Niccolò Ammaniti en Vriendschappelijke brieven (Frans Roumen)

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Ik ben niet bang (Vertaald door Els van der Pluijm)

‘Oké, je zusje doet niet mee, die is te klein.’ `Ik ben niet te klein!’ had Maria geprotesteerd. ‘Ik wil ook meedoen!’ En toen was ze gevallen. Jammer, ik was derde. Antonio was de eerste. Zoals altijd. Antonio Natale, bijgenaamd de Doodskop. Waarom ze hem de Doodskop noemden, weet ik niet meer. Misschien omdat hij een keer een schedel op zijn arm had, zo’n plaatje dat je bij de sigarenwinkel kunt kopen en met water op je vel kunt afdrukken. De Doodskop was de oudste van de bende. Twaalfjaar. En hij was de baas. Hij vond het leuk om te commanderen en als je niet luisterde werd hij kwaad. Hij was niet echt pienter, maar wel groot, sterk en een durfal. En hij klauterde als een bulldozer tegen die rotheuvel op. De tweede was Salvatore. Salvatore Scardaccione was negen, net als ik. We zaten bij elkaar in de klas. Hij was mijn beste vriend. Salvatore was langer dan ik, een wat eenzelvige jongen. Soms deed hij met ons mee, maar meestal ging hij zijn eigen gang. Hij was slimmer dan de Doodskop en had hem makkelijk kunnen overtroeven, maar hij hoefde niet zo nodig de baas te spelen. Zijn vader, advocaat Emilio Scardaccione, was iets belangrijks in Rome en had een hoop geld in Zwitserland. Dat zei iedereen. Dan kwam ik, Michele. Michele Amitrano. Ik aarzelde nog of ik terug zou gaan of haar achter zou laten toen ik ontdekte dat ik vierde was. Die slome Remo Marzano had me langs de andere kant van de heuvelrug ingehaald. En als ik niet meteen verder klauterde, haalde zelfs Barbara Mura me in. Dat zou een ramp zijn. Ingehaald worden door een meisje. Door die vetzak. Barbara Mura klom op handen en voeten omhoog, als een dolle zeug, helemaal bezweet en onder de aarde. Wat doe je nou, ga je niet naar je zusje? Heb je haar niet gehoord? Ze heeft zich pijn gedaan, ze huilt,’ knorde ze tevreden. Deze ene keer zou zij de straf ontlopen. ‘Ik ga al, ik ga al… En ik haal je heus nog wel in.’ Zo makkelijk zou ze er niet af komen. Ik draaide me om en begon omlaag te rennen, met mijn armen zwaaiend en brullend als een Sioux. Mijn leren sandalen gleden weg over de halmen. Een paar keer kwam ik op mijn achterste terecht. Ik zag haar nergens. ‘Maria! Maria! Waar zit je?’ ‘Michele…’ Kijk! Daar was ze. Klein en ongelukkig. Op een krans van geknakte halmen. Met een hand wreef ze over haar enkel en met de andere hield ze haar bril vast. Haar haar zat op haar voorhoofd geplakt en haar ogen glinsterden. Toen ze me zag trok ze haar mondhoeken omlaag en blies ze zich op als een kalkoen. `Michele…?’

Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)



In de tweede helft van de jaren negentig werkte Frans Roumen aan een roman die de titel “Vriendschappelijke brieven” had moeten krijgen. Het manuscript gold na een verhuizing jarenlang als zoekgeraakt. Onlangs werden er echter toch flinke delen van bij een grote opruimactie ontdekt in een oude doos in de kelder. Romenu heeft de toestemming gekregen om er regelmatig fragmenten uit te publiceren. Vandaag volgt het elfde van een nog nader te bepalen aantal. 

“Arnhem, 8 mei 1996,

Lieve Steef,

Een hele goede morgen ! Kun je al weer een beetje slapen ? Ik wel gelukkig. Dit is de dag van Europacup II. Paris St. Germain – Rapid Wien. Ik ben uit sentimentele overwegingen voor Wien, dat snap je wel. Wat zing je mooi, Stefan !
Wij gaan vandaag weer op herhalingsoefening, Kenan. De VS verwijten Boutros Ghali iets. Dat hij zich aansluit bij de conclusies van een VN rapport.

Karadzic en Mladic zijn nog steeds niet in Den Haag, mijne heren. Dus laat het gooien van eerste stenen maar over aan wie recht van spreken heeft. (Koppen dicht dus )

Nou kunnen alle vaders en moeders van middelbare scholieren zien hoe je door de bank genomen ’s morgens de klassen rustig moet zien te krijgen om überhaupt met de les Duits te kunnen beginnen. Kenan : ” Frans, rustig nou, alleen admiraal Drost is binnen de Nederlandse strijdkrachten voorstander van ingrijpen in Sarajevo.” Waarom staan er op Volkel dan weer 25 F 16’s klaar ? Kenan : “Dat zijn jouw hormonen, Frans.”

Jezus. De Nederlandse generaal van Kappen heeft dat rapport opgesteld!

Belachelijk en onverantwoord ? Dat is Helmut Kohl die tegen Nederlandse journalisten zegt dat zij niets van de grote politiek snappen!

Ondertussen is het 9 mei 1996.

Goede morgen, Stefan. Een beetje vroeg vandaag : 6.11 uur

De technisch vaardige Fransen hebben Rapid Wien herhaaldelijk het vuur na aan de schenen gelegd en met 1 – 0 gewonnen. Paris St. Germain heeft dus de Europa Cup 2 gewonnen oftewel de UEFA -cup. Was soll man dazu sagen, Herr Bundeskanzler?

Alfred Kossman (74) wint de LIBRIS-prijs. Voor Huldigingen. F 100.000,-

Van Veen gaf de minister onvoldoende informatie.

Politieministers weerstaan Kamer. Bolkestein : Ze hoeven na de volgende verkiezingen niet terug te komen. Inderdaad, Frits, doorstroming van zoveel talent is een groot goed. Job : 5;17, Bart.

Frank Verlaat wordt aanvoerder bij Vfb Stuttgart. De trainer verwijt de huidige aanvoerder gebrek aan inspirerende leiding ! Soms denk ik : wat moet ik met zo’n bericht op de kabel?

Van Bolkestein hoeft natuurlijk het hele kabinet niet terug te komen. Wegens gebrek aan inspirerende leiding. Voorhoeve oogt nog altijd als het bangste jongetje van de klas die door vader Kok minzaam in bescherming wordt genomen.

Raphaël gaat vandaag om 11:00:00,00 naar het Arbeid Trainings Projekt in Nijmegen.

Kenan zegt dat wij nog veel meer gas moeten verkopen om alle noodzakelijke gouden handdrukken te kunnen betalen aan falende ambtenaren.

Als ik kwijtschelding van belasting wil draait de gemeente via de kabel Memories van Barbara Streisand. Martijn WAIS : 68 versus Frans 133 ! Leuk, hé, André ? Kenan zegt :”Mensen met zoveel talent kunnen zich geen slordigheden veroorloven ?”

Psychologen met zoveel inzicht kunnen zich ook geen blunders veroorloven.

Wat doen ze vandaag in Zürich met de D-Mark, Kenan?

Frankfurter Rundschau : Zwitserse bank blokkeert seks-lijn met Nederlandse bedrijven.

Het is nu weer zover dat Raphaël met Antillianen omgaat. Dat is dus echt oppassen geblazen. Tot nu toe is het nog voetballen. Er werd van hem een daad verwacht opdat hij de omgang met Antillianen waardig zou zijn.

De Telegraaf : Rabobank sponsort opvang randjongeren.

11 mei 1996, Goede morgen, Stefan,

Hoe heb jij na je lange autoritje van gisteren geslapen? Ik wel goed. Ik ben dan ook niet meer uit geweest. En voor mijn doen heb ik zelfs uitgeslapen vandaag.

Couzy brengt Voorhoeve in moeilijkheden. Nu had Voorhoeve die toch al of zou ze ongetwijfeld weer krijgen binnenkort, dus dat is allemaal niks om voor op te staan.

Maar ik had zin in Cappuccino. (Er was trouwens een mevrouw op de radio die vanuit de Euromast in Rotterdam vijf dagen heeft mogen internetten. Onder het wakend oog van AFCA ongetwijfeld.)

Hoe bewerkstelligen wij een cultuuromslag in diverse Zuid-Amerikaanse landen, Kenen. Ongetwijfeld een werk van een zeer lange adem. Bidden, en van onderop beginnen volgens de Jezuïeten. Weerstand genoeg. (Hier vlakbij is een school zonder racisme. Daar speelt elke dag een bonte verzameling van nationaliteiten met elkaar. Die kinderen zullen later nooit last hebben van vreemdelingenhaat, omdat ze van jongs af aan vertrouwd zijn met allerlei eenden in de bijt. Dat er zoals in elke groep conflicten voorkomen zal wel. Daar dan mee om te gaan leren ze dan ook al vanaf 4 jaar of zo. Mooi gezicht, paters ! Wat niet wil zeggen dat de volwassenen nu maar hun ongebreidelde gang kunnen gaan.

Loving you has made my life so beautiful

Ik zit nog steeds aan jou te schrijven, Steefje, een beetje relaxed nippend aan mijn Cappuccino…

Het blijkt een dag te zijn voor Matheus 21;1-10, Bart.

Negatief zelfbeeld ! 20 in therapie en 20 niet in therapie. 40 tot 50 procent ! Niet meer verwijfd, wel sex-gericht en egoïstisch ! Vooroordelen worden geïnternaliseerd. Creatief. Zorgzaam. Aanknopen van intieme relaties op grond van een negatief zelfbeeld. Dat dat moeilijkheden oplevert spréékt.

Homo en hetero-identiteit worden wat vager en gaan in elkaar overlopen. Dat is allemaal onderzocht door iemand die er ook op promoveert! Maar er zijn toch inderdaad schrikbarende conclusies te trekken uit dat rapport.

Mij heeft het wakker geschud. Natuurlijk lijd ik ook aan diverse, al dan niet onderkende zelfbeelden.

Daar wordt aan gewerkt”, zegt Kenan.

16 Doden bij een Amerikaans – Britse militaire oefening! Twee helikopters die tegen elkaar botsten! In Camp Lejeune.

En met elektronische verdediging kom je ook niet ver als de stroom uitvalt, Kenan.

Maar goed: Veertig tot vijftig procent van degenen die niet in therapie zijn had dus toch nog last van een negatief zelfbeeld.

“Dat kan ik je allemaal niet bieden”, zei Stefan tegen Mark naar aanleiding van de flat van DM 1.000.000 in Zürich.

10.40 uur. Zo meteen naar de sportdag. Challange voor mijn zelfbeeld. Het wordt vast lachen.”

De Rabobank aan het Willemsplein in Arnhem


Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Felipe García Quintero, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen, Rebecca Gablé

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Ik ben niet bang (Vertaald door Els van der Pluijm)

“Net toen ik Salvatore bijna had ingehaald hoorde ik mijn zusje schreeuwen. Ik draaide me om en zag haar verdwijnen, kopje onder in het graan dat de heuvel overdekte. Ik had haar niet mogen meenemen, mamma zou me vreselijk op mijn kop geven. Ik stopte, helemaal bezweet, haalde diep adem en riep: ‘Maria? Maria?’ Ze antwoordde met een zielig stemmetje. `Michele!’ ‘Heb je je pijn gedaan?’ 5, je moet komen.’ ‘Waar heb je je pijn gedaan?’ ‘Mijn been.’ Ze deed maar alsof, ze was moe. Ik loop door, zei ik tegen mezelf. Maar als ze zich nou echt pijn had gedaan? Waar waren de anderen? Ik zag hun sporen in het graan. Langzaam klommen ze omhoog, evenwijdig aan elkaar, als de vingers van een hand, naar de top van de heuvel, hele banen geknakte halmen achterlatend.
Het graan stond dat jaar hoog. ègen het eind van het voor-jaar had het overvloedig geregend en half juni waren de korrels dikker dan ooit. De planten stonden dicht op elkaar, met heel veel halmen, rijp voor de oogst
Alles was overdekt met graan. De lage heuvels volgden op elkaar als de golven van een goudgele oceaan. Tot aan de horizon graan, lucht, krekels, zon en hitte. Op mijn negende had ik geen idee hoc heet het was, van graden en zo had ik geen verstand, maar dat het niet normaal was wist ik wel. Die vervloekte zomer van 1978 is nog steeds berucht als een van de heetste van de eeuw. De hitte drong in de stenen, verpulverde de aarde, verschroeide de planten en doodde de dieren, stak de huizen in brand. De tomaten in de moestuin waren droog, de courgettes klein en keihard. De zon benam je de adem, je energie, je zin om te spelen, alles. En ’s nachts was het ook niet te harden. De grote mensen van Aqua Traverse gingen het huis niet uit voor zes uur ’s avonds. Ze sloten zich binnen op, de luiken dicht. Alleen wij waagden ons op her zinderende, verlaten land. Mijn zusje Maria was vijf en liep me overal achterna, niet de hardnekkigheid van een straathondje dat uit her asiel is gehaald. ‘Ik wil met jou meedoen,’ zei ze altijd. Manna gaf haar gelijk. ‘Ben je nou haar grote broer of niet?’ En ook al ging ik op mijn kop staan, ik moest haar meeslepen. Niemand was gestopt om haar te helpen. Logisch, het was een wedstrijd.
‘Recht omhoog dc heuvel op. Geen bochten. Verboden om achter elkaar aan te klimmen. Verboden om te stoppen. Wie het laatst boven is krijgt straf.’ Dat had de Doodskop beslist, en voor mij had hij met de hand over zijn hart gestreken. Oké, je zusje doet niet mee, die is te klein.”

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

 

De Amerikaanse schrijver David Benioff (pseudoniem van David Friedman) werd geboren in New York City op 25 september 1970. Zie ook alle tags voor David Benioff op dit blog.

Uit: When the Nines Roll Over

“Tabachnik had never heard of the Australian before tonight, which meant that the Australian did not matter in the music business. Whatever contract Loving Cup Records had with the band would be a mess, whipped up one night by a cocaine-addled lawyer who passed the bar on his third try. That was Tabachnik’s guess, anyway, and he was generally right in these matters. Making money off musicians was so easy that third-rate swindlers from all over the world thought they could do it; they swarmed around talentless bands like fat housewives around slot machines, drinking cheap beer and exchanging rumors of huge payoffs. Third-rate swindlers were doomed to serve as rubes for second-rate swindlers—unless they were unlucky enough to get conned by a true pro. After the Taints finished their set Tabachnik retreated to the VIP room with the Australian. He expected the man to light a joint and offer him a hit; when it happened Tabachnik shook his head and took another sip of mineral water. “I got you,” said the Australian, leaning back in the overstuffed sofa. He sucked on the joint and kept the smoke in his lungs for so long that it seemed as if he had forgotten about the exhale part. Finally he released the smoke through his nostrils, two plumes curling toward the ceiling. It was an impressive gesture and Tabachnik appreciated it—Australians were always doing shit like this—but it was meaningless. He wasn’t going to deal with Loving Cup unless it was necessary, and at this point he doubted it would be. “I got you,” repeated the Australian. “You want to keep a cool head for the negotiations.” “What negotiations?” The Australian smiled craftily, inspecting the ash at the tip of his joint. He had told Tabachnik his name. Tabachnik never forgot names, but in his mind the Australian was simply “the Australian.” He was sure that he was simply “major label” in the Australian’s mind, but eventually he would be “that fuck Tabachnik.” “Okay,” said the Australian. “Let’s just talk then.”


David Benioff (New York, 25 september 1970)

 

De Nederlandse schrijver Michael Reefs werd op 25 september 1986 geboren in Heerlen en groeide op in het Limburgse Vaals. Zie ook alle tags voor Michael Reefs op dit blog.

Uit: De tijdwachter

“Valerie bleef even staan en keek naar haar moeder, die in de auto was blijven zitten. ‘Negen uur ben ik thuis, mam!’ riep ze.
Haar moeder schoof het raampje een paar centimeter om­laag en riep: ’Geen minuut later, jongedame.’ Daarna startte ze de auto en vertrok.
Roy liep als eerste de trap op en trok de ijzeren toegangsdeur open, het enige onderdeel van het museum dat nog aan de oude gevangenis deed herinneren. Binnen was namelijk alles afgebro­ken, opnieuw opgebouwd en verdeeld in grote aparte ruimtes, waar de verschillende pronkstukken werden tentoongesteld.
Valerie schudde het water van haar jas en liep als laatste het gebouw binnen. Ze inspecteerde de ruime, hol klinkende hal waar ze nu met z’n allen in stonden. Recht tegenover de ingang bevond zich een lange balie, afgeschermd door een glazen wand die tot het plafond reikte. Er zaten drie medewerkers achter om de tickets af te handelen.
De kinderen liepen naar de middelste medewerkster en wachtten op hun beurt.
‘Ik wil ook graag de Egyptische afdeling zien,’ zei Sander. ‘Het Instituut voor Egyptische Kunsten heeft het museum vorig jaar een sarcofaag geschonken. Je kunt er nog duidelijk de resten van een mummie in zien.’
‘Cool,’ zei Roy. ‘Op de wc liggen vast en zeker wc-rollen. Als we jou daarin wikkelen en in de kist leggen, lijk je net een echte mummie.’
Sander gaf hem een duw en Roy dook lachend weg.
‘We moeten ook een verslag over het bezoek schrijven,’ zei Melanie, terwijl ze de jongens negeerde, ‘dus ik hoop dat het interessant genoeg is.’
Valerie had er helemaal niet meer aan gedacht dat Pietersma graag een verslag wilde van het museumbezoek.
‘We zijn met z’n vijven,’ zei Luca, die nu vooraan stond, vlak voor de glazen wand.
De medewerkster printte vijf kaartjes uit en gaf ze aan Luca. ‘Lees de huisregels aan de achterkant van jullie tickets,’ voegde ze eraan toe.”

 
Michael Reefs (Heerlen, 25 september 1986)

 

De Spaanse schrijver Carlos Ruiz Zafón werd geboren op 25 september 1964 in Barcelona. Zie ook alle tags voor Carlos Ruiz Zafón op dit blog.

Uit: Het labyrint der geesten (Vertaald door Nelleke Geel)

“Die nacht droomde ik dat ik terugkeerde naar het Kerkhof der Vergeten Boeken. Ik was weer tien jaar oud en werd wakker in mijn oude slaapkamer, in het bewustzijn dat de herinnering aan het ge­zicht van mijn moeder me was ontglipt. En zoals je in een droom alles weet, zo wist ik dat de schuld bij mij lag, omdat ik het niet had verdiend het me te herinneren en omdat ik niet in staat was geweest haar recht te doen.
Kort daarna kwam mijn vader binnen, gealarmeerd door mijn angstschreeuw. In mijn droom was hij nog jong, was hij het die op alle vragen van de wereld een antwoord had. Troostend omhelsde hij me. Daarna, toen het eerste licht een Barcelona gehuld in neve­len schilderde, wilden we de straat op lopen, maar om een voor mij onduidelijke reden vergezelde mijn vader me slechts tot de voor deur. Daar liet hij mijn hand los, als om me te kennen te geven dat dit een reis was die ik alleen moest maken.
Ik begon te lopen, maar ik herinner me dat mijn kleding, mijn schoenen en zelfs mijn huid me zwaar wogen. Elke stap die ik zette kostte meer inspanning dan de vorige. Toen ik bij de Ramblas aan­ kwam, zag ik dat de stad in een moment van oneindigheid was blij­ven hangen. De mensen stonden er bevroren als de figuren op een oude foto. De vleugelslag van een opvliegende duif was niet meer dan een wazige schets. Flarden pollen hingen onbeweeglijk als ge­pulveriseerd licht in de lucht. Het water in de Canaletas­fontein glinsterde in de leegte als een ketting van glazen tranen.
Traag, alsof ik probeerde te lopen onder water, slaagde ik erin bin­nen te dringen in die bezwering van een in de tijd gestold Barcelo­na, tot ik de ingang naar het Kerkhof der Vergeten Boeken bereikte.
Daar bleef ik uitgeput staan. Ik begreep niet wat voor onzichtbare last ik meetorste, waaronder ik me amper bewegen kon. Ik greep de zware deurklopper en liet hem tegen de poort vallen, maar niemand kwam opendoen. Telkens weer hamerde ik met mijn vuisten op de grote houten poort, maar de bewaker negeerde mijn dringen­ de smeekbedes. Krachteloos zakte ik ten slotte op mijn knieën. Pas toen, toen ik de beheksing bekeek die ik meegesleept had, overviel me de gruwelijke zekerheid dat de stad en mijn lot voor altijd in deze nachtmerrie bevroren zouden blijven en dat ik me nooit meer het gezicht van mijn moeder voor de geest zou kunnen halen”.

 
Carlos Ruiz Zafón (Barcelona, 25 september 1964)

 

De Colombiaanse dichter Felipe García Quintero werd geboren op 25 september 1973 in Popayán. Zie ook alle tags voor Felipe García Quintero op dit blog.

Stone

1.
Be a thought of mine.

The firmness of my latent muteness
not the shadow of my body, its wound.

I, your possession, my guest
in the voice, the empty room of every bone.

2.
Overflowing misery
and the perpetual wanderings of silence.

Stone

Defeated happiness or sung muteness?

In the certain fist of tears
how much is there of you, always with me.

3.
Dumb sky of mine of every cry
you people the darkness of my childhood.

The voice in the silence touches you
the void cheers you
the loneliness encloses you.

Hidden and serene vigil of every death.

4.
Stone

Be the flight of my fall.

 

Vertaald door Nicolás Suescún

 
Felipe García Quintero (Popayán, 25 september 1973)

 

De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25 september 1960 in Warschau. Zie ook alle tags voor Andrzei Stasiuk op dit blog.

Uit: On The Road To Babadag: Travels In The Other Europe (Vertaald door Michael Kandel)

“The best map I have is the Slovak two hundred. It’s so detailed that once it helped me out of an endless cornfield somewhere at the foot of the Zemplén Mountains. On this huge sheet, which contains the entire country, even footpaths are shown. The map is frayed and torn. On the flat image of land and little water, the void peeks through in places. I always take it with me, inconvenient as it is, requiring so much room. The thing is like a talisman, because after all I know the way to Kosice, then on to Sátoraljaújhely, without it. But I take the map, interested precisely in its deterioration. It wore out first at the folds. The breaks and cracks have made a new grid, one clearer than the cartographic crosshatching in light blue. Cities and villages gradually faded from existence as the map was folded and unfolded, stuffed into the glove compartment of a car or into a backpack. Michalovce is gone, Stropkov too, and a hole of nonbeing encroaches on Uzhhorod. Soon Humenné will disappear, Vranov nad Topl’ou wear away, Cigánd on the Tisa crumble.
It was only a couple of years ago that I began to pay this kind of attention to maps. I used to treat them as ornaments or, maybe, anachronistic symbols that had survived in our era of hard information and full disclosure from every corner of the earth. It started with the war in the Balkans. For us, everything starts or ends with a war, so there’s no surprise there. I simply wanted to know what the artillery was aiming at, what the pilots were seeing from their planes. The newspaper maps were too neat, too sterile: the name of a region and, next to the name, the stylized flash of an explosion. No rivers, terrain, topography, no indication of land or culture, just a bare name and a boom. I searched for Vojvodina, because it was nearest. War always rouses men, even when it frightens them. Red flame along the Danube—Belgrade, Batajnica, Novi Sad, Vukovar, Sombor—twenty kilometers from the Hungarian border and maybe four hundred and fifty from my house. Only a real map could tell us when to start listening for the thunder. Neither television nor newspaper can chart such a concrete thing as distance.”

 

Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook alle tags voor William Faulkner op dit blog.

Uit: Sanctuary

“When the woman entered the dining-room, carrying a platter of meat, Popeye and the man who had fetched the jug from the kitchen and the stranger were already at a table made by nailing three rough planks to two trestles. Coming into the light of the lamp which sat on the table, her face was sullen, not old; her eyes were cold. Watching her, Benbow did not see her look once at him as she set the platter on the table and stood for a moment with that veiled look with which women make a final survey of a table, and went and stooped above an open packing case in a corner of the room and took from it another plate and knife and fork, which she brought tothe table and set before Benbow with a kind of abrupt yet unhurried finality, her sleeve brushing his shoulder.
As she was doing that, Goodwin entered. He wore muddy overalls. He had a lean, weathered face, the jaws covered by a black stubble; his hair was gray at the temples. He was leading by the arm an old man with a long white beard stained about the mouth.
Benbow watched Goodwin seat the old man in a chair, where he sat obediently with that tentative and abject eagerness of a man who has but one pleasure left and whom the world can reach only through one sense, for he was both blind and deaf: a short man with a bald skull and a round, full-fleshed, rosy face in which his cataracted eyes looked like two clots of phlegm. Benbow watched him take a filthy rag from his pocket and regurgitate into the rag an almost colorless wad of what had once been chewing tobacco, and fold the rag up and put it into his pocket.The woman served his plate from the dish.
The others were already eating, silently and steadily, but the old man sat there, his head bent over his plate, his beard working faintly. He fumbled at the plate with a diffident, shaking hand and found a small piece of meat and began to suck at it until the woman returned and rapped his knuckles. He put the meat back on the plate then and Benbow watched her cut up the food on the plate, meat, bread and all, and then pour sorghum over it. Then Benbow quit looking. When the meal was over, Goodwin led the old man out again. Benbow watched the two of them pass out the door and heard them go up the hall.
The men returned to the porch. The women cleared the table and carried the dishes to the kitchen. She set them on the table and she went to the box behind the stove and she stood over it for a time.”


William Faulkner (25 september 1897 – 6 juli 1962)
Poster voor de gelijknamige film uit 1961 met o.a. Yves Montand en Lee Remick

 

De Belgische dichteres en schrijfster Patricia Lasoen werd geboren op 25 september 1948 in Brugge. Zie ook alle tags voor Patricia Lasoen op dit blog.

Het verlangen

Sobibor
het zou de naam
van een cocktail kunnen zijn
of van een computerprogramma
van een nieuw medicijn
of van een steen
in de branding
die wacht op de zee
of de naam van de man die
de steen in zijn hand houdt
en streelt
en wacht
op
het water
het brood
het bevel
het schot
die wacht
op de vrouw
de vrede
de dood
of gewoon op de branding
die de steen betast
en glad maakt

 

Allegro ma non troppo

De baby slaapt
en zijn vader slaapt,
de witte kater wulps
tegen hem aangevleid
op de divan.
Het huis vol suizend geluid
het licht komt gesluierd
de kamer binnen
en in de keuken
komt de waterketel
ruisend klaarop de gloeiende plaat.
Voorzichtig schenk ik koffie op
niet overhaast
en niet te traag
maar in het juiste tempo.

 
Patricia Lasoen (Brugge, 25 september 1948)

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Zie ook alle tags voor Rebecca Gablé op dit blog.

Uit: Das Haupt der Welt

“Sie schlafen niemals, und sie scheinen immer noch genug zu essen zu haben, während wir hungern. Sie haben all ihre Nachbarn im Westen und Süden unterworfen, weil sie eben stärker sind und mehr Kriegsglück besitzen. Und jetzt haben sie ihren gierigen Blick nach Osten gerichtet und die Elbe überschritten, um uns ebenfalls zu unterwerfen. Trotzdem machen sie mir keine Angst, denn auch wir sind stark. Aber wie steht es Bolilut betrachtete ihn voller Argwohn, beinah lauernd. »Ich verstehe nicht, was du meinst.«
»Nein?«
»Unser Kriegsglück wird zurückkehren, wenn wir Jarovit mit einem Opfer versöhnen. Das solltest du besser wissen als ich. Und das Los ist nun mal auf deinen Sachsen gefallen.«
Tugomir nickte langsam. »Das ist es, was mir Sorgen macht. Wir stehen dem mächtigsten Feind gegenüber, mit dem wir es je zu tun hatten, und alles, was wir Jarovit für seinen Beistand bieten, ist ein blinder Sklave?«
Bolilut zuckte unbekümmert die Achseln. »Du meinst, ein Fürstensohn und Tempelpriester würde den Göttern eher zusagen? Nur zu, Bruder, Freiwillige vor. Ich würde dir bestimmt keine Träne nachweinen. Und davon abgesehen …«
Ein kunstvoll geschnitzter Eschenstock landete unsanft auf Boliluts Schulter. »Was sind das für frevlerische Reden?«, schalt eine altersraue Stimme. »Wann wirst du lernen, den Göttern Respekt zu erweisen, du junger Taugenichts?«
Tugomir erhob sich von seinem Schemel, und die ungleichen Brüder verneigten sich.
»Vergib mir noch dies eine Mal, Schedrag«, bat Bolilut augenzwinkernd und klopfte seinem Bruder jovial auf den Rücken, um zu vertuschen, dass das plötzliche Auftauchen des Hohepriesters ihn einschüchterte. Bolilut war sechsundzwanzig – acht Jahre älter als Tugomir –, hatte einen Sohn von seiner Frau, mindestens fünf von seinen Sklavinnen, und die Götter allein mochten wissen, wie viele Töchter. Er war ein wilder Geselle und großer Krieger und wartete mit unzureichend verhohlener Ungeduld darauf, dass ihr Vater endlich starb und den Fürstenthron für ihn räumte – aber vor dem Hohepriester fürchtete er sich.
Das amüsierte Tugomir ebenso, wie es ihn mit Befriedigung erfüllte. Seit jeher war es Tradition in ihrer Familie, dass der jüngere Sohn Priester im Tempel des mächtigen Jarovit wurde. Diese Rolle war Tugomir zugefallen, und manchmal bewahrte die Würde, die damit einherging, ihn vor Boliluts brüderlichen Heimsuchungen.”

 
Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e september ook mijn blog van 25 september 2017 en eveneens mijn blog van 25 september 2016 deel 2.

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen, Rebecca Gablé, Lu Xun

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Jij en ik (Vertaald door Etta Maris)

“Met een arm stevig om de ski’s geslagen, de skischoenentas in mijn hand en de rugzak op mijn rug, zag ik hoe mijn moeder de auto keerde. Met mijn andere hand zwaaide ik naar haar en wachtte tot de BMW was verdwenen over de brug.
Ik liep door de Viale Mazzini. Ik passeerde het gebouw van de RAI. Op ongeveer honderd meter van het kruispunt met de Via Col di Lana ging ik langzamer lopen, terwijl mijn hart sneller ging bonken. Ik had een vieze smaak in mijn mond, alsof ik aan een stuk koperdraad had gelikt. Al die spullen die ik moest dragen hinderden me. Het leek wel een sauna in dat ski-jack.
Bij het kruispunt aangekomen, leunde ik tegen een muur en keek om de hoek. Verderop, voor een moderne kerk, stond een grote Mercedes SUV. Ik zag Alessia Roncato en haar moeder, de Soemeriër en Oscar Tommasi, die de koffers in de kofferbak zette. Een Volvo met een paar ski’s boven op het dak parkeerde naast de Mercedes en Riccardo Dobosz stapte uit en rende naar de anderen toe. Even later stapte de vader van Dobosz uit.
Ik trok me terug tegen de muur. Ik legde de ski’s neer, ritste mijn jack open en gluurde opnieuw om de hoek. Nu waren de moeder van Alessia en de vader van Dobosz bezig de ski’s boven op de Mercedes te bevestigen. De Soemeriër sprong in het rond en deed alsof hij bokste tegen Dobosz. Alessia en Oscar Tommasi praatten tegen hun mobieltjes. Het duurde behoorlijk lang voordat ze eindelijk klaar waren, Alessia’s moeder werd boos op haar dochter omdat die niet meehielp, de Soemeriër sprong op het dak van de auto om de ski’s te controleren. Maar uiteindelijk vertrokken ze.
Tijdens de tramrit voelde ik me een idioot. Met die ski’s en skischoenen, geplet tussen ambtenaren in jasje-dasje en moeders die hun kinderen naar school brachten. Als ik mijn ogen dichtdeed leek het of ik in een kabelbaantje zat, tussen Alessia, Oscar Tommasi, Dobosz en de Soemeriër in. Ik kon de geur van cacaoboter en zonnebrandcrème ruiken. En terwijl we uit de cabine stapten zouden we elkaar duwen en lachen en hard praten en lak hebben aan alle andere mensen. Net als die lui die door mijn moeder en vader pummels genoemd werden. Ik zou grappige dingen zeggen en ze aan het lachen maken terwijl ze hun ski’s vastklikten. Typetjes doen, moppen vertellen. Ik wist nooit grappige moppen. Je moet heel erg zeker van jezelf zijn om moppen te kunnen vertellen.”

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Doorgaan met het lezen van “Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen, Rebecca Gablé, Lu Xun”

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Anna (Vertaald door Etta Maris)

Hij was drie, misschien vier jaar. Hij zat keurig op een kunstleren stoeltje, het hoofd gebogen boven een groen t-shirt met korte mouwen. De omgeslagen pijpen van de spijkerbroek op de gympen. Met een hand hield hij een houten treintje vast dat als een rozenkrans tussen zijn benen hing.
De vrouw die aan de andere kant van de kamer op het bed lag kon net zo goed dertig als veertig zijn. Haar met rode vlekken en donkere korsten bedekte arm zat vast aan een leeg infuus. Het virus had haar gereduceerd tot een hijgend skelet, bedekt met een droge, puistige huid, maar het had niet al haar schoonheid kunnen wegnemen, die nog was terug te vinden in de vorm van haar jukbeenderen en het wipneusje.
Het jongetje richtte zijn hoofd op en keek naar haar, pakte de armleuning vast, stond op uit de stoel en liep met het treintje in zijn hand naar het bed.
Zij merkte het niet. Haar ogen, diep weggezonken in twee donkere poelen, staarden naar het plafond.
De kleine begon te spelen met een knoop van het vieze kussensloop. Zijn blonde haren bedekten zijn voorhoofd en in de zon die door de witte gordijnen scheen leken ze net nylondraden.
Plotseling richtte de vrouw zich op haar ellebogen op en kromde haar rug alsof haar ziel uit haar lichaam werd weggerukt, klemde de lakens in haar vuisten en viel schokkend van het hoesten achterover. Naar adem happend strekte ze haar armen en benen uit. Toen ontspande haar gezicht, sperde ze haar mond open en stierf met open ogen.
Het jongetje pakte voorzichtig haar hand en begon aan haar wijsvinger te trekken. Met een zacht stemmetje fl uisterde hij: ‘Mama? Mama?’ Hij legde het treintje op haar borst en liet het over de plooien van het laken glijden. Even raakte hij de met opgedroogd bloed bedekte pleister aan die de naald van het infuus bedekte. Ten slotte liep hij de kamer uit.
De gang was nauwelijks verlicht. Ergens klonk het biep biep van een medisch apparaat.
Het jongetje liep langs het lijk van een dikke man die naast een brancard lag. Zijn voorhoofd tegen de vloer, een been op een onnatuurlijke manier gebogen. Tussen de azuurblauwe panden van zijn overhemd was zijn lijkbleke rug zichtbaar.”


Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Doorgaan met het lezen van “Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen”

Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Laat het feest beginnen! (Vertaald door Etta Maris)

“Saverio keek eens goed naar zijn discipelen. Hoewel ze over de dertig waren, kleedden ze zich nog steeds als een stelletje armzalige heavy-metalfans. En dat terwijl hij niets anders deed dan ze op het hart te drukken: jullie moeten er normaal uitzien, geen piercings, geen tatoeages, geen studs… Maar ze wilden niet luisteren.
Je moet roeien met de riemen die je hebt, dacht hij gelaten bij zichzelf.
Mantos keek op, zijn beeld werd weerspiegeld in de spiegel van Birra Moretti-bier die achter de bar van de pizzeria hing. Spichtig, een meter tweeënzeventig, metalen bril, donker haar, gekamd met een scheiding aan de linkerkant. Hij droeg een azuurblauw overhemd met korte mouwen en tot zijn kin dichtgeknoopt, een donkerblauwe ribfluwelen broek en collegeschoenen. Een normale kerel. Net als alle grote voorvechters van  het Kwaad: Ted Bundy, Andrej Chikatilo, Jeffrey Dahmer, de kannibaal van Milwaukee. Mannen die je niet eens zouden opvallen als je ze op straat tegenkwam. Maar zij waren wel de lievelingskinderen van de duivel.
Wat zou Charlie Manson in mijn plaats hebben gedaan als hij zulke armzalige volgelingen had gehad?
‘Meester, we willen met je praten… We hebben eens nagedacht over de sekte…’ overviel Edoardo Sambreddero, bijgenaamd Zombie, hem. Zombie was de vierde van de groep, een lange darm
die niet tegen knoflook, chocola en koolzuurhoudende frisdrank kon. Hij leed aan aangeboren oesophagitis. Hij hielp zijn vader met het monteren van elektrische installaties in Manziana. ‘Feite-
lijk bestaan wij als sekte niet.”
Saverio vermoedde waar zijn aanhanger heen wilde, maar deed alsof hij het niet begreep. ‘Wat bedoel je?’
‘Hoe lang geleden hebben wij de bloedeed afgelegd?’
Saverio haalde zijn schouders op. ‘Dat zal een paar jaar geleden zijn geweest.’
‘Op internet staat bijvoorbeeld nooit iets over ons. Maar over de Kinderen van de Apocalyps wordt wel heel veel geschreven,’ fluisterde Silvietta met zo’n zacht stemmetje dat niemand haar hoorde.
Zombie wees met een soepstengel naar zijn baas. ‘Wat hebben we in al die tijd feitelijk gedaan?’
‘Van al die dingen die jij had beloofd, wat hebben we daarvan feitelijk gedaan?’ sloot Murder zich aan. ‘Mensenoffers ho maar en je had gezegd dat we er heel veel zouden brengen. En die initiatieriten met maagden? En die satanische orgieën?’
‘Maar we hebben wel een mensenoffer gebracht, en hóe,’ preciseerde Saverio geïrriteerd. Het is misschien niet helemaal gelukt, maar we hebben het wel gedaan. En ook een orgie.’

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Doorgaan met het lezen van “Niccolò Ammaniti, David Benioff, Michael Reefs, Carlos Ruiz Zafón, Andrzej Stasiuk, William Faulkner, Patricia Lasoen”

Niccolò Ammaniti

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Ammaniti’s eerste boek “Branchie” (vertaald als “Kieuwen”) kwam in 1994 uit. Eigenlijk was Ammaniti bezig af te studeren aan de universiteit van Rome in biologie en moest hij alleen nog zijn scriptie schrijven. Maar de scriptie over vissen werd uiteindelijk een roman over een jongen die voor zijn hobby aquaria bouwt. In 1995 schreef hij “Nel nome del figlio” op initiatief van zijn vader, Massimo Ammaniti. Het is een verhaal over de problemen van adolescenten. In 1996 volgde “Fango”, een verzameling verhalen die hem bekendheid gaf bij het grotere publiek. En een jaar later werd van hem het hoorspel “Anche il sole fa schifo” (Ook de zon staat tegen) uitgezonden op RadioRai. Ammaniti’s eerste bestseller “Io non ho paura” (vertaald als “Ik ben niet bang”) bezorgde hem in 2001 Il Premio Viareggio en door de vele herdrukken. De verfilming van “Ik ben niet bang door Gabriele Salvatores”, met een script geschreven door Ammaniti zelf en Francesca Marciano, leverde hen zelfs diverse nominaties op. Voor zijn volgende roman “Come Dio Comanda” (vertaald als “Zo God het wil”) ontving Ammaniti de meest prestigieuze Italiaanse literaire prijs, de Premio Strega. In Nederland werd Ammaniti’s grootste bestseller “Ik haal je op, ik neem je mee” (“Ti prendo e ti porto via”, 1999). De roman “Che la festa cominci” (vertaald als “Laat het feest beginnen”) verscheen in 2009. In 2011 verscheen “L’ultimo capodanno dell’umanita”(vertaald als “Het laatste oudejaar van de mensheid”. Zie ook alle tags voor Niccolò Ammaniti op dit blog.

Uit: Laat het feest beginnen! (Vertaald door Etta Maris)

“De Beesten van Abaddon zaten aan een tafeltje in Pizzeria Jerry 2 in Oriolo Romano.
Hun leider, Saverio Moneta, bijgenaamd Mantos, was bezorgd.
De toestand was kritiek. Als hij er niet in zou slagen opnieuw de leiding over de sekte in handen te krijgen, zou dit weleens de laatste bijeenkomst van de Beesten kunnen zijn.
De leegloop was kort geleden begonnen. Als eerste was Paolino Scialdone, bijgenaamd de Zeisman, weggegaan. Zonder een woord te zeggen had hij hen in de steek gelaten en was hij overgelopen naar de Kinderen van de Apocalyps, een satanische groep in Pavia. Een paar weken later had Antonello Agnese, bijgenaamd Molten, een tweedehands Harley-Davidson gekocht en zich aangesloten bij de Hells Angels van Subiaco. En ten slotte was Pietro Fauci, bijgenaamd Nosferatu, rechterhand van Mantos en historische grondlegger van de Beesten, getrouwd en eigenaar van een winkel in thermohydraulica in Abetone.
Ze waren nu nog maar met z’n vieren.
Er moest heel ernstig gepraat worden, ze moesten opnieuw tot gehoorzaamheid worden gedwongen en er moesten nieuwe volgelingen worden geronseld.
‘Mantos, wat neem jij?’ vroeg Silvietta, de vestaalse maagd van de groep. Een uitgedroogde krent met bolle ogen die uitpuilden onder de smalle wenkbrauwen die te hoog op haar voorhoofd stonden. Aan een neusvleugel en midden op haar lip droeg ze een zilveren ringetje.
Saverio wierp een terloopse blik op de menukaart. ‘Ik weet niet… Een pizza marinara? Nee, beter maar van niet, knoflook valt me altijd zo zwaar op de maag… Vooruit, ik neem de pappardelle.’
‘Die maken ze hier niet zo goed klaar, maar het is wel lekker!’ luidde de goedkeurende reactie van Roberto Morsillo, bijgenaamd Murder, een dikzak van bijna twee meter met lang, zwart geverfd haar en een vettige bril. Hij droeg een uitgelubberd Slayer-shirt. Hij kwam uit Sutri, studeerde rechten in Rome en werkte in het Brico doe-het-zelfcenter in Vetralla.”

 
Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

Andrzej Stasiuk, Niccolò Ammaniti, William Faulkner, Rebecca Gablé, Lu Xun

De Poolse schrijver en letterkundige Andrzej Stasiuk werd geboren op 25 september 1960 in Warschau. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Tales Of Galicia (Vertaald door Margarita Nafpaktitis)

 

Simon Wasylczuk showed up at Kosciejny’s and said “come on.” Kosciejny took a long, narrow knife out from behind the doorframe. They walked two houses further down. Simon led out a mournful-faced sheep and averted his gaze. Mount Cergowa was holding up the sky as usual, and snow still lay on its peak between the trees. It was over in a second. They lifted the animal up and hung it on a bare apple tree by a tendon in its hind leg.
Kosciejny looked like he usually did, a little like a scarecrow that had just escaped from the garden. That’s exactly how skinny, forty-year-old men in overalls look. Time rubs their features away, and it’s only in old age, when they have become reconciled with it, that they get their own one-of-a-kind faces back. Maybe so death can tell them apart.
But he wasn’t thinking about death. Life was keeping him busy. He cut off the head with short, quick strokes. Two mongrels were hanging around nearby. Then the tip of the knife slipped along the belly, along the legs, and the skin came off like a stocking. Steam was rising in the cold morning air. It was already over — skin, carcass, entrails, everything neatly separated. A simple and precise dissection of existence.
“Should I cut it up?” asked Kosciejny.
“I’ll cut it up myself. I just don’t like doing the killing,” said Simon Wasylczuk. He went into the house and came back with a bottle. They sat down against the wall of the barn, in the sun, and drank to each other and lit their cigarettes, watching Cergowa hold up the sky.

“Well I like it,” said Kosciejny. “The most important thing is that the little beast doesn’t get scared. Makes a bad job of it, and the meat’s no good. Stinks of fear. It’s worst with a pig. You can’t fool a pig, it’s smart. I’m doin’ a pig tomorrow at your sister’s.”
“Yeah,” Simon Wasylczuk replied.
Who was Kosciejny? His restless spirit drove him to do so many things. In winter he wore a nylon cap with a brim, and in summer he went bareheaded, shriveled by the sun and just as waterproof.“

 

stasiukd

Andrzej Stasiuk (Warschau, 25 september 1960)

 

De Italiaanse schrijver Niccolò Ammaniti werd geboren in Rome op 25 september 1966. Ammaniti’s eerste boek ‘branchie!’ is in 1994 uitgekomen. In 1995 heeft hij ’Nel nome del figlio’ gepubliceerd op initiatief van zijn vader, Massimo Ammaniti. Het is een verhaal over de problemen van adolescenten. In 1996 volgde ‘Fango’, een verzameling verhalen die hem bekendheid gaf bij het grotere publiek. En een jaar later werd van hem het hoorspel ‘Anche il sole fa schifo’ (Ook de zon staat tegen) uitgezonden op RadioRai. Ammaniti’s bestseller Io non ho paura (Ik ben niet bang) bezorgde hem in 2001 il Premio Viareggio en door de vele herdrukken, waaronder een editie voor scholieren, stond het boek lange tijd hoog in de lijst met best verkopende boeken. De verfilming door Gabriele Salvatores, met een script geschreven door Niccolò zelf en Francesca Marciano, levert hen zelfs een Oscarnominatie op voor beste buitenlandse film.

 

Uit: Zo God het wil (Vertaald door Etta Maris)

 

Cristiano wist nog wat hij droomde toen zijn vader hem wakker had gemaakt.
Beneden in de woonkamer, naast de televisie, stond een groot, lichtgevend aquarium met daarin een groene, glibberige kwal die een heel vreemde taal sprak met allemaal
c’s, z-en en r-en. En het mooie was dat hij die kwal helemaal kon verstaan.
Hoe laat is het eigenlijk? vroeg hij zich gapend af.
De lichtgevende wijzerplaat van de radiowekker op de grond wees drie uur drieëntwintig aan.
Zijn vader stak een sigaret op en blies de rook uit. ‘Die hond hangt me de keel uit.’ ‘Die hond is gewoon gek. Komt door al die stokslagen die hij krijgt…’
Nu zijn hart niet meer zo bonkte, voelde Cristiano de slaap zwaar op zijn oogleden drukken. Hij had een droge mond die smaakte naar de knoflook van de kip van de snackbar. Misschien zou die vieze smaak verdwijnen als hij wat dronk, maar het was te koud om naar de keuken te gaan.
Hij was graag verdergegaan met zijn droom over de kwal op het punt waar hij gebleven was. Hij wreef in zijn ogen.
Waarom ga je niet naar bed? De vraag kwam in hem op, maar hij slikte hem in. Uit de manier waarop zijn vader door de kamer liep viel op te maken dat hij niet van plan was te gaan slapen.
Drie sterren.
Cristiano had een schaal van nul tot vijf om de irritatie van zijn vader te meten.”

 

Ammaniti

Niccolò Ammaniti (Rome, 25 september 1966)

 

De Amerikaanse schrijver William Faulkner werd geboren op 25 september 1897 in New Albany, Mississippi. Zie ook mijn blog van 25 september 2008. en ook mijn blog van 25 september 2007 en  mijn blog van 25 september 2006.

 

Uit: The Sound And The Fury 

“Through the fence, between the curling flower spaces, I could see them hitting. They were coming toward where the flag was and I went along the fence. Luster was hunting in the grass by the flower tree. They took the flag out, and they were hitting. Then they put the flag back and they went to the table, and he hit and the other hit. Then they went on, and I went along the fence. Luster came away from the flower tree and we went along the fence and they stopped and we stopped and I looked through the fence while Luster was hunting in the grass.

“Here, caddie.” He hit. They went away across the pasture. I held to the fence and watched them going away.

“Listen at you, now.” Luster said. “Aint you something, thirty three years old, going on that way. After I done went all the way to town to buy you that cake. Hush up that moaning. Aint you going to help me find that quarter so I can go to the show tonight.”

They were hitting little, across the pasture. I went back along the fence to where the flag was. It flapped on the bright g
rass and the trees.

“Come on.” Luster said. “We done looked there. They aint no more coming right now. Les go down to the branch and find that quarter before them niggers finds it.”

It was red, flapping on the pasture. Then there was a bird slanting and tilting on it. Luster threw. The flag flapped on the bright grass and the trees. I held to the fence.

“Shut up that moaning.” Luster said. “I cant make them come if they aint coming, can I. If you dont hush up, mammy aint going to have no birthday for you. If you dont hush, you know what I going to do. I going to eat that cake all up. Eat them candles, too. Eat all them thirty three candles. Come on, les go down to the branch. I got to find my quarter. Maybe we can find one of they balls. Here. Here they is. Way over yonder. See.” He came to the fence and pointed his arm. “See them. They aint coming back here no more. Come on.”

We went along the fence and came to the garden fence, where our shadows were. My shadow was higher than Luster’s on the fence. We came to the broken place and went through it.

“Wait a minute.” Luster said. “You snagged on that nail again. Cant you never crawl through here without snagging on that nail.”

william-faulkner

William Faulkner (25 september 1897 – 6 juli 1962)

 

De Duitse schrijfster Rebecca Gablé (pseudoniem van Ingrid Krane-Müschen) werd geboren op 25 september 1964 in Wickrath / Mönchengladbach. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Die Hüter der Rose

 

Windsor, Mai 1429

John hatte die Hände auf die Oberschenkel gestützt und wollte einen Moment verschnaufen, als der harte Lederball ihn mit einem satten Klatschen in den Rücken traf.
„Na warte, mein König. Das wird dir noch Leid tun!“ Er hob den Ball auf und lief los.
Lachend rannte der siebenjährige Henry vor ihm davon und brüllte über die Schulter: „Ich war’s nicht! Ich war’s nicht! Tudor hat geworfen!“
John blieb stehen, bedachte den Waliser mit einem erbosten Blick, täuschte und warf dann doch nach Henry. Aber der Junge reagierte schnell. Ehe der Ball vor seine magere Brust prallen konnte, fing er ihn auf, lief zum Flussufer hinab und warf ihn über die Schulter Tudor zu, der ihn ins Gras fallen ließ und zu John kickte. Doch der Schuss ging fehl, der Ball rollte zwischen John und dem kleinen König aufs Wasser zu, und alle drei setzten ihm nach. Sie erreichten ihn gleichzeitig und rangelten um ihr kostbares Spielzeug, benutzten Füße und Ellbogen, um die Mitstreiter abzudrängen. Henry steckte so wacker ein, wie er austeilte. Schließlich stellte er Tudor ein Bein, der der Länge nach hinschlug, den König mit sich riss und es irgendwie auch schaffte, John bei diesem Manöver zu Fall zu bringen.
Lachend und keuchend lagen sie schließlich alle drei im Gras.
„Oh nein!“, rief Henry aus. „Nun ist er doch ins Wasser gerollt!“
Betrübt
sahen sie dem Ball hinterher, der rasch in die Flussmitte getrieben wurde und mit der eiligen Strömung Richtung London schwamm.
Tudor seufzte. „Ein Jammer, Sire. Das war mit Abstand der beste, den wir dieses Frühjahr hatten.“
„Und er hat erstaunlich lange gehalten“, stimmte John zu.
Henry setzte sich auf. „Nun, wenn ich meinen Treasurer artig bitte, bekommen wir bestimmt einen neuen.“

 

Gable-Schloss

Rebecca Gablé (Wickrath, 25 september 1964)

 

De Chinese schrijver Lu Xun werd in 1881 in Shaoxing in de provincie Zhejiang geboren als Zhou Shuren. Zie ook mijn blog van 25 september 2008.

 

Uit: Tomorrow (Vertaald door Yang Hsien-yi en Gladys Yang)

 

 “Not a sound—what’s wrong with the kid?”

A bowl of yellow wine in his hands, Red-nosed Kung jerked his head towards the next house as he spoke. Blue-skinned Ah-wu set down his own bowl and punched the other hard in the back.

“Bah …” he growled thickly. “Going sentimental again!”

Being so out-of-the-way, Luchen was rather old-fashioned. Folk closed their doors and went to bed before the first watch sounded. By midnight there were only two households awake. Prosperity Tavern where a few gluttons guzzled merrily round the bar, and the house next door where Fourth Shan’s Wife lived. Left a widow two years earlier, she had nothing but the cotton-yarn she spun to support herself and her threeyear-old boy; this is why she also slept late.

It was a fact that for several days now there had been no sound of spinning. But since only two households were awake at midnight, Old Kung and the others were naturally the only ones who would notice if there were any sound from Fourth Shan’s Wife’s house, and the only ones to notice if there were no sound.

After being punched, Old Kung—looking quite at his ease—took a great swig at his wine and piped up a folk tune.

Meanwhile Fourth Shan’s Wife was sitting on the edge of her bed, Pao-erh—her treasure—in her arms, while her loom stood silent on the floor. The murky lamplight fell on Paoerh’s face, which showed livid beneath a feverish flush.

“I’ve drawn lots before the shrine,” she was thinking. “I’ve made a vow to the gods, he’s taken the guaranteed cure. If he still doesn’t get better, what can I do? I shall have to take him to Dr. Ho Hsiao-hsien. But maybe Pao-erh’s only bad at night; when the sun comes out tomorrow his fever may go and he may breathe more easily again. A lot of illnesses are like that.”

Fourth Shan’s Wife was a simple woman, who did not know what a fearful word “but” is. Thanks to this “but,” many bad things turn out well, many good things turn out badly. A summer night is short. Soon after Old Kung and the others stopped singing the sky grew bright in the east; and presently through the cracks in the window filtered the silvery light of dawn.“

 

lu_xun

Lu Xun (25 september 1881 – 19 oktober 1936)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 25e september ook mijn vorige blog van vandaag.