BNG Bank Literatuurprijs 2018 voor Nina Polak

BNG Bank Literatuurprijs 2018 voor Nina Polak

De Nederlandse schrijfster Nina Polak heeft met haar roman “Gebrek is een groot woord” de BNG Bank Literatuurprijs 2018 gewonnen. Dat maakte de jury op donderdag 10 januari 2019 in de Amstelkerk in Amsterdam bekend. Nina Polak werd geboren in Haarlem op 25 juni 1986. Zie ook alle tags voor Nina Polak op dit blog.

Uit: Gebrek is een groot woord

“Ik ben net tien en heb besloten een spreekbeurt te houden over zeecontainers. Die mysterieuze kisten fascineren me sinds ik op het journaal zag hoe er een aantal van het schip losraakte tijdens een storm op zee en aanspoelde aan een Franse kust. Er was een strand te zien waarop honderden teddyberen rondslingerden, blikken ravioli, radio’s en luiers, een slagveld van spullen. Daarna beelden van een containerhaven, duizenden containers in alle kleuren van de regenboog: hele dorpen en steden van levensgrote Lego, met hijskranen zo hoog als flatgebouwen.
Dagenlang vraag ik Nellie naar de zeecontainers. Wat zit er allemaal nog meer in? Veel spullen die we hier hebben komen uit een zeecontainer, antwoordt ze. Je kleren. Je poppen. De televisie. De auto. Auto’s!? Ik weet niet wat ik hoor. En waar komen die zeecontainers dan vandaan? Van over de hele wereld, China, Japan, India. Australië ook? Vast wel. Zitten er ook mensen in een zeecontainer? Soms wel, ben ik bang. Ze moet lachen om mijn openvallende mond. Ik heb de zee, die ik maar een paar keer gezien heb, tot dan toe beschouwd als een gevaarlijke grijze massa, waarin dingen verdwijnen. Nu realiseer ik me, met de genoegzaamheid waarmee een kind iets vanzelfsprekends ontdekt, dat de zee ook geeft en dat ze bovendien alles met alles verbindt, overal met overal. En hoeveel containers passen er dan op zo’n boot? Wel meer dan duizend, denkt Nellie.
Wanneer meester Marcouch van groep zes vraagt wie van ons ‘luie klaplopers’ er al een onderwerp weet voor de spreekbeurten, schiet mijn hand de lucht in. Ik gloei van trots bij het uitspreken van het woord. Zeecontainers. Men kijkt elkaar aan, er wordt gegrinnikt, maar meester Marcouch, die een ruim hart en een goed gevoel voor humor heeft, knikt goedkeurend en noteert mijn keuze.
‘We kunnen eens gaan kijken,’ zegt Nellie op een bijzonder gelukkige lenteavond, nadat we op het balkon een door haar gemaakte macaroni met kaas hebben gegeten. Ik klamp me vast aan haar leren jas terwijl ze in een bezeten tempo richting havens fietst. Tegen het bord dat ons weg moet jagen zet ze de fiets neer, zonder slot. We betreden verboden gebied. Er is niemand. Ze pakt even mijn arm en wijst in de verte, waar de brug van een kolossaal schip voorbijglijdt, richting de kranen en de eindeloze rijen containers, zo veel en zo groot dat ik stil ben. Het asfalt, het water en de containers schitteren in het lage, laatste licht, onze twee schaduwen strekken zich lang voor ons uit over het lege terrein.”

 
Nina Polak (Haarlem, 25 juni 1986)

Nina Polak

De Nederlandse schrijfster Nina Polak werd geboren in Haarlem op 25 juni 1986. Polak studeerde literatuurwetenschap en Cultural Analysis aan de Universiteit van Amsterdam en in New York. Van kindsbeen af was fictie (verhalen en hun betekenis in boeken, strips, games of tv-programma’s) belangrijk voor haar. Over deze onderwerpen schreef Polak aanvankelijk voor De Gids en De Groene Amsterdammer. Vanaf 2013 is ze ook correspondent cultuur voor De Correspondent. Als schrijfster debuteerde ze in 2014 bij Prometheus met “We zullen niet te pletter slaan”.Vanuit het perspectief van twee jonge mensen, een zoon en een dochter, wordt de scheiding van twee moeders beschreven. De titel verwijst naar een gedicht van William Wordsworth. Driemaal werd de debuutroman genomineerd voor een prijs: voor de Anton Wachterprijs 2014, de ANV Debutantenprijs 2015 en de Opzij Literatuurprijs 2015. In 2017 verscheen een tweeluik van de NTR met Polak en Adriaan van Dis waarin beide schrijvers met elkaar worden vergeleken in leven en werk.

Uit: We zullen niet te pletter slaan

“Hun moeder verliet hun moeder op de dag dat de nieuwe keuken arriveerde. Een teleurstellend prozaïsch moment. Wie er precies wie in de steek liet was niet helder, maar het verlaten verliep vlekkeloos. Tussen het sjouwen door smeerden ze boterhammen op het nog ingepakte kookeiland. De keukentafel stond rechtop tegen de muur. Vier losgeschroefde poten en een blad, hun namen in de onderkant gekrast.
De moeders deden hun best om niet zuur te kijken. Dat gold niet voor Anna Katz en Cornelis Schardijn, halfbloedverwanten en bondgenoten voor de gelegenheid.
Anna moest niet denken aan glimlachen, laat staan aan pindakaas, en liep met opzet voortdurend in de weg. Ze sjokte van boven naar beneden op haar kistjes, deelde donderblikken uit van onder haar zwarte pony en verdween van tijd tot tijd in haar kamer om hard iets uit de donkerste dagen van Leonard Cohen te draaien. Haar broer sloot de deur van zijn zolder en stopte watten in zijn oren, die hij er soms even uit haalde om te horen of er al op zijn deur geklopt werd.
Het hielp niet. Benya hield zich eindelijk aan haar woord en ging. So long.
In de gang stond alles wat ze nodig had. De rest liet ze achter. Buiten in de zon op de oprit wachtte huisvriend Ger van de geschilderde bus in haar tweede geschilderde bus – groter, geler, beter – om hun moeder mee te nemen naar de stad. Naast het opgeklapte raampje stond ze, Benya, een dubbelgeklapte boterham in haar hand, de laatste die ze hier zou eten, het blonde haar op haar hoofd verwaaid.
Anna leunde tegen de muur, haar armen gekruist, en bekeek haar moeders haastig bij elkaar geschoven leven. De kapotte B&O-pick-up, een blikje met soldatenspeldjes, drie dikke schapenwollenvesten, de gebarsten leren tas die altijd onder in de kast lag, die bergschoenen met die rode veters, een klein vloerkleedje, een rolodex, het mooiste bureaulampje van het huis: antiek, uit Sarajevo. Overhemden. Nog meer overhemden.
Meer dan op bruikbare bagage leek het hoopje spullen bedoeld om zo vertederend mogelijk te ogen. Boven stond het nog vol met Benya’s boeken; ze had de drankkast waaruit alleen zij dronk intact gelaten en de platenspeler die het nog deed liet ze staan. Misschien hoopte ze terug te keren. Misschien wilde ze de achterblijvers de gaten in het interieur voorlopig besparen.”

 
Nina Polak (Haarlem, 25 juni 1986)