Ik ben de kleine dochter van Jaïrus (Ed Hoornik)

Bij de 6e zondag na Pinksteren

 

 
Die Erweckung der Tochter des Jairus door Albert von Keller, 1886

 

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus

Ik ben de kleine dochter van Jaïrus.
Ik lig hier op een veel te grote baar.
De dood zit in mijn ogen en mijn haar,
dat, nu de krul eruit is, zonder zwier is.

Ik mis mijn pop, die nu zij niet meer hier is,
slaapt als ik slaap, de vingers in elkaar.
Ik weet dat twee en twee te zamen vier is,
maar nu ik dood ben, is dat niet meer waar.

Waarom had ik daarstraks ook weer verdriet?
Er zou een man die toveren kon, komen,
mij beter maken, maar toen kwam hij niet.

De mensen op het dak en in de bomen
gingen naar huis, maar ik blijf van hem dromen.
Morgen ben ik de eerste die hem ziet.

 

 
Ed Hoornik (9 maart 1910 – 1 maart 1970)
De Nieuwe Kerk in Den Haag, de geboorteplaats van Ed Hoornik

 

Zie voor de schrijvers van de 1e juli ook mijn vorige blog van vandaag.

Magdalene—The Seven Devils (Marie Howe)

 

Bij de derde zondag na Pinksteren

 

 
La guérison du Démoniaque door Sébastien Bourdon, 1660

 

Magdalene—The Seven Devils

“Mary, called Magdalene, from whom seven devils had been cast out”,Luke 8:2.

The first was that I was very busy.

The second—I was different from you: whatever happened to you could
not happen to me, not like that.

The third—I worried.

The fourth—envy, disguised as compassion.

The fifth was that I refused to consider the quality of life of the aphid,
The aphid disgusted me. But I couldn’t stop thinking about it.
The mosquito too—its face. And the ant—its bifurcated body.

Ok the first was that I was so busy.

The second that I might make the wrong choice,
because I had decided to take that plane that day,
that flight, before noon, so as to arrive early
and, I shouldn’t have wanted that.
The third was that if I walked past the certain place on the street
the house would blow up.

The fourth was that I was made of guts and blood with a thin layer
of skin lightly thrown over the whole thing.

The fifth was that the dead seemed more alive to me than the living

The sixth—if I touched my right arm I had to touch my left arm, and if I
touched the left arm a little harder than I’d first touched the right then I had
to retouch the left and then touch the right again so it would be even.

The seventh—I knew I was breathing the expelled breath of everything that
was alive, and I couldn’t stand it.
I wanted a sieve, a mask, a, I hate this word—cheesecloth—
to breath through that would trap it—whatever was inside everyone else that
entered me when I breathed in.

No. That was the first one.

The second was that I was so busy. I had no time. How had this happened?
How had our lives gotten like this?

The third was that I couldn’t eat food if I really saw it—distinct, separate
from me in a bowl or on a plate.

Ok. The first was that. I could never get to the end of the list.
The second was that the laundry was never finally done.

The third was that no one knew me, although they thought they did.
And that if people thought of me as little as I thought of them then what was
love?

The fourth was I didn’t belong to anyone. I wouldn’t allow myself to belong
to anyone.

The fifth was that I knew none of us could ever know what we didn’t know.

The sixth was that I projected onto others what I myself was feeling.

The seventh was the way my mother looked when she was dying,
the sound she made—her mouth wrenched to the right and cupped open
so as to take in as much air… the gurgling sound, so loud
we had to speak louder to hear each other over it.

And that I couldn’t stop hearing it—years later—grocery shopping, crossing the street—

No, not the sound—it was her body’s hunger
finally evident—what our mother had hidden all her life.

For months I dreamt of knucklebones and roots,
the slabs of sidewalk pushed up like crooked teeth by what grew underneath.

The underneath. That was the first devil. It was always with me
And that I didn’t think you—if I told you—would understand any of this—

 

 
Marie Howe (Rochester, 1950)
Christ Church, in Rochester, New York, de geboorteplaats van Marie Howe

 

Zie voor de schrijvers van de 10e juni ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Pinksteren II (Willem de Mérode)

Prettige Pinksterdagen!

 

 
De nederdaling van de Heilige Geest door Francesco de Mura, midden 18e eeuw

 

Pinksteren II

Wij smeeken: met Uw Geestes gloed
Verteer ons als een offerande.
O, dit is onze diepe schande
Dat wij zoo koud zijn van gemoed.

Als een versiersel op ons hoofd
Willen we uw stille vlam wel dulden,
O God, vergeef ons onze schulden,
Dit: dat ons hart is uitgedoofd.

Neem weg, het vooze pronkend woord,
Dat U niet kent, ons niet behoort,
Geleend geluk, geborgde schande,

En hoor de oprechte rauwe kreet,
Die scheuren in Uw hemel reet
Verteer ons als een offerande.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 –  22 mei 1939)
Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode, geschilderd door Ciano Siewert, z.j.

 

Zie voor de schrijvers van de 21e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Pinksteren I (Willem de Mérode)

Prettige Pinksterdagen!

 

 
Pinksteren. Atelier van Bernard van Orley, 1520-25

 

Pinksteren I

Ze wisten niet, dat God kan bloeien
Uit mannen zoo verweerd en grauw,
En dat zijn Geest een vale vrouw
Gelijk een versche roos doet gloeien;
Dat stemmen, heesch van weer en wind
En schettrend op de vingers gillen,
zóó teêr de harten kunnen stillen
En koestren als een moeder ’t kind.

Dan, in het kijfgejoel van dwaze
Vermoedens, slingerde een de fraze:
‘Ze baaz’len wijl ze dronken zijn’.
Maar Petrus sprak, en met vervaren
Gevoelden vélen dat zij waren
Zelf vol van dezen heilgen wijn.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 –  22 mei 1939)
Het Groningse dorp Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 20e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Pinksteren (Jan Willem Schulte Nordholt)

Prettige Pinksterdagen!

 

 
Pinksteren door Juan Bautista Maíno, 1612-1614

 

Pinksteren

Een groot effect zoals op een toneel,
het stelt een kamer voor, er zitten mannen,
een vrouw ook, duidelijk bedroefd, gespannen,
bij ’t praten stokt de stem hun in de keel.

De roffel van een stormwind, bliksemlicht
verspreid in vonken, wirwar van geluiden
die zich tot taal die iedereen kan duiden,
tot ieders eigen moedertaal verdicht.

In het decor opent zich deur na deur,
vensters geven op vergezichten uit
in een volmaakt arcadisch licht gehuld.

Van een godzalig visioen vervuld
verrijst het enthousiast publiek om luid
hulde te brengen aan de Regisseur.

 

 
Jan Willem Schulte Nordholt (12 september 1920 – 16 augustus 1995)
Zwolle. De dichter Schulte Nordholt werd geboren in Zwolle.

 

Zie voor de schrijvers van de 4e juni ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Am Pfingstmontage (Annette von Droste-Hülshoff)

Prettige Pinksterdagen!

 

 

 

Pinksteren door de “Meister des Salemer Heiligenaltars”, eind 15e eeuw

 

 

Am Pfingstmontage

“Also hat Gott die Welt geliebt, daß er ihr seinen
eingeborenen Sohn gesandt hat, damit Keiner,
der an ihn glaubt, verloren gehe. – Wer aber
nicht glaubt, der ist schon gerichtet”

Ist es der Glaube nur, dem du verheißen,
Dann bin ich tot.
O, Glaube, wie lebend’gen Blutes Kreisen,
Er tut mir not;
Ich hab’ ihn nicht.
Ach, nimmst du statt des Glaubens nicht die Liebe
Und des Verlangens tränenschweren Zoll,
So weiß ich nicht, wie mir noch Hoffnung bliebe.
Gebrochen ist der Stab, das Maß ist voll
Mir zum Gericht.

Mein Heiland, der du liebst, wie Niemand liebt;
Fühlst du denn kein
Erbarmen, wenn so krank und tiefbetrübt
Auf hartem Stein
Dein Ebenbild
In seiner Angst vergehend kniet und flehet?
Ist denn der Glaube nur dein Gotteshauch?
Hast du nicht tief in unsre Brust gesäet
Mit deinem eignen Blut die Liebe auch?
O sei doch mild!

Ein hartes, schweres Wort hast du gesagt:
Daß, wer nicht glaubt,
Gerichtet ist. Ich seh’ nicht, wo es tagt;
Doch so beraubt
Läßt er mich nicht,
Der hingab seinen Sohn, den eingebornen,
Für Sünder wie für Fromme allzugleich.
Zu ihm ich schau, die Ärmste der Verlornen,
Nur um ein Hoffnungswort; er ist so reich,
Mein Gnadenlicht.

Du Milder, der die Taufe der Begierde
So gnädiglich
Besiegelt selbst Sakramentes Würde:
Nicht zweifle ich,
Du hast gewiß
Den Glauben des Verlangens, Sehnens Weihe
Gesegnet auch, sonst wärst du wahrlich nicht
So groß an Milde und so stark an Treue,
Brächst du ein Zweiglein, draus die Knospe bricht
Und Frucht verhieß.

Was durch Verstandes Irren ich verbrochen,
Ich hab’ es ja
Gebüßt so manchen Tag und manche Wochen;
So sei mir nah
Nach meiner Kraft,
Die freilich ich geknickt durch eigne Schulden,
Doch einmal aufzurichten nicht vermag,
Will hoffen ich, will sehnen ich, will dulden;
Dann gibst du Treuer wohl den Glauben nach,
Der Hilfe schafft.

 

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Drostes Pianoforte in het Fürstenhäusle in Meersburg

 

 

Zie voor de schrijvers van de 20e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

 

Annette von Droste-Hülshoff, Louis-Ferdinand Céline, Jan Blokker, Niels ’t Hooft

Prettige Pinksterdagen!

 

vandyk

The Descent of the Holy Spirit, Anthony van Dyck. 1618-1620

 

Am Pfingstsonntage

Still war der Tag, die Sonne stand
So klar an unbefleckten Domeshallen;
Die Luft in Orientes Brand
Wie ausgedorrt, ließ matt die Flügel fallen.
Ein Häuflein sieh, so Mann als Greis,
Auch Frauen knieend, keine Worte hallen,
Sie beten leis.
Wo bleibt der Tröster, treuer Hort,
Den scheidend doch verheißen du den Deinen?
Nicht zagen sie; fest steht dein Wort,
Doch bang und trübe muß die Zeit wohl scheinen.
Die Stunde schleicht; schon vierzig Tag’
Und Nächte harrten sie in stillem Weinen,
Und sahn dir nach.
Wo bleibt er? wo nur? Stund’ an Stund’,
Minute will sich reihen an Minuten.
Wo bleibt er denn? – und schweigt der Mund:
Die Seele spricht es unter leisem Bluten.
Der Wirbel stäubt, der Tiger ächzt
Und wälzt sich keuchend durch die sand’gen Fluten,
Die Schlange lechzt.
Da horch! ein Säuseln hebt sich leicht!
Es schwillt und schwillt und steigt zu Sturmes Rauschen.
Die Gräser stehen ungebeugt;
Die Palme starr und staunend scheint zu lauschen.
Was zittert durch die fromme Schar,
Was läßt sie bang’ und glühe Blicke tauschen?
Schaut auf! nehmt wahr!
Er ist’s, er ist’s; die Flamme zuckt
Ob jedem Haupt; welch wunderbares Kreisen,
Was durch die Adern quillt und ruckt!
Die Zukunft bricht, es öffnen sich die Schleusen,
Und unaufhaltsam strömt das Wort
Bald Heroldsruf und bald im flehend leisen
Geflüster fort.
O Licht, o Tröster, bist du, ach!
Nur jener Zeit, nur jener Schar verkündet?
Nicht uns, nicht überall, wo wach
Und trostesbar sich eine Seele findet?
Ich schmachte in der schwülen Nacht,
O leuchte, eh das Auge ganz erblindet;
Es weint und wacht!



Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Het kabinet ‚Annette von Droste-Hülshoff’ in het Stadtmuseum, Münster

Continue reading “Annette von Droste-Hülshoff, Louis-Ferdinand Céline, Jan Blokker, Niels ’t Hooft”