H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

 

Bezichtiging der landerijen
Aan Johan Egberink

Boekelo op twee mijlen van hier waar
oom Jan Tolstoj las achter de ploeg. Zijn zoon
rijdt ons over zijn landerijen;daar licht groen
naast de kalkovens der koeltanks het sein

op dat de constellatie verraadt van
de alerte apparatuur. Het kalfje
slobbert uit een emmer, uit de weiden loopt
op zijn gemak het vee de loopstal in.

De beekjes zijn er nog, één maïsakker en
dikbestoft de draaibank van mijn moeders
oud-oom: timmerman die in delirium

ten onder ging. Meimaan op de weiden, en
op het water in het grindgat. Hectaren
dicht aaneen. De frambozen, de boomgaard heen.

 

Rondeel

Oud gereedschap mensheid moe
zwierf door de zeeën en de landen
stem- en roemloos als kontrabande
oud gereedschap mensheid moe,
zonk onder voetstap en haaietanden
sloot nerf en handvat, handgreep toe
oud gereedschap mensheid moe
stierf toegetakeld onder stranden
onder velden, pleinen, onder toe-
gesloten ogen, schedels, handen
werd ingemetseld achter wanden
als Suster Bertken droef te moe,
oud gereedschap mensheid moe.

 

De eg

Een grote trom van anekdoten is de grond.
Eg aan de muur, die is daarvan ver weg.
Eg is ingescheept voor een reis die niet komt.

Mollenschrik; fetisj de opgehangen eg,
van de specie in de muur, van de stofruit
en de dakpan omlaagrollend naar de grond

Optekenaar, dronken van grond, geen egel
onnozele hals savonds drinkend uit de snelweg,
vluchtigheid van asfalt kleurend met tijd.

Het doet mij stilstaan te zien hoe hij
hangt of schommelt: een spotter
zoetjes rottend in het weer en de winden.

Hij schreef formules in de grond, halm
groeide dan hoog en groen tot je de grond
niet meer zag; eg. De grond was dan weg.

Nee geen tederheden, verbannen diepte.
Hang maar verga maar bedenk maar er
staan er meer tegen de muur, eg

 
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)

 

De Nederlandse dichter, essayist en classicus Piet Gerbrandy werd geboren in Den Haag op 17 september 1958. Zie ook alle tags voor Piet Gerbrandy op dit blog.

 

In ruimten kruipen spinnen tussen buizen.
Ik wil het beest verslaan dat mij vergalt.

Tong slaat zich rauw op gril van elpen klippen.
Hoofd breekt zich over bron van lijfsbehoud.

Ik wil de pleisters van de goten rukken.
Het voorwerp dat mij stilt smeult in de hoek.

Blijmoedig wil ik wanhoop wijn inschenken.
Wat kan zal ooit en erger dan verwacht.

Ik wil ver heen mij nergens voort bewegen.
Ik zoek een bergzame plek om neer te zijgen.

Ik zal een feest begaan dat mij bevalt.

 

Drie muzen

I
Wij zitten, lui ter hand, op rug
van wijzen danig om ons heen
te denken.

Zo vinden wij de boomgrens
goed geregeld en waarderen
wij ontbreking van de dood.

Dat er de vrouw bestaat
met rondingen van zachtst
graniet, geen koude hoeken

van een zeer kristal, geen
snijdend erts, maar magma
zonder weerga, zint.

Ook dat zij vaak wel weet
waarom iets is.

 
Piet Gerbrandy (Den Haag, 17 september 1958)

 

De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook alle tags voor William Carlos Williams op dit blog.

Kora In Hell: Improvisations I

1
Fools have big wombs. For the rest?—here is pennyroyal if one knows to use it. But time is only another liar, so go along the wall a little further: if blackberries prove bitter there’ll be mushrooms, fairy- ring mushrooms, in the grass, sweetest of all fungi.

2
For what it’s worth: Jacob Louslinger, white haired, stinking, dirty bearded, cross eyed, stammer tongued, broken voiced, bent backed, ball kneed, cave bellied, mucous faced—deathling,—found lying in the weeds “up there by the cemetery.” “Looks to me as if he d been bumming around the meadows for a couple of weeks.” Shoes twisted into incredible lilies: out at the toes, heels, tops, sides, soles. Meadow flower! ha, mallow! at last I have you. (Rot dead marigolds—an acre at a time! Gold, are you?) Ha, clouds will touch world’s edge and the great pink mallow stand singly in the wet, topping reeds and a closet full of clothes and good shoes and my-thirty-year’s-master’s-daughter’s two cows for me to care for and a winter room with a fire in it—. I would rather feed pigs in Moonachie and chew calamus root and break crab’s claws at an open fire: age’s lust loose!

3
Talk as you will, say: “No woman wants to bother with children in this country”;—speak of your Amsterdam and the whitest aprons and brightest doorknobs in Christendom. And I’ll answer you: “Gleaming doorknobs and scrubbed entries have heard the songs of the housemaids at sun-up and—housemaids are wishes. Whose? Ha! the dark canals are whistling, whistling for who will cross to the other side. If I remain with hands in pocket leaning upon my lamppost—why—I bring curses to a hag’s lips and her daughter on her arm knows better than I can tell you—best to blush and out with it than back beaten after.

 
William Carlos Williams (17 september 1883 – 4 maart 1963)
Cover

 

De Amerikaanse schrijver Ken Kesey werd geboren in La Junta (Colorado) op 17 september 1935. Zie ook alle tags voor Ken Kesey op dit blog.

Uit: Sometimes a Great Notion

“Recalling this, and the wise doctor’s words, I relaxed my grip on the armrests and pulled the lever to recline the seat. Hell, I sighed, exiled even from the sanctuary of insanity. What a drag. Madness might have been a good way to explain terror and excuse anarchy, I mooned, a good whipping boy to blame in the event of mental discomfort, an interesting avocation to while away the long afternoon of life. What a crashing drag … But then … on the other hand, I decided, as the bus thundered slowly through town, you never can tell: it might have constituted as bad a drag as sanity. You would probably have to work too hard at it. And at times, almost certainly, a little sneak of memory would slip past your whipping boy and you would be whacked just as hard as ever by that joker’s bladder of reality, of pain and heartache and hassle and death. You might hide in some Freudian jungle most of your miserable life, baying at the moon and shouting curses at God, but at the end, right down there at the damned end when it counts … you would sure as anything clear up just enough to realize the moon you have spent so many years baying at is nothing but the light globe up there on the ceiling, and God is just something placed in your bureau drawer by the Gideon Society. Yes, I sighed again, in the long run insanity would be the same old cold-hearted drag of too solid flesh, too many slings and arrows, and too much outrageous fortune. I reclined my seat another notch and closed my eyes, trying to resign myself that there was nothing I could do about this runaway anarchy I had hold of but wait for the pharmaceutical pilot to come on and take over the controls and let me sleep. But the pills seemed uncommonly slow in coming on. And in this ten- or fifteen-minute wait—the billowing; the ringing; the bus, empty but for its solitary passenger in the back, huffing and whooshing through the town—before the barbiturates took effect … I was forced at last to consider those questions I had been skirting so skillfully. Like: “What in the shit you hope to accomplish running back home?” I knew that all that obscure Oedipal pap I had fed Peters about measuring up or pulling down might be approaching some kind of truth . . . but even if I were able to bring off one of these coups, what did I hope to accomplish? And like: “Why should one want to wake up dead anyway?’ If the glorious birth-to-death hassle is the only hassle we are ever to have . . . if our grand and exhilarating Fight of Life is such a tragically short little scrap anyway, compared to the eons of rounds before and after—then why should one want to relinquish even a few precious seconds of it? And—thirdly—like: “If it’s such a goddamned hassle—why fight it?”

 
Ken Kesey (17 september 1935 – 10 november 2001)
Cover

 

De Nederlandse toneel- en kroniekschrijver en essayist Abel Herzberg werd geboren in Amsterdam op 17 september 1893. Zie ook alle tags voor Abel Herzberg op dit blog.

Uit:Meat and vegetables

“Matzes: Iedereen weet, dat de Joden aan de vooravond van hun Paasfeest de seideravond vieren, die veel, veel ouder is dan de weg naar Rome. In de christelijke overlevering is de seideravond bewaard gebleven als het heilige avondmaal en uiteraard volledig van inhoud veranderd. Er zit namelijk buitengewoon weinig heiligs in de seideravond, het is bijna allemaal profaan wat de klok slaat. Men werpe mij nu niet tegen, dat de seideravond een godsdienstig gebruik is. Want afgezien daarvan, dat men erover kan twisten wat onder ‘heiligheid’ in de Joodse godsdienst moet worden verstaan, wijst het opheffen of het sublimeren van materiële, historische feiten tot religieuze gebruiken, niet op het belang der religie, maar op dat van die feiten. En op de seideravond wordt niets anders dan een materieel, historisch feit herdacht, te weten de uittocht uit Egypte, de afwerping der slavernij, de geboorte der nationale zelfstandigheid, kortom, zo iets als de oorlog 1940-1945. De vrome mensen zeggen, dat dit door de hand van God is geschied, maar ook als men dit erkent, belet dat niemand om in te zien dat het het wereldse, het politieke gebeuren geweest is, hetwelk diepe en blijvende indruk gemaakt heeft.
Het jongste kind van het gezin stelt op seideravond de beroemde vier vragen naar de betekenis van het ritueel, dat het daar voor zich ziet. De eerste vraag betreft de betekenis van de matzes.
De vader geeft antwoord. Hij toont de matzes, die hij voor zich heeft liggen, en zegt: ‘Dit is het brood der ellende, dat onze voorouders hebben gegeten bij hun uittocht uit het land, waar zij door Pharao werden onderdrukt’. En hij vertelt, hoe dat zich heeft toegedragen, hoe er bij die uittocht geen tijd was om het brood te doen rijzen, en hoe die voorouders toen ongegist of ongezuurd brood hebben gegeten. Waaraan hij toevoegt: ‘Niet één geslacht is uitgetrokken, maar van geslacht tot geslacht moet ieder zich beschouwen als ware hij zelf slaaf in Egypte geweest, en als ware hij zelf bevrijd’. De kinderen luisteren en ondergaan de gebeurtenis (zij zal zich vijf en dertig eeuwen geleden hebben afgespeeld) als hun eigen actualiteit.”

 
Abel Herzberg (17 september 1893 – Amsterdam, 19 mei 1989)
Cover biografie

 

De Indiase dichter, schrijver, schilder en regisseur Dilip Purushottam Chitre werd geboren op 17 september 1938 in Baroda. Zie ook alle tags voor Dilip Chitre op dit blog.

The Felling of the Banyan Tree

My father told the tenants to leave
Who lived on the houses surrounding our house on the hill
One by one the structures were demolished
Only our own house remained and the trees
Trees are sacred my grandmother used to say
Felling them is a crime but he massacred them all
The sheoga, the oudumber, the neem were all cut down
But the huge banyan tree stood like a problem
Whose roots lay deeper than all our lives
My father ordered it to be removed

The banyan tree was three times as tall as our house
Its trunk had a circumference of fifty feet
Its scraggy aerial roots fell to the ground
From thirty feet or more so first they cut the branches
Sawing them off for seven days and the heap was huge
Insects and birds began to leave the tree

And then they came to its massive trunk
Fifty men with axes chopped and chopped
The great tree revealed its rings of two hundred years
We watched in terror and fascination this slaughter
As a raw mythology revealed to us its age
Soon afterwards we left Baroda, for Bombay
Where there are no trees except the one
Which grows and seethes in one’s dreams, its aerial roots
Looking for the ground to strike.

 
Dilip Chitre (17 september 1938 – 10 december 2009)

 

De Oostenrijkse dichter en schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Zie ook alle tags voor Ludwig Fleischer op dit blog.

Uit: Nichts als die Wahrheit

„Mit den Kneipensperrstunden in engem und wertvollem Zusammenhang steht das Jugendschutzgesetz, welches Jugendliche am Alkoholgenuss in der Öffentlichkeit hinde
rt. In fast allen Kneipen müssen junge oder jung wirkende Menschen ihre identity card bei sich haben und vorweisen. Nur, wenn aus derselben hervorgeht, dass man zumindest achtzehn Jahre alt ist, darf man ein Bier trinken. Viele Bars und Pubs haben das Alkoholschutzalter auf zwanzig, einige sogar auf dreiundzwanzig Jahre angehoben. Wer nicht wenigstens wie Vierzig aussieht, muss sich ausweisen, selbst, wenn er bereits drei akademische Grade erworben oder den Nobelpreis für Chemie erhalten hat. Englische Jugendliche betrinken sich zu Hause bei ihren mit ihnen überforderten Eltern, im dormitory ihrer private school, in den Parks oder Fußballstadien.
Es gibt Restaurants, in denen aus nicht näher bekannten Gründen – regulations nennt sie der Besitzer üblicherweise – kein Alkohol ausgeschenkt werden darf. Es ist dem Gast allerdings freigestellt, die eine oder andere Flasche Wein ins Lokal mitzunehmen; gern werden ihm Wirt oder Wirtin einen Korkenzieher und ein Weinglas zur Verfügung stellen. In Anbetracht der britischen Kochkunst ist es angenehmerweise ziemlich gleichgültig, ob man zum Lamm in Pfefferminzsauce, den Schweinswürsten mit Erdäpfelmatsch, der Pizza mit Pommes Frites oder den Ravioli auf versengten Toastscheiben Blauburgunder, Tee, Coca Cola oder Hustensaft trinkt.
Es sind aber noch zahllose andere regulations in Kraft, die Ordnung in den englischen Alltag bringen: Zum Beispiel das queuing-up system auf Postämtern, Banken, Reise- und Versicherungsbüros. Die hinter Panzerglas verschanzten und mit Mikrophonen ausgestatteten Bediensteten haben ein wachsames Auge für Verstöße gegen Schlangenstandregeln und verweigern jedem, der sich nicht angestellt hat – weil er zum Beispiel der einzige Kunde ist – unweigerlich die erheischte Dienstleistung. Schlange zu stehen hat man auch bei Bushaltestellen, Fahrkartenschaltern und Theatertageskassen, wobei jede dieser Institutionen ihr eigenes queuing-up system vorschreibt.“


Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

 

De Franse dichteres en schrijfster Albertine Sarrazin werd geboren op 17 september 1937 in Allgiers. Zie ook alle tags voor Albertine Sarrazin op dit blog

Verona Lovers

Sur les frais oreillers de marbre ciselé
Où fane un lours feston de corolles savantes
Se confondent sans fin les amants aux amantes
Qui se sont fait mourir du verbe ensorcelé

Avares du vieillir ô vous enviez-les
D’avoir sur le tremplin des extases silentes
Laissé ce million de minutes naissantes
Et bien royalement le monde tel qu’il est

Cette nuit-là comme il s’aimèrent sans mensonge
Quelque pouce géant dans sa toute bonté
A fait rouler leurs yeux hors des coffres du songe

Cependant que très loin sur les terres bénies
Les violons têtus enchantaient les Asies
Et riaient de tendresse leurs divinités

 
Albertine Sarrazin (17 september 1937 – 10 juli 1967)
Cover

 

De Engelse dichteres schrijfster Mary Stewart werd geboren op 17 september 1916 in Sunderland. Zie ook alle tags voor Mary Stewart op dit blog.

Uit: The Moonspinners

“Did you ever hear the legend of the moonspinners?’
‘The what?’
‘Moonspinners. They’re naiads — you know, water-nymphs. Sometimes, when you’re deep in the countryside, you meet three girls, walking along the hill tracks in the dusk, spinning. They each have a spindle, and onto these they are spinning their wool, milk-white, like the moonlight. In fact, it is the moonlight, the moon itself, which is why they don’t carry a distaff. They’re not Fates, or anything terrible; they don’t affect the lives of men; all they have to do is to see that the world gets its hours of darkness, and they do this by spinning the moon down out of the sky. Night after night, you can see the moon getting less and less, the ball of light waning, while it grows on the spindles of the maidens. Then, at length, the moon is gone, and the world has darkness, and rest, and the creatures of the hillsides are safe from the hunter and the tides are still . . .’
Mark’s body had slackened against me, and his breathing came more deeply. I made my voice as soft and monotonous as I could.
‘Then, on the darkest night, the maidens take their spindles down to the sea, to wash their wool. And the wool slips from the spindles, into the water, and unravels in long ripples of light from the shore to the horizon, and there is the moon again, rising from the sea, just a thin curved thread, reappearing in the sky. Only when all the wool is washed, and wound again into a white ball in the sky, can the moonspinners start their work once more, to make the night safe for hunted things . . .’
Beyond the entrance of the hut, the moonlight was faint, a mere grayness, a lifting of the dark… not enough for prying eyes to see the place where Mark and I lay, close together, in the dark little hut. The moonspinners were there, out on the track, walking the mountains of Crete, making the night safe, spinning the light away.”

 
Mary Stewart (17 september 1916 – 9 mei 2014)
Scene uit de gelijknamige film uit 1964

H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

Gehoorzaam de wesp

Gehoorzaam de wesp
en zijn angel: zet
zoetigheid op tafel
Geliefkoosde dranken

Onder de linden
is het goed toeven,
kleverig
met een wesp op je glas

De wet van de wesp
is ouder dan wielen
hard als gesloten water
in de winter

Tot prinsjesdag, in september
leven de wespen, daarna
gaan zij op reces en
sterven een voor een

 

De benzinepomp

Strogele vogelschrik
wreed gestroomlijnd

’s nachts op zijn mooist
in de benzineboomgaard,

verjaagt noch verschrikt:
lokt de koplamp.

Tondelzwam,
vuurgevaarlijk

niet gedetermineerd
door Linnaeus.

Eksters leidt hij langs
’t nikkel in de kassa,

de plukkers drenkt hij
in de boomgaard.

Romp zonder armen,
mokkend crucifix;

een zwam, onwelriekend
aan de muur van stallen.

Aluminium
dagen, ijzeren jaren

kloppend op de snelweg
voedt zijn boodschap.

Benzinepomp,
vijfde evangelieschrijver!

Zuilenheilige
die zijn volgelingen

toeroept ‘Vlieg
naar de koperen einder!

Daar is de zoetheid.
Daar hangt de vrucht’.

 

Klein Hoefblad

Hoefblad werpt zijn heel verre van
gloeiende sterren op de groene planeet,
trillende schijnsels in de winterwind:
ze zweven en staan toch bijna stil.

Niet erg dichtbij, op een stuk of wat
parsecs, brandt de Orionnevel op ’t groot
gasveld; sterren vóór duizend eeuwen,
bloeiden op, t uur dat de verkenner

scheepging, zijn al bijna roemloze
reis naar de planeet, na parsecs geland.
Rondziend (op zijn stengel) fluistert hij
‘Orion’, pluis bootst de lichten na.

‘Alles zo klein hier’, seint hij stil
naar de Orionnevel: hoefblad blijft hier,
gast uit het blauw die zijn missie vergat,
onontraadseld, fbi en radar ten spijt.

 
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)
Cover

Doorgaan met het lezen van “H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart”

H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook mijn blog van 17 september 2010 en eveneens alle tags voor H. H. Ter Balkt op dit blog.

De intocht

Bosranden; belynxte daken. Veestapel mild bestierd,
Magusanus vereerd, en in de braamstruiken dropen bij
tijd en wijle wolven, everzwijnen af; rook trouw baken
wanneer je verdwaald was; runen wezen altijd de weg.

Toen dreunde, een dag, intocht van de taal, beelden
op munten verstomd, bliksemend weerlicht op mijlpalen;
toen bestonden wij pas: geschiedenis nam ons in, met
heldere weefsels, citroenen, ingekrastheid en wijn.

Intocht wees onze plaats aan: rebellie! Maar eerst
vervaardigden wij nog bakstenen, bouwden kazernes op,
boden onze rogge aan, wildbraad; langs hun straatweg.

Overwonnenen. Maar nu bestonden wij pas. Hoe machtig
hun wereld waarin bliksems heersten, getemde tekens
die alles verlichten! Wij staken de koppen bij elkaar.

 

Doods Droom Doos

Wat je niet denkt of raadt
Wat niet op je afrijdt
Op weg of straat, slaapt nog
In de Doods Droom Doos

Wat je niet zegt of vermoedt
Wat je niet overpeinst
Schenkt je zoeter dan room
Doods, Doods Droom Doos

Genadige hoop, concreter
Dan windroos en hondsroos
Verlaat ons niet, blijf weg
Van Doods, Doods Droom Doos.

 

Erger nog

‘Erger nog, Nederland begint zijn kracht
te verliezen,’ karmiakt een manifest uit
Nul 4; koude wind over de waterzuivering
aan de Zwartewaterallee bij de nertsfarm.

Chichele de aartsbisschop die de koning
de expeditie naar Frankrijk aanried, rust
oorlogen ten spijt in vol ornaat en ook
zonder, op zijn tombe in Canterbury en ja

het mooie oog van de maanvis trok van zee
naar koude zee, bij Katwijk; maar zijn oog
dat niet langer leefde bleef, wijdgeopend
nog altijd menselijk en bijna levend kijken.

 
H.H. ter Balkt (17 september 1938 – 9 maart 2015)
Doorgaan met het lezen van “H.H. ter Balkt, Piet Gerbrandy, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Dilip Chitre, Ludwig Roman Fleischer, Albertine Sarrazin, Mary Stewart”

Ludwig Roman Fleischer, Dilip Chitre, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Oostenrijkse schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009 en ook mijn blog van 17 september 2010

 

Uit: Seewinkler Dodekameron

„Das Zeichenbuch

Wieder einmal Probleme mit dem vaterlosen Vaterhaus im Grenzdorf. Andreas ist in der Stadt geblieben, bei der Mutter, und wird nach der Mutter greinen: vaterloses Einzelkind. Seufzend lenkt sie ihren Kleinwagen an der gedrungenen Kirche vorbei in die Untere Hauptstraße: zwei Reihen ebenerdig hingeduckter Vaterhäuser, deren bestes die Fassade ist. Hier wohnt ein halb bankrotter Landwirt, da ein versoffener Winzer, dort ein Jungbauer, der keine Frau bekommt, weil er Jungbauer ist. Die Dorfmehrheit wird von Nebenerwerbstätigen und Alten gestellt, die Jungen pendeln oder wandern ab: ein Niemandsland, in dem sich jeder Ort hundertfach wiederholt, dazwischen grenzenlose Leere, wie geschaffen, sie mit eigenen Bildern zu füllen.
Sie parkt den Wagen vor dem Haustor, zwischen den beiden Rasenrechtecken, so, wie Tante Agathe es nie haben wollte, denn wozu haben wir die Einfahrt? Im Grenzdorf wird alles hinter geschlossenen Toren verwahrt. Der Rasen ist vor kurzem gemäht worden, von der Nachbarin, die dafür an jedem Neujahrstag für zwölf Monate im voraus bezahlt werden muß.
Sie öffnet ihre Handtasche und kramt nach dem Schlüssel. Dein Vaterhaus mußt du halt jetzt ganz allein erhalten, gell, Andrea, ich mit meiner Mindestrente kann dir nicht helfen. Um Tante Agathes Drachennüstern zuckte es mißbilligend. Sie hatte Andrea die Scheidung nie verziehen. Schon für den Buben mußt du das Haus erhalten, der ist ja schließlich der Stammhalter. Euch jungen Leuten geht’s zu gut, drum könnt’s ihr nicht zusammenhalten.“

 

fleischer

Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

Doorgaan met het lezen van “Ludwig Roman Fleischer, Dilip Chitre, Albertine Sarrazin, Mary Stewart”

H.H. ter Balkt, William Carlos Williams, Ken Kesey, Abel Herzberg, Ludwig Roman Fleischer, Dilip Chitre, Albertine Sarrazin, Mary Stewart, Jonas T. Bengtsson

De Nederlandse dichter H.H. (Herman Hendrik) ter Balkt werd geboren in Usselo op 17 september 1938. Zie ook mijn blog van 19 september 2006 en  mijn blog van 19 september 2007 en ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

 

China, Juni

De dichter is maar blinde
vlier, hij kreunt en zingt
in de wind die in hem klimt

In juni bloeiden op dat plein papaver en gentiaan
(die elkaars geheime zwijgende geliefden zijn)
Demonische kweekgras-wortels mokten …Bloemkronen
lokten duizend plukkers uit hun schaduw

Woest doemden voerlieden op in hun maaidorsers
van steen waarvan de stenen wielen ratelden; hard
snerpten zwepen in de stenen hand van de menners
die neermaaiden de papaver en de gentiaan

De dichter is maar blinde
vlier, hij zwijgt en zinkt in de wind
die aan hem wringt

 

Hymne aan de walnotenboom

Blijf af van de vruchten van de walnotenboom,
schud niet aan zijn takken en zijn stam,
wie zich de vruchten toeëigent, wie beslag legt,
liefdeloos, die zal het niet goed gaan.
Wie de walnotenboom pijnigt, zal omvallen.
Lang leve de walnotenboom, moge hij leven in vreugde.
Hij is de eenhuizige rijkdragende.
Hem kwaad berokkenen is er niet bij.
Het zegel beschermt hem. Het onverzwakte schild houdt stand.
Niemand steelt van de walnotenboom.
Die het wel doen die zullen zeker inslapen.
Negen kruiden beschermen de walnotenboom.
Fladder weg, ruisende spoken.
Fladder weg, dertien plagen en pijnen.
Es Yggdrasil moet wel een walnotenboom zijn.
Helder zijn in voorjaar en zomer de bladeren.
Blijf met je licht.

 

De tijd

De tijd is een mesjokkeme dokter.
Van kerkhofdrek druppelt zijn ketting.
Zijn jas van zwachtels en knechting
Is de vlag van ’t land van de boktor.

Onder het uithangbord met de adder
Hield ie eerste spreekuur in Eden.
Een klokhuis zit sindsdien in de appel
En de ratelslang rijdt door de steden.

Vermomd als Dokter, Zandloper en Joker
Brouwt ie in zijn kolven de zwarte loper.
Doofpotten: zalfpotten met zachte zalven,
Eeuwen streek ie ze leeg aan de galgen.

 terbalkt

H.H. ter Balkt (Usselo, 17 september 1938)

 

De Amerikaanse dichter William Carlos Williams werd geboren in Rutherford (New Jersey) op 17 september 1883. Zie ook mijn blog van 18 september 2006 en ook mijn blog van 17 september 2007 en ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

Children’s Games

I
This is a schoolyard
crowded
with children

of all ages near a village
on a small stream
meandering by

where some boys
are swimming
bare-ass

or climbing a tree in leaf
everything
is motion

elder women are looking
after the small
fry

a play wedding a
christening
nearby one leans

hollering
into
an empty hogshead
II
Little girls
whirling their skirts about
until they stand out flat

tops pinwheels
to run in the wind with
or a toy in 3 tiers to spin

with a piece
of twine to make it go
blindman’s-buff follow the

leader stilts
high and low tipcat jacks
bowls hanging by the knees

standing on your head
run the gauntlet
a dozen on their backs

feet together kicking
through which a boy must pass
roll the hoop or a

construction
made of bricks
some mason has abandoned

breughel

 Brueghel, Kinderspelen (detail), ca. 1560

III
The desperate toys
of children
their

imagination equilibrium
and rocks
which are to be

found
everywhere
and games to drag

the other down
blindfold
to make use of

a swinging
weight
with which

at random
to bash in the
heads about

them
Brueghel saw it all
and with his grim

humor faithfully
recorded
it.

williams

William Carlos Williams (17 september 1883 – 4 maart 1963)
Zelfportret, 1914

 

De Amerikaanse schrijver Ken Kesey werd geboren in La Junta (Colorado) op 17 september 1935. Zie ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

Uit: One Flew Over the Cuckoo’s Nest

„Ten-thirty Public Relation comes in with a ladies’ club following him. He claps his fat hands at the day-room door. “Oh, hello, guys; stiff lip, stiff lip… Look around, girls; isn’t it so clean, so bright? This is Miss Ratched. I chose this ward because it’s her ward. She’s, girls, just like a mother. Not that I mean age, but you girls understand…”

Public Relation’s shirt collar is so tight it bloats his face up when he laughs, and he’s laughing most of the time I don’t ever know what at, laughing high and fast like he wishes he could stop but can’t do it. And his face bloated up red and round as a balloon with a face painted on it. He got no hair on his face and none on his head to speak of; it looks like he glued some on once but it kept slipping off and getting in his cuffs and his shirt pocket and down his collar. Maybe that’s why he keeps his collar so tight, to keep the little pieces of hair out.

     Maybe that’s why he laughs so much, because he isn’t able to keep all the pieces out.

     He conducts these tours — serious women in blazer jackets, nodding to him as he points out how much things have improved over the years. He points out the TV, the big leather chairs, the sanitary drinking fountains; then they all go have coffee in the Nurses’ Station. Sometimes he’ll be by himself and just stand in the middle of the day room and clap his hands (you can hear they are wet), clap them two or three times till they stick, then hold them prayerlike together under one of his chins and start spinning. Spin round and around there in the middle of the floor, looking wild and frantic at the TV, the new pictures on the walls, the drinking fountain. And laughing. What he sees that’s so funny he don’t ever let us in on, and the only thing I can see funny is him spinning round and around out there like a rubber toy — if you push him over he’s weighted on the bottom and straightaway rocks back upright, goes to spinning again. He never, never looks at the men’s faces…

kesey

 Ken Kesey (17 september 1935 – 10 november 2001)

 

De Nederlandse toneel- en kroniekschrijver en essayist Abel Herzberg werd geboren in Amsterdam op 17 september 1893. Zie ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

Uit: Amor fati (Vertaald door Jack Santcross,)

The last train

On 8 April 1945, five or six empty trains, each some fifty wagons long, were standing in the station of the small town of Belsen on Luneburg Heath. The station consisted only of a number of platforms, three or four parallel to one another, and a couple more adjoining at an angle. There was no sign of any station building or waiting room. There was also no ticket office or ticket barrier. None of those was needed. The station was the loading and unloading point for the inhabitants of the extensive neighbouring barracks and the series of camps which, by means of the many side roads leading off the main road, and barred by one barrier after another, one barbed wire fence after another, and flanked by all kinds of watchtowers, were accessible only to the chosen. The chosen were prisoners of war, political prisoners, and Jews. None of us knew how many people were concentrated there.

Taking all the different groups and sections together, it may have been a hundred thousand.

When a German tells you that he knew nothing of the camps or of the conditions that prevailed there, he may not be lying. However, it does not exonerate him. The question is, whether he could and should have known. Whatever, the S.S. liked secrecy. Perhaps because it instils greater fear than openness does. To let a nation guess and suspect that ‘somewhere, something terrible is happening’ is perhaps a more effective means for a police state to rule by than to tell it the truth.

Something else may have played a part as well. When a cat has caught something tasty, it drags it to a corner where it can feast in secret. That, more or less, is how the S.S. dragged its prey to a secret place where it feasted behind closed doors.

The trains on the so-called station of Bergen-Belsen consisted partly of coal wagons. A few were covered with a kind of improvised, tattered tarpaulin. Most were open. When the Russians began to push forward in Poland, prisoners were transported in these wagons for days and nights on end, for weeks on end, through rain, snow, frost, and storm, often without food or water, from east to west. The

Germans abandoned everything, except their prey.“

herzberg

Abel Herzberg (17 september 1893 – Amsterdam, 19 mei 1989)

 

 

De Oostenrijkse schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

Uit: Aus der Schule oder Europaanstalt Mayerlingplatz

“Werfel war mit der Gattin von Gustav Mahler verheiratet”, stößt die Kandidatin – eine bleiche Blondine mit Pippi Langstrumpf-Zöpfen – hervor. Externistenmatura-Vorprüfer Urner nimmt es nickend hin, während Beisitzer Terlaner den Satz auf den Umschlag seines Notizbuchs schreibt, ein Grinsen unterdrückend.
Kleinschriftsteller Terlaner ist mehrbereichsliterarisch tätig: beisitzend (des Beisitzerhonorars wegen, das die Monatsalimentation für seine Tochter abdeckt), beischreibend (der für sein neuestes work in progress interessanten Zitate wegen), beilesend (wegen seiner Anstaltsjubiläums-bedingten Arbeit am Leben des Anstaltsnamensgebers Ruprecht Mayerling). Der erste Gipsabdruck der Dichterbüste steht jetzt auf einem Blumentisch in Willi Musters Direktionszimmer: ein Ficus mußte WunibaWeinstöckls Opus weichen. Das Originalabbild der Originalabbilder des Originals wird anläßlich des Festaktes in der Anstaltsaula enthüllt werden. Terlaner verhüllt den allen Lebenden längst entstorbenen Dichterschädel mit dem Willkürrealismus seines eigenen Zeitalters.
“Sie war darauf erzogen worden, daß sie sich an einen Mann bindet”, sagt Pippi Langstrumpf über eine Schädelfigur Handkes, “aber schließlich hat sie sich ein Kind mit der Nadel abgetrieben.”
“Nicht nur eine kriminelle Handlung, sondern auch eine Sünde wider den Glauben, nicht wahr,” nickt Urner, ich danke Ihnen, Frau Kandidatin, das ist also würde ich sagen ein Befriedigend, nicht wahr?”

 fleischer

Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

 

De Indiase dichter, schrijver, schilder en regisseur Dilip Purushottam Chitre werd geboren op 17 september 1938 in Baroda. Zie ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

The Rains

Through her blood’s lightly layered
Hazy darkness
Lightning flashes out branches of my being
When, through intoxicated wet leaves,
The sudden stirring that’s the month of Ashadha
Passes tenderly like a slight shiver.
And there remains
Only she
Of the trees, among the trees, for the trees:
Woman smelling of the season.

 

They Tell Me Your Colour is Blue

They tell me your colour is blue
My life-breath feeds on your inspiring luminous pastures
All that stands still or moves has turned into grass
In celebration of your much-extolled blueness

It is also said that you are unfathomable
Those who know your exact whereabouts say so on oath
I am happier to realise you in your lost but similar addresses
In your nature that spurns all limits

All awareness turns over
In a winking of your eyes
Your serpentine power looms throughout your being
It shows us our destined parts in your vast anatomy

You – from the number one to its zillionth decimal – are
A unique curvature unto yourself
That has no outer shell nor has any inner space.

 

Vertaald door de dichter

 chitre

 Dilip Chitre (17 september 1938 – 10 december 2009)

 

De Franse dichteres en schrijfster Albertine Sarrazin werd geboren op 17 september 1937 in Allgiers. Zie ook mijn blog van 17 september 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

Uit: La Traversière

Je fais l’escale-beauté au bistrot du bas de la côte où le car fait terminus ; puis je monte la rampe, ralentissant chaque pas, le coeur battant dans la gorge… D’autres épouses, d’autres parents aussi attendent devant le portail, des valises et des paquets à la main. Je donne mes papiers au surveillant-portier et je m’assois sur une borne du porche, dans la chaleur, face à la chapelle Cézanne, le dos tourné aux familles : je n’ai pas de colis de linge moi, je préfère envoyer des paquets postaux avec beaucoup de scotch et d’emballages pour embêter la personne chargée de les défaire — on a des bonnes en prison, on ne décachette, on ne dépapillote jamais rien sans l’aide du Personne — et puis, ça m’ennuie de gaspiller même une seconde de précieux parloir pour m’entretenir de trous de chaussettes avec mon mari.

Oh ! Lou, je viens à toi timidement, presque religieusement, j’entre en ta prison comme en un grand sanctuaire, j’avance ailée sur les graviers de la nef…

… Il semble qu’on ait toujours été là, qu’on y sera toujours, les doigts passés dans les trous du grillage, à s’échanger les yeux et les lèvres en silence, retrouvés au-delà des pelures —le droguet et le brassard-matricule, la robe toute neuve— loin du bourdonnement des autres qui enchérissent leurs gueulantes pour se faire entendre, loin de cet alignement de tête-à-tête, de cet enchevêtrement de duos”.

sarrazin

Albertine Sarrazin (17 september 1937 – 10 juli 1967)

 

De Engelse schrijfster Mary Stewart werd geboren op 17 september 1916 in Sunderland. Zie ook mijn blog van 12 sepember 2008 en ook mijn blog van 17 september 2009.

Uit: The Crystal Cave

„The day my uncle Camlach came home, I was just six years old.

I remember him well as I first saw him, a tall young man, fiery like my grandfather, with the blue eyes and reddish hair that I thought so beautiful in my mother. He came to Maridunum near sunset of a September evening, with a small troop of men. Being only small, I was with the women in the long, old-fashioned room where they did the weaving. My mother was sitting at the loom; I remember the cloth; it was of scarlet, with a narrow pattern of green at the edge. I sat near her on the floor, playing knuckle-bones, right hand against left. The sun slanted through the windows, making oblong pools of bright gold on the cracked mosaics of the floor; bees droned in the herbs outside, and even the click and rattle of the loom sounded sleepy. The women were talking among themselves over their spindles, but softly, heads together, and Moravik, my nurse, was frankly asleep on her stool in one of the pools of sunlight.

When the clatter, and then the shouts, came from the courtyard, the loom stopped abruptly, and with it the soft chatter from the women. Moravik came awake with a snort and a stare. My mother was sitting very straight, head lifted, listening. She had dropped her shuttle. I saw her eyes meet Moravik’s.

I was halfway to the window when Moravik called to me sharply, and there was something in her voice that made me stop and go back to her without protest. She began to fuss with my clothing, pulling my tunic straight and smoothing my hair, so that I understood the visitor to be someone of importance. I felt excitement, and also surprise that apparently I was to be presented to him; I was used to being kept out of the way in those days. I stood patiently while Moravik dragged the comb through my hair, and over my head she and my mother exchanged some quick, breathless talk which, hardly heeding, I did not understand. I was listening to the tramp of horses in the yard and the shouting of men, words here and there coming clearly in a language neither Welsh nor Latin, but Celtic with some accent like the one of Less Britain, which I understood because my nurse, Moravik, was a Breton, and her language came to me as readily as my own.“

stewart

Mary Stewart (Sunderland, 17 september 1916)

 

Onafhankelijk van geboortedata:

De Deense schrijver Jonas T. Bengtsson werd geboren in 1976 in Kopenhagen. In 2005 werd hij bekroond met de Deense debutantenprijs voor zijn roman Amina’s brieven. Submarino, zijn tweede roman, verscheen in 2007 en werd in 2010 verfilmd door Thomas Vinterberg. Deze film streed mee om de prijzen tijdens de Berlinale. Voordat hij begon met het schrijven van romans werkte Bengtsson voor de Deense tv-zender DR-TV. Geboren en getogen in de wijk Brønshøj woont hij nu in de wijk Nordvest in Kopenhagen.

Uit: Submarino (Vertaald door Günther Frauenlob)

„Das Fitnesscenter liegt im ersten Stock eines alten Fabrikgebäudes. Die Tür geht auf, er kommt die Treppe herunter und sieht sich mit abwesendem Blick um. Nichts auf der Welt kann diesen Mann jemals aus der Ruhe bringen. Er ist groß, hat dicke Muskeln und sehr wenig Fett. Durch sein weißes Netzhemd sieht man die Tätowierung, die fast seinen ganzen Oberkörper bedeckt. Ein Spinnennetz, das sich am Hals bis in seine kurzen blonden Haare emporzieht. Er kratzt sich die Tätowierung im Nacken, bleibt neben mir stehen und blickt zu Boden. »Was?«, fragt er. Nicht, wo oder wie sollen wir es erledigen, sondern bloß: was. Er blickt nicht auf. Beim Stoff gibt es nur die Welt der Dealer. Und die führen sich auf, wie sie wollen. Er ist Dealer, ich bin Kunde. Verschwunden ist die Höflichkeit von vorhin, als wir im Umkleideraum Kontakt aufgenommen haben. Jetzt zählt nur noch, dass er das hat, was ich haben will. Ich deute mit der Hand an, dass er mir folgen soll. Er geht hinter mir und ich höre, wie er auf den Boden spuckt. Wir gehen um das Gebäude herum. Die Tür der Fabrikhalle steht offen. Das Licht fällt durch die dreckigen Fenster. Auf dem Boden stehen die großen verdreckten Maschinen, die zurückgelassen worden sind, und rostiges Eisen. „Willst du jetzt was kaufen?“ Dann entdeckt er Kamal hinter der Tür. Neben Kamal steht einer der Ringer aus dem Center oben. Der Typ mit der Tätowierung wirft mir einen Blick zu. Dann richtet er seine Aufmerksamkeit auf Kamal. Will etwas sagen, als Kamal das Wort ergreift. „Bei mir wird nichts verkauft.“ Der Tätowierte nickt langsam und fährt mit der Hand in seine Sporttasche. Kamal macht einen Schritt nach vorn und tritt ihm in den Bauch. Der Typ klappt zusammen und geht zu Boden. Kamal hebt die Tasche auf und wirft sie dem Ringer zu. Sammi, auch so ein muskulöser Typ, der sich mit Steroiden auskennt. Er sieht furchteinflößend aus, aber ich weiß, dass er nur für die Optik dabei ist. Kamal war nordischer Meister im Thaiboxen. Er hat seinen Titel ein paar Jahre lang verteidigt und dann den Spaß an der Sache verloren. Ich kenne niemanden, der so schnell ist. Kamal ist wieder total ruhig. »Du sollst hier nicht dealen, ist das klar? So einfach ist das.« Er spricht, als frage er jemanden nach Zucker für seinen Kaffee.“

bengtson

Jonas T. Bengtsson (Kopenhagen, 1976)

 

Ludwig Roman Fleischer, Dilip Chitre, Albertine Sarrazin, Mary Stewart

De Oostenrijkse schrijver Ludwig Roman Fleischer werd geboren op 17 september 1952 in Wenen. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

Uit: Aus der Schule oder Europaanstalt Mayerlingplatz

 

„Direktor Willi Muster hat durch den Bombenalarm nichts an Schwung eingebüßt. Schläue litzt aus seinen Äuglein, von denen sich Lustfältchen bis zu den Ohren kerben, der Schnurrbart zittert über einem Strahlelächeln, der ganze Mann vibriert wie ein Vertreter, der drauf und dran ist, eine Jahrhundertprovision zu verdienen. Qualitätsschule, Mitarbeiter, um die man mich beneidet, unsere Anstalt allen anderen wieder einmal um Jahre voraus.

Muster erläutert ein neues Corporate-Identity-Logo, das er in den letzten Ferientagen gemeinsam mit einigen Vorzugslehrern entworfen hat: ein vierblättriges Kleeblatt, in dem sich die Worte Dynamik, Offenheit, Globalität und Praxisbezogenheit um das Kürzel Mayer-WIFASCH samt der Kringelschlange des Verbandes Christlicher Kaufleute gruppieren. Das Emblem symbolisiere das Selbstbild des “Betriebes”, den “Schwung unserer Anstalt”. Die werte Kollegenschaft möge über eine entsprechende Bezeichnung für das Logo nachdenken, vielleicht gebe es bereits spontane Ideen. “Schwungpropeller”, schlägt Terlaner vor, “christliches Verbandszeug.” Muster lächelt ignorativ. “Eventuell sollten wir uns im Anschluß an die Konferenz etwas überlegen. Nun aber zu einem, ich möchte sagen: künstlerischen Unterfangen …” Endlich kann der Direktor sein Ruprecht Mayerling-Büstenprojekt enthüllen.“

 

Fleischer

Ludwig Roman Fleischer (Wenen, 17 september 1952)

 

 

De Indiase dichter, schrijver, schilder en regisseur Dilip Purushottam Chitre werd geboren op 17 september 1938 in Baroda. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

 

 

Ich lach. Ich wein.

Ich lach. Ich wein. Ich zünde Kerzen an. Trink Alkohol.
Die Augen noch schmutzig von Liebe. Der Mund
Verdreckt von Gesang. Gedichte wachsen wie Läuse mir im Haar.
Sagte der Romantiker. Saß in einer Kneipe in Bombay.
Die Holzbänke geschwärzt vom Schweiß der Jahre.
Die nackte Birne warf ihren dürftigen Schleier in den Raum.
Die Madonna und das Gotteskind verblaßten an der Wand.
Wir gossen noch etwas Soda zur Tragödie und spülten sie hinab.
Einer sagte Asien steht in Flammen. Ein andrer es wird aufwärts gehn mit Indien.
Draußen lag Bombay wie Erbrochnes. Phosphoreszierend in der Nacht.
Verzeih und unsre Unwissenheit und unsern gestauten Verkehr Herr.
Den schalen Geruch der Paarung hinter Blumengardinen.
Vergib uns unsern Kollektivlärm und unsre Stimmlosigkeit.
Aus solch grandiosen Visionen fallen wir hinaus in schlammige Gassen.
Wir laufen und entgehen dabei knapp dem Leben um ein Uhr
Morgens wenn eben endet unser Tag.

 

 

Vertaald door Lothar Lutze

dilipchitre

Dilip Chitre (17 september 1938)

 

 

De Franse dichteres en schrijfster Albertine Sarrazin werd geboren op 17 september 1937 in Allgiers. Zie ook mijn blog van 17 september 2008.

 

Il y a des mois que j’écoute

 

Il y a des mois que j’écoute
Les nuits et les minuits tomber
Et les camions dérober
La grande vitesse à la route
Et grogner l’heureuse dormeuse
Et manger la prison les vers
Printemps étés automnes hivers
Pour moi n’ont aucune berceuse
Car je suis inutile et belle
En ce lit où l’on n’est plus qu’un
Lasse de ma peau sans parfum
Que pâlit cette ombre cruelle
La nuit crisse et froisse des choses
Par le carreau que j’ai cassé
Où s’engouffre l’air du passé
Tourbillonnant en mille poses
C’est le drap frais le dessin mièvre
Léchant aux murs le reposoir
C’est la voix maternelle un soir
Où l’on criait parmi la fièvre
Le grand jeu d’amant et maîtresse
Fut bien pire que celui-là
C’est lui pourtant qui reste là
Car je suis nue et sans caresse
Mais veux dormir ceci annule
Les précédents Ah m’évader
Dans les pavots ne plus compter
Les pas de cellule en cellule

 

Sarrazin

Albertine Sarrazin (17 september 1937 – 10 juli 1967)

 

Rectificatie:

 

De Engelse schrijfster Mary Stewart werd geboren op 17 (en niet 12) september 1916 in Sunderland. Zie ook mijn blog van 12 sepember 2008.

 

Uit: The Ivy Tree

 

I might have been alone in a painted landscape. The sky was still and blue, and the high cauliflower clouds over towards the south seemed to hang without movement. Against their curded bases the fells curved and folded, blue foothills of the Pennines giving way to the misty green of pasture, where, small in the distance as hedge-parsley, trees showed in the folded valleys, symbols, perhaps, of houses and farms. But in all that windless, wide landscape, I could see no sign of man’s hand, except the lines — as old as the ridge and furrow of the pasture below me — of the dry stone walls, and the arrogant stride of the great Wall which Hadrian had driven across Northumberland, nearly two thousand years ago.

The blocks of the Roman-cut stone were warm against my back. Where I sat, the Wall ran high along a ridge. To the right, the cliff fell sheer away to water, the long reach of Crag Lough, now quiet as glass in the sun. To the left, the sweeping, magnificent view to the Pennines. Ahead of me, ridge after ridge running west, with the Wall cresting each curve like a stallion’s mane.

There was a sycamore in the gully just below me. Some stray current of air rustled its leaves, momentarily, with a sound like rain. Two lambs, their mother astray somewhere not far away, were sleeping, closely cuddled together, in the warm May sunshine. They had watched me for a time, but I sat there without moving, except for the hand thatlifted the cigarette to my mouth, and after a while the two heads went down again to the warm grass, and they slept.”

 

stewart

Mary Stewart (Sunderland, 17 september 1916)

James Frey, Gust Van Brussel, Mary Stewart, Hannes Meinkema, Stanislaw Lem

De Amerikaanse schrijver James Frey werd geboren op 12 september 1969 in Cleveland. Zie ook mijn blog van 12 september 2007.

Uit: My Friend Leonard

 

On my first day in jail, a three hundred pound man named Porterhouse hit me in the back of the head with a metal tray. I was standing in line for lunch and I didn’t see it coming. I went down. When I got up, I turned around and I started throwing punches. I landed two or three before I got hit again, this time in the face. I went down again. I wiped blood away from my nose and my mouth and I got up I started throwing punches again. Porterhouse put me in a headlock and started choking me. He leaned towards my ear and said I’m gonna let you go. If you keep fighting me I will fucking hurt you bad. Stay down and I will leave you alone. He let go of me, and I stayed down.

I have been here for sixty-seven days. I live in Men’s Module B, which is for violent and felonious offenders. There are thirty-two cells in my module, thirty-two inmates. At any given time, there are between five and seven deputies watching us. All of us wear blue and yellow striped jumpsuits and black, rubber-soled slippers that do not have laces. When we move between rooms we walk through barred doors and metal detectors. My cell is seven feet wide and ten feet long. The walls are cement and the floor is cement and the bed is cement, the bars iron, the toilet steel. The mattress on the bed is thin, the sheets covered with grit. There is a window in my cell it is a small window that looks out onto a brick wall. The window is made of bulletproof glass and there are bars on both sides of it. It affords me the proper amount of State required sunlight. Sunlight does not help pass time, and the State is not required to provide me anything that helps pass time.

My life is routine. I wake up early in the morning. I brush my teeth. I sit on the floor of the cell I do not go to breakfast. I stare at a gray cement wall. I keep my legs crossed my back straight my eyes forward. I take deep breaths in and out, in and out, and I try not to move. I sit for as long as I can I sit until everything hurts I sit until everything stops hurting I sit until I lose myself in the gray wall I sit until my mind becomes as blank as the gray wall. I sit and I stare and I breathe. I sit and I stare. I breathe.”

 

 

james_frey

James Frey (Cleveland, 12 september 1969)

 

De Vlaamse schrijver Gust Van Brussel werd geboren in Antwerpen op 12 september 1924. Van Brussel volgde Grieks-Latijnse humaniora, maar moest vanwege de Tweede Wereldoorlog zijn studie stopzetten. Hij werd bediende en klom op tot hoofd van de Public Relations van een bekende bank in Antwerpen. Hij organiseerde talloze belangrijke evenementen, tentoonstellingen, concerten en prijskampen en realiseerde de uitgave van verschillende unieke boeken. In 1957 debuteerde hij met maar liefst zes dichtbundels tegelijk. Sindsdien publiceerde hij talrijke andere boeken waaronder een tiental romans en drie science-fictionboeken.

 

Uit: Keizer Sus den eerste

 

“Er zat een stijve bries. Zo noemen ze dat in de zeemanstaal aan de jachthaven. Vroeger was dat een oord waar uitsluitende rijke boggers kwamen, mensen met poen, die zich een boot konden permitteren.
Daar ziet ge nog de relikwieën van de sjieke chalet van de jachthaven. Want de Antwerpse jachthaven heeft haar helden, die als een baron de Gerlache vroeger alle zeeën bevaren hebben, tot in het ijs van Nova Zembla toe. Dat was de tijd van de aristocratie, van de zeemanskunst grote klasse. Als ge alleen maar met een kromme rug aan een paar roeispanen kon trekken, had ge niet de minste kans om er binnen te geraken.
Ge waart daar vroeger trouwens niet zo graag gezien als ge niet tot de clan behoorde.
Nu is dat ondertussen veel democratischer geworden. Hoewel er toch een elite van waternoblesse gebleven is. Als ge ze mocht geloven zijn die met hun dure zeilboten, zelfs met zware wind,
tot in’t Kattegat geraakt. ’t zal wel meer Sluis zijn geweest, maar kom ge moet die mensen maar hunne stoef gunnen.
De top van de zeemanskunde werd natuurlijk gevormd door de allerlaatste kapiteins, die nog rond Kaap Hoorn gevaren ha
dden met een zeilboot. De Cape Horners, die van orkanen en ijsbergen nogal wat meer wisten dan een sjamfoeter, die het over een straffe storm had met baren van zo hoog! Maar de Cape Horners, dat waren nog eens mannen met baarden geweest! Voor zo’n kastaars waart ge toch maar een triestige Tist als ge niet tussen donder en bliksem over huizenhoge golven had gevaren. Met zo’n zeebonken moest ge ’t minstens over windkracht 12 hebben, of ge mocht niet meespreken. Van de top van een tsunami naar de diepten waar alleen bathyscafen durven komen, naar beneden duiken, dat was weinig zeebonken gegeven. Meestal hadden ze het in die heldenverhalen over een onverschrokken kapitein, die ze vroeger gekend hadden, want van die hele echte, schoten ze niet veel meer over.”

vanbrussel

Gust Van Brussel (Antwerpen, 12 september 1924)

 

 

De Engelse schrijfster Mary Stewart werd geboren op 12 september 1916 in Sunderland als Mary Florence Elinor Rainbow . Nadat zij haar Master of Arts Degree van de universiteit van Durnham behaald had onderwees zij daar Engels tot 1945 totdat zij trouwde met Sir Frederick Stewart. Tien jaar later verscheen haar eerste roman „Madam, will you talk?“. Sindsdien schreef zij meer dan twintig romans, hoorspelen en kinderboeken. Veel van haar werk werd verfilmd. In 1961 won zij voor „My Brother Michael“ de Crime Writers Association Silver Dagger. Haar drie beroemdste boeken „The Crystal Cave“ (1970), „The Hollow Hills“ (1973) en The Last Enchantment“ (1979) draaien om koning Arthur en de tovenaar Merlijn.

 

Uit: Madam, Will You Talk?

 

“The whole affair began so very quietly. When I wrote, that summer, and asked my friend Louise if she would come with me on a car trip to Provence, I had no idea that I might be issuing an invitation to danger. And when we arrived one afternoon, after a hot but leisurely journey, at the enchanting little walled city of Avignon, we felt in that mood of pleasant weariness mingled with anticipation which marks, I believe, the beginning of every normal holiday.

No cloud in the sky; no sombre shadow on the machiolated walls; no piercing glance from an enigmatic stranger as we drove in at the Porte de la Republique and up the sun-dappled Cours Jean-Jaures. And certainly no involuntary shiver of apprehension as we drew up at last in front of the Hotel Tistet-Vedene, where we had booked rooms for the greater part of our stay.

I even sang to myself as I put the car away, and when I found they had given me a room with a balcony overlooking the shaded courtyard, I was pleased.

And when, later on, the cat jumped on to my balcony, there was still nothing to indicate that this was the beginning of the whole strange, uneasy, tangled business. Or rather, not the beginning, but my own cue, the point where I came in. And though the part I was to play in the tragedy was to break and re-form the pattern of my whole life, yet it was a very minor part, little more than a walk-on in the last act. For most of the play had been played already; there had been love and lust and revenge and fear and murder–all the blood-tragedy bric-a-brac except the Ghost–and now the killer, with blood enough on his hands, was waiting in the wings for the lights to go up again, on the last kill that would bring the final curtain down.

How was I to know, that lovely quiet afternoon, that most of the actors in the tragedy were at that moment assembled in this neat, unpretentious little Provencal hotel? All but one, that is, and he, with murder in his mind, was not so very far away, moving, under that blazing southern sun, in the dark circle of his own personal hell. A circle that narrowed, gradually, upon the Hotel Tistet-Vedene, Avignon.”

 

stewart_writing_07

Mary Stewart (Sunderland, 12 september 1916)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster  Hannes Meinkema werd op 12 september 1943 geboren in Tiel. Zie ook mijn blog van 12 september 2007.

 

 

Eventjes
– voor Maja –

ik ga eventjes werken zegt ze tegen de kinderen
eventjes
moeten jullie me niet storen

en de precieze beelden die ze maakt
zijn de schrijnende en
levenslange
bronsgeworden veelheid van gevoel
van iemand die als ze het niet langer uithoudt
eventjes
in de auto voor de deur alleen moet zitten zijn.

 

Meinkema

Hannes Meinkema (Tiel, 12 september 1943)

 

De Poolse schrijver Stanislaw Lem werd geboren op 12 september 1921 in Lwów. Zie ook mijn blog van 12 september 2006.