Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Thomas Verbogt)

Bij Sinterklaas

 

 

Uit: Wat heeft Sint voor jou gekocht? (Sinterklaas heeft het zo druk)  

“Mijn moeder staat bij de kachel waarvoor onze schoenen staan. Ze staan daar omdat mijn jongste zusje nog gelooft. Uit de schoen van mijn andere zusje steekt een smal pakje, uit de mijne twee ballpoints – mijn moeder weet dat ik die graag heb. Ze bukt nu om een klein speelgoedbeest, ik geloof een grijs konijntje, in de schoen van mijn jongste zusje te doen. Dan strooit ze wat pepernoten rond de schoenen. Ze doet dit allemaal met grote aandacht. Ze loopt naar mijn vader, die aan tafel zit te schrijven, naast de kleine typemachine. Mijn moeder legt haar handen op zijn schouders en kijkt naar wat hij geschreven heeft. Mijn vader pakt het vel papier en begint te lezen. Ik zie dat het een gedicht is. Hij leest glimlachend, mijn moeder lacht ook, ze kust hem op zijn achterhoofd.
Dan gebeurt er iets onverwachts: het tafereel ontroert me. Ik heb vaak ruzie met mijn ouders. Ik heb, geloof ik, last van ze omdat ze ouder zijn dan ik en veel meer voor elkaar hebben dan ik en een veel ruimer leven leiden dan ik en al erg lang in later zijn beland, maar nu wordt de wereld van hen en van mij ineens klein en kwetsbaar, bijna teer. Ik weet zeker dat ik me dit altijd zal herinneren, ook als ik ver weg van hier zal zijn, misschien wel aan de andere kant van de wereld, en mijn ouders niet meer leven en iemand vraagt wat het toch is, dat sinterklaasfeest ‘van jou’. Dan zal ik proberen te omschrijven wat ik nu meemaak, en die omschrijving zal waarschijnlijk pover zijn, want het is niet te zeggen. Maar daar gebeurt het, daar in de stille huiskamer; mijn moeder heeft iets in de schoen gelegd, mijn vader werkt aan een gedicht waarin hij plezier heeft – en het zijn altijd ontzettend vernuftige gedichten die hij schrijft. Dat is het woord: vernuftig. Sommige woorden typt hij in rood en die woorden vormen dan weer een nieuw gedicht, een gedicht in het gedicht dus, en altijd vormen de eerste letters van de regels een woord of twee woorden die het gedicht nog meer gewicht geven. Mijn vader houdt ervan zo met taal in de weer te zijn.
Nog twee jaar en dan is deze avond vijftig jaar geleden. Ik hoef inderdaad mijn ogen maar te sluiten en ik sta daar weer, bijna veertien. Op pakjesavond krijg ik Blonde on Blonde van Bob Dylan, een dubbelelpee die me met grote triomf vervult. Die momenten verbind ik met elkaar, de paar minuten die ik eerder die week naar binnen stond te kijken, en de plaat van Dylan, en alles wat Dylan vertegenwoordigt. Ze zeggen iets over mijn leven, over de uitersten ervan.
Op die pakjesavond wordt er op de ramen gebonsd. Dat doet de buurman, niet de buurman van de carnavalsvereniging maar die van de andere kant, een stille man die haast te verlegen is om dit soort lawaai te produceren.
Mijn jongste zusje gaat in de keuken kijken, tot op het bot gespannen – aan haar mond is te zien dat ze nog net niet gilt. Als ze de zak ziet staan, durft ze niet verder.
Mijn moeder zegt: ‘Sinterklaas heeft het zo druk vanavond. Daarom laat hij in alle huizen snel een zak met cadeautjes neerzetten. Het liefst was hij zelf gekomen, maar dat kan natuurlijk niet, met al die duizenden en duizenden kinderen.’
Mijn zusje knikt bedremmeld. Alles wat er nu gezegd wordt, is veel voor haar, ook de zak in de keuken waaromheen nog de kou van buiten hangt. Ik vind het ook veel, ik kan het niet helpen, ik vind het echt, hoe kinderachtig ook.
Mijn vader zegt dat ik de zak maar de huiskamer in moet dragen. Wanneer ik dat doe weet ik zeker dat ergens in die zak ook mijn pakje Caballero zit. Dat mijn ouders het die avond in de schuur gevonden hebben. En ook dat het gedicht dat ik mijn vader die avond zag maken, daarover zal gaan. Het gedicht dat hij lachend aan mijn moeder voorlas.”

 
Thomas Verbogt (Nijmegen, 9 december 1952)
Sinterklaas bij de Waalkade in Nijmegen

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

A Ballad Of Santa Claus (Henry van Dyke)

Bij Sinterklaas                    

 

 

A Ballad Of Santa Claus

Among the earliest saints of old, before the first Hegira,
I find the one whose name we hold, St. Nicholas of Myra:
The best-beloved name, I guess, in sacred nomenclature,—
The patron-saint of helpfulness, and friendship, and good-nature.

A bishop and a preacher too, a famous theologian,
He stood against the Arian crew and fought them like a Trojan:
But when a poor man told his need and begged an alms in trouble,
He never asked about his creed, but quickly gave him double.

Three pretty maidens, so they say, were longing to be married;
But they were paupers, lack-a-day, and so the suitors tarried.
St. Nicholas gave each maid a purse of golden ducats chinking,
And then, for better or for worse, they wedded quick as winking.

Once, as he sailed, a storm arose; wild waves the ship surrounded;
The sailors wept and tore their clothes, and shrieked “We’ll all be drownded!”
St. Nicholas never turned a hair; serenely shone his halo;
He simply said a little prayer, and all the billows lay low.

The wicked keeper of an inn had three small urchins taken,
And cut them up in a pickle-bin, and salted them for bacon.
St. Nicholas came and picked them out, and put their limbs together,—
They lived, they leaped, they gave a shout, “St. Nicholas forever!”

And thus it came to pass, you know, that maids without a nickel,
And sailor-lads when tempest blow, and children in a pickle,
And every man that’s fatherly, and every kindly matron,
In choosing saints would all agree to call St. Nicholas patron.

He comes again at Christmas-time and stirs us up to giving;
He rings the merry bells that chime good-will to all the living;
He blesses every friendly deed and every free donation;
He sows the secret, golden seed of love through all creation.

Our fathers drank to Santa Claus, the sixth of each December,
And still we keep his feast because his virtues we remember.
Among the saintly ranks he stood, with smiling human features,
And said, “Be good! But not too good to love your fellow-creatures!”

 

Henry van Dyke (10 november 1852 – 10 april 1933)

 

 
Illustratie bij pakjesavond uit een Sinterklaasboek van de geplaagde Charlotte Dematons.

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

De nood van Sinterklaas (Felix Timmermans)

Bij Sinterklaas

 

 
Sinterklaas door Rien Poortvliet, 1977

 

Uit: De nood van Sinterklaas

“Het was koud, de maan stond hoog aan de hemel, en de sneeuw kraakte onder hun voeten. Plotseling galmde het ‘Slaap gerust’ door de vriezige stilte, vanaf de toren.
‘Nog iemand die niet slaapt!’ riep Sint Nicolaas verheugd, en Zwarte Piet stak snel zijn voet tussen de deur, die Trientje boos dicht wilde gooien.
‘Houden jullie dat mens wakker’, zei Zwarte Piet, ‘ik ben zo terug!’ en terwijl hij dat zei stootte hij de deur van Trientje zó hard weer open, dat ze in een grote mand met uien terechtkwam.
Terwijl de anderen weer naar binnen gingen, sprong Zwarte Piet op het paard van de Sint en galoppeerde door de straten. Hij hield stil bij de toren, klom langs de regenpijp omhoog tot bij Dries Andijvel, die juist in zijn kamertje ‘Er was een jager uit jagen gegaan’ op zijn viool kraste.
Dries liet van schrik zijn viool vallen, maar Zwarte Piet stelde hem gerust en vertelde hem alles.
‘Eerst zien en dan geloven!’ zei Dries. Samen met Piet ging hij naar beneden. Even later waren ze bij ‘De Suikeren Neusvleugel’ aangekomen.
Sint Nicolaas viel voor de nachtwaker op zijn knieën, en smeekte hem of hij vijfentwintig frank kon geven. Hij beloofde de nachtwaker alle geluk van de wereld als hij het deed.
Dries was ontroerd, en zei tegen de ongelovige, steenhartige Trientje: ‘Ik weet niet of hij liegt, maar zo staat Sint Nicolaas echt afgebeeld in het prentenboek van onze kleine, én in het kerkraam boven de doop- vont. Stel je nu voor Trientje, dat hij het is… Geef hem het schip maar!
Morgen betaal ik u…’
Trientje had alle vertrouwen in de torenwachter, een man die bij haar in de buurt woonde. En Sint Nicolaas kreeg het schip.
‘Ga jij nu maar snel naar huis om te slapen’, zei Sint Nicolaas tegen de kleine Cecilia, ‘we brengen dadelijk het schip…’
Het kind ging naar huis, maar het sliep niet. Ze zat onder de schoorsteenmantel met het kussen in haar armpjes te wachten op het schip… Een manestraal scheen door een kier in het gordijntje en gaf het kamertje een zilveren glans.
Hè, wat zag ze daar nu buiten! Ginder, aan de andere kant van het dorpje reed Sint Nicolaas op zijn witte schimmel. De stille vrieswind deed zijn rood-fluwelen mantel enigszins opwaaien. Zwarte Piet liep trouw naast zijn Meester voort. Cecilia volgde hen tot ze achter de grote kerk verdwenen waren. Toen keek ze naar het kussen. Tranen brandden achter haar ogen. Zwarte Piet, of de goede Heilige waren haar zeker vergeten; ze hadden het schip niet gebracht; het lag niet op het kussen…
Maar… hoe was dat nu mogelijk? Door haar tranen heen zag ze iets glinsteren. Het schip ‘de Congo’ was wél gebracht! Dáár, daar stond het, in de koude as, zonder een deukje of een barst. Wat een geluk! Het zilverpapier glansde, en er kwam wel voor zeven en een halve cent witte watten rokend uit de schoorsteen. Hoe was dit zo stil gebeurd? Hoe kon dit nu?
Ja, dát weet nu juist niemand, dat is de kundigheid en de vernuftigheid van Zwarte Piet, en dat leert hij aan niemand voort…

 
Felix Timmermans (5 juli 1886 – 24 januari 1947)
Cover Duitse uitgave

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn vorige blog van vandaag.

Sinterklaas, René de Clercq, Dolce far niente

Bij Sinterklaas

 

 

 

Sinte Klaas

Wees brave, broerke, brave,
Ons kloefkes staan gezet:
Het ene bij de kave,
En ’t ander onder ’t bed.
’t Zijn wortels in en raapkes,
Wel zes of zeven gaapkes.
Wees brave, of weet-je niet
Dat Sinte Klaas ons ziet?

Bid zoetekes, met zusje,
De heilgen tabbaardman,
Heel koes gelijk een musje,
Dat nog niet vliegen kan.
En morgen, bij ’t ontwaken,
Uw schoonste kruiske maken!
Wees brave, of weet-je niet
Dat Sinte Klaas ons ziet?

Dan lopen, juichen, zoeken
Uw marbels, band en top;
De menten en de koeken;
Mijn langgelinte pop!
Van ieder mokje en tartje,
Krijgt moederken haar partje.
En zo vergeet-je niet
Dat Sinte Klaas ons ziet.

 


René de Clercq (4 november 1877 – 12 juni 1932)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e december ook mijn blog van 5 december 2014.

Sinterklaas, Drs. P., Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev

Bij Sinterklaas

 

Sinterklaaslied

U zult het niet geloven
Maar mensen, het is waar
Ik heb alweer een beetje minder zin dan vorig jaar
Een beetje minder adem
Een beetje minder kracht Wat had u anders van zo’n hoogbejaarde man verwacht

Mijn knecht die staat te lachen
En huppelt op en neer
O nee, dat doet mijn paard, enfin, het hoeft voor mij niet meer
Het is hier in het noorden
Zo schemerig en koud
En wat ik ook vertel of doe, de kinderen blijven stout

Als ik in mijn kazuifel
Door Kathedralen schuifel
Dan kan het leven er nog wel mee door
Maar komt de maand november
Dan denk ik aan december
En met een holle stem bereid ik mij op ’t ergste voor

 

 
Illustratie uit St. Nikolaas en zijn knecht, Jan Schenkman (1905)

 

’t Is altijd weer die poespas
En steeds in vol ornaat
Ze noemen mij kapoentje, ik weet niet waar dat op slaat
En altijd die gezichten
Dat snerpende gezang
En niemand die beseft hoe ik naar mijn pensioen verlang

Ze hebben immers weken
Hier naar me uitgekeken
Belust op speculaas en pepernoot
Toe jongens, niet zo dringen
En geen beschadigingen
Hij komt, hij komt, de goede Sint, hij zit weer in de boot

De maan schijnt door de bomen
Het bos niet meer te zien
Maar ja, die zit daar lekker boven in zijn vliegmachien
En ik loop hier beneden
Van ’t kastje naar de muur
Er moet toch wel iets mis zijn met de maatschappijstructuur
Maar ik moet eerlijk zeggen
Ik vind het toch wel fijn
Om net zo populair als Drs. P te zijn..

 
Drs. P (Thun, 24 augustus 1919)

Continue reading “Sinterklaas, Drs. P., Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti, Fjodor Tjoettsjev”

Sinterklaas, Hans Andreus, Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti

Bij Sinterklaas

Uit: Een heel stout jongetje

“Even kijken,” zei Sint Nicolaas terwijl hij zijn bril opzette en in het Grote Boek keek, “ah, juist, nu weet ik het weer, hier woont dat hele stoute jongetje. Zozo…” en hij keek over zijn brillenglazen naar het jongetje. Het stoute jongetje keek brutaal terug, maar zijn tong durfde hij toch niet uit te steken.
“Piet,” vervolgde Sint Nicolaas tegen Zwarte Piet, “dit jongetje is onverbeterlijk. Wat ik niet allemaal over hem gehoord heb, sinds ik weer in Nederland ben!”
“Dus geen cadeautje, Sinterklaas?” vroeg Zwarte Piet.
“Cadeautje?” vroeg Sint Nicolaas. “Hoe haal je ’t in je hoofd, Piet. Is het niet juist,” vroeg hij toen aan Vader en Moeder, “dat dit jongetje dit jaar nóg meer ruiten heeft gebroken en nóg meer potten jam heeft leeggelikt dan verleden jaar? En dat hij de schoenen van zijn schoolmeester, die de arme man uitgetrokken had omdat zijn voeten zo’n pijn deden, zomaar heeft verstopt, zodat de meester op zijn sokken naar huis moest? En… ach, ik kan wel blijven doorgaan.”
“Het spijt ons,” knikten vader en moeder, “het is allemaal waar.”
“En heb jij geen spijt?” vroeg Sint Nicolaas aan het jongetje.

 
Illustratie uit “Sint Nicolaas en zijn knecht” van Jan Schenkman, uitgave ca. 1907

 

“Je hebt stoute jongetjes en Brave Hendriken,” zei het jongetje, “en ik wil geen Brave Hendrik zijn.”
“Nog steeds even brutaal,” zei Sint Nicolaas. “Piet, stop hem in de zak!” Het jongetje probeerde nog weg te lopen, maar Zwarte Piet pakte hem meteen beet en stopte hem in de zak. “Zo, dan gaan we maar weer,” zei Sint Nicolaas. “Maar ons jongetje dan?” vroegen vader en moeder. Sint Nicolaas en Zwarte Piet waren echter de kamer en het huis al uit.
Nu moet je weten dat Sint Nicolaas stoute kinderen nooit heel lang in de zak laat zitten. Na een half uurtje of zo vindt hij het wel genoeg, dan doet hij de zak open en laat de kinderen beterschap beloven, voor hij ze naar huis stuurt. En dikwijls geeft hij ze dan nog een cadeautje ook. Maar toevallig was het jongetje één van de laatste kinderen die hij had bezocht. En de volgende dag ging hij terug naar Spanje, want hij had haast dit jaar.
Pas toen ze weer thuis in Spanje waren, zei Sint Nicolaas tegen zijn knecht: “Zeg, Piet, herinner ik me dat nou goed? Hadden wij niet een heel stout jongetje in de zak gestopt?”
“Ja, baas,” zei Piet.
“Maar hebben we dat jongetje ook weer uit die zak gehaald?”
“Nee, baas, dat ben ik helemaal vergeten,” zei Piet.

 
Hans Andreus (21 februari 1926 – 9 juni 1977)

Continue reading “Sinterklaas, Hans Andreus, Hanif Kureishi, Joan Didion, Christina Rossetti”

5 December, Annie M.G. Schmidt, Hanif Kureishi, Joan Didion, Fjodor Tjoettsjev

Bij 5 december

 

Uit: De heerlijkste 5 december in vijfhonderdvierenzeventig jaar

‘Daar zitten we weer,’ zei Sint. ‘Zegt u dat wel,’ zei Piet. ‘Op de stoomboot naar Nederland. Net als ieder jaar. Voor de hoeveelste keer is dat nou, Sinterklaas?’ ‘Voor de vijfhonderdvierenzeventigste keer,’ zei de Sint. ‘Bah,’ zei Piet. ‘Wat nou “bah”…’ zei Sinterklaas verontwaardigd. ‘Waarom “bah”?’ ‘Ik heb er zo genoeg van,’ zei Piet. ‘Maar je houdt toch van de kinderen? En de kinderen houden toch van ons ?’ ‘Welnee,’ zei Piet. ‘Ze houden alleen van onze cadeautjes, ’t Gaat ze enkel om de pakjes. Verder nergens om. En ’t gaat nog stormen ook. Bah !’ ‘Hoor ’s Piet, dat mag je volstrekt niet zeggen,’ zei Sinterklaas boos. ‘Als je nog een keer “bah” zegt, ontsla ik je. De kinderen houden wél van ons. Ze zijn gek op ons…’

 

Oude boekillustratie

 

Hoeii… voor Sinterklaas verder kon spreken kwam er een windvlaag die bijna z’n mijter meenam… de storm stak op… de lucht werd inktzwart… de golven werden hoger en hoger… ‘Daar heb je ’t nou…’ schreeuwde Piet. ‘We vergaan!’ ‘Onzin,’ riep Sinterklaas, “t Is al vierhonderddrieënzeventig keer goed gegaan met die boot, waarom zouden we dan nu ineens… haboeh…’ Sinterklaas kreeg een grote zilte golf naar binnen en hij moest met de ene hand z’n mijter en z’n staf vasthouden en met de andere de reling. De storm werd steeds erger en heviger en woester en wilder en vreselijker. Huizenhoge golven, torenhoge golven… de stoomboot leek wel een plastic speelgoedscheepje op de Westeinder Plas.

‘Ik ben zo bang…’ huilde Piet. ‘Onzin!’ riep Sinterklaas weer. En toen ineens… een ontzettende schok. Het schip was op een klip gevaren. ‘Help… help…’ schreeuwde Piet. ‘Help, de boot zinkt !’ ‘Wat zei je zo-even, Piet?’ vroeg Sinterklaas, terwijl hij probeerde te zwemmen met zijn mijter op en zijn staf in de hand. ‘Ik zei: De boot zinkt…’ kreunde Pieter, die naast hem zwom. ‘O,’ zei Sinterklaas. ‘Wel, je had gelijk. De boot is gezonken.’ ‘O, wat ben ik nat,’ zei Piet. ‘O, wat ben ik nat en koud en zielig. O, wat heb ik een medelijden met mij!’ ‘Denk liever aan die arme kindertjes in Nederland,’ zei Sinterklaas. ‘Als de Sint verdrinkt zullen ze nooit meer lekkers en speelgoed krijgen op 5 december. Daar ga ik, Piet. Ik ben te oud om in de Golf van Biskaje te liggen. Vaarwel dan, Piet.’ ‘Nee,’ riep Piet wanhopig, ‘niet zinken, Sinterklaas. Daar drijft een grote balk ! Misschien kunnen we erop klimmen.’

Hè hè, voorlopig waren ze gered.”

 

Annie M.G. Schmidt (20 mei 1911 – 21 mei 1995)

 

Zie ook mijn blog van 5 december 2011 en ook mijn blog van 5 december 2010 en ook mijn blog van 5 december 2009.

Continue reading “5 December, Annie M.G. Schmidt, Hanif Kureishi, Joan Didion, Fjodor Tjoettsjev”