Anna Enquist, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier

Dolce far niente

 

 
Ziekenhuistuin in Edam door Max Liebermann, 1904

 

Andante

Als de tocht niet meer voert naar de
plaats waar alles weer goed komt,
wat houdt haar gaande? Rood zand
op het fresco verbleekt, troost verkleint
tot een blik, tot een handpalm.
Als niet wanhoop met windkracht tien
in haar rug staat, wat houdt haar in gang?

De straatstenen houden haar gaande
ogen likken de gevels, de keel
is gulzig naar lucht. Haar houdt
in gang het plezierpaard lijf dat
geen halt verstaat. Haar hakken
slaan vuur uit de tegels: Dat zij gaat
houdt haar gaande. Zij gaat.

 
Anna Enquist (Amsterdam, 19 juli 1945)
Het Vondelpark in Amsterdam, de geboorteplaats van Anna Enquist

 

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

De paradox van slaap

Die muurschildering, de vogel op hoge stelt,
de twee speren, de bizon, de man met armen
wijd, liggend tegen lucht, zijn pik stijf.

Waar gaat dit naartoe?

Nergens: nacht, land van wat
niet bestaat.

Wat richt die vogel/ziel
op hoge stelt/hakken uit?

Op het tipje van je tong begint de wacht.

Kon je maar als een dolfijn
slapen met een hersenhelft,
rondjes varen met de andere.

 

Het temmen

Voor rijst gebeurde het in China,
een zevental millennia geleden.
De dichter zegt: ‘in Middelaarde, toen
de tijd nog niet bestond’. De wetenschapper
maakt koeken en knabbelt.

De afstand vergroot in de vertaling van de ene
algemeenheid naar de andere.

Lege spelletjes, dacht ze, energie uit fotosynthese,
altijd hetzelfde liedje, een extra laag
maar niets dat blijft hangen.

Tan telt niet. Ook Guo-Ping niet.

Glo-Ping?

Ben je grapjes aan het maken?
Want grappig is het niet. Als je zo
blijft doorgaan…

(Hij snapte het.)
(Zowel de dichter als de wetenschapper.)

Tarwe en gerst suggereren: zachtjesaan.

 

Heb je het ook gevoeld

Heb je het ook gevoeld
een flurry of beginningen

mission impossible

dat rest wat rest
en blijvend moge blijven
de tot verlangen bekeerde

want o
mijn lieve lijdend

voorwerp van aandacht

het zwijgen in alle vuren
onvermogelijk

heffe zich het glas
je bubbly

mijn elixir

met randy
op het randje

lippen die nodig willen

jij mag kiezen waar.

 
Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

De Vlaamse dichter Reinout Verbeke werd geboren op 13 mei 1981 in Roeselare. Zie ook alle tags voor Reinout Verbeke op dit blog.

Honda asimo

De handleiding zegt dat je humanoid bent
dat je me in bed zult tillen
de deur openmaakt voor
bezoek, mijn zakdoek raapt
me vasthoudt

Volg me langzaam tot op de gang
tot in de eetzaal, tot in de kleine
witte kamer die ik ben

Hou daar pas mee op
tot ik de schroefbladen tussen je schouders
verwar met haar zuchten, de buzzer in je buik
met haar schoot. Spiegel me voor hoe zij was,
hoe zij destijds de deur
mijn zakdoek
mij

Wees, word, herinner me

Kom met je batterijen hart
naast me liggen
dat ik je een paar heel
dierlijke dingen leer
en kir kir kir dat het een lust is

 
Reinout Verbeke (Roeselare, 13 mei 1981)

 

De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. Zie ook alle tags voor Bruce Chatwin op dit blog.

Uit: The Songlines

“When he did come to town, he worked from a disused newspaper shop-floor where rolls of old newsprint still clogged the presses and his sequences of aerial photos had spread, like a game of dominoes, over the shabby white walls. One sequence showed a three-hundred-mile strip of country running roughly due north. This was the suggested route of a new Alice to Darwin railway. The line, he told me, was going to be the last long stretch of track to be laid in Australia; and its chief engineer, a railway-man of the old school, had announced that it must also be the best. The engineer was close to retiring age and concerned for his posthumous reputation. He was especially concerned to avoid the kind of rumpus that broke out whenever a mining company moved its machinery into Aboriginal land. So, promising not to destroy a single one of their sacred sites, he had asked their representatives to supply him with a survey. Arkady’s job was to identify the ‘traditional landowners’; to drive them over their old hunting grounds, even if these now belonged to a cattle company; and to get them to reveal which rock or soak or ghost-gum was the work of a Dreamtime hero. He had already mapped the 1 so-mile stretch from Alice to Middle Bore Station. He had a hundred and fifty to go. ‘I warned the engineer he was being a bit rash,’ he said. ‘But that’s the way he wanted it.’ ‘Why rash?’ I asked. ‘Well, if you look at it their way,’ he grinned, ‘the whole of bloody Australia’s a sacred site.’ ‘Explain,’ I said. He was on the point of explaining when an Aboriginal girl came in with a stack of papers. She was a secretary, a pliant brown girl in a brown knitted dress. She smiled and said, ‘Hi, Ark!’ but her smile fell away at the sight of a stranger. Arkady lowered his voice. He had warned me earlier how Aboriginals hate to hear white men discussing their ‘business’. ‘This is a Pom,’ he said to the secretary. ‘A Porn by the name of Bruce.’ The girl giggled, diffidently, dumped the papers on the desk, and dashed for the door. ‘Let’s go and get a coffee,’ he said. So we went to a coffee-shop on Todd Street.”

 
Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Zie ook alle tags voor Daphne du Maurier op dit blog.

Uit: Jamaica Inn

“They drove along the twisting lane to the farmhouse at the top of the village. A neighbour met them at the gate, her face eager to impart bad news. ‘Your mother’s worse,’ she cried. ‘She came out of the door just now, staring like a ghost, and she trembled all over, and fell down in the path. Mrs Hoblyn has gone to her, and Will Searle; they’ve lifted her inside, poor soul. They say her eyes are shut.’ Firmly the doctor pushed the little gaping crowd away from the door. Together he and the man Searle lifted the still figure from the floor and carried her upstairs to the bedroom. `It’s a stroke,’ said the doctor, ‘but she’s breathing; her pulse is steady. This is what I’ve been afraid of — that she’d snap suddenly, like this. Why it’s come just now, after all these years, is known only to the Lord and herself. You must prove yourself your parents’ child now, Mary, and help her through this. You are the only one who can.’ For six long months or more Mary nursed her mother in this her first and last illness, but with all the care she and the doctor gave her it was not the widow’s will to recover. She had no wish to fight for her life. It was as though she longed for release, and prayed silently that it would come quickly. She said to Mary, ‘I don’t want you to struggle as I have done. It’s a breaking of the body and of the spirit. There’s no call for you to stay on at Helford after I am gone. It’s best for you to go to your Aunt Patience up to Bodmin.’ There was no use in Mary telling her mother that she would not die. It was fixed there in her mind and there was no fighting it. ‘I haven’t any wish to leave the farm, mother,’ she said. ‘I was born here and my father before me, and you were a Helford woman. This is where the Yellans belong to be. I’m not afraid of being poor, and the farm falling away. You worked here for seventeen years alone, so why shouldn’t I do the same? I’m strong; I can do the work of a man; you know that.’ ‘It’s no life for a girl,’ said her mother. ‘I did it all these years because of your father, and because of you. Working for someone keeps a woman calm and contented, but it’s another thing when you work for yourself. There’s no heart in it then.’
‘I’d be no use in a town,’ said Mary. ‘I’ve never known anything but this life by the river, and I don’t want to. Going into Helston is town enough for me. I’m best here, with the few chickens that’s left to us, and the green stuff in the garden, and the old pig, and a bit of a boat on the river. What would I do up to Bodmin with my Aunt Patience?’ ‘A girl can’t live alone, Mary, without she goes queer in the head, or comes to evil. It’s either one or the other. Have you forgotten poor Sue, who walked the churchyard at midnight with the full moon, and called upon the lover she had never had? And there was one maid, before you were born, left an orphan at sixteen. She ran away to Falmouth and went with the sailors. ‘I’d not rest in my grave, nor your father neither, if we didn’t leave you safe. You’ll like your Aunt Patience; she was always a great one for games and laughing, with a heart as large as life. You remember when she came here, twelve years back? She had ribbons in her bonnet and a silk petticoat.”

 
Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn blog van 13 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Alphonse Daudet, Kōji Suzuki

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

Een italiaanse haven

Enkele wolken, een karveel, drie streepjes
zon uit het oosten, en een vloer met geen
twee tegels naast elkaar in dezelfde kleur.
Een windhond met snuit landinwaarts. Ik
meen mij ook een kromgetrokken zwaard
te herinneren. Mijn glimmend harnas ligt
naast me. Ik knikkebol.

Jij bent het aapje dat op mijn schouder zit,
dat met de linkerbakkebaard mijn rechter-
oorschelp kietelt. In de zware koffer met
koperen sloten steken vier dichtbundels en
twee cd’s en – want wat goedkoper hier –
een voorraad zachte lenzen.

 

Foto met vogels

De wolken boven het IJsselmeer doen
het licht aan en uit op de scherptediepte
die je voor mij nodig hebt. Tegen je
gehemelte plakt het zwart van drop.
Het smaakt naar zeewier uit het verre
oosten laten je wangen weten. Je rekent
wat je kan maar hebt, zeg je, tussen niets
en het silhouet van een handvol spreeuwen
te kiezen.

Vier van de gekwelde vogels zitten nog steeds
naar het westen te kijken. De vijfde zal altijd
verder vliegen dan de vastgelegde vleugelslag.

 

Automorf

Tot de dag ervoor kende
de maagd, een wiskundige, het axioma
van zijn zelfmoord nog niet.

‘Misschien is er iemand’, vermoedde het briefje
dat hij achterliet op zijn werktafel.

Zij moest ook gaan, een cliché,
om hem te vervoegen.

Een krakkemikkige houten constructie,
zonnewind.

‘O, was ik daarbij toen?’

Zijn blauwgroen pak had een vreemde
metalige schijn.

 
Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

 

De Vlaamse dichter Reinout Verbeke werd geboren op 13 mei 1981 in Roeselare. Zie ook alle tags voor Reinout Verbeke op dit blog.

Oorloglozen

De graven: aanvalsboten
in een zee van gras wachten
op het afgesproken teken
van leven

Dan slepen we soldaten aan
in de steriele kamers van het woord
stelpen bloed met printpapier
het zelfoplossend hechtkoord
van de aandacht

Wij zijn oorloglozen. Onze aderen
ondergelopen loopgraven. Op onze tongen
landen geen verhalen

Waterboard de werkelijkheid
en ze bekent: de dag is een witte vlag
Er wordt wild van man tot vrouw gezwaaid

‘s Nachts tasten we naar de helm onder de schedel
de bajonet in de onderarm. We trekken voren in het gras
lopen als hamsters de vijand tegemoet

 

Het geluid van het gedicht

Het geluid van het gedicht
is het geluid van andere vogels
van andere dieren, andere machinerieën

Het geluid van het gedicht
is de Australische liervogel
die twee eksters nadoet een gele mus
die zijn jongen voedt een parkiet
in de vlucht een digitale reflexcamera
een autoalarm

Het geluid van het gedicht
is de liervogel die een hydraulische ram
imiteert het gefluit van de werkman
de kettingzaag die zich
een weg baant, een boom
die valt

Het geluid van het gedicht
is de liervogel die de dood
op zijn stembanden heeft gezet

 
Reinout Verbeke (Roeselare, 13 mei 1981)

 

De Engelse schrijver Bruce Chatwin werd op 13 mei 1940 in Sheffield geboren. Zie ook alle tags voor Bruce Chatwin op dit blog.

Uit: The Songlines

“One year, an anthropologist from Canberra came to study Walbiri systems of land tenure: an envious academic who resented Arkady’s friendship with the song-men, pumped him for information and promptly betrayed a secret he had promised to keep. Disgusted by the row that followed, the ‘Russian’ threw in his job and went abroad. He saw the Buddhist temples of Java, sat with saddhus on the ghats of Benares, smoked hashish in Kabul and worked on a kibbutz. On the Acropolis in Athens there was a dusting of snow and only one other tourist: a Greek girl from Sydney. They travelled through Italy, and slept together, and in Paris they agreed to get married. Having been brought up in a country where there was ‘nothing’, Arkady had longed all his life to see the monuments of Western civilisation. He was in love. It was springtime. Europe should have been wonderful. It left him, to his disappointment, feeling flat. Often, in Australia, he had had to defend the Aboriginals from people who dismissed them as drunken and incompetent savages; yet there were times, in the flyblown squalor of a Walbiri camp, when he suspected they might be right and that his vocation to help the blacks was either wilful self-indulgence or a waste of time. Now, in a Europe of mindless materialism, his ‘old men’ seemed wiser and more thoughtful than ever. He went to a Qantas office and bought two tickets home. He was married, six weeks later in Sydney, and took his wife to live in Alice Springs. She said she longed to live in the Centre. She said she loved it when she got there. After a single summer, in a tin-roofed house that heated like a furnace, they began to drift apart. The Land Rights Act gave Aboriginal ‘owners’ the title to their country, providing it lay untenanted; and the job Arkady invented for himself was to interpret ‘tribal law’ into the lan-guage of the Law of The Crown. No one knew better that the ‘idyllic’ days of hunting and gathering were over — if, indeed, they were ever that idyllic. What could be done for Aboriginals was to preserve their most essential liberty: the liberty to remain poor, or, as he phrased it more tactfully, the space in which to be poor if they wished to be poor. Now that he lived alone he liked to spend most of his time ‘out bush’.


Bruce Chatwin (13 mei 1940 – 18 januari 1989)
Cover

 

De Britse schrijfster Daphne du Maurier werd geboren in Londen op 13 mei 1907. Zie ook alle tags voor Daphne du Maurier op dit blog.

Uit: Jamaica Inn

„Little by little her stock had decreased, and with times being bad—so she was told in Helston—and prices fallen to nothing, there was no money anywhere. Upcountry it was the same. There would be starvation in the farms before long. Then a sickness attacked the ground and killed the livestock in the villages round Helford. There was no name to it, and no cure could be discovered. It was a sickness that came over everything and destroyed, much as a late frost will out of season, coming with the new moon and then departing, leaving no trace of its passage save the little trail of dead things in its path. It was an anxious, weary time for Mary Yellan and her mother. One by one they saw the chickens and the ducklings they had reared sicken and die, and the young calf fell in the meadow where he stood. The most pitiful was the old mare who had served them twenty years, and upon whose broad and sturdy back Mary had first straddled her young legs. She died in the stall one morning, her faithful head in Mary’s lap; and when a pit was dug for her under the apple tree in the orchard, and she was buried, and they knew she would no longer carry them to Helston market day, Mary’s mother turned to her and said, “There’s something of me gone in the grave with poor Nell, Mary. I don’t know whether it’s my faith or what it is, but my heart feels tired and I can’t go on any more.”
She went into the house and sat down in the kitchen, pale as a sheet, and ten years her age. Listless, she shrugged her shoulders when Mary said she would fetch the doctor. “It’s too late, child,” she said, “seventeen years too late.” And she began to cry softly, who had never cried before.
Mary fetched the old doctor who lived at Mawgan and who had brought her into the world, and as he drove her back in his trap he shook his head at her. “I tell you what it is, Mary,” he said; “your mother has spared neither her mind nor her body since your father died, and she has broken down at last. I don’t like it. It’s come at a bad time.”


Daphne du Maurier (13 mei 1907 – 19 april 1989)
Cover

 

De Schotse dichteres Kathleen Jamie werd geboren op 13 mei 1962 in Currie, Edinburgh. Zie ook alle tags voor Kathleen Jamie op dit blog.

 

The Wishing Tree

I stand neither in the wilderness
nor fairyland

but in the fold
of a green hill

the tilt from one parish
into another.

To look at me
through a smirr of rain

is to taste the iron
in your own blood

because I hoard
the common currency

of longing: each wish
each secret assignation.

My limbs lift, scabbed
with greenish coins

I draw into my slow wood
fleur-de-lys, the enthroned Brittania.

Behind me, the land
reaches toward the Atlantic.

And though I’m poisoned
choking on the small change

of human hope,
daily beaten into me

look: I am still alive—
in fact, in bud.


Kathleen Jamie (Currie, 13 mei 1962)

 

De Amerikaanse schrijver Armistead Jones Maupin Jr. werd geboren op 13 mei 1944 in Washington. Zie ook alle tags voor Armistead Maupin op dit blog.

Uit: Mary Ann in Autumn

“Wo blocks away, while looking for lunch, she found the corner mom-and-pop still intact, still called the Searchlight Market. Next door her old Laundromat had been stylishly renovated and a little too cutely renamed “The Missing Sock.” It pleased her to find the original thirties’ lettering still silvering the plate glass at Woo’s Cleaners, though the place was obviously empty. The windows were blocked by pale blue wrapping paper, the very paper her laundry had once been wrapped in. Across the street, a pristine gallery of tiny objets had sprouted next to what had once been Marcel & Henri, the butcher shop where she had sometimes splurged on pâté, just to keep from feeling like a secretary.
And there was Swensen’s, the ice cream shop at Hyde and Union that had been her consolation on more than one Saturday night when she had stayed in with Mary Tyler Moore. This was the original Swensen’s, the one Mr. Swensen himself had opened in the late forties, and he had still been running it when she was here. She was about to stop in for a cone, just for old times’ sake, when she spotted the fire trucks parked on Union.
Rounding the corner, she found dozens of onlookers assembled beneath a big sooty hole on the second floor of a house. The crisis seemed to have passed; the air was pungent with the smell of wet embers, and the firemen, though obviously weary, were business-as-usual as they tugged at a serpentine tangle of hoses. One of the younger ones, a frisky Prince Harry redhead, seemed aware of his lingering audience and played to the balcony with every manly move.
We do love our firefighters, she thought, though she had long ago forfeited her right to the Municipal We. She was no more a San Franciscan now than the doughy woman in a SUPPORT OUR TROOPS
sweatshirt climbing off the cable car at the intersection. She herself hadn’t used a cable car for years, yet every handrail and plank was as vividly familiar as her first bicycle. This one had a light blue panel along the side, marking it as a Bicentennial model. They were built the year she’d arrived in the city.”


Armistead Maupin ( Washington, 13 mei 1944)
Cover

 

De Franse dichter en schrijver Alphonse Daudet werd geboren in Nîmes op 13 mei 1840. Zie ook alle tags voor Alphonse Daudet op dit blog.

Uit: Les lettres de mon moulin

“Ce sont les lapins qui ont été étonnés !… Depuis si longtemps qu’ils voyaient la porte du moulin fermée, les murs et la plate-forme envahis par les herbes, ils avaient fini par croire que la race des meuniers était éteinte, et, trouvant la place bonne, ils en avaient fait quelque chose comme un quartier général, un centre d’opérations stratégiques: le moulin de Jemmapes des lapins… La nuit de mon arrivée, il y en avait bien, sans mentir, une vingtaine assis en rond sur la plate-forme, en train de se chauffer les pattes à un rayon de lune… Le temps d’entrouvrir une lucarne, frrt ! voilà le bivouac en déroute, et tous ces petits derrières blancs qui détalent, la queue en l’air, dans le fourré. J’espère bien qu’ils reviendront.
Quelqu’un de très étonné aussi, en me voyant, c’est le locataire du premier, un vieux hibou sinistre, à tête de penseur, qui habite le moulin depuis plus de vingt ans. Je l’ai trouvé dans la chambre du haut, immobile et droit sur l’arbre de couche, au milieu des plâtras, des tuiles tombées. Il m’a regardé un moment avec son œil rond ; puis, tout effaré de ne pas me reconnaître, il s’est mis à faire : « Hou ! hou ! » et à secouer péniblement ses ailes grises de poussière ; — ces diables de penseurs ! ça ne se brosse jamais… N’importe ! tel qu’il est, avec ses yeux clignotants et sa mine renfrognée, ce locataire silencieux me plaît encore mieux qu’un autre, et je me suis empressé de lui renouveler son bail. Il garde comme dans le passé tout le haut du moulin avec une entrée par le toit ; moi je me réserve la pièce du bas, une petite pièce blanchie à la chaux, basse et voûtée comme un réfectoire de couvent.”


Alphonse Daudet (13 mei 1840 – 17 december 1897)
Cover

 

De Japanse schrijver Koji Suzuki werd geboren op 13 mei 1957 in Hamamatsu.Zie ook alle tags voor Kōji Suzuki op dit blog.

Uit: Ring (Vertaald door Robert B. Rohmer en Glynne Walley)

“She felt stifled-not exactly like she was suffocating, but like there was a weight pressing down on her chest. For some time Tomoko had been complaining to herself about how unfair life was, but now she was like a different person as she lapsed into silence. As she started down the stairs her heart began to pound for no reason. Headlights from a passing car grazed across the wall at the foot of the stairs and slipped away. As the sound of the car’s engine faded into the distance, the darkness in the house seemed to grow more intense. Tomoko intentionally made a lot of noise going down the stairs and turned on the light in the downstairs hall.
She remained seated on the toilet, lost in thought, for a long time even after she had finished peeing. The violent beating of her heart still had not subsided. She’d never experienced anything like this before. What was going on? She took several deep breaths to steady herself, then stood up and pulled up her shorts and panties together.
Mom and Dad, please get home soon,
she said to herself, suddenly sounding very girlish.
Eww, gross. Who am I talking to?
It wasn’t like she was addressing her parents, asking them to come home. She was asking someone else…
Hey. Stop scaring me. Please…
Before she knew it she was even asking politely.
She washed her hands at the kitchen sink. Without drying them she took some ice cubes from the freezer, dropped them in a glass, and filled it with coke. She drained the glass in a single gulp and set it on the counter. The ice cubes swirled in the glass for a moment, then settled. Tomoko shivered. She felt cold. Her throat was still dry. She took the big bottle of coke from the refrigerator and refilled her glass. Her hands were shaking now. She had a feeling there was something behind her. Some
thing -definitely not a person. The sour stench of rotting flesh melted into the air around her, enveloping her. It couldn’t be anything corporeal.”

 
Kōji Suzuki (Hamamatsu, 13 mei 1957)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13 mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Alphonse Daudet, Kōji Suzuki

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

Lectori salutem

Je fronst je lippen bij het lezen van de achterflap.
Je tandenknarst en spreidt je neusvleugels –
de onderlip kon wat meer nadruk hebben.
Het haar helt over je wenkbrauwen, valt dan
in pieken naar beneden.

Zo gaat het in een handomdraai pijpen-
stelen regenen op hardhorige tortelduiven
en zachtjes fluisterende pantervrouwen,
en alles wat in spiegelschrift geschreven
wordt, verdrinkt dan in de plas.

 

Zeer persoonlijke muggen en hun tijd

Het gieren van golven,
de versterkte luchtstroom.

‘Iets coronaals, dat je net hebt gehoord
als je het hoorde.’

Ze verscheen als een kleine zwarte stip
die zich traag maar zeker over de
zonneschijf voortbewoog.

De gedachte liet zich weer denken
dat automorfe functies toch wel
noodzakelijk waren.

‘Het kan zijn dat er iemand is.’
Aldus het nagelaten bloed.

Hebben we bewijs van spijt?

(Rommelige ingewikkelde grafieken.)
(Niets nieuws vergeleken bij vorig jaar.)

 

Fragmenten galopperen

Het labyrint, aandacht,
is niets dan een weg om het lichaam
van dit woord naar het volgende te voeren.

Hoe de hiel zich licht!
Hoe de enkel scharniert!

Das Fragment an sich, da capo con malinconia.

Askleurig stromend
laat de rivier dwars door goud
de tijger drinken.

Muze, vernietig ons integraal.
Handen, krabbelen maar.

The flight to Seoul [uitgesproken als ziel]
is now ready for boarding.

Lippen, doe jullie ding.

 
Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

Doorgaan met het lezen van “Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Alphonse Daudet, Kōji Suzuki”

Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Alphonse Daudet, Kōji Suzuki

De Vlaamse dichter Jan Lauwereyns werd geboren op 13 mei 1969 in Antwerpen. Zie ook alle tags voor Jan Lauwereyns op dit blog.

De bladzijden open

De bladzijden open
wacht je

op het als een bij zoemend dansen

een mug in de neusvleugel

reeds heb ik bijtspoortjes
op mijn oren

de moederkat schrikt terug

met van die witpluizige

die daar in je homepage
gevangen zitten

ik laat het geschip

doe het antieke kalfsleer toe

verhuis naar de voorleeskamer.

 

Je doet het of

Je doet het of
je doet het niet

happy time with animal

als je het doet
doe je het

oog op verzadiging
en lekkerness

zo klaar en gretig afgehandeld

logisch
filosofisch

dat de stilstand der dingen

op de heupen werkt
tot ik het daar daarvan

krijg

book off

en rap een beetje.


Jan Lauwereyns (Antwerpen, 13 mei 1969)

Doorgaan met het lezen van “Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin, Alphonse Daudet, Kōji Suzuki”

Martinus Nijhoff, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin

Bij Moederdag

 

cassat

Mary Cassat, Young Thomas And His Mother, 1893

 

Herinnering

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tesaam
Iedere nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen
Zat ik op uw schoot en dacht
In mijn nachtgoed, kleine jongen,
Aan ’t geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen
’t Oude altijd-eendre lied
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet.

Hoe zijn eeuwige, grote wondren
Steeds beschermend om ons zijn
– Nimmer zong je moeder, zonder ‘n
Beven dat refrein –

Dan zag ik de sterren flonkren
En de maan door de wolken gaan,
D’ Oude nacht met wijze, donkre
Ogen voor me staan.

 

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)

Doorgaan met het lezen van “Martinus Nijhoff, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin”

Bernard Clavel, Max Brand, Anne d’Orléans de Montpensier, Alfonsina Storni, Reinout Verbeke, Till Mairhofer

De Franse schrijver Bernard Charles Henri Clavel werd geboren op 29 mei 1923 in Lons-le-Saunier. Zie ook mijn blog van 29 mei 2009.

 

Uit: L’Ouvrier de la nuit

 

« Mon cher Jacques,
J’ai sur ma table, depuis trois jours, le seul exemplaire de « L’Ouvrier de la Nuit » que je possède ici. La couverture a bruni au soleil de quelque vitrine, elle est toute piquetée de cette neige couleur brou de noix qui est la rouille du papier et dont l’humidité jaspe les vieux livres.
Il est vrai, ce récit est déjà un vieux livre.
Si le bas de cette couverture demeure plus propre, c’est qu’il porte la trace de la bande dont vous aviez eu l’idée, Pierre Javet et toi-même, pour compléter le titre par cette formule qui était presque une question : « …ou le malheur d’être écrivain ».
La bande a disparu, mais ces mots ont pesé sur moi durant des années. Ils m’ont poursuivi comme un mauvais présage, comme ces phrases que les vieux paysans prononcent pour accueillir sur cette terre un enfant dont la naissance leur parait étrange. La bande a disparu, ce qu’elle disait a cessé de me poursuivre, amis il me reste du temps où j’écrivais ce livre, le souvenir précis, à la fois très proche et infiniment lointain. (…) notre amitié est étroitement liée à notre travail, à ce que nous voulons tirer de ce qu’il y a en nous de meilleur et de pire. Car nous avons en commun cet attachement à notre jeunesse et aux années les plus dures de notre vie (…) Au fond il suffit que le lecteur soit averti que ce livre est un cri, jeté sur le papier en quelques jours et en quelques nuits de fièvres. On peut retoucher une œuvre construite, on ne retouche pas un cri.(…) Si je fais aujourd’hui le compte de la douleur, de la peine, des nuits de veille, des déceptions, des sarcasmes encaissés, des jalousies sordides, des pièges de toutes sortes, des épreuves, des trahisons subies, des privations que j’ai imposées aussi aux miens, je suis tenté de dire que c’est, en effet, un très grand malheur que d’être atteint par le virus indestructible de l’écriture.”

 

bernard-clavel

Bernard Clavel (Lons-le-Saunier, 29 mei 1923)

 

 

De Amerikaanse schrijver Max Brand (eig. Frederick Schiller Faust) werd geboren op 29 mei 1892 in Seattle. Hij schreef voornamelijk onder pseudoniemen als Max Brand, , David Manning en Frederick Frost. In de jaren 1910 en 1920 schreef hij vooral verhalen voor pulpmahazines als Western Story Magazine. In 1938 keerde hij uit Europa terug naar de VS en vestigde hij zich in Hollywood. Daar groeide hij uit tot een van de best betaalde (script) schrijvers van zijn tijd. Ook voor zijn verhalen over Dr. Kildare ontving hij veel geld door de verfilming ervan door MGM. Faust relaiveerde zelf zijn succes en gebruikte zijn echte naam alleen voor publicatie van poëzie, zijn echte roeping.

 

Uit: Alcatraz

 

“The west wind came over the Eagles, gathered purity from the evergreen slopes of the mountains, blew across the foothills and league wide fields, and came at length to the stallion with a touch of coolness and enchanting scents of far-off things. Just as his head went up, just as the breeze lifted mane and tail, Marianne Jordan halted her pony and drew in her breath with pleasure. For she had caught from the chestnut in the corral one flash of perfection and those far-seeing eyes called to mind the Arab belief.

Says the Sheik: “I have raised my mare from a foal, and out of love for me she will lay down her life; but when I come out to her in the morning, when I feed her and give her water, she still looks beyond me and across the desert. She is waiting for the coming of a real man, she is waiting for the coming of a true master out of t
he horizon!”

Marianne had known thoroughbreds since she was a child and after coming West she had become acquainted with mere “hoss-flesh,” but today for the first time she felt that the horse is not meant by nature to be the servant of man but that its speed is meant to ensure it sacred freedom.

A moment later she was wondering how the thought had come to her. That glimpse of equine perfection had been an illusion built of spirit and attitude; when the head of the stallion fell she saw the daylight truth: that this was either the wreck of a young horse or the sad ruin of a fine animal now grown old.”

 

Maxbrand

Max Brand (29 mei 1892 – 12 mei 1944)

 

De Franse schrijfster Anne Marie Louise d’Orléans, hertogin van Montpensier, werd geboren op 29 mei 1627 in Parijs. Zie ook mijn blog van 29 mei 2007 en ook mijn blog van 29 mei 2009.

 

Uit: Memoires de Mademoiselle de Montpensier

 

« La reine, ma grand’mère, Marie de Médicis, m’aimoit extrêmement, et témoignoit, à ce que j’ai ouï dire, beaucoup plus de tendresse pour moi qu’elle n’avoit jamais fait pour ses propres enfants ; et comme Monsieur en avoit toujours été le plus chéri, cette considération, jointe à l’estime et à l’affection qu’elle avoit eues pour ma mère, fait qu’on ne doit pas s’étonner de l’amitié qu’elle avoit pour moi. Néanmoins j’ai malheureusement été privée d’en recevoir les effets par la disgrâce qui la fit sortir de France, parce que j’étois encore si jeune alors, que je ne me souviens pas seulement de l’avoir vue. Ce fut une perte qui me fut pas moins importante que celle que je fis à ma naissance, puisque je devois ; selon toutes les apparences, rencontrer en cette grande reine ce que j’avais perdue par la mort de ma mère. Ce n’est pas que madame de Saint-Georges, ma gouvernante, ne possédât, pour se bien acquitter de cette charge, toutes les qualités qu’on sauroit souhaiter. Quoique la capacité, la bonne conduite et la naissance se trouvent souvent dans les personnes qu’on met à cette place, celles de ma condition craignent si rarement celles qui sont au-dessous d’elles, quelque jeunes qu’elles soient, qu’il est comme nécessaire qu’une autorité supérieure seconde les soins de ceux qui les gouvernent : ce qui me fait oser dire que, s’il paroît en mois quelques bonnes qualités, elles y sont naturelles, et que l’on n’en doit rien attribuer à l’éducation, quoique très-bonne ; car je n’ai jamais eu l’appréhension du moindre châtiment. Ajoutez à cela qu’il est très-ordinaire de voir les enfants que l’on respecte, et à qui l’on ne parle que de leur grande naissance et de leurs grands biens, prendre les sentiments d’une mauvaise gloire. J’avois si souvent à mes oreilles des gens qui ne me parlaient que de l’un et de l’autre, que je n’eus pas de peine à me le persuader, et je demeurai dans un esprit de vanité fort incommode, jusqu’à ce que la raison m’eût fait connoître qu’il est de la grandeur d’une princesse bien née de ne pas s’arrêter à celle dont dont l’on m’avoit si souvent et si longtemps flattée. La naïveté avec laquelle je veux parler de tout ce que je vais raconter, me fait remarquer ici un trait de mon enfance. Quand l’on me parloit de madame de Guise, ma grand’mère,8 je disois : « Elle est ma grand’maman de loin ; elle n’est pas reine. »

 

Orleon

Anne d’Orléans de Montpensier (29 mei 1627 – 5 april 1693)
Standbeeld in de Jardin du Luxembourg.

 

 

Rectificatie

De Argentijnse dichteres Alfonsina Storni werd geboren in Sala Capriasca, Zwitserland op 29 mei 1892. Zie ook mijn blog van 22 mei 2007 en ook mijn mijn blog van 22 mei 2008 en ook mijn blog van 22 mei 2009.

To Eros

I caught you by the neck
on the shore of the sea, while you shot
arrows from your quiver to wound me
and on the ground I saw your flowered crown.

I disemboweled your stomach like a doll’s
and examined your deceitful wheels,
and deeply hidden in your golden pulleys
I found a trapdoor that said: sex.

On the beach I held you, now a sad heap,
up to the sun, accomplice of your deeds,
before a chorus of frightened sirens.
Your deceitful godmother, the moon
was climbing through the crest of the dawn,
and I threw you into the mouth of the waves.

 

 

To My Lady of Poetry

I throw myself here at your feet, sinful,
my dark face against your blue earth,
you the virgin among armies of palm trees
that never grow old as humans do.

I don’t dare look at your pure eyes
or dare touch your miraculous hand:
I look behind me and a river of rashness
urges me guiltlessly on against you.

With a promise to mend my ways through your
divine grace, I humbly place on your
hem a little green branch,
for I couldn’t have possibly lived
cut off from your shadow, since you blinded me
at birth with your fierce branding iron.

alfonsina-storni

Alfonsina Storni (29 mei 1892 – 25 oktober 1938)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Vlaamse dichter Reinout Verbeke werd geboren in 1981. Zie ook mijn blog van 29 mei 2009.

Vroegwoord

wat
als je handen voegwoorden zijn
en al te vroeg binden, terwijl mijn
zin nog koud is?

hoe
wij dan toch
over veel vertelde tijd
taal ophangen aan vingers en
ze uit haar voegen wrijven

tot
ze barst.

zoals
betekenis nu dichter
bij letters kruipt

zo ook wij

zo

verbeke

Reinout Verbeke (1981)

 

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 29 mei 2009.

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en uitgever Till Mairhofer werd geboren op 29 mei 1958 in Steyr. Zie ook mijn blog van 29 mei 2008.

André Brink, G. K. Chesterton, Leah Goldberg, Till Mairhofer, Hans Weigel, T. H. White, Bernard Clavel, Anne d’Orléans de Montpensier, Reinout Verbeke

De Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink werd geboren op 29 mei 1935 in Vrede. Zie ook mijn blog van 29 mei 2007 en ook mijn blog van 29 mei 2008.

 

Uit: Surprise Visit

 

“There is no one at the reception desk to welcome him. This suits him perfectly. One can only assess the standard of care-giving in an old-age home if they aren’t alerted to your coming. Even more important is that he wants to surprise her. He has something to tell her, something he has spent a lifetime looking for and which he must share with her. It is now almost two years since his last visit. One doesn’t feel good about these long intervals, but what else can one do? Princeton is not exactly round the corner from Cape Town. And, anyway, his sister Jolene is living right here in the city, close by, in Claremont, and since her husband’s death she hasn’t had much to occupy her. In any case, it isn’t as if Mum is really aware of what is going on around her. For at least three years now, since the last stroke, she has just been lying here. Waiting. For ‐ well. Still has some lucid moments, says Jolene, but fewer and further between. Hardly ever recognises anybody.

He goes through the reception area to the corridor, where he quickly makes sure that nobody is approaching from either end. Then, following Jolene’s instructions, he turns right. The last time he visited her was with his family, just before they left the country. Her room was to the left then, three doors down. But the home likes to shift them around. A change of scenery? Hardly. His own feeling is that the old people ‐ Mum, undoubtedly ‐ find these shifts deeply distressing. Every time it becomes a radical displacement. As bad as those moves in his youth, from one town to the next, as the bank authorities in their wisdom transferred them across the map of the country. Every time a new school, new friends, new teachers, new everything.”

 

Andre_Brink

André Brink (Vrede, 29 mei 1935)

 

 

De Engelse letterkundige, schrijver en journalist Gilbert Keith Chesterton werd geboren in Londen op 29 mei 1874. Zie ook mijn blog van 29 mei 2007 en ook mijn blog van 29 mei 2008.

Uit: Father Brown. The Essential Tales

Between the silver ribbon of morning and the green glittering ribbon of sea, the boat touched Harwich and let loose a swarm of folk like flies, among whom the man we must follow was by no means conspicuous—nor wished to be. There was nothing notable about him, except a slight contrast between the holiday gaiety of his clothes and the official gravity of his face. His clothes included a slight, pale grey jacket, a white waistcoat, and a silver straw hat with a grey-blue ribbon. His lean face was dark by contrast, and ended in a curt black beard that looked Spanish and suggested an Elizabethan ruff. He was smoking a cigarette with the seriousness of an idler. There was nothing about him to indicate the fact that the grey jacket covered a loaded revolver, that the white waistcoat covered a police card, or that the straw hat covered one of the most powerful intellects in Europe. For this was Valentin himself, the head of the Paris police and the most famous investiga
tor of the world; and he was coming from Brussels to London to make the greatest arrest of the century.
Flambeau was in England. The police of three countries had tracked the great criminal at last from Ghent to Brussels, from Brussels to the Hook of Holland; and it was conjectured that he would take some advantage of the unfamiliarity and confusion of the Eucharistic Congress, then taking place in London. Probably he would travel as some minor clerk or secretary connected with it; but, of course, Valentin could not be certain; nobody could be certain about Flambeau.

It is many years now since this colossus of crime suddenly ceased, keeping the world in a turmoil; and when he ceased, as they said after the death of Roland, there was a great quiet upon the earth. But in his best days (I mean, of course, his worst) Flambeau was a figure as statuesque and international as the Kaiser. Almost every morning the daily paper announced that he had escaped the consequences of one extraordinary crime by committing another. He was a Gascon of gigantic stature and bodily daring; and the wildest tales were told of his outbursts of athletic humour; how he turned the juge d’instruction upside down and stood him on his head, “to clear his mind”; how he ran down the Rue de Rivoli with a policeman under each arm.“

 

Gilbert_Keith_Chesterton2

G. K. Chesterton (29 mei 1874 – 14 juli 1936)

 

 

De Hebreeuwse dichteres, schrijfster en letterkundige Leah Goldberg werd geboren in Königsberg (Pruisen) op 29 mei 1911. Zie ook mijn blog van 29 mei 2007 en ook mijn blog van 29 mei 2008.

THE TREE SINGS TO THE RIVER

He who carried my golden autumn,
Swept away my blood with the leaf fall,
He who shall see my spring when it returns
To him with the turning of the year.

My brother, the river, who is forever lost,
New each day and different and one,
My brother the stream between his two shores
Who flows as I do between spring and fall.

 

For I am the bud and I am the fruit,
I am my future and I am my past,
I am the solitary tree trunk,
And you — you are my time and my song.

 

 

THE GIRL SINGS TO THE RIVER

To where will the stream carry my small face?
Why is he tearing my eyes?
My home is far away in a pine grove,
Sad is the swishing of my pines.

The river seduced me with a joyous song
Caroled and called me by my name,
I went to him, following the sound,
I abandoned my m
other’s house.

I am her only child, tender in years
And a cruel river is before me —
To where is he carrying my small face?
Why is he tearing my eyes?

 

Goldberg

Leah Goldberg (29 mei 1911 –  15 januari 1970)

 

 

De Oostenrijkse dichter, schrijver en uitgever Till Mairhofer werd geboren op 29 mei 1958 in Steyr. Zie ook mijn blog van 29 mei 2008

Wohin

w o h i n
sich die wortlosen wenden
weiß auch die nacht nicht
die sie verliert

denn diese nacht
reicht für ihr dunkel nicht aus
auch ist kein morgen
welcher sie ruft

fliehend erhellt
von der gegenwart schein
stürzen sie
durch die zeit

 

mairhofer

Till Mairhofer (Steyr, 29 mei 1958)

 

 

De Oostenrijkse schrijver en theatercriticus Hans Weigel werd geboren op 29 mei 1908 in Wenen. De jaren tussen 1938 en 1945 bracht hij door in ballingschap in Zwitserland. Samen met Friedrich Torberg was hij jarenlang verantwoordelijk voor een boycot van Bertold Brecht in de Oostenrijkse theaters omdat hij diens communistische wereldbeschouwing afwees. Tussen 1951 en 1954 gaf hij een serie bloemlezingen uit, waarin hij jonge schrijvers als Ingeborg Bachmann en Gerhard Fritsch introduceerde.

Uit: Niemandsland

“Österreich nimmt den Untergang Österreichs nicht zur Kenntnis. Man hört hier auch schon das verhängnisvolle Wort vom “kleineren Übel”, das in Deutschland geprägt worden ist, so lange, bis die Betonung von dem “kleiner” unerheblich immer mehr auf “Übel” gewechselt hatte, so lange, bis das Übel unversehens immer grösser und schliesslich das ganz grosse geworden war. Peter versucht vergeblich darzutun, dass man jedes Übel bekämpfen müsse, ob es nun kleiner oder grösser sei.

Peter kann solche Gespräche nicht mehr hören. Es ist gespenstisch, höllisch, dass man hier das selbe erleben muss wie draussen, einen Staat auf dem selben Weg in den Untergang sehen und ein Volk die selben selbstbetrügerischen Phrasen dazu sagen hören muss, ohne dass man helfen kann, ja ohne dass der dokumentarische Hinweis dieser Gleichartigkeit auch nur zur Kenntnis genommen wird.

Peter fühlt sich erschöpft und völlig leer. Alles, was er, seit er denken kann, erlebt hat, alle Enttäuschung, alle Fragwürdigkeit seiner Existenz und der letzten Tage zumal, alles steigt auf, wächst unerträglich in ihm an und höhlt ihn aus. Kein Erlebnis kann ihn aus dieser Hoffnungslosigkeit reissen, was immer geschieht, wird sie nur bestätigen, falls es unerfreulich, wird sie doppelt grausam machen, wenn es erfreulich ist.”

weigel

Hans Weigel (29 mei 1908 – 12 augustus 1991)

 

 

De Engelse schrijver Terence Hanbury (Tim) White werd geboren op 29 mei 1906 in Bombay (Mombai). Hij studeerde in Cheltenham en Cambridge. Hij is bekend geworden met zijn verhalenepos rond Koning Arthur, The Once and Future King, voor het eerst gepubliceerd in 1958. Het is in het Nederlands vertaald door Max Schuchart onder de titel “Arthur, Koning voor eens en altijd”. Een ander boek van White is “The Goshawk” (1951), een roman over het temmen en trainen van een havik voor de valkenjacht, gebaseerd op echte gebeurtenissen.

 

Uit: The Once and Future King

 

“When God had manufactured all the eggs out of which the fishes and the serpents and the birds and the mammals and even the duck-billed platypus would eventually emerge, He called the embryos before him, and saw that they were good.

Perhaps I ought to explain,’ added the badger, lowering his papers nervously and looking at Wart over the top of them, ‘that all embryos look very much the same. They are what you are before you are born – and, whether you are going to be a tadpole or a peacock or a cameleopard or a man, when you are an embryo you just look like a peculiarly repulsive and helpless human being. I continue as follows:

The embryos stood in front of God, with their feeble hands clasped politely over their stomachs and their heavy heads hanging down respectfully, and God addressed them.”

thwhite

T. H. White (29 mei 1906 – 17 januari 1964)

 

De Franse schrijver Bernard Charles Henri Clavel werd geboren op 29 mei 1923 in Lons-le-Saunier. Clavel is een autodidact die diverse baantjes had totdat hij in de jaren vijftig als journalist begon te werken. Na de oorlog werkte hij voor een verzekering en pas in 1964 kon hij zich geheel wijden aan het schrijven. Zijn eerste roman L’Ouvrier de la nuit verscheen in 1956.

Uit: Les roses de Verdun

« Ce soir-là, j’ai senti qu’il serait plus convenable de ma part de laisser mes patrons en famille. Vers sept heures, j’ai demandé si je pouvais disposer.
– Mais il faut que vous mangiez, Laubier, a tonné Monsieur. Vous n’allez pas me laisser tomber. C’est indigne d’un poilu!
– Je n’ai pas faim, Monsieur, et j’aimerais aller au cinéma. J’ai vu qu’on donne Les gueux au paradis. J’aime bien Fernandel et Raimu.
Monsieur m’a lancé:
– C’est parfait, mon petit. Mais n’allez pas courir la gueuse. Ça ne mène pas au paradis et je veux vous avoir en forme demain matin.
Je crois qu’ils ont compris que je me retirais par discrétion et apprécié mon attitude.
Il ne pleuvait plus. Il faisait beaucoup plus froid. Une bise aigre prenait la rue en enfilade. Le cinéma n’était pas loin, mais j’étais très en avance. Je suis entré dans un café où j’ai bu un canon de rouge en mangeant une curieuse petite tarte salée achetée dans la charcuterie voisine. Il n’y avait pas grand monde dans ce bistro. Seulement des habitués. Ils parlaient au patron, gros homme rouge qui boitait bas. Quatre vieux jouaient aux cartes en se chamaillant. Quand le patron m’a servi, il a regardé ma boutonnière.
– Alors, on vient revoir les anciens?
Il m’a demandé dans quel régiment j’avais servi, j’ai répondu, et deux hommes sont entrés, qu’il a rejoints. J’étais soulagé qu’il me laisse tranquille. Il ne pouvait pas mieux dire quand il parlait de revoir les anciens. Depuis que j’avais quitté l’hôtel, ils étaient tous après moi, mes copains. Surtout les morts. C’était curieux, car ils ne faisaient pratiquement rien. Ils se contentaient d’être des visages sous des képis ou des casques. Et sous pas mal de boue brune aussi. »

Clavel

Bernard Clavel (Lons-le-Saunier, 29 mei 1923)

 

 

De Franse schrijfster Anne Marie Louise d’Orléans, hertogin van Montpensier, werd geboren op 29 mei 1627 in Parijs. Zie ook mijn blog van 29 mei 2007.

 

Uit: MÉMOIRES DE MLLE DE MONTPENSIER

“Le commencement du malheur de ma maison arriva peu après ma naissance (29 mai 1627), puisqu’elle fut suivie de la mort de ma mère 1 : ce qui a bien diminué de la bonne fortune que le rang que je tiens me devoit faire attendre. Les grands biens que ma mère a laissés à sa mort, et dont je suis seule héritière, pouvoient bien, dans l’opinion de la plupart du monde, me consoler de l’avoir perdue. Pour moi, qui conçois aujourd’hui de quel avantage m’auroient été ses soins dans mon éducation, et son crédit, joint à sa tendresse, dans mon établissement, je ne saurois assez regretter sa perte.

Bientôt après qu’elle fut morte, on fit ma maison, et l’on me donna un équipage bien plus grand que n’en a jamais eu aucune fille de France, même pas une de mes tantes, les reines d’Espagne2 et d’Angleterre3 et la duchesse de Savoie4, avant que d’être mariées. La reine, ma grand’mère5, me donna pour gouvernant madame la marquise de Saint-Georges6, de qui le mari étoit de la maison de Clermont d’Amboise ; elle étoit fille de madame la marquise de Montglat, qui avoit été gouvernant du feu roi, de Monsieur, de feu mon oncle7 le duc d’Orléans, et de toutes mes tantes ; et c’étoit une personne de beaucoup de vertu, d’esprit et de mérite, qui connoissoit parfaitement bien la cour. »

Montpensier

Anne d’Orléans de Montpensier (29 mei 1627 – 5 april 1693)

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Vlaamse dichter Reinout Verbeke werd geboren in 1981. Hij won al heel jong de Anton Van Wilderodeprijs en daarna nog diverse prijzen. Gedichten van hem werden opgenomen in tijdschriften als  Dietsche Warande en Belfort, Gierik, De Brakke Hond, KFV-Mededelingen, Ambrozijn  en in de bloemlezing ” Op het oog. 21 dichters voor de 21e eeuw “.  Hij is de organisator van het poëziefestival Literaire Living en treedt sinds 2007 onder de naam Reinout met Nevenwerking op met muziek en poëzie.  Professioneel werkt hij bij het maandblad EOS, waarvan hij enkele jaren eindredacteur is geweest en nu ‘ Nieuwscoördinator on line’

 

Axon

 

ik heb een zwemster in mijn lijf

ze peddelt traag mijn lichaam

door

tikt randen die geen randen zi
jn

maar volgehouden

randgedachten

 

bloedgeil word ik daarvan

ze is mijn onderhuidse gast

ze is een zenuw op de tast

een axon zonder plan

 

zwemmen is niet het water

mennen

maar altijd verliezen van

 

ik heb een zwemster in mijn lijf

gevoeld

ze zwom de gedachte los

aan een rand, spoelde aan in een

spier

 

ReinoutVerbeke

Reinout Verbeke (1981)