Palm Sunday (Eugene Gloria), Ada Limón

 

Bij Palmzondag

 

De intocht van Christus in Jeruzalem door Jan van Scorel, ca. 1526

 

Palm Sunday

Always the sky keeps expanding.
Wide as America’s brave margins,
wide as my loneliness in the Middle West.
I lean against a dust cloud behind us,
the glory sinking into a muted timberline.
I am drunk with longing. The wind is singing—

my drunken friend, the wind, hurls
sweet curses at my face.
We have learned to love
this road, which lies down like pythons,
refuses to forgive our excesses,
refuses to consider us kin. Our driver’s

sign overhead reads, Jesus is my co-pilot.
Jesus who crossed the city
gates of his ancestors
on a road carpeted by palms.
Our goodtime driver must know this—
he drives with abandon,

despite our fragile cargo: scholars and accountants,
prophets and exiles all the same to him.
The road, which suggests things, is tired of ceremony.
It lies down to sleep like the snow.
Lie down TallMountain, lie down
Serafin Syquia, lie down Li-Young, lie
down Divakaruni, lie down Eman Lacaba,
lie down pilgrims of the open road.
Shameless, we gather our light
jackets in balls. We rest our heads,
our faces upturned to a squall of stars.
I near the end, my soul recites.

O loneliness, my body responds.
This empty road is a house
where no one lives. What strange fire
we bring when we come to this house.

 

Eugene Gloria (Manila, 1957)
De kathedraal van Manilla

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

 

Het contract zegt: we willen dat het gesprek tweetalig is

Als je komt, breng dan je bruin-
zijn mee zodat we er zeker van kunnen zijn dat we de financiers

zullen behagen. Wil je dit vakje?
aanvinken?; we vragen een beurs aan.

Heb je gedichten die ongedurige tieners
aanspreken? Tweetalige zijn het beste.

Wil je komen eten
met de sponsors en van Patrón nippen?

Kun je ons de verhalen vertellen die ons
ongemakkelijk maken, maar niet medeplichtig?

Lees niet dat ene voor waarin jij net
bent als wij. Geboren in een groen huis,

tuin, vertel ons niet hoe je tomaten
hebt geplukt en opat in de modder,

terwijl je keek hoe gieren op de weg de botjes
van een andere vogel kapot pikten. Vertel ons dat ene

over je vader, die wieldoppen stal,
nadat een collega had gezegd dat het dat was wat

zijn soort deed. Vertel ons hoe hij naar
de bijeenkomst kwam met een poncho aan

en probeerde de man zijn wieldoppen terug
te verkopen. Vermeld niet dat je vader

leraar was , Engels sprak, hield van
bier maken, hield van honkbal, vertel ons

opnieuw over de poncho, de wieldoppen,
hoe hij ze stal, hoe hij datgene deed,

waarvan hij wilde aantonen dat hij het niet deed.

 

Vertaald door Frans Romen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2020 en eveneens mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Palmzondag (Malcolm Guite), Mary Angelou

Bij Palmzondag

 

De intrede in Jeruzalem door Frans Francken de Jongere, tweede kwart 17e eeuw

 

Palm Sunday

Now to the gate of my Jerusalem,
The seething holy city of my heart,
The saviour comes. But will I welcome him?
Oh crowds of easy feelings make a start;
They raise their hands, get caught up in the singing,
And think the battle won. Too soon they’ll find
The challenge, the reversal he is bringing
Changes their tune. I know what lies behind
The surface flourish that so quickly fades;
Self-interest, and fearful guardedness,
The hardness of the heart, its barricades,
And at the core, the dreadful emptiness
Of a perverted temple. Jesus come
Break my resistance and make me your home.

 

Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957) Alpha and Omega Secondary School in Ibanda, de geboorteplaats van Malcolm Guite

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

Geraakt door een engel

Wij, niet gewend aan moed
ballingen van genot
leven opgerold in schelpen van eenzaamheid
totdat de liefde haar hoge heilige tempel verlaat
en in ons zicht komt
om ons vrij te maken om te leven.

Liefde komt aan
en in haar spoor komen extases
oude herinneringen aan plezier
oude geschiedenissen van pijn.
Maar als we moedig zijn,
slaat liefde de kettingen van angst weg
van onze ziel.

We zijn gespeend van onze verlegenheid
In het licht van de liefde
we durven dapper te zijn
En plotseling zien we
dat liefde alles kost wat we zijn
en ooit zullen zijn.
Toch is het alleen liefde
die ons vrijmaakt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e april ook mijn blog van 5 april 2019 en ook mijn blog van 5 april 2018 en eveneens mijn blog van 5 april 2016.

Palmzondag (Willem de Mérode)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Christus in Jeruzalem door Félix Louis Leullier, ca. 1800

 

Palmzondag

Wat zou ik graag de palmen zwaaien,
Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt,
Den weg met voorjaarsbloei bezaaien,
Mijn mantel spreiden als tapijt.

Wat zou ik graag de kindren hooren:
De meisjes arm aan arm gereid,
De hooge schelle jongenskoren,
Vol eerbied en brutaal jolijt.

Is ’t mij ontzegd tot U te komen
Als Gij straks binnen galoppeert,
Ik zie U in mijn wakkre droomen,
Ik hoor hoe alles jubileert.
Misschien dat Gij, hoe ik moog schromen,
Mijn zondig huis voor U begeert.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk (Delfzijl), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 14e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Jezus intrede in Jeruzalem (Nicolaas Beets)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Anthony van Dyck, 1617

 

Jezus intrede in Jeruzalem
Matth. XXI. v. 1-9.

Wat feestelijk hozannagalmen,
Wat luid gewoel in Davids stad,
Gezwier van schaduwende palmen
En kleederspreiding over ’t pad!
Wien groeten de opgetogen scharen?
Wiens statig’ intocht viert haar drom?
Wien spreidt men bloem en groene blaren,
En voert Hem zegevierende om?

Een Zegepraler, wien, na ’t strijden,
Een juichend volk met drift begroet?
Maar hij zou ’t oorlogsros beschrijden,
Nog kleurig van vergoten bloed.
Een lijfwacht zou zijn zij’ bekleeden,
De bloem van ’t overwonnen heir
Zou in zijns kleppers voetspoor treden,
Een keten slepend, Hem ter eer.

Of is ’t een uitgeroepen Koning,
Die ’t rijk aanvaard heeft door zijn recht,
Ten dage, die met praalvertooning
De kroon Hem op den tulband legt?
Maar neen, geen stoet van vorstenmagen,
Die voor zijn schreden zich verdringt;
Geen schepter wordt vooruitgedragen;
Geen schelle feestbazuin weerklinkt.

En toch een Vorst, maar niet van de aarde,
Is Hij wien ’t ezelveulen draagt;
Een prins, dien Davids dochter baarde,
Maar die geen zetel Davids vraagt,
Daar Hij zijn afkomst hooger rekent,
En hooger troon bestijgen zal;
Wiens naam Gezalfde Gods beteekent,
Wiens staf trekt over ’t wijd heelal.

Wie kent, van die zijn intocht vieren,
In Davids zegenrijke stad,
Wier handen hem de meien zwieren,
En kleedren spreiden op zijn pad;
Schoon zij den grooten Meester eeren,
Den Wonderdoener en Profeet,
Wie kent in Hem den Heer der Heeren,
Die Satan op den gorgel treedt?

Die d’ ijselijken strijd beginnen,
De schrikbre worstling aan zal gaan,
Waarin Hij Dood en Hel verwinnen,
En, zegevierder, op zal staan?
En hoe? Door lijden boven maten,
Door sterven, ’t menschdom ten rantsoen, –
Die nu Hem toejuicht op de straten,
Een lot, dat gij Hem aan zult doen!

Wij weten van uw zegepralen,
O Heer, in wien ons hart gelooft!
Wij koestren ons in ’t licht der stralen,
Die schittren om uw zeegrijk hoofd.
Wij heffen oog en hand en harte
Tot U, die op de wolken troont;
Gij waart op aarde een man van smarte,
Maar nu met hemelsche eer gekroond.

Hozanna! Koning, dien wij groeten;
Hozanna! Heer en Hoofd der Kerk!
Wij vallen needrig aan uw voeten,
Alleen door uw genade sterk.
Bekrachtig ons, gij Heer der Heeren,
Opdat wij, in uw naam gegord,
Verwinnaars, uit het strijdperk keeren,
Waarin ons zonde en dwaasheid stort.

 

 
Nicolaas Beets (13 september 1814 – 13 maart 1903)
De Nieuwe Kerk in Haarlem, de geboortestad van Nicolaas Beets

 

Zie voor de schrijvers van de 25e maart ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

Palmsonntag (Stefan Zweig)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Christus in Jeruzalem door Peter Paul Rubens, 1632

 

Palmsonntag

Du Tag, der jedem Pilger Seligkeit verkündet,
Der jedem Leidensweg ein Morgenrot entzündet,
Du schöner Tag der Kinder, die mit grünen Zweigen
Die Straßen auf und ab sich sehr geschäftig zeigen
Und unterwegs den duftigen Reichtum gerne mehren,
Um Armevoll von frischem Glück nach Haus zu kehren

An jenem Tage sucht auch ich den jungen Ast,
Als Halt für meines Schicksals wintermüde Last.
Ich ging, ich schritt voran, auf trauervollen Wegen
Durch Sonne bald und bald durch grauen Regen,
Von Kerzenglanz verlockt, der unsre Andacht weiht
Und unserm Gottesdienst so holde Anmut leiht.
Die Chöre waren voll von hellem Kindersingen,
Das durch die Kirche zog auf unschuldsfrohen Schwingen;
Und Gott allein vernahm durch diesen lauten Sang
Ein Beten und ein Lied, das weinend aufwärts rang:

»Von einer Verbannung zur anderen ruhlos vertrieben,
Wahrhaftig, ich weiß keine Heimat, die je mir geblieben!
Die Bäume zumindest, sie haben doch Zeit, um zu blühn,
Um Früchte zu tragen, zu wachsen, zu Tode zu glühn,
Mir, mir ward nicht Zeit! Meine Pflicht will nicht warten und weilen,
Gott! Zwing mich nicht immer, aus Frieden in Fremde zu eilen;
Gott! Gönn mir im Schatten am Wegrand ein wenig Bestand,
Meine Kinder im Arm, meine Stirne gestützt in die Hand!

Ich kann nicht mehr gehn. Ich komme … ich sah … und ich falle,
Ich holte dort droben vom Berg eine Blume; ich walle
An rosenkranztragenden Gräbern vorbei wie gehetzt,
Die Füße vom steinigen Bergpfad erlahmt und verletzt.
Gott! bin ich der Vogel mit ewig gebreiteten Schwingen,
So laß mich noch einmal das Haupt meines Sohnes umschlingen;

Des blondfrohen Knaben, der ohne mich wandert und strebt,
Die ich sein Gemüt doch mit Seele und Sehnsucht durchwebt!
Du Gott der Bedrückten, — Gott! bist du wirklich mein Vater,
So sei du den Meinen ein Retter, sei mir ein Berater,
Laß nicht meine Sorgen die Boten des Kommenden sein,
Nein, zeig uns den Hafen und führ uns in Frieden hinein;
In Nacht, in verfrühte, laß endlich ein Morgenrot dringen,
Verbiete den Wegen, mich weiter und weiter zu zwingen,
Bezeichne für uns einen Ort, eine Heimat, die Ruh,
Und führe den knieenden Kindern den Vater zu!« —

Die Orgel schwieg; der Glanz erlosch, mein heißes Sinnen
Ward still, um tief im Herzen heimlich fortzuspinnen;
Im Herzen, das nun doch die neue Hoffnung trank,
Die aus dem Lied der vielen in mich niedersank.
Ein Greis beglückte mich mit einem schlanken Zweige,
Weihwasser tropfte durch das Grün in meinen Händen,
Und froh betrat ich meine winterkalten Steige,
Mit festem Schritt den Erdenweg zu enden …

 


Stefan Zweig (28 november 1881 – 22 februari 1942) 
Wenen. Stefan Zweig werd geboren in Wenen

 

Zie voor de schrijvers van de 9e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Palmpasen (Bertus Aafjes)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Jezus in Jeruzalem door Pedro Orrente, 1620

 

Palmpasen

Het is Palmpasen en ik zie de bomen,
De palmen weer met kinderogen aan:
Hun blaadren die als vogelveren stromen
En in de top der stam gestoken staan.

En alles is bereid Hem te ontvangen,
En de verwachting vlamt op elk gelaat:
De kreupelen die aan hun krukken hangen,
De honden en de blinden van de straat.

Er draaft een ezeltje met rechte oren
Als aan de witte klasmuur van mijn jeugd;
Al heeft het Jezus van zijn rug verloren,
Ik zie Hem in mijn kinderlijke vreugd,
En zachtjens juicht het kind in mij verblijd:
Hosannah die de Zoon van David zijt.

 

 
Bertus Aafjes (12 mei 1914 – 22 april 1993)
Amsterdam, Tulpendag 2013. Bertus Aafjes werd geboren in Amsterdam

 

Zie voor de schrijvers van de 20e maart ook mijn drie vorige blogs van vandaag.

Palmzondag (Paul Snoek)

Bij Palmzondag

 

 
Benjamin Robert Haydon, Christ’s Entry into Jerusalem, tussen 1814 en 1820

 

Palmzondag

Witstille duiven
in een vroombemoste straat
verkondigen de vrede
in een psalmendialoog.

Kinderen op hun schommelpaarden
wuiven wierook naar de dag
en druivenranken
die niet groeien wilden vroeger
tonen witte alleluia’s aan elkaar.

Maar glazen mensen
in een palmen mens verborgen
houden ingepalmd
hun glazen maandagadem in.

 

 
Paul Snoek (17 december 1933 – 19 oktober 1981)
Sint-Niklaas, Grote Markt met Sint Nicolaaskerk,
Paul Snoek werd geboren in Sint-Niklaas

 

Zie voor de schrijvers van de 29e maart ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Palmsonntag (Maximilian von Schenkendorf)

Bij Palmzondag

 Christ's Entry into Jerusalem by Hippolyte Flandrin c. 1842
Hippolyte Flandrin, De intocht van Christus in Jeruzalem, 1842

 

Palmsonntag

Mildes warmes Frühlingswetter!
Weh’ mich an, du laue Luft!
Allen Bäumen wachsen Blätter,
Veilchen senden süßen Duft.

Zu des alten Domes Hallen
Hell und menschenreich der Pfad;
Frohe Botschaft hör’ ich schallen,
Daß der Liebeskönig naht.

Eilet, geht ihm doch entgegen,
Wandelt mit ihm Schritt vor Schritt,
Auf den blutbesprengten Wegen
In den Garten, wo er litt.

Habt ihr auch die Mär’ vernommen,
Wie der Frühling mit ihm zieht,
Und im Herzen aller Frommen
Süßes Wunder schnell erblüht?

Kindlein stehn mit grünen Zweigen
Um den heiligen Altar,
Und die Engel Gottes neigen
Sich herab zur Kinderschaar.

Blüht empor, ihr Himmelsmaien,
Palmen, blüht aus meiner Brust,
Christi Wege zu bestreuen,
Der euch hegt in Lieb’ und Lust.

 

 
Maximilian von Schenkendorf (11 december 1783 – 11 december 1817)
Tilsit, Deutsche Straße (Maximilian von Schenkendorf werd geboren in Tilsit)

 

Zie voor nog de schrijvers van vandaag ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Am Palmsonntage (Annette von Droste-Hülshoff)

Bij Palmzondag

 

palermo, cappella palatina

Intocht van Jezus in Jeruzalem

Mozaïek. Palermo, Cappella Palatina, meester van de paleiskapel, rond 1150

 

 

Am Palmsonntage

Der Morgentau will steigen;
Sind denn die Palmen grün?
Auf, laßt mit hellen Zweigen
Uns ihm entgegen ziehn!
Er will in unser Haus,
In unsre Kammern kommen;
Schon ziehen rings die Frommen
Mit Lobgesang heraus.

Ich kann nicht mit euch gehen,
Mir ist der Odem schwer;
Die Kreuzesfahnen wehen,
Ich folge nimmermehr.
Wie wird so klar die Luft?
O Jesu, süße Helle,
Du kömmst in meine Zelle,
In meine Modergruft!

Was soll ich dir bereiten,
Du wunderlieber Gast?
Ich möchte dich verleiten
Zu langer Liebesrast.
Wohlan, ich schmücke dich,
Will dich mit Blumen binden;
Du sollst dich nicht entwinden,
Das weiß ich sicherlich.

Aus deiner Mutter Rechten
Will ich um deinen Fuß
Die reine Lilie flechten
Mit demutsvollem Gruß.
Daß ich dich feßle ganz
Mit Liebesblumenringen,
Will um dein Haupt ich schlingen
Den heil’gen Rosenkranz.

Den Boden will ich streuen
Mit Palmen ganz und gar,
Mein Leiden dir zu weihen,
Was ich in diesem Jahr
Oft still, oft schwerer trug.
Es liegt zu deinen Füßen,
Es soll mich nicht verdrießen,
Dein Will’ ist mir genug!

Wie soll ich mich doch finden
In deine Liebesmacht,
Daß du an meine Sünden
So gar nicht hast gedacht!
Ich lasse nicht von dir,
Mußt du gleich wieder scheiden.
Ich fühl’ es wohl in Freuden,
Du kömmst noch oft zu mir.

 


Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)

Italiaanse kamer in het Rüschhaus nabij Drostes geboortehuis Burg Hülshoff

 

Zie voor de schrijvers van de 24e maart ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Johann Wolfgang von Goethe, Milan Kundera, Nikolaj Gogol, Max Nord, Urs Allemann, Rolf Hochhuth

Bij Palmzondag

 

giotto
Intocht in Jeruzalem, Giotto di Bondone, 1304

 

 

Gedicht zum Palmsonntag

Im Vatikan bedient man sich
Palmsonntags echter Palmen.
Die Kardinäle beugen sich
und singen alte Psalmen.
Dieselben Psalmen singt man auch,
Ölzweiglein in den Händen,
Muss im Gebirg zu diesem Brauch
Stechpalmen gar verwenden.
Zuletzt, man will ein grünes Reis,
So nimmt man Weidenzweige.
Damit der Fromme Lob und Preis
auch im geringsten zeige.

 

Johann Wolfgang von Goethe (28 augustus 1749 – 22 maart 1832)

Het Goethehaus in Weimar

Doorgaan met het lezen van “Johann Wolfgang von Goethe, Milan Kundera, Nikolaj Gogol, Max Nord, Urs Allemann, Rolf Hochhuth”