Fröhliche Ostern! (Kurt Tucholsky)

Prettige Paasdagen!

 

Pasen stilleven door Max Rimböck, 1934

 

Fröhliche Ostern!

Da seht aufs Neue, dieses alte Wunder:
Der Osterhase kakelt wie ein Huhn
und fabriziert dort unter dem Holunder
ein Ei und noch ein Ei und hat zu tun.

Und auch der Mensch reckt frohbewegt die Glieder
er zählt die Kinderchens: eins, zwei und drei…
Ja, was errötet denn die Gattin wieder?

Ei, ei, ei
ei, ei
ei!

Der fleißige Kaufherr aber packt die Ware
ins pappne Ei zum besseren Konsum:
Ein seidnes Schupftuch; Nadeln für die Haare,
die Glitzerbrosche und das Riechparfum.

Das junge Volk, so Mädchen wie die Knaben,
sucht die voll Sinn versteckte Leckerei.
Man ruft beglückt, wenn sie´s gefunden haben:

Ei, ei, ei
ei, ei
ei!

Und Hans und Lene steckens in die Jacke,
das liebe Osterei – wen freut das nicht?
Glatt, wohlfeil, etwas süßlich im Geschmacke
und ohne jedes innre Gleichgewicht.

Die deutsche Politik… Was soll ich sagen?
Bei uns zu Lande ist das einerlei
und kurz und gut: Verderbt euch nicht den Magen!
Vergnügtes Fest! Vergnügtes Osterei!

 

Kurt Tucholsky (9 januari 1890 – 21 december 1935) St. Marienkirche in Berlijn, de geboorteplaats van Kurt Tucholsky

 

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in Amsterdam op 13 april 1961. Zie ook alle tags voor Nachoem Wijnberg op dit blog.

Zondagmiddag in de voorstad

Een goede blonde
een oudere man en huidige minnaar
een jongere man en vroegere minnaar
(allen gekomen in de auto van de huidige minnaar)
een slechte blonde
een vriend en zijn vrouw
een gastheer die vlees braadt op een open vuur
een tweeling met snorren langs de rand van het zwembad

de slechte blonde spreekt zacht met de gastheer
de vriend spreekt zacht met zijn vrouw
de minnaar schenkt de minnaar een glas wijn in
en schenkt zichzelf een glas wijn in
de goede blonde ligt in de zon
op haar buik

de oudere man en de blonde kleden zich om
de jongere man wacht in de woonkamer
de slechte blonde stelt drie vragen aan de jongere man
de slechte blonde probeert te telefoneren
de slechte blonde valt over een stoel
de vriend duikt in het zwembad

de goede blonde loopt door de woonkamer
zij geeft een spiegel terug aan de jongere man
zij zegt:
‘hij is ontevreden met mij
en ik ben niet zeker waarom
en hij legt het ook niet uit’.

Het einde van het wachten

Een licht in de nacht,
antwoord op
een ander licht,
antwoord op

een ander licht
dat zegt: iemand
komt terug naar een paleis
waarin een vrouw

naast iemand ligt
als vermoeid naast vermoeid;
in een ander paleis
ligt zachtheid die niet

voor vingers vlucht
maar vingers laat en zegt:
in mij als in lucht
en geen dood om dood.

 

Jezus

Meegesleept naar
leeg en stil,
klaar om terug te keren
als er iets gebeurt.

Alles wat gezegd wordt over Jezus
is waar over wie daar is

en groter laat worden wat hij is
alsof het plaats maakt
voor wat steeds groter is

en voorbij aan wat hij is
Jezus laat storen,
blij maken,
bij hem blijven.

 

Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook alle tags voor Seamus Heaney op dit blog.

Lied

Een lijsterbes als een meisje met lippenstift.
Tussen de zijweg en de hoofdweg
Elzen op een natte en druipende afstand
Houden zich afzijdig tussen de biezen.

Er zijn de modderbloemen van het dialect
En de immortellen van een perfecte toonhoogte
En dat moment waarop de vogel heel dichtbij zingt
Op de muziek van wat er gebeurt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Seamus Heaney
(13 april 1939 – 30 augustus 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e april ook mijn blog van 13 april 2019 en ook mijn blog van 13 april 2018 en ook mijn blog van 13 april 2014.

Seven Stanzas at Easter (John Updike), Antje Rávic Strubel

Prettige Paasdagen!

 

De opstanding van Christus door Pietro Novelli, ca. 1640

 

Seven Stanzas at Easter

Make no mistake: if he rose at all
It was as His body;
If the cell’s dissolution did not reverse, the molecule reknit,
The amino acids rekindle,
The Church will fall.

It was not as the flowers,
Each soft spring recurrent;
It was not as His Spirit in the mouths and fuddled eyes of the
Eleven apostles;
It was as His flesh; ours.

The same hinged thumbs and toes
The same valved heart
That—pierced—died, withered, paused, and then regathered
Out of enduring Might
New strength to enclose.

Let us not mock God with metaphor,
Analogy, sidestepping, transcendence,
Making of the event a parable, a sign painted in the faded
Credulity of earlier ages:
Let us walk through the door.

The stone is rolled back, not papier-mache,
Not a stone in a story,
But the vast rock of materiality that in the slow grinding of
Time will eclipse for each of us
The wide light of day.

And if we have an angel at the tomb,
Make it a real angel,
Weighty with Max Planck’s quanta, vivid with hair, opaque in
The dawn light, robed in real linen
Spun on a definite loom.

Let us not seek to make it less monstrous,
For our own convenience, our own sense of beauty,
Lest, awakened in one unthinkable hour, we are embarrassed
By the miracle,
And crushed by remonstrance.

 

Zeven strofen met Pasen

Vergis u niet: als hij überhaupt opstond
Was het als Zijn lichaam;
Als de ontbinding van de cel niet was omgekeerd, het molecuul herstelt,
De aminozuren herleven,
Zal de kerk vallen.

Het was niet zoals de bloemen,
Die elke zachte lente terugkomen;
Het was niet zoals Zijn Geest in de mond en verwarde ogen van de
Elf apostelen;
Het was als Zijn vlees; het onze.

Dezelfde beweegbare duimen en tenen
Hetzelfde hart met klep
Dat – doorboord – stierf, verdorde, pauzeerde en weer terugkwam
Vanuit de blijvende Macht
Nieuwe kracht in te sluiten.

Laten we God niet bespotten met een metafoor,
Analogie, zijwegen, transcendentie,
Van het evenement een gelijkenis maken, een teken, geschilderd in de verbleekte
Goedgelovigheid van eerdere tijdperken:
Laten we door de deur lopen.

De steen is teruggerold, geen papier-maché,
Geen steen in een verhaal,
Maar de enorme rots van materialiteit die bij het langzaam slijpen van
Tijd voor ieder van ons verduisteren zal
Het wijde daglicht.

En als we een engel bij het graf hebben,
Maak er een echte engel van,
Zwaar met de kwanta van Max Planck, levendig met haar, ondoorzichtig
In de ochtendschemer, bekleed met echt linnen
Gesponnen op een blijvend weefgetouw.

Laten we niet proberen het minder monsterlijk te maken,
Voor ons eigen gemak, ons eigen gevoel voor schoonheid,
Opdat we niet, ontwaakt in een ondenkbaar uur, ons schamen
Door het wonder,
En verpletterd door verwijten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009) St Mary’s Church in Reading, Pennsylvania, de geboorteplaats van John Updike

 

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: Sturz der Tage in die Nacht

„Hinterher würden sie mit ihren exotischen Abenteuern protzen und mich fragen, ob ich mich nicht zu Tode gelang­weilt hätte da oben im menschenleeren Norden. Ich benei­dete sie nicht.Ich war nach Gotland gefahren. Ich war durch die Land­schaft gestreift, und die Landschaft mit ihrem Kalkstein, ihrem struppigen Bewuchs, mit ihren verlassen daliegenden Plateaus, den versandeten Tümpeln und Klapperstein­feldern, auf denen es hunderte Millionen Jahre alte Fossi­lien gab, hatten mich in Trance versetzt. Ich ließ mich trei­ben.Es war die Zeit nach meinem Aushilfsjob in einem Jugendprojekt; verglichen mit dem Zivildienst im Altenheim war das eine leichte Arbeit gewesen, auch wenn es täglich neun Stunden Lärm bedeutete, Drogen bedeutete, Messer­stechereien und täglich entweder die Polizei oder das Jugend­amt, täglich Rap oder Techno, täglich die Frage, ob du ein Hopper oder ein Emo bist, denn Emos sind schwarzgeklei­dete Schwulis, schwule Chorkinder, du Arsch, auch das täglich, täglich ich hab deine Mutter gefickt, überhaupt deine Mudderund willste was aufs Maul, und erst hier, unter Kiefern und Ostseewind, ließ die Erinnerung daran nach. Die Einsam­keit, die langen Tage, die Stille in den kleinen Ortschaften entspannten mich.
Am Ende der Woche hatte ich in einem Touristenbüro einen Tagesausflug gebucht; eine geführte Tour auf eine Insel, die der Westküste Gotlands vorgelagert war. Ich hatte Lust, wieder mit jemandem zu reden. Wo es hinging, interessierte mich nicht.Im Hafen von Klintehamn stand ein Kiosk, in dem schon lange nichts mehr verkauft wurde. Die Fenster waren ver­nagelt, eine verwaschene Preisliste für Lachs und Heringe hing noch am Holz. Der Parkplatz war schattenlos und leer. Am Kai, an dem das Boot zur Insel ablegen sollte, warteten zwei Frauen mit Wanderstöcken und Knickerbocker, Finni­nen, wie sich herausstellte. Andere Fahrgäste waren nicht zu sehen. Die Finninen verstanden kein Englisch. Sie sprachen schwedisch mit mir. Vielleicht dachten sie, es würde die Ver­ständigung erleichtern, wenn beide Seiten eine ihnen fremde Sprache benutzten. Das war nicht der Fall.”

 

Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e april ook mijn blog van 12 april 2019.

Easter eve (John Keble), Leonard Nolens, Mark Strand

Bij Paaszaterdag

 

De avond voor Pasen door Mikhail Germashev, tussen 1904 – 1911

 

EASTER EVE

As for thee also, by the blood of thy covenant I have sent forth thy prisoners out of the pit wherein is no water. Zech. xi. 11.  

AT length the worst is o’er, and Thou art laid 
Deep in thy darksome bed; 
All still and cold beneath you dreary stone 
Thy sacred form is gone; 
Around those lips where power and mercy hung, 
The dews of death have clung; 
The dull earth o’er Thee, and thy foes around, 
Thou sleep’st a silent corse, in funeral fetters wound. 

Sleep’st Thou indeed? or is thy spirit fled, 
At large among the dead? 
Whether in Eden bowers thy welcome voice 
Wake Abraham to rejoice, 
Or in some drearier scene thine eye controuls 
The thronging band of souls; 
That, as thy blood won earth, thine agony 
Might set the shadowy realm from sin and sorrow free. 

Where’er Thou roam’st, one happy soul, we know, 
Seen at thy side in woe, 
Waits on thy triumph—even as all the blest 
With him and thee shall rest. 
Each on his cross, by Thee we hang a while, 
Watching thy patient smile, 
Till we have learn’d to say, “Tis justly done, 
“Only in glory, LORD, thy sinful servant own.” 

Soon wilt Thou take us to thy tranquil bower 
To rest one little hour, 
Till thine elect are number’d, and the grave 
Call Thee to come and save: 
Then on thy bosom borne shall we descend, 
Again with earth to blend, 
Earth all refin’d with bright supernal fires, 
Tinctur’d with holy blood, and wing’d with pure desires. 

Meanwhile with every son and saint of thine 
Along the glorious line, 
Sitting by turns beneath thy sacred feet 
We’ll hold communion sweet, 
Know them by look and voice, and thank them all 
For helping us in thrall, 
For words of hope, and bright examples given 
To shew through moonless skies that there is light in Heaven. 

O come that day, when in this restless heart 
Earth shall resign her part, 
When in the grave with Thee my limbs shall rest, 
My soul with Thee be blest! 
But stay, presumptuous—CHRIST with thee abides 
In the rock’s dreary sides: 
He from the stone will wring celestial dew 
If but the prisoner’s heart be faithful found and true. 

When tears are spent, and Thou art left alone 
With ghosts of blessings gone, 
Think thou art taken from the cross, and laid 
In JESUS’ burial shade; 
Take Moses’ rod, the rod of prayer, and call 
Out of the rocky wall 
The fount of holy blood; and lift on high 
Thy grovelling soul that feels so desolate and dry. 

Prisoner of Hope thou art—look up and sing 
In hope of promis’d spring. 
As in the pit his father’s darling lay 
Beside the desert way, 
And knew not how, but knew his GOD would save 
Even from that living grave, 
So, buried with our LORD, we’ll close our eyes 
To the decaying world, till Angels bid us rise. 

 

John Keble (25 april 1792 – 29 maart 1866) Kerk en kerkhof in Fairford, Gloucestershire, de geboorteplaats van John Keble

 

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

Lectori salutem!

Ik heb je meegenomen naar dit doorgangshuis.
De zolder gonst van stemmen als een bijenkorf.
Haat en liefde doen er honingraten zwellen
Van het vers dat elders wil worden gegeten.

Zo geef ik, gif en tegengif, veranderd weer
Wat ik van jou gestolen heb, een klein heelal
Met mijn gevang van jouw verborgenheid betaald.
Enkel jij krijgt hier de vrijheid zwart op wit.

Dus lees me. Lees me helemaal of lees me niet.
Ik wou dit toch, ik zou dit toch niet zo alleen.
Ik wou toch spreken, hier, in naam van iedereen.
Ben ik een fles in zee, een les in duisternis?

Ik was nog jong, ik droomde dat ik hier verscheen
Als een die ginder in de heuvels loopt te zingen.
Ik droomde dat ik schreef zoals een dode spreekt
Met heel de pinkstertong van zijn afwezigheid.

 

Afscheid van Missenburg

Voor Elza

Het paradijs, en zonder slang, dat was labeur
Maar heerlijk! Hoog en zwetend riep de zonnewijzer
Honderd vijftig jaar de taxus en fazanten
Tot de orde, en zacht en dwingend hing de gastvrouw
Aan het touw en liet de kleine klokken gaan
Over de paden van patrijzen en tuiniers.
Ook onkruid boog zich naar die goddeloze mis.

Ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen
Op doortocht neergestreken in het grachtenwater.
En deze pen beluisterde de zonnewijzer
Die de eenden wees op brood onder de brug.
Ik ben van Missenburg geweest. Ik draag zijn hemel
Als een gouden trauma met mij om, een dak
Van groen waar plots mijn kamer uit de kruinen kantelt.

 

Prijs ons

Liefde, hoe
Gierig, hoe bleek, hoe mager
Ben je vandaag, ik kijk los
Door je heen.
Hoe pover, hoe schamel, hoe moe
Gevochten liggen je kleren
Van ons met elkaar in de knoop
Op de vloer. En hoe schraal is je praat
Van ons in dat dun en broos bed.

Armtierige,
Maak je weer dik.
En scherp onze tongen en tanden
En nagels, getongd en getand
En genageld verstaan wij mekaar
Als geroepen van jaren
Her, van straten
Ver.

Prijs ons,
Prijs ons paar.
En prijs onze goede gemeenplaats
Van langzame seks in de luwte,
Prijs die trage paringsdrift.
Die draagt ons hoog op handen
Door het holste van de nacht.
Kom, prijs ons, prijs ons aan
Bij jou,
Liefde.

 

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

Poëzie eten

Er komt inkt uit mijn mondhoeken.
Er is geen geluk zoals het mijne.
Ik heb poëzie gegeten.

De bibliothecaresse gelooft niet wat ze ziet.
Haar ogen zijn bedroefd
en ze loopt met haar handen in haar jurk.

De gedichten zijn weg.
Het licht is zwak.
De honden zijn op de keldertrap en komen eraan.

Hun oogballen rollen,
hun blonde poten branden als struweel.
De arme bibliothecaresse begint met haar voeten te stampen en te huilen.

Ze begrijpt het niet.
Als ik op mijn knieën val en haar hand lik,
schreeuwt ze.

Ik ben een nieuwe man,
Ik grom naar haar en blaf,
Ik ravot van vreugde in het boekachtige donker.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2019 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Der Messias (Friedrich Klopstock)

Bij de derde zondag van Pasen

 

 
Jezus bij het meer van Tiberias door Antonio Muñoz Degrain, 1909

 

Uit: Der Messias (Neunzehnter Gesang)

Aber der Fremdling redet mit ihnen: »Habet Ihr Speise,
Meine Kinder?« Sie hatten die Nacht vergebens gefischet,
Hatten der Speise nicht. Da sagte der Unbekannte:
»Werfet das Netz zu der Rechte des Schiffs, so werdet Ihr finden.«
Und sie warfen es aus und konnten’s nicht ziehn vor der Fische
Menge. Mit mehr Erwartungen richtete jetzo Lebbäus,
Richtete Thomas den forschenden Blick auf den Unbekannten.
Aber der Zug, so das Netz da, wo der Fremdling es sagte,
Und so schnell belastete, zeigt Johannes den Mittler.
Freudig ruft’ er: »Es ist der Herr!« Da Kephas vernommen,
Daß es der Herr sei, eilet’ er, gürtete sich mit dem Hemde,
Warf sich ins Meer, schwamm schnell heran zum Gestade, voll Unruh,
Christus näher zu sehn. Er sah ihn, erkannt’ ihn. Die Andern
Eilten im Nachen, zogen das Netz mit den Fischen herüber,
Traten ans Land und erkannten, vor Wonne verstummt, den Versöhner.
Brod und Kohlen und Fisch’ auf den Kohlen lagen vor ihnen
An dem Ufer. Der Göttliche sprach: »Bringt auch von den Fischen,
Die Ihr finget!« Und schnell sprang Kephas wieder ins Wasser,
Zog das schwere Netz voll großer Fische, das dennoch
Nicht zerriß, auf das Land, und Leben wimmelt’ im Netze.
J. »Kommt und haltet das Mahl!« Sie hielten’s. Vertraulich, mit Liebe
Saß er am Ufer unter den Wonnevollen und reichte
Ihnen Speise. Jetzt war das zweite der frohen Mahle,
Nach dem traurigen Mahl vor seinem Tode, geendet.

 

 
 (2 juli 1723 — 14 maart 1803)
St. Nikolai Kirche in Quedlinburg, de geboorteplaats van Friedrich Klopstock

 

Zie voor de schrijvers van de 5e mei ook mijn volgende blog van vandaag.

Doubting Thomas (Kathryn Maris)

Bij Beloken Pasen

 

 
Het ongeloof van Sint Thomas door Adriaen van der Werff, 1710

 

Doubting Thomas

Call me Infidel, or just call me Tom.
Call me handsome, call me cold, call me bitter, call me cad

call me No-Better-Than-Judas-Iscariot
call me bachelor, call me saint, call me numb.

I was abused, I was married, I took pills, I was left,
I was in love, I was a liar, I was a drunk, I was in debt,

I wrote a book, I had some fame, then I was dead,
‘til I was saved, I slept around, I was too young, I was bereft.

You are good, you are beautiful, you are kind, you forgive,
you are loving, you are smart, you’re adored and you are brave.

There’s no one else. It isn’t you. I’m circumspect. I’m full of doubt.
It wouldn’t work. We’re not alike. I don’t know what I want.

Call me weak, call me ingrate, call me ‘once bitten, twice shy.’
Call me anything, but please don’t say I make you want to die.

 

 
Kathryn Maris (New York, 1971)
Saint Agnes Church, Long Island, New York

 

Zie voor de schrijvers van de 28e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Easter Monday (Eleanor Farjeon)

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 
Paastafel door Aleksandr Makovsky, 1915-1916

 

Easter Monday

In the last letter that I had from France
You thanked me for the silver Easter egg
Which I had hidden in the box of apples
You like to munch beyond all other fruit.
You found the egg the Monday before Easter,
And said. ‘I will praise Easter Monday now –
It was such a lovely morning’. Then you spoke
Of the coming battle and said, ‘This is the eve.
‘Good-bye. And may I have a letter soon’.

That Easter Monday was a day for praise,
It was such a lovely morning. In our garden
We sowed our earliest seeds, and in the orchard
The apple-bud was ripe. It was the eve,
There are three letters that you will not get.

April 9th, 1917

 

 
Eleanor Farjeon (13 februari 1881 – 5 juni 1965)
De St Sepulchre-without-Newgate kerk in Londen, de geboorteplaats van Eleanor Farjeon

 

Zie voor de schrijvers van de 22e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Easter (Edgar Guest)

Aan alle bezoekers en mede-bloggers een Vrolijk Pasen! 

 

 
The Resurrection of Christ door Noel Coypel, 1700

 

Easter

Out of the darkness and shadow of death,
Out of the anguish that wells from the tomb,
Into the splendor of spiritual breath,
Now we have burst like a lily in bloom;
Sweetened is sorrow and strengthened is hope,
Death and the grave have been robbed of their sting;
Doubting, despairing, no longer we grope,
Man has been given the courage to sing.

Easter! the birthday of hope and of peace!
Easter! the bulwark of all we believe;
Lo, all our waitings and sad meanings cease,
Death has been shorn of its power to grieve.
See! now a mother, her cheeks wan and white,
Smilingly sinks into slumber most blest;
Her soul unto Heaven is borne through the night,
And she wakes in the morn with her babe at her breast.

Look! from a newly made grave comes a man,
Feeble and bowed by the struggles of life,
‘She waits for my coming,’ he says, ‘ and the span
Is but short for me now to the side of my wife.
Though I miss her, I mourn not her going, I know
That she is at rest, and far happier there;
And I wait but the summons when I am to go
To the valley of peace, from the land of despair.’

And this is the meaning of Easter’s glad songs,
And this is the reason that Easter is gay;
‘He is risen,’ we sing, ‘He has righted earth’s wrongs,
From the mouth of the tomb see the stone rolled away.”
Yes, out of the darkness and gloom of the tomb,
He has risen, our Master, our Lord and our King!
And we view not life’s end as a signal of doom,
But the birth of new life, and we’ve courage to sing.

 

 
Edgar Guest (20 augustus 1881 – 5 augustus 1959)
De kathedraal van Birmingham, de geboorteplaats van Edgar Guest

 

Zie voor de schrijvers van de 21e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Johannes (Willem de Mérode)

Bij de zesde zondag na Pasen

 

 
Sint Johannes de Evangelist door Vladimir Borovikovsky, tussen 1804 en 1809

 

Johannes

De dag verduisterde over ’t meer
De malve bergen brandden wijd.
Het glitsend water, heinde en veer,
Glimpte van vlugge zilvrigheid.
Daar schoot de visch op glanzen vin
De hoogten en de diepten in.

Licht wiebelde de kleine boot
Onder het groote bruine zeil.
De vader vierde ruim de schoot.
De jonge zonen onderwijl
Zagen hoe ’t net al blanker blonk
En voelden hoe het strakker zonk.

En langzaam werd het opgerukt
En in de wanke schuit gelegd.
De buit werd uit de lus geplukt,
Geschift; en weinig werd gezegd.
En slechts Johannes zong en riep
Toen ’t bootje ’t stadje binnenliep.

Jezus kwam langs het strand gegaan
En luisterde op zijn klare stem,
En zag zijn drukke blijdschap aan,
En Hij beminde hem.
En riep hem kalm, maar even blij:
Johannes! Kom, en blijf bij mij!

Wie kent de harten, en wie weet,
Wàt blik, wàt klank zóó diep ontroerd,
Dat men zijn huis en bloed vergeet
En plots aan alles is ontvoerd?
Nauw heeft hij Jezus’ stem gehoord,
Of ijlings zwingt hij zich van boord.

O hart dat roept, o hart dat hoort:
Ik heb u lief! Ik heb U lief!
De vreemden hebben ’t niet gehoord,
Toen Hij hem in zijn armen hief.
Maar voor Johannes is het licht:
Hij kent Gods hart en aangezicht.

En schoon des Heeren eenzaamheid
Zich over wijder kring verliest,
Blijft tot den dood Hem ’t hart gewijd,
Dat Hem bemint, dat Hij verkiest.
En, erfgenaam van ’s Heeren plicht,
Maakt hij de Moeder ’t leven licht.

O, na den korten tijd van rouw,
Had plotsling elk Hem levend weer.
Zij bleef de hooge klare Vrouw,
En hij de vriend slechts van den Heer.
Maar beiden roemden nooit genoeg
Dat elk des Heeren liefde droeg.

Die jong Gods hooge liefde won,
En levenslang zijn minnen droeg,
Werd als een zomerdag vol zon.
Een ieder wist en niemand vroeg.
En toen hij eindelijk verzonk,
Bleef lang de hemel licht en blonk.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in het Groningse dorp Spijk, de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 13e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Beloved, let us love one another,’ says St. John (Christina Rossetti)

Bij de vijfde zondag na Pasen

 


Ikoon van Jezus met St. Johannes de Geliefde Discipel door Ann Chapin, 2012

 

Beloved, let us love one another,’ says St. John

‘Beloved, let us love one another,’ says St. John,
Eagle of eagles calling from above:
Words of strong nourishment for life to feed upon,
‘Beloved, let us love.’

Voice of an eagle, yea, Voice of the Dove:
If we may love, winter is past and gone;
Publish we, praise we, for lo it is enough.

More sunny than sunshine that ever yet shone,
Sweetener of the bitter, smoother of the rough,
Highest lesson of all lessons for all to con,
‘Beloved, let us love.’

 

 
Christina Rossetti (5 december 1830 – 27 december 1894)
St John’s Church, Waterloo, Londen, de geboorte plaats van Christina Rossetti

 

Zie voor de schrijvers van de 6e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Der Weinstock und die Reben (Julie Hausmann)

Bij de vierde zondag na Pasen

 

 
Christus de ware wijnstok, Roemeense ikoon

 

Der Weinstock und die Reben
Joh. 15.

Geh’ ich des Weinstocks Blätter und Ranken
Ringsum in Gärten, in Tälern und Höh’n,
Wie sie im Winde grüßen und schwanken,
Hab’ ich so meine eig’nen Gedanken,
Glaub’ ernste Fragen daraus zu versteh’n:

„Bist du auch eine der grünenden Reben,
Die an dem Weinstock nicht bloß zum Schein
Lose von außen nur haften und kleben?
Ziehst du aus Ihm allein Kräfte und Leben?
Bist du im Geist und Wahrheit auch Sein?

Läßt du von unnützen, schädlichen Trieben
Willig und demütig stets dich befrein?
Bist du im Schmerz auch am Weinstock geblieben,
Brachtest du Früchte im Leiden und Lieben,
Deren sich Gott und die Menschen erfreun?

Bist du, seit deiner Erweckung zum Leben,
Täglich gewachsen an Leben und Kraft?
Ist dir geschehn, was verheißen den Reben,
Daß, was du batest, dir wurde gegeben,
Daß auf dem Flehn Er auch Wunder noch schafft?

Ach, diese weinlaub-gekröneten Höhen —
Greift ihre Sprache ins Herz nicht hinein?
Was ist an mir wohl von Leben zu sehen? —
Herr, mein Erbarmer, wie soll ich bestehen?
Pflanz’ in Dein Leben aufs Neue mich ein!

 

 
Julie Hausmann (19 maart 1826 – 15 augustus 1901)
De Petruskerk en het Zwarthoofdenhuis in Riga, de geboorteplaats van Julie Hausmann

 

Zie voor de schrijvers van de 29e april ook mijn vorige blog van vandaag.