Marije Langelaar, Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov

De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

Vrij

Hier is het donker, lawine, golf, grot.
Sinds een week of twee heb ik mij met de grootst mogelijke
concentratie naar de stad toe bewogen en nu lig ik hier voor een
uit steen gehouwen kade waarop illuminiserend licht valt.
Naast mij een dier,zo weinig opmerkzaam,zijn hartslag rilt
obsceen tegen mij aan.In die korte momenten waarin ik helder
ben vraag ik mij af: ben ik een wezenlijk deel van de rivier?
Wanneer ik ontsnap zal zij dan sterven? Is het de bedoeling dat ik
ontsnap? Zijn er daar soortgenoten? Kan ik daar leven en ben ik
daar eerder geweest?
Ik word korzelig van al die vragen –
terugzinken in de diepte tussen de makaziplanten of eruit kruipen?
Iets moet gebeuren,zodat ik mijn nek,wervels,tong
schrap zet alles doordrenk van mijn wilskracht uit het zwart te
geraken,ik zing wanneer ik door de buis door de adem door
de vlijmscherpe haken alles zo nauw en gevaarlijk maar ik zing
en gevaarlijk vrij op de grond stort

 

Stad

Op hoeven draaft de stad de nacht door
lange teugels om gebouwen zweepslagen op het plein
van opwinding luiden de klokken
bakstenen laten hun greep los
fietsen ratelen de straat op, fornuizen. Genoeg.
De stad strijkt neer bij een oever
door het rinkelen en gongen ontwaken de vissen
glad en radeloos

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: Tot in de hemel (Vertaald door Jelle Noorman)

“Het staatsburgerschap wekt honger naar de onontgonnen wereld. De twee pakken hun roerend goed bijeen en beginnen aan de landreis over de uitgestrekte, met weymouthdennen overdekte vlakten, via de donkere beukenwouden van Ohio, door de opener eikenbossen van het Middenwesten, helemaal naar de nederzetting bij Fort Des Moines in de nieuwe staat Iowa, waar de overheid land dat nog maar gisteren werd verkaveld weggeeft aan eenieder die het bewerken wil. Hun naaste buren wonen twee mijl verderop.
Dat eerste jaar beploegen en beplanten ze zo’n vijftig acres. Mais, aardappelen en bonen. Ze werken bikkelhard, maar voor zichzelf. Beter dan marineschepen bouwen voor welk natie dan ook.
Dan volgt de prairiewinter. De kou knaagt aan hun levenswil. In de blokhut vol kieren daalt hun bloed “s nachts naar het nulpunt.
Elke morgen moeten ze een wak slaan in de waskom om ten minste hun gezicht af te spoelen. Maar ze zijn jong, vrij en gedreven – de enige stutten van hun eigen bestaan. De winter krijgt hen er niet
onder. Nog niet. De zwartste wanhoop in hun hart wordt samengeperst tot diamant.
Wanneer het opnieuw tijd is om te planten, is Vi in verwachting. Hoel drukt zijn oor tegen haar buik. Ze moet lachen om zijn van ontzag vertrokken gezicht.‘Wat zegt het?’
Hij antwoordt in zijn hoekige, bonkige Engels‘Voed me!’
In mei dat jaar ontdekt Hoel zes kastanjes in een zak van de kiel die hij droeg op de dag dat hij zijn vrouw ten huwelijk vroeg. Hij duwt ze in de aarde van West-Iowa, op de boomloze prairie rond
de blokhut. De boerderij is honderden mijlen verwijderd van de natuurlijke habitat van de kastanje en duizend mijl van de kastanjefestijnen van Prospect Hill. Met elke maand die verstrijkt, kost
het Hoel meer moeite ze zich voor de geest te halen, die groene wouden in het oosten.
Maar dit is Amerika, waar mens en boom de wonderbaarlijkste omzwervingen maken. Hoel plant, begiet en denkt: Op een dag zullen mijn kinderen aan de stammen schudden en gratis kunnen eten.
Hun eerstgeborene sterft als zuigeling, gedood door iets wat nog geen naam heeft. Microben bestaan nog niet. God is de enige die kinderen wegneemt en zelfs, met ondoorgrondelijke regelmaat,
tijdelijke zielen meegrist van de ene wereld naar de ander.”

Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)
Cover

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook alle tags voor Raymond Radiguet op dit blog.

Uit: Le diable au corps

« Tandis que ma tante parlait d’une amie enfuie dès les premiers jours, après avoir enterré dans son jardin des pendules, des boîtes de sardines, je demandai à mon père le moyen d’emporter nos vieux livres ; c’est ce qu’il me coûtait le plus de perdre. Enfin, au moment où nous nous apprêtions à la fuite, les journaux nous apprirent que c’était inutile. Mes soeurs, maintenant, allaient à j… porter des paniers de poires aux blessés. Elles avaient découvert un dédommagement, médiocre il est vrai, à tous leurs beaux projets écroulés. Quand elles arrivaient à J…, les paniers étaient presque vides ! Je devais entrer au lycée Henri IV ; mais mon père préféra me garder encore un an à la campagne. Ma seule distraction de ce morne hiver fut de courir chez notre marchande de journaux, pour être sûr d’avoir un exemplaire du Mot, journal qui me plaisait et paraissait le samedi. Ce jour-là je n’étais jamais levé tard. Mais le printemps arriva, qu’égayèrent mes premières incartades. Sous prétexte de quêtes, ce printemps, plusieurs fois, je me promenai, endimanché, une jeune personne à ma droite. Je tenais le tronc ; elle, la corbeille d’insignes. Dès la seconde quête, des confrères m’apprirent à profiter de ces journées libres où l’on me jetait dans les bras d’une petite fille. Dès lors, nous nous empressions de recueillir, le matin, le plus d’argent possible, remettions à midi notre récolte à la dame patron esse et allions toute la journée polissonner sur les coteaux de Chennevières. Pour la première fois, j’eus un ami. J’aimais à quêter avec sa soeur. Pour la première fois, je m’entendais avec un garçon aussi précoce que moi, admirant même sa beauté, son effronterie. Notre mépris commun pour ceux de notre âge nous rapprochait encore. Nous seuls, nous jugions capables de comprendre les choses ; et, enfin, nous seuls nous trouvions dignes des femmes. Nous nous croyions des hommes. Par chance nous n’allions pas être séparés. René allait déjà au lycée Henri IV, et je serais dans sa classe, en troisième. Il ne devait pas apprendre le grec ; il me fit cet extrême sacrifice de convaincre ses parents de le lui laisser apprendre. Ainsi nous serions toujours ensemble. Comme il n’avait pas fait sa première année, c’était s’obliger à des répétitions particulières. Les parents de René n’y comprirent rien, qui, l’année précédente, devant ses supplications, avaient consenti à ce qu’il n’étudiât pas le grec. Ils y virent l’effet de ma bonne influence, et, s’ils supportaient ses autres camarades, j’étais, du moins, le seul ami qu’ils approuvassent. Pour la première fois, nul jour des vacances de cette année ne me fut pesant. »

Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923)
Cover Duitse uitgave


De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook alle tags voor Geoffrey Hill op dit blog.

Funeral Music

5

As with torches we go, at wild Christmas,
When we revel in our atonement
Through thirty feasts of unction and slaughter,
What is that but the soul’s winter sleep?
So many things rest under consummate
Justice as though trumpets purified law,
Spikenard were the real essence of remorse.
The sky gathers up darkness. When we chant
‘Ora, ora pro nobis’ it is not
Seraphs who descend to pity but ourselves.
Those righteously-accused those vengeful
Racked on articulate looms indulge us
With lingering shows of pain, a flagrant
Tenderness of the damned for their own flesh:

6

My little son, when you could command marvels
Without mercy, outstare the wearisome
Dragon of sleep, I rejoiced above all—
A stranger well-received in your kingdom.
On those pristine fields I saw humankind
As it was named by the Father; fabulous
Beasts rearing in stillness to be blessed.
The world’s real cries reached there, turbulence
From remote storms, rumour of solitudes,
A composed mystery. And so it ends.
Some parch for what they were; others are made
Blind to all but one vision, their necessity
To be reconciled. I believe in my
Abandonment, since it is what I have.

Geoffrey Hill (18 juni 1932 – 30 juni 2016)

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook alle tags voor Bert Schierbeek op dit blog.

Uit: Weerwerk (Fragment)

denk je: dit is de aanloop
een eerste ademtocht
geen woord te vinden
om het uit te drukken

de eerste abstraktie van
die grote gele groene en bruine
vlakken en de sloten en het kanaal
er doorheen
een vlek vol vlekken
roep ik: trekt de schara voorbij
beneden platgeslagen in
zijn eigen spiegel
geel gezicht en doorrimpeld
vroeger rivieren en wouden
vol olifanten en reden de
jagers in tweewielige wagens
en schoten maar raak
kijk ik uit de kap van de molen
van Schiphoes en zie het dak
van de zolder van Oma waar de
aanstaande man van Totje Nachenus
zich ophing twee uur voor de bruiloft
en Totje het lijk sloeg en riep
jij loeder
doe deugnait
waarom
en Oma dan zegt heel kalm
aan deze haak hing ie
Opa haalde hem los
maar was dood

Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)
Op de cover van de Parelduiker


De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

das licht dimmt langsam weg

/ die mauern halten fest
hinter glas bleibt er fremd / bär mit zerzausten augen
verausgabt in einem kampf / der nicht zu gewinnen ist
abgehalftert vertanzt
mahlt er kinnbacken ihm

klebt die welt an den fersen / das beste er setzt sich drauf
wer hat das programm gemacht / wer hat es in szene gesetzt

müde hebt er nicht
tatzen mehr nur lider

 

Futter I

hüllen sie sich in stimmen / nieseln auf geköpfte
platanen über pfützen / geduckte passanten
sie sitzen

an der theke, pastis / mahlen maschinen francs
spannen gerüchte aus / steigen auf pyrenäen
schlürfen sie

kaffee, sind helden von
vagem mut, ziehen los.

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie ook alle tags voor Aster Berkhof op dit blog.

Uit Toen wij allen samen waren

‘Moeder hield er niet van dat in ons huis over “het gemeen volk” gesproken werd. Met gemeen volk bedoelde ze de fabrieksarbeiders. Het “goed volk” bestond uit de adel, de burgerij en de boeren. Hoewel de boeren ook met de handen werkten, was er voor haar geen enkele overeenkomst tussen hen en de arbeiders. Een boer bezat een hoeve. Hij bezat dieren en werktuigen. Hij was katholiek. Hij bad ’s avonds het rozenhoedje. Hij ging zondags naar de hoogmis. Hij vloekte niet. Hij kwam niet in de kroegen. Hij was degelijk, welgesteld, behoudsgezind en betrouwbaar.’
(…)

‘Arbeiders waren voor hem, en zijn het altijd gebleven, kinderen aan wie men daarom niet te veel geld moest geven – ze wisten immers niet wat ze ermee moesten doen – en die men bij de hand moest houden.’
(…)

‘Als je haar hoort spreken, lijkt het of ze persoonlijk omgang heeft met de Heilige Theresia, Catharina, Elisabeth, Appolonia… Allemaal vrouwen. Ze bidt niet tot mannen. Zelfs niet tot de Heilige Jozef zei ze glimlachend. (…) In de loop van het gesprek prevelt ze voortdurend schietgebedjes. (…) Bij het afscheid prevelt ze ook haastig wat, zonder twijfel een gebedje om je op de terugweg te behoeden. Ze zegt nooit God, maar Onze-Lieve-Heerke. Ze glimlacht, terwijl ze die naam noemt en ze grijpt even naar haar rozenkrans, die ook ergens in haar kleren zit. Ze ziet haar Onze-Lieve-Heerke duidelijk als een kameraad. Ze is op weg naar hem. Ze ziet de dood zonder de minste angst tegemoet.”

Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)
Cover

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Mirjam Pressler op dit blog. Mirjam Pressler is op 16 januari jongstleden op 78-jarige leeftijd gestorven.

Uit: Dunkles Gold

„Ich war so naiv gewesen. Obwohl mir »naiv« damals als letztes Adjektiv eingefallen wäre, um mich zu beschreiben, ich hielt mich eher für misstrauisch und skeptisch, auf jeden Fall für klug genug, Zusammenhänge zu verstehen und einzuordnen. Trotzdem war etwas geschehen, was ich nicht verstand. Wenn man von früheren Ereignissen erzählt, erkennt man plötzlich Dinge, die man vorher nicht gesehen hat, findet manches wichtig, was man nur nebenbei wahrgenommen hat, oder man stellt fest, dass man sich grundlos aufgeregt oder geärgert hat, Überflüssiges gedacht und getan hat, und dass manches, was einem schrecklich vorkam, im Grunde nur banal war. Oder umgekehrt. Denn in dem Moment, in dem man eine Situation erlebt, ist es unmöglich zu wissen, ob sie später irgendeine besondere Bedeutung haben wird oder nicht. So geht es mir heute, wenn ich an die vielen Streitereien mit meiner Mutter denke, übers Aufräumen, nicht erledigte Aufträge, nicht eingehaltene Versprechungen. Es ist nicht so, dass ich mich jetzt nicht mehr über sie ärgere, aber manchmal denke ich, was soll’s, in einem Jahr sieht alles anders aus. Und ich glaube, meine Mutter empfindet es mir gegenüber ganz ähnlich. Wenn wir uns heute streiten, habe ich oft das Gefühl, als würden wir aus lauter Gewohnheit ein altes Spiel weiterführen, ein Spiel, über das wir manchmal sogar lachen können. Und wir können miteinander sprechen. Das ist erstaunlich, denn ich habe früher sehr wenig gesprochen. »Verschlossen wie eine Auster«, hat meine Mutter oft geklagt, »die Schalen schön fest geschlossen halten. Es könnte ja jemand auf die Idee kommen, sie aufzubrechen, um nach einer Perle zu suchen.« Man weiß auch nicht wirklich, an welcher Stelle der Geschichte man mit dem Erzählen anfangen soll, was nichts mehr mit ihr zu tun hat oder bereits dazugehört. Ich habe beschlossen, mit meiner fixen Idee anzufangen, auch wenn ich nicht sagen kann, wann genau sie entstanden ist. »Wie bist du eigentlich auf diese Idee gekommen?«, hat Alexej mich gefragt, als ich ihm zum ersten Mal einige zusammengeheftete Blätter überreicht habe. Ich habe nur mit den Schultern gezuckt. »Keine Ahnung. Manche Ideen sind plötzlich da, ohne dass man vorher darüber nachgedacht hat, es ist, als wären sie vom Himmel gefallen.« Doch eigentlich glaube ich das nicht. Vermutlich schleichen sich Ideen heimlich ein, sind anfangs nur flüchtige Gedankenfetzen, die aufblitzen und sofort wieder verschwinden, weil sie von anderen Überlegungen verdrängt werden oder sich in ihnen auflösen. Trotzdem bleiben sie in irgendwelchen Winkeln des Gehirns hängen und warten auf eine günstige Gelegenheit, um wieder aufzutauchen.“

Mirjam Pressler (18 juni 1940 – 16 januari 2019)

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie alle tags voor Ivan Gontsjarov op dit blog.

Uit: Oblomov (Vertaald door David Magarshack)

“Though the bailiff had written identical letters to his master the year before and the year before that, this last letter had the same strong effect as any other unpleasant and unexpected piece of news. The whole thing was a great nuisance: he had to think of raising some money and of taking certain steps. Still, it is only fair to do justice to the care Oblomov bestowed on his affairs. Already, after receiving his bailiffs first unpleasant letter several years before, he had begun devising a plan for all sorts of changes and improvements in the management of his estate. According to his plan, various economic, administrative, and other measures would have to be introduced. But it was far from being thoroughly thought out, and the bailiffs disagreeable letters went on arriving every year, arousing in him the desire to do something and, consequently, disturbing his peace of mind. Oblomov, indeed, realized very well that he would have to do something decisive before his plan was worked out. As soon as he woke he made up his mind to get up, wash, and, after he had had breakfast, think things over thoroughly, come to some sort of decision, put it down on paper and, generally, make a good job of it. He lay for half an hour, tormented by this decision; but afterwards it occurred to him that he would have plenty of time to do it after breakfast, which he could have in bed as usual, particularly as there was nothing to prevent him from thinking while lying down. That was what he did. After breakfast he sat up and nearly got out of bed; glancing at his slippers, he even lowered one foot from the bed, but immediately put it back again. It struck half-past nine. Oblomov gave a start. `What am I doing?’ he said aloud in a vexed voice. ‘This is awful! I must set to work! If I go on like this — —`Zakhar!’ he shouted. From the room separated from Oblomov’s study only by a narrow passage came what sounded like the growl of a watch-dog on a chain, followed by the noise of a pair of legs which had jumped off from somewhere. That was Zakhar, who had jumped off the stove where he usually sat dozing.”       

Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891)
Scene uit een theaterbewerking van “Oblomov”, Mechelen, 2017


Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Richard Powers, Marije Langelaar, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: Generosity: An Enhancement

“Say that the six thousand years of writing are a six-hundred-page novel, suitable for getting you through the longest captive flight. Romance, mystery, thriller: a little something for everyone. At a decade a page, it’s a slow starter. Only belatedly does the opening hook—secret marks that hurl meaning magically through time and space—reveal itself to be a Trojan horse. By page 200, memory is embalmed beyond recognition, lamented only when anyone still notices it’s gone. If a thing isn’t written down, you can forget about it. The rest is history.
The plot starts to pick up on page 350. After a ridiculously long exposition, the development section starts at last. Characters emerge, cities clashing in the freshness of youth, driven by the varied needs of their patron gods. Wars spread and trade expands. The characters harden and age. They join together into sprawling clans. Freed from the present, papyrus starts to spawn new subplots. By page 400, the basic conflict becomes clear: preservers against revisers, sufficers against maximizers, those who think the book is coming apart versus those who think it’s coming together.
There are a few longueurs for some readers in the middle two-thirds. But this is when the story is at its most desperate: when techne and sophia are still kin, when the distant climax is still ambiguous, the outcome a dead heat between salvation and ruin.
Page 575 starts a series of quick reveals (although each one foreshadowed, early on). Every discovery triggers two more. The cast of characters explodes, as do the sudden reverses. The book makes one of those massive finish-line sprints—twenty-five pages to wrap up all the lingering plot points and force a denouement. The last chapter is filled with deus ex machinas, and on the very final page, the very last paragraph, the characters throw off the limits of the Story So Far and complete their revolt. The ultimate sentence is a direct quote—“Author, we’re outta here”—the happy ending of the race’s own making.”

Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)


De Nederlandse dichteres en beeldend kunstenares Marije Langelaar werd geboren op 18 juni 1978 in Goes. Zie ook alle tags voor Marije Langelaar op dit blog.

Hert

En ik kijk naar mijzelf.
Voel mijn benen zich verdunnen en draaien
onmiddellijk volgen mijn armen het groeien van hoefjes
ik stap uit mijn jurk en mijn hemd inmiddels te groot en
voel mijn vacht in de wind
mijn oren richten zich zetten uit en ik
luister naar het kletteren van borden ver in de keuken
het waaien van gras
ik hoef inmiddels niets meer.
Zo als hert heb ik dorst niets dan dorst en
beweeg naar het water.

 

Park

Want er valt weinig te verwachten
van een vijver
dacht hij
terwijl hij op een zondagmiddag
op een bankje in de schaduw zat

En bleef de rest van de middag een peinzende
introverte gestalte die niemand groet
hij zag een man passeren
hij zag een man met hond passeren
hij zag een man met vrouw passeren

Toen is hij naar de vijver gelopen
en heeft het glanzende oppervlak doorboord
met zijn laarzen
hij heeft het rondgejaagd met de schoolslag

Marije Langelaar (Goes, 18 juni 1978)

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook alle tags voor Raymond Radiguet op dit blog.

Uit: Le diable au corps

« Certes, j’éprouvais cet étrange besoin plus vivement que mes frères. J’aimais que mon cœur batte plus vite et irrégulièrement. Ce spectacle, d’une poésie profonde, me satisfaisait davantage. « Comme tu es pâle », avait dit ma mère. Je trouvai le prétexte des feux de Bengale. Ils me donnaient, dis-je, une couleur verte.
– Je crains tout de même que cela l’impressionne trop, dit-elle à mon père.
– Oh, répondit-il, personne n’est plus insensible. Il peut regarder n’importe quoi, sauf un lapin qu’on écorche.
Mon père disait cela pour que je restasse. Mais il savait que ce spectacle me bouleversait. Je sentais qu’il le bouleversait aussi. Je lui demandai de me prendre sur ses épaules pour mieux voir. En réalité, j’allais m’évanouir, mes jambes ne me portaient plus.
Maintenant, on ne comptait qu’une vingtaine de personnes. Nous entendîmes les clairons. C’était la retraite aux flambeaux.
Cent torches éclairaient soudain la folle, comme, après la lumière douce des rampes, le magnésium éclate pour photographier une nouvelle étoile. Alors, agitant ses mains en signe d’adieu, et croyant à la fin du monde, ou simplement qu’on allait la prendre, elle se jeta du toit, brisa la marquise dans sa chute, avec un fracas épouvantable, pour venir s’aplatir sur les marches de pierre. Jusqu’ici j’avais essayé de supporter tout, bien que mes oreilles tintassent et que le cœur me manquât. Mais quand j’entendis des gens crier : « Elle vit encore », je tombai, sans connaissance, des épaules de mon père.
Revenu à moi, il m’entraîna au bord de la Marne. Nous y restâmes très tard, en silence, allongés dans l’herbe.
Au retour, je crus voir derrière la grille une silhouette blanche, le fantôme de la bonne ! C’était le père Maréchaud en bonnet de coton, contemplant les dégâts, sa marquise, ses tuiles, ses pelouses, ses massifs, ses marches couvertes de sang, son prestige détruit.
Si j’insiste sur un tel épisode, c’est qu’il fait comprendre mieux que tout autre l’étrange période de la guerre, et combien, plus que le pittoresque, me frappait la poésie des choses.
Nous entendîmes le canon. On se battait près de Meaux. On racontait que des uhlans avaient été capturés près de Lagny, à quinze kilomètres de chez nous.”

Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923)
Cover DVD

 

De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook alle tags voor Geoffrey Hill op dit blog.

Funeral Music

3
They bespoke doomsday and they meant it by
God, their curved metal rimming the low ridge.
But few appearances are like this. Once
Every five hundred years a comet’s
Over-riding stillness might reveal men
In such array, livid and featureless,
With England crouched beastwise beneath it all.
‘Oh, that old northern business …’ A field
After battle utters its own sound
Which is like nothing on earth, but is earth.
Blindly the questing snail, vulnerable
Mole emerge, blindly we lie down, blindly
Among carnage the most delicate souls
Tup in their marriage-blood, gasping ‘Jesus’.

4
Let mind be more precious than soul; it will not
Endure. Soul grasps its price, begs its own peace,
Settles with tears and sweat, is possibly
Indestructible. That I can believe.
Though I would scorn the mere instinct of faith,
Expediency of assent, if I dared,
What I dare not is a waste history
Or void rule. Averroes, old heathen,
If only you had been right, if Intellect
Itself were absolute law, sufficient grace,
Our lives could be a myth of captivity
Which we might enter: an unpeopled region
Of ever new-fallen snow, a palace blazing
With perpetual silence as with torches.

Geoffrey Hill (18 juni 1932 – 30 juni 2016)


De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook alle tags voor Bert Schierbeek op dit blog.

Uit: Weerwerk (Fragment)

alleen nog dorst
beesten honger en dorst
ze slachten alles af
veel vlees
geen geld

(stapt op)
tot straks
(2 juli 1976)

’s middags hangen we samen in de boom en plukken kersen zit ik weer in de molen van Schiphoes in Beerta en zie de hele wereld wel van Wanschoten, Wedde tot Nieuweschans boven in de kap boven de houten tandwielen op de as van de wieken en zie Drieborg en Finsterwolde en wel heel het land in korengeel en grasgroen en de beesten en ook de mensen heel klein midden in het gele zinderende koren kleine zwarte vogels maaiend met hun armen in de gele massa tussen de groene weilanden en de bruine velden onder een kokende zon…

ze zichtten alles: tarwe rogge haver gerst
maar ook : paardebonen, erwten, blauwmaanzaad en ka-
nariezaad…

’t land was nog vol mensen
geen machine te zien

zegt Marcel
(vanuit de boom)
zie je die balk daar
in de schuur, die balk daaraan hing ie
mijn vader ook
als de mensen het hier niet meer weten
hangen ze zich op
altijd wel een paar
per jaar
soms ben je op tijd om ze los te snijden
dan komen ze bij en zeggen dagen lang niks
werken en zeggen niks
tot ze ’t weer doen
wie ’t eenmaal gedaan heeft
doet het weer

Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)
Hier met Stientje Buddingh’


De Duitse dichteres Karin Fellner werd geboren op 18 juni 1970 in München. Zie ook alle tags voor Karin Fellner op dit blog.

wo werner und co kampieren / sollen im frühjahr glas
bauten wachsen ein glanz / voller park industrie
zelte gezimmerte unter / stände die berber verdrängen

nachts heulen alle platten / hunde den mond an jagen
sich auf dem brachland treffen / zu ritualen zusammen
während der frost im nicht / geschnittenen gras liegt und blinkt

nach westen hin flechten sie tote / ranken in undichte büsche
sichtschutz daneben im schuppen / koten sie ist es trocken
unter der dachpappe auf / verfallenen balken und schutt

immer benötigen sie / holz geklaubt geklaut in
scheite zerbeilt zum heizen / für kartoffeln und kohl
manchmal hören sie gröhlen / winseln manchmal zielen

sie mit der zwille auf dosen / besuchen tommy vorne
bei den containern trinken / instantkaffee er erzählt
vom letzten messerstechen.

Karin Fellner (München, 18 juni 1970)

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie ook alle tags voor Aster Berkhof op dit blog.

Uit: Veel geluk professor

“Hij was teruggehold naar zijn kamer, had er zich niets van aangetrokken dat zijn hospita, die hem vertrokken waande, druk in zijn lessenaar aan het snuffelen was, had de notities bijeengegrabbeld en in zijn binnenzak gestopt, en was juist op tijd gekomen om nog in de laatste wagen van de al rijdende trein te springen.
En nu was hij hier. En hij wenste professor Steinbach al het goede ter wereld, maar diep in zijn hart was hij hem in stilte hemels dankbaar, omdat hij op zo’n geschikt moment ziek geworden was en rector Schlesinger niet de minste kans meer gegeven had om een oudere, meer ervaren plaatsvervanger te zoeken.
Want het Instituut van lady Thompson, dat ondergebracht was in een oud kasteel, was wereldberoemd. Het werd bezocht door jonge aristocraten uit alle hoeken van de wereld, die in St.-Moritz aan wintersport kwamen doen en de voormiddag gebruikten om een beetje te studeren, en het werd zo rijkelijk gesubsidieerd, dat de professoren er in drie maanden tijd zoveel verdienden als in een heel jaar aan de universiteit. Daarom waren deze cursussen, die voor ieder professor slechts drie uur les per week omvatten en in feite voor hen niets anders betekenden dan een dikbetaalde vakantie in het mooiste vakantieoord van de wereld, bijzonder in trek, en werd er druk naar gesolliciteerd door de oudste en de beroemdste professoren van heel Europa.
Pierre had dus geen reden om rector Schlesinger dankbaar te zijn, want als de oude rekel, die sinds tien jaar het Instituut patroneerde, erbuiten gekund had, zou hij hem, Pierre, nooit dit buitenkansje gegund hebben. Hij zou naar Zürich of naar Parijs of naar Londen geschreven hebben, om er een oude, vergrijsde geleerde op te delven, die met zijn naam het Instituut meer luister zou bijzetten.
Maar Pierre trok zich daar niets van aan. Hij was alleen maar blij, en fier, en gelukkig, en het vooruitzicht op deze drie maanden vakantie hier in de besneeuwde bergen, met zijn zakken vol geld en niets aan de kop dan een paar lesuurtjes die hij niet eens moest voorbereiden, was zo mooi en zo bedwelmend heerlijk, dat hij op niemand meer boos kon zijn.”

Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Zie ook alle tags voor Mirjam Pressler op dit blog.

Uit: Nathan und seine Kinder

„Ich muss unter dein Maulbeerbaum eingeschlafen sein, wo ich mich am späten Nachmittag, ah die Hitze uneruliglich wurde, zum Ausruhen hingelegt hatte, denn ich wurde von Schreien geweckt. Es waren hohe, schrille Schreie. und ich hob unwillkürlich die Hände. um meine Ohren zu schützen. Erst verstand ich nicht, dass es ein Mensch war. der da schrie. Doch dann sah ich sie. Daja. die Herrin. wie sie sich drehre und wand und versuchte, sich aus dem Griff der Köchin zu befreien, ich sah ihr verzerrtes Gesicht und den aufgerissenen Mund. dt.calais, schrie sie. »Rec.hal Rechak Doch 7.ipora und eine Magd hielten sie fest und lockerten den Griff auch nicht, als Daja wie wild um sich schlug und schrie: *Lasst mich los, ich muss zu Recha! Nathan ist nicht da! Gott steh uns bei, wenn Recha etwas passiert.« Ihre Schreie übertönten das Prasseln der Flammen. Ich wollte aufspringen. ich wollte mich in die Flammen stürzen, ich wollte der tapfere Held sein, der die Tochter des Herrn rettet, ich, ich, ich! Das war die Gelegenheit, die Gott mir bot. Gott oder Allah, uni meinen Mut zu beweisen. Alle sollten es erfahren, vor allein er, Nathan, der Herr, dass ich mehr war als nur ein armseliger Krüppel. Aber die Hitze des Feuers drang bis zu meinem Platz unter dein Maulbeerbaum, und in meinem Körper brach der altbekannte Schmerz auf, ein stechender Schmerz, der mir von der linken Seite durch den ganzen Körper fuhr. Ein Schmerz, den ich eigentlich nicht fühlen durfte, denn längst vernarbte Wunden schmer-zen nicht mehr, warum taten es meine dennoch? Ich kauerte unter dem Maulbeerbaum und harte nur einen Gedanken: Ich muss die Herrin herausholen, ihr Vater ist nicht da, es ist meine Pflicht, sie zu retten. Aber als ich aufspringen wollte, gehorchte mir mein Körper nicht, die Narben brannten, mein linker Arm und mein linkes Bein krümmten sich, wie sich verkohlende Äste im Feuer krüm-men, sie wurden steif und unbeweglich. Das Hundezahngras zerkratzte meine Haut, als ich anfing zu kriechen. Rauch drang nur in Nase und Mund, meine Augen brannten und ein schrecklicher Husten schüttelte meinen Körper.“

Mirjam Pressler (Darmstadt, 18 juni 1940)

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie alle tags voor Ivan Gontsjarov op dit blog.

Uit: Oblomov (Vertaald door David Magarshack)

“The pictures, vases, and knick-knacks were equally shoddy. The owner himself, however, was so utterly indifferent to the furniture of his study that he seemed to be wondering who on earth could have dumped all that junk there. It was Oblomov’s indifference to his own property, and perhaps even still more the utter indifference shown by his servant Zakhar, that made the study look, on closer inspection, so neglected and untidy. Dust-covered cobwebs were festooned round the pictures on the walls; instead of reflecting the objects in the room, the mirrors were more like tablets which might be used for writing memoranda on in the dust. The rugs were covered in stains. A towel had been left on the sofa; almost every morning a dirty plate, with a salt-cellar and a bare bone from the previous night’s supper, could be seen on the table, which was strewn with crumbs. If it had not been for this plate and a freshly smoked pipe by the bed, or the owner of the flat himself lying in it, one might have thought that no one lived there — everything was so dusty and faded and void of all living traces of human habitation. It is true there were two or three open books and a newspaper on the book-stands, an inkwell with pens on the bureau; but the open pages had turned yellow and were covered with dust — it was clear that they had been left like that for a long, long time; the newspaper bore last year’s date, and if one were to dip a pen in the inkwell, a startled fly was as likely as not to come buzzing out of it. Oblomov, contrary to his custom, had woken up very early —about eight o’clock. He looked very worried about something. The expression of his face kept changing continually from that of alarm to one of anguish and vexation. It was clear that he was in the throes of some inner struggle, and his reason had not yet come to his aid. What had happened was that on the previous evening Oblomov had received a disagreeable letter from the bailiff of his estate. The sort of disagreeable news a bailiff usually sends can be easily imagined: bad harvest, arrears of taxes due from the peasants, falling income, and so on.”

Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891)
Cover


Zie voor nog meer schrijvers van de 18e juni ook mijn blog van 18 juni 2016 deel 2.

Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: The Time of Our Singing

“This is how I see him, although he’ll live another third of a century. This is the moment when the world first finds him out, the night I hear where his voice is headed. I’m up onstage, too, at the battered Steinway with its caramel action. I accompany him, trying to keep up, trying not to listen to that siren voice that says, Stop your fingers, crash your boat on the reef of keys, and die in peace.
Though I make no fatal fumbles, that night is not my proudest as a musician. After the concert, I’ll ask my brother again to let me go, to find an accompanist who can do him justice. And again he’ll refuse. “I already have one, Joey.”
I’m there, up onstage with him. But at the same time, I’m down in the hall, in the place I always sit at concerts: eight rows back, just inside the left aisle. I sit where I can see my own: fingers moving, where I can study my brother’s face–close enough to see everything, but far enough to survive seeing.
Stage fright ought to paralyze us. Backstage is a single bleeding ulcer. Performers who’ve spent their whole youth training for this moment now prepare to spend their old age explaining why it didn’t go as planned. The hall fills with venom and envy, families who’ve traveled hundreds of miles to see their lives’ pride reduced to runner-up. My brother alone is fearless. He has already paid. This public contest has nothing to do with music. Music means those years of harmonizing together, still in the shell of our family, before that shell broke open and burned. Jonah glides through the backstage fright, the dressing rooms full of well-bred nausea, on a cloud, as though through a dress rehearsal for a performance already canceled. Onstage, against this sea of panic, his calm electrifies. The drape of his hand on the piano’s black enamel ravishes his listeners, the essence of his sound before he even makes one.
I see him on this night of his first open triumph, from four decades on. He still has that softness around his eyes that later life will crack and line. His jaw quakes a little on Dowland’s quarter notes, but the notes do not. He drops his head toward his right shoulder as he lifts to the high C, shrinking from his entranced listeners. The face shudders, a look only I can see, from my perch behind the piano. The broken-ridged bridge of his nose, his bruised brown lips, the two bumps of bone riding his eyes: almost my own face, but keener, a year older, a shade lighter. That breakaway shade: the public record of our family’s private crime.”

Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

 

Doorgaan met het lezen van “Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler”

Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook alle tags voor Richard Powers op dit blog.

Uit: The Time of Our Singing

„In some empty hall, my brother is still singing. His voice hasn’t dampened yet. Not altogether. The rooms where he sang still hold an impression, their walls dimpled with his sound, awaiting some future phonograph capable of replaying them.
My brother Jonah stands fixed, leaning against a piano. He’s just twenty. The sixties have only begun. The country still dozes in its last pretended innocence. No one has heard of Jonah Strom but our family, what’s left of it. We’ve come to Durham, North Carolina, the old music building at Duke. He has made it to the finals of a national vocal competition he’ll later deny ever having entered. Jonah stands alone, just right of center stage. My brother towers in place, listing a little, backing up into the crook of the grand piano, his only safety. He curls forward, the scroll on a reticent cello. Left hand steadies him against the piano edge, while right hand cups in front of him, holding some letter, now oddly lost. He grins at the odds against being here, breathes in, and sings.
One moment, the Erl-King is hunched on my brother’s shoulder, whispering a blessed death. In the next, a trapdoor opens up in the air and my brother is elsewhere, teasing out Dowland of all things, a bit of ravishing sass for this stunned lieder crowd, who can’t grasp the web that slips over them:

Time stands still with gazing on her face,
Stand still and gaze for minutes, hours, and years to her give place.
All other things shall change, but she remains the same,
Till heavens changed have their course and time hath lost his name.

Two stanzas, and his tune is done. Silence hangs over the hall. It drifts above the seats like a balloon across the horizon. For two downbeats, even breathing is a crime. Then there’s no surviving this surprise except by applauding it away. The noisy gratitude of hands starts time up again, sending the dart to its target and my brother on to the things that will finish him.“

Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

Doorgaan met het lezen van “Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler”

Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Günter Seuren, Utta Danella, George Essex Evans, Ivan Gontsjarov, Jean-Claude Germain, Martin Greif

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Zie en ook mijn blog van 18 juni 2009.

Uit: Veel geluk professor

„Toen hij, beneden in het dal, uit het station kwam, bleef hij enkele ogenblikken met zijn valies in de hand voor de uitgang staan, en hij keek rond. Het dal lag als een reusachtige schelp onder de blauwe hemel. Het besneeuwde stadje leek uit een sprookjesboek geknipt. De bergen die het omsloten, waren als belegd met hermelijn. De pijnbomen die tegen de hellingen optorenden, zagen eruit als grote kerstbomen, behangen met zilver en diamant, en de huisjes in de verte leken met hun laaghangend sneeuwdak en hun zwarte stijlen op kabouterhuisjes.

Het was wonderbaar. Pierre ademde diep, en de lucht was zo dun en zo ijl, dat zijn hoofd er duizelig van werd.

‘Als je de bus wilt nemen, moet je je haasten, broeder’, riep iemand.

Hij keek om en zag de autobus staan, die zijn richting uitging en waarin verscheidene reizigers met hun pakken en hun ski’s hadden plaatsgenomen. De chauffeur hing naar buiten en bleef op hem wachten.

‘Rij maar door!’ riep Pierre opgewekt. ‘Ik ga te voet.’

‘Je hebt meer moed dan ik’, zei de chauffeur, terwijl hij het raampje dichtschoof, de motor aanzette en vertrok.

Pierre keek de bus na, en glimlachte. Laat ze maar in die muffe ruimte zitten, dacht hij. Ik heb de lucht en de zon en de sneeuw. En hij keek omhoog naar het kasteel, helemaal boven op de berg, waar hij moest zijn, omvatte nog eens met één blik al de heerlijkheid daarrond en begon te gaan. Een kilometer of drie, dacht hij. Als ik het spoor van de autobus volg, kan ik niet verkeerd lopen.“

Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)

Doorgaan met het lezen van “Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Günter Seuren, Utta Danella, George Essex Evans, Ivan Gontsjarov, Jean-Claude Germain, Martin Greif”

Richard Powers, Geoffrey Hill, Anton van Wilderode, Bert Schierbeek, Raymond Radiguet, Utta Danella, Aster Berkhof, Mirjam Pressler, Jean-Claude Germain, Günter Seuren, George Essex Evans, Martin Greif, Ivan Gontsjarov

De Amerikaanse schrijver Richard Powers werd geboren op 18 juni 1957 in Evanston, Illinois. Zie ook mijn blog van 18 juni 2007 en ook mijn blog van 18 juni 2008.

Uit: Prisoner’s Dilemma

“The first indication that Pop had been seeing something more than heebie-jeebies for all those years came a few weeks before the end, when the old guy leaned over to Artie on the front porch of an autumn evening and said, distinctly, “Calamine.” Father and son had come out after dinner to sit together on this side of the screens and see November along. They enjoyed, in silence, one of those nights that hung in the high fifties but could easily go ten degrees either way within the hour. Artie staked out the rocker while his father, as usual, exercised eminent domain over the kapok bed long ago banished to the porch because chez Hobson-a twenty-year repository of everything the family had ever owned?could not take one more cubic foot of crap without spewing it all through every doorway and window.
Silence had gotten them this far, and there seemed to Artie no reason to improve on it. He tried to chalk up his father’s mumbled word to an involuntary spasm in the man’s cerebral cortex, a first burst of verb salad accompanying the return of autumn. He hoped, for a moment, to hide from it, let the word fall to the ground and add to the November earthworm-stink and autumn. But Artie had no place to hide from Pop that the old man himself hadn’t shown him. So he put his knuckles to the bridge of his nose, braced his face for what was coming, and asked, “Say what, Dad?”
“You heard me. Calamine. I say what I mean and I mean what I say. I plan my work and work my plan. When the tough get going, the . . .”
“Got you, Pop.” Artie preempted quickly, for once Edward Hobson, Sr., was let out of the verbal paddock, he could go all night without denting his capacityfor free association. After a quarter century, Artie knew the symptoms. In the man’s present condition, it was pointless to ask him straight out just what he meant by the Word. Artie tried reconstructing: Calamine, zinc oxide, iodine-nothing in that direction. Dad’s invocation was certainly not a medical request. Dad abhorred all medications. His sickness was nothing so trivial or topical as dermatitis, except that in crowds, for the express purpose of publicly shaming any other Hobson with him, he had been known to sing, “It’s no sin to shake off your skin and go dancing in your bones.”

powers

Richard Powers (Evanston, 18 juni 1957)

 

De Engelse dichter Geoffrey Hill werd geboren op 18 juni 1932 in Bromsgrove, Worcestershire. Zie ook mijn blog van 18 juni 2007 en ook mijn blog van 18 juni 2008.

Mercian Hymns XXV

Brooding on the eightieth letter of Fors Clavigera, I speak this in
memory of my grandmother, whose childhood and prime womanhood were spent
in the nailer’s darg.

The nailshop stood back of the cottage, by the fold. It reeked stale
mineral sweat. Sparks had furred its low roof. In dawn-light the
troughed water floated a damson-bloom of dust —

not to be shaken by posthumous clamour. It is one thing to celebrate the
‘quick forge’, another to cradle a face hare-lipped by the searing wire.

Brooding on the eightieth letter of Fors Clavigera, I speak this in
memory of my grandmother, whose childhood and prime womanhood were spent
in the nailer’s darg.

 

Mercian Hymns XVII

He drove at evening through the hushed Vosges. The car radio,
glimmering, received broken utterance from the horizon of storms…

‘God’s honours – our bikes touched: he skidded and came off.’ ‘Liar.’ A
timid father’s protective bellow. Disfigurement of a village king. ‘Just
look at the bugger…’

His maroon GT chanted then overtook. He lavished on the high valleys its
haleine.

Hill

Geoffrey Hill (Bromsgrove, 18 juni 1932)

 

De Vlaamse schrijver dichter, vertaler en scenarist  Anton van Wilderode (pseudoniem van Cyriel Paul Coupé werd geboren in Moerbeke op 18 juni 1918. Zie ook mijn blog van 18 juni 2007 en ook mijn blog van 18 juni 2008.

De dag van Eden – in memoriam matris

Je staat achter het raam zonder gezicht.
De notelaar met geverniste blaren
glanst van een zuiver en onwerelds licht
dat huiveringen legt over je haren.

Je draagt iets in je hand ik zie niet wat
een boek een brief een sjaaltje voor de winter
maar zeker iets dat ik vergeten had
en dat je je herinnerde daarginder.

Ik kom al moeder (bonzend van geluk).
Je hoort mij niet ik zie de grote blaren
achter je schouders schommelen en bedaren.
Maar op de drempel staat je voetafdruk.

 

Monasterio de Guadelupe/Extremadura, La Virgen

De moorse binnenhof. De sierfontein.
De eucalyptus slank als een pinakel.
De bruidsmuziek van zomergroen en water
van azulejo’s schijn en wederschijn.

De deur die dag en deemstering verdeelt.
Damast van uitgelegde altaardwalen.
Met blauw en bladgoud de initialen
in koorzangboeken hevig gepenseeld.

Het zuiver kerkschip met een zeil van licht.
Het marmerdek van voor- tot achtersteven.
Gelijk een boegbeeld moederlijk verheven
La Virgen met een okerzwart gezicht.

Anton_van_Wilderode-College

Anton van Wilderode (18 juni 1918 – 15 juni 1998)
Beeld in Sint Niklaas, gemaakt door Wilfried Pas.

 

De Nederlandse schrijver en dichter Bert Schierbeek (1918-1996) werd geboren op 18 juni 1918 in Glanerbrug in Twente. Zie ook mijn blog van 18 juni 2007 en ook mijn blog van 18 juni 2008.

Ik denk

ik denk
als het regent
laat ze niet nat worden

en als het stormt
vat ze geen kou

en ik denk ook
dat dat denken
niet helpt

want je wordt nooit meer
nat noch vat je een kou

want het regent
noch waait ooit
meer voor jou

 

de deur

een deur is open
of dicht

een deur die open is
is een gat naar
de ruimte

een deur die dicht is
deel van de muur
begrenst de ruimte

als ie beweegt
is ie een deur

zo ben ik
een deur

Schierbeek

Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996)

 

De Franse schrijver Raymond Radiguet werd geboren op 18 juni 1903 in Saint-Maur-des-Fossés. Zie ook mijn blog van 18 juni 2007 en ook mijn blog van 18 juni 2008.

Uit: Le diable au corps

« L’amour veut faire partager sa béatitude. Ainsi, une maîtresse de nature assez froide devient caressante, nous embrasse dans le cou, invente mille agaceries, si nous sommes en train d’écrire une lettre. Je n’avais jamais tel désir d’embrasser Marthe que lorsqu’un travail la distrayait de moi; jamais tant envie de toucher à ses cheveux, de la décoiffer, que quand elle se coiffait. Dans le canot, je me précipitais sur elle, la jonchant de baisers, pour qu’elle lâchât ses rames, et que le canot dérivât, prisonnier des herbes, des nénuphars blancs et jaunes. Elle y reconnaissait les signes d’une passion incapable de se contenir, alors que me poussait surtout la manie de déranger, si forte. »

Radiguet

Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923)

 

De Duitse schrijfster Utta Danella (eig.Utta Denneler) werd geboren op 18 juni 1924 in Berlijn. Zie ook mijn blog van 18 juni 2007 en ook mijn blog van 18 juni 2008.

Uit: Der Kuss des Apollo

„Irgendwoher wird das Geld schon kommen.
Eine Weile blieb der Satz im Raum stehen, klang seltsam. Jana,die damit beschäftigt war,die Weingläser aus dem Schrank zu nehmen,warf einen Blick auf ihren Mann,der am Fenster stand und in den Garten hinaussah,wo die Herbstblätter von den Bäumen sanken. Sie konnte ihm von hinten ansehen, wie schlecht gelaunt er war, außerdem hörte man es seiner Stimme an.
»Das ist ja ein schreckliches Wort«, sagte sie.
»Was?«, knurrte er.
»Irgendwoher.« Sie sprach das Wort gedehnt aus und versuchte das R dramatisch zu rollen,was ihr nicht so gut gelang wie ihm mit seiner baltischen Herkunft. Er drehte sich um.
»So! Das Wort gefällt dir nicht.Was würdest du denn sagen?«
»Geld kommt nicht von irgendwoher oder von irgendwo, man muss es beschaffen.«
»Darum geht es ja.Wie immer.«
Er sah ihr zu, wie sie die hellen Gläser neben die Gedecke stellte und dann die rötlich getönten Rotweingläser aus dem Schrank nahm und leicht versetzt hinter die Weißweingläser auf dem Tisch platzierte. Sie hatte eine Vorliebe für hübsche Gläser.“

danella

Utta Danella (Berlijn,18 juni 1924)

 

De Vlaamse schrijver Aster Berkhof (eig. Louis van den Bergh werd geboren in Rijkevorsel op 18 juni 1920. Na zijn humaniora studeerde hij van 1938 tot 1942 Germaanse filologie in Leuven en promoveerde in 1946 tot doctor in de wijsbegeerte. Ondertussen werkte hij als redacteur bij De Standaard en vervulde hij zijn militaire dienstplicht in Schotland. Lange tijd was hij een verwoed reiziger. Aanvankelijk reisde hij door West-Europa om vervolgens in 1952 Noord-Afrika en in 1953 Noord-Amerika en Mexico te bezoeken. In 1955 maakte hij een wereldreis van twee maanden waarin hij vooral in contact probeerde te komen met primitieve volkeren. Over die reizen schreef hij een aantal reportages.  Na zijn reizen werd hij eerst leraar aan verschillende middelbare scholen en tenslotte docent aan de Universitaire Faculteit St. Ignatius te Antwerpen.  Aster Berkhof is vooral populair om zijn vlotgeschreven streek-, reis-, detective- en avonturenromans.

Uit: Veel geluk professor

De helft van de monden hingen open, alle ogen stonden star en verbaasd op Pierre gericht, en dikke Georges kwam langzaam recht op zijn bank, en zijn vinger wees ontsteld naar Pierre, en zijn mond deed van alles, maar er kwam geen geluid.

“Ze zijn al even verrast als gij,” zei Lady Thompson.

Pas toen bekwam ook Pierre van zijn verrassing, en op dat ogenblik barstte een applaus los, zoals er nog nooit een gehoord was in het Instituut. En toen Ann voor Pierre kwam staan, en zachtjes zei: “Proficiat,” en Pierre haar ontroerd in zijn armen nam en haar zoende, kraakte en schudde minutenlang het hele gebouw onder het handgeklap, dat zo geweldig was, dat sommige gasten in de hotels rondom aan een lawine dachten, verschrikt rechtveerden en zich bevend afvroegen waar ze zou neerkomen.

Lady Thompson bleef in de spleet van de deur staan kijken om het einde van de kus af te wachten. Maar tenslotte trok ze de deur maar toe. Er kwam geen einde aan…”

berkhof

Aster Berkhof (Rijkevorsel, 18 juni 1920)

 

De Duitse schrijfster en vertaalster Mirjam Pressler werd geboren op 18 juni 1940 in Darmstadt. Pressler vertaalde al meer dan 300 werken uit het Hebreeuws, het Engels en het Nederlands. Als haar hoofdwerk geldt de kritische werkuitgave van Het dagboek van Anne Frank. Daarnaast schrijft zij veel voor de jeugd, maar ook detectives, romans en verhalen voor volwassenen.

Uit: Die Verführung (Een schitterend gebrek van Arthur Japin)

“An jenem Abend, an dem alles in ein neues Licht gerückt wurde, sollte ich, wie jeden Donnerstag, eigentlich mit Mister Jamieson dinieren, einem Großhändler in Häuten und Tabak, und danach vielleicht noch ein bißchen mit ihm tanzen gehen. Nur weil der gute Mann einen Gichtanfall bekam und absagte, beschloß ich, meine Loge zu besuchen.

Verstehen Sie mich nicht falsch, ich lebe nicht im Luxus. Von dem Moment an, als das Unheil zuschlug und ich durch das Leben trieb, war ich gezwungenermaßen sparsam, da ich lange Zeit nicht wußte, was der folgende Tag bringen würde.

Ob ich etwas zu essen haben würde. Ob für mich gesorgt würde. Ob ich angegriffen und weitergejagt würde. Auch als ich mir schließlich in Amsterdam eine gewisse Position erworben hatte, habe ich mir nie mehr Äußerlichkeiten gegönnt, als es von den Kreisen, in denen ich verkehrte, erwartet wurde, einmal abgesehen von den Dingen, die ich zur Ausübung meines Berufs benötigte. Extravaganzen habe ich mir weder erlaubt, noch je Verlangen danach gehabt. Der einzige Luxus, den ich mir seit einigen Jahren gönnte, bestand in einem festen Logenplatz im Französischen Theater am Overtoom, das ich besuchte, sobald ich mich dafür freimachen konnte.”

 

Vertaald door Mirjam Pressler

mirjam-pressler

Mirjam Pressler (Darmstadt, 18 juni 1940)

 

De Canadese schrijver, journalist en historicus Jean-Claude Germain werd geboren op 18 juni 1939 in Montral. Van 1972 tot 1982 was hij artistiek directeur van het Théâtre d’Aujourd’hui. Ook doceerde hij aan de National Theatre School of Canada.

Uit:  Les faux brillants de Félix-Gabriel Marchand. Paraphrase

« TRÉMOUSSET : Puis-je vous rappler, baron, que l’ivrognerie… est un signe de noblesse! / FAQUINO : Pour les lordzzes anglais! /

TRÉMOUSSET : Comme pour les nobbes étaliens! Même que çé ça… qui fait la diffarence entte les nobes pis les gences ordinaires… la façon dont y portent leur bouésson! /

 FAQUINO : Dans une taverne! /

TRÉMOUSSET : Pis au parlement itou! Parsqu’un nobbe han… un nobbe… quant-y a un verre dans lnez, ben ça y montte dans a fasse pis ça resse là! Yé plastré!… Tandisse que lmonde ordinaire eu-z-autres, ben ça leu tombbe dans é jambes pis ça leu rvire lé-z-orteils en anse de cruche! Aha! Ha! Ha! (Il va pour perdre pied et s’accroche à Faquino qui le soutient.) »

germain

Jean-Claude Germain (Montreal, 18 juni 1939)

 

De Duitse schrijver Günter Seuren werd geboren op 18 juni 1932 in Wickrath, Niederrhein. Na zijn gymnasiumopleiding werd hij medewerker van de Illustrierten Neue Post in Düsseldorf. Vanaf 19555 was hij zelfstandig schrijver en filmcriticus bij de Deutsche Zeitung. Naast zijn verhalend proza, waarmee hij dicht bij het realisme van de „Kölner Schule“ stond, schreef hij ook draaiboeken en hoorspelen.

Uit: Die Krötenküsser

“Zur Zeit war ich solo, konnte den Leuten nicht den beruhigenden Anblick von Mann und Frau bieten, die Seite an Seite durchs Leben gehen. Wir hatten uns getrennt, und ich schleppte eine kontrollierte Depression mit mir herum.

Es hatte ganz beiläufig angefangen. Sie hatte bezahlt und saß irgendwo im Parkett. Ich war noch gut im Geschäft, kassierte ein paar Hunderter beim Leseabend und dachte überhaupt nicht an aussterbende Arten. Im Gegenteil, an dem Abend ging ich mit Freunden und Bekannten noch in eine Kneipe, um den Nachgeschmack vom Tingeln durch Buchläden und Volkshochschulen runterzuspülen. Unter den entfernten Bekannten war ein neues Gesicht. Sie hatte einen weißen Bordeaux im Kühlschrank. Alles fing von vorn an.

Es dauerte länger, als ich erwartet hatte. Glücksarbeit, den vollgeladenen Einkaufswagen durch den Supermarkt schieben, an der Kasse stehen, zahlen und dabei spüren, daß man den Wohltäter spielt, um sich das Wochenende zu erkaufen. Besuchsweise lieben und dann zurück an den Schreibtisch.

Sie war geschieden, brauchte einen Seelenmasseur. Aber dann kam diese Nacht, die mich veranlaßte, mich mehr um aussterbende Arten zu kümmern als um ein geregeltes Sexualleben. Das ist kein Witz. Ich brauchte eine Therapie, als alles vorbei war.

Es war dunkel im Zimmer, nur der Fernseher war noch eingeschaltet. Wir hatten getrunken und irgendwann vergessen, auf die Fernbedienung zu drücken.”

seuren

Günter Seuren (18 juni 1932 – 10 december 2003)

 

De Australische dichter George Essex Evans werd geboren op 18 juni 1863 in Londen. Zijn vader stierf al toen hij pas een paar maanden oud was. Hij emigreerde op 17-jarige leeftijd naar Queensland in Australië waar hij als ambtenaar werkte. Zijn eerste bundel The Repentance of MagdaleneDespar verscheen in 1891, in 1898 gevolgd door Loraine and other Verses. In 1901 won hij een prijs van £50 voor zijn “Ode for Commonwealth Day”.

A Nocturne

Like weary sea-birds spent with flight
And faltering,
The slow hours beat across the night
On leaden wing.
The wild bird knows where rest shall be
Soe’er he roam.
Heart of my heart! apart from thee
I have no home.

Afar from thee, yet not alone,
Heart of my heart!
Like some soft haunting whisper blown
From Heaven thou art.
I hear the magic music roll
Its waves divine;
The subtle fragrance of thy soul
Has passed to mine.

Nor dawn nor Heaven my heart can know
Save that which lies
In lights and shades that come and go
In thy soft eyes.
Here in the night I dream the day,
By love upborne,
When thy sweet eyes shall shine and say
“It is the morn!”

GeorgeEssexEvans

George Essex Evans (18 juni 1863 – 10 november 1909)

 

De Duitse dicher en schrijver Martin Greif (eig. Friedrich Hermann Frey werd geboren op 18 juni 1839 in Speyer. Door bemiddeling van Eduard Mörike verschenen in 1868 bij de uitgever Cotta. In 1869 trok hij naar Wenen waar zijn stukken met veel succes aan het Burgtheater werden opgevoerd. Later was hij verbonden aan het Hof- und Nationaltheater in München.

Frühling im Trentino

Beschneite Ferner
Und Alpenhörner,
Ein lachend Thal,
Auf grünen Wiesen
Violen sprießen
Am Bach zumal.

Wo sich vom Felsen
Die Wasser wälzen,
Blüht weiß ein Baum,
Wildheit und Milde
In einem Bilde
Hold wie ein Traum!

Martin_Greif

Martin Greif (18 juni 1839 – 1 april 1911)

 

De Russische schrijver Ivan Aleksandrovitsj Gontsjarov werd geboren op 18 juni 1812 in Simbirsk als zoon van een graanhandelaar. Zie ook mijn blog van 18 juni 2007 en ook mijn blog van 18 juni 2008.

Uit: Oblomov

„His movements, too, even when he was excited, were kept in check by a certain kind of mildness and laziness which was not without its own touch of gracefulness. If his mind was troubled, his eyes were clouded over, lines appeared on his forehead, and he was plunged into doubt, sadness, and fear; but his anxiety seldom took the form of any definite idea and still more seldom was it transformed into a decision. All his anxiety resolved itself into a sigh and dissolved into apathy or drowsiness.
How well Oblomov’s indoor clothes went with the calm features of his countenance and his effeminate body! He wore a dressing-gown of Persian cloth—a real oriental dressing-gown, without the slightest hint of Europe, without tassels, without velvet trimmings, and so capacious that he could wrap it round him twice. The sleeves, in true Asiatic fashion, got wider and wider from the shoulders to the hands. Though this dressing-gown had lost its original freshness and here and there exchanged its natural sheen for one acquired by years of faithful service, it still preserved the brilliance of its oriental colour, and the material was as strong as ever.
The dressing-gown had a vast number of inestimable qualities in Oblomov’s eyes: it was soft and flexible, it was so light that he did not feel its weight, and it obeyed the least movement of his body like a devoted slave.
Oblomov never wore a tie or a waistcoat at home because he liked to feel unhampered and free. He wore long, soft, wide slippers; when he put his feet on the floor as he got out of bed, he invariably stepped into them without looking.“

Gontsjarov
Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891)