Maarten Doorman, Marie Howe

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

V. Huszar, Compositie II. Schaatsenrijders
(1917)

Niet de luchten, het okeren licht,
geen kale bomen,
niet een vergezicht van kinderen met sleetjes,
de vogels noch de rode zon komen
op dit gestolde water voor.

Hier wordt gereden
op het scherpst van de snede
tussen iets nog van ijspret
en de laatste stap
van louter kleur en vlak.

Hier slaan schaatsers
steeds trager hun slagen,
vallen net niet
in de onzichtbare vrieskou
uiteen.

Waar het landschap, waar aandacht ontbreekt,
blijft geen figuur op de been.
Geen figuur blijft, als niet alleen
dat evenwicht wordt betracht.

 

Granada (42o)

Hier regent het tot de laatste snik,
de rivieren zijn hier
een herinnering aan later,
liefde is in deze dorpen
zoals Italiaanse populieren
de cypressen van Nederland zijn.
Hitte bonst in het zenit,
plast water bij de wijn,
morst her en der mierzoete dranken.

Het stof, liefste, maakt je woorden dof,
je zegt je hebt dorst
maar in deze dorpen
is liefde een herinnering om later te lessen,
is liefde
een kind dat spuugt naar de zon.

 

Hunebedden

Ze stonden op verkeerde grond,
verzonken niet en bleven niet
als veenlijken bewaard.

Zo lang konden ze niet gelegen hebben
of ze woeien open tot skelet,
uitgespaard de stenen
en bleven niet, een hunebed
is niet meer
dan wat er niet in is:

een tram in de remise, een café
na sluitingstijd, een autoloze zondag,
minder nog dan wat er
niet in is,
een hoopje keien plotseling in een bos.

 

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Amerikaanse dichteres Marie Howe werd geboren in 1950 in Rochester, New York. Zie ook alle tags voor Marie Howe op dit blog.

 

Gebed

Elke dag wil ik met je praten. En elke dag vraagt iets belangrijkers
mijn aandacht – de drogist, de schoonheidsproducten, de bagage

Ik moet inkopen doen voor de reis.
Zelfs nu kan ik hier nauwelijks zitten

tussen de vallende stapels papier en kleding, de vuilniswagens buiten
die zo knarsen en piepen.

De mystici zeggen dat je zo dicht bij mij bent als mijn adem.
Waarom vlucht ik voor jou?

Mijn dagen en nachten stromen als klachten door me heen
en worden een verhaal dat ik vergat te vertellen.

Help me. Zelfs terwijl ik deze woorden schrijf, ben ik van plan
op te staan zodra ik deze zin af heb.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Marie Howe (Rochester, 1950)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn blog van 9 juni 2019 en ook mijn blog van 9 juni 2018 deel 2.

Maarten Doorman, Bart Moeyaert, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Mirko Bonné, Charles Webb, Rudolf Borchardt, Willy Roggeman

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

Coasters (Après une nuit, sans rancune)

      We zijn weer buitengaats
in een fluistercampagne van grijzen.
Onze bewegingen, langzamer en royaler
       op de daagse golfslag,
worden plichtplegingen op afstand.

       Verder van elkaar
houden we kontakt
via radio Scheveningen. Ons wacht
eender haven in schakeringen
van zwart. Andere haven, eender nacht.

 

Ducunt volentem fata, nolentem trahunt (Seneca)

      Niet alleen het oudje tegen de wind
in langs de oever, ook de wielrenner
die haar tegemoet snelt met stampende sokken
en zelfs de minnaar aan
het water die langzamer kust omdat de tijd
zo schoksgewijs verstrijkt,

       alsmede de roeier: rugwaarts
glijdt hij voort en zijn blik beslaat
onverschrokken waarnaar zijn zog wijst.

       En wie zelf niet gaat
wordt getrokken.

 

IJskristallen

       Zo koud werd het in huis,
zo koud was de winter
dat we vastvroren
aan elkaar.

       Elke poging tot een gebaar
ging verloren in
splinters ijs op de huid.
Elk geluid werd flinterdun.

       Toen de dooi inviel
smolt ook de glasheldere pijn
die ons zo omzichtig had aangeraakt.

       O, dat ijskoud liefhebben
dat mijn samenzijn met jou
mogelijk maakt, onmogelijk maakt.

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

De Belgische dichter en schrijver Bart Moeyaert werd geboren in Brugge op 9 juni 1964. Zie ook alle tags voor Bart Moeyaert op dit blog.

Boomgaard

Kom hier, dat ik je bijt,
je als een appel eet,
en – zoals dat gaat –
van blijdschap
niet meer weet
waar ik mijn handen laat.
Je bent een boomgaard,
eigenlijk, waarvan ik graag
de vruchten pluk,
de bloesems ruik,
zoals vandaag.
Kijk maar:
weer raak ik hier
mijn handen kwijt,
nu ik je in mijn armen bijt
en als een appel eet,
en weet hoe liefde smaakt.

 

Sterk

Ik dacht dat het niet kon:
dat iets wat je niet ziet
je alle dagen draagt
en sterker maakt.
Alsof je spieren krijgt
van liefde.
En kijk, het klopt:
Het hart van oma
slaat nog altijd over
als ze opa ziet.
Maar nu hij oud is en te bed,
misschien nog net de hemel haalt,
loopt oma sinds een poosje
krommer en vraagt ze vaker
om mijn arm.
Zonder hem krijgt
ze het huis niet warm
en zelfs de hond
zakt zuchtend naast de luie stoel.
Dus is het waar
dat liefde spieren geeft
en op den duur
ook vuur.

 

Dood

De kamer en het bed
missen me niet, maar het
boeket houdt het daar
zonder mij misschien
nog één dag uit, dan moet
de engel die is aangeduid en
mij heeft weggebracht de pijn
verzachten en ook de bloemen
onderspitten of, als iemand
dat nog wil, ze tussen dikke
boeken drogen met iets liefs
erbij, ik denk aan: ‘roos’,
of wat nog beter is:
‘ter nagedachtenis’.

Bart Moeyaert (Brugge, 9 juni 1964)

 

De Amerikaanse schrijver Paul Beatty werd geboren op 9 juni 1962 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Paul Beatty op dit blog.

Uit: De verrader (Vertaald door Gerda Baardman en Bart Gravendaal)

“Veel vaders voeden die behoefte bij hun kinderen via moedwillige manipulatie die al in de prilste jeugd begint. Ze vinden het heerlijk hun kind op een vliegtochtje of op een ijsje op een koude dag te trakteren, of samen naar de Salton Sea en het natuurwetenschappelijk museum te gaan als het kind dat weekend bij hen is. De niet-aflatende goocheltrucs die dollars vanuit het niets lieten verschijnen en de psychologische manipulatie in de kijkwoning waardoor je dacht dat het uitzicht vanuit de tweede verdieping van het negentiendeeeuwse wonder in de heuvels, zo niet de hele wereld, binnenkort van jou zou zijn – het is allemaal bedacht om ons te laten denken dat ons leven zonder vaders en vaderlijke begeleiding een armzalig, Mickey Mouseloos ik-had-je-gewaarschuwd-bestaan zou zijn. Maar later, in je puberteit, na één toevallige straatbasketbalelleboog te veel, dronken middernachtsklappen op je harses, pufjes methamfetamine die in je gezicht worden geblazen, doormidden geknakte jalapeñopepers die over je lippen worden gewreven omdat je ‘fuck’ zei, terwijl je alleen maar net als papa wilde doen, kom je tot het besef dat de bevroren geneugten en de uitstapjes naar de wasstraat niets meer waren dan opvoeden onder valse voorwendselen. Listen en alibi’s voor hun eigen afgenomen geslachtsdrift, hun stagnerende nettosalaris en hun onvermogen te voldoen aan de verwachtingen van hun eigen vader. Het oedipale verlangen om de vader te behagen is zo machtig dat het alles regeert, zelfs in een buurt als de mijne, waar het vaderschap zich grotendeels in afwezigheid afspeelt, maar de kinderen toch plichtsgetrouw ’s avonds bij het raam zitten te wachten tot papa thuiskomt. Mijn probleem was natuurlijk dat papa altijd thuis was.
Nadat alle foto’s van het bewijsmateriaal waren genomen, de getuigen waren ondervraagd en de macabere moordgrapjes waren gemaakt, tilde ik zonder mijn milkshake te laten vallen mijn vaders doorzeefde lichaam onder de oksels op en sleepte hem met zijn hielen over de gekrijte omlijning, over de gele genummerde markers bij de patroonhulzen, over de kruising, over het parkeerterrein en door de dubbele glazen deuren. Ik zette mijn vader aan zijn lievelingstafel neer, bestelde zijn ‘gebruikelijke recept’ – twee chocolademilkshakes met ijs en een groot glas melk – en zette alles voor hem neer.
Aangezien hij vijfendertig minuten te laat was en bovendien dood, was de vergadering al begonnen, voorgezeten door Foy Cheshire, een in de vergetelheid rakende televisiepersoonlijkheid en voormalige vriend van mijn vader, die maar al te graag de leiderschapsvacature wilde opvullen. De situatie was even gênant. De sceptische Dum Dums die naar de zwaargebouwde Foy keken zoals de natie naar Andrew Johnson moet hebben gekeken nadat Lincoln was vermoord.
Ik slurpte luidruchtig het restje van mijn milkshake naar binnen. Het teken om door te gaan, want zo zou mijn vader het hebben gewild.”

Paul Beatty (Los Angeles, 9 juni 1962)

 

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Nachtvoorstelling

“Het is een grote schreeuwende, lachende, huilende bende, een bonkende teringzooi in mijn kop. Ik kan de man niet verstaan. Ik huil. ’Stil nou, alsjeblieft.’ Een knal voor mijn open ogen. Een vuist, zegelring, een fractie van een seconde, mijn vel scheurt open. ’Ik kijk je toch aan,’ hoor ik mijzelf jankend zeggen. De mensen lachen. Iedereen lacht. Zie mij staan!
Minstens honderd mensen staan op dit podium, de Markt. Maarten de Buit speelt vandaag de hoofdrol. Hij staat, in al zij glorie, in het middelpunt van de belangstelling in het licht van de schijnwerper, de lantarenpaal. Langzaam, tergend langzaam laat hij zijn hoofd zakken en kijkt neer op zijn lichaam. Hij ziet zijn opengerukte hemd en de grote rode bloedvlek op zijn witte shirt. Zal hij weten, dat het bloed is dat van zijn gezicht naar beneden druppelt? Voelt hij de druppels donkerrood vocht aan zijn kin hangen? Smeltende rode ijspegel. Het in grote getale opgekomen publiek geniet, het staat in opperste verbazing. Het koor zingt een kort stuk van de Johannes Passion: Wer hat dich so geschlagen? Onze held hangt bloedend aan de schandpaal.
Het is stil geworden. De wereld is heel even stilgezet. God geeft me een kort moment van rust. Ze slaan, schoppen niet meer. Alles gebeurt zo verschrikkelijk langzaam. Laat er iets gebeuren, laat er alsjeblieft iets gebeuren. Er wordt tegen me gepraat. ’Je blijft voortaan met je gore poten van m’n zus af.’ Ben ik gek geworden? Mijn ogen zijn nog maar half open. Ik kan alleen nog maar janken… Schreeuwend smeken. ’Alsjeblieft stop nou! ’ Geen genade. Zegelring. Bonken in mijn hoofd, vuisten voor mijn ogen, niijn neus, mijn lippen. Ik word weer overeind getrokken, tegelijkertijd twee stompen in mijn maag. Happen naar adem. Blijven ademen, alsmaar blijven ademen. De dikke plakken vocht in mijn mond doorslikken, anders krijg je geen adem meer. Mijn tong is opgezwollen, ik heb er te hard op gebeten. Het doet pijn. De smaak van bloed ligt op mijn tong. Een mengsel van janken en mompelen is mijn stem. ’Ik ken uw zus niet, alstublieft, laat me met rust.’ ’Vuile vieze klootzak! Jij teringlijer, ik venmoord je.’ Mijn handen grijpen naar de lantarenpaal om m’n lichaam te beletten opnieuw om te vallen. Geen nieuwe stompen meer in mijn maag. ’Het spijt me, ik smeek u…’ Ik hoor mijn eigen stem al bijna niet meer. Ik wankel en draai een halve slag, direct ligt er een hand op mijn schouder om mijn lichaam weer om te draaien. Een laatste vuist in mijn gezicht, alles klapt uit mekaar.”

Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)
Gouda

 

De Nederlands schrijver en jurist Antonius Martinus Henricus (Anton) Roothaert werd geboren in Tilburg op 9 juni 1896. Zoe ook alle tags voor Anton Roothaert op dit blog.

Uit: Doctor Vlimmen

“Die had toen een koe met uierontsteking en een zuigeling van zeven maanden, die hoestte. Treeborg zat toentertijd nog te krimpen in Diestel en hield er een eigen apotheekje op na. Zodra Vlimmen klaar was met de koe, legde Janus zijn vinger langs zijn neus en zei, dat meneer dokter toch ‘ns efkens binnen moest komen om naar de kleine te kijken: ‘Gullie hebt er toch ook wel wà verstand af,’ meende hij, ‘meer as wij.’ Het kindje had ’n zware kou gevat en hoestte erg lelijk en dokter Treeborg had ’n fles gegeven, toen het hoesten al bijkans gedaan was. Maar toen het kijnd één lepeltje van het fleske had gehad, begon ’t toch zo schrikkelijk lelijk te doen, dat dé vrouw en hij er bang van werden…
Vlimmen ontkurkte een fles van 300 cc. en schrok.
Zo’n slordig praeparaat had hij nooit aan een koe durven te geven. De terpentijn stonk de fles uit en de kamferschilfers dreven er duimdik bovenop. Hij keek eens in de wieg naar het kleine, iele bleekneusje en hier hielden alle vormen op.
‘Dit drankje is in ’t algemeen heel goed,’ zei hij en nam zich voor zeer voorzichtig te zijn, ofschoon hij al w}arm werd. ‘Maar er zijn wel kinderen, die er niet tegen kunnen. Dat noemen we idiosyncrasie…’ Hier hield hij beschaamd op. Begon hij ook al voor charlatan te spelen? Toch moest je zo’n woord eigenlijk minstens drie keer gebruiken, vooral wanneer je er zeker van was, dat het niet verstaan werd… ‘Enfin, als ik jou was, hield ik op met dat flesje en zou ik eerst eens aan de dokter vragen, of het niet mogelijk is, dat dit kind er niet tegen kan. Zeg maar, dat je van mij gehoord hebt, dat zo iets wel meer voorkomt.’
Idiosyncrasie… goeie grut! Van zo’n drankje zou ’n olifant op z’n kop gaan staan… Hij vond, dat hij erg correct gebleven was, maar enkele dagen later kwam hij de koe nog eens bezoeken en de boer wist te vertellen, dat het manneke kwaad was geworden tegen de vrouw en heel nijdig had gezegd, dat ze door moest gaan tot de fles leeg was en dat ze zich niets van al die bakerpraatjes moest aantrekken… Janus Oerlemans was zo verstandig geweest om de fles in de pompsteen te gieten en het ‘kijnd’ leefde nog. Vlimmen heeft het onlangs nog gezien; het is nu een aardig kereltje van een jaar of vijf, net als Dop… Zal hij liever met Dop naar een matinee van het circus gaan, of beter vanavond met Truus?
Als hij de wagen in de poort stuurt, komt Dop met een ontevreden gezicht op hem toe slenteren.”

Anton Roothaert (9 juni 1896 – 29 maart 1967)
Cover DVD  

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Mirko Bonné werd op 9 Juni 1965 in Tegernsee / Oberbayern. Zie ook alle tags voor Mirko Bonné op dit blog.

Uit: Lichter als der Tag

„Ab und zu wurde er gefeuert. Im Feuern waren die Briten Vorreiter.
Zum Leben brauchten Flori und er, die sich so lange schon kannten, nicht viel. Einer wie er untersagte sich jedes Vorwärtskommenwollen. Bloß das Licht vermisste er immer unbändiger, aber weder in den Midlands noch in Berlin gab es einen Fleck, an dem ein Strahlen am Himmel stand wie früher auf der Feldmark, nicht mal draußen am Müggelsee, wohin sie in ihren Berliner Jahren zum Wandern, Paddeln und Schwimmen fuhren und wo sie später, als Flori schon gut verdiente, ein Sommerhaus mieteten.
Unter dem Stahl-und-Glas-Dach des Hamburger Hauptbahnhofs stand das ersehnte Licht vielleicht an acht oder zehn Tagen im Monat, dann aber so, als hätte es sich des notorischen Schmuddelwetters wegen in die Halle zurückgezogen und würde nun dort aufbewahrt werden. Es schien zu warten, nicht bloß auf Reisende, die aus dem Zug stiegen und verblüfft waren von der Helligkeit, der Herrlichkeit, mit der die Hansestadt sie willkommen hieß; das Licht war eine Wohltat gerade für Einheimische wie ihn, die morgens vor dem Büro oder nach Feierabend über die Bahnsteige schlenderten, als wären sie Bahnangestellte in Zivil.
Merz spürte in dem Licht, dass es für einen wie ihn anscheinend nur weniges gab, für das sich zu leben wirklich lohnte. Kinder, ja. Freundschaft, ja. Und vielleicht Liebe, und vielleicht Erinnerungen. In dem Leuchten lag eine rätselhafte, warme Zuneigung, und vieles, was er erlebt hatte, war ihm nur verständlich, weil es in diesem Licht geschehen war.
Ein paar Tage, nachdem seine jüngere Tochter elf geworden war, fuhr er am Morgen mit ihr in die Innenstadt und brachte sie zum Zug. Lindas Klasse ging auf Klassenfahrt in den Schwarzwald, in ein Schullandheim im Kinzigtal. 23 Kinder und drei Lehrerinnen, dazu jede Menge aufgeregte Eltern, zumeist Mütter, warteten auf dem überfüllten Bahnsteig auf die Einfahrt des ICE, in dem für die Kids und ihre Aufpasser ein halber Waggon reserviert war. Es war ein Montagmorgen Anfang September, aber noch immer war das Ende des Hochsommers nicht in Sicht. Auf eine weitere drückend schwüle Woche sollten erneut lange Tage mit fast unerträglich heißen Temperaturen folgen.“

Mirko Bonné (Tegernsee, 9 juni 1965)

 

De Amerikaanse schrijver Charles Webb werd geboren op 9 juni 1939 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Charles Webb op dit blog.

Uit: The Graduate

“Thank you.”
He walked back to the window.
“What are you upset about,” she said.
“Some personal things.”
“Don’t you want to talk about them?”
“Well they wouldn’t be of much interest to you, Mrs. Robinson.”
She nodded and sat quietly on the bed smoking her cigarette and dropping ashes into the wastebasket beside her.
“Girl trouble?” she said.
“What?”
“Do you have girl trouble?”
“Look,” Benjamin said. “Now I’m sorry to be this way but I can’t help it. I’m just sort of disturbed about things.”
“In general,” she said.
“That’s right,” Benjamin said. “So please.” He shook his head and looked back out through the glass of the window.
Mrs. Robinson picked up her drink to take a swallow from it, then set it down and sat quietly until she was finished with her cigarette.
“Shall I put this out in the wastebasket?”
Benjamin nodded.
Mrs. Robinson ground it out on the inside of the wastebasket, then sat back up and folded her hands in her lap. It was quiet for several moments.
“The bathroom’s at the end of the hall,” Benjamin said.
“I know.”
She didn’t move from the bed but sat watching him until finally Benjamin turned around and walked to the door. “Excuse me,” he said. “I think I’ll go on a walk.”

Charles Webb (San Francisco, 9 juni 1939)
Scene uit een uitvoering in Brighton, 2018

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Rudolf Borchardt werd geboren op 9 juni 1877 in Königsberg. Zie ook alle tags voor Rudolf Borchert op dit blog.

Nebelhaus

I
Ich stieg auf Stufen zwischen Traum und Traum.
Sie hingen links und rechts an meiner Hand
Und blieben neben mir, wo ich still stand
Und Atem holte: denn ich lebte kaum.
Vor ihren Augen war ein Nebelflaum —
Spinnwobner Duft, entsetzenvolles Band —
Und Wand auf Wand vor ihren Händen schwand,
Vor ihren blinden Augen Raum auf Raum:

Im Schwung der Türen standen ich und sie
Vor einem Saal, der weit war wie ein Land,
Leer wie der Tod, und wie der Himmel hoch:
Am Boden lag zerrissen ein Gewand.
Auf einem Bette saß Melancholie.
Die Winde sangen und der Nebel flog.


II
Ich sprach: „Du schläfst. Dein Blick ist starr und weit;
Dein Haar, so schön es sei, ist wirr und schwer.
Dein wundervoller Leib ist odemleer.
Geh fort; steh auf; erwache; nimm dein Kleid.”
Sie schwieg; doch war ihr Mund vor Bitterkeit
So grauenhaft zu sehn, daß ich nichts mehr
Zu sprechen wagte, wie ich sprach vorher
Und also bleich dastand endlose Zeit.

Dann sprach ich einen süßen Namen aus —
Wie Kuß und Tränen lauteten die Laute —
Das Weib saß eisern und sah bodenwärts
Und lallte schlafend Gram und dumpfen Graus;
Indes ich stumm in ihre Augen schaute,
Vor Wut und Unglück schauderte mein Herz.

Rudolf Borchardt (9 juni 1877 – 10 januari 1945)
In 1935

 

De Vlaamse dichter en schrijver Willy Roggeman werd geboren in Ninove op 9 juni 1934. Zie ook alle tags voor Willy Roggeman op dit blog.

Nuages
tempo: blues)
       voor wijlen Django Reinhardt

 I
Ich stieg auf Stufen zwischen Traum und Traum.
Sie hingen links und rechts an meiner Hand
Und blieben neben mir, wo ich still stand
Und Atem holte: denn ich lebte kaum.
Vor ihren Augen war ein Nebelflaum —
Spinnwobner Duft, entsetzenvolles Band —
Und Wand auf Wand vor ihren Händen schwand,
Vor ihren blinden Augen Raum auf Raum:

Im Schwung der Türen standen ich und sie
Vor einem Saal, der weit war wie ein Land,
Leer wie der Tod, und wie der Himmel hoch:
Am Boden lag zerrissen ein Gewand.
Auf einem Bette saß Melancholie.
Die Winde sangen und der Nebel flog.

II
Ich sprach: „Du schläfst. Dein Blick ist starr und weit;
Dein Haar, so schön es sei, ist wirr und schwer.
Dein wundervoller Leib ist odemleer.
Geh fort; steh auf; erwache; nimm dein Kleid.”
Sie schwieg; doch war ihr Mund vor Bitterkeit
So grauenhaft zu sehn, daß ich nichts mehr
Zu sprechen wagte, wie ich sprach vorher
Und also bleich dastand endlose Zeit.

Dann sprach ich einen süßen Namen aus —
Wie Kuß und Tränen lauteten die Laute —
Das Weib saß eisern und sah bodenwärts
Und lallte schlafend Gram und dumpfen Graus;
Indes ich stumm in ihre Augen schaute,
Vor Wut und Unglück schauderte mein Herz.

Willy Roggeman (Ninove, 9 juni 1934)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn blog van 9 juni 2018 deel 2.

Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Jian Ghomeshi, Charles Webb, Rudolf Borchardt

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

IJskristallen

Zo koud werd het in huis,
zo koud als de winter
dat we vastvroren
aan elkaar.

Elke poging tot een gebaar
ging verloren in
splinters ijs op de huid.
Elk geluid werd flinterdun.

Toen de dooi inviel
smolt ook de glasheldere pijn
die ons zo omzichtig had aangeraakt.

O, dat ijskoud liefhebben
dat mijn samenzijn met jou
mogelijk maakt, onmogelijk maakt.


Ingevroren, bewaard (1)

Langs de slootrand gleed ik
naar beneden, gehurkt
op het ijs.
Alles was heel wit.

Ik wiste de sneeuw van het water
tot ergens zichtbaar
de diepte werd.

Daar zat een kikker heel stil
onder mijn voet, hij staarde
naar belletjes in het loden licht.

Koud streelde mijn kleine hand
het harde oppervlak.
Wij keken een andere kant op,
ik tegemoet.

  

Ingevroren, bewaard (2)

Zo had ik kort daarvoor gelegen
in het ziekenhuis,
een beetje schuin
bij een wand van glas.

Daarachter mochten mensen
bewegen: ik in mijn eigen verband
gewikkeld
peilde nog niet de afstand.

Die bleek heel klein,
ook toen de ruit weg was
lieten ze mij niet vallen.

Alleen op het ijs was ik alleen
met mijn dodehand.


Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

 

De Amerikaanse schrijver Paul Beatty werd geboren op 9 juni 1962 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Paul Beatty op dit blog.

Uit: De verrader (Vertaald door Gerda Baardman en Bart Gravendaal)

“Je hoort te huilen als je vader sterft. Het systeem te vervloeken omdat je vader dood is door toedoen van de politie. Je beklagen dat je tot de lagere middenklasse behoort en kleurling bent in een politiestaat die alleen rijke blanken en filmsterren van elk ras beschermt, al kan ik me even geen enkele Aziatisch-Amerikaanse ster voor de geest halen. Maar ik huilde niet. Ik dacht dat zijn dood een truc was. Een van zijn ingewikkelde plannetjes om me iets te leren over de positie van het zwarte ras en me te stimuleren iets van mezelf te maken, ergens verwachtte ik dat hij zou opstaan, het stof van zijn pak zou kloppen en zeggen: ‘Kijk nigger, als dit de slimste zwarte ter wereld kunt overkomen, stel je dan eens voor wat jij aan jouw stomme reet kan krijgen. Dat racisme dood is betekent niet dat ze niet nog steeds niggers zonder aanleiding neerschieten.’
Nou, wat mij betreft zal dat hele zwart-zijn me aan mijn reet roesten. Tot op heden heb ik, als het volkstellingsformulier weer eens in de bus valt, bij de vraag over ‘RAS’ altijd het vakje ‘anders’ aangevinkt en trots ‘Californiër’ ingevuld. Natuurlijk kwam er dan twee maanden later een volksteller aan de deur, die één keer naar me keek en zei: ‘Vuile nigger. Wat heb jij als zwarte tot je verdediging aan te voeren?’ En als zwarte heb ik nooit iets tot mijn verdediging aan te voeren. Vandaar de noodzaak van een motto dat ik, als we het hadden gehad, met geheven vuist zou uitschreeuwen om vervolgens de deur voor de neus van de overheid dicht te smijten. Maar we hebben er geen. Dus mompel ik ‘sorry’ en krabbel mijn initialen naast het vakje met ‘Zwart, Afro-Amerikaan, neger, lafaard’.
Nee, dat beetje inspiratie dat ik in het leven bezit, komt niet voort uit een gevoel van raciale trots. Het is afkomstig uit hetzelfde eeuwenoude verlangen dat grote presidenten en grote pretendenten heeft voortgebracht, en geboren captains of industry en captains van footballteams; het oedipale verlangen dat een man aanzet tot allerlei shit die we liever niet zouden doen, zoals een oefenwedstrijd basketbal spelen of met het buurjongetje op de vuist gaan, want in mijn familie beginnen we nooit, maar reken maar dat we het afmaken. Ik heb het alleen maar over die elementairste aller basisbehoeften, die van het kind om de vader te behagen.”

 
Paul Beatty (Los Angeles, 9 juni 1962)

 

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Nachtvoorstelling

“Het is de hoogste tijd. Ik moet zo snel mogelijk naar huis. Een knal voor mijn ogen kan ik krijgen. De vuist raakt mijn voorhoofd. Ik voel het vel boven mijn wenkbrauw scheuren, mijn huid barst open. Druppels bloed lopen in mijn ogen. Het prikt. Naar huis, dat is een droom. Mijn fiets is onbereikbaar, nog geen tien nieter van me vandaan. De man heeft zijn hand op mijn borst gelegd. Mijn lichaam zit klem tussen de hand op mijn borst en de lantarenpaal in mijn rug. Die ene hand is genoeg mij volledig te bedwingen, om mij volledig de baas te zijn. Een pink zou genoeg zijn. Geruisloos vallen de vuisten in mijn gezicht. De fietssleutels in mijn broekzak steken tegen mijn bovenbeen. Dat voel ik heel duidelijk, de rest is onwerkelijk. Het is alsof ik geen lichaam meer heb. Een klap op mijn hoofd. Mijn lip barst open. Het bloed stroomt mijn mond in, de rest stroomt naar buiten en druipt langs mijn kin. Ik probeer om me heen te kijken. Mijn ogen doen pijn. Ze zitten dichtgeplakt, dikke korsten van bloed houden mijn ogen bijna gesloten… De man is niet meer alleen, het zijn er nu twee of drie. Ik probeer hun gezichten te zien, maar gezichten hebben ze niet. Handen, vuisten. Een tand haalt de binnenkant van mijn wang open. De achterkant van mijn hoofd dreunt tegen de lantarenpaal elke keer als ik geslagen word. Ik tel de slagen in mijn gezicht. De knallen voor mijn kop. Het gebonk van vuisten op mijn ogen, mijn kin, mijn wangen. Het zoute zweet prikt in de open wonden. Mijn neus gloeit. Bij de vijfde klap zak ik door mijn benen en val op de grond. Mijn hoofd hangt langs mijn romp. Ik weet mijn handen voor mijn gezicht te krijgen. Dekking hoog houden Maarten! Ik merk dat ik op de grond lig, de keien steken in mijn vlees. Mijn gezicht is bloedheet. De hitte brandt alles weg. Verschillende handen trekken me weer omhoog, opnieuw tegen de lantarenpaal. Terechtgesteld. Ik word terechtgesteld! Mensen schreeuwen. Iedereen lacht en praat door elkaar, ik kan niemand meer verstaan. Niets. Iemand schreeuwt. Het is een kreet, ik kan geen woorden ontdekken. ’Kijk me godverdomme aan als ik tegen je praat! ’ Het is de man. Dit kan niet meer, het moet ophouden. Er zit een grote rode vlek op mijn overhemd. Het is bloed. Ze slaan me dood! Een klap in mijn maag. Ik ijl door alles heen. Ogen opendoen. Helder blijven. Het is niets anders dan een stomme poging om de man die voor me staat aan te kijken. Een verblindend licht stroomt mijn kop binnen, Het suist in mijn oren. De stemmen. Ze houden niet op.”


Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)

 

De Nederlands schrijver en jurist Antonius Martinus Henricus (Anton) Roothaert werd geboren in Tilburg op 9 juni 1896. Zoe ook alle tags voor Anton Roothaert op dit blog.

Uit: Doctor Vlimmen

“Treeborg geraakt in de war. Hij is er maar half met zijn hoofd bij, wachtte slechts op een opening om zichzelf te gaan huldigen en nu is de ander zo onbeleefd om de aandacht af te leiden… Waarom bemoeit hij zich ook met dien veebonk?….
De veebonk ziet, dat de feut de mop niet schijnt te snappen, is onmiddellijk overtuigd, dat het wel weer aan zijn eigen onhandigheid zal liggen, laat zijn mislukte komieken-ernst los en lacht nu dwaas maar verduidelijkend.
‘O, je bedoelt het circus?’ vraagt Treeborg intelligent, grijnst noodgedwongen mee en ergert zich. Maar de bomen gaan op en Vlimmen trapt zenuwachtig op de starter. Dan, met het gevoel of iemand anders het doet, steekt hij de hand op, zegt; ‘Nou, beterschap ermee!’, schrikt er zelf van en rijdt met een warm hoofd door.
Treeborg wuift even. ‘Adieu!’ Hij verwenst den veebonk van harte en spreekt met zichzelf af, dat het de laatste keer is geweest. Toch vindt hij het eigenlijk zeer ongepast, dat iemand als Vlimmen aan hèm het land durft te hebben, of liever: niet wat meer tegen hem opziet en begint terstond weer een ander verhaal te verzinnen ter ere van hemzelf.
Onderweg begroot Vlimmen de aangerichte schade… Het is zoals gewoonlijk weer van zelf misgelopen, zonder dat hij het eigenlijk wilde. Ondanks alles heeft hij toch een beetje ondeugend plezier, nu hij na jarenlange verwaarlozing niet dadelijk een pootje heeft gegeven… Toch is het stom! Die kletsmeier gaat zich nu wreken door nog wat intenser te roddelen en de kwast is overal haantje de voorste, heeft een brede kring van invloedrijke kennissen…
Hij herinnert zich het voorlaatste treffen met Treeborg, al jaren geleden… Een rechtstreeks treffen was het niet; ze troffen elkaar langs Janus Oerlemans van de Groenen Hoek.”


Anton Roothaert (9 juni 1896 – 29 maart 1967)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Mirko Bonné werd op 9 Juni 1965 in Tegernsee / Oberbayern. Zie ook alle tags voor Mirko Bonné op dit blog.

Uit: Lichter als der Tag

“Aus der Zeit, als er noch ein Junge gewesen war, kannte er ein Licht, das fand er später für sehr lange Zeit nur in der Bahnsteighalle seiner Stadt wieder, und auch nur an bestimmten Tagen. Er dachte oft darüber nach, woran es lag, dass etwa ein Tag Ende April dieses Leuchten hatte, aber einer Anfang Mai nicht. Doch er wartete auch einfach gern, und wenn er in der Mittags-pause mit der U-Bahn vom Hafen zum Hauptbahnhof fuhr, dann war er umso froher, wenn das Licht über-raschend da war. Einmal hatte er als Gymnasiast ein ähnliches Leuchten auf einem alten Gemälde gesehen, vor dem in einer Aus-stellung über Landschaftsmalerei seine Kunstlehrerin stehen geblieben war, um der Klasse etwas über den Impressionismus und seine Vorläufer zu erzählen. Das Bild, nicht sehr groß und eher unscheinbar, stammte von Camille Corot, spätsommerliche Bäume stellte es dar, Pappeln, Robinien, in der Ferne eine Hügelkette und im Vordergrund den Rand eines Feldes, an dem ein Land-arbeiter Getreide schnitt und eine Frau mit Kleid, Schürze und einer Haube auf dem Kopf dem Mann zusah. Wei-zenfeld im Morvan — was das bedeutete, wusste niemand, bis Moritz, sein bester Freund, ihnen erklärte, der Mor-van sei ein Landstrich im Burgund, ein mittelfranzösi-sches Granitmassiv. Auf Corots Gemälde schien alles in ein Licht getaucht, als würde man durch ein Fenster auf einen Sommertag blicken, der längst vergangen war und zugleich bis heute anhielt.
Der Himmel über der Stadt erschien Raimund Merz nie riesig oder gar endlos, selbst dann nicht, wenn er so hell-blau war wie das Kleid der Frau am Rand des Weizenfel-des auf dem Bild. Am Horizont, Richtung Hafen und Elbe, war allerdings des öfteren ein rosiger Schimmer zu sehen, und schon als Junge, wenn er mit den anderen Kin-dern über die Redder der Feldmark gelaufen war, hatte er sich an der Pracht des Hamburger Himmels gar nicht sattsehen können. Raimund Merz hatte nur wenig ver-misst, als er nach dem Abi und dem Zivildienst für ein paar verschenkte Semester nach England ging, angeblich um Biologie zu studieren; aber dieses Heimweh, eigent-lich ein Lichtweh, war nicht besser geworden, als er mit Mitte zwanzig zurückkam und für ein knappes Jahrzehnt nach Berlin zog, weil seine Frau es für ihren Werdegang und auch seinen vorteilhaft fand, wenn sie eine Zeit lang dort lebten, wo jeder lebte, der etwas aus sich und seinem Leben machen wollte. Merz hatte diesen um sich selbst kreisenden Ehrgeiz nicht. Floriane hatte ihn nach England begleitet. NVihrend er das Studium hinwarf und anfing, lustlos bei Zeitschriften zu jobben, studierte sie in Birmingham Zahnmedizin und auf Anraten ihrer Mutter dazu auch gleich Medizin. Von Anfang an sollte Flori Kieferchirurgin werden. Er blickte stattdessen in den Himmel und die Wollten an.“


Mirko Bonné (Tegernsee, 9 juni 1965)
Cover

 

De Italiaanse schrijver van Duitse afkomst Curzio Malaparte (pseudoniem van Kurt Erich Suckert) werd geboren in Prato Toscane, 9 juni 1898. Zie ook alle tags voor Curzio Malaparte op dit blog.

Uit: Kaputt (Vertaald door Hellmut Ludwig)

„Die Birkenruten hinterließen auf diesem schwammigen Fleisch ihre weißen Spuren, die sodann rot wurden und verschwanden. Ein beweglicher Wald von Birkenlaub erschien und verschwand an Himmlers Haut. Die nackten Männer hoben und senkten die Geißeln mit wütender Heftigkeit: Der Atem entfuhr mit kurzem Zischen ihren geschwellten Lippen. Himmler versuchte anfangs, sich abzuschirmen, indem er das Gesicht mit den Armen verdeckte und lachte; aber es war ein gezwungenes Lachen, das Wut und Angst verriet. Dann, als die Gerten ihm die Flanken peitschten, wand und krümmte er sich nach allen Seiten, schützte sich den Bauch mit den Ellbogen, stellte sich auf die Fußspitzen, zog den Hals zwischen die Schultern und lachte unter den Peitschenschlägen sein hysterisches Lachen, so als litte er mehr unter dem Kitzeln als unter den Streichen der Birkenreiser. Schließlich erspähte Himmler die offene Saunatür hinter uns und, die Arme vorstreckend, um sich Platz zu schaffen, bahnte er sich einen Weg, erreichte die Tür und, verfolgt von den nackten Männern, die nicht abließen, auf ihn einzupeitschen, entfloh er laufend zum Fluß hinüber und sprang ins Wasser.“


Curzio Malaparte (9 juni 1898 – 19 juli 1957)
Cover

 

De Canadese schrijver, muzikant en tv-en radiopresentatorpresentator Jian Ghomeshi werd geboren op 9 juni 1967 in Londen en groeide op in Thornhill, Ontario. Zie ook alle tags voor Jian Ghomeshi op dit blog.

Uit: 1982

“Mitch Toker carried a knife & had a reputation for being ‘wild’.  I had secretly hoped that Mitch would hook up with my older sister, Jila, when I was in Grade 7.  That way, he would have to like me so my sister wouldn’t break up with him.  I tried to get them together on at least 3 occasions.  But one day, when Jila came to meet me at Toke’s house on our way to the mall, Mitch made the wrong move.  Seems that as Jila was waiting outside, Mitch called down to her while hanging out of one of the upper windows with no clothing on.  Jila did not witness his whole naked body, but she could certainly see his bare chest…She [later] explained that she had not been impressed with Mitch’s insistence upon ‘dangling from the window & displaying his naked torso’… Things didn’t look too positive after that for a Mitch & Jila romance.”
(…)

“Experiencing a loss can make you forget about putting on airs. Maybe that’s what happened after I lost my Adidas bag. [Forbes threw it at Joan Jett during her set with The Blackhearts at the 1982 Police Picnic concert at the CNE.] Or maybe it was a genetic predisposition to react calmly to catastrophe. My father had a knack for bringing calm to a storm. He could react with impressive composure when truly horrible things went down…My father could be calm when we needed him to be. Maybe that had rubbed off on me.”

 
Jian Ghomeshi (Londen, 9 juni 1967)

 

De Amerikaanse schrijver Charles Webb werd geboren op 9 juni 1939 in San Francisco. Zie ook alle tags voor Charles Webb op dit blog.

Uit: The Graduate

“Ben?” Mr. Robinson said, holding out his hand. “I’ve got a client waiting for me over in Los Angeles.” Benjamin nodded and shook his hand. “Real proud of you boy,” Mr. Robinson said. Benjamin waited till he had gone out the door, then turned around and walked upstairs and into his room. He closed the door behind him and sat down at his desk. For a long time he sat looking down at the rug, then he got up and walked to the window. He was staring out at a light over the street when the door opened and Mrs. Robinson stepped inside, carrying a drink and her purse. “Oh,” she said. “I guess this isn’t the bathroom is it.” “It’s down the hall,” Benjamin said. She nodded but instead of leaving the room stood in the doorway looking at him “It’s right at the end of the hall,” Benjamin said. Mrs. Robinson was wearing a shiny green dress cut very low across her chest, and over one of her breasts was a large gold pin. “Don’t I get to kiss the graduate?” she said. “What?” She smiled at him. “Mrs. Robinson,” Benjamin said, shaking his head. “I’m kind of distraught at the moment. Now I’m sorry to be rude but I have some things on my mind.” She walked across the room to where he was standing and kissed one of his cheeks. “It’s good to see you,” Benjamin said. “The bathroom’s at the end of the hall.” Mrs. Robinson stood looking at him a moment longer, then turned around and walked to his bed. She seated herself on the edge of it and sipped at her drink. “How are you,” she said. “Look,” Benjamin said. “I’m sorry not to be more congenial but I’m trying to think.” Mrs. Robinson had set her glass down on the rug. She reached into her purse for a package of cigarettes and held it out to Benjamin. “No.” She took one for herself. “Is there an ash tray in here?” “No.” “Oh,” she said, “I forgot. The track star doesn’t smoke.” She blew out her match and set it down on the bedspread. Benjamin walked to his desk for a wastebasket and carried it to the bed. He picked up the match and dropped it in.”


Charles Webb (San Francisco, 9 juni 1939)
Luke Guldan als Benjamin en Judith Lightfoot Clarke als Mrs. Robinson in een uitvoering van The Graduate inIvoryton, Essex, Connecticut, 2012

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Rudolf Borchardt werd geboren op 9 juni 1877 in Königsberg. Zie ook alle tags voor Rudolf Borchert op dit blog.

 

Die September Sonette

I
Vom Tage nährt sich schon die Nacht verstohlen;
Schlaflose Stürme laufen in den Gärten
Und holen mich auf ihre blassen Fährten.
Ich binde mir die Flügel an die Sohlen
Und bin hinaus — (doch träum ich wohl). Mich holen
In ihre Reigen andere Gefährten —
Wo sah ich sie, die sich gleich Sternen mehrten
An heißen Abenden? — Ein Atemholen

Und alles hin, wie Duft. Ich bin ganz wach
Und weiß, ich geh, und sag: „Noch heute nur!”
Von Stunden ein verfließendes Gesind
Schwebt tönend fort durch Kammer, Tor und Flur.
Ich spüre vom erhobenen Gemach
Atmende Nacht und Bäume ohne Wind.

II
Atmende Nacht und Bäume ohne Wind
Verführen mich, an deinen Mund zu denken,
Und daß die Pferde, mich hinweg zu lenken,
Schon vor den Wagen angebunden sind;

Daß alles uns verließ, wie Wasser rinnt,
Daß von dem Lieblichsten, was wir uns schenken,
Nichts bleiben kann und weniges gedenken:
Blick, Lächeln, Hand und Wort und Angebind;

Und daß ich so einsam bekümmert liege,
Und dir so fern, wie du mir fern geblieben —
Die Silberdünste, die den Mond umflügeln,
Sind ihm so ferne nicht, als ich dir fliege,
So ferne Morgenrot nicht Morgenhügeln,
Als diese Lippen deinen, die sie lieben.


Rudolf Borchardt (9 juni 1877 – 10 januari 1945)
In 1935

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

Het landschap denkt ons

Alles ligt klaar voor de wandelaar
De beek langs de weg, het seinhuis
het te smalle trottoir als gedachten
die je ontmoet en dan de jouwe
noemt, ook zonder kaart liggen ze daar
en wie de deur uitgaat ziet ze haast
voor ze ons omhelzen en wij denken
dat wij het doen terwijl de bomen minzaam
zwaaien. En wij doen het soms
maar meestal denkt het landschap ons
en daar ga je

 

Hoekwachters

Ze wachten op minstens 2 trams tegelijk
de hakkenlichters
die tussen twee wallen
hun zwaargeestige momenten staan te kauwen,
op minstens 2 trams die in vereiste richting
met de bel mee gaan.
Ze wachten als doodgetrapte ballonnen
deze pikstekige vrouwspersonen
en de mannen aan toonder,
even onbedaarlijk als schaamteloos staan ze daar
in de beklemming van hun natte jas
weg te raken. In portieken gedrukt
tegen de regen vraagt hun ongeduld
toch verhuld om uitstel van bestemming:
met lege tas willen de hoekwachters liever
de tram niet in.
Wat doe ik ik hun plastic zak?
– een föhn die kastanjegeur blaast
een brilmontuur van konijnebout
een schubje zeemeermin
en een nieuw papiertje voor maart (de weekends
uitgezonderd), een spijker een mes en een touwtje
een vies vloekblaadje een stukje
zuidelijk halfrond en een eigen houtje
voor het bijten. Een 45-
strippenkaart voor lijn 1 t/m 100.

 
Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

Doorgaan met het lezen van “Maarten Doorman, Paul Beatty, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt”

Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Maarten Doorman, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Nachtvoorstelling

“Ver weg, heel ver weg hoor ik geschreeuw. Ik hoor doffe slagen, doffe klappen ver weg. In mijn buik. Dan steeds dichterbij. Steeds harder. Schoppen in mijn buik. Geschreeuw en stilte tegelijkertijd, of wisselt alles af? Mijn keel wordt dichtgeknepen maar niemand heeft zijn hand om mijn nek. Dit is niet goed, dit is een knokpartij. Het is een ordinaire knokpartij en ik heb niets gedaan! Helemaal niets godverdomme! Alles is zwart voor mijn ogen. Ik verschuil me achter mijn oogleden, daar is het donker. Ik probeer te denken wat er gebeurt, ik voel klappen in mijn maag. Ineenkrimpen. Zo weet ik niets, ik zie niets. Als ik mijn ogen weer open doe, schiet een witte gymp langs mijn hoofd. De schoen ramt tegen mijn bovenbeen. Ik zie mijzelf ineengekropen op de grond liggen. Mijn armen over mijn hoofd. Mijn benen ineengetrokken voor mijn buik. Nog een trap tegen mijn benen. Tegelijkertijd een trap in mijn rug. De plek waar ze me raakten wordt heel snel warm. Mijn rug barst, brandt, bonst. Ik jank van de pijn. Tranen prikken in mijn ogen. Verdomme, verdomme, wat gebeurt er? Dit gebeurt niet Maarten, het gebeurt niet!
Het is stil geworden, het is voorbij. Ik zie de benen nog, maar de voeten staan stil. 1k zie de hielen van de schoenen, ze staan dus met hun rug naar me toe. Ik ben er niet meer, er is iets anders. Vast en zeker, iemand anders. Laat er in Godsnaam iemand anders zijn! Het is mijn lichaam dat schreeuwt.
Iemand trekt me overeind. Met mijn arm over zijn schouder lukt het me om op te staan. Als ik hem los wil laten om op mijn benen te gaan staan, val ik om. De man vangt me op, godzijdank. Met mijn benen wankelend onder me doen we een paar stappen. ’Kom op nou jongen, staan blijven.’ De stem klinkt ver weg terwijl de man toch zo dichtbij is. Ik ken die stem niet. Ik kijk naar het gezicht dat naast het mijne is. Een donkere man, lang haar, vriendelijk gezicht, een brede neus. Hij is, denk ik, een jaar of dertig. Zijn armen en schouder dragen mij als een veertje. Met gemak houdt hij me overeind. Verdomme, verdomme, ik ben kapot, kan niet meer, mijn hoofd valt op zijn schouder. Mijn vervreemde lichaam wordt tegen een lantarenpaal gezet, zodat ik me tenminste staande kan houden. Het kost moeite. Mijn benen lijken er niet meer bij te horen, mijn knie steekt. Ik heb pijn in mijn hoofd, en pijn in mijn rug. Maar ik sta tenminste overeind, in het volle gelige licht van de lantarenpaal.”

 
Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)

Bewaren

Doorgaan met het lezen van “Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Maarten Doorman, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Rudolf Borchardt”

Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Maarten Doorman, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Willy Roggeman

De Nederlandse schrijver Xander Michiel Beute werd geboren op 9 juni 1975 te Gouda. Zie ook alle tags voor Xander Michiel Beute op dit blog.

Uit: Dubbelportret

““In het park beneden zit ik met een dun meisje op een bank. Ik kijk naar haar lippen. Ze zijn smal en in het lichte roze herken ik kleine groeven, dode fragmentjes huid, van iemand anders.
‘Eigenlijk heb ik helemaal geen steil haar,’ zegt ze. ‘Ik heb pijpenkrullen.’
De stijve dames en de hondjes trekken in een stoet voorbij. In de vijver staart een eend naar een dikke vis. Het meisje heeft mijn hand gepakt. Zojuist zijn we bij het graf van haar oudere broer, Mark, geweest. Een begraafplaats in de duinen. In de hemel hingen geluidloze meeuwen. Verstild spelend in de wind. Op de steen van de broer van Linda, zo heet het dunne meisje, stond: “Mark van de Berg”. Verder niets.
‘Wat doen data ertoe?’ verklaarde zijn zusje. ‘Hoe oud hij is geworden. Wanneer hij is gestorven. Wie zijn familie zijn. Een motto. Dat hoort op zo’n steen te staan. Wij bedachten dat het allemaal niet belangrijk was. Hij is dood. Dat is het enige dat telt.’
Op de steen ernaast zat een enorme vlek meeuwenpoep. Aan het einde van elke rij grafstenen stond een zwart emmertje met een borstel erin.
Mark werd onthoofd door een Haagse tram. Het was een dinsdag. Dan is er altijd veel dood aan de hand. Het regende. Hij fietste over de Turfmarkt met één hand aan het stuur omdat hij probeerde zijn handschoenen aan te trekken. Dat is lastig op de fiets. Het was koud. Met een flinke vaart naderde hij de tramrails voor de Albert Heijn. Het trambelletje rinkelde. Iets moet hem gezegd hebben dat hij nog voor de tram langs zou kunnen want, zo meldden meerdere getuigen achteraf, hij minderde geen vaart. Eerder nog leek hij te versnellen. Op het allerlaatste moment zag hij zijn fout in, maar zijn rechterhand zat klem in de handschoen. Met zijn vrije hand kneep hij uit alle macht in de handrem.”

 
Xander Michiel Beute (Gouda, 9 juni 1975)
Gouda, stadhuis

Doorgaan met het lezen van “Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Maarten Doorman, Jian Ghomeshi, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Willy Roggeman”

Mirko Bonné, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Maarten Doorman, Curzio Malaparte, Charles Webb, Willy Roggeman

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Mirko Bonné werd op 9 Juni 1965 in Tegernsee / Oberbayern. Zie ook alle tags voor Mirko Bonné op dit blog.

Uit: Ausflug mit dem Zerberus

”Seit ich denken kann, hängt über dem Schreibtisch meines Großonkels eine alte Zeichnung von einem großen schwarzen Hund. Mit gefletschten Zähnen, die Lefzen wie die Augen weit aufgerissen, zeigt ihn das Bild mitten im Sprung auf etwas zu, das jenseits des Rahmens ganz in der Fantasie des Betrachters liegt. Wer immer dort ist: ein Fliehender oder einer, dem noch eine Waffe zu ziehen gelang, nie hatte ich Zweifel daran, dass er im nächsten Moment unter den Bissen jenes Grauen erregenden Hundes sein Leben ausgehaucht haben würde.
Es ist Arthur Conan Doyles »Hund der Baskervilles«, den die Zeichnung zeigt, und anders als jeder, der sie in den hundert Jahren seit Sherlock Holmes’ vielleicht berühmtestem Fall betrachtete, fühlte sich mein Großonkel immer auf mir unverständliche Weise beschützt von dem Bild. Sein Schreibzimmer, sagt er noch heute, werde durch das schwarze Ungetüm in ein imaginäres Dartmoor verwandelt, und die einzigen zwei Menschen, denen er gestatte, diesen wehrhaften Bezirk zu betreten, das seien er selber und ich, sein wissbegieriger Großneffe.
So habe ich mich jahrelang dem Arbeitsbereich meines Großonkels nur mit äußerster Vorsicht genähert. Erst als ich selbst begann, Doyles Erzählungen von Sherlock Holmes und seinem Assistenten Dr. Watson zu lesen, ist mein Respekt, der mich bis in die Träume hinein verfolgte, allmählich einer Faszination gewichen, die mir erlaubte, in einer Darstellung von einem blutrünstigen Hund schließlich nicht mehr allein das Ungeheuer zu sehen, sondern zunächst einmal ein ungeheures Bild.
Ob es 1975 oder 1976, ob ich also zehn oder elf war, als ich erstmals »Der Hund der Baskervilles« las, kann ich nicht mehr sagen. Ich weiß nur noch bestimmt, dass der Schreibtisch meines Großonkels zur selben Zeit unter einer Unzahl anderer, nicht minder ungeheurer Bilder verschwand. Es waren zumeist Zeitungsausrisse und Fotos aus Büchern, Aufnahmen, die, soweit ich mich erinnere, alle das Immergleiche zeigten: einen verheerenden Autounfall auf einer von großen alten Platanen gesäumten, ansonsten aber verlassenen und tristen Chaussee.“

Mirko Bonné (Tegernsee, 9 juni 1965)

 

Doorgaan met het lezen van “Mirko Bonné, Xander Michiel Beute, Anton Roothaert, Maarten Doorman, Curzio Malaparte, Charles Webb, Willy Roggeman”

Maarten Doorman, Xander Michiel Beute, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Bertha von Suttner, Willy Roggeman

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

 

 

Oudbakken rapvers

 

Ik kan veel
ik kan winkelend publiek laten lopen
ze zelfs laten marcheren – door stompende muziek
in hun buik te programmeren ik kan boodschappen
leggen in hun winkelwagentje dat dakloos na sluitingstijd
op straat is geparkeerd
en ik kan roofvogels uit de stad amuseren
met poezemuizen nagemaakt van spelen verfomfaaid
– gewapende scholieren hun verveling bezweren
met muziek die door iedereen kapot is gedraaid
en wildplassers kan ik ’s nachts op straat doen
protesteren tegen daglichte meneren die de nacht
willen regeren
en ik kan steeds meer zinnen
die niets beweren
gebruiken als pillen om een feestje te versjteren
ik jaag dames en heren in een vloek uit de kleren
om met woorden te maskeren hoe de liefde je verteren
kan – ik kan – ik kan veel

 

 

 

Op op op

 

Op op op, eer de zon inden dauw schijn.

Laet ons alle gedierte te gauw zijn.

P.C. Hooft

 

Door de gordijnen duwt het licht

de helft van je gezicht tevoorschijn en

maakt je in forse streken tot wat je bent:

half wit half zwart geblokt verknipt

een harlekijn, zo afgewend

mompelt je rug nog

de buigzame slaap terug van het gras.

Een ruk aan het gordijn

en een lichtgranaat van dag

doet je meer ledenpop zijn

dan je was, je was.

 

Mijn tong is dodelijk gezwollen.

De wekker stil gaan staan. Nu kan ik

eruit en schreeuwen, de spiegel stukslaan

en gillend het huis van onvoltooide tijd

uithollen. Ik kan

uit deze veelledigheid opstaan.

 

 

 

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

Doorgaan met het lezen van “Maarten Doorman, Xander Michiel Beute, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Bertha von Suttner, Willy Roggeman”

Maarten Doorman, Xander Michiel Beute, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Bertha von Suttner, Willy Roggeman

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook alle tags voor Maarten Doorman op dit blog.

Blindganger

Een goudvis in de zandbak zwemt
in de vijver bakt een jongen taart
het water schrikt niet van de vorm
het zand in golfjes ligt bedaard

Er zijn twaalf auto’s gepasseerd
en een als voorbijganger verklede wandelaar
het geeft niet van die jongen: hij heeft
nog drie levens en het er zelf naar gemaakt

Wel heeft hij redelijk zacht haar en een vliegtuig
nog niet geheel in elkaar, het is op de wielen
en het verven na klaar, het moet ervan komen

dat het zweeft, hij weet hoe het vliegt
en dat van de vorm het water niet schrikt.
Misschien als er een scooter langskwam.

 

La gare

De avond ruikt licht naar gist, dan naar jou.
Een lokomotief glijdt aan het station voorbij
zonder trein. Er is geen verband.
De hoogspanningsdraden tikken tegen de kou
van de mist. Vanwaar opeens jouw hand
als een dief door mijn haar – alsof
een vrouw niet gewoon kan zijn.

En bij elkaar
waren we de omgegooide stoelen
van een plotseling verlaten tafel
in ons slordig onverwacht
in een kamer liggen
waar dingen met omhaal niets meer bedoelen,
nooit iets meer leven zou.

De liniaal van het spoor ligt langs de nacht,
de herfst rook gister even naar jou.

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

Doorgaan met het lezen van “Maarten Doorman, Xander Michiel Beute, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Bertha von Suttner, Willy Roggeman”

Maarten Doorman, Xander Michiel Beute, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Bertha von Suttner

De Nederlandse dichter, schrijver, criticus en filosoof Maarten Doorman werd geboren op 9 juni 1957 in Medina Sidonia (Spanje). Zie ook mijn blog van 9 juni 2009 en ook mijn blog van 9 juni 2010.

Het verleden en de jeugd

Het verleden en de jeugd
nu eindelijk afgelegd.
De toekomst evenredig
bijgesteld. Zal ik dan maar
beginnen
te leven? Je haalt je een verhaal
in je hoofd waarin geloofd wordt, en dat
in de tegenwoordige tijd verteld.
Ten slotte is het allemaal
net echt.
Inademen, uitademen,
hinderlijk eenvoudig, een autonome
zenuwtrek. Dat heb ik toch maar
geleerd. Als je het laat
ben je gek.

 

Kap

Ze braken het bos
af: boom voor boom
gingen ze tegen de grond,
de dennen.

Zo klein als ik was
keek ik plotseling
doodgewoon over hen heen.

In het nieuwe licht rezen
wijken op, wegen kwamen
en gingen overal naar toe.

Die sloeg ik dan ook in.
De bomen achterna.

Maarten Doorman (Medina Sidonia, 9 juni 1957)

Doorgaan met het lezen van “Maarten Doorman, Xander Michiel Beute, Mirko Bonné, Curzio Malaparte, Charles Webb, Bertha von Suttner”