nu over de nieuwe tuinen als een provinciale symfonie.
Weer was het echter het water dat redding bood.

Thermale bronnen en de levenslust als van zowat een tsaar die erin gevierd werd
verhinderde vuurwapengebruik. We waren ineens heel vrolijk.
Ook al waren we omsloten door bontwaren en wisten we duidelijk:
Hier blaft een Siberische hond.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2019 en ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Chaim Nahman Bialik, Remco Campert, Herman Stevens, Stephan Sanders, Claudia Gabler, Sarah Schulman, Dolce far niente

Dolce far niente

 

A Quiet Summer Day door Richard Powell, 2010


On A Summer’s Day

When high noon on a summer’s day
makes the sky a fiery furnace
and the heart seeks a quiet corner for dreams,
then come to me, my weary friend.

A shady carob grows in my garden –
green, remote from the city’s crowds –
whose foliage whispers secrets of God.
Good my brother, let’s take refuge.

Pleasure and tenderness let us share
in the sweet hidden prime of noon,
and the mystery golden rays reveal
when sunlight pierces the rich shade.

When the black cold of a winter’s night
bruises you with its icy pinch
and frost sticks knives in your shivering flesh,
then come to me, blessed of God.

My dwelling is modest, lacking splendour,
but warm and bright and open to strangers.
A fire’s in the grate, on the table a candle –
my lost brother, stay and get warm.

When we hear a cry in the howling storm
we will think of the destitute starving outside.
We will weep for them – honest pitiful tears.
Good friend, my brother, let us embrace.

But when autumn approaches with rain and cloud
and the roof leaks and there’s moth in the heart
and the desolate world sinks, sullen, in mire,
then merciful brother, leave me alone.

I would be alone in the barren time
when the heart withers in slow decay.
Unseen. Unknown. No stranger understands.
Let me grieve alone in my silent pain.

Chaim Nahman Bialik (9 januari 1873 – 4 juli 1934)
Kerk St. Michael in Zhytomyr, de geboorteplaats van Chaim Nahman Bialik


90 Jaar Remco Campert

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Remco Campert  viert vandaag zijn 90e verjaardag. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Uit: Het leven is vurrukkulluk

`Ik weet het niet,’ zei een meisje tegen een wildvreemde man. ‘Maar al die feesten. Dit is nu al het zesde deze zomer — ik word er zo moe van. Weet je hoe het komt dat er zoveel feesten zijn dit jaar?’ `Nee.’ `Omdat niemand met vakantie is gegaan. Het raakt uit de mode om met vakantie te gaan. Iedereen is overal al geweest. Het komt nu in de mode om thuis te blijven. Maar ja, al die feesten. Je rust er niet echt van uit. Begrijp je wat ik bedoel?’

Dat kun je niet maken bij die chick, jongen.’ ‘O nee?’ `Nee jongen, dat kan ik misschien maken, maar dat kun jij niet maken.’ `0 nee?’ `Nee, jongen, die chick is toevallig een hele jofele chick. En daarom kan een square als jij dat niet maken.’ ‘O nee?’

……………..

Ernst-Jan zat in de voorkamer te slapen. Etta pakte een vol glas cola van tafel en gooide het in zijn gezicht. `Heb ik een minnaar? Heb ik een minnaar?!’ Ernst-Jan stond moeizaam op en gaf haar een harde zet. Ze viel op de grond. Ze bleef even liggen, werd toen door een van de gasten overeind geholpen, terwijl een ander Ernst-Jan in bedwang hield. Die mensen houden van elkaar, dat zie je zo.’ Etta begon te huilen. Ze rukte zich los, pakte de tafel bij de poten en wierp hem om. Daarna pakte ze een grote vaas, die in een hoek op de vloer stond, en gooide die tegen de muur in scherven.

`Als jij kunst zo’n onzin vindt, dan vraag ik me af waarom je in godsnaam schildert.’ ‘Ik schilder niet in godsnaam.’ `Kunst is het mooiste dat er is, als je dat maar weet, en als jij kunst zo’n onzin vindt, dan kun je beter ophouden met schilderen.’ `Kunst is onzin.’

`Mees! Die meid van Zoon. Ze slaat de hele rotzooi kort en klein. Je moet er iets aan doen. Ze is gevaarlijk!’ ‘Ze heeft toch een man. Laat die er iets aan doen.’ Die is zo dronken dat hij geen stap kan doen. Hij staat er gewoon bij te kijken. Hij merkt het niet eens, geloof ik.’ `Laat mij maar,’ zei Boelie. ‘Ik ga er wel naar toe.’

`Je zou kunnen zeggen dat de stichting de belangen behartigt.’ Welke belangen?’ ‘De belangen van de stichting.’

`Kom maar,’ zei Boelie tegen Etta en hij nam haar mee de kamer uit. Ernst-Jan zakte in zijn stoel terug en viel weer in slaap. Iemand haalde een bezem uit de keuken om de scherven bij elkaar te vegen. ‘Ik kan niet zo goed lopen,’ zei Etta. `Jawel, het gaat best,’ zei Boelie. ‘Twee trappen maar, dan zijn we er. Ik help je wel.’

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

De Nederlandse schrijver, literair criticus en columnist Herman Stevens werd geboren in Rotterdam op 28 juli 1955. Zie ook alle tags voor Herman Stevens op dit blog.

Uit: Vestdijk in de jungle

“In mijn studietijd las ik alle romans van Vestdijk, die in die tijd voor het opscheppen lagen bij De Slegte. Elke zomer gaf ik mezelf een vakantiebaantje door voor duizend gulden een lang essay te schrijven voor tijdschriften als De Revisor of Maatstaf, vier keer over romans van Vestdijk. Een uitgever schreef of ik er een boek van wilde maken, maar toen was ik al aan mijn eerste roman begonnen. Wat ik toen aan Vestdijk aflas, was dat een schrijver soms een minder boek schreef om daarna een beter boek te schrijven. Zo werkt dat.
Vestdijks Remington
Maar wat vooral indruk op mij had gemaakt lag al veel eerder, in mijn middelbare schooltijd. Een leraar Nederlands had laten zien hoe Vestdijks manuscripten eruitzagen, met eindeloze aanvullingen en verbeteringen die in ballonnetjes aan de tekst ontsnapten. Ik zag een foto van de schrijver achter zijn tank van een Remington. Hij had er een legerhelm bij kunnen opzetten. Vestdijk was een commando in de jungle. Toen ik van school af was en op een etage in een afbraakbuurt ging wonen, kocht ik bij een legerdumpzaak ook zo’n tank.
Het is nu al twintig, vijfentwintig jaar bon ton om te zeggen dat niemand nog Vestdijk leest. Pieter Steinz begon daarmee, in een tijd dat er zo’n vijf à tien Vestdijkromans waren die door scholieren en volwassen werden gelezen. We zouden dat nu fake news noemen. Ina Damman, De koperen tuin, De kellner en de levenden, Ierse nachten, Pastorale 1943, zijn allemaal nu ook nog volop verkrijgbaar. Bijna vijftig jaar na de dood van de auteur in kwestie, in het land van Zand Erover, is dat een fenomenale prestatie. Als dat ‘niet meer gelezen’ is zou elke schrijver daar voor passen.
Nobelprijs
Duivelskunstenaar. Kluizenaar van Doorn. Dat waren de mythen waarachter Vestdijk zich graag verschool. Schrijvers lieten zich toen nog niet voor elk nieuw boek interviewen. Dat was ook onbegonnen werk geweest, want Vestdijk publiceerde elk jaar (gemiddeld) twee à drie boeken. Hij was niet alleen onze Nobelprijs-kandidaat, maar ook de ultieme broodschrijver, en ik bedoel dat in positieve zin.”

Herman Stevens (Rotterdam, 28 juli 1955)
Simon Vestdijk achter zijn Remington


De Nederlandse schrijver, columnist, presentator en essayist Stephan Sanders werd geboren in Haarlem op 28 juli 1961. Zie ook alle tags voor Stephan Sanders op dit blog.

Uit: Iets meer dan een seizoen

“Het was Anil opgevallen dat ik ‘open en bewogen’ over etnische verhoudingen schreef, hij was een trouw lezer van mijn artikelen en die konden zijn goedkeuring wegdragen.
Tot tweemaal toe legde ik die brandbrieven op een stapel, want ik houd er niet van zo alarmerend toegesproken te worden, en bovendien kleefde mij ook toen al de zonde van de gemakzucht aan – de hoofdzonde der acedia. Die ontmoeting zou nooit hebben plaatsgevonden, als Anil mij niet op de redactie van De Groene had gebeld: eerst overviel hij mij met een onbetamelijke hoeveelheid lof, daarna trok hij de kaart van het gerichte schuldgevoel – ‘zijn beide zendingen niet aangekomen, ik kan me dat haast niet voorstellen’ –, zodat ik al snel begon te stotteren en subiet een afspraak maakte.
Ik kende het auteursportretje van achter op het boek. Een jonge, Surinaamse man. Geen neger – veel beter was ik toen niet ingevoerd in de Surinaamse verhoudingen. Ik zou hem dus gemakkelijk kunnen herkennen in dat café aan de Keizersgracht, toen hip en postmodern – daar deden gekleurde Nederlanders nog niet zo aan. Ik sprak er vaker af. Hem had ik precieze coördinaten moeten geven. (Notitie in het achterhoofd: ‘Man die Walem niet kent.’)
Hij was kleiner dan ik, dat gebeurt me niet vaak, en vanaf het moment dat we elkaar begroetten kreeg ik een waterval over me heen.
Hij riep bijvoorbeeld meteen: ‘Maar jij bent ook bruin’, en dat was niet minder dan een hartenkreet, een constatering die alles verklaarde, maar die mij enkel deed blozen.
Er stonden toen nog geen foto’s van redacteuren in dag- of weekbladen. Je was wat je schreef, en niet zoals je eruitzag. Ik wist mij geen houding te geven, Anil wist mij wel een houding te geven, een bruine houding moest het zijn, en nadat hij wat navraag had gedaan naar mijn afkomst (‘geadopteerd, bio moeder blank, bio vader donker, waarschijnlijk Jamaicaans, maar is niet zeker’) werd ik ogenblikkelijk zijn Caribische broeder, en was er nog maar één vraag over die beantwoord moest worden: hoe kon het gebeuren dat wij elkaar zo lang niet hadden gezien? Welke wrede god had ons al die tijd uit elkaar gehouden?”

Stephan Sanders (Haarlem, 28 juli 1961)


De Duitse dichteres Claudia Gabler werd op 28 juli 1970 geboren in Lörrach. Zie ook alle tags voor Claudia Gabler op dit blog.

Liebst du die mikroskopischen Dosen von Sprühwasser

Liebst du die mikroskopischen Dosen von Sprühwasser, 
die aus den Blüten der Städte ziehen,
die domestizieren
und uns von bukolischen Landschaften berichten,
die sie auf ihren Mobbingtouren gestreift haben werden,
die sich ausbreiten
in unseren Wannen voll Glück?
–––
Wir aber sind schon lang in die Gärten gezogen,
wo früher Mönche grasten, 
artgerecht und hungrig in ihrem Gesang.
Wir einst gewesenen Metro–Polneure.
Wenn wir Menschenkinder jetzt Schuhe anziehen,
finden wir manchmal Blasen darin. 
–––
Lieben sagst du,
sei die falsche Vokabel.

 

Die heimischen Gärten hatten uns abgewiesen

Die heimischen Gärten hatten uns abgewiesen,
auch die Blumen als unsere bisherigen Freunde waren jetzt abgetaucht.
Also entschieden wir uns für andere Städte,
maßgeblich waren dafür allein ihre Soundqualitäten.
–––
Die neuen Pools löschten kurzfristig unseren Duschwasserdurst,
doch vor Insekten schützte die grüne Grenze nicht.
Auch nicht vor wilderen Tieren.
Die Nachbarn waren echte Gefühlsterroristen.
–––
Wir selbst klagten über Bärengeräusche
und wurden ganz nebenbei zu unseren ärgsten Feinden.
Unser frühzeitiges Summen lag jetzt über den neuen Gärten wie eine Provinzsymphonie.
Doch wieder einmal war es das Wasser, das Rettung bot.
–––
Thermalquellen und die in ihnen zelebrierte, irgendwie zarische Lebenslust
verhinderten Schußwaffengebrauch. Ganz plötzlich waren wir heiter.
Wenn uns auch Pelzwaren umzäumten und wir deutlich wußten:
Hier bellt ein sibirischer Hund.

Claudia Gabler (Lörrach, 28 juli 1970)
Lörrach, Alter Marktplatz


De Amerikaanse schrijfster, historica en activiste Sarah Miriam Schulman werd geboren op 28 juli 1958 in New York City. Zie ook alle tags voor Sarah Schulman op dit blog.

Uit: The Gentrification of the Mind: Witness to a Lost Imagination

“Truth is replaced by falsity, the false claim that the dominant cultural writer does not have profound structural advantages, replaces the truth that being out in one’s work, sexually honest, and truthful about the lived homosexual experience, guarantees that one’s work will never be seen for its actual merit. The Gentrified Mind becomes unable to see lived experience because it is being bombarded by false stories replacing truth. Even we- the practitioners cannot understand the truthful positioning of our literature. In short, that to be acceptable, that literature cannot be sexually authentic. And, that even though this is a requirement for approval, we look at the highly conditional and restricted approval as a sign of success instead of the failure that it actually is.
In my own experience, the equation of queer literature with pornography is undeniable. Yes, this includes the banning of condom ads on television. Of course, in gay time, “recent” quickly disappears because so many participants are dead, and others have been silenced. It’s hard to have collective memory when so many who were “there” are not “here” to say what happened. Once the recent past is remembered, then the Amazon “glitch” becomes all too consistent. So, here is just one example exhumed from memory.
In 1994, a coalition of Feminists and right-wing politicians in Canada passed a Tariff Code called “Butler” that was designed to restrict pornographic production. Instead, it was applied in such a way that it allowed officials at Canada Customs to systematically detain and destroy gay and lesbian materials at the border. A gay bookstore in Vancouver, Little Sisters, had so much of its product seized at the border, that it could no longer operate. As a result, Little Sisters decided to sue the Canadian government.
My friend, John Preston, had just died of AIDS. He was the author of some iconic leather and S/M novels, many with literary bent. His novel Mister Benson had been serialized in Drummer Magazine, and created a subcultural phenomenon. Men would wear t-shirts asking Mister Benson? Or asserting Mister Benson!. While he had a less explicit series called Franny, The Queen of Provincetown, John was perhaps best known for his book I Once Had A Master. Since he was newly dead, I was asked by the Little Sisters legal team to come to Vancouver and testify on John’s behalf. And because I was very clear in my opposition to state repression of gay materials, I had no problem agreeing.”

Sarah Schulman (New York, 28 juli 1958)

 

Zie voor de schrijvers van de 28e juli ook mijn blog van 28 juli 2017 en ook mijn blog van 28 juli 2011 deel 2.

Als je niet oplet (Remco Campert)

Bij 5 mei

 

 
Het Bevrijdingsmonument Irene in Den Haag

 

Als je niet oplet

Deze muziek mag je niet spelen
dat boek zou ik maar niet lezen
die foto zou ik maar verscheuren

met hem kun je beter niet gezien worden
daar krijg je misschien last mee
ik zou mijn mond maar houden

wat je straks alleen nog mag
is in een donker hol verborgen

verlangen naar het licht van de vrijheid

die je verspeeld hebt
omdat je even de andere kant uitkeek
toen je buren werden weggehaald

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Dolce far niente, Remco Campert, Fernando Arrabal, Yoshikawa Eiji, Ernst Stadler, Hugh MacDiarmid, Andre Dubus

Dolce far niente

 


Leidseplein, Amsterdam door Wim Streep, 2014

 

Uit: De zwerftocht van Remco Campert (Ons Amsterdam, redactie Jojanneke Claassen en Jochem Brouwer)

“Een groot deel van de oorlog woonde ik in Epe op de Veluwe, maar in 1945 was ik weer terug in de Huidekoperstraat 23, terug in Amsterdam. Ik ben van die stad gaan houden, het is echt mijn stad geworden, al is er één ding dat ik wel altijd gemist heb: de zee. Je kon wel naar zee, natuurlijk. Dan ging je met de blauwe tram. Waar nu Athenaeum Nieuwscentrum is, op de hoek van de Spuistraat en het Spui, was het beginpunt van de tram naar Zandvoort. Maar de zee zoals in Den Haag onder bereik, nee.
Ik werd verliefd op Freddy Rutgers, een Wassenaars meisje dat aan de tekenacademie studeerde, en dat was voor mij het moment om het huis uit te gaan. Bij Bert Schierbeek, die ik uit de dichterskringen van Reijnders en Eylders op het Leidseplein kende, konden we een kamer krijgen in zijn huis, Van Eeghenlaan 7. In die tijd was zoiets niet gepast, maar Bert was zeer ruim en zeer behulpzaam. Ook mijn moeder deed er niet echt moeilijk over en ten slotte zijn Freddy en ik ook netjes getrouwd. We woonden in de Van Eeghenlaan en zaten veelvuldig in Parijs tot we in 1952 een verdieping in de Kerkstraat konden krijgen.
Op nummer 15, vlakbij de Leidsegracht, kregen we een benedenverdieping met een souterrain dat helemaal volgestouwd zat. Onze huisbaas woonde boven ons, een reusachtige aardappelboer met handen als kolenschoppen. Zulke grote handen had ik nog nooit gezien. En heb ik sindsdien ook niet meer gezien. Het was een aardige man met een pet. Geen Amsterdammer, hij kwam geloof ik uit Nood-Holland. Onze woonkamer was vrij behoorlijk, wel laag, en daarachter hadden we een klein keukentje met een wc in de hoek, waarvan de deur niet dicht kon als je erin ging. Dan was er nog een piepklein binnenplaatsje. Aan de straatkant hadden we een klein voorkamertje, wat mijn werkkamer was. In die tijd werkte het GEB nog met munten voor gas en licht. Munten die je bij de melkboer kon kopen. Als het licht plotseling uitging, stopte je een munt in de meter en dan liep het zaakje weer.”

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)
De Prinsessegracht in Den Haag, 1930

 

De Spaanse schrijver, dichter, dramaturg en cineast Fernando Arrabal werd geboren in Melila, Spaans Marokko op 11 augustus 1932. Zie ook alle tags voor Fernando Arrabal op dit blog.

Je te salue démente !

Je te salue démente !

Etrangement parée pour le bal de l’asile
Tu désires voler sur les rochers du sort
Alors que les furies sont devenues patientes
Grace aux nouveaux psychiatres, ces bergers de la haine

Je te salue démente !

Au centre du désert sans baisers, ni caresses
Des sectes aux gourous feignant la différence
Se disputent l’opium pour asservir l’enfant
Que parfume le sang versé par l’innocence.

Je te salue démente !

Tout enfant est un fou, le fou n’est qu’un enfant
Quand sa tête repose sur le divan de plumes.
Les Diafoirus entre eux, très fiers, se congratulent
Bercés par le roulis des certitudes molles.

Je te salue démente !

Toute damassée de portes sans issues ni secours
Tu nous tiens par la fête et surtout par l’étrange.
Phantasmes et fantômes sont venus d’ici-bas.
Ta cervelle te regarde et ne te connaît plus

Je te salue démente !

Tu galopes, inconsciente, en chevauchant Sigmund
Ou ses disciples creux, sans école buissonnière.
Héritières du carcan, purgées de tout amour
Leurs têtes vont sombrant dans la norme grégaire.

Je te salue démente !

Murés dans le cachot de ton retranchement
Tu distilles l’ennui, goutte à goutte, du temps
Craignant de naufrager sur ton sommet flottant
Cernés par des rancoeurs fatalement exactes

Je te salue démente !

Planant sur un déluge à peine universel,
Au cœur de ton chagrin tu triomphes, ignorant
Le déploiement d’étoiles dans ton sillage noir :
La vierge, la vivace, la belle apocalypse.

Je te salue démente !


Fernando Arrabal (Melila, 11 augustus 1932)

 

De Japanse schrijver Yoshikawa Eiji werd geboren op 11 augustus 1892 in de prefectuur Kanagawa. Zie ook alle tags voor Yoshikawa Eiji op dit blog.

Uit: Taiko (Vertaald door William Scott Wilson)

“Thus chastened, Ofuku could say nothing. He lost courage and bit his nails. Although he was only a child, being called an ingrate made him feel much worse than being called a spineless jellyfish. The others looked away, their attention shifting from honey bees to a cloud of yellow dust rising at the far end of the fields. “Look, an army!” cried one of the boys. “Samurai!” said another. “They’ve come back from battle.” The children waved and cheered. The lord of Owari, Oda Nobuhide, and his neighbor, Imagawa Yoshimoto, were bitter enemies, a situation that led to constant skirmishing along their common border. One year, Imagawa troops crossed the border, set fire to the villages, and trampled the crops. The Oda troops rushed out of the castles of Nagoya and Kiyosu and routed the enemy, cutting them down to the last man. When the following winter came, both food and shelter were lacking, but the people did not reproach their lord. If they starved, they starved; if they were cold, they were cold. In fact, contrary to Yoshimoto’s expectations, their hardships only served to harden their hostility toward him.
The children had seen and heard about such things from the time they were born. When they saw their lord’s troops, it was as if they were seeing themselves. It was in their blood, and nothing excited them more than the sight of men-at-arms. “Let’s go see!” The boys headed toward the soldiers, breaking into a run, except for Ofuku and Hiyoshi, who were still glaring at one another. The weak-spirited Ofuku wanted to run off with the others, but he was held by Hiyoshi’s stare. “I’m sorry.” Ofuku nervously approached Hiyoshi’s side and put his hand on his shoulder. “I’m sorry, all right?” Hiyoshi flushed angrily and jerked away his shoulder, but seeing Ofuku on the brink of tears, he softened. “It’s just because you ganged up with the others and said bad things about me,” he reproached him. “When they tease you, they always call you names, like ‘the Chinese kid.’ But have I ever made fun of you?” “No.” “Even a Chinese kid, when he becomes a member of our gang, is one of us. That’s what I always say, right?” “Yeah.” Ofuku rubbed his eyes. Mud dissolved in his tears, making little splotches around his eyes. “Dummy’ It’s because you cry that they call you ‘the Chinese kid.’ Come on, let’s go see the warriors. If we don’t hurry, they’ll be gone.” Taking Ofuku by the hand, Hiyoshi ran after the others. War-horses and banners loomed out of the dust. There were some twenty mounted samurai and two hundred foot soldiers. Trailing behind was a motley group of bearers: pike, spear, and bow carriers. Cutting across the Inaba Plain from the Atsuta Road, they began to climb the embankment of the Shonai River. The children outstripped the horses and scampered up the embankment. Eyes gleaming, Hiyoshi, Ofuku, Ni’o, and the other snotty-nosed kids picked roses and violets and other wildflowers and threw them in the air, all the time yelling at the top of their voices, “Hachiman! Hachiman!” invoking the god of war, and, “Victory for our valiant, glorious warriors!”

 
Yoshikawa Eiji (11 augustus 1892 – 7 september 1962)
Cover

 

De Duitse dichter Ernst Stadler werd geboren op 11 augustus 1883 in Colmar (Kolmar). Zie ook alle tags voor Ernst Stadler op dit blog.

Ballhaus

Farbe prallt in Farbe wie die Strahlen von Fontänen, die ihr Feuer ineinanderschießen,

Im Geflitter hochgeraffter Röcke und dem Bausch der bunten Sommerblusen. Rings von allen Wänden, hundertfältig

Ausgeteilt, strömt Licht. Die Flammen, die sich zuckend in den Wirbel gießen,

Stehen, höher, eingesammelt, in den goldgefaßten Spiegeln, fremd und hinterhältig,

Wie erstarrt und Regung doch in grenzenlose Tiefen weiterleitend, Leben, abgelöst und fern und wieder eins und einig mit den Paaren,

Die im Bann der immer gleichen Melodien, engverschmiegt, mit losgelassnen Gliedern schreitend,

Durcheinanderquirlen: Frauen, die geschminkten Wangen rot behaucht, mit halb gelösten Haaren,

Taumelnd, nur die Augen ganz im Grund ein wenig matt, die in das Dunkel leerer Stunden laden,

Während ihre Körper sich im Takt unkeuscher Gesten ineinanderneigen,

Ernsthaft und voll Andacht: und sie tanzen, gläubig blickend, die Balladen

Müd gebrannter Herzen, lüstern und verspielt, und vom Geplärr der Geigen

Wie von einer zähen lauen Flut umschwemmt. Zuweilen kreischt ein Schrei. Ein Lachen gellt. Die Schwebe,

In der die Paare, unsichtbar gehalten, schaukeln, schwankt. Doch immer, wie in traumhaft irrem Schwung

Schnurrt der Rhythmus weiter durch den überhitzten Saal . . . Daß nur kein Windzug jetzt die roten Samtportieren hebe,

Hinter denen schon der Morgen wartet, grau, hager, fahl . . . bereit, in kaltem Sprung,

Die Brüstung übergreifend, ins Parkett zu gleiten, daß die heißgetanzten Reihen jählings stocken, Traum und Tanz zerbricht,

Und während noch die Walzerweise sinnlos leiernd weitertönt,

Tag einströmt und die dicke Luft von Schweiß, Parfum und umgegossnem Wein zerreißt, und durch das harte Licht,

Fernher rollend, ehern, stark und klar, das Arbeitslied der großen Stadt durch plötzlich aufgerissene Fenster dröhnt.

 
Ernst Stadler (11 augustus 1883 – 30 oktober 1914)
Cover

 

De Schotse dichter Hugh MacDiarmid werd geboren op 11 augustus 1892 als Christopher Marray Grieve in Langholm. Zie ook alle tags voor Hugh MacDiarmid op dit blog.

Gairmscoile (Fragment)

I
Wergeland, I mind o’ thee—for thy bluid tae
Kent the rouch dirl o’ an auld Scots strain,
—A dour dark burn that has its ain wild say
Thro’ a’ the thrang bricht babble o’ Earth’s flood.
Behold, thwart my ramballiach life again,
What thrawn and roothewn dreams, royat and rude,
Reek forth—a foray dowless herts condemn—
While chance wi’ rungs o’ sang or silence renshels them.

(A foray frae the past—and future tae
Sin Time’s a blindness we’ll thraw aff some day!)
… On the rumgunshoch sides o’ hills forgotten
Life hears beasts rowtin’ that it deemed extinct,
And, sudden, on the hapless cities linked
In canny civilisation’s canty dance
Poor herds o’ heich-skeich monsters, misbegotten,
… Streets clear afore the scarmoch advance:
Frae every winnock skimmerin’ een keek oot
To see what sic camsteerie cast-offs are aboot.

Cast-offs?—But wha mak’s life a means to ony end?
This sterves and that stuff’s fu’, scraps this and succours that?
The best survive there’s nane but fules contend.
Na! Ilka daith is but a santit need.
… Lo! what bricht flames o’ beauty are lit at
The unco’ een o’ lives that Life thocht deid
Till winnock efter winnock kindles wi’ a sense
O’ gain and glee—as gin a mair intense
Starn nor the sun had risen in wha’s licht
Mankind and beasts anew, wi’ gusto, see their plicht.

Mony’s the auld hauf-human cry I ken
Fa’s like a revelation on the herts o’ men
As tho’ the graves were split and the first man
Grippit the latest wi’ a freendly han’
… And there’s forgotten shibboleths o’ the Scots
Ha’e keys to senses lockit to us yet
—Coorse words that shamble thro’ oor minds like stots,
Syne turn on’s muckle een wi’ doonsin’ emerauds lit.

I hear nae ‘hee-haw’ but I mind the day
A’e donkey strunted doon a palm-strewn way
As Chesterton has sung; nae wee click-clack
O’ hoofs but to my hert at aince comes back
Jammes’ Prayer to Gang to Heaven wi’ the Asses;
And shambles-ward nae cattle-beast e’er passes
But I mind hoo the saft een o’ the kine
Lichted Christ’s craidle wi’ their canny shine.

Hee-Haw! Click-Clack! And Cock-a-doodle-doo!
—Wull Gabriel in Esperanto cry
Or a’ the warld’s undeemis jargons try?
It’s soon’, no’ sense, that faddoms the herts o’ men,
And by my sangs the rouch auld Scots I ken
E’en herts that ha’e nae Scots’ll dirl richt thro’
As nocht else could—for here’s a language rings
Wi’ datchie sesames, and names for nameless things.


Hugh MacDiarmid (11 augustus 1892 – 9 september 1978)
Poets’ Pub door Alexander Moffat, 1980. Hugh MacDiarmid zittend in het blauwe pak.

 

De Amerikaanse schrijver en essayist Andre Dubus werd geboren op 11 augustus 1936 in Lake Charles, Louisiana. Zie ook alle tags voor Andre Dubus op dit blog.

Uit: Dancing After Hours

“But he had no coffee, and he put on his raincoat and a felt hat turned the smile to him and said: “Well. What brings you out in the rain?” He took off his hat and placed it on the counter and was about to say he was going to buy coffee, but he looked at Doreen’s blue eyes and said: “I woke to the sound of rain. It was the first thing I smelled.” From behind her a young waitress approached and he signaled with thumb and forefinger as if gripping a cup. “Some was splashing through the screen, onto the windowsill. I didn’t close the window. I wanted to write about rain, but I was out of coffee.” He was unbuttoning his coat, removing his aims from its sleeves. “I’ve been writing things. I wanted to write its smell and sound. Its feel in April.” He let his coat fall to the back of his stool. The waitress brought his coffee, and he stopped talking to pay. She was a young brunette wearing glasses, probably a year out of high school and waiting, happily enough, it seemed, for something to happen. He looked at Doreen’s eyes: “It would be a separate section; the rain. Coming right after something I wrote yesterday about William James. He said that fear doesn’t cause running away. Running away causes fear. So if you hold your ground, you’ll be brave. And that sadness doesn’t cause crying. Crying makes us sad. So we should act the way we want to feel. And he said if that doesn’t work, nothing else will anyway.” Then he blushed. “He was a philosopher. I’ve been reading all kinds of things.” “Does it work?” “What?” “Acting the way you want to feel.” “Sometimes.” He looked away from her, stirred sugar and cream into his cup. Still he felt her eyes. “What is it you want to feel?”


Andre Dubus (11 augustus 1936 –  24 februari 1999)

 

Zie voor nog meer schrijvers ook mijn blog van 11 augustus 2016 en ook mijn blog van 11 augustus 2011 deel 2.

Dolce far niente, Remco Campert, Hugh MacDiarmid, Ernst Stadler, Yoshikawa Eiji, Fernando Arrabal, Andre Dubus

Dolce far niente

 

 
Het Weteringcircuit in Amsterdam

 

Uit: De zwerftocht van Remco Campert (Ons Amsterdam, redactie Jojanneke Claassen en Jochem Brouwer)

“De AJP- puddingfabriek in de Huidekoperstraat, een van die twee straatjes langs Alhambra en uitkomend op de Nicolaas Witsenkade, lag tegenover ons huis op nummer 23. Als ik op mijn twaalfde, denk ik, tussen de middag uit school kwam, zaten de meisjes uit de fabriek altijd op onze stoep te zonnen. Van die brutale meiden met witte mutsjes en witte jassen. En daar moest ik dan tussendoor stappen. Voor de hoek was ik al bang en kwam ik de hoek om, dan zag ik… ja hoor. Mijn moeder had een engagement in Amsterdam en in verband daarmee verliet ik Den Haag, waar ik op 28 juli 1929 ben geboren. We woonden boven een oude paardenstal, die als fietsenstalling werd gebruikt en waar de NSB eenmaal per week liederen kwam zingen, maar het was een fijn buurtje. Schaatsen op de Nicolaas Witsenkade – daar heb ik nog een gedicht over gemaakt; dat ik samen met mijn vriendje een briefje van ƒ 25 op het ijs vind. En dan had je de resten van het Paleis van Volksvlijt op het Frederiksplein, waar de prachtige galerij nog van over was.
Ik heb even op het Frederiksplein op school gezeten, maar dat was echt heel kort. Daarna kwam het Amsterdams Lyceum op het Valeriusplein. Over de Weteringschans liep ik naar lijn 16 op het Weteringcircuit, die me keurig voor school afzette – áls ik instapte. Ik spijbelde nogal. Dan liep ik over de Weteringschans, twijfelend of ik wel of niet. Vaak sloeg ik resoluut rechtsaf, richting binnenstad.
Vooral de laatste maanden ging ik nauwelijks meer. Ik vond die school verschrikkelijk, helemaal toen ze me een klas terugzetten. Ik had er goeie vrienden, zoals Rudy Kousbroek, met wie ik in het Lyceum Café (op de hoek Okeghemstraat, het is nu een restaurant) rondhing. Niet voor pils of zo, want daar waren we nog niet aan toe. Voor de schoolkrant Halo, waar we aan meewerkten. Maar dat hele onderwijs… ik heb het examen niet eens gedaan. Ik heb me op school nooit op mijn gemak gevoeld”

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)
Remco Campert met zijn moeder in het Haagse Bos

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Remco Campert, Hugh MacDiarmid, Ernst Stadler, Yoshikawa Eiji, Fernando Arrabal, Andre Dubus”

Remco Campert, Malcolm Lowry, Herman Stevens, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders, Angélica Gorodischer, Shahyar Ghanbari, John Ashbery, Drew Karpyshyn

De Nederlandse dichter en schrijver Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Den Haag

Overal bevuilde daken
groen koper van kerken
brakke lucht uitgebeten huizen
afgegraasd grasland verwaarloosde zee.
O en de trieste trage gele trams
en het kippevel van de verwaaide straten.
Heel Den Haag was één Panorama Mesdag
elke dag een verregende koninginnedag.

Mijn grootvader ongeschoren
dwaalde als Strindberg door het huis
gevangen in zijn eigen kamerjas.

En zo speelziek en verlegen als ik was
met mijn kleine rubberdolk
beheerste dolleman
pleegde ik sluipmoord op een schemerlamp
of op zolder het oude lila kussen.

 

Bandrecorder, eenvoudig

Je hoeft niet te praten
ook geknisper van kranten komt duidelijk over
of als je slikt keelschraapt
een schoen uitschopt

het suizen van het gas
de tik van het licht uit
de telefoon buiten de auto’s
mijn korte adem

maar als je toch iets zegt
zeg dan liever iets aardigs
iets dat i nog eens af kan draaien
als je weg bent.

 

Zo lag ik wel

(Zo lag ik wel
en lig ik nog: liefde
vernieuwt en en verdiept zich.

Steeds meer huiden wierp ik af-
nu eindelijk in mijn eigen
laatste vel,

ben ik kwetsbaarder dan ooit)

Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)
Doorgaan met het lezen van “Remco Campert, Malcolm Lowry, Herman Stevens, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders, Angélica Gorodischer, Shahyar Ghanbari, John Ashbery, Drew Karpyshyn”

Dolce far niente, Hermann Hesse, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders

Dolce far niente

 

 
Het Damrak te Amsterdam door George Hendrik Breitner, ca. 1903

 

Regen

Lauer Regen, Sommerregen
Rauscht von Büschen, rauscht von Bäumen.
O wie gut und voller Segen,
Einmal wieder satt zu träumen!

War so lang im Hellen draussen,
Ungewohnt ist mir dies Wogen:
In der eignen Seele hausen,
Nirgends fremdwärts hingezogen.

Nichts begehr ich, nichts verlang ich,
Summe leise Kindertöne,
Und verwundert heim gelang ich
In der Träume warme Schöne.

Herz, wie bist du wund gerissen
Und wie selig, blind zu wühlen,
Nichts zu denken, nichts zu wissen,
Nur zu atmen und zu fühlen!

 

 
Hermann Hesse (2 juli 1877 – 9 augustus 1962)
Nikolausbrücke in Calw. Hermann Hesse werd in Calw geboren.

Bewaren

Bewaren

Bewaren

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Hermann Hesse, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins, Stephan Sanders”

Prijs der Nederlandse Letteren voor Remco Campert

De Nederlandse schrijver, dichter en columnist Remco Campert krijgt dit jaar de Prijs der Nederlandse Letteren, een driejaarlijkse oeuvreprijs voor een auteur die een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandstalige literatuur. Dat werd zondag bekendgemaakt in Rotterdam, waar het startschot werd gegeven voor het Vlaams-Nederlandse culturele evenement Beste Buren. Remco Campert werd op 28 juli 1929 in Den Haag geboren. Zie ook alle tags voor Remco Campert op dit blog.

Huid en hart

Huid, peau, skin, Haut
je huid ademt in alle talen.
Wat doe je me aan?

Op winternamiddagen
streel ik met voorzichtige vingers
je huid, glanzend in de schemering.

Onder je huid bonst je hart,
brengt mijn hart, fladderend als een vlinder,
tot rust.

In gulzige liefde
verslind ik je
met huid en hart

 

Elke dag nog
Remco Campert aan Cees Nooteboom

Elke dag nog
praat ze met zijn grafsteen
op het kleine kerkhof aan de overkant
uitzicht over het dal
met het dunne riviertje
glinsterend als een spinnedraad
in het Noord-Franse licht

sinds hij dood is
doet ze minder aan de tuin
eens haar trots

kreeg er nog een prijs voor
de sénateur kwam er nog voor over
uit het verre Parijs
waar hij een appartement had
en een vriendin
het was vlak voor de verkiezingen
die hij won

de koeien zijn verkocht
de tractor staat te roesten in het hoge gras
het erf is netjes aan kant
en er is nog hout voor één winter

 

Sonnet

ik had je bloemen willen zenden
een soort bloemen dat je zou doen begrijpen
hoe ik wandel
onder welke luchten ik wandel
over welke bodem ik wandel

ik had je bloemen willen zenden
een soort van winterbloemen
met de bruine kleuren van de laatste roos
en de geur van nachten lopen
in gevaarlijk terrein
door verwaarloosde heggen omgrensd
waarachter men narcissen kon vermoeden
van de maanden die achter ons liggen
narcissen van een geur die ik waarschijnlijk te liefelijk schat

dat soort bloemen had ik je willen zenden
niet per post en onverpakt
neen ze zouden je worden gebracht
door een zwarte jongen met een Grieks profiel
die Duits studeert aan de universiteit
die zichzelf een choreografie heeft geschreven
op muziek van Mozart

dat soort bloemen
door zo’n soort jongen

maar ik vernam
dat je op reis bent
en wel niet meer terug zult keren

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

Dolce far niente, Ingo Baumgartner, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins

Dolce far niente

 

 
De storm door Jan van Goyen, 1641

 

Gewitter am See

Ein Delta formt des Blitzes Feuer,
rückt schemenhaft den Berg ins Licht.
Die Wolke wird zum Ungeheuer,
das grollend dunklen Qualm erbricht.

Aus Spielgekräusel wachsen Wogen
die Anmut flieht in Hast den See.
Bedenklich hin zum Nass gebogen,
schwankt Segeltuch in wilder Bö.

Die Möwen schützen sich, sie ducken
sich schweigend in das Uferrohr.
Doch bald verebbt das Himmelszucken
und Blau strahlt kräftig wie zuvor.

 

 
Ingo Baumgartner (Oberndorf an der Salzach, 24 december 1944)

 

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Ingo Baumgartner, Remco Campert, Malcolm Lowry, Gerard Manley Hopkins”

Dolce far niente, Remco Campert, Arthur Japin, Gregoire Delacourt, Yves Petry

Dolce far niente

 

 
Brug over de Schinkel, de Sluis bij de Overtoom, Amsterdam
door Jan Hermanus Melcher Tilmes, z.j.

 

Op de Overtoom

Het dooit op de Overtoom
maar het vriest ook alweer op
melden mijn voeten
die mijn dag verlopen
ik blijf dicht bij huis
steeds dichter
dat is mijn leeftijd
wolken worden zwaarder van onkleur
de geur van gisteren hangt nog aan me
ik at met mijn vriend
we braken het brood
en deelden de doden
we zijn al bijna uit zicht
wij lachen nog
wat moet je anders?
omhelzen elkaar ten afscheid
misschien je weet maar nooit

 

 
Remco Campert (Den Haag, 28 juli 1929)

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Remco Campert, Arthur Japin, Gregoire Delacourt, Yves Petry”