Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, James Dickey, Norbert Bugeja

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Transit

“Zwarte wollen leggings had ze aan, zwarte rijglaarzen, en over een zwarte trui die tot op haar heupen hing een kort jack van zwart kunstleer. Een scheur in de linkermouw was met zwart gemaakte pleister dichtgeplakt. Haar haren droeg ze kortgeknipt, een donkerblonde kap. Heel haar aardse bezit zat samengeperst in een klein model rugzak. Ze had juist haar gezicht gewassen en haar tanden gepoetst in de wc op het eerste perron. In de nissen, gevormd door de muur van het hoofdgebouw en de uitspringende metalen ribben van de overkapping, zaten en lagen een paar, meest jonge, reizigers te wachten op vroege internationale treinen. Ook zij had geld noch onderdak. Ze was niet meer op reis, maar evenmin thuisgekomen. Ze woonde nergens.
Sinds ze was gaan zwerven bekeek ze stations met andere ogen. In hoeveel van die gewelven van vuil glas, waar altijd schemer heerste, was ze al geweest? Stations om er te slapen, zich te warmen in wachtkamers, om er schuilgaand in de menigte de tijd door te brengen – zelden om er als treinreiziger te vertrekken of aan te komen; liften was onvergelijkbaar veel goedkoper. Overal dezelfde perrons en trappen, dezelfde evenwijdige of in elkaar verglijdende treinsporen, dezelfde geluiden en echo’s; alleen de opschriften verschilden in taal en lettersoort. Hier, terug in eigen land, herkende ze de witte pictogrammen op donkerblauwe ondergrond, de heldergroene telefooncellen, de gele treinen, en ze verstond het geroezemoes. Maar dat bekende veroorzaakte juist een gevoel van vervreemding.
De kiosken en winkels in de brede gang onder het station waren al open. De geur van de croissanterie maakte haar haast misselijk. In de hal treuzelde ze. De toiletten hadden haar vijftig cent gekost. Starend naar het vloermozaïek van bruine, blauwe en zwarte blokjes rekende ze uit hoeveel ze nog te besteden had. De automobilist met wie ze voor het laatste gedeelte van haar tocht was meegereden, had haar afgezet bij een tramhalte aan de stadsgrens. Vandaar naar Centraal was de rit gratis geweest; ze had een van de straat opgeraapte gebruikte strippenkaart in de stempelautomaat gestoken om de vereiste klik te produceren. Maar dat zou de trambestuurder een zorg zijn.
Ze keek op de grote klok. Het was even over negen. Ze rekende erop dat de vriendin bij wie ze ging aankloppen thuis was, om uit te slapen. Na het weerzien zouden ze samen ontbijten met verse koffie en geroosterd brood, zoals vroeger.
Ze zag hem zodra ze buitenkwam. Eerst kon ze niet geloven dat hij het was. Haar ongeloof gold niet het toeval (hoe wonderlijk het ook was dat ze hem, juist hem, hier aantrof, op het stationsplein bij de blauwe paal met de klok) maar de toestand waarin ze hem vond. Ze liep naar hem toe, tot vlak bij hem; ze had zich niet vergist. Ze noemde hem bij zijn naam. Hij reageerde niet, bleef onbeweeglijk staan, hield zijn hoofd wat achterover alsof hij keek naar iets in de lucht of op het dak van het stationsgebouw. Maar zijn blik was leeg, ongericht.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Willem van Zadelhoff werd geboren in Arnhem op 2 februari 1958. Zie ook alle tags voor Willem van Zadelhoff op dit blog.

5 Manieren om een stad te zien

1
wij zijn hier niet gekomen om een brug te zien
hier wordt niets verbonden daarom

want wat niets met elkaar te maken heeft
moet van elkaar afblijven duidelijk

stil water en verder geen enkele boot
geen gras om op te liggen geen oneindigheid

geen vrouw zelfs geen matras om God te prijzen
hoogstens een dek vol dofklinkend hout kromhout

gewoon de brug negeren en voor je uitkijken
strak voor je uitkijken en zo min mogelijk waarnemen

je geen strobreed in de weg laten leggen en vooral
geen mist van geluiden en geuren optrekken want

niets zijn niets geweest zijn en nooit iets worden dat besef je
en dat geen hand jou zal bewaren geen vinger geen nagel

 

Tussen taal en teken
een cyclus

1
haar schouder vangt het laatste licht
de pen trekt lijn na lijn op papier cirkels
nu is wat was en ontbreekt het
voorgoed aan herinneringen

niets hoeft meer gestold in inkt
misschien een schaduw op de vloer
bijvoorbeeld de vragende blik op haar gezicht
dat nerveuze trekken van haar mond

wat was is tijd geleden is het lijden
van tijd is uur minuut en seconde
dan steekt een wind op en blaast
papier en bladeren voor zich uit

 
Willem van Zadelhoff (Arnhem, 2 februari 1958)

 

De Nederlandse schrijfster Esther Gerritsen werd op 2 februari 1972 geboren in Nijmegen. Zie ook ook alle tags voor Esther Gerritsen op dit blog.

Uit: De trooster

“Ik herinner me dat ik de deurposten schuurde, dat ik spierpijn had, mijn vingers kapot waren, dat ik het hout blanker en gladder zag worden en ik zeker wist dat ik gelukkig was. Het werk onder je handen zien verbeteren. Het hout en ik, dat was genoeg. Ik was tevreden met mijn gebrekkige lichaam, dat brandt en slijt en toch volstaat, dat doet wat het moet doen. Ik verlangde niets.
Ik ging zitten en keek naar mijn werk. De stilte was weldadig en onmiddellijk was er de wens om hier voor altijd te kunnen blijven zitten. Ik lachte omdat ik net nog dacht niets te willen. Elk vredig ogenblik roept het ongedurige verlangen op om het te verlengen. Steeds weer: en zo moet het blijven.
Op dat moment kwam Henry Loman binnen. Zo op het eerste gezicht een vermoeide man van middelbare leeftijd met overgewicht. Soms probeer ik mijn eerste blik op hem terug te halen, mijn snelle, weinig vleiende oordeel. Dat lukt me nauwelijks.
De gastvrouw was tulpen halen in het dorp, blijkbaar verwachtte zij nu nog niemand. Omdat hij een koff er bij zich had, begreep ik dat het een retraitegast moest zijn die veel te vroeg arriveerde. Hij stak meteen zijn hand uit, stelde zich voor, ik luisterde niet. Ik keek in een reflex nog om me heen of er niet iemand anders was om hem te ontvangen, terwijl ik wist dat ik alleen was. De broeders maakten zich net klaar voor de vespers; ik durfde hen niet te storen, het was aan mij om de gast te verwelkomen. Ik ben het gewend mezelf onmisbaar te maken met het aanpakken van allerhande klussen, maar zelden zijn ze sociaal van aard. Ik zeg eigenlijk altijd ja. Heggen snoeien, een terras aanleggen, de gevel schilderen, de moestuin onderhouden, een muurtje metselen.
Wanneer iemand vraagt: ‘Kun jij dat?’ zeg ik ‘ja’, en denk: hoe moeilijk kan het zijn? Nooit vraagt iemand me om een gast te ontvangen. Ik ga ervan uit dat dit vanwege mijn scheve gezicht is, dat de mensen afschrikt of verwart. Nu zie ik het probleem niet in van een beetje verwarring, ik voel zeker niet de behoefte om daar zelf de oorzaak van te zijn.”

 
Esther Gerritsen (Nijmegen, 2 februari 1972)

 

De Nederlandse dichter, tekstschrijver en cabaretier Kees Torn werd geboren in Oostburg op 2 februari 1967. Zie ook alle tags voor Kees Torn op dit blog.

Ommetje

Er brandt al lang geen licht meer bij de buren
Als ik thuis kom is ’t stil op straat
De hele buurt slaapt om die tijd al uren
Niemand die nog bezig is, zo laat
Maar zelfs wanneer ik best een beetje moe ben
Van lange dagen en van slaap tekort
En aan een welverdiende nachtrust toe ben
Mij maakt ’t niet uit hoe laat ’t wordt
Al moet ik ’s morgens weer vroeg uit bed
Ik maak, voor ik m’n wekkertje zet
En geeuwend op m’n slaapbankje rol
Eerst een ommetje
Een ommetje met m’n mol

Een ommetje met m’n mol
Ik maak echt iedere nacht een ommetje met m’n mol
Terwijl ‘ie braaf wacht schep ik met de wormen
Die ik voor m’n molletje mee heb gebracht
Z’n kommetje lekker vol

Hij hoort ‘t, als ik de trap kom opgelopen
En als ik dan de voordeur openmaak
Is hij allang z’n bloempot uitgekropen
En pakt ‘ie ’t riempje van de haak
Buiten rent ‘ie altijd eerst een stukje
En is ‘ie eenmaal lekker uitgedraaft
Passeert ‘ie altijd even, voor een drukje
Dat ‘ie keurig, meters diep begraaft
Als in de stad ieder drankhuis sluit
En binnen gaan alle lichten uit
En iedereen kruipt onder de wol
Maak ik een ommetje
Een ommetje met m’n mol

Een ommetje met m’n mol
Met dat gezellige beest, een ommetje met m’n mol
Vanavond is het weer feest
Vanavond dan steek ik, want hij is pas namelijk jarig geweest
Een blommetje in z’n hol

 
Kees Torn (Oostburg, 2 februari 1967)

 

De Ierse schrijver James Joyce werd geboren in Dublin op 2 februari 1882. Zie ook ook alle tags voor James Joyce op dit blog.

Uit: Ulysses

“— You were making tea, Stephen said, and I went across the landing to get more hot water. Your mother and some visitor came out of the drawing room. She asked you who was in your room.
— Yes? Buck Mulligan said. What did I say? I forget.
— You said, Stephen answered, O, it’s only Dedalus whose mother is beastly dead.
A flush which made him seem younger and more engaging rose to Buck Mulligan’s cheek.
— Did I say that? he asked. Well? What harm is that?
He shook his constraint from him nervously.
— And what is death, he asked, your mother’s or yours or my own?
You saw only your mother die. I see them pop off every day in the Mater and Richmond and cut up into tripes in the dissecting room. It’s a beastly thing and nothing else. It simply doesn’t matter. You wouldn’t kneel down to pray for your mother on her deathbed when she asked you. Why? Because you have the cursed jesuit strain in you, only it’s injected the wrong way. To me it’s all a mockery and beastly. Her cerebral lobes are not functioning. She calls the doctor Sir Peter Teazle and picks buttercups off the quilt. Humour her till it’s over. You crossed her last wish in death and yet you sulk with me because I don’t whinge like some hired mute from Lalouette’s. Absurd! I suppose I did say it. I didn’t mean to offend the memory of your mother.
He had spoken himself into boldness. Stephen, shielding the gaping wounds which the words had left in his heart, said very coldly:
— I am not thinking of the offence to my mother.
— Of what, then? Buck Mulligan asked.
— Of the offence to me, Stephen answered.
Buck Mulligan swung round on his heel.
— O, an impossible person! he exclaimed.
He walked off quickly round the parapet. Stephen stood at his post, gazing over the calm sea towards the headland. Sea and headland now grew dim.
Pulses were beating in his eyes, veiling their sight, and he felt the fever of his cheeks.
A voice within the tower called loudly:
— Are you up there, Mulligan?
— I’m coming, Buck Mulligan answered.
He turned towards Stephen and said:
— Look at the sea. What does it care about offences? Chuck Loyola, Kinch, and come on down. The Sassenach wants his morning rashers. “

 
James Joyce (2 februari 1882 – 13 januari 1941)
Portret door Patrick Tuohy, 1924

 

De Vlaamse dichter en schrijver Eriek Verpale werd geboren op 2 februari 1952 te Zelzate. Zie ook alle tags voor Eriek Verpale op dit blog.

(Over) de nutteloosheid van het winnen

The winner takes it all, aldus Abba, maar die keer
toen ik bij een tombola in een toch wel zeer naar carboline
ruikende parochiezaal een gifgroene slazwierder
gewonnen had, olala, toen gooide mijn moeder
de gebruikelijke oude keukenhanddoek niet weg
maar verknipte hem tot zakdoeken, voor mij,
de altijd verkouden snotneus die zelfs boven
zijn pannekoeken triestig het water liet lopen.

Daarna won ik een boek, zoiets heette toen nog een prijsboek:
Het leven van Abraham Lincoln, waardoor ik na het lezen
van dat boek een tijdlang niets anders wilde worden dan
Eriek Verpale, president van Amerika én Israël,
hetgeen alleszins beter klonk dan Eriek Verpale,
kakt in de bale! jawel. Maar ik werd dus geen president,
zelfs niet van Gent, maar wél won ik de prijs harer poëzie
en in de feestzaal, tot verdriet mijner collega’s en hun eega’s:
echt vermoord werd ik niet.

Het mocht toen wel ophouden, vond ik, met al dat gewin
vol kattegespin, maar ziet, op het jaarlijkse bal van mijn communistische
doktoren viel ik alweer in de prijzen en won ik voor mijn haar
een gratis brushing zodat de mensen naar mij wel bléven
wijzen, want ik hád al zoveel minderjarige vriendinnetjes
voor wie ik zelfs vaak levend model stond, om op te oefenen
vooralswanneer zij ook dode mensen káál moesten leren scheren.

Godlof, een eind aan al dat gewin kwam er echter slechts dan
nadat ik, straatarm, zeer zwaar op de Lotto begon te spelen
en over de grens zelfs illegale casino’s bezocht waarna
ik, platzak, nog om een sigaret
moest bedelen.

 
Eriek Verpale (2 februari 1952 – 10 augustus 2015)

 

De Britse schrijfster Santa Montefiore (eig. Santa Palmer-Tomkinson) werd geboren op 2 februari 1970 in Hampshire. Zie ook alle tags voor Santa Montefiore op dit blog.

Uit: Onder de Italiaanse zon (Vertaald door Erica Feberwee)

“Gracies blik bleef op de foto rusten. Het kasteel was precies zoals een Italiaans castello zou moeten zijn: fraai en evenwichtig van proportie, met kantelen op de muren, met hoge ramen voorzien van luiken en met daarboven halvemaanvormige timpanen. De hete zomerzon en de gure winterstormen hadden het zandsteen doen verbleken tot grijsgeel. Als een imposante oude vorst verhief het kasteel zich op de top van de heuvel, majestueus oprijzend boven de middeleeuwse huizen die zich als een woud van steen aan de voet van de heuvel hadden verzameld. Gracie sloot haar ogen, en terwijl ze diep inademde, rook ze de geur van wilde tijm en rozemarijn, van jasmijn en kamperfoelie, van uitbundig bloeiende gardenia, bedauwd gras en het harsachtige aroma van pijnbomen. In haar verbeelding hoorde ze het tjirpen van krekels en zag ze de fluweel-zwarte sterrenhemel die zich boven de Toscaanse heuvels spande, als een met diamanten bezaaide baldakijn. Haar hart stroomde over van verlangen, een verlangen dat lang had geslapen maar dat na vele jaren eindelijk weer ontwaakte. Het was een gevoel dat haar bang maakte, want ze wist zich er geen raad mee. Ze was vergeten wat ze ermee aan moest, net zoals ze was vergeten hoe het voelde om jong en verliefd te zijn, om de wereld dapper en avontuurlijk tegemoet te treden. De kunst van het leven, die was ze verleerd. Ze had zich tientallen jaren in haar schulp teruggetrokken, waar ze zich veilig en geborgen had geweten. Maar de foto van het kasteel had haar wakker geschud – alsof er een kurk uit een fles was geschoten, waardoor de bruisende inhoud plotseling naar buiten stroomde.
En het enige wat Gracie zeker wist, was dat ze naar Toscane moest! Ze moest erheen, en wel zo snel mogelijk.
Haar blik ging naar het gezicht dat haar aankeek vanuit de spiegel.
Het bruisen werd op slag minder. Ze was achtenzestig, en ook al zag ze er nog goed uit voor haar leeftijd, achtenzestig was oud. Waar waren de jaren gebleven? Knap was ze nooit geweest. Dus voor haar bracht de ouderdom niet het verdriet om de teloorgang van uiterlijk schoon.”

 
Santa Montefiore (Hampshire, 2 februari 1970)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver James Dickey werd geboren op 2 februari 1923 in Atlanta, Georgia. Zie ook alle tags voor James Dickey op dit blog.

Falling (Fragment)

To watch it. She is hung high up in the overwhelming middle of things in her
Self in low body-whistling wrapped intensely in all her dark dance-weight
Coming down from a marvellous leap with the delaying, dumfounding ease
Of a dream of being drawn like endless moonlight to the harvest soil
Of a central state of one’s country with a great gradual warmth coming
Over her floating finding more and more breath in what she has been using
For breath as the levels become more human seeing clouds placed honestly
Below her left and right riding slowly toward them she clasps it all
To her and can hang her hands and feet in it in peculiar ways and
Her eyes opened wide by wind, can open her mouth as wide wider and suck
All the heat from the cornfields can go down on her back with a feeling
Of stupendous pillows stacked under her and can turn turn as to someone
In bed smile, understood in darkness can go away slant slide
Off tumbling into the emblem of a bird with its wings half-spread
Or whirl madly on herself in endless gymnastics in the growing warmth
Of wheatfields rising toward the harvest moon. There is time to live
In superhuman health seeing mortal unreachable lights far down seeing
An ultimate highway with one late priceless car probing it arriving

In a square town and off her starboard arm the glitter of water catches
The moon by its one shaken side scaled, roaming silver My God it is good
And evil lying in one after another of all the positions for love
Making dancing sleeping and now cloud wisps at her no
Raincoat no matter all small towns brokenly brighter from inside
Cloud she walks over them like rain bursts out to behold a Greyhound
Bus shooting light through its sides it is the signal to go straight
Down like a glorious diver then feet first her skirt stripped beautifully
Up her face in fear-scented cloths her legs deliriously bare then
Arms out she slow-rolls over steadies out waits for something great
To take control of her trembles near feathers planes head-down

 
James Dickey (2 februari 1923 – 19 januari 1997)

 

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi op 2 februari 1980. Zie ook alle tags voor Norbert Bugeja op dit blog.

Uit: Clamouring to be read

“I am here as the guest writer for Malta, thanks to an excellent collaboration between the Malta Council for Culture and the Arts and the Embassy of Malta in Berlin. I will recite A Tango for the Stairs of Valletta, a lyrical triad that will feature in my upcoming collection, ‘Bliet’ (Cities), now kindly taken up by a major publisher. My first reading is at the bustling ‘Small Languages, Great Literatures’ stand. I read in Maltese, followed by a reading in German. Then I comment on my work. The audience is visibly captivated by the rhythms and sounds of Maltese. They inquire about the Mediterranean context in my poetry. Among them is Zvonko Makovic, one-time president of the Croatian PEN, and perhaps the greatest living Croatian poet. We nod at each other. I met Zvonko for the first time in 2005 at the Lodeve Poetry Festival, where he volunteered valuable comments about my writing. Zvonko is very keen on getting toknow the Maltese creative milieu. At a Croatian stand brimming with translated works I spot the novelist Roman Simic, who was in Malta some time ago on an LAF/Inizjamed collaboration. He pours me a glass of Dalmatian wine. I am introduced to two Cypriot authors: Yorgos Trillidis, who quips about our desire to “become” writers of fame, and the charming playwright Eurydike Pericleus-Papadopoulou. We see a stronger network of Mediterranean writers emerging, a generation clamouring to shed obscurity, to emerge from the shadows of the world’s “official” languages, to speak of regional and cultural spaces rather than of canons and of nations. Deep down, we all know what the pickle is.
We are imprisoned in the languages that contain our work, held up by the very tools that we use so deftly, hindered by the medium that nourishes us. Maltese is my national language as a Maltese citizen, and my gilded Alcatraz as a Maltese writer. The natural course of action for the Maltese writer today is to shun the shallowness of provincial rhetoric and patriotic discourse, to rebut the impulse of ramifying and wallowing in one’s own tradition, to spread one’s wings and fly into other languages. The fare will not be low-cost, but the destination is inexorable. “

 
Norbert Bugeja (Siġġiewi, 2 februari 1980)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, Norbert Bugeja, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, Monica Camuglia

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Gentlemen of Tea (Vertaald doorJane Fenoulhet)

“He stood at the edge of the jungle in the deep, cool shade. Patches of sunlight dappled the ground at his feet. When he looked up he could see the fierce gleam of the midday sky behind the mass of foliage moving above him. The ground was still damp from the last rainfall. He inhaled the smell of greenness, of Gambung. He heard the wind whispering in the treetops, a rustling and a soft cracking and creaking from within the tangle of vegetation.
A stone with her name and dates had been set into the stonework before him. The stone to the right bore no name. A little further was another grave without a stone. Forty-five years ago, on this spot among the trees, he had planted his first tea.
He leaned on the walking stick which for some time now he had been unable to do without. The dull, gnawing sensation deep inside him was not a pain – not yet. He knew it would always be there, that something (he didn’t know the name of his illness) was consuming him from within, was hollowing him out. The limits of his existence had come into view. This would be his last visit to Gambung.
For a year he had been living in Bandung with Bertha, in the house he had bought there in 1907, but had never moved into. The tenant had handed it over to him temporarily. Not far from there his third stone-built house, a grand edifice where Jenny would have been happy, with spacious verandahs, high ceilings, marble floors, was taking shape. Disguising the seriousness of his condition, he had taken a trip to Batavia together with Bertha, to order the furniture and lamps that Jenny would have chosen. The house stood in splendid grounds called Kebun Karet which the local population revered as an almost holy place because of a group of ancient waringin trees which grew there. He would leave this white house, built in a balanced, modern style, to his children, a place where they could meet one another when they came to the town from Gambung, Malabar or Negla: a Kerkhoven family house, a Netherlands Indies ‘Hunderen’.
He was here to say goodbye to Gambung. One last time he had gone round the factory, that row of sheds with their new machines for withering, drying and sorting. Among the people working there he had seen men and women who had grown up in Gambung village, children of Martasan and Muhiam and Kaidan and Muntayas and Sastra, the first inhabitants.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Hier met Godfried Bomans op een boekenmarkt in 1966

Doorgaan met het lezen van “Hella Haasse, Willem van Zadelhoff, Esther Gerritsen, Kees Torn, Norbert Bugeja, James Joyce, Eriek Verpale, Santa Montefiore, Monica Camuglia”

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, Kees Torn, Eriek Verpale, Santa Montefiore

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit De verborgen bron

“Ik heb mijn onrust, mijn onbehagen, trachten te sussen; blijkbaar ben ik al die jaren lang de waarheid stelselmatig uit de weggegaan. Ik ken je níét, Rina. Je bent mijn vrouw, wij hebben acht jaar onder hetzelfde dak gewoond, tafel en bed gedeeld; maar ik ken je niet, ik weet minder van jouw wezen dan van de schim van haar die je moeder is geweest.Jij bent een vreemde voor mij. Ik geef mij rekenschap van iets, dat ik, onbewust, al gevoeld moet hebben, telkens wanneer ik in jouw tegenwoordigheid overrompeld werd door het besef onverklaarbaar, ondraaglijk eenzaam te zijn. Je liep heen en weer, bezig met huishoudelijk werk, je zat voor je spiegel, je stond gebogen over de gasvlam in het laboratorium; ik was bij je, ik kon je aanraken, je zou antwoorden wanneer ik tegen je sprak, maar toch was ik alleen.”
(…)

“Dit is, voor zover ik het mij herinneren kan, de geschiedenis van Arethusa, de nimf die in een bron veranderde. Zij behoorde tot het gevolg van Artemis, de godin van de jacht en van de maan. Eens daalde Arethusa af in de golven van de rivier de Alpheus om daar te baden. De stroomgod zag haar en begeerde haar. Zij vluchtte, maar de rivier trad uit zijn bedding om haat te achtervolgen. Arethusa, bevreesd voor de hartstochtelijk schuimende stortvloed, riep haar meesteres aan, de kuise eenzame Artemis, De godin veranderde haar in een bron, maar ook in die gedaante herkende haar Alpheus. Door een spleet in de rotsachtige bodem verdween de bron in ondergrondse spelonken. zo meende zij te kunnen ontkomen aan eenwording met de wilde stroom. zij baande zich een weg door de duisternis van de onderwereld; maar toen zij, na een eindeloze zwerftocht, weer te voorschijn sprong uit de grond, vond zijn daar Alpheus, de rivier, die haar gevolgd was door de grotten van de hades.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Doorgaan met het lezen van “Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, Kees Torn, Eriek Verpale, Santa Montefiore”

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, Kees Torn, Eriek Verpale

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Oeroeg

““Hij had, op het zadel tussen twee bergtoppen in, een oude hut ontdekt, en die tot jachthuis gepromoveerd. Dit verblijf dankte zijn fantastisch uiterlijk aan de door Gerard aangebrachte reparaties. Deksels van koekjesblikken, stukken hout in de meest verschillende kleuren en vormen, en primitief vlechtwerk van uit het bos gekapte luchtwortels, stopten de gaten in dak en muren. Een wand die dreigde te verzakken, werd door zorgvuldig opgestapelde stenen gesteund. Het inwendige van de hut bestond uit twee ingebouwde slaapkooien, door Gerard de ‘konijnehokken’ genoemd, een wankele tafel en een paar stompjes van boomstammen, die tot zitplaatsen moesten dienen. Een rij spijkers, in het stevigste gedeelte van de wand geslagen, vervulde de functie van kast. Hier hingen wij kroezen, kledingstukken en wapens aan op. Onder een der kooien haalde Gerard een enigszins beschadigd houtskoolkomfoor, dat kwam te staan op de zwartgeblakerde plek grond onder het afdak voor de hut. Een pan en een leeg margarineblik vormden ons kookgerei. Ali, de koelie die Gerard altijd vergezelde, zocht droog hout bij elkaar, terwijl Oeroeg en ik water gingen tappen in de beek achter de hut.

 
Scene uit de Nederlands-Belgisch-Indonesische film uit 1993

Met behulp van een kunstmatige waterval en een stuk uitgeholde bamboe had Gerard een leiding gefabriceerd, die bij allerlei voorkomende huishoudelijke bezigheden van groot nut bleek. Onveranderlijk verbonden met de bittere rooklucht van brandend hout blijft voor mij het beeld van deze maaltijden voor de hut: Gerard, die, gezeten op een stuk boomstam, de inhoud van een blik cornedbeef roert door de rijst; Ali, hurkend, met zijn armen neerhangend over zijn wijd uit elkaar gespreide knieën; Oeroeg en ik, nauwelijks in staat tot stilzitten van opwinding en honger; en voor ons, voorbij de kale, steenachtige helling van het bergzadel, over de boomtoppen van het daar beneden gelegen oerwoud heen zichtbaar, het afdalende bergland, in alle schakeringen van blauw, grijs en groen, met scherp getekende schaduwplekken in de kloven en ravijnen, en nog dieper omlaag, rondom, naar de horizon toe verdwijnend in nevels van hitte, de vlakte, waarover de voortdrijvende wolken grote schaduwen wierpen.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Doorgaan met het lezen van “Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, Kees Torn, Eriek Verpale”

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, William Rose Benét

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Het woud der verwachting

“Dicht tegen elkaar aangedrukt naderden de paarden trappelend en struikelend door de diepe modder in het laagste gedeelte van de vallei. Maar nu stormden uit de bossen op de helling voor Maisoncelles méér boogschutters te voorschijn, die daar tot dit doel in hinderlaag gelegen hadden. De ruiterij, door een regen van pijlen in de flank getroffen, leed zware verliezen; van meer dan duizend ruiters bereikten maar enkele honderden de smalle terreinstrook tussen de beide legers. De gewonde, dodelijk verschrikte paarden gehoorzaamden hun berijders niet meer. Zij steigerden briesend zijwaarts op de rijen geharnaste ridders in en stichtten daar meer onheil dan de Engelsen teweeggebracht hadden. Mannen en dieren tuimelden over elkaar heen, tussen staal en staal werden lichamen vermorzeld.
(…)

Het kostte Charles, nu hij Boucicauts gezelschap moest missen, grote moeite de lange dagen zonder aanvallen van zwaarmoedigheid en wanhoop door te komen. Te Westminster en Windsor had men hem en zijn lotgenoten nog wat vertier toegestaan, een valkenjacht, wandelingen in nevelige, bladerloze parken, ritten te paard. Maar de Tower was een doolhof van dikke, stenen muren; er groeide wat gras op de binnenplaats, er stond een enkele boom. Hij had horen vertellen dat op die plek terechtstellingen plaatsvonden. ‘Daarom blijft het gras hier kort en bruinachtig,’ zei Richmont. ‘De grond is verzadigd van bloed.’
Charles kwam overigens niet veel op de binnenplaats. Het lopen in de kille, vochtige lucht stemde hem zo mogelijk nog somberder dan het verblijf in zijn kamer.”

 
Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)
Borstbeeld door Ellen Wolff voor de Openbare Bibliotheek, Amsterdam

Doorgaan met het lezen van “Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce, William Rose Benét”

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

Uit: Doodijs en hemelsteen (Over W. F. Hermans)

“De kracht van De donkere kamer van Damocles (1958) schuilt in de geraffineerde wijze waarop Hermans speelt met de mogelijkheden van de verhouding Osewoudt-Dorbeck. Osewoudt wórdt zijn tegenvoeter, maakt zichzelf tot de zowel bewonderde en benijde, als heimelijk gevreesde en zelfs gehate Dorbeck, het handelende, indrukwekkende negatief van hemzelf. Hij kan dat omdat het imago van de zelfbewuste officier, die in oorlogstijd het recht en de plicht heeft te doden, al in hem bestond als wensdroom, gevoed door zijn eigen gevoel van onmacht en zijn minderwaardigheidsbesef. Osewoudt is de moordenaar die door de omstandigheden de kans krijgt misdaden te plegen welke men eventueel als heldenfeiten zou kunnen interpreteren. Naïef ervaart hij, na de bevrijding, dat hij verdacht wordt van verraad. Door Dorbeck te worden dacht hij de mislukkeling Osewoudt in zichzelf te verstikken. Als hij later inziet dat hij Dorbecks bestaan – onafhankelijk van hemzelf – niet bewijzen kan, vlucht hij in paniek, wordt neergeschoten. De ingewikkelde, illegale acties waarbij Osewoudt/Dorbeck betrokken is, doen denken aan een vergroting van de ondoorzichtige situatie aan het einde van ‘Een ontvoogding’, die Bahloul de kans biedt zich van Mohammed te ontdoen, en dan zelf de plaats van Mohammed in te nemen.

Wat een man van zichzelf verwerkelijkt, schijnt ten nauwste samen te hangen met de rol die de vrouwen in zijn leven vervullen. Arthur in De tranen der acacia’s leeft, zoals zijn oorspronkelijke achternaam Muttah al suggereert, in de ban van dominerende vrouwen als zijn grootmoeder en zuster, tot hij zich in de verhouding met Andrea voor het eerst bewust wordt van zijn mannelijkheid en zijn ambities. De vrouwen die het bestaan van Osewoudt bepalen, zijn krankzinnige moeder en de oudere nicht met wie hij getrouwd is, moet hij kwijt om Dorbeck te kunnen zijn. Marianne, de uit zelfbehoud geblondeerde joodse geliefde van Osewoudt in zijn donkere Dorbeck-gedaante (zij is het ook die hem in haar rol van kapster letterlijk ‘zwart maakt’, en hem in haar omarming een ongekende gewaarwording van viriliteit schenkt), verdwijnt uit zijn leven wanneer hij weer zijn Osewoudt-gedaante aanneemt.”


Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Doorgaan met het lezen van “Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, James Joyce”

Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale

De Nederlandse schrijfster Hella Haasse werd geboren op 2 februari 1918 in Batavia. Zie ook alle tags voor Hella Haasse op dit blog.

 

Uit: Inkijk

“De hoofdpersoon van Het martyrium (Die Blendung), dr. Peter Kien, ‘geleerde en bibliothecaris’, een sinoloog van wereldreputatie, dwangmatig ordelievend en punctueel, een mensenhater, altijd op zijn hoede ten opzichte van hen die hij ‘de mensen der menigte’ noemt, de massa, die hij gevaarlijk acht omdat zij geen ontwikkeling en geen verstand heeft, leeft letterlijk verschanst binnen de Chinese muur van zijn boeken, zijn prive-bibliotheek. Zijn blindzijn voor de werkelijkheid is de zwakke plek waardoor duivelse hardnekkige domheid zijn wereld binnen dringt in de gedaante van Therese, de huishoudster, belichaming van de materie, de grove zinnelijkheid, de gevreesde massa. Kien loopt te pletter op de Chinese muur van haar cirkelvormig gesteven rok. Haar hebzucht en nieuwsgierigheid en zijn volstrekt subjectieve interpretatie van het begrip ‘leren’ brengen hen tot elkaar. Voor Therese is leren identiek aan ‘mores leren’ volgens fatsoens. en gezagsnormen die de domme massa regeren, en voor Kien is ‘leren’ alleen kennis vergaren uit boeken. Hij geeft aan deze beginnelinge in de cultuur, de draagster van de voor hem zo angstwekkende rok, het enige boek te leen waarvoor hij zich heimelijk schaamt, De broek van Herr von Bredow. Voor Therese is de broek echter symbool van het heiligste, van hem die de broek aanheeft, de door de hysterische oude juffrouw zo vurig begeerde man. Als een priesteres aan een altaar legt zij de beduimelde roman op een fluwelen leeskussen, trekt zij witte handschoenen aan voor zij de bladzijden omslaat. Deze magie-rondom-de-broek legt Kien uit als uitzonderlijke eerbied-voor-het-boek, met verschrikkelijke gevolgen. Het huwelijk met Therese zal regelrecht leiden tot zijn ondergang en die van zijn geliefde bibliotheek. Kien, de eenling, die geen contact, geen aanraking duldt, wil noch kan overgaan tot ‘gemeenschap hebben’. Het is hem niet om een vrouw te doen, maar om een moeder voor zijn boeken. Therese kent nu zijn zwakke plek, zij gaat zijn angst voor hem letterlijk te gelde maken. Kien roept de bescherming in van de conciërge van het flatgebouw, de ex-politieman Benedikt Pfaff, een sentimentele sadistische bruut die zijn vrouw en dochter misbruikt en doodgeranseld heeft, en zich nu uitleeft op bedelaars en op huurders die in gebreke blijven.”

 

Hella Haasse (2 februari 1918 – 29 september 2011)

Doorgaan met het lezen van “Hella Haasse, Norbert Bugeja, Esther Gerritsen, Kees Torn, James Joyce, Eriek Verpale”

Norbert Bugeja

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi op 2 februari 1980. Zie ook mijn blog van 10 juni 2009 ook mijn blog van 10 juni 2010

JUANITO BORGES, BEGGING

The Sailor sits beneath the bastions of El Corte Ingles,
a scrawny cat, gnawing at the sun with his vile oaths
and unknotting the yarns that prod him in his sleep.
The very shape of him, like waves of vintage radios
stinks in between one country and another,
snatches words uttered, and those slain,
and then transmits the moral of the story –
an olive-skinned giggle, a filterless cigarette
and two italians trailing a one-nighter.

Ola mujer, que pasa? Ostia puta.

If you come into the complex and start climbing
one floor after another,you can look down
and see him curse from every point of view:
trussardi, zegna, fnac and valentino
regard you with a slightly bizarre beard
downing the sun beneath a scorching beer…

And if you get to the top floor and gaze,
down at this city that loves you by the rate
you may be late – by then the Sailor will have picked
the pick of tales to date.


Norbert Bugeja (Siġġiewi, 2 februari 1980)

Louis Couperus, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat, Peter Kurzeck, Ion Creanga, Norbert Bugeja

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blog van 16 juli 2006.

Uit: De berg van licht

“In den zoelen nacht van nazomer triltintelden over Emessa aan wijd effen hemel van wolkenlooze nachtkleur de duizende en duizende kristallen sterren, en tusschen de schitterendste vulde de hemelafgrond zich met fijner gepoeier van licht, terwijl daar omheen weêr kleinere dan die zongroote, maar grootere dan zoó poeierfijne geprikt waren in onbenaderbaren overdaad, als waren van starrenweelde de goden dronken geweest, als hadden zij allen, de goden, alle de starren uitgezaaid in zwijmelende lichtdronkenschap. En dwars over dien hemel van weelde blankte de breede en uitvloeiende Melkweg, nauwlijks als een sluier en meer als een glorie, en een pad van triomf voor den oppergod, gepoeierd met lichtstof, gestapeld met sterren, zoo vele, dat de

voeten der goden, welke er over heen zouden gaan, daar zeker in verzinken zouden als in een gouden zand, diep.

Onder zoo overdadige nazomernacht lijnden de tempelgebouwen breed, ver, en hoog op, met glans aangegeven kroonlijsten, en met afzonderlijken terrasvormigen toren, wiens top versmalde en vervaagde in het lichtelijke niets. In een dicht bladergeheim van tuinen, stille van wind, lagen in het wijde park de tempel-gebouwen verspreid, blankten nu aangelicht marmer of grauwden dof van graniet, streepten zuilen zich rank, en verloor zich het al in geboomte-schaduwen, waartegen, lichtovergoten van rijzende maan, reusachtige agaven opstaken hare zwaarden òf wit òf zwart, naar mate het maanlicht zijn glans veegde aan de lemmers dier bladeren, of dat zijzelve zich spietsten in schaduw en wègpriemden in nacht. Een oranjegeur zweefde als een wierook, zwaar en bijna onadembaar, en daartusschen hielden de Syrische rozen hare gillende kreten van lustverlangen làng aan….”

 

 

louiscouperus0cv

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

 

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal.

 

Uit: Humboldt’s Gift

 

„He was waiting between the lions in front of the Institute, exactly as expected in the cloak and blue velvet suit and boots with canvas sides. The only change was in his hair which he was now wearing in the Directoire style, the points coming down over his forehead. Because of the cold his face was deep red. He had a long mulberry-colored mouth, and impressive stature, and warts, and the distorted nose and leopard eyes. Our meetings were always happy and we hugged each other. “Old boy, how are you? One of your good Chicago days. I’ve missed the cold air in California. Terrific! Isn’t it. Well, we may as well start right with a few of those marvelous Monet’s.” We left attached case, umbrella, sturgeon, rolls, and marmalade in the checkroom. I paid two dollars for admission and we mounted to the Impressionist collection.
There was one Norwegian winter landscape by Monet that we always went to see straightaway: a house, a bridge, and the snow falling. Through the covering snow came the pink of the house, and the frost was delicious. The whole weight of snow, of winter, was lifted effortlessly by the astonishing strength of the light. Looking at this pure snowy dusky light, Thaxter clamped his pincenez on the powerful twisted bridge of his nose with a gleam of glass and silver and his color deepened. He knew what he was doing. With this painting his visit began on the right tone.“

 

 

bellow

Saul Bellow (10 juni 1915 – 5 april 2005)

 

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag.

Uit: De schriften wachten

 

“Hoe vreemd het ook mag klinken, het zijn veelal de personages die me gaandeweg de details aanreiken en voor een onverwachte wending zorgen. Ik beleef een en ander zelfs fysiek. Zo kreeg ik herhaaldelijk koorts en werd door benauwdheid overvallen toen ik Van Lieverlede schreef, en na een passage over de snoeplust van Anton Hofman in Overspel zat ik met een tong rauw van het kauwen, al had ik niet de beschreven drop en chocola verorberd. Ik heb mededogen met ze, heb een aversie voor ze, walg van ze, houd van ze. Ik kan om ze en met ze woedend en sentimenteel zijn, maar ik kan ze ook met distantie bezien, al verkeren ze in nog zo’n penibele situatie. Ik ben ze dankbaar, ook of misschien juist als ze ver van me afstaan. Ik kan schik en vilein plezier in ze hebben, zoals in de oude kinderhater Ratti (in het kinderboek Meneer Ratti) en de jonge Maria (in De rode strik). Ook Florrie (in De laatste gasten) kon, al is ze als verteller niet voortdurend nadrukkelijk aanwezig, zo’n bezit van me nemen dat ik er verstrooid door raakte. Het verbaasde me daarom niet maar gaf me wel een rilling toen ik, niet ver voor het eind van de roman, in haar kleine zolderkamer, naast haar spaarzame bezittingen, een vertaling van Henry James’ spookverhaal The turn of the screw zag liggen.

Als mensen me vragen ‘hoe ik er op kom’ of ‘waar ik het allemaal vandaan haal’, kan ik net zo goed kort en eerlijk antwoorden dat ik het lang niet altijd weet, dat het behoort tot het duistere terrein van de fantasie. Ik wil dat graag zo laten.”

 

 

mensje_van_keulen

Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden.

 

Uit: Afleiding is het brood van de schrijver (Interview met Remco Campert)

 

“‘Die prijs zal het schrijven extra stimuleren. Jarenlang heb ik bijna niet kunnen schrijven. Ik had er geen zin meer in. Tegen het schrijven voelde ik een fysieke afkeer. Ik dacht er wel aan, maar ik werd geteisterd door een verlammende twijfel. Die column in HP was zo’n beetje het enige wat ik schreef, en ook dat kostte me soms moeite. Het schrijfvuur ontbrak, ik vroeg me af of ik ook de tweede helft van mijn leven met schrijven moest vullen. Aanvankelijk was het antwoord op die vraag: nee. Ik had geen zin meer in het gedoe. Maar na enige jaren kwam ik erachter dat het schrijven het enige is wat ik kan. En dat het een van de leukste dingen is om te doen.

Geen schrijver ontkomt aan zo’n crisis. Op een gegeven moment vraag je je af: waar ben je mee bezig? Niet iedere schrijver kan het zich permitteren aan zo’n crisis toe te geven, sommige schrijvers moeten, om de centen, doorgaan, ook al hebben ze er geen zin meer in. Ik kon het me godzijdank veroorloven een paar jaar te stoppen.

Ik ben jong begonnen, ik debuteerde op mijn achttiende. De eerste boeken heb ik argeloos geschreven, fris van de lever, ik heb nooit bij het creatieve proces stilgestaan. Ik schreef, het ging goed, en mijn boeken verkochten. Ja, god, het kostte geen enkele moeite. Het ging als vanzelfsprekend. Nu ben ik ouder geworden, het vuur van de jeugd is gedoofd, het einde van mijn leven komt in zicht.”

 

jan_brokken

Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

 

Zie voor de vier bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007  en ook mijn blog van 10 juni 2008 en ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.en ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

The Cemetery For Turkish Soldiers

 

I

I’m a sailor in the navy,

fishes ate my eyes.

Seeing and weeping are over for me.

I was tall in my life,

if you don’t believe me

look at my clothes.

 

Someone says -I’m a soldier too,

no different from the other dead.

Once we lived in houses.

Now we’re outside the doors,

we pass through the wall.

 

And another says –

Don’t believe them,

they’re all liars,

we don’t exist.

 

II

To enter my room with more ease

they come in the form of dead relations.

I look -it’s an uncle or brother.

I look -it’s a Polish sergeant

and at once he speaks.

 

I had a daughter five years old.

She’s dead, now we’re together.

She’s fed-up here,

she can’t roll a hoop,

she left her hands behind in Warsaw.

 

A voice says –

No potatoes to hoe,

no stones to break,

no burdens to carry to market,

I’m at peace here.

 

One is worried about his wife.

He asks me news from home.

 

When I died

they took my greatcoat.

I’m cold,

winter’s ahead.

 

Then they speak as one.

 

 

Vertaald door Ruth Christie

 

Rifat

Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)

 

De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen.

 

Uit: Oktober und wer wir selbst sind

 

„Schächtelein sagt Carina zu den Lackkästchen. Kleiner als Bierdeckel und Zigarettenschachteln die Bilder mit den Flüssen, die groß wie der Himmel sind. Und manche Tage, besonders im Sommer, ist hier vor dem Laden und ringsum in allen Straßen so ein helles Licht. Überall in der Stadt und weit in das Land hinaus dieses Licht. Nicht nur die Vororte, Großbaustellen und Autobahnabfahrten ? die ganze Mainebene, Taunus, Wetterau, Spessart, Odenwald, Bergstraße. Weithin das Licht und du mußt eine Weile stehen bleiben und es dir für immer merken. Und wenn du dann weitergehst in diesem Licht, dann kommt dir vor, es ist das gleiche Licht wie auf den kleinen Bildern. Der Abglanz des Abends. Bilder, die nur aus kaum drei Strichen bestehen, also hauptsächlich Licht auf den Bildern. Wie kostbare Seide das Licht, wie sehr heller Tee. Darjeeling. Das gleiche Licht, in dem du manchmal am Abend müd heimgehst. Und einmal, das weißt du, einmal wirst du in so einem Licht aus der Stadt hinaus. Zu Fuß. Wie ein Wanderer auf einem Bild. Vielleicht als Kind einmal so ein Bild gesehen und den Wanderer auf dem Bild. Und ihm lang nachgesehen, weil er vorher mit dir gesprochen hat und dir zugenickt, bevor er dann weiterging in das Bild hinein. Aber kein Licht jetzt. Die Scheibe beschlagen. Nebel und Dämmerung. Und immer wieder große und kleine Monde an der Scheibe vorbei. Immer andere. Langsam. Halbmonde, Monde und Nebelsonnen. Einmal der Tee noch zu heiß. Einmal trinkst du ein Glas und gleich bleibt die Zeit stehen. Gleich auch so eine Nähe zu dir selbst. Du trinkst drei-vier Gläser in kaum fünf Minuten. Und stehst da, noch eben dein ganzes Leben im Gedächtnis und jetzt fällt nichtmal dein Name dir ein. Wer bin ich? Und warum hier?“

 

Peter-kurzeck

Peter Kurzeck (Tachau, 10 juni 1943)

 

 

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti.

 

Uit: Two money bags

 

“It was once an old woman and an old man. Hen eggs old woman is two times per day, and eat lots of eggs Baba and the old man did not give him any. One day the old man lost his patience and said:
– Hey Baba, eat like the borough of Flint. Let me also take some eggs to even catch my appetite.
– Yes’ as not, “said the old woman who was very stingy. If you are craving eggs, and you beat your rooster to make eggs and eat them, so I knocked that chicken and eggs as a iacătă.
Old man, greedy and greedy old woman is taken by mouth and rage comes rather quickly and rooster and giving him a good beating, saying:
– Na! or you eggs, or go to my house, not to spoil the food for nothing.
Rooster, as the old man escapes from his hands, go home and walk the roads, bezmetec. And as he went on the road, only two iaca found a bag with money.“

 

Ion_Creanga_bust

Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)

Buste in Iasi

 

 

Zie voor de twee bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi in 1980. Zie ook mijn blog van 10 juni 2009.

 

 

LAS RAMBLAS, 15.45 p.m.

The Sailor sits beneath the bastions of El Corte Ingles,
a scrawny cat, gnawing at the sun with his vile oaths
and unknotting the yarns that prod him in his sleep.
The very shape of him, like waves of vintage radios
stinks in between one country and another,
snatches words uttered, and those slain,
and then transmits the moral of the story —
an olive-skinned giggle, a filterless cigarette
and two italians trailing a one-nighter.

Ola mujer, que pasa? Ostia puta.

If you come into the complex and start climbing
one floor after another,you can look down
and see him curse from every point of view:
trussardi, zegna, fnac and valentino
regard you with a slightly bizarre beard
downing the sun beneath a scorching beer. . .

And if you get to the top floor and gaze,
down at this city that loves you by the rate
you may be late — by then the Sailor will have picked
the pick of tales to date.

 

norbert_bugeja

Norbert Bugeja (Siġġiewi, 1980)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 juni 2007.


De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanovićwerd geboren in Zagreb op 10 juni 1796.

Louis Couperus, Saul Bellow, Oktay Rifat, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Peter Kurzeck, Ion Creanga, Norbert Bugeja

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blogs van 10 juni 2006 en van 16 juli 2006 en mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

Uit: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan…

 

De diepe basstem van Steyn klonk in de vestibule.

– Kom Jack, kom hond, kom je meê met den baas! Kom je meê!?

De blijde blaf van den terrier galmde op, en néêr over de trap stormde zijn uitbundige vaart, als struikelde hij over zijn eigen pooten.

– O, die stem van Steyn! siste mama Ottilie tusschen hare tanden, en zij sloeg driftig bladen om van haar boek.

Charles Pauws zag haar rustig aan, met zijn glimlachje, zijn lach om mama. Hij zat, vóór hij naar Elly zoû gaan, na den eten bij zijn moeder en hij dronk zijn kopje koffie. Steyn ging met Jack uit; de avondstilte effende zich door het kleine huis, en in de zitkamer, onpersoonlijk en ongezellig, suisde het gas. Charles Pauws keek naar de punten van zijn bottines, en vond, dat ze goed zaten.

– Waar is Steyn naar toe? vroeg mama, en hare stem siste, ongerust.

– Gaan wandelen met Jack, zei Charles Pauws; thuis noemde men hem Lot; zijn stem klonk zacht en kalmeerend.

– Naar zijn meid is hij toe! siste mama Ottilie.

Lot had een beweging van moê-zijn.

– Hè, mama, zeide hij. Wees nu kalm, en denk niet meer aan de scène. Ik ga straks naar Elly, en nu zit ik nog een oogenblikje gezellig bij u, niet waar. Steyn is toch je man… Je moest niet altijd zoo met hem kibbelen, en zulke dingen zeggen, of denken. Je bent weêr net een kleine furie geweest. Dat geeft rimpels, zoo boos te zijn.

– Ik ben tòch een oude vrouw.

– Maar je hebt nog een heel zacht velletje…

Mama Ottilie glimlachte en Lot stond op.

– Kom, zeide hij; geef me een zoen. Wil je niet? Moetik je een zoen geven? Kleine, booze moesje… En waarom? Om niets. Ik weet het ten minste niet meer, waarom. Ik zoû het niet meer kunnen analyzeeren. Ja, zoo gaat het… Hoe ben ik toch zoo kalm, met zoo een kleine furie van een mama.

– Als je denkt, dat je vader kalm was…!

Lot lachte, zijn lachje; antwoordde niet. Mevrouw Steyn de Weert las rustiger door; zij zat voor haar boek als een kind. Zij was een vrouw van zestig jaren, maar haar blauwe oogen waren als van een kind, teeder mooi, lief en onschuldig, en haar stem, wat schelletjes, klonk altijd kinderlijk, en had nu geklonken als van een stoùt kind. Kleintjes en recht in haar stoel, las zij nu door, met aandacht, zich kalmeerende, omdat Lot zoo kalm gesproken had en haar zoo lief had een zoen gegeven. Het gas suisde en Lot dronk zijn koffie, en ziende naar zijn bottines, vroeg hij zich af, waarom hij ging trouwen.

 

 

louis-couperus

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Standbeeld in Den Haag

 

 

 

De joods-Amerikaanse schrijver Saul Bellow werd geboren op 10 juni 1915 te Lachine, een voorstad van Montreal. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007  en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Uit: Herzog

 

„If I am out of my mind, it’s all right with me, thought Moses Herzog.

Some people thought he was cracked and for a time he himself had doubted that he was all there. But now, though he still behaved oddly, he felt confident, cheerful, clairvoyant, and strong. He had fallen under a spell and was writing letters to everyone under the sun. He was so stirred by these letters that from the end of June he moved from place to place with a valise full of papers. He had carried this valise from New York to Martha’s Vineyard, but returned from the Vineyard immediately; two days later he flew to Chicago, and from Chicago he went to a village in western Massachusetts. Hidden in the country, he wrote endlessly, fanatically, to the newspapers, to people in public life, to friends and relatives and at last to the dead, his own obscure dead, and finally the famous dead.

It was the peak of summer in the Berkshires. Herzog was alone in the big old house. Normally particular about food, he now ate Silvercup bread from the paper package, beans from the can, and American cheese. Now and then he picked raspberries in the overgrown garden, lifting up the thorny canes with absent-minded caution. As for sleep, he slept on a mattress without sheets – it was his abandoned marriage bed – or in the hammock, covered by his coat. Tall bearded grass and locust and maple seedlings surrounded him in the yard. When he opened his eyes in the night, the stars were near like spiritual bodies. Fires, of course; gases – minerals, heat, atoms, but eloquent at five in the morning to a man lying in a hammock, wrapped in his overcoat.“

 

 

saul_bellow

Saul Bellow (10 juni 1915 – 5 april 2005)

 

De Turkse dichter Oktay Rifat werd geboren op 10 juni 1914 in Trabzon. Zie ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Once upon a time

 

From behind each tree you appeared

in such great numbers that I felt alone,

and amid the gust of your mad movements

my laffer against the fortress whirled away.

 

I met you at the corner of each street,

you were so absent that I cried, lost myself.

Within clouds reminiscent of ancient seas

floated rocks gnawed down with your blood.

 

What a pity! You vanished in great numbers

as if coexistent with a time that never was.

I bent and picked up the sky from the ground,

the sky you had carelessly dropped, dropped.

 

 

Vertaald door Taner Baybars

 

 

 

Underdeveloped

To fall behind; in science, in art, leafless

And without blossom in the spring; an aching star

    Imprinted on the forehead.

 

To fall behind; doomed to the wooden plough

When you could cut through steel like paper

    Vanquished in time.

 

To fall behind; buried in the caves of religion

Hands to your flanks and starved, against the torrent

    Against the others.

 

To fall behind; fear men as one fear jackals

Where one could live in brotherhood, to grasp

    At snakes instead.

 

To fall behind; ignorant and louse-ridden

Tight as a bow within a sombre gorge;

    To break loose with that impetus!

 

 

Vertaald door Nermin Menemencioglu.

 

 

oktay-rifat1

Oktay Rifat (10 juni 1914 – 10 april 1988)

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Uit: Van lieverlede

 

“Uit alle macht smeet Dannie het rotankrukje de kamer in. De zitting vloog eraf en brak een ruit van de tuindeuren, kledingstukken fladderden naar buiten en bij het neerkomen van het krukje sloeg de tegen de bodem aangestopte rest van het wasgoed in een hoekige prop over de rand. Met een langgerekte gil rende Coby naar de keuken. Dannie merkte het niet, hij zocht een volgend voorwerp om zijn woede op te koelen, greep de stoel, sloeg hem tegen de muur tot het onderstel afbrak en zonder op de richting te letten wierp hij de rugleuning van zich af. Hanna gaf een schreeuw van pijn. Van een afstand hoorde ze haar zusters laarzen over het zeil. Even was het stil en toen begon Coby te lachen, eerst zenuwachtig, dan in lange uithalen en ten slotte liet ze zich onder een stroom van tranen op haar knieën vallen. Het bloed was uit zijn gezicht getrokken. Hij bracht zijn hand omhoog, raakte met zijn vingers de vork die Coby in zijn nek geplant had en trok hem eruit.”

 

mensjevankeulen

Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook mijn blog van 10 juni 2006 en ook mijn blog van 10 juni 2007 en ook mijn blog van 10 juni 2008.

 

Uit: De wil en de weg

 

In de periode dat hij ieder jaar een boek voltooide, was Jan Wolkers een dagschrijver. Hij stond om zeven uur op. Na de ochtendgymnastiek en het ontbijt ging hij van de Zomerdijkstraat in Amsterdam-Zuid naar zijn huisje in de volkstuin aan de Amstel. Tussen de bamboe en de Hindoe-Javaanse beelden schreef hij daar van tien tot twee.

‘Het koele ochtendlicht,’ vertelde hij me, ‘is een goed begin. Vroeger verwarmde ik het huisje met een petroleumkachel, die een vochtige hitte gaf. Na een uur besloegen de ramen en zo vormde zich vanzelf een scherm om me heen.’

Van twee tot zes was hij op zijn atelier, waar hij schilderde of beeldhouwde. Tijdens dat werk kwam hij volledig tot rust. ’s Avonds konden voor Wolkers wel boeiende passages ontstaan, maar ze moesten de volgende morgen met een koel en nuchter oog gecontroleerd worden. Wolkers schreef zeven dagen per week. Het boek liet hem geen minuut los. Als hij ’s nachts naar de wc moest, liep hij langs zi
jn bureau en nam hij de tekst mee die hij overdag geschreven had. Plus een potlood. Anders zou hij, als hij op de wc zat en een fout in het manuscript ontdekte, onmiddellijk opstaan om alsnog een potlood uit zijn atelier te halen. Met alle vieze gevolgen van dien.

 

JanBrokken

Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

De Duitse schrijver Peter Kurzeck werd geboren op 10 juni 1943 in Tachau, Bohemen. In 1946 werd zijn familie uit Tsjechoslowakije verdreven. Vanaf 1977 woont hij afwisselend in Frankfurt am Main en in Zuidfrankrijk. Kurzeck schrijft sterk autobiografische romans en verhalen, waarin Hessen en Frankfurt am Main vaak een grote rol spelen.  Sinds het midden van de jaren negentig werkt hij aan een meerdelig romanproject, een minitieuze kroniek van een enkel jaar uit zijn leven

 

Uit: Oktober und wer wir selbst sind

 

„Wieder Oktober. Du kommst aus dem Haus. Am Morgen, noch früh. Die Straße ist naß. Du kommst aus dem Haus und mußt stehenbleiben, so riecht es nach Herbst. Das abgefallene Laub. Gerade eben hast du aus der Nacht deinen Traum noch gewußt und jetzt ist er weg. Du spürst noch, wie er sich entfernt. Ein Luftzug, ein Vorhang, der sich bewegt. Flügel, die sich sacht regen, die Schatten von Flügeln, und dann ist er gegangen. Weg für immer. Die Tür fällt hinter dir zu. Man kommt aus dem Haus. Das Leben ist fremd.

Schon Herbst? Der Erzähler geht mit Frau und Kind hinter Bockenheim am Bahndamm entlang. Immer auf den Horizont zu und mit den Augen die Ferne suchen. Überall Kinder. Lassen Drachen steigen. Müssen rennen im Wind. Aber wo sind die Indianerwiesen hin, die noch kürzlich hier waren?

Das Jahr 1983. Ein Frankfurter Herbst, durch den wir gehen, als sei es ein einziger langer Tag. Man geht und denkt, man weiß genau, wer man ist – und dann kommt man abends heim und das Telefon klingelt.

Sein Freund Jürgen. Er ruft aus Frankreich an, aus Barjac, einer Kleinstadt weit im Süden. Dort hat er mit Pascale, die er liebt, ein winziges Restaurant, ein Restaurant mit drei Tischen. Der Erzähler am Telefon und sieht alles vor sich.“

 

 

Peter-Kurzeck

Peter Kurzeck (Tachau, 10 juni 1943)

 

De Roemeense schrijver Ion Creanga werd geboren op 10 juni 1839 in Humuleşti. Hij volgde een opleiding tot priester en leraar. Zijn exentrieke gedrag en zijn kritiek op kerkelijke functionarissen brachten hem vaak in moeilijkheden. In 1875 leerde hij de dichter Mihai Eminescu kennen toen die als onderwijsinspecteur naar zijn school kwam. Zij raakten bevriend en Eminescu stimuleerde hem om de verhalen die hij vaak vertelde op te schrijven. Het grootste deel van zijn werk, waaronder ook de herinneringen aan zijn jeugd, ontstond tussen 1875 en 1883.

 

Uit: Memories of My Boyhood (Vertaald door Ana Cartianu and R.C. Johnston)

 

„I sometimes stop and call to mind the customs and people there used to be in my part of the world at the time when I had, so to speak, just begun to put a foot over the threshold of boyhood in my home in the village of Humuleşti. It faced the town on the other side of the waters of the River Neamţ; it was a large and cheerful village, divided into three closely connected parts: the village itself, the Deleni and the Bejeni. Moreover, Humuleşti in those days was not just a village of ne’er-do-wells but a prosperous and ancient village of freeholders, its reputation and standing having long since been assured, with farmers who knew their job, with stalwart young men and comely girls who could swing in the dance and swing the shuttle too, so that the village would buzz with the sound of looms on every side. It had a fine church and outstanding clergy, church elders and parishioners, who were a credit to their village. As for Father Ion, who lived at the foot of the hill, Lord, what an active and kindly man he was! On his advice lots of trees were planted in the graveyard—which graveyard was surrounded by a high fence of thick planks with eaves of shingles—and the fine room at the gate of the church precincts was built to serve as a village school. You should have seen this untiring priest going round the village, entering one house after another, together with one of his elders, Master Vasile, the son of Ilioaia, a sturdy, good-looking, handsome bachelor. The two of them would persuade people to send their children to get some schooling, and you should have seen the number of boys and girls who flocked into the school from all parts, myself among them, a puny, timid lad, afraid of my own shadow!“

 

 

Ion-Creanga

Ion Creanga (10 juni 1839 – 31 december 1889)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Maltese dichter Norbert Bugeja werd geboren in Siġġiewi in 1980. Hij studeerdeEngelse Taal-en Literatuur aan de universiteit van Malta en werkt momenteel aan een proefschrift aan de universiteit van Warwick. Zijn gedichten verschen o.a. in tijdschriften als Cadences, Rodopi, The Drunken Boat.

Zijn eerste eigen publicatie verscheen onder de titel Stay, Fairy tale, Stay! Memoirs of a City Cast Adrift.

 

 

BALLADE FOR A REDHEAD

Where does this wind hail from?
Where from this darkness?
Why are these ripe words falling from the trees?

From the street’s end a voice was heard announcing:
“the city’s lost itself in the poet’s hair!”
Deep in the green bone-marrow of time-worn doors,
accents which slept through centuries crack open,
sentences invade the narrow alleys,
words ride the rain like earrings,
each syllable woven into a red mane
which screams its way amongst the curling streets.
In rue de l’union at five a.m.
the elderly Arab gazes at the sky:
“Somewhere a slightly alien phrase
must have been uttered,
and the city’s lost control of her own body.”

On the city’s outskirts, a little girl emerges,
her eyes dancing together with the roadsigns:
“why all this wind, mama, why all this darkness?”
And then she gets up on her bike without another word
and disappears in the anarchy of cadence.

 

 

Bugeja

Norbert Bugeja (Siġġiewi, 1980)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 10 juni 2007.

De Kroatische dichter en diplomaat Antun Mihanović  werd geboren in Zagreb op 10 juni 1796.