Michael Longley

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

WOUNDS

Here are two pictures from, my father’s head —
I have kept them like secrets until now:
First, the Ulster Division at the Somme
Going over the top with ‘Fuck the Pope!’
‘No Surrender!’: a boy about to die,
Screaming ‘Give ‘em one for the Shankill!’
‘Wilder than Gurkhas’ were my father’s words
Of admiration and bewilderment.
Next comes the London-Scottish padre.
Resettling kilts with his swagger-stick,
With a stylish backhand and a prayer.
Over a landscape of dead buttocks
My father followed him for fifty years.
At last, a belated casualty,
He said – lead traces flaring till they hurt –
‘I am dying for King and Country, slowly.
I touched his hand, his thin head I touched.

Now, with military honours of a kind,
With his badges, his medals like rainbows,
His spinning compass, I bury beside him
Three teenage soldiers, bellies full of
Bullets and Irish beer, their flies undone.
A packet of Woodbines I throw in,
A lucifer, the Sacred Heart of Jesus
Paralysed as heavy guns put out
The night-light in a nursery for ever;
Also a bus-conductor’s uniform –
He collapsed beside his carpet-slippers
Without a murmur, shot through the head
By a shivering boy who wandered in
Before they could turn the television down
Or tidy away the supper dishes.
To the children, to a bewildered wife,
I think ‘Sorry Missus’ was what he said

 

THE WEST

Beneath a gas-mantle that the moths bombard,
Light that powders at a touch, dusty wings,
I listen for news through the atmospherics,
A crackle of sea-wrack, spinning driftwood,
Waves like distant traffic, news from home,

Or watch myself, as through a sandy lens,
Materialising out of the heat-shimmers
And finding my way for ever along
The path to this cottage, its windows,
Walls, sun and moon dials, home from home.

 

De ijscoman

Rum en rozijnen, vanille, butterscotch, walnoot, perzik:
Je zou er de smaken afrijmen. Dat was voordat
Ze de ijsjesman op Lisburn Road hebben vermoord
En je anjers kocht om buiten voor zijn winkel te leggen.
Ik heb alle wilde bloemen van de Burren voor je opgenoemd
Die Ik in één dag had gezien: tijm, valeriaan, kattestaart,
Moerasspirea, grote keverorchis, varkenskers, struikhei, angelica,
Robertskruid, marjolein, fluitenkruid, zonnedauw, wikke,
Zilverkruid, houtsalie, echte koekoeksbloem, grote muur,
Duizendblad, geel walstro, winde, teer guichelheil.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Colin Davidson, 2011-2012

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2018 en ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Arthur Japin, Michael Longley

De Nederlandse schrijver Arthur Japin werd geboren in Haarlem op 26 juli 1956. Zie ook alle tags voor Arthur Japin op dit blog.

Uit: Vaslav

“Vanochtend, al voor dag en dauw, begint voor ons de waanzin. Het hele huis in rep en roer. Opgewonden stemmen in het trappenhuis. Geroep in de tuin. Voeten die de trap op rennen.
Lise hoort het in haar slaap. Ze kreunt even, haalt een keer diep adem alsof ze zich wil omdraaien. Ik heb mijn armen om haar heen geslagen en druk haar nog eens tegen me aan, waarop ze weer ontspant. Zo lig ik het liefst, mijn hoofd tussen haar schouders, mijn onderlijf stijf tegen het hare, knieën samen opgetrokken, alsof zij mij op haar rug draagt en me veilig over donzen bergen gidst. Even nog, denk ik, in godsnaam, en zak weer weg. Het volgende moment zie ik onze lijven als de wanden van een dal. Ik zeil erlangs, rakelings, een adelaar die afdalend vanuit de hoge wind de luwte zoekt. Dan wordt er op mijn deur geklopt. Vier korte doffe slagen, die ik in mijn halfslaap als schoten hoor. Ze weerkaatsen in de kloof van Lises dijen waar ik tussendoor zweef. Onder me zie ik de zon in de Inn weerkaatst, een zilveren lint dat de meren van Sankt Moritz, Sils en Silvaplana doorrijgt, maar het volgende salvo schiet me wakker.
Marie is aan de deur, helemaal hysterisch. Ik roep dat ik eraan kom, maak licht en zoek mijn kleren bij elkaar. Lise zucht. Door samengeknepen wimpers kijkt ze hoe ik vechtend met mijn onderbroek op één been door de kamer spring. De lange pijpen, gisteravond laat te gretig uitgetrapt, zitten helemaal verknoopt. Als ik struikel, schiet ze in de lach. Ik leg mijn vinger tegen mijn lippen en geef haar haar kleren aan.
‘Het kleintje,’ snikt Marie, ‘ze is weg.’
Ik knoop mijn hemd dicht terwijl we naar beneden rennen.
‘Haar bed is leeg, de voordeur staat open. Kyra, o God, onze lieve kleine Kyra.’
‘En mevrouw?’
‘Weet nog van niks. Dit mag Miss Grant haar zelf vertellen. Mooie gouvernante is me dat. Die heeft een deken omgeslagen en is zo de tuin in gehold op zoek naar voetstappen, maar het is pikdonker. Jij moet mee om bij te lichten.’
De kou van de nacht hangt in de hal. Ik ga de achtertrap af naar het stookhok, drenk een rag in de petroleum, wind hem om een teerfakkel en wil die aansteken als ik me ineens bedenk. Ik hol terug naar boven, neem de gang op de eerste, stilletjes om mevrouw niet te alarmeren, en steek de overloop over naar de kamer van mijnheer. Ik klop niet aan omdat ik wel weet hoe laat het is, maar open direct de deur en kijk naar binnen.”

 

Arthur Japin (Haarlem, 26 juli 1956)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

OORLOG & VREDE

Achilles jaagt achter Hector aan als een sperwer
Krijsend naar een doodsbange kraagduif
Die fladdert in het aangezicht van haar beul, dus
Hector doet onder de muren van Troje moeite om in leven te blijven.
Voorbij de verweerde wilde vijgenboom en de uitkijk-
Post versnellen ze allebei hun pas, weg van de stad
Langs een karrenspoor tot aan dubbele springbronnen
Die uitstromen in de wervelende Skamandros, één met
Warm water dat stoomt als rook van een vreugdevuur,
De andere koud als hagelstenen, sneeuwwater,
Handig voor de uit steen gehouwen wasbakken
Waarin Trojaanse huisvrouwen en hun mooie dochters
In de goede oude tijd te hun glanzende kleding uitspoelden,
Op wasdagen, voordat de Griekse soldaten naar Troje kwamen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 26e juli ook mijn blog van 26 juli 2018 en ook mijn blog van 26 juli 2017 en eveneens mijn blog van 26 juli 2015 deel 2.

Lieke Marsman, Michael Longley

De Nederlandse dichteres Lieke Marsman werd op 25 juli 1990 geboren te Den Bosch. Zie ook alle tags voor Lieke Marsman op dit blog.

Man met hoed I

Ik volgde een nacht lang de rook
van de stad, ik zei tegen een man
die me naliep: probeer mij eens te volgen
terwijl ik achter jou aanloop, kun je dan nog raden
waar ik heenga?

Ik las in een boek dat je, als je steeds
rechtsaf slaat, altijd weer thuis komt.
Maar ik dacht: wat als je begint bij een plaats
die niet je huis is, waar kom je in dat geval
terecht? En als je linksaf slaat – werkt het nog?

Ik begon in een huis op een land
dat plat was. Daar stond in een boek
dat het aan de binnenkant van ons lichaam
helemaal donker is. Pikzwart. Ik dacht:
hoe kun je het weten als je er niet kunt kijken?

Ik zei tegen de man die ik volgde
dat ik naar huis moest, een licht
in mijn longen aandoen. Ik kon hem zeggen
wat ik dacht omdat ik iets schreef
in mijn hoofd. Het was dit.

Iemand gaf me een boek dat vertelde
over een parallel universum dat zich op één
millimeter van onze huid bevindt.
Huid: de vitrage die ervoor zorgt dat
onze organen geen schaduwen hebben.

De man liep rechtsaf mijn straat in. Vanuit een
bovenraam op de hoek klonk een feest. Hij kwam
bij mijn voordeur en draaide zich om.
Hij zei: laat me met rust
en lees niet zoveel boeken.

Ik schreef: als ik in een parallel universum geloofde,
zou het zijn waar ik mijn huis liet bouwen.
Als ik in mezelf geloofde, zou ik er lachend
op de bank zitten wachten
totdat ik thuiskwam.

 

Man met hoed II

Ik zal terugkeren en ik zal haast
geen huid meer hebben, mijn vlees
zal mijn kieuwen moeten overnemen

Ik kom uit het water
Hoewel ik niet uit de regen zal komen,
zal ik hopen dat je me een handdoek aangeeft

Ik zal geen oevers meer hebben als ik terug ben gekeerd
Dag na dag stroom ik de richting van mijn gezicht achterna
Met de armen gestrekt beperk ik waar ik naar kijken kan

Ik zal wel moe zijn, denk ik

Ik kom verwilderd terug, ik leg
mijn handen op het enige stukje huid
van je rug dat nog vrij is
en bloot.

Boven het hart
dat je onder je riem draagt, naast
de dolk.

 

Lieke Marsman (Den Bosch, 25 juli 1990)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Gaspeldoorn vuurtjes

Het vee uit hun stal ruikt nog naar mest, lammetjes
zijn vanaf vorig jaar als uit een omheining gestapt.
Vijf of zes mannen staren naar een roestige tractor
Voordat ze werktuigen naar afzonderlijke velden vervoeren.

Ik reis van de ene april naar de andere.
Het is dezelfde trein tussen dezelfde dijken.
Gaspeldoorn vuurtjes roken, maar sleutelbloemen branden
En speenkruid en witte meidoorn en gaspeldoornbloemen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Portret door Jeffrey Morgan

 

Zie voor de schrijvers van de 25e juli ook mijn blog van 25 juli 2018 en eveneens mijn blog van 25 juli 2017.

Robert Graves, Michael Longley

De Engelse dichter en schrijver Robert Graves werd geboren in Londen (Wimbledon) op 24 juli 1895. Zie ook alle tags voor Robert Graves op dit blog.

Give Us Rain

“Give us Rain, Rain,” said the bean and the pea,
“Not so much Sun,
Not so much Sun.”
But the Sun smiles bravely and encouragingly,
And no rain falls and no waters run.

“Give us Peace, Peace,” said the peoples oppressed,
“Not so many Flags,
Not so many Flags.”
But the Flags fly and the Drums beat, denying rest,
And the children starve, they shiver in rags.

 

A Boy In Church

“Gabble-gabble,… brethren,… gabble-gabble!”
My window frames forest and heather.

I hardly hear the tuneful babble,
Not knowing nor much caring whether
The text is praise or exhortation,
Prayer or thanksgiving, or damnation.

Outside it blows wetter and wetter,
The tossing trees never stay still.
I shift my elbows to catch better
The full round sweep of heathered hill.
The tortured copse bends to and fro
In silence like a shadow-show.

The parson’s voice runs like a river
Over smooth rocks. I like this church:
The pews are staid, they never shiver,
They never bend or sway or lurch.
“Prayer,” says the kind voice, “is a chain
That draws down Grace from Heaven again.”

I add the hymns up, over and over,
Until there’s not the least mistake.
Seven-seventy-one. (Look! there’s a plover!
It’s gone!) Who’s that Saint by the lake?
The red light from his mantle passes
Across the broad memorial brasses.

It’s pleasant here for dreams and thinking,
Lolling and letting reason nod,
With ugly serious people linking
Sad prayers to a forgiving God….
But a dumb blast sets the trees swaying
With furious zeal like madmen praying.

 

She Tells Her Love

She tells her love while half asleep,
In the dark hours,
With half-words whispered low:
As Earth stirs in her winter sleep
And put out grass and flowers
Despite the snow,
Despite the falling snow.

 

Robert Graves (24 juli 1895 – 7 december 1985)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

Vijftig jaar

Je hebt keer op keer met me gewandeld
Over het stenige pad naar Carrigskeewaun
En halt gehouden tussen de heksenringen om
Champignons te plukken voor het ontbijt en voor poëzie.

Je hebt erop gewezen, zoals op een slakkenhuis
Of een wulpveer of rogge-eieren,
Op het juiste woord, stiltes en lettergrepen
Hoorbaar aan de winderige rand van het water.

We hebben otterafdrukken gevolgd naar Allaran
En  uren op onze kille troon gewacht,
Vijftig jaar lang, man en vrouw, met zachte stem,
Scholeksters en kleine zandlopers geteld.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Hier met zijn echtgenote

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 24e juli ook mijn blog van 24 juli 2019 en ook mijn blog van 24 juli 2018 en eveneens mijn blog van 24 juli 2016 deel 2.

Lauren Groff, Michael Longley

De Amerikaanse schrijver Lauren Groff werd geboren op 23 juli 1978 in Cooperstown, New York. Zie ook alle tags voor Lauren Groff op dit blog.

Uit: Fates and Furies

“A QUESTION OF VISION. From the sun’s seat, after all, humanity is an abstraction. Earth a mere spinning blip. Closer, the city a knot of light between other knots; even closer, and buildings gleamed, slowly separating. Dawn in the windows revealed bodies, all the same. Only with focus came specifics, mole by nostril, tooth stuck to a dry bot-tom lip in sleep, the papery skin of an armpit. Lotto poured cream into coffee and woke his wife. A song played on the tape deck, eggs were fried, dishes washed, floors swept. Beer and ice carried in, snacks prepared. By midafternoon, all was shining, ready. “Nobody’s here yet. We could—” Lotto said into Mathilde’s ear. He pulled her long hair away from her nape, kissed the knob of bone there. The neck was his, belonging to the wife who was his, shining, under his hands. Love that had begun so powerfully in the body had spread luxuriantly into everything. They had been together for five weeks. The first, there had been no sex, Mathilde a tease. Then came the week-end camping trip and the besotted first time and the morning piss where he found his junk bloodied stem to stern and he knew she’d been a virgin, that she hadn’t wanted to sleep with him because of it. He turned to her in the new light, dipping her face in the frigid stream to wash it, coming up cheeks flushed and glazed with water, and he knew her to be the purest person he’d ever met, he, who had been primed for purity. He knew then they would elope, they would graduate, they would go to live in the city and be happy together there. And they were happy, if still strange to each other. Yesterday, he’d found she was allergic to sushi. This morning, when he was talking to his aunt on the telephone, he’d watched Mathilde toweling off out of the shower and it struck him hard that she had no family at all. The little she spoke of childhood was shadowed with abuse. He’d imagined it vividly: poverty, beat-up trailer, spiteful—she implied worse—uncle. Her most vivid memories of her childhood were of the television that was never turned off. Salvation of school, scholarship, modeling for spare change. They had begun to accrete stories between them. How, when she was small, isolated in the country, she’d been so lonely that she let a leech live on her inner thigh for a week. How she’d been discovered for modeling by a gargoyle of a man on a train. It must have taken an immense  force of will for Mathilde to turn her past, so sad and dark, blank behind her. Now she had only him. It moved him to know that for her he was everything. He wouldn’t ask for more than she’d willingly give. Outside, a New York June day steamed. Soon there’d be the party, dozens of college friends descending on them for the housewarming, though the house was already sizzling with summer.”

 

Lauren Groff (Cooperstown, 23 juli 1978)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

 

HET WESTEN

Onder een gloeikousje dat de motten bestoken,
Licht dat verpulvert bij aanraking, stoffige vleugels,
Ik luister naar nieuws door het ruisen heen,
Een geknetter van zeegras, wervelend drijfhout,
Golven als ver verkeer, nieuws van thuis,

Of kijk naar mezelf, als door een zanderige lens,
Hoe ik verschijn uit de hitte-glinstering
En voor altijd mijn weg vind langs
Het pad naar dit huisje, de ramen,
Muren, zon- en maanwijzers, thuis-van-huis.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 23e juli ook mijn blog van 23 juli 2019 en ook mijn blog van 23 juli 2018 en ook mijn blog van 23 juli 2017 deel 2.

Arno Geiger, Michael Longley

De Oostenrijkse schrijver Arno Geiger werd geboren op 22 juli 1968 in Bregenz, Vorarlberg. Zie ook alle tags voor Arno Geiger op dit blog.

Uit: Unter der Drachenwand

„Noch am Tag der Verwundung wurde ich mit dem Krankenwagen weggebracht. Wenn nicht ein großer LKW zur Begleitung abgestellt worden wäre, wären wir im Schlamm steckengeblieben, gleich draußen vor dem Dorf. So ging’s bis zum Hauptverbandplatz, wo ich einige grobe nähte bekam. ich schaute beim Vernähen zu, erneut mit größter Verwunderung. / Die Wäsche, die ich Ende Oktober angezogen hatte, hatte ich fast einen Monat am Leib gehabt, das Hemd war buchstäblich schwarz, als es mir ausgezogen wurde.
9ich sah einen Arzt, der beim Versuch, sich eine Zigarette anzuzünden, fünf Streichhölzer abbrach. Mit hängendem Kopf stand er da, bis eine Rot-Kreuz-Schwester kam und ihm die Streichhölzer aus der Hand nahm. nach zwei Zügen, die er lange mit geschlossenen Augen in der Lunge gehalten hatte, stieß der Arzt ein paar Wortfetzen aus und taumelte zwischen den blutigen Liegen davon. Zwei Tage später fuhren wir weiter. einmal wären wir bald umgekippt mit unserer Karre, wir waren in einen zuvor nicht sichtbaren Graben gerutscht. Als die andern den Wagen wie-der heraus hatten, war vor und hinter uns der Weg zu, denn es hatte starker Schneefall eingesetzt. Für neun Kilometer brauchten wir den ganzen Vormittag, weil der Weg freigeschaufelt werden musste, hinter uns war der Weg dann besser. Aber ich spürte jede rippe im Leib. / Auch auf der Haupt-straße war es schrecklich, sechsmal mussten wir Deckung suchen gegen Flugzeuge, die uns mit Bordwaffen angriffen. Bei einer hastigen Bewegung ging die Wunde am Oberschenkel auf. / Am Bahnhof von Dolinskaja wurden wir dreimal in einer Stunde von Bombern angegriffen, ich war froh, als ich von dort wegkam.in Dolinskaja warfen sie uns schachtelweise Drops und Schokolade in den Waggon. Das ist immer so: Wenn’s zurück geht, werden die Lager geräumt, bevor sie zuletzt den Sowjets in die Hände fallen. Drops und Schokolade sind das einzige, was uns Soldaten zugutekommt, sonst erleben wir nur Schreckliches. Frisch verbunden lag ich in einem Lazarettzug. Der Zug stand meistens auf freier Strecke wegen des starken Verkehrs. Fünf Tage brauchten wir bis Prag, und von Prag zwei Tage bis ins Saargebiet. / Man sollte es nicht für möglich halten, dass man vom Osten nach dem äußersten Westen verlegt wird, aber das beweist wieder, wie klein das sogenannte Großdeutschland ist.“

 

Arno Geiger (Bregenz, 22 juli 1968)

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

De waterval

Als je mijn gedichten zou lezen, allemaal, ik bedoel,
Mijn levenswerk, in één keer, op die ene plek,
Laat het hier zijn bij deze halfslachtige waterval
Die elk kiezelbekken zijn eigen zegje laat doen,
Vochtige stenen en lettergrepen, dan, als het donker wordt
En je naar huis gaat langs overwoekerde wijngaarden en
Kastanjebomen, ooit leverancier van dwarsbalken, maan-
Gevormde noten, meel en krakende vulling voor matrassen,
Laat ze hier, op de pagina, voor mijn geestesoog, verlicht
Als de vuurvliegjes bij de waterval, een muur van sterren.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 22 juli ook mijn blog van 22 juli 2019 en ook mijn blog van 22 juli 2018 deel 2.

Louise Glück, Michael Longley, Marijke Höweler, Elizabeth Hardwick, Dan Coman, Hilde Domin, Eimear McBride, Graeme C. Simsion

Dolce far niente

 


Bathers On A Beach door Mabel May Woodward, ca. 1915–1920

 

Summer at the Beach

Before we started camp, we went to the beach.

Long days, before the sun was dangerous.
My sister lay on her stomach, reading mysteries.
I sat in the sand, watching the water.

You could use the sand to cover
parts of your body that you didn’t like,
I covered my feet, to make my legs longer;
the sand climbed over my ankles.

I looked down at my body, away from the water.
I was what the magazines told me to be:
coltish. I was a frozen colt.

My sister didn’t bother with these adjustments.
When I told her to cover her feet, she tried a few times,
but she got bored; she didn’t have enough willpower
to sustain a deception.

I watched the sea; I listened to other families.
Babies everywhere: what went on in their heads?
I couldn’t imagine myself as a baby;
I couldn’t picture myself not thinking.

I couldn’t imagine myself as an adult either.
They all had terrible bodies: lax, oily, completely
committed to being male and female.

The days were all the same.
When it rained, we stayed home.
When the sun shone, we went to the beach with my mother.
My sister lay on her stomach, reading her mysteries.
I sat with my legs arranged to resemble
what I saw in my head, what I believed was my true self.

Because it was true: when I didn’t move I was perfect.

 

 
Louise Glück (New York, 22 april 1943)
Zomer in New York

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

The Waterfall

If you were to read my poems, all of them, I mean,
My life’s work, at the one sitting, in the one place,
Let it be here by this half-hearted waterfall
That allows each pebbly basin its separate say,
Damp stones and syllables, then, as it grows dark
And you go home past overgrown vineyards and
Chestnut trees, suppliers once of crossbeams, moon-
Shaped nuts, flour, and crackly stuffing for mattresses,
Leave them here, on the page, in your mind’s eye, lit
Like the fireflies at the waterfall, a wall of stars.

 

Freeze-Up

The freeze-up annexes the sea even,
Putting out over the waves its platform.
Let skies fall, the fox’s belly cave in –
This catastrophic shortlived reform
Directs to our homes the birds of heaven.
They come on farfetched winds to keep us warm.
Romantic
Bribing these with bounty, we would rather
Forget our hopes of thaw when spring will clean
The boughs, dust from our sills snow and feather,
Release to its decay and true decline
The bittern whom this different weather
Cupboarded in ice like a specimen

 
Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

De Nederlandse schrijfster en psychologe Marijke Höweler werd geboren in Koog aan de Zaan op 27 juli 1938. Zie ook alle tags voor Marijke Höweler op dit blog.

Uit: Zum Wohl, Zum Glück!

“Bovengekomen met de stapel houtblokken waarvoor hij eigenlijk naar beneden was gegaan bleef hij een ogenblik uit het raam staan kijken. Als een verre, vage schemerlamp bescheen de zon het mistige dal. Het was zes uur. Jasper kon zich niet herinneren de laatste jaren ooit zo vroeg te zijn opgestaan. Toch leek hij in het verleden goede ervaringen te hebben opgedaan met dit vroege uur want er maakte zich een gevoel van hem meester alsof hij een onvervreemdbaar deel van de schepping uitmaakte. Dit vervulde hem van hoopvolle verwachting en een soort energie die hij zich ook herinnerde als behorend tot vervlogen dagen. Buiten maakten de vogels – de soort kende hij niet – geluiden alsof ze met een handzaag op een roestige spijker gestuit waren, terwijl de koeien een houten tafel over een stenen vloer leken te schuiven. Ook in de dierenwereld is het niet altijd rozegeur en maneschijn blijkbaar. Gisteren was Jasper zo kinderachtig geweest om direct na aankomst in zijn betrekkelijk nieuwe huis het zwaluwnest onder de dakrand te verwijderen. Met toegeknepen ogen en afgewend gezicht van schaamte had hij hun eengezinswoning met een forse duw van de bezem van zijn fundamenten gestoten. Jasper had zich daarbij de krakersbeweging voor ogen gehouden; en het feit dat de diertjes er de voorkeur aan gegeven hadden buiten het eigen nest, maar langs Jaspers glanzende beits te toiletteren en dus eigenlijk in Jaspers nest, had hem daar bij geholpen.
Wat zou hij nu eens gaan doen behalve wachten tot de bakker langs kwam? Witkalk gaan kopen misschien om z’n zonde ongedaan te maken? Maar Jasper vond dat sneu voor de bakker, die te zamen met zijn treurige dochter dag in dag uit deze negorij bezocht in de hoop dat één van de bewoners uit het rijtje van sterkste schouders die meenden de zwaarste lasten te dragen door de liquide middelen persoonlijk over de grens te tillen, hier zou zijn vandaag. Een kleine impasse dus en Jasper drentelde de voordeur uit en maakte een rondje om zijn huis. De zon had nu de mist uit het dal verdreven en veegde de laatste restjes tussen de bomen weg. Kringelend kwamen zij in de vorm van rookwolkjes uit hun schuilplaatsen te voorschijn. Jasper zou graag de krant zijn gaan lezen op zijn stoepje in de zon. Maar er was geen krant. Ook zou hij graag een praatje gemaakt hebben met een onbekend iemand. Maar er was niemand. Nee, zijn nieuwe huisje voldeed aan al z’n verwachtingen: de koeien, het gras, de beek, de bomen, de zenuwachtige vogeltjes en hij. En daar was de bakker, nee niet de bakker… of toch? Jawel daar was de bakker.”

 
Marijke Höweler (27 juli 1938 – 5 mei 2006)
In 1987

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurcritica Elizabeth Hardwick werd geboren op 27 juli 1916 in Lexington, Kentucky. Zie ook alle tags voor Elizabeth Hardwick op dit blog.

Uit: Sleepless Nights

“It is june. This is what I have decided to do with my life just now. I will do this work of transformed and even distorted memory and lead this life, the one I am leading today. Every morning the blue clock and the crocheted bedspread with its pink and blue and gray squares and diamonds. How nice it is—this production of a broken old woman in a squalid nursing home. The niceness and the squalor and sorrow in an apathetic battle—that is what I see. More beautiful is the table with the telephone, the books and magazines, the Times at the door, the birdsong of rough, grinding trucks in the street.
If only one knew what to remember or pretend to remember. Make a decision and what you want from the lost things will present itself. You can take it down like a can from a shelf. Perhaps. One can would be marked Rand Avenue in Kentucky and some would recall the address at least as true. Inside the can are the blackening porches of winter, the gas grates, the swarm.
The sunlight blinds me. When I look up I see confusing electricity behind windows. Maybe the shadows will suffice, the light and the shade. Think of yourself as if you were in Apollinaire’s poem:

Here you are in Marseilles, surrounded by watermelons.
Here you are in Coblenz at the Hotel du Geant.
Here you are in Rome sitting under a Japanese medlar tree.
Here you are in Amsterdam…

1954
Dearest M.: Here I am in Boston, on Marlborough Street, number 239. I am looking out on a snowstorm. It fell like a great armistice, bringing all simple struggles to an end. In the extraordinary snow, people are walking about in wonderful costumes—old coats with fur collars, woolen caps, scarves, boots, leather hiking shoes that shine like copper. Under the yellow glow of the streetlights you begin to imagine what it was like forty or fifty years ago. The stillness, the open whiteness—nostalgia and romance in the clear, quiet, white air… More or less settled in this handsome house. Flowered curtains made to measure, rugs cut for the stairs, bookshelves, wood for the fireplace.“

 
Elizabeth Hardwick (27 juli 1916 – 2 december 2007)

 

De Roemeense dichter en schrijver Dan Coman werd geboren op 27 juli 1975 in Gersa in de provincie Bistrita-Nasaud. Zie ook alle tags voor Dan Coman op dit blog.

Chicco

i wake up every morning before five
and like this, unwashed without tobacco
like this, in the dark and cold
i get out of bed on all fours
feeling for it.
before five he’s no more than a glass bead
when I touch him whoosh
leaping to some other part of the room.
i pick him up quickly, using only two fingers
roll him only on the carpet
lest he make noise and
wake the girls.
so it’s this way at five on all fours with this sun
this sun in the room rolled for hours on end
until like a snowball it grows quite large
until it begins to brighten begins to warm
though it’s only after growing so large
brighter and warmer
it’s only then that the sweat pours out
the chicco sun sweating likes a grown man
and at eight when the girls wake up
they must open the window
needing nearly an hour to air out the room.

 

Impossible to move

i’m impossible to move, there is nothing inside me
still I’m impossible to move with the force of only one man.
like a massive piece of living-room furniture.
like anything that means nothing in itself.
but i talk. i talk until the skin of my cheeks bursts.
i never stop talking.
all my force gathers like a spring inside my mouth
and mercilessly beats out sound after sound. phrase after phrase.
nobody ever seems to get tired of understanding nothing of what I say.
nobody seems annoyed because there’s nobody left.
that’s how I was born. straight out of the ground impossible to move
directly with words outside mine. exactly like this.
like anything else that means nothing in itself.

 

Vertaald door Martin Woodside en Ioana Ieronim

 
Dan Coman (Gersa, 27 juli 1975)

 

De Duitse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren in Keulen als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zie ook alle tags voor Hilde Domin op dit blog.

Älter werden
Antwort an Christa Wolf

Die Sehnsucht
nach Gerechtigkeit
nimmt nicht ab
Aber die Hoffnung

Die Sehnsucht
nach Frieden
nicht
Aber die Hoffnung

Die Sehnsucht nach Sonne
nicht
täglich kann das Licht kommen
durchkommen

Das Licht ist immer da
eine Flugzeugfahrt reicht
zur Gewissheit

Aber die Liebe

der Tode und Auferstehungen fähig
wie wir selbst
und wie wir
der Schonung bedürftig

 

Herbstaugen

Presse dich eng
an den Boden.

Die Erde
riecht noch nach Sommer,
und der Körper
riecht noch nach Liebe.

Aber das Gras
ist schon gelb über dir.
Der Wind ist kalt
und voll Distelsamen.

Und der Traum, der dir nachstellt,
schattenfüssig,
dein Traum
hat Herbstaugen.


Hilde Domin (27 juli 1909 – 22 februari 2006)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Iers-Britse schrijfster Eimear McBride werd geboren in 1976 in Liverpool en groeide op in Tubbercurry, County Sligo en in Castlebar, County Mayo. Zie ook alle tags voor Eimear McBride op dit blog.

Uit:  A Girl is a Half-Formed Thing

“For you. You’ll soon. You’ll give her name. In the stitches of her skin she’ll wear your say. Mammy me? Yes you. Bounce the bed, I’d say. I’d say that’s what you did. Then lay you down. They cut you round. Wait and hour and day.
Walking up corridors up the stairs. Are you alright? Will you sit, he says. No. I want she says. I want to see my son. Smell from dettol through her skin. Mops diamond floor tiles all as strong. All the burn your eyes out if you had some. Her heart going pat. Going dum dum dum. Don’t mind me she’s going to your room. See the. Jesus. What have they done? Jesus. Bile for. Tidals burn. Ssssh. All over. Mother. She cries. Oh no. Oh no no no.
I know. The thing wrong. It’s a. It is called. Nosebleeds, head aches. Where you can’t hold. Fall mugs and dinner plates she says clear up. Ah young he says give the child a break. Fall off swings. Can’t or. Grip well. Slipping in the muck. Bang your. Poor head wrapped up white and the blood come through. She feel the sick of that. Little boy head. Shush.
She saw it first when you couldn’t open your eye. Don’t wink so long wind’ll change and you’ll stay that way. I’m not Mammy. It’s got stuck. She pull it open. Hold it up. I can’t it’s all fall down.
And now Holy Family on a Saturday night. He is leaning you are sleeping she the chair me whirlabout. Listen in to doctor chat. We done the best we could. There really wasn’t much. It’s all through his brain like the roots of trees. Sorry. Don’t say. That. He’s running out I’m afraid. I’m afraid he’s running down. You should take him home, enjoy him while you can. He’s not. He is. Can’t you operate again? We can’t. Shush. Something? Chemo then. We’ll have a go at that.
Gethsemane dear Lord hear our prayer our. Please. Intercession. Night in hospital beds. Faces on the candlewick. Lino in the knees. Please don’t God take. Our. Holy Mary mother of all, humbly we beseech thee.”


Eimear McBride (Liverpool, 1976)

 

De Nieuw-Zeelandse schrijver Graeme C. Simsion werd geboren in in Auckland, Australië, in 1956. Zie ook alle tags voor Graeme C. Simsion op dit blog.

Uit: The Rosie Project

“Afterward, Claudia advised me that I should have abandoned the experiment prior to Elizabeth’s leaving. Obviously. But at what point? Where was the signal? These are the subtleties I fail to see. But I also fail to see why heightened sensitivity to obscure cues about ice-cream flavors should be a prerequisite for being someone’s partner. It seems reasonable to assume that some women do not require this. Unfortunately, the process of finding them is impossibly inefficient. The Apricot Ice Cream Disaster had cost a whole evening of my life, compensated for only by the information about simulation algorithms. •  •  • Two lunchtimes were sufficient to research and prepare my lecture on Asperger’s syndrome, without sacrificing nourishment, thanks to the provision of Wi-Fi in the medical library café. I had no previous knowledge of autism spectrum disorders, as they were outside my specialty. The subject was fascinating. It seemed appropriate to focus on the genetic aspects of the syndrome, which might be unfamiliar to my audience. Most diseases have some basis in our DNA, though in many cases we have yet to discover it. My own work focuses on genetic predisposition to cirrhosis of the liver. Much of my working time is devoted to getting mice drunk. Naturally, the books and research papers described the symptoms of Asperger’s syndrome, and I formed a provisional conclusion that most of these were simply variations in human brain function that had been inappropriately medicalized because they did not fit social norms–constructed social norms–that reflected the most common human configurations rather than the full range. The lecture was scheduled for 7:00 p.m. at an inner-suburban school. I estimated the cycle ride at twelve minutes and allowed three minutes to boot my computer and connect it to the projector. I arrived on schedule at 6:57 p.m., having let Eva, the short-skirted cleaner, into my apartment twenty-seven minutes earlier. There were approximately twenty-five people milling around the door and the front of the classroom, but I immediately recognized Julie, the convenor, from Gene’s description: “blonde with big tits.” In fact, her breasts were probably no more than one and a half standard deviations from the mean size for her body weight and hardly a remarkable identifying feature.”


Graeme C. Simsion (Auckland in 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Michael Longley, Marijke Höweler, Theodore Dreiser, Hilde Domin, Julien Gracq, Hilaire Belloc, Vladimir Korolenko, Eimear McBride, Graeme C. Simsion

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog en ook mijn blog van 27 juli 2010.

Saint Francis To The Birds

And, summing up, I think of when
With cloud and cloudburst you confer,
By God’s sheer genius lifted there,
Lighthearted starling, nervous wren.
It is perfection you rehearse –
God placed the limpet on a rock,
He dressed the primrose in its frock
upside down with its leg showing
And closed the chestnut in its purse:
Creating one more precedent,
With no less forethought, no less care
He gave you feathers and the air
To migrate to his best intent.
To useful angles well aligned,
At proper heights compelled to tilt,
Across kind landscapes yearly spilt –
Birds, you are always on his mind.
Quick emblems of his long estate,
It’s good to have you overhead
Who understand when all is said,
When all is done, and it is late.
May my sermon, like your customs,
Reach suddenly beyond dispute –
Oh, birds entire and absolute,
Last birds above our broken homes.

 

Cloudberries

You give me cloudberry jam from Lapland,
Bog amber, snow-line titbits, scrumptious
Cloudberries sweetened slowly by the cold,
And costly enough for cloudberry wars
(Diplomatic wars, my dear).
Imagine us
Among the harvesters, keeping our distance
In sphagnum fields on the longest day
When dawn and dusk like frustrated lovers
Can kiss, legend has it, once a year. Ah,
Kisses at our age, cloudberry kisses.

 
Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)
Cover

Doorgaan met het lezen van “Michael Longley, Marijke Höweler, Theodore Dreiser, Hilde Domin, Julien Gracq, Hilaire Belloc, Vladimir Korolenko, Eimear McBride, Graeme C. Simsion”

Dolce far niente, F. Starik, Michael Longley, Theodore Dreiser, Graeme C. Simsion

Dolce far niente

 

 
Amsterdam, Kostverlorenvaart

  

Kleine vooruitzichten 4

Ik fiets nog altijd naar huis.
Langs de Kostverlorenvaart zie ik
het schip Ambitie varen. Diepliggend,
als gevuld met slap zand.

De gangboorden maken veel water.
Zijdelings weggewerkt, terug in de gracht.
Rondpompen is het devies. Niks geen verlies.
Minder is later. En later weer minder.

Ik dacht aan Jan Kostwinder,
die ons kort geleden heeft verlaten.
Hij hield tenminste echt van veel praten.
Veel van echt praten.

Het onstuitbare praten
dat de eenzame doet. Hij wil niet, hij moet.
Ik niet, ik niet, dat zeg ik. Ik groei een baard.
Dat ziet. Men moet zich nuttig maken.

 

 
F. Starik (Apeldoorn, 1 juli 1958)

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, F. Starik, Michael Longley, Theodore Dreiser, Graeme C. Simsion”

Dolce far niente, Rainer Maria Rilke, Michael Longley, Hilde Domin, Graeme C. Simsion

Dolce far niente

 

 
De regenboog door Willem Roelofs, 1875

 

Vor dem Sommerregen

Auf einmal ist aus allem Grün im Park
man weiß nicht was, ein Etwas fortgenommen;
man fühlt ihn näher an die Fenster kommen
und schweigsam sein. Inständig nur und stark

ertönt aus dem Gehölz der Regenpfeifer,
man denkt an einen Hieronymus:
so sehr steigt irgend Einsamkeit und Eifer
aus dieser einen Stimme, die der Guß

erhören wird. Des Saales Wände sind
mit ihren Bildern von uns fortgetreten,
als dürften sie nicht hören was wir sagen.

Es spiegeln die verblichenen Tapeten
das ungewisse Licht von Nachmittagen,
in denen man sich fürchtete als Kind.

 

 
Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Blik over de Moldau richting de burchtwijk van Praag door Jaroslav Setelik, 1920.
Rilke werd geboren in Praag.

Doorgaan met het lezen van “Dolce far niente, Rainer Maria Rilke, Michael Longley, Hilde Domin, Graeme C. Simsion”