Moeder en zoon (Rutger Kopland), J. C. Bloem, Jayne Cortez

Bij Moederdag

 

Moeder en kind door Pierre-Auguste Renoir, 1881

 

MOEDER EN ZOON

Er is ergens een vijver, schrijft Ovidius,
die ooit een moeder is geweest
‘zij smolt weg in tranen’, rouwend
om haar dood gewaande zoon

maar hij leefde nog – hij had de dood gezocht
door van een rots te springen, maar hij viel niet,
in de woorden van Ovidius: ‘zwevend werd hij
in de lucht een zwaan met witte veren’.

Die dingen gebeurden toen – soms was
de werkelijkheid zo ondraaglijk
dat er gebeurde wat niet kon.

Dit is alles wat wij weten: moeder en zoon
herenigd – je ziet in gedachten hoe een witte zwaan
wordt gewiegd door een vijver en je vraagt:
zou die vogel de rouw kennen van het water
en zou het water weten wie het wiegt.

 

Rutger Kopland (4 augustus 1934 – 11 juli 2012)

 

De Nederlandse dichter J. C. Bloem werd geboren op 10 mei 1887 in Oudshoorn. Zie ook alle tags voor J. C. Bloem op dit blog.

De Zieke

Het licht is blank aan mijne kamerwanden:
Op blanke lakens liggen als een schrik
Mijn smalle polsen en mijn klamme handen,
Die ik niet meer in kramp van angst verschik.

Alleen mijn oogen leven en hun gangen
Zijn immer, in een droefheid van gemis,
Ter kleine wereld, die mij wordt omvangen
Door de vier binten van mijn vensternis.

Daar buiten tergen mij de wisselingen
Van de getijden van den zomerdag.
Uit ongeziene boomen hoor ik ’t zingen
Der vogels als een lokkend-wreeden lach.

Gij hebt het schoon der luchten nooit begrepen,
Hoe innig gij ook staardet naar hun spel,
Sterken, wien paarden staan gereed en schepen:

 

De Eilandbewoner

Die de landouwen aan de kust bewonen
Zien, hoe de wisseling van elk getij,
Waar ze in de volheid dezer wereld troonen,
Schoon en verscheiden trekt aan ’t oog voorbij.

Voor de verzaliging van hun gepeinzen
Wordt heel het herfstland een verlucht tooneel:
Hier zien zij zonverwonnen misten deinzen,
Ginds branden veege bosschen, rood en geel.

Met volle teugen mogen zij indrinken
Den zerpen geur van blaren, die vergaan,
En nevels, die nu dichten, dan weer slinken,
Terwijl zij schrijden door een vochte laan.

Ons, die dit eiland tot gebied verkozen,
Gewerd van die beminde teekens geen.
Wij zien alleen de zon wat rooder blozen,
Haar licht verkoopren door den zeemist heen.

En als wij naar de kromme boomen staren,
Wier groei in de’ eeuwig-zilten wind verschraalt,
Dan weten we aan de weinigheid der blaren,
Dat ook voor ons de zomer is gedaald.

Maar, hand in hand, aanschouwen wij gelaten
Het onweerhoudbaar leven, dat verstroomt,
Hoe anders, lief, die ’t zwerven mij deed haten,
Heb ik mij vroeger ’t stervensuur gedroomd.

Ik dacht, wanneer dit kort bestaan van wenschen,
Gelijk een schaduw van mij henen vlood,
Toch uit de warme makkerschap der menschen
Te zinken naar de diepten van den dood.

Zoolang mij ’t leven nog niet had verlaten
Zou ’t ruischen van zijn stormen om mij zijn:
Een bundel laatste zon zou ’t stof der stráten
Doen weemlen door een kier van ’t neer gordijn.

Hoe anders dan ons droomen, onze lusten,
Bestiert het lot den dool van wel en wee.
Mijn graf zal zijn aan deze barre kusten,
Bij de ongeruste en grijze brandingzee.

En als ge u voor mijn doodsbed stort in klagen,
Zij zóó de klacht, waarmee gij mij beschreit:
Schuim dat uit de’ afgrond worstelt naar het dagen,
Door wind geteisterd en oneindigheid.

 

J. C. Bloem (10 mei 1887 – 10 augustus 1966) Portret door Sierk Schröder, 1953

 

De Amerikaanse dichteres en performster Jayne Cortez werd geboren op 10 mei 1936 in Fort Huachuca, Arizona. Zie ook alle tags voor Jayne Cortez op dit blog.

De onderdrukkers

Kunst
wat geven de kunst
onderdrukkers
om kunst
ze springen op de wagen
wentelen in persclips
& laten de planeet stinken
met hun
pornografische onderdrukking
Kunst
wat geven ze om kunst?
ze veranderen van
eigentijdse babykussers
tot ouderwetse corrupte politici
tot zelfbenoemde censuurklerken
die geen kunst willen ondersteunen
maar oorlog zullen ondersteunen
armoede
longkanker
racisme
kolonialisme
en giftig slib
dat is hun moraal
dat is hun religieuze overtuiging
dat is hun bescherming van het publiek
& bijdrage aan familie-entertainment
wat geven ze om kunst?

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jayne Cortez
(Fort Huachuca, 10 mei 1936)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e mei ook mijn blog van 10 mei 2019 en ook mijn blog van 10 mei 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

Moederliefde (Willem M. Roggeman)

Bij Moederdag

 

 
Moeder en kind door Mary Cassatt, 1903

 

Moederliefde

Het geheugen werkt vaak fotografisch.
Een beeld van vroeger is er plots weer.
Niets beweegt erin, alsof de tijd besliste
om even een korte rustpauze te houden.
De moeder zit nog steeds op dezelfde stoel.

Haar gezicht kun je dichterbij halen.
Dan zie je hoe over haar ogen
een dun laagje vocht ligt en trilt,
nog geen echte tranen, maar toch,
iets als een pril begin van verdriet.

Haar handen liggen in haar schoot,
lichtbruin, als gevallen bladeren,
wegzakkend in een wolk van weemoed.
En ik, nog een kind, leg het hoofd
met de rode schram over de wang
op de harde rondingen van haar knieën.
Jaren later laat zij mij los en leer ik
de eenzaamheid van de volwassenen.

 

 
Willem M. Roggeman (Brussel, 9 juli 1935)
De Grand Place in Brussel, de geboortestad van Willem M. Roggeman

 

Zie voor de schrijvers van de 12e mei ook mijn vorige blog van vandaag.

Moeder (M. Vasalis)

 

Bij Moederdag


Intimacy door Annabel Mednick, 1997

 

Moeder

Zijzelf was als de zee, maar zonder stormen.
Even blootshoofds en met een brede voet.
Rijzend en dalend op haar vloed,
als kleine vogels op haar schoot gezeten,
konden wij lange tijd haarzelf vergeten,
rustend en rondziend en behoed.
Haar stem was donker en wat hees
als schoven schelpjes langs elkander,
haar hand was warm en stroef als zand.
En altijd droeg zij om haar bruine hals
dezelfde ketting met een ronde maansteen,
waar in een neevlig blauw een kleine gele maan scheen.
Voorgoed doordrongen door haar kalm geruis
waren wij steeds op reis en altijd thuis.

 

 
M. Vasalis (13 februari 1909 – 6 oktober 1998)
Portret door Joke Bijnsdorp, 2011

 

Zie voor de schrijvers van de 13e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Moeder (Gerrit Achterberg)

Bij Moederdag

 


Elisabeth und kleiner Walter door August Macke, 1912

 

Moeder

Mijn moeder is een grijze vrijdagmorgen:
zij moet de kamer doen; stof beeft;
dan dweilen, voor het eten zorgen,
zien wat van gisteren overbleef.

Ik ben in haar liefde geborgen,
die elk verraad der wereld overleefd:
wie ik ook werd, wij eten overmorgen
de koek die zij gebakken heeft.

Wanneer de zondagmorgen is ontloken
staat heel haar wezen in de blijde bloei,
waarin mijn wezen moet zijn aangebroken,

omdat ik dan niet meer gevoel
hoe door de dood is aangestoken,
wat bij een andere vrouw begon.

 

 
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)
Achterbergs moeder Pietje Achterberg – van de Meent

 

Zie voor de schrijvers van de 14e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Reserve (Jean Pierre Rawie)

Bij moederdag

 

 
 Young Mother Gazing at Her Child door William Bouguereau, 1871.

 

Reserve

Nu ik mijn oude moeder weer aanschouw
wordt het mij week en wonderlijk te moede;
hoe woest de wind door zoveel jaren woedde,
ik blijf het kind ontwaren in de vrouw.

Zij keerde waar zij kon het kwaad ten goede,
een halve eeuw was zij mijn vader trouw,
en als het even in haar macht lag zou
zij hem ook voor het heengaan nog behoeden.

Al klaagt ze soms (vindt zich opeens te dik
en poogt verwoed haar snoeplust in te tomen):
zij put uit raadselachtige reserve.

Misschien dat zelfs mijn moeder ooit zal sterven,
maar in haar blauwe ogen blijft die blik
alsof het allermooiste nog moet komen.

 

 
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)
Portret door Harriët Geertjes, 2003

 

Zie voor de schrijvers van de 8e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

An meine Mutter (Annette von Droste-Hülshoff)

Bij Moederdag

 

 
Moeder met kinderen bij een raam tijdens de schemer door Viggo Pedersen (1854 – 1926)

 

An meine Mutter

So gern hätt’ ich ein schönes Lied gemacht
Von Deiner Liebe, deiner treuen Weise;
Die Gabe, die für andre immer wacht,
Hätt’ ich so gern geweckt zu deinem Preise.

Doch wie ich auch gesonnen mehr und mehr,
Und wie ich auch die Reime mochte stellen,
Des Herzens Fluten wallten darüber her,
Zerstörten mir des Liedes zarte Wellen.

So nimm die einfach schlichte Gabe hin,
Von einfach ungeschmücktem Wort getragen,
Und meine ganze Seele nimm darin:
Wo man am meisten fühlt, weiß man nicht viel zu sagen.

 

 
Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848)
Therese von Droste-Hülshoff, geb. von Haxthausen, moeder van de dichteres, rond 1830

 

Zie voor de schrijvers van de 10e mei ook mijn vorige drie blogs van vandaag.

Moeder (Karel Jonckheere)

Bij Moederdag

 

 
Moeder en kinderen aan het strand door Jozef Israëls, eind 19e eeuw

 

Moeder

Zo lang zij rustig leeft
kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg noch geld,
ze doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar, misschien,
gaan wij nog bij haar eten
en lachen als zij zegt:
Het is de laatste keer.

Maar één kort spoedbericht
maakt ons tot zonen,
wat ons gewichtig werd
valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw
en werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg
haar kleine huis betreên.

Ze heeft op ons gewacht.
Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was,
het arm gezicht waarin veel eenzaamheid
berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst
in reeds vervreemdend licht.

Dat wij voorgoed alleen zijn thans,
dat alle bronnen vervloeien in de tijd,
bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed
zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid,
dit wordt ons taaist verdriet


Karel Jonckheere (9 april 1906 – 13 december 1993)
Oostende (Karel Jonckheere werd geboren in Oostende

 

Zie voor de schrijvers van de 11e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

P. C. Boutens, Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Eva Demski

Bij Moederdag

 

 Freer

Mother and Child Reading door Frederick Warren Freer, 1896

Montgomery Museum of Fine Arts

 

 

Kind der aarde

Nu kom ik elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Geen afstand in de avond scheidt mij van uw liefdelichte huis.

Voorgoed uit al Gods sterren ken ik de eigen moeder mijn:
Daar is niets in de wijde heemlen als uw ogenschijn.

Hoe vindt de schaamte mijner ogen, Moeder, u onveranderd schoon;
Hoe bleef gij trouw en goed, Moeder, voor de ontrouwe zoon!

Ik slaap zoals een ongeboren kind zou slapen in uw schoot,
En drink uw koele donkre kracht in nachtelijke dood,

En elke nieuwe morgen in het nieuwe licht
Rijs ik op sterker vleuglen, Moeder, weg uit uw gezicht:

Als ziel en vogel die zijn moeheid dichtst aan uw hart verslaat,
Die stijgt en zingt het naast bij God met iedren dageraad…

Zo laat mij elke nacht, Moeder, slapen bij u thuis:
Mij kan geen afstand scheiden, Moeder, van uw liefdelichte huis!

 

 

P. C. Boutens (20 februari 1870 – 14 maart 1943)

Doorgaan met het lezen van “P. C. Boutens, Hagar Peeters, Bertus Aafjes, August Vermeylen, Andrej Voznesensky, Eva Demski”

Martinus Nijhoff, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin

Bij Moederdag

 

cassat

Mary Cassat, Young Thomas And His Mother, 1893

 

Herinnering

Moeder, weet je nog hoe vroeger
Toen ik klein was, wij tesaam
Iedere nacht een liedje, moeder,
Zongen voor het raam?

Moe gespeeld en moe gesprongen
Zat ik op uw schoot en dacht
In mijn nachtgoed, kleine jongen,
Aan ’t geheim der nacht.

Want als wij dan gingen zingen
’t Oude altijd-eendre lied
Hoe God alle, alle dingen
Die wij doen, beziet.

Hoe zijn eeuwige, grote wondren
Steeds beschermend om ons zijn
– Nimmer zong je moeder, zonder ‘n
Beven dat refrein –

Dan zag ik de sterren flonkren
En de maan door de wolken gaan,
D’ Oude nacht met wijze, donkre
Ogen voor me staan.

 

Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)

Doorgaan met het lezen van “Martinus Nijhoff, Jan Lauwereyns, Reinout Verbeke, Bruce Chatwin, Daphne du Maurier, Kathleen Jamie, Armistead Maupin”

Ida Gerhardt, Camilo José Cela, Rose Ausländer, Henning Boëtius, Leopoldo de Luis, Carl Hauptmann, Ethel Voynich, Moederdag, Pinksteren

Voor moederdag

 

Die mich einst …

Die mich einst mit Schmerz gebar
doch mit Mutterfreuden –
da ich noch ein Knäblein war,
vieles mußte leiden,

stets mich doch mit Sorg’ gepflegt
und mit Angst und Mühe
und mich oft noch huldreich trägt:
Siehe, wie ich blühe.

Und ein Liedchen singe ich
die voll Dank und Freude.
Nimm es an und freue dich,
höre, was ich heute

wünsche dir voll Dankbarkeit:
Lebe uns zufrieden
lange noch; was dich erfreut
müsse dich hinieden

stets beglücken; ohne Rast
blühen deine wangen
von Gesundheit, Sorgenlast
möge dich nicht fangen.

Und mit froher Munterkeit
werd des Alters Beute,
schau der Kinder Seligkeit,
sieh, dies wünsch ich heute.

 

Novalis (2 mei 1772 – 25 maart 1801)

 

Zie ook mijn blog van 14 mei 2006.

 

moederdag

 

Bij Pinksteren

 

Pinksteren

Ik schik de fiere bloemen in de mooiste
vaas die ik bij jou kan vinden, de kleine
met het buikig craquelé. Ik sneed ze zelf,

bracht ze haast juichend mee voor wat
ik dacht een feest van zang en dans,
een meiboom die we toch nog plantten.
Zij zullen wel hun eeuwigheid meegaan.

Na het bokkig genot op het afgehaald bed
zing ik tartend en ik wou hem zo graag er eens
wezen. Zo staan wij dan tegenover elkaar.

Recht is recht, houd ik vol, krom is krom.
Wat scheelt het weinig of je krijgt nu de geest.

 

Joop Leibbrand (Den Helder, 14 maart 1943)

 

Pinksterblom

 

 

De Nederlandse dichteres Ida Gardina Margaretha Gerhardt werd geboren in Gorinchem op 11 mei 1905. Zie ook mijn blog van 11 mei 2007, mijn blog van 11 mei 2006 en mijn blog van 4 mei 2006.

Zondagmorgen

Het licht begint te wandelen door het huis
en raakt de dingen aan. Wij eten
ons vroege brood gedoopt in zon.
Je hebt het witte kleed gespreid
en grassen in een glas gezet.
Dit is de dag waarop de arbeid rust.
De handpalm is geopend naar het licht.

 

Kinderherinnering

Vóór wij vertrokken naar de zwarte brandersstad,
ging gij nog eenmaal met mij naar de uiterwaarden.
Er was een wollig schaap, dat witte lammeren had;
een veulentje stond bij de grote blonde paarden.

Opeens voelde ik, dat gij mij naar het water trok.
Gij zijt gekeerd, omdat ik wild en angstig schreide.
Wit liep gij op de dijk; ik hangend aan uw rok.
Moeder en kind: vijanden en bondgenoten beide.

 

Code d’Honneur

Bezie de kinderen niet te klein:
Zij moeten veel verdragen –
eenzaamheid, angsten, groeiens pijn
en, onverhoeds, de slagen.

Bezie de kinderen niet te klein:
Hun eerlijkheid blijft vragen,
of gij niet haast uzelf durft zijn.
Dàn kunt ge ’t met hen wagen.

Laat uw comedie op de gang
– zij weten ’t immers tòch al lang! –
Ken in uzelf het kwade.

Heb eerbied voor wat leeft en groeit,
zorg dat ge het niet smet of knoeit. –
Dan schenk’ u God genade.

gerhardt

Ida Gerhardt (11 mei 1905 – 15 augustus 1997)

 

De Spaanse schrijver Camilo José Cela werd geboren op 11 mei 1916 in Iria Flavia. Zie ook mijn blog van 11 mei 2007.

 

Uit: Mazurka for Two Dead People (Mazurca para dos muertos, vertaald door Patricia Haugaard)

 

“It’s raining softly and there is no end to it, it rains with no zeal, but with infinite patience, as if all of life ran through the drizzle; it rains on the earth which shares the same tones with the sky; a color between soft green and ashen gray. The mountain line, on the horizon, had been erased a long time ago.

“Many hours ago?”

“No, many years ago. The mountain line was erased when Lizaro Codesal died. We know our Lord didn’t want people to see it again.”

Lazaro Codesal died in Morocco, in the outpost of Tizzi-Azza; he was probably killed by an Arab from Tafersit’s tribe. Lizaro Codesal had a way with knocking up young women; he also had the inclination. He was red-haired, and he had blue eyes. What good did it do Lazaro Codesal, who died very young, not quite twenty-two, to be the best pole fighter in a five-mile radius or more? Lizaro Codesal was killed from behind by an Arab, he killed him while he was jacking off under a fig tree. Everyone knows that the shade of the fig tree is very propitious for quiet sins. If Lizaro Codesal had been approached from the front he wouldn’t have been killed by anyone, neither by an Arab, nor by an Asturian; or by a Portuguese, or a Leonese, or by anyone else for that matter. The mountain line was erased when Lizaro Codesal was killed, and it was seen no more.

It rains tediously, as well as persistently, since Saint Raymond Nonnatus’s feast day, perhaps even before then. Today is Saint Macarius’s day, the saint who brings luck at cards and with raffle tickets. It has been drizzling slowly and without stopping for over nine months on the grasses of the fields, and on my window panes. It drizzles, but it’s not cold; not very cold, I mean. If I knew how to play the violin, I would spend my afternoons fiddling. And if I knew how to play the harmonica, I would spend my afternoons playing it, but I don’t know how. What I do know how to play is the bagpipe, and it is not suitable to play the pipes inside the house. Since I don’t know how to play the violin, or the harmonica, and since one should not blow the bagpipe indoors, I spend my afternoons in bed doing filthy things with Benicia (later I will tell you who Benicia is; this woman with nipples like chestnuts). In the capital you can go to the movies to see Lily Pons, the young and distinguished soprano, in the lead female role on the film I Dream Too Much. That’s what the paper says, although there is no movie house here.

In the cemetery flows a spring of clear water that rinses the bones of the dead, and also washes their peculiarly cold liver. They call it the Miangueiro spring; the lepers wash their flesh in it to find some relief. The blackbird sings on the same cypress where the solitary nightingale delivers its mournful song. There are almost no lepers left nowadays; it’s not like before, when there were a lot of them, and they whistled like hoot-owls to warn each other against the missionary friars who chased after them to grant them absolution.”

 

Camilo_Jose_Cela

Camilo José Cela (11 mei 1916 – 17 januari 2002)

 

 

De Oostenrijks-Roemeens-joods-Amerikaanse dichteres Rose Ausländer werd geboren in Czernowitz op 11 mei 1901. Zie ook mijn blog van 11 mei 2007.

 

Phasen

Als sie ihn erwartete
war Rosenaufgang
sie hielt den Sommer
in der Hand

Als er nicht kam
zählte sie bis hundert
bis tausend
bis unendlich

Als er kam
war sie eine Statue
mit tauben Augen
abgehaunem Mund

 

 

Dichten

 

Sieben Höllen
durchwandern

 

Der Himmel sieht
es gern

 

geh sagt er
du hast nichts
zu verlieren

 

 

 

Bukowina II

Landschaft die mich
erfand
wasserarmig
waldhaarig
die Heidelbeerhügel
honigschwarz
Viersprachig verbrüderte
Lieder
in entzweiter Zeit
Aufgelöst
strömen die Jahre
ans verflossene Ufer

 

Auslaender

Rose Ausländer (11 mei 1901 – 3 januari 1988)

 

De Duitse schrijver Henning Boëtius werd geboren op 11 mei 1939 in Langen, Hessen. Zie ook mijn blog van 11 mei 2007.

 

Uit: Geschichte der Elektrizität

 

Sonnenwagen lenken zu dürfen, der Tag für Tag seine Bahn über den Himmel zieht. Helios stimmte zu. Phaetons Schwestern, die Heliaden, schirrten die Sonnenrosse an. Kaum aber hatte der Bruder die Zügel ergriffen, stellte er sich so ungeschickt an, dass die Pferde ausbrachen und mit dem außer Kontrolle geratenen Sonnenwagen alles Mögliche auf der Erde in Brand steckten. Gäa, die Erde, bat Zeus um Hilfe. Der schleuderte den ungeschickten Tölpel Phaeton mittels eines Blitzstrahls in den Eridanus, wo er ertrank. Die Heliaden aber wurden in Schwarzpappeln verwandelt. Sie weinten Kummertränen aus Harz, die in den Fluss tropften und sich dort in Bernstein verwandelten. Der Eridanus ist ein mythischer Strom, der nach alter Sage im fernen Norden in den Okeanos mündet. Später glaubten die Römer, dass es die Rhone oder der Po sei. Vielleicht gibt es für diese Annahme sogar einen historischen Kern, denn beide Flüsse spielten für den Transport von Gütern aus dem Norden – und dazu gehörten auch große Mengen von Bernstein – eine besonders wichtige Rolle.

Man sieht an diesem Beispiel: »Erklären« hieß damals nicht das, was wir heute darunter verstehen, nämlich naturwissenschaftlich begründen. Erklären hieß so viel wie »gut erzählen«. Geschichten dienten nicht nur der Unterhaltung, sondern auch dem Verstehen und vor allem Ertragen einer Welt voller Schrecken, Bedrohungen und Rätsel. Für damalige Zuhörer existierte der Unterschied zwischen Sage, Mythos, Anekdote und wissenschaftlicher Erklärung nicht. Erst in der Neuzeit tun sich diese Schubladen auf. Die phönizische Sage verrät übrigens einiges an realer Erfahrung der frühen Menschen mit Bernstein: seinen biologischen Ursprung aus Baumharz zum Beispiel (Tränen der Schwarzpappeln) und außerdem die Verwandtschaft von Elektrizität mit Blitz und Feuer.“

Boethius

Henning Boëtius (Langen, 11 mei 1939)

 

Zie voor onderstaande schrijvers zie ook mijn blog van 11 mei 2007.

 

De Spaanse dichter Leopoldo de Luis werd geboren op 11 mei 1918 in Córdoba.

 

De Duitse schrijver Carl Ferdinand Max Hauptmann werd geboren op 11 mei 1858 in Obersalzbrunn.

 

De Engelse schrijfster, vertaalster en componiste Ethel Lilian Voynich werd geboren op 11 mei 1864 in County Cork, Ierland.