Paul Hetherington, Rob van Essen, Yann Martel, Nina Polak, Michel Tremblay, Leendert Witvliet, Ingeborg Bachmann, Dolce far niente

Dolce far niente

 

Warm Evening Light door George Devlin, z.j.


Summer Heat

Still we didn’t talk,
the summer heat hanging in a haze
as the lake turned
to pale gold and red,
sunset settling
into silhouettes of trees.

Across paddocks
we heard the cries of crickets,
night-birds,
whine of mosquitoes,
went inside where
you lit the stove.

And still we didn’t talk
as smoke began
to plume from the griller.
And I threw out
two pieces of black toast,
burnt as our moods.

Then your laughter
cut through the heat
like a cool breeze.

Paul Hetherington (Adelaide, 6 maart 1958)
Adelaide, de geboorteplaats van Paul Hetherington

 

De Nederlandse schrijver en vertaler Rob van Essen werd op 25 juni 1963 geboren in Amstelveen. Zie ook alle tags voor Rob van Essen op dit blog.

Uit: De goede zoon

“Ik had vandaag ruzie bij de kassa van de Albert Heijn in de Rijnstraat. Bijna ruzie, niet eens echt. De vrouw achter mij zette haar boodschappen al op de band toen ik nog bezig was mijn boodschappen op de band te zetten, ik kan daar slecht tegen, iemand maakt inbreuk op jouw ruimte, op ruimte die in ieder geval op dat moment van jou is en ik weet ook wel dat je zo geen roman moet beginnen, ik ben godverdomme geen columnist, maar witheet kan ik van zoiets worden, iemand negeert je bestaan en alleen al daarom zou je haar ter plekke dood moeten maken en tegelijkertijd was er niets aan de hand omdat de vrouw zag hoeveel boodschappen ik nog op de band moest zetten en genoeg ruimte overliet. Geen enkel probleem dus, je zou zelfs kunnen zeggen dat we gestroomlijnd bezig waren met z’n tweeën, alsof we afgesproken hadden het afrekenen zo snel en soepel mogelijk te laten verlopen, maar dan nog, je zou haar op z’n minst een harde duw moeten geven, of met een breed gebaar al haar boodschappen van de band vegen, ik zag haar pot jam al uiteenspatten op de tegels, je zou haar op z’n minst moeten kunnen aanspreken op haar gedrag maar ook dat kan niet omdat ik weet dat ik dan niet uit m’n woorden ga komen en ik kan wel thuis van tevoren dingen op schrift gaan stellen die je bij dit soort gelegenheden de ander moet toevoegen maar ook dan zou ik niet weten waar ik de superieure vanzelfsprekendheid vandaan moest halen om zo’n tekst met overtuiging te kunnen uitspreken, ik ben niet iemand voor dat soort teksten, ik ben niet iemand voor dit soort situaties, ik ben te aardig, te meegaand, ik zeg toch: ik had bijna ruzie, en in plaats van dat ik daar wat aan doe heb ik die slappe meegaandheid van me alleen maar versterkt met dat boeddhisme en die meditatiecursussen. Wat hebben al die pogingen om mezelf redelijkheid en compassie bij te brengen nu eigenlijk opgeleverd? Er heeft zich de afgelopen jaren in mij een kleine halfbakken boeddhist genesteld, een kleine kale boeddhist in een oranje pij, ik heb hem vetgemest met meditatiecursussen en boeken en boekjes en als dank doet hij me de onthechte glimlach voor waarmee ik situaties als die bij de kassa zou moeten begroeten, laat het voorbijgaan, het is woede, niet jouw woede, het is ergernis, niet jouw ergernis, je veroorzaakt je eigen lijden door gehechtheid aan je stemming. Ik zou de glimlach van zijn gezicht moeten slaan, het liefst zou ik mijn vingers links en rechts om de randen van mijn ribbenkast haken, de boel uit elkaar trekken en mijn handen naar binnen steken om die kleine kale innerlijke boeddhist eigenhandig te wurgen, om zijn keel zo strak te omklemmen dat zijn hoofdje opzwelt en zijn oogbollen als kleine knikkers naar buiten schieten om stuk te spatten tegen de muur.”

Rob van Essen (Amstelveen, 25 juni 1963)

 

De Canadese schrijver Yann Martel werd op 25 juni 1963 geboren in Salamanca. Zie ook alle tags voor Yann Martel op dit blog.

UIt: The High Mountains of Portugal

“He had never said that to anyone, commented so flatly and truthfully about his father’s checkered career, the business plans that collapsed one after the other, leaving him further beholden to the brother who rescued him each time. But to Dora he could reveal such things.
“Oh, you say that, but rich people always have troves of money hidden away.”
He laughed. “Do they? I’ve never thought of my uncle as a man who was secretive about his wealth. And if that’s so, if I’m rich, why won’t you marry me?”
People stare at him as he walks. Some make a comment, a few in jest but most with helpful intent. “Be careful, you might trip!” calls a concerned woman. He is used to this public attention; beyond a smiling nod to those who mean well, he ignores it.
One step at a time he makes his way to Lapa, his stride free and easy, each foot lifted high, then dropped with aplomb. It is a graceful gait.
He steps on an orange peel but does not slip.
He does not notice a sleeping dog, but his heel lands just short of its tail.
He misses a step as he is going down some curving stairs, but he is holding on to the railing and he regains his footing easily.
And other such minor mishaps.
Dora’s smile dropped at the mention of marriage. She was like that; she went from the lighthearted to the deeply serious in an instant.
“No, your family would banish you. Family is everything. You cannot turn your back on yours.”
“You are my family,” he replied, looking straight at her.
She shook her head. “No, I am not.”
His eyes, for the most part relieved of the burden of directing him, relax in his skull like two passengers sitting on deck chairs at the rear of a ship.”

Yann Martel (Salamanca, 25 juni 1963)

 

De Nederlandse schrijfster Nina Polak werd geboren in Haarlem op 25 juni 1986. Zie ook alle tags voor Nina Polak op dit blog.

Uit: Gebrek is een groot woord

“Met behulp van twee vergeelde bibliotheekboeken en een folder van het havenmuseum in IJmuiden produceer ik in een Alfred J. Kwak-schrift een wiebelige tekst, waarin de zeecontainer de hoofdrol vervult als een miskende held van onze tijd, een stille revolutionair. Je ziet ze in het dagelijks leven bijna nooit, maar ze zijn er áltijd. Zonder zeecontainers hadden we alleen spullen uit ons eigen land, zo luidt de wat grove conclusie. Mensen aan de andere kant van de wereld hadden dan misschien wel geen werk gehad en in Japan zouden ze geen Heineken- bier drinken. Leve de zeecontainer.
Als ik de tekst wil uitproberen op Nellie zijn de gordijnen dicht. Ik klop op de deur van haar slaapkamer, waar ze zich heeft teruggetrokken, maar ik krijg geen gehoor. Morgen, klinkt het uiteindelijk zacht, als ik zeur dat ik mijn spreekbeurt wil oefenen. Morgen, poppetje, morgen, goed?
Goed. Maar het wordt morgen en het wordt overmorgen en overovermorgen en de gordijnen blijven dicht. Ik oefen de spreekbeurt zittend op de keukentafel, in de spiegel die erboven hangt. ‘Een standaard zeecontainer is twintig voet lang, acht voet breed en achteneenhalve voet hoog.’ ‘De eerste container in Nederland werd gelost in 1966, in de haven van Rotterdam.’ ‘Ongeveer zestig procent van alle goederen ter wereld wordt per zeecontainer getransporteerd.’
De ‘ruim voldoende’ die meester Marcouch me geeft, weet ik een paar dagen lang pijnlijk zeker, had een ‘goed’ of zelfs een ‘zeer goed’ kunnen zijn als ik maar de kans gekregen had om op een levend publiek te oefenen. Maar tegen de tijd dat het woensdag is, de gordijnen weer open zijn en er twee puddingbroodjes met extra poedersuiker op de keukentafel staan als bolle, blanke vredeoffers, ben ik het vergeten.
Voordat ik terugfiets naar het centrum koop ik in Ruigoord bij een hippievrouw een doosje huisgemaakte, slaafvrije chocolatjes om Mascha en Nico alvast te bedanken voor hun gastvrijheid, voor ik ze zal vragen me nog wat langer te huisvesten. Waar ik me gisteren nog zeker voelde van mijn zaak, vraag ik me nu af of het niet al te vrijpostig is. Het is dat de situatie acuut is en de alternatieven —Borg inlichten, een dure bezemkast huren in de stad — nogal onvoorstelbaar zijn, anders had ik gewacht tot de Zeno’s me zelf zouden uitnodigen. Kunnen jullie me nog een paar maanden verdragen? Ik besluit Mascha en Nico meteen aan te spreken als ik weer thuis ben en oefen een luchtige toon. Tegen de tijd dat ik de Overtoom bereik ben ik zenuwachtig, maar wanneer ik vanuit het steegje de tuin in kom, zit daar alleen Nico aan de tuintafel, voor hem een uitgevouwen bouwplan en een pot thee. Jij was vroeg op,’ constateert hij. `Ik had zin om een stuk te fietsen. Ben helemaal in de havens geweest.’ Hij lacht. ‘Kon je het niet laten?’ Ik vertel hem het containerverhaal, zonder de zielige details, en zie zijn gezicht oplichten met nobele interesse. Grijs of niet, Nico kan eruitzien als zo’n kind uit de jaren vijftig: keurige scheiding, onbezorgd rond gezicht. Ik kan me voorstellen dat je hem zou typeren als ‘ontwapenend’, maar zijn eeuwige zonnigheid wekt bij mij eerder wantrouwen. Ik weet dat daaronder de onverzettelijkheid schuilgaat van iemand die nooit is verzet.”

Nina Polak (Haarlem, 25 juni 1986)


De Canadese schrijver Michel Tremblay werd geboren in Quebec op 25 juni 1942. Zie ook alle tags voor Michel Tremblay op dit blog.

Uit: Bonbons assortis

« Nous nous étions donc tous mis au lit ce soir-là en espérant être réveillés par ledoux bruissement de la pluie dans les arbres et la fraîcheur de l’automne àtravers nos draps propres. Dix per sonnes s’entassaient dans ce grandappartement de sept pièces: ma grand-mère Tremblay, sa fille Robertine et sesdeux enfants, Hélène et Claude; son fils, mon père, avec sa femme et leurs troisfils, mes deux frères, Jacques et Bernard, et moi. Mon oncle Lucien, le mari dema tante Robertine, était disparu depuis un certain temps et personne ne s’enplaignait. Quant à mes deux oncles célibataires, Fernand et Gérard, ilspartageaient une petite chambre en attendant de se trouver du travail.Mais ce furent les grandes orgues de la foudre qui nous réveillèrent. Unspectaculaire coup de tonnerre se fit entendre vers les deux heures du matin,pendant qu’un véritable cataclysme s’abattait sur Montréal endormie.Des hurlements sortirent aussitôt des chambres: «Fermez les châssis!- Mon Dieu, c’est la fin du monde!
– Mon lit est déjà tout mouillé!- J’ai jamais entendu une affaire de même!- Avez-vous vu ça? Je pensais que quelqu’un prenait des portraits!- On n’a pus d’étriceté! On n’a pus d’étri ceté! »C’était vrai. Le quartier au complet était plongé dans le noir. Ma mère se leva entâtonnant dans l’obscurité et ferma la fenêtre de la chambre qui se trouvait justeà côté de mon lit.«J’espère que ça durera pas longtemps, parce qu’on va avoir chaud t’à l’heure! »La porte de la chambre s’ouvrit brusquement et claqua contre le mur. Ma tanteRobertine tenait une chandelle et un rameau à bout de bras; elle avait de ladifficulté à s’exprimer tant elle était énervée.«Moman a disparu! »Maman lui prit la chandelle des mains et, tout en lui répondant, vint vérifier sij’étais réveillé. «As-tu regardé dans son garde-robe? C’est toujours là qu’a’ secache quand y tonne! Même la nuit!- Mon Dieu, c’est vrai, j’ y avais pas pensé tellement j’étais énarvée ! »Ma mère avait déjà allumé une chandelle trouvée au fond du tiroir de sa table dechevet.Ma tante repartit avec la sienne et disparut vers le devant de la maison.«Moman! Moman, êtes-vous dans le garde robe? Vous auriez pu me le direquand chus rentrée dans votre chambre! J’étais là que je m’époumonais pourrien! »Mon père venait juste de se réveiller. Partielle ment sourd et toujours difficile à tirer du sommeil tellement il dormait dur, il n’avait pas dû entendre ladéflagration et se demandait ce qui se passait.«Que c’est que tu fais avec une chandelle, Nana? Es-tu somnambule?»Un éclair illumina la fenêtre, suivi d’un second coup de tonnerre, pire que lepremier. Il comprit aussitôt et sauta du lit.«Bon, ben, je suppose que toute la maison est sens dessus dessous, là ! »D’autres cris s’étaient élevés d’un peu partout dans l’appartement.«Poussez-vous, moman, que je m’enfarme avec vous!- J’ai échappé ma chandelle dans mon lit!J’ai échappé ma chandelle dans mon lit! Ah, la v’là! Ma chandelle est éteinte!Ma chandelle est éteinte! »

Michel Tremblay (Quebec, 25 juni 1942)
Cover


De Nederlandse dichter en schrijver Leendert Witvliet werd geboren in Werkendam op 25 juni 1936. Zie ook alle tags voor Leendert Witvliet op dit blog.

Schoolzwemmen

Iedere maandag half negen – zomer,
herfst, winter, lente – zwemmen,
’s zondags buikpijn en niet slapen,
’s maandags zwemmen in het overdekte bad.

Het is er leeg. Kinderen aan een touwtje,
de schreeuwende badmeneer in korte broek,
kom op de kop er onder, het water is zo
koud, je hart klopt vlugger dan gewoon.

Soms zit je moeder, heel alleen,
op een bankje op de tegels en de man,
die badmeneer, schreeuwt minder luid
en soms, als ’t vriest, hangt je juf
de jassen over de verwarming.

Iedere maandag half negen bad.

 

Evolutie

Toen we nog gewoon vissen waren
en zweefden door het water
of voor ons uit lagen te staren
toen dachten we niet aan later

als we geen vis meer zouden zijn,
maar wezens met twee benen
om te vallen, twee wangen om te
blozen, twee ogen om te wenen,

toen moeten we gelukkig zijn geweest
in het water, ons vlug voortbewegen
zonder vallen en zachtjes groeien

zonder steeds een kleur te krijgen
en als we huilen moesten
zag niemand onze tranen vloeien.

Leendert Witvliet (Werkendam, 25 juni 1936)


De Oostenrijkse dichteres en schrijfster Ingeborg Bachmann werd geboren op 25 juni 1926 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Ingeborg Bachmann op dit blog.

Uit:Onder moordenaars en gekken (Vertaald door Paul Beers)

“De mannen zijn onderweg naar zichzelf, als ze ’s avonds bij elkaar zijn, drinken en praten en meningen ten beste geven. Als ze doelloos praten, zijn ze op hun eigen spoor – als ze hun meningen ten beste geven die met de rook van pijpen, sigaretten en sigaren opstijgen, en als de wereld rook en waan wordt in de herbergen van de dorpen, in de zaaltjes, in de achterkamers van de grote restaurants en in de wijnkelders van de grote steden.
We zijn in Wenen, meer dan tien jaar na de oorlog. ‘Na de oorlog’ – dat is de tijdrekening.
We zijn ’s avonds in Wenen en zwermen uit over de koffiehuizen en restaurants. We komen rechtstreeks van de redacties en de kantoren, van het werk en de ateliers, en treffen elkaar, houden het spoor vast, jagen op het beste dat we verloren hebben als op wild, verlegen en lachend. In de pauzes, als iemand een mop invalt of een verhaal dat beslist verteld moet worden, als iemand het zwijgen verbreekt en ieder in zichzelf verzinkt, hoort af en toe iemand het blauwe wild klagen – nog eenmaal, nog altijd.
Die avond ging ik met Mahler naar de ‘Kronenkeller’ in de binnenstad voor onze mannenclub. Overal waren, nu het avond in de wereld was, de kroegen vol, en de mannen praatten en beweerden en vertelden als zoekers en dulders, als titanen en halfgoden over de geschiedenis en de geschiedenissen; ze reden omhoog naar het nachtland en zetten zich neer bij het vuur, het gemeenschappelijke open vuur dat ze oppookten in de nacht en de woestijn waar ze zich bevonden. Vergeten waren ze hun beroepen en gezinnen. Geen van hen wilde eraan denken dat thuis de vrouwen nu de bedden opensloegen en zich ter ruste begaven omdat ze met de nacht niets wisten aan te vangen. Met blote voeten of in pantoffels, met opgebonden haar en moede gezichten deden de vrouwen thuis de ronde, sloten de gaskraan en keken angstig onder het bed en in de kasten, kalmeerden de kinderen met verstrooide woorden of gingen lusteloos bij de radio zitten, om dan toch met wraakgedachten te gaan liggen in de eenzame woning. Met de gevoelens van slachtoffers lagen de vrouwen daar, met opengesperde ogen in het donker, vol wanhoop en boosheid. Ze maakten de balans op van hun huwelijk, van de jaren en het huishoudgeld, ze manipuleerden, vervalsten en verduisterden.”

Ingeborg Bachmann (25 juni 1926 – 17 oktober 1973)
Borstbeeld in Klagenfurt


Zie voor nog meer schrijvers van de 25e juni ook mijn blog van 25 juni 2018 en ook mijn blog van 25 juni 2017 deel 2.

BNG Bank Literatuurprijs 2018 voor Nina Polak

BNG Bank Literatuurprijs 2018 voor Nina Polak

De Nederlandse schrijfster Nina Polak heeft met haar roman “Gebrek is een groot woord” de BNG Bank Literatuurprijs 2018 gewonnen. Dat maakte de jury op donderdag 10 januari 2019 in de Amstelkerk in Amsterdam bekend. Nina Polak werd geboren in Haarlem op 25 juni 1986. Zie ook alle tags voor Nina Polak op dit blog.

Uit: Gebrek is een groot woord

“Ik ben net tien en heb besloten een spreekbeurt te houden over zeecontainers. Die mysterieuze kisten fascineren me sinds ik op het journaal zag hoe er een aantal van het schip losraakte tijdens een storm op zee en aanspoelde aan een Franse kust. Er was een strand te zien waarop honderden teddyberen rondslingerden, blikken ravioli, radio’s en luiers, een slagveld van spullen. Daarna beelden van een containerhaven, duizenden containers in alle kleuren van de regenboog: hele dorpen en steden van levensgrote Lego, met hijskranen zo hoog als flatgebouwen.
Dagenlang vraag ik Nellie naar de zeecontainers. Wat zit er allemaal nog meer in? Veel spullen die we hier hebben komen uit een zeecontainer, antwoordt ze. Je kleren. Je poppen. De televisie. De auto. Auto’s!? Ik weet niet wat ik hoor. En waar komen die zeecontainers dan vandaan? Van over de hele wereld, China, Japan, India. Australië ook? Vast wel. Zitten er ook mensen in een zeecontainer? Soms wel, ben ik bang. Ze moet lachen om mijn openvallende mond. Ik heb de zee, die ik maar een paar keer gezien heb, tot dan toe beschouwd als een gevaarlijke grijze massa, waarin dingen verdwijnen. Nu realiseer ik me, met de genoegzaamheid waarmee een kind iets vanzelfsprekends ontdekt, dat de zee ook geeft en dat ze bovendien alles met alles verbindt, overal met overal. En hoeveel containers passen er dan op zo’n boot? Wel meer dan duizend, denkt Nellie.
Wanneer meester Marcouch van groep zes vraagt wie van ons ‘luie klaplopers’ er al een onderwerp weet voor de spreekbeurten, schiet mijn hand de lucht in. Ik gloei van trots bij het uitspreken van het woord. Zeecontainers. Men kijkt elkaar aan, er wordt gegrinnikt, maar meester Marcouch, die een ruim hart en een goed gevoel voor humor heeft, knikt goedkeurend en noteert mijn keuze.
‘We kunnen eens gaan kijken,’ zegt Nellie op een bijzonder gelukkige lenteavond, nadat we op het balkon een door haar gemaakte macaroni met kaas hebben gegeten. Ik klamp me vast aan haar leren jas terwijl ze in een bezeten tempo richting havens fietst. Tegen het bord dat ons weg moet jagen zet ze de fiets neer, zonder slot. We betreden verboden gebied. Er is niemand. Ze pakt even mijn arm en wijst in de verte, waar de brug van een kolossaal schip voorbijglijdt, richting de kranen en de eindeloze rijen containers, zo veel en zo groot dat ik stil ben. Het asfalt, het water en de containers schitteren in het lage, laatste licht, onze twee schaduwen strekken zich lang voor ons uit over het lege terrein.”

 
Nina Polak (Haarlem, 25 juni 1986)

Nina Polak

De Nederlandse schrijfster Nina Polak werd geboren in Haarlem op 25 juni 1986. Polak studeerde literatuurwetenschap en Cultural Analysis aan de Universiteit van Amsterdam en in New York. Van kindsbeen af was fictie (verhalen en hun betekenis in boeken, strips, games of tv-programma’s) belangrijk voor haar. Over deze onderwerpen schreef Polak aanvankelijk voor De Gids en De Groene Amsterdammer. Vanaf 2013 is ze ook correspondent cultuur voor De Correspondent. Als schrijfster debuteerde ze in 2014 bij Prometheus met “We zullen niet te pletter slaan”.Vanuit het perspectief van twee jonge mensen, een zoon en een dochter, wordt de scheiding van twee moeders beschreven. De titel verwijst naar een gedicht van William Wordsworth. Driemaal werd de debuutroman genomineerd voor een prijs: voor de Anton Wachterprijs 2014, de ANV Debutantenprijs 2015 en de Opzij Literatuurprijs 2015. In 2017 verscheen een tweeluik van de NTR met Polak en Adriaan van Dis waarin beide schrijvers met elkaar worden vergeleken in leven en werk.

Uit: We zullen niet te pletter slaan

“Hun moeder verliet hun moeder op de dag dat de nieuwe keuken arriveerde. Een teleurstellend prozaïsch moment. Wie er precies wie in de steek liet was niet helder, maar het verlaten verliep vlekkeloos. Tussen het sjouwen door smeerden ze boterhammen op het nog ingepakte kookeiland. De keukentafel stond rechtop tegen de muur. Vier losgeschroefde poten en een blad, hun namen in de onderkant gekrast.
De moeders deden hun best om niet zuur te kijken. Dat gold niet voor Anna Katz en Cornelis Schardijn, halfbloedverwanten en bondgenoten voor de gelegenheid.
Anna moest niet denken aan glimlachen, laat staan aan pindakaas, en liep met opzet voortdurend in de weg. Ze sjokte van boven naar beneden op haar kistjes, deelde donderblikken uit van onder haar zwarte pony en verdween van tijd tot tijd in haar kamer om hard iets uit de donkerste dagen van Leonard Cohen te draaien. Haar broer sloot de deur van zijn zolder en stopte watten in zijn oren, die hij er soms even uit haalde om te horen of er al op zijn deur geklopt werd.
Het hielp niet. Benya hield zich eindelijk aan haar woord en ging. So long.
In de gang stond alles wat ze nodig had. De rest liet ze achter. Buiten in de zon op de oprit wachtte huisvriend Ger van de geschilderde bus in haar tweede geschilderde bus – groter, geler, beter – om hun moeder mee te nemen naar de stad. Naast het opgeklapte raampje stond ze, Benya, een dubbelgeklapte boterham in haar hand, de laatste die ze hier zou eten, het blonde haar op haar hoofd verwaaid.
Anna leunde tegen de muur, haar armen gekruist, en bekeek haar moeders haastig bij elkaar geschoven leven. De kapotte B&O-pick-up, een blikje met soldatenspeldjes, drie dikke schapenwollenvesten, de gebarsten leren tas die altijd onder in de kast lag, die bergschoenen met die rode veters, een klein vloerkleedje, een rolodex, het mooiste bureaulampje van het huis: antiek, uit Sarajevo. Overhemden. Nog meer overhemden.
Meer dan op bruikbare bagage leek het hoopje spullen bedoeld om zo vertederend mogelijk te ogen. Boven stond het nog vol met Benya’s boeken; ze had de drankkast waaruit alleen zij dronk intact gelaten en de platenspeler die het nog deed liet ze staan. Misschien hoopte ze terug te keren. Misschien wilde ze de achterblijvers de gaten in het interieur voorlopig besparen.”

 
Nina Polak (Haarlem, 25 juni 1986)