Pavel Kohout, Lotte Ingrisch, Elfriede Kern, Thomas Berger, Thomas Lovell Beddoes

De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd. Zie ook alle tags voor Pavel Kohoutop dit blog.

Uit: The Widow Killer (Vertaald door Neil Bernel)

“Thunder, mused Chief Inspector Buback, in February? It was over before he knew it. A large aerial bomb, he realized, and it had fallen uncomfortably close by.

    The building of the Prague Gestapo, where Buback worked as liaison officer for the Reich’s criminal police office, swayed wildly for what seemed like an eternity, but did not collapse. The proverbial quiet followed the storm; time stopped. Eventually sirens began to wail, and the officers and secretaries trooped down to the shelter.

    He stared, motionless, at the two faces on his desk.

    Buback disliked the shelter, in the basement of the old Petschke Bank. Some of its safes had been converted into cells; he’d heard a good interrogation there helped political prisoners remember all sorts of forgotten details. So he stayed upstairs, thunderstruck: the blast and the shaking had brought Hilde and Heidi back to life.

    Their framed picture had traveled with him throughout the war. The offices changed, as did the cities and countries, but everywhere they had smiled radiantly at him, older and younger versions of a quiet, soothing loveliness. He conducted meetings and interrogations as they gazed at him from that final peacetime summer on the Isle of Sylt; for the most part he barely noticed them. But not an hour went by without Buback remembering in a flash of joy that they were alive.

    They had been on his desk last year in Antwerp as men in other departments prepared for the retreat by burning documents in the courtyard. He had sneezed as the pungent smoke tickled his nose, and for a moment he did not understand the voice on the telephone telling him that both of them were dead. The smiles in the picture still glowed inside him; they flatly contradicted what he heard. Then the official from Berlin headquarters read him the police report.”

Pavel Kohout (Praag, 20 juli 1928)
Doorgaan met het lezen van “Pavel Kohout, Lotte Ingrisch, Elfriede Kern, Thomas Berger, Thomas Lovell Beddoes”

Cormac McCarthy, Pavel Kohout, Elfriede Kern, Thomas Berger, Thomas Lovell Beddoes, Lotte Ingrisch

De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007en ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009 en ook mijn blog van 20 juli 2010

Uit: Cities of The Plain

„Late that night lying in his bunk in the dark he heard the kitchen door close and heard the screendoor close after it. He lay there. Then he sat and swung his feet to the floor and got his boots and his jeans and pulled them on and put on his hat and walked out. The moon was almost full and it was cold and late and no smoke rose from the kitchen chimney. Mr Johnson was sitting on the back stoop in his duckingcoat smoking a cigarette. He looked up at John Grady and nodded. John Grady sat on the stoop beside him. What are you doin’ out here without your hat? he said.
I don’t know.
You all right?
Yeah. I’m all right. Sometimes you miss bein’ outside at night. You want a cigarette?
No thanks.
Could you not sleep either?
No sir. I guess not.
How’s them new horses?

I think he done all right.
Them was some boogerish colts I seen penned up in the corral.
I think he’s goin’ to sell off some of them.
Horsetradin’, the old man said. He shook his head. He smoked.
Did you used to break horses, Mr Johnson?
Some. Mostly just what was required. I was never a twister in any sense of the word. I got hurt once pretty bad. You can get spooked and not know it. Just little things. You don’t hardly even know it.
But you like to ride.
I do. Margaret could outride me two to one though. As good a woman with a horse as I ever saw. Way better’n me. Hard thing for a man to admit but it’s the truth.
You worked for the Matadors didn’t you?
Yep. I did.
How was that?
Hard work. That’s how it was.
I guess that ain’t changed.
Oh it probably has. Some. I was never in love with the cattle business. It’s just the only one I ever knew.
He smoked.“

Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)
Doorgaan met het lezen van “Cormac McCarthy, Pavel Kohout, Elfriede Kern, Thomas Berger, Thomas Lovell Beddoes, Lotte Ingrisch”

Hans Lodeizen, Uwe Johnson, Simin Behbahāni, Francesco Petrarca, Maurice Gilliams, Erik Axel Karlfeldt, Cormac McCarthy, Pavel Kohout, Elfriede Kern, Thomas Berger, Lotte Ingrisch, Thomas L. Beddoes

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006 en ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009.

Een lege postbode verdrinkt op de landweg
(Voor A. Morriën)

het is verdomd al weer haast herfst
en mijn vermoeid lichaam dat geen honing kent
lichaam zwak boven mate en gespleten
het is een oud huis als in Greenwich Village

de bomen staan haastig in te pakken
hun bladeren gaan in de koffers van de grond
de wind is een gezwinde sleutel
en over het deksel legt zij een kleed van wolken

de vensters van mijn lichaam zijn blind
en bij het haardvuur van mijn dromen zie ik
de dagen als vlammen boompje verwisselen
en weggaan in een oude stam van het huis

hoe laat zou het al zijn de rivieren staan
te heupwiegen als een raam tegen het landschap
mijn lichaam mijn teder lichaam zachtjes heengaand
of een lege postbode verdrinkt in de landweg.


als je triest bent

als je triest bent zegt de dokter
moet je meer eten klieren die slecht
werken hebben voedsel nodig om
op toeren te raken dat is logisch
maar de dokter denkt niet aan mij.

tweemaal in één rondgang van
het wiel voelde ik hoe groot de zon
was ook als de zomer niet meloenen
langs het gras uitspreidt en zachte
misère goedmoedig over het pad hobbelt.



winter, jij bent een slechtaard
in de huizen verstop je je
als een kind zie ik je alle scholen
binnen hollen met je lichaam
in een tas o winter jij bent
een slechte meester

een klein beetje vuurwerk daarmee
ben ik tevreden o winter geef mij
wat vrolijkheid knip een stuk
van deze middag af gooi een sprookje
in het water van de nacht
o slechte meester

dag slechte winter, scharenslijper,
met geschramde knieën hol je
over de speelplaats als knikkers
uit de wolken van een hemel naar het blauwe
hemd waar het witte krijtje rijdt van
een slechte meester.


 Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)


De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009.

Uit: Jahrestage

21. August, 1967 Montag
Aufklarendes Wetter in Nordvietnam erlaubte der Luftwaffe Angriffe nördlich von Hanoi. Die Marine bombardierte die Küsten mit Flugzeugen und feuerte Achtzollgranaten in die entmilitarisierte Zone. Im Süden wurden vier Hubschrauber abgeschossen. Die Unruhen in New Haven gingen gestern weiter mit Bränden, eingeschlagenen Schaufenstern, Plünderung: weitere 112 Personen sind festgenommen worden.
Neben dem Zeitungenstapel wartet eine kleine gusseiserne Schale, über die die gekrümmte Hand des Händlers vorstößt, ehe sie noch die Münze hat abwerfen können […]
Gesine Cresspahl kauft die New York Times wochentags am Stand, der Bote könnte ihre Frühstückszeit doch verfehlen […]
23. August, 1967 Mittwoch
Die Luftwaffe flog gestern 132 Angriffe auf Nordvietnam […]
In der Nacht in New Haven gingen fünfhundert Polizisten Patrouille in den Negervierteln, durchsuchten Autos, hielten Scheinwerfer gegen die Fenster, verhafteten hundert Leute […]
Im August 1931 saß Cresspahl in einem schattigen Garten an der Travemündung, mit dem Rücken zur Ostsee, und las in einer englischen Zeitung, die fünf Tage alt war.”


 Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)


De Iraanse dichteres en schrijfster Simin Behbahāni werd geboren in Teheran op 20 juli 1927. Zie ook mijn blog van 20 juli 2009.

Stop Throwing My Country To The Wind

If the flames of anger rise any higher in this land
Your name on your tombstone will be covered with dirt.

You have become a babbling loudmouth.
Your insolent ranting, something to joke about.

The lies you have found, you have woven together.
The rope you have crafted, you will find around your neck.

Pride has swollen your head, your faith has grown blind.
The elephant that falls will not rise.

Stop this extravagance, this reckless throwing of my country to the wind.
The grim-faced rising cloud, will grovel at the swamp’s feet.

Stop this screaming, mayhem, and blood shed.
Stop doing what makes God’s creatures mourn with tears.

My curses will not be upon you, as in their fulfillment.
My enemies’ afflictions also cause me pain.

You may wish to have me burned , or decide to stone me.
But in your hand match or stone will lose their power to harm me.


Simin Behbahāni (Teheran, 20 juli 1927)


De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009.


Ihr, die ihr hört in manch zerstreuter Zeile
der Seufzer Ton, die mir das Herz genähret
solang der erste Jugendwahn gewähret,
da ich ein andrer war wie jetzt zum Teile:

Von jedem, der erprobt der Liebe Pfeile,
hoff’ ich, wenn ihm manch wechselnd Blatt erkläret,
wie eitles Leid und Hoffen mich verzehret,
wird nicht Verzeihn bloß, Mitleid mir zuteile.

Wohl seh’ ich jetzt, wie ich zu lange Zeiten
der Menschen Fabel war, und muß entbrennen
vor Scham, wenn ich mich mahn’ an mein Versäumen.

Und Scham ist nun die Frucht der Eitelkeiten,
und büßendes Bereu’n und klar Erkennen,
das, was der Welt gefällt, ein kurzes Träumen.


Es war der Tag, wo man der Sonne Strahlen
Mitleid um ihren Schöpfer sah entfärben:
Da ging ich sorgenlos in mein Verderben,
Weil eure Augen mir die Freiheit stahlen.

Die Zeit schien nicht gemacht zu Amors Wahlen,
Und Schirm und Schutz vor seinem Angriff werben,
Unnötig; so begannen meine herben
Drangsale mit den allgemeinen Qualen.

Es fand der Gott mich da ohn alle Wehre,
Den Weg zum Herzen durch die Augen offen,
Durch die seitdem der Tränen Flut gezogen.

Doch, wie mich dünkt, gereichts ihm nicht zur Ehre:
Mich hat sein Pfeil in schwachem Stand getroffen,
Euch, der Bewehrten, wies er kaum den Bogen.


Vertaald door August Wilhelm Schlegel


 Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)


De Vlaamse dichter en schrijver Maurice Gilliams werd geboren in Antwerpen op 20 juli 1900. Zie ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009.


Het is een land van grijsaards na de zomer,
hier geeuwt de heide in haar gal van zonde;
het bruin der eiken heeft de geur van honden,
het dorp gloeit in zijn klokken van oktober.

De honing druipt vermoeid in aarden potten
waaraan de handen zich getroost verenen;
en eenzaam duurt ’t gemaal der molenstenen,
’t kasteel staat in zijn grachten te verrotten.

Sterfbedden blinken van het goud der vaderen,
’t is avond en de zonen zien het wonder:
’t geboortehuis dompelt in nevel onder
en jeugd en lief en ’t ál zijn niet te naderen.



Zondag op het land.
Roken en door ’t venster staren:
linden voor de gevel,
trage knapen gaan voorbij.

Zomeravond op de velden
en de verre treinen kan men horen.
Grachten die naar heimwee smaken,
vergezichten, klokken die mij plagen
komen ’t hart zijn honing roven.

En de dorpen die ik door wil trekken,
waar de bruiden wonen,
waar de boten varen op de stromen,
roepen mij in ’t dalend donker:
in het koren staat een huis.

Maar ik toef hier voor het venster
van een boerenkamer
waar een stoel de stilte tekent
en de bloemen bruin verwelken
in een glas groen water.


Maurice Gilliams (20 juli 1900 – 18 oktober 1982)


De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009.

Ich teile gerne

Ich teile gerne
mein Los in Liebe und Haß;
Glück und Schmerz, zu erleiden
das vollgerüttelte Maß.

Sub luna morior.
Dunkel ist meine Gruft.
Gib mich der Scholle hin
oder zerstäub mich in Luft:
drei Schaufeln Erde,
ein Häuflein verglühte Schicht,
flatternd, wie meine Sehnsucht
flattert im mondklaren Licht.



Wenn Birkenblätter wie goldner Schaum
wirbeln auf welkenden Matten,
spinn unter Dach deinen friedlichen Traum
in Mitternachts Wolkenschatten.

Wenn der Wind an deinem Fenster erscheint,
ein schneebleicher Freiersmann,
träume, daß er es gut mit dir meint
und dir nichts anhaben kann.

Träume vom spielenden Sonnenstaub,
dem heiteren, sommerwarmen,
und daß du, umhegt von grünem Laub,
geschlafen in meinen Armen.


Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)
Portret door Johan Axel Gabriel Acke


De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009.

Uit: No Country for Old Men

I sent one boy to the gaschamber at Huntsville. One and only one. My arrest and my testimony. I went up there and visited with him two or three times. Three times. The last time was the day of his execution. I didnt have to go but I did. I sure didnt want to. He’d killed a fourteen year old girl and I can tell you right now I never did have no great desire to visit with him let alone go to his execution but I done it. The papers said it was a crime of passion and he told me there wasnt no passion to it. He’d been datin this girl, young as she was. He was nineteen. And he told me that he had been plannin to kill somebody for about as long as he could remember. Said that if they turned him out he’d do it again. Said he knew he was goin to hell. Told it to me out of his own mouth. I dont know what to make of that. I surely dont. I thought I’d never seen a person like that and it got me to wonderin if maybe he was some new kind. I watched them strap him into the seat and shut the door. He might of looked a bit nervous about it but that was about all. I really believe that he knew he was goin to be in hell in fifteen minutes. I believe that. And I’ve thought about that a lot. He was not hard to talk to. Called me Sheriff. But I didnt know what to say to him. What do you say to a man that by his own admission has no soul? Why would you say anything? I’ve thought about it a good deal. But he wasnt nothin compared to what was comin down the pike.
They say the eyes are the windows to the soul. I dont know what them eyes was the windows to and I guess I’d as soon not know. But there is another view of the world out there and other eyes to see it and that’s where this is goin. It has done brought me to a place in my life I would not of thought I’d of come to.“


 Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)


De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd. Zie ook mijn blog van 20 juli 2008 en ook mijn blog van 20 juli 2009.

Uit: Meine Frau und ihr Mann (Vertaald door Karl-Heinz Jahn’

Vilém Rosol hatte sich niemals gegen die strenge und bigotte Erziehung seiner Eltern aufgelehnt. Sein dadurch äußerst scheu und keusch geratenes Wesen sah sich unverhofft einer Frau mit “Vergangenheit” ausgeliefert, die ihr Leben als Helikonspielerin in einer Damenkapelle verdingte. Auch Liliane bewies eine schier überwältigende Dominanz und spricht sogar bei der überstürzten Vermählung für Vilém das Ja-Wort. Er schien jedoch nun im siebten Himmel zu sein…
Pavel Kohout zieht mit seinen 70 Jahren noch einmal richtig vom Leder. Die Beichte von Vilém Rosol über “MEINE FRAU UND IHR MANN” ist eine messerscharfe Satire in zwei Teilen. Der Anfang wurde noch vor Kohouts Ausbürgerung verfaßt und ist von jener augenzwinkernden Leichtigkeit, die ein wenig an die alte Schule eines Schweijk erinnert. Vor einem halben Jahr fertiggestellt, weist der zweite Teil formal keinen Bruch zum ersten auf, zieht jedoch in seinen Volten um einiges an und mündet schließlich in einem hochexplosiven Finale. Anfangs noch als privates Idyll mißzuverstehen, werden die Anspielungen auf die neue tschechischen Republik bald unübersehbar. Satire darf alles – ein Hoch auf die Demokratie, die soviel schwarzhumorige Nabelschau und bitterböse Hoffnungslosigkeit erträgt!.“


Pavel Kohout (Praag, 20 juli 1928)


De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Kern werd geboren op 20 juli 1950 in Bruck an der Mur. Zie ook mijn blog van 20 juli 2009.

Uit: Kopfstücke

`Es ist doch mein Kopf, hat er gesagt, wie kann man mir verbieten, an meinem eigenen Kopf ein kleines Experiment vorzunehmen? Ich bin nicht überrascht. Ich weiß längst, worauf er hinauswill. Meine Verletzung hat ihn überhaupt erst auf die Idee gebracht. Er möchte ein Loch, wie ich es habe, weil er glaubt, daß ihm das helfen würde. Meine Freunde waren an dem Tag nicht da, hat er gesagt, sie haben mich die ganze Zeit beaufsichtigt wie ein Kleinkind, aber an diesem Tag haben beide zugleich das Haus verlassen müssen, und ich habe die Gelegenheit genützt. Ich habe den Werkzeugkasten meines Freundes geholt und auch gleich den passenden Bohrer gefunden. Um mich zu üben, habe ich ein paar Löcher in die Tropenholzmöbel meiner Freunde gebohrt. Meine Schädelplatte kann nicht sehr viel widerstandsfähiger sein als Tropenholz, hab ich mir gedacht. Die richtige Stelle auf meinem Schädel, die Stelle, an der anzusetzen ist, die kenne ich natürlich schon längst. Es ist von allergrößter Wichtigkeit, den Bohrer richtig zu plazieren.`


Elfriede Kern (Bruck an der Mur, 20 juli 1950)


De Amerikaanse schrijver Thomas Louis Berger werd geboren op 20 juli 1924 in Cincinnati, Ohio. Zie ook mijn blog van 20 juli 2009.

Uit: Meeting Evil

„Perhaps John Felton had got married too young, but he really did love Joanie and, besides, she was pregnant and came from a family which, though believing abortion was wrong, would have been disgraced by an illegitimate birth, with several of its members active in local church affairs and one in the politics of the county. So he became a father the first time almost simultaneously with becoming a husband.

Then before Melanie was quite three years of age she was joined by a newborn brother they prudently named for her mother’s uncle Philip, a small businessman who had retired on the tidy sum paid for his prime-location premises (where he had sold floor coverings) by the firm that intended to demolish them along with neighboring structures and build a medium-sized mall on the property. But Uncle Phil was conspicuously healthy and still not nearly old enough to be considered a prompt source of financial relief for his presumed heirs. They were paying too much for a house though John was himself a real-estate salesman — at the moment in a buyer’s market.

John worked weekends, showing houses to potential buyers when there were such, and took Mondays off, which permitted Joanie to catch up on her sleep in the morning, and in the afternoon shop or visit the hairdresser. Even so — and whenever he was home he shared in the chores, including wee-hour calls from baby Phil — having to care for two small children was leaving its mark on his young wife, who, he had to admit to himself, already looked as if she had been married twice as long as was actually the case.

It was on such a late Monday morning when, with the two-tone sound of the front-door chimes, the worst day of John’s life began, though he had already been up for hours, feeding the children and running the first of two loads of laundry through the washer/dryer and folding the garments while they were still warm.“


 Thomas Berger (Cincinnati, 20 juli 1924)


De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

Uit: Reiseführer ins Jenseits

‚So war es nicht immer. Unsere Großväter und ihre Frauen haben es noch verstanden, zu sterben. Und sterben zu lassen. Ihr Schmerz war nicht kleiner. Vielleicht ist er sogar größer gewesen. Aber sie haben den Tod als etwas Natürliches betrachtet, als Teil ihres Lebens, und so haben sie nicht, wie wir, mit Abscheu und Entsetzen auf ihn reagiert. Dadurch war es ihnen möglich, ihre Sterbenden bei sich zu Hause zu behalten, in ihrer tröstlichen Mitte, bis zuletzt. Statt ihn ängstlich zu meiden, hat man sich früher um den Sterbenden wie um ein Zentrum versammelt. Sein Verzeihen, seinen Segen und manchmal auch seine Weisheit erbeten. Man sprach miteinander über die Zeit, die noch eine gemeinsame sein würde. Und auch über die Zeit nachher.

Sorgen wurden zerstreut, Wünsche gewährt. Schon früh gewöhnten die Kinder sich dabei an den Tod und empfanden weder Angst noch Grauen vor ihm. Man nahm Abschied voneinander, und wer seinen

Verwandten oder Ehegespons lieb hatte, saß an seinem Bett und hielt ihm beim Sterben die Hand.“


Lotte Ingrisch (Wenen, 20 juli 1930)



De Engelse dichter Thomas Lovell Beddoes werd geboren op 20 juli 1803 in Clifton (en niet op 30 juni). Zie ook mijn blog van 30 juni 2007 en ook mijn blog van 30 juni 2008 en ook mijn blog van 30 juni 2009.

If Thou Wilt Ease Thine Heart

IF thou wilt ease thine heart
Of love, and all its smart,-
Then sleep, dear, sleep!
And not a sorrow
Hang any tear on your eyelashes;
Lie still and deep,
Sad soul, until the sea-wave washes
The rim o’ the sun to-morrow,
In eastern sky,

But wilt thou cure thine heart
Of love, and all its smart,-
Then die, dear, die!
‘T is deeper, sweeter,
Than on a rose bank to lie dreaming
With folded eye;
And then alone, amid the beaming
Of love’s stars, thou’lt meet her
In eastern sky.


Thomas Lovell Beddoes (20 juli 1803 – 26 januari 1849)

Hans Lodeizen, Uwe Johnson, Simin Behbahāni, Francesco Petrarca, Maurice Gilliams, Erik Axel Karlfeldt, Cormac McCarthy, Pavel Kohout, Elfriede Kern, Thomas Berger, Lotte Ingrisch

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006 en ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.


Vader, hier zijn de kleine

Vader, hier zijn de kleine
Bomen waar de mandarijnen
Groeien van het plezier.
“Het is als Perzië hier.”

Ja, vader, de witte
Kleine Arabieren zitten
Lachende bij de fontein.
‘Weet je nog waar we zijn?’


De buigzaamheid van het verdriet

in een wereld van louter plezier
kwam ik haar tegen, glimlachend,
en ze zei: wat liefde is geweest
luister ernaar in de bomen
en ik knikte en we liepen nog lang
in de stille tuin.

de wereld was van louter golven
en ik zonk in haar als een lijk
naar beneden het water sloot
boven mijn hoofd en even
voelde ik een vis langs mij strijken
in de stille zee.

dag zei ik tegen haar dag kom
ik je nog eens tegen, glimlachend
maar de wind blies weg
haar gezicht in het water
en ik knikte en ik werd onzichtbaar
in het stille leven.


voor vader

o vader wij zijn samen geweest
in de langzame trein zonder bloemen
die de nacht als een handschoen aan-
en uittrekt wij zijn samen geweest
vader terwijl het donker ons dichtsloeg.
waar ben je nu op een klein ritje
in de vrolijke bries van een groene auto
of legde de dag haar handschoen
niet op een tafel waar schemering en
zachte genezing zeker zijn in de toekomst.

mijn lippen mijn tedere lippen dicht.



Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)


De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.


Uit: Mutmaßungen über Jakob


„Aber Jakob ist immer quer über die Gleise gegangen. – Aber er ist doch immer quer über die Rangiergleise und die Ausfahrt gegangen, warum, aussen auf der anderen Seite um den ganzen Bahnhof bis zum Strassenübergang hätt er eine halbe Stunde länger gebraucht bis zur Strassenbahn. Und er war sieben Jahre bei der Eisenbahn.
– Nun sieh dir mal das Wetter an, so ein November, kannst keine zehn Schritt weit sehen vor Nebel, besonders am Morgen, und das war doch Morgen, und alles so glatt. Da kann einer leicht ausrutschen. So ein Krümel Rangierlok ist dann beinah gar nicht zu hören, sehen kannst sie noch weniger.
– Jakob war sieben Jahre bei der Eisenbahn will ich dir sagen, und wenn irgend wo sich was gerührt hat was auf Schienen fahren konnte, dann hat er das wohl genau gehört unterhalb des hohen grossglasäugigen Stellwerkturms kam eine Gestalt quer über das trübe dunstige Gleisfeld gegangen, stieg sicher und achtlos über die Schienen eine Schiene nach der anderen, stand still unter einem grün leuchtenden Signalmast, wurde verdeckt von der Donnerwand eines ausfahrenden Schnellzuges, bewegte sich wieder. An der langsamen stetigen Aufrechtheit des Ganges war vielleicht Jakob zu erkennen, er hatte die Hände in den Manteltaschen und schien geraden Nakkens die Fahrten auf den Gleisen zu beachten. Je mehr er unter seinen Turm kam verdunsteten seine Umrisse zwischen den finster massigen Ungeheuern von Güterzugwagen und kurzatmigen Lokomotiven, die träge ruckweise kriechend den dünnen schrillen Pfiffen der Rangierer gehorchten im Nebel des frühen Morgens auf den nass verschmierten Gleisen
– wenn einer dann er. Hat er mir doch selbst erklärt, so mit Physik und Formel, lernt einer ja tüchtig was zu in sieben Jahren, und er sagt zu mir: Bloss stehenbleiben, wenn du was kommen siehst, kann noch so weit wegsein. “Wenn der Zug im Kommen ist – ist er da” hat er gesagt. Wird er auch bei Nebel gewusst haben.
– Eine Stunde vorher haben sie aber einen Rangierer zerquetscht am Ablaufberg, der wird das auch gewusst haben.“



Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)



 De Iraanse dichteres en schrijfster Simin Behbahāni werd geboren in Teheran op 20 juli 1927. Zij stamt uit een literaire familie. Haar vader Abbas Chalili was dichter en uitgever van de krant Eghdām. Ook vertaalde hij grote delen van het Boek der Koningen in het Arabisch. Haar
moeder was lerares Frans. Simin schreef haar eerste gedichten toen zij veertien was. Zij is ook bekend om haar niet aflatende inzet voor de schrijvers in Iran en voor de rechten van de vrouw. Behbahāni droeg bij aan een modernisering van de dichtkunst door theatrale onderwerpen, alledaagse gebeurtenissen en conversaties in haar po
ëzie op te nemen. Als voorzitster van de Iraanse schrijversbond neemt zij een belangrijke plaats in het culturele leven in. Wel wordt haar visie op Iran door sommigen als te nationalistisch bekritiseerd.



Gracefully she approached

Gracefully she approached,

in a dress of bright blue silk;

With an olive branch in her hand,

and many tales of sorrows in her eyes.

Running to her, I greeted her,

and took her hand in mine:

Pulses could still be felt in her veins;

warm was still her body with life.


“But you are dead, mother”, I said;

“Oh, many years ago you died!”

Neither of embalmment she smelled,

Nor in a shroud was she wrapped.


I gave a glance at the olive branch;

she held it out to me,

And said with a smile,

“It is the sign of peace; take it.”


I took it from her and said,

“Yes, it is the sign of…”, when

My voice and peace were broken

by the violent arrival of a horseman.

He carried a dagger under his tunic

with which he shaped the olive branch

Into a rod and looking at it

he said to himself:

“Not too bad a cane

for punishing the sinners!”

A real image of a hellish pain!

Then, to hide the rod,

He opened his saddlebag.

in there, O God!

I saw a dead dove, with a string tied

round its broken neck.


My mother walked away with anger and sorrow;

my eyes followed her;

Like the mourners she wore

a dress of black silk.



Simin Behbahāni (Teheran, 20 juli 1927)


De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.



De dag dat de zon uit mededogen


De dag dat de zon uit mededogen

met Hem die haar geschapen had ontkleurde,

werd ik, o liefste, ofschoon ik niets bespeurde,

gevangen door de schoonheid van jouw ogen.


Omdat jouw blikken in mijn richting vlogen

juist op een dag dat heel de wereld treurde

en rouwde om wat eens Gods zoon gebeurde,

werd ik verrast en weerloos meegezogen.


En hete tranen moet ik nu vergieten

door ’t schrijnen van de wonden die de schichten

diep in mijn broze binnenste achterlieten.


En ach, hoe kon zich liefde ertoe verplichten

op mij arglistig pijlen af te schieten

zonder op jou zelf maar de boog te richten?




O dierbaar dal, vervuld van mijn gezucht


O dierbaar dal, vervuld van mijn gezucht,

o stille stroom, waar ik in tranen baadde,

o wild in ’t woud, o vogels in de lucht,

o vissen tussen groenbeboste kaden,


o klare lucht, vol warmte en zoet gerucht,

o vredig pad, mij ’t liefst van alle paden,

o heuvel, eens gezocht en nu ontvlucht,

waar liefde ’t hart met blijdschap overlaadde.


gij zijt nog steeds hetzelfde als voorheen,

maar ik, ik niet helaas, want ach gij ziet

hoe zwaar ik lijd en hete tranen ween.


Bij u zag ik mijn liefste, en verdriet

voert mij nu weer naar hier, waar zij alleen

’t omhulsel van haar schoonheid achterliet.



Vertaald door Frans van Dooren




Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)
Standbeeld, Uffizi paleis, Florence



De Vlaamse dichter en schrijver Maurice Guillaume Rosalie Gilliams werd geboren in Antwerpen op 20 juli 1900. Zie ook mijn blog van 20 juli 2008.



Het afgesloofde lover van de beuken


Het afgesloofde lover van de beuken

 waarin de vossen van november jagen

– bij bladerval, hier kwam mijn moeder treuren;

ze zong en streelde mij. Ze gaf mij namen


van vogels – mees en vink. Warm van gebeden

doorliepen wij de laan. ‘k Droeg de lantaren.

Op ’t landhuis hoorden wij piano spelen,

doorheen de lissen, over ’t zieke vijverwater.


– Gedroomde kaars, hoelang nog zult gij branden?

Maria zit naast mij. Stenen en sterren

vallen op tafel, langs mijn dor-bevreesde wangen


terwijl ik schrijf. En harde sleutelbossen

rinklen. In ’t vunzig voshol van mijn werken

belaagt een spin een mier. De wortels rotten.






Maria, langs het strand, roept naar het kind

dat wij niet meer verwachten dan in dromen.

Het antwoord, dat wij in ons lichaam horen,

geheugt ons moeder’s roepen naar haar kind.


De meeuwen zijn alleen, met honderd samen,

als niet een kleine meeuw naar aas verlangt.

En het gehoon der meeuwen in ons hart

neemt wraak als wij van ’t leven léven vragen.


Niets hoort ons toe: het solferkleurig duin,

het rammelen van de ketens in de golven.

Beschuimd, wrak hout: gij leent u niet tot vuur.


Geen leed is heilzaam, dat in vreugden duurt.

We zijn zo oud als zand en zout geworden.

Straks keren wij, elkaar beminnend, thuis.



Maurice Gilliams (20 juli 1900 – 18 oktober 1982)


De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.


Ich bin einer singenden Stimme


Ich bin eine singenden Stimme in dunklen, teifen Schächten,

dort hört kein Ohr, ist alles echolos,

bin ein irrendes Licht überm See in gespenstigen Nächten,

ein Trugschein, der im Dunkel lischt: in einem feuchten Schoß.


Ich bin ein treibendes Blatt in des Herbstes leeren Reichen,

ich wirble hin, der Sturm läßt mich nicht ruhn.

Ob ich hafte am Berg, ob versinke in grundlosen Teichen,

das weiß ich nicht, mich kümmert´s nicht – kann nichts dageben tun.



Eine Sehnsucht sitzt im Herzen…


Eine Sehnsucht sitzt im Herzen,

ich weiß nicht, wohin sie will.

Flieht sie zum Himmel, bleibt sie auf Erden?

Ich liege und halte still.


Sucht sie des Grabes Ruh oder das Leben?

Ich fühl´s, sie läßt sich nicht stillen,

es ist eine Sehnsucht auf eigene Hand,

nur um der Sehnsucht willen.



Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)
Portret door J A G Acke


De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007 en ook mijn blog van 20 juli 2008.


Uit: All The Pretty Horses


”The candle flame and the image of the candle flame caught in the pier glass twisted and righted when he entered the hall and again when he shut the door. He took off his hat and came slowly forward. The floorboards creaked under his boots. In his black suit he stood in the dark glass where the lilies leaned so palely from their waisted cutglass vase. Along the cold hallway behind him hung the portraits of forebears only dimly known to him all framed in glass and dimly lit above the narrow wainscoting. He looked down at the guttered candle stub. He pressed his thumbprint in the warm wax pooled on the oak veneer. Lastly he looked at the face so caved and drawn among the folds of funeral cloth, the yellowed moustache, the eyelids paper thin. That was not sleeping. That was not sleeping.
It was dark outside and cold and no wind. In the distance a calf bawled. He stood with his hat in his hand. You never combed your hair that way in your life, he said.
Inside the house there was no sound save the ticking of the mantel clock in the front room. He went out and shut the door.
Dark and cold and no wind and a thin gray reef beginning along the eastern rim of the world. He walked out on the prairie and stood holding his hat like some supplicant to the darkness over them all and he stood there for a long time.”



Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)


De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd. Zie ook mijn blog van 20 juli 2008.


Uit: Die lange Welle hinterm Kiel


Die zwei Paare langten mit ihren zerbeulten Flughafentaxis so dicht hintereinander am Liegeplatz des wohlbekannten Kreuzfahrtschiffes MS Harmonia an, daß es aussah, als würden sie zusammengehören. Dieser Eindruck entstand jedoch nur, wie Oberzahlmeister Carlo Zeppelini sich allerdings erst nach jenem furchtbaren Ereignis erinnerte, weil ihnen beiden etwas Ungleiches anhaftete.
Die “Mylady”, wie er Greisinnen ihres Schlages nannte, die in den teuersten Appartements der besten Schiffe die Erdkugel umrunden, wo sie mit den Geldern ihrer endlich dahingeschiedenen Gatten nach einem halben Jahrhundert ohnmächtiger Langeweile zu einer Vita nuova erwachen, ließ schon von weitem eine geradezu mörderische Aktivität erwarten. Die Kämmerer! schoß es ihm durch den Kopf, ja, das mußte wohl die Kämmerer sein!
Es kam selten vor, daß die Reederei von den üblichen Daten zur Aufenthaltsdauer und Buchungsklasse der Passagiere einmal abgesehen zusätzlich noch eine “Gebrauchsanweisung” mitfaxte. Diesmal enthielt sie die vertrauliche Mitteilung, Frau Margarete Kämmerer, Witwe des Inhabers der Österreichisch-bayerischen Kalk- und Betonwerke, habe in den letzten drei Jahren auf beinahe allen deutschen Schiffen, mit denen sie die warmen Gewässer durchkreuzte, einen Eklat heraufbeschworen. Ungeachtet des zähen Gerangels um die Marktanteile auf dem Meer tauschten selbst hartnäckigste Konkurrenten solche Warnungen vertraulich untereinander aus.“



Pavel Kohout (Praag, 20 juli 1928)


De Oostenrijkse schrijfster Elfriede Kern werd geboren op 20 juli 1950 in Bruck an der Mur. Zij werkte lang als bibliothecaresse bij de Nationale Bibliotheek in Wenen. Sinds 1988 leeft zij als zelfstandig schrijfster in Linz.


Uit: Tabula Rasa


“Ich bin die in der Mitte. Die mit dem Makel. Mein feuerrotes Mal auf der Wange zieht seit jeher alle Blicke auf sich. Das kann man wegmachen lassen, sagen die Leute, die es gut mit mir meinen. Dabei betrachten sie mich auf das neugierigste und ich halte nur mit Mühe den Kopf hoch. So war es früher. Jetzt ist es anders. Jetzt ist das feuerrote Mal auf meiner Wange gänzlich unwichtig geworden. Jetzt muß ich von morgens bis abends an meine ältere Schwester denken. Daran, daß sie lange gekränkelt hat und ich den Kopf in den Sand gesteckt habe. Dann, als die Krankheit ausgebrochen ist, habe ich meine ältere Schwester sogleich ins Krankenhaus gebracht. Nur dort kann dir geholfen werden, hab ich gesagt. Sie war nicht weiter verwundert darüber, sie hat gewußt, daß mit mir nicht zu rechnen ist. Hätte ich sie zu Hause behalten und selber gepflegt, könnte sie noch leben, sage ich mir heute. Ich bin es gewesen, die ihr Sterben noch beschleunigt hat, daran ist nicht zu rütteln. Du mußt dich auf andere Gedanken bringen, haben die Leute, die es gut mit mir meinen, gesagt und ich habe es gehorsam mit Ablenkung versucht. Aber das ist gänzlich nutzlos gewesen und eines Tages habe ich den Einfall gehabt, alle Spiegel aus der Wohnung zu verbannen. Um die Proteste der jüngeren Schwester habe ich mich nicht gekümmert. Wieso tust du das, hat sie gefragt. Ich möchte mich hin und wieder in den Spiegel schauen, hat sie gesagt. Ich nicht, hab ich gesagt.”



Elfriede Kern (Bruck an der Mur, 20 juli 1950)


De Amerikaanse schrijver Thomas Louis Berger werd geboren op 20 juli 1924 in Cincinnati, Ohio. Berger was als militair een tijd in Europa gestationeerd. Daarna studeerde hij aan de University of Cincinnati, en de Columbia University. Hij werkte als bibliothecaris en als journalist voordat in 1958 zijn eerste roman Crazy in Berlin uitkwam.  Zijn romans Little Big Man en Neighbors werden ook verfilmd.


Uit: Adventures of the Artificial Woman


Never having found a real woman with whom he could sustain a more than temporary connection, Ellery Pierce, a technician at a firm that made animatronic creatures for movie studios and theme parks, decided to fabricate one from scratch.

The artificial woman would naturally be able to perform every function, but sex was the least of what Pierce looked for in his made-to-order model. He had never had undue difficulty in finding live females to satisfy his erotic appetites. He was witty, considerate, and instinctively affectionate. Physically he was trim and fit, curly haired, clear-eyed; in his smile generosity and impudence were combined with a hint of reproach. The reproach was for the many women he had known who, having soon exhausted an early attraction, on longer acquaintance found him wanting.

For years he had made a sincere effort to determine the reason for this state of affairs and, if the fault proved his own, to seek a personal change. But the fact was that no matter how hard he tried, he could not honestly blame himself. Obviously he bore no responsibility for having been reared by a single mother who adored and spoiled her only child, a child who was therefore led to expect much the same treatment from the other examples of the female sex he would encounter after leaving the nest.

In which expectation he was proven wrong rather sooner than later. There were some women who immediately disliked or were indifferent to him, but they were easier to deal with than those who at the outset seemed to regard meeting him as at least a positive experience and sometimes even life-enhancing, to the degree that they might subsequently insist they were in love. In such cases he often responded in kind, and by the time he was thirty-three he had lived, respectively, with three such persons and had been married to two of them. Each of these associations had come to an unhappy end, and though he was first to admit to being imperfect, he believed his only major flaw was an inability to choose the right partner.”



Thomas Berger (Cincinnati, 20 juli 1924)

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 20 juli 2007.


De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen.

Hans Lodeizen, Francesco Petrarca, Uwe Johnson, Maurice Gilliams, Erik Axel Karlfeldt, Cormac McCarthy, Pavel Kohout, Lotte Ingrisch, Gerard Nolst Trenité

De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006 en ook mijn blog van 20 juli 2007.

 er was een feest van balspelers

er was een feest van balspelers op het veld in
de zomer. twee vuile kleine jongetjes
gaapten het wonder van de chaos aan
(hun zakken vol broodkruimeltjes)
en liepen toen door over de zon.

de balspelers aten biefstuk en hun vermoeide
spieren waren in gesprek met elkaar onder
de douche. het veld was in hun ogen, het groene,
de gewiekste komeet (de bal), en de witte
melkweg, in hun lichaam gespaard.


Toen de dag was weggelopen

Toen de dag was weggelopen in het zachte
gras en de nacht haar jurk wellustig
neerspreidde, een sluier over de bloemen,
toen het donker was en de nachtegaal zong,
heb ik je ogen herkend overal om me heen

nu is het avond: donker als altijd
wanneer de zon’s handgewuif
vrolijk is ondergegaan of als een waaier
is toegevouwen voor de hemel waar
vogels als een waterval zingen.

en zo stil als nooit ben ik langs de
paden van de tuin gegaan, lachend
tegen de nacht; zal ik zeggen hoe
droevig de geuren roken die langzaamaan
deinden op de wind als zeilschepen…?


Hij die de wind

Hij die de wind
had na willen bootsen in haar
meest intieme bewegingen;
nu ligt hij als een steen
in de beek, zwijgend in het
spelende water.

Hij die zijn hand
wou laten regeren over de
dingen is moe, en een klacht
draagt hij op zijn hoofd als
een doornenkroon, maar hij lacht
in de herfstzon.


Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)


De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

Ga naar de harde zerk

Ga naar de harde zerk, o droef sonnet,
waaronder zij die ik liefhad ligt begraven,
en vraag haar vurig of zij mijn gebed
met hemelse goedgunstigheid wil staven.

Want nu mijn schip door stormen is ontzet
zodat ik doodmoe uitzie naar de haven,
ga ik haar achterna met trage tred
mij sterkend met de gulheid van haar gaven.

En sprekend van haar dood en van haar leven
(dat in de dood pas echt tot leven wordt)
wil ik de wereld kennis van haar geven.

En moge ik bij mijn sterven binnenkort
door haar in liefde worden opgeheven
naar oorden waar me een hemels licht omgordt!


Vertaald door Frans van Dooren


Ik vind geen vrede en ik kan niet strijden

Ik vind geen vrede en ik kan niet strijden,
ik hoop en vrees, ik brand en ben van ijs,
ik zweef omhoog en ik lig verstijfd te lijden,
ik bemin de wereld, die ik misprijs.

Ik ben verlost en kan me niet bevrijden,
ik heb een houvast en raak toch van de wijs,
ik voel me levend en gestorven beide:
ach, liefde is zowel hel als paradijs!

Ik zie verblind, ik schreeuw en kan niet praten.
ik haat mezelf en houd van iedereen,
ik roep om hulp en wil het leven laten,

ik huil van vreugde, ik lach terwijl ik ween,
leven en dood, wat kan het mij baten:
en dit, lieveling, komt door jou alleen.

Vertaald door Lepus

Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)


De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

Uit: Mutmaßungen über Jakob

“Ihr Herr Vater meint den Staat”, sagte Herr Rohlfs. “Wir waren ausgegangen von der natürlichen Notwendigkeit des menschlichen Zusammenlebens. Ich hatte behauptet dass der Fortschritt eines Gemeinwesens abzulesen ist an dem vernünftigen und gerechten Ausgleich der Einzelinteressen, der Befriedigung der Egoismen. Dass einer den anderen zufrieden am Leben hält: nannte Ihr Herr Vater das. In der Folge muss die Lebensfristung zwangsläufig angenehmer werden durch ständige Verbesserung und Erweiterung der gesellschaftlichen Produktion. Die Grundvoraussetzung für solche Vernunft”: sagte Herr Rohlfs.
ist die Beseitigung des Kapitalismus, die Errichtung einer proletarischen Staatsmacht, der Aufbau einer sozialistischen Wirtschaft. Dass einer den anderen zufrieden am Leben hält. Sie hob ihr Gesicht auf und wandte ihr Kinn schräg, ihr Blick ging auf Jakob zu und glitt am Fenster ab.“


Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)


De Vlaamse dichter en schrijver Maurice Guillaume Rosalie Gilliams werd geboren in Antwerpen op 20 juli 1900. Zijn jeugd bracht hij grotendeels door op het buitengoed van de familie in de omgeving van Antwerpen. Hier zou hij de inspiratie vinden voor de novellen in “Oefentocht in het luchtledige” (1933) en “Elias of het gevecht met de nachtegalen” (1936). In het bedrijf van zijn vader leerde hij het vak van typograaf. Zijn eerste werken werden dan ook in eigen beheer uitgegeven.
In de jaren ’20 debuteerde hij met enkele in geringe oplage gedrukte verzenbundels die later werden gebundeld in “Het verleden van Columbus” (1933). Gilliams schreef ook essays,  o.m. over Paul van Ostaijen en Henri De Braekeleer. Hij had tevens aanleg voor tekenen en bezat een diepgaande kennis van muziek en de beeldende kunsten. Gilliams was werkzaam als typograaf, kantoorboekhandelaar, leraar. Na wetenschappelijk bibliothecaris van het Konininklijk Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen te zijn geweest, werd hij secretaris van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde te Gent. Deze functie bekleedde hij van 1960 tot 1975. In 1980 ontving hij de Grote Prijs van de Nederlandse Letteren. Maurice Gilliams stierf te Antwerpen op 18 oktober 1982.

Uit: Elias of het gevecht met de nachtegalen

“Wanneer Aloysius ons hart verontrust, hangen we in de werkelijkheid onderstboven als betooverde apen. Hij is zestien en ruim vier jaar ouder dan ik. ’s Avonds in bed plooien wij papieren bootjes, die we de volgende dag op de beek het landgoed laten buiten drijven. Onder de dekens verborgen zit Aloysius, ik vermoed met een potlood, te prutsen. Zonder zich aan mij te laten zien, reikt hij me één voor één de cahierbladen aan, waarin ik regelmatig dezelfde vouwen zet. Ik begrijp natuurlijk de geheime wetten niet van dit curieus spel en ik help hem blindelings in zijn verrichtingen.

Ik snap het niet, waarom hij me ’s morgens wil helpen wasschen; hij doet het erg hardhandig en de zeep bijt mijn oogen toe; doch wat is hij voor zichzelf zuinig met water. In zijn handen staan breede schrammen gegrift en op zijn droge, korstig gefronste onderlip heeft de koorts een zwart randje achtergelaten.

– De bootjes! zegt hij ijverig.

Wij laten de handdoek vallen en springen te gelijk naar het bed; van tusschen de lakens, aan het voeteneind, halen wij er vandaan. Een paar zijn onbruikbaar geworden, en één is niet meer te vinden in het overhoop gehaalde beddegoed. Aloysius verbergt ze als geheime documenten onder zijn blouse en we hollen de trap af, tot op de eerste verdieping, waar wij grootmoeder door een kier van de deur goedenmorgen gaan zeggen.

Na het ontbijt zijn we spoedig in het park.

Wij dringen door het kreupelhout en staan een poos te huiveren midden het bedauwde groen. Het is hier een winderige hoek. Nu en dan word ik de vingers van Aloysius gewaar en ik versta de intieme beteekenis van zijn stevige handdruk. Wij sluipen luisterend tusschen de krakende takken. Is er iets? Het was maar een vluchtende wilde duif. Het is regenachtig en de lucht wordt effen grijs betrokken.

Als we ’s middags van de beek huiswaarts keeren, hebben wij niets ongewoons gezien. De bootjes werden op het water gezet; één voor één zagen wij ze wegdobberen, achter de bocht waar een sterke strooming staat. Met een ruk waren ze uit ons gezicht verdwenen.

Niet zoo gauw worden we de nabijheid van het landhuis gewaar, of een vreemde onrust heeft zich van Aloysius meester gemaakt. Hij is midden in de gloeiende dahlia’s gesprongen en als ’t ware door een drom vijanden omringd, zwaait en slaat hij de armen gelijk sabels om zich heen, zoodat bloemen en bladeren over zijn hoofd vliegen. In het priëeltje staat tante Zénobie van machtelooze woede te jammeren.”


Maurice Gilliams (20 juli 1900 – 18 oktober 1982)


De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

Song After Harvest

Here dances Fridolin:
Oh, but he’s full of the sweet red wine
And his acres’ crops and his orchard’s fruit
And the whirl of the waltz divine.
And over his elbows his coat-tail flops
As with each fair damsel in turn he hops,
Till spent on his bosom and blissfully mute,
Like a drooping poppy she drops.

And here dances Fridolin:
Nay, but he’s full of old memories’ wine,
For his sire and his grandsire were cheered of old
By the hum of that scraped violin.
But ye slumber, ye ancients, this festal night,
And numbed is the hand of your fiddler-wight,
And your lives and your times are a tale that is told
In music now sad, now bright.

But here dances Fridolin!
Look at your son, how strong, how fine!
He can talk with the yokel in yokel phrase,
With the learned quote line for line.
Thro’ the new field swishes his scythe in June,
Like you he is glad for the harvest’s boon,
And he lifts up his girl like a man of your race
To the bowl of the simmering moon.


Vertaald door C.D. Locock

Erik Axel Karlfeldt

Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)


De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Zie ook mijn blog van 20 juli 2007.

Uit: The Road

When he woke in the woods in the dark and the cold of the night he’d reach out to touch the child sleeping beside him. Nights dark beyond darkness and the days more gray each one than what had gone before. Like the onset of some cold glaucoma dimming away the world. His hand rose and fell softly with each precious breath. He pushed away the plastic tarpaulin and raised himself in the stinking robes and blankets and looked toward the east for any light but there was none. In the dream from which he’d wakened he had wandered in a cave where the child led him by the hand. Their light playing over the wet flowstone walls. Like pilgrims in a fable swallowed up and lost among the inward parts of some granitic beast. Deep stone flues where the water dripped and sang. Tolling in the silence the minutes of the earth and the hours and the days of it and the years without cease. Until they stood in a great stone room where lay a black and ancient lake. And on the far shore a creature that raised its dripping mouth from the rimstone pool and stared into the light with eyes dead white and sightless as the eggs of spiders. It swung its head low over the water as if to take the scent of what it could not see. Crouching there pale and naked and translucent, its alabaster bones cast up in shadow on the rocks behind it. Its bowels, its beating heart. The brain that pulsed in a dull glass bell. It swung its head from side to side and then gave out a low moan and turned and lurched away and loped soundlessly into the dark.

With the first gray light he rose and left the boy sleeping and walked out to the road and squatted and studied the country to the south. Barren, silent, godless. He thought the month was October but he wasnt sure. He hadn’t kept a calendar for years. They were moving south. There’d be no surviving another winter here.”


Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)


Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 20 juli 2007.

De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen.

De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd.

De Nederlandse letterkundige (berijmd proza, toneel), anglist en taalcriticus Gerard Nolst Trenité werd geboren in Utrecht op 20 juli 1870.

Francesco Petrarca, Uwe Johnson, Pavel Kohout, Lotte Ingrisch, Erik Axel Karlfeldt, Hans Lodeizen, Cormac McCarthy, Gerard Nolst Trenité

De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Petrarca was een van de grondleggers van het humanisme. Hij was de zoon van een notaris die tegelijk met Dante om zijn lidmaatschap van de Welfen werd verbannen uit Florence. Petrarca bracht een groot deel van zijn jeugd door in Avignon, waarnaar de familie verhuisde om paus Clemens V te volgen, die daar vanaf 1309 verbleef vanwege het pauselijk schisma. Hij studeerde in Montpellier (1319-1323) en trok vervolgens naar Bologna, waar hij rechten studeerde van 1323 tot 1325. Zijn interesse ging echter meer uit naar het schrijven, een passie die hij deelde met zijn vriend Giovanni Boccaccio. In 1326, na de dood van zijn vader, keerde hij terug naar Avignon. Daar ontving hij de lagere wijdingen en legde zich toe op de studie van de Latijnse klassieken. Op 6 april 1327 (Goede Vrijdag) ontwaarde hij in de kerk St.-Claire een meisje, dat hij als Laura zijn leven lang heeft bezongen in lyrische verzen, die gebundeld zijn in de Canzoniere, in het Italiaans geschreven.


Die ogen zo vol vuur door mij beschreven

Die ogen zo vol vuur door mij beschreven,
die armen, handen, voeten en gezicht,
waardoor mijn hart soms zózeer werd ontwricht
dat ik met niemand meer kon samenleven,

die haren met een gouden glans doorweven,
die glimlachjes zo warm op mij gericht,
zijn nu vergaan tot stof, dat ergens ligt
en elk gevoel voorgoed heeft prijsgegeven.

En ik, ik leef, maar doodvermoeid en ’t leven zat
en zonder ’t reddend licht dat op mij wachtte
steeds als de storm mijn schip geteisterd had.

Verdwijn, o liefdeslied, uit mijn gedachten !
Want weg is het talent dat ik bezat:
ik schrijf geen verzen meer, maar jammerklachten !


Bedroefd zie ik hoe ik mijn welzijn schaadde

Bedroefd zie ik hoe ik mijn welzijn schaadde

doordat ik ál mijn liefde op aarde had,

en ondanks het geloof dat ik bezat

mezelf niet los kon maken van het kwade.


O eeuwige God, die al mijn slechte daden

onzichtbaar met uw vaderhand omvat,

breng mij, verdoolde, weer op ’t rechte pad

en help mij door de kracht van uw genade.


Schenk mij na zoveel strijd en zoveel pijn

uw vrede. En stond ik eens voor ’t aardse open,

laat mij bij ’t afscheid goed en deugdzaam zijn !


En maak, nu het weldra is afgelopen.

dat ik gelouterd voor uw troon verschijn !

Ik weet dat ik alleen op u kan hopen !


Vertaald door Frans van Dooren



Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)


De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). In de jaren vijftig studeerde hij germanistiek in Rostock en Leipzig. Vanwege een gereserveerde houding tegenover de DDR werd hij van de universiteit gestuurd, maar na 17 juni 1953 weer toegelaten. Na de vlucht van zijn moeder naar het westen bleef Johnson eerst in de DDR, maar nadat zijn boek Ingrid Babendererde. Reifeprüfung 1953 door meerde uitgeverijen was afgewezen en zijn debuutroman Mutmassungen über Jakob verschene was bij Suhrkamp volgde hij haar toch. In 1970 verscheen het eerste deel van zijn hoofdwerk Jahrestage waaraan hij tot aan zijn dood zou blijven werken. Deel 2 verscheen in 1971 en deel 3 in 1973. Daarna volgde een schrijfblokade van tien jaar. Vanaf 1974 woonde Johnson in Sheerness on Sea in Kent, Engeland.


Uit: Sofort einsetzendes Geselliges Beisammensein


„Die Hindernisse wurden fortgesetzt durch die Kennzeichnung eines der Doppelstockwagen, im hinteren Zugteil, als Nummer 4. Davor und dahinter hatten solche Schilder gefehlt. Im Inneren des Zuges, im Teil der konventionellen Wagen, kam die 4 noch einmal vor. In einem Durchgang lagen zwei Nummernschilder am Boden, jeweils die 2. Durch anhaltendes Suchen nach der uns vorgeschriebenen 3 gelangten wir bequem an die Spitze des Zuges und wollten uns wenigstens auf die Kopf-Qualität des Bahnhofs Leipzig freuen, wenn wir schon falsch sitzen mussten.

Die Freude zu unterstützen, unternahm ich eine Reise zur Getränke-Ausgabe, auf den Eintrag im Fahrplan vertrauend. Das Buffet befand sich im Doppelstockteil, von uns getrennt durch eine verschlossene Tür und blanke Puffer. Diese Aufgabe wurde gelöst durch einen Dauerlauf in Jüterbog, von der Spitze des Zuges zum hinteren Teil, unter anfeuernden Rufen des Begleitpersonals: Junger Mann, steijn Se ein, mr wolln abfahrn! Der Buffetraum bestand aus zwei unteren Teilen des Wagens, gegen die hinteren mit Segeltuch verhängt. Vor der Theke und auf der angrenzenden Bühne fand eine Kundenversammlung statt. Mann aus Aue erklärte sawjetski offizer: Maja schenzina natschalnik; me budet porusski. Ein Junge aus den frühen Erzählungen Hemingways schnitt den Erwachsenen mit Blicken die Augen aus.“


Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)


De Tsjechische schrijver Pavel Kohout werd geboren op 20 juli 1928 in Praag in wat toen nog Tsjecho-Slowakije werd genoemd. Hij werkte vanaf 1949 twee jaar op de Tsjechoslowaakse ambassade in Moskou. Na zijn terugkeer naar eigen land was hij in zijn geboortestad Praag onder meer actief als publicist, theater en filmregisseur en radioreporter. Zijn doorbraak als toneelschrijver beleefde hij in 1955 met het stuk “Septembernachte”. Ook zijn volgende werk  “ So Ein Liebe” (1958) kende veel succes. Tot aan ´de Praagse lente´ gold Kohout als de meest gespeelde Tsjechische auteur.

Oorspronkelijk was hij een militant Stalinist, maar groeide in de loop der tijd uit tot één der meest opmerkelijke critici van het communisme. Hoewel hij nauwelijks of niet reageerde op de invasie van het Warschau-Pact in 1968 was hij samen met de latere president Vaclav Havel één der opstellers van het mensenrechtenmanifest Charta 77. Dit was zonder enige twijfel een van de belangrijkste redenen dat hij een jaar later uit de communistische partij werd gestoten. Tevens kreeg hij een publicatieverbod. In de ommekeer in zijn denken over het communisme speelde zijn echtgenote Jelena overigens een belangrijke rol.


Uit: Sternstunde der Mörder


“Als unmittelbar nach dem Jaulen der Sirene die Türklingel schrillte, war Elisabeth Baronin von Pommeren überzeugt, der tschechische Hausmeister sei da, um sie mit dem Fahrstuhl in den Keller hinunterzubringen; sie warf sich den schwarzen Pelz wieder über, den sie eben erst hinhängte, nahm ihr Luftschutzköfferchen, hakte die Sicherheitskette auf und wußte, daß sie
ihrem Mörder geöffnet hatte.
Sie hatte den Mann mit der prallen Schultertasche flüchtig auf dem Vysehrader Friedhof wahrgenommen, es war ihr nichts Ungewöhnliches mehr, daß die Tschechen bereits in aller Öffentlichkeit die Gräber ihrer Nationalheiligen schmückten, den deutschen Okkupanten zum Trotz. Er hatte den Eindruck eines Handwerkers gemacht, der dort auf einen Sprung bei seiner Runde vorbeikam, und sie bemerkte ihn deshalb nur flüchtig, weil sein Gesicht gegen die scharfe Sonne wie das eines Negers wirkte. Jetzt blickte sie in Augen wie aus Glas, farblos und ausdruckslos. Ohne jede Hast keilte er seinen abgewetzten Schuh mit der dicken Gummisohle
zwischen Türflügel und Schwelle und schob ebenso langsam seinen in eine wattierte Bundjacke gezwängten Körper hintendrein. Und schließlich sah sie die lange und seltsam schmale Klinge. Ein Tranchiermesser! erinnerte sie sich.”



Pavel Kohout (Praag, 20 juli 1928)


De Oostenrijkse schrijfster Lotte Ingrisch (geb. Charlotte Gruber) werd geboren op 20 juli 1930 in Wenen. Zij was getrouwd met de componist Gottfried von Einem voor wie ze diverse libretti en liederen/gedichten schreef. Het bekendst is wel de opera Jesu Hochzeit die bij de eerste opvoering in 1980 een schandaal veroorzaakte omdat hij blasfemisch zou zijn.




„Was haben wir alles in der Schule gelernt! Von den Bodenschätzen Australiens angefangen bis zurTrigonometrie. Aber wer von uns berechnet im Lauf seines Lebens jemals die Schenkel eines Dreiecks,schöpft aus der Kenntnis australischer Bodenschätze Lust und Gewinn?

Niemand lehrt uns, zu sterben. Dabei sterben wir alle. Und nur wenige können es, weil sie dafür begabt sind, von selbst. Die meisten halten den Tod für ein Ende mit Schrecken, dem ein Schrecken ohne Ende folgt.

Das stimmt nicht! Der Tod ist ein Märchen.

Haben Sie keine Angst! Der Tod ist ganz anders, als wir immer glaubten. Wir können das Schreckgespenst, das weiter nichts ist als ein Produkt unserer Erziehung und Phantasie, ruhig begraben. Es gibt nämlich keinen Sensenmann, keinen Schlächter. Dramatisiert man den Tod nicht, ist er einfach und leicht. So leicht, dass Sie ihn womöglich gar nicht spüren.

Ärzte und Forscher – allen voran Georges Barbarin – haben die letzten Augenblicke des Menschen genau untersucht. Das Sterben, so lautet die überraschende Botschaft, tut nicht einmal weh. Denn der so gefürchtete Todeskampf ist ja nur ein Kampf ums Leben, in das der Sterbende sich, statt es loszulassen, verkrallt. Wer nicht kämpft, wird auch nicht leiden. Empfangen Sie den Tod wie’ einen Liebhaber, und er vergewaltigt Sie nicht.

Uns verstört der Krampf der Muskeln und Nerven, mit dem der Sterbende sich gegen den Tod wehrt. Doch sind dies rein mechanische Vorgänge, die außerhalb des Bewusstseins stattfinden. Reflexe des Organismus, ein Aufruhr in der Mikrowelt der Zellen, die schon nicht mehr die unsere ist. Der Sterbende selbst bemerkt nichts davon.’



Lotte Ingrisch (Wenen, 20 juli 1930)


De Zweedse dichter Erik Axel Karlfeldt werd geboren op 20 juli 1864 in Folkärna. Hij studeerde pedagogie in Uppsala en was van 1892 tot 1912 leraar en bibliothecaris. Hij stond onder invloed van de neoromantiek en vond de thema’s en motieven voor zijn gedichten in streekgeschiedenis, in sagen, het volksgeloof en de bijbel.


In der Elchzeit

Er kommt jede Nacht auf den Acker am Fluß,
man hat ihn dort äsen gesehen,
den Elch; ich such ihn mit Schweiß und Verdruß
am Tage umsonst zu erspähen.

Jetzt schläft die Aue im Mondscheinflor.
Doch in atemberaubendem Schweigen
wach’ ich, verborgen in Schilf und Rohr:
Wird der mächtige Elchhirsch sich zeigen?

Da tritt er heraus aus dem herbstlichen Schloß
zum abendlich flammenden Feste,
der Könige des Waldes gehörnter Sproß.
Seine Krone streift rauschend die Äste.

Friedlich in des Mondnebels wallendem Strom
ragt er aus Acker und Wiese,
phantastisch, bizarr, wie ein Phantom,
ein Schemen, ein Vorzeitriese.

Und hier, wo er herrscht in Hain und Flur,
scheint er mehr selbst als meinesgleichen,
ein stolzerer Sohn der stolzen Natur,
erstgeboren in ihren Bereichen.

Da legt sich bezähmt mein Jägerblut,
ich spüre Weichheit, anstelle von Lust
auf den tödlichen Schuß, und zielt’ ich auch gut
in diese mondhelle Brust.

Einen solchen Preis zu gewinnen mit Trug,
wär Verrat. Drum entfern’ ich mich leise.
Doch morgen sind wir wieder am Zug,
du Hoher, auf alte Weise.

Dann spielen wir rein. Deine Läufe sind stark,
hast ehrlichen Vorsprung gewonnen,
wenn ich dich erreiche über Heide und Mark,
ist die Mondscheinstimmung zerronnen.

Dann geht es ums Ganze und nicht um Betrug,
dann bring’ ich das schwirrende Korn
zur Ruhe in deinem festen Bug
und stoße gewaltig ins Horn.

Dann will ich rechnen der Enden Zahl,
die stolz du getragen bis heute,
und heim geleiten ins bergende Tal
am Abend die fürstliche Beute.


Vertaald door Hilda von Born-Pilsach



Erik Axel Karlfeldt (20 juli 1864 – 8 april 1931)


De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook mijn blog van 20 juli 2006.


allemaal steden

de stad weifelt over de huizen

de morgen vaart over de daken

de stad binnen

de zon staat op tussen de huizen

onder carillonmuziek

de mensen wandelen in het donker;


aan het strand van de verten,

ligt de stille zee der lucht,

waarin het schip van een kerktoren,


in de buik van de stad

drinken wij koffie


en de stad zeilt verder



ik ben het zuiverste dier op aarde


ik ben het zuiverste dier op aarde

ik slaap met de nacht als met mijn lichaam

en de nacht wordt groter in mijn hart

in het donkere weefgetouw van je vingers

borduur ik een nacht van eenzaamheid

veelkleurig veeleisend veranderlijk

ik ken alle tranen van de eenzaamheid

sla mij maak mij open

ik ben een roos van vrolijkheid

kom hier vertrouw mij

ik gooi de wind vol sterren

als een boot van overvloed

in de spaarzaamheid van de zee

nu ben je niet gekomen

en zachtjes ga ik dicht


toen ik de middagen in zijn kamer


toen ik de middagen in zijn kamer
doorbracht en in zijn lichaam
rondliep of neerzat, een boek las
of sliep, toen ik de weg van zijn oor
kende en de rivier van zijn ogen
binnenvoer toen ik met zijn handen
speelde en over zijn lippen liep
toen ben ik mezelf vaak tegengekomen,
lachend en huilend of dingen zeggend.



Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)


De Amerikaanse schrijver Cormac McCarthy werd geboren op 20 juli 1933 in Providence, Rhode Island. Vóór zijn schrijversloopbaan werkte hij als advocaat en diende hij vier jaar in de US Air Force. Momenteel woont de schrijver in El Paso, Texas. In 1959 en 1960 publiceerde hij twee korte verhalen en in 1965 een eerste roman, The Orchard Keeper. Van 1965 tot 1967 reisde McCarthy naar Ierland, op zoek naar zijn roots. Daarna bezocht hij diverse andere Europese landen. In 1967 keerde hij terug naar de VS. In 1968 publiceerde hij zijn tweede roman, Outer Dark. In 1973 schreef hij het filmscript voor de film The Gardeners Son. In 1977 volgde de roman Suttree, volgens vele kritieken zijn beste roman ooit.

Zijn bekendste roman, Blood meridian, or the evening redness in the West, verscheen in 1985. Eind 2006 verscheen de apocalyptische roman The Road.


Uit: The Crossing


“He finished his supper and went to bed. Boyd was already asleep. He lay awake a long time thinking about the wolf. He tried to see the world the wolf saw. He tried to think about it running in the mountains at night. He wondered if the wolf were so unknowable as the old man said. He wondered at the world it smelled or what it tasted. He wondered had the living blood with which it slaked its throat a different taste to the thick iron tincture of his own. Or to the blood of God. In the morning he was out before daylight saddling the horse in the cold dark of the barn. He rode out the gate before his father was even up and he never saw him again.

Riding along the road south he could smell the cattle out in the fields in the dark beyond the bar ditch and the running fence. When he rode through Cloverdale it was just gray light. He turned up the Cloverdale Creek road and rode on. Behind him the sun was rising in the San Luis Pass and his new shadow riding before him lay long and thin upon the road. He rode past the old dance platform in the woods and two hours later when he left the road and crossed the pasture to the vaqueros’ noon fire the wolf stood up to meet him.” 



Cormac McCarthy (Providence, 20 juli 1933)


De Nederlandse letterkundige (berijmd proza, toneel), anglist en taalcriticus Gerard Nolst Trenité werd geboren in Utrecht op 20 juli 1870.  Nolst Trenité was de zoon van een Utrechtse predikant. Na het gymnasium studeerde hij van 1890 tot 1894 aan de Universiteit van Utrecht klassieke letteren, rechten en staatswetenschappen, zonder echter een van deze studierichtingen te voltooien. Avontuurlijk aangelegd, begon hij in 1894 een zichzelf beloofde reis om de wereld, die voortijdig strandde in San Francisco, waar hij huisonderwijzer werd van de kinderen van de Nederlandse consul. Maar twee jaar later was hij terug in Nederland en hervatte zijn studie staatswetenschap, zich tegelijkertijd voorbereidend op de bevoegdheid tot het geven van middelbaar onderwijs Engels; de betrokken acte behaalde hij in 1898. Van 1901 tot 1918 werkte hij als leraar in Haarlem en bracht hij diverse schoolboeken op de markt voor Frans en Engels. Het lange gedicht The Chaos (bedoeld om de uitspaak te oefenen) verscheen als appendix in de vierde editie van Drop Your Foreign Accent: engelsche uitspraakoefeningen in 1920. Vanaf 1909 tot aan zijn dood in 1946 schreef Trenité in De (Groene) Amsterdammer een taalkundige column onder de naam Charivarius.


Uit The Chaos (Fragment)



Dearest creature in creation
Studying English pronunciation,
   I will teach you in my verse
   Sounds like corpse, corps, horse and worse.


I will keep you, Susy, busy,
Make your head with heat grow dizzy;
   Tear in eye, your dress you’ll tear;
   Queer, fair seer, hear my prayer.


Pray, console your loving poet,
Make my coat look new, dear, sew it!
   Just compare heart, hear and heard,
   Dies and diet, lord and word.


Sword and sward, retain and Britain
(Mind the latter how it’s written).
   Made has not the sound of bade,
   Say-said, pay-paid, laid but plaid.

Now I surely will not plague you
With such words as vague and ague,
   But be careful how you speak,
   Say: gush, bush, steak, streak, break, bleak ,


Previous, precious, fuchsia, via
Recipe, pipe, studding-sail, choir;
   Woven, oven, how and low,
   Script, receipt, shoe, poem, toe.


Say, expecting fraud and trickery:
Daughter, laughter and Terpsichore,
   Branch, ranch, measles, topsails, aisles,
   Missiles, similes, reviles.


Wholly, holly, signal, signing,
Same, examining, but mining,
   Scholar, vicar, and cigar,
   Solar, mica, war and far.


From “desire”: desirable-admirable from “admire”,
Lumber, plumber, bier, but brier,
   Topsham, brougham, renown, but known,
   Knowledge, done, lone, gone, none, tone,


One, anemone, Balmoral,
Kitchen, lichen, laundry, laurel.
   Gertrude, German, wind and wind,
   Beau, kind, kindred, queue, mankind,


Tortoise, turquoise, chamois-leather,
Reading, Reading, heathen, heather.
   This phonetic labyrinth
   Gives moss, gross, brook, brooch, ninth, plinth.



Gerard Nolst Trenité (20 juli 1870 – 9 oktober 1946)