Moederliefde (Willem M. Roggeman)

Bij Moederdag

 

 
Moeder en kind door Mary Cassatt, 1903

 

Moederliefde

Het geheugen werkt vaak fotografisch.
Een beeld van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste
om even een korte rustpauze te houden.
De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.

Haar gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over haar ogen
een dun laagje vocht ligt en trilt,
nog geen echte tranen, maar toch,
iets als een pril begin van verdriet.

Haar handen liggen in haar schoot,
lichtbruin, als gevallen bladeren,
wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog een kind, leg het hoofd
met de rode schram over de wang
op de harde rondingen van haar knieën.
Jaren later laat zij mij los en leer ik
de eenzaamheid van de volwassenen.

 

 
Willem M. Roggeman (Brussel, 9 juli 1935)
De Grand Place in Brussel, de geboortestad van Willem M. Roggeman

 

Zie voor de schrijvers van de 12e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Moeder (M. Vasalis)

 

Bij Moederdag


Intimacy door Annabel Mednick, 1997

 

Moeder

Zijzelf was als de zee, maar zonder stormen.
Even blootshoofds en met een brede voet.
Rijzend en dalend op haar vloed,
als kleine vogels op haar schoot gezeten,
konden wij lange tijd haarzelf vergeten,
rustend en rondziend en behoed.
Haar stem was donker en wat hees
als schoven schelpjes langs elkander,
haar hand was warm en stroef als zand.
En altijd droeg zij om haar bruine hals
dezelfde ketting met een ronde maansteen,
waar in een neevlig blauw een kleine gele maan scheen.
Voorgoed doordrongen door haar kalm geruis
waren wij steeds op reis en altijd thuis.

 

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Portret door Joke Bijnsdorp, 2011

 

Zie voor de schrijvers van de 13e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Moeder (Gerrit Achterberg)

Bij Moederdag

 


Elisabeth und kleiner Walter door August Macke, 1912

 

Moeder

Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:
zij moet de kamer doen; stof beeft;
dan dweilen, voor het eten zorgen,
zien wat van gisteren overbleef.

Ik ben in haar liefde geborgen,
die elk verraad der wereld overleefd:
wie ik ook werd, wij eten overmorgen
de koek die zij gebakken heeft.

Wanneer de zondagmorgen is ontloken
staat heel haar wezen in de blijde bloei,
waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,

omdat ik dan niet meer gevoel
hoe door de dood is aangestoken,
wat bij een andere vrouw begon.

 

 
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)
Achterbergs moeder Pietje Achterberg – van de Meent

 

Zie voor de schrijvers van de 14e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Reserve (Jean Pierre Rawie)

Bij moederdag

 

 
 Young Mother Gazing at Her Child door William Bouguereau, 1871.

 

Reserve

Nu ik mijn oude moeder weer aanschouw
wordt het mij week en wonderlijk te moede;
hoe woest de wind door zoveel jaren woedde,
ik blijf het kind ontwaren in de vrouw.

Zij keerde waar zij kon het kwaad ten goede,
een halve eeuw was zij mijn vader trouw,
en als het even in haar macht lag zou
zij hem ook voor het heengaan nog behoeden.

Al klaagt ze soms (vindt zich opeens te dik
en poogt verwoed haar snoeplust in te tomen):
zij put uit raadselachtige reserve.

Misschien dat zelfs mijn moeder ooit zal sterven,
maar in haar blauwe ogen blijft die blik
alsof het allermooiste nog moet komen.

 

 
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)
Portret door Harriët Geertjes, 2003

 

Zie voor de schrijvers van de 8e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

An meine Mutter (Annette von Droste-Hülshoff)

Bij Moederdag

 

 
Moeder met kinderen bij een raam tijdens de schemer door Viggo Pedersen (1854 – 1926)

 

An meine Mutter

So gern hätt’ ich ein schönes Lied gemacht
Von Deiner Liebe, deiner treuen Weise;
Die Gabe, die für andre immer wacht,
Hätt’ ich so gern geweckt zu deinem Preise.

Doch wie ich auch gesonnen mehr und mehr,
Und wie ich auch die Reime mochte stellen,
Des Herzens Fluten wallten darüber her,
Zerstörten mir des Liedes zarte Wellen.

So nimm die einfach schlichte Gabe hin,
Von einfach ungeschmücktem Wort getragen,
Und meine ganze Seele nimm darin:
Wo man am meisten fühlt, weiß man nicht viel zu sagen.

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Therese von Droste-Hülshoff, geb. von Haxthausen, moeder van de dichteres, rond 1830

 

Zie voor de schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Moeder (Karel Jonckheere)

Bij Moederdag

 

 
Moeder en kinderen aan het strand door Jozef Israëls, eind 19e eeuw

 

Moeder

Zo lang zij rustig leeft
kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg noch geld,
ze doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar, misschien,
gaan wij nog bij haar eten
en lachen als zij zegt:
Het is de laatste keer.

Maar één kort spoedbericht
maakt ons tot zonen,
wat ons gewichtig werd
valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw
en werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg
haar kleine huis betreên.

Ze heeft op ons gewacht.
Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was,
het arm gezicht waarin veel eenzaamheid
berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst
in reeds vervreemdend licht.

Dat wij voorgoed alleen zijn thans,
dat alle bronnen vervloeien in de tijd,
bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed
zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid,
dit wordt ons taaist verdriet


Karel Jonckheere (9 april 1906 – 13 december 1993)
Oostende (Karel Jonckheere werd geboren in Oostende

 

Zie voor de schrijvers van de 11e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

P. C. Boutens, Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Eva Demski

Bij Moederdag

 

 Freer

Mother and Child Reading door Frederick Warren Freer, 1896

Montgomery Museum of Fine Arts

 

 

Kind der aarde

Nu kom ik elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Geen afstand in de avond scheidt mij van uw liefdelichte huis.

Voorgoed uit al Gods sterren ken ik de eigen moeder mijn:
Daar is niets in de wijde heemlen als uw ogenschijn.

Hoe vindt de schaamte mijner ogen, Moeder, u onveranderd schoon;
Hoe bleef gij trouw en goed, Moeder, voor de ontrouwe zoon!

Ik slaap zoals een ongeboren kind zou slapen in uw schoot,
En drink uw koele donkre kracht in nachtelijke dood,

En elke nieuwe morgen in het nieuwe licht
Rijs ik op sterker vleuglen, Moeder, weg uit uw gezicht:

Als ziel en vogel die zijn moeheid dichtst aan uw hart verslaat,
Die stijgt en zingt het naast bij God met iedren dageraad…

Zo laat mij elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Mij kan geen afstand scheiden, Moeder, van uw liefdelichte huis!

 

 

P. C. Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)

Doorgaan met het lezen van “P. C. Boutens, Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Eva Demski”