Nelleke Noordervliet, K. Schippers, Colson Whitehead, Michael Cunningham, Robert Musil, Bea Vianen, Bert Vanheste, Chris van Abkoude, Johannes Petrus Hasebroek, Lucebert

De Nederlandse schrijfster Nelleke Noordervliet werd op 6 november 1945 in Rotterdam geboren. Zie ook alle tags voor Nelleke Noordervliet op dit blog.

Uit: Aan het eind van de dag

“Vlagen natte sneeuw dweilen langs de ramen. De vlokken plakken even vast, zakken dan smeltend weg. Een lieve kleuterjuf had me ooit verteld dat dan de engelen huilden, maar dat idee werd er door mijn vader meteen uit geschamperd. Ha! Engelen! Toch zie ik de druppels nog steeds als tranen. We hebben ons goeie goed aan, ook al is eerste kerstdag bestemd voor de huiselijke kring en zullen we niemand zien. Papa draagt een wit overhemd met een donkerblauwe stropdas. Het zit iets te ruim om zijn tengere schouders en doordat het licht gesteven is, lijkt zijn bovenlijf een half opgeblazen ballon. Het wit vraagt aandacht in de deemstere kamer, waar uit spaarzaamheid geen licht mag worden ontstoken tot het echt gaat schemeren; mijn blikken glijden voortdurend naar de helle vlek die hij vormt naast de kachel, waar hij zijn sjekkies rookt met nerveuze geelbruin bevlekte vingertoppen, soms diep rochelt, zijn luchtpijp een mijnschacht, en ongeduldig fronsend de puzzel in de krant probeert op te lossen. Als medewerker van de krant mag hij niet meedoen, maar hij levert in onder valse naam. Nooit wint hij. De uitslag wordt door hem steeds luidkeels betwist.
De tweeling, in ouwelijke bordeauxrode wollen jurkjes met crèmekleurige kanten kraagjes, doet een doventaalspelletje dat ze hebben uitgevonden omdat papa hun eeuwige gekwetter niet verdraagt, en ze begeleiden hun gebaren met het uitstoten van gedempte geluiden, waardoor ze het gevaar lopen alsnog te worden afgeblaft, afhankelijk van de graad van ergernis die hij vandaag zal bereiken. Mama, elegant in een zwarte kokerrok en een roze blouse met volants waaroverheen haar zondagse schort met ruches langs de strikbanden de gelijkenis met een lampenkap compleet maakt, is in de keuken bezig met groentesoep, de enige soep die ze beheerst. Ze zingt een kerstliedje, hoor ik, ‘Er is een roos ontsprongen’.
‘Blijf je zingen? Dan kan de radio wel uit!’ Mijn vaders stem is scherp als het mes waarmee ze prei snijdt. De radio heeft, naar de gids meldt, op dat moment ‘religieuze negermuziek’. Abrupt zwijgt ze, zonder commentaar. ‘Zet de radio dan maar uit,’ zou ik hebben willen zeggen in haar plaats. Maar ja, dan is de boot aan.
Het huis is klein, we horen elkaar altijd; we horen ook de buren, soms allemaal tegelijk in verschillende geluidssoorten en sterkte. Hollende voetstappen van de kinderen Koek boven, harmonium en samenzang links bij de familie Groenendijk, het oefenen op de accordeon van roodharige Rini van Klaveren rechts, de nieuwsberichten op vol volume beneden bij opa Van As, die een Engelse schoondochter heeft, die Grace heet (Krees), net als Grace Kelly.”

 
Nelleke Noordervliet (Rotterdam, 6 november 1945)

 

De Nederlandse dichter, schrijver, essayist en kunstcriticus K. Schippers, pseudoniem van Gerard Stigter, werd geboren in Amsterdam op 6 november 1936. Zie ook alle tags voor K. Schippers op dit blog.

Naaste omgeving

Je verwijdert je op straat van
waar je niet naar kijkt. Het
liefst wil je iets zien dat
je zelf hebt uitgezocht of toch

iets bewaren van wat je nauw-
keurig omgeeft, zonder je om
te draaien. Een dakrand, een wolk,
wat je vanuit een ooghoek hebt

gezien. Je draait je om. Het
blauw zoekt de grijze hemel.
Het wacht op de jurk van het
meisje dat straks voorbij zal

gaan. De muur is klaar voor de
echo van je voetstap. Dit alles
blijft uit. Scherpte verlaat een
krom geslagen spijker. Dat wel.

Het veranderende omgeeft je zo
teruggetrokken, dat het je ontgaat,
er bijna niet is. Wat ga je doen
als je hier even weg bent.

 

Bloemen geuren

Elke bloem heeft een speciale
geur. De roos, tulp, margriet,

narcis, leeuwebekje, heide,
lelietje van dalen, klaproos,

anjer, madeliefjes krokussen,
de korenbloem. Niet allemaal

ruiken ze lekker. Bij voorbeeld
de anjer ruikt niet zo

lekker als de roos. De lelie
van dalen ruikt erg lekker.

Veel en veel lekkerder dan de
anjer. Dus ruik vooral niet

aan de anjer. Dit weten we
dan ook weer. Dag allemaal.

 

Repeteertekst

Zie de laatste zin.
Zie de eerste zin.

 
K. Schippers (Amsterdam, 6 november 1936)

 

De Amerikaanse schrijver Colson Whitehead werd geboren op 6 november 1969 en groeide op in Manhattan. Zie ook alle tags voor Colson Whitehead op dit blog.

Uit: The Underground Railroad

“Cora’s grandmother knew nothing about the ship’s fate. For the rest of her life she imagined her cousins worked for kind and generous masters up north, engaged in more forgiving trades than her own, weaving or spinning, nothing in the fields. In her stories, Isay and Sidoo and the rest somehow bought their way out of bondage and lived as free men and women in the City of Pennsylvania, a place she had overheard two white men discuss once. These fantasies gave Ajarry comfort when her burdens were such to splinter her into a thousand pieces.
The next time Cora’s grandmother was sold was after a month in the pest house on Sullivan’s Island, once the physicians certified her and the rest of the Nanny’s cargo clear of illness. Another busy day on the Exchange. A big auction always drew a colorful crowd. Traders and procurers from up and down the coast converged on Charleston, checking the merchandise’s eyes and joints and spines, wary of venereal distemper and other afflictions. Onlookers chewed fresh oysters and hot corn as the auctioneers shouted into the air. The slaves stood naked on the platform. There was a bidding war over a group of Ashanti studs, those Africans of renowned industry and musculature, and the foreman of a limestone quarry bought a bunch of pickaninnies in an astounding bargain. Cora’s grandmother saw a little boy among the gawkers eating rock candy and wondered what he was putting in his mouth.
Just before sunset an agent bought her for two hundred and twenty-­six dollars. She would have fetched more but for that season’s glut of young girls. His suit was made of the whitest cloth she had ever seen. Rings set with colored stone flashed on his fingers. When he pinched her breasts to see if she was in flower, the metal was cool on her skin. She was branded, not for the first or last time, and fettered to the rest of the day’s acquisitions. The coffle began their long march south that night, staggering behind the trader’s buggy. The Nanny by that time was en route back to Liverpool, full of sugar and tobacco. There were fewer screams belowdecks.
You would have thought Cora’s grandmother cursed, so many times was she sold and swapped and resold over the next few years. Her owners came to ruin with startling frequency. Her first master got swindled by a man who sold a device that cleaned cotton twice as fast as Whitney’s gin. The diagrams were convincing, but in the end Ajarry was another asset liquidated by order of the magistrate. She went for two hundred and eighteen dollars in a hasty exchange, a drop in price occasioned by the realities of the local market. Another owner expired from dropsy, whereupon his widow held an estate sale to fund a return to her native Europe, where it was clean. Ajarry spent three months as the property of a Welshman who eventually lost her, three other slaves, and two hogs in a game of whist. And so on.”

 
Colson Whitehead (New York, 6 november 1969)

 

De Amerikaanse schrijver Michael Cunningham is geboren in Cincinnati, Ohio op 6 november 1952. Zie ook alle tags voor Michael Cunningham op dit blog.

Uit: Specimen Days

“I don’t need school. I have Walt’s book.”
“You know the whole thing, don’t you?”
“Oh no. There’s much more, it will take me years.”
“You must be careful at the works,” she said. “You must-” She stopped speaking, though her face didn’t change. She continued offering her profile, which was as gravely beautiful as that of a woman on a coin. She continued looking out at the street below, waiting for the heavenly entourage to parade by with Simon up top, the pride of the family, a new prince of the dead.
Lucas said, “You must be careful, too.”
“There’s nothing for me to be careful about, my dear. For me it’s just tomorrow and the next day.”
She slipped the locket chain back over her head. The locket vanished into her dress. Lucas wanted to tell her-what? He wanted to tell her that he was inspired and vigilant and recklessly alone, that his body contained his unsteady heart and something else, something he felt but could not describe: porous and spiky, shifting with flecks of thought, with urge and memory; salted with brightness, flickerings of white and green and pale gold, like stars; something that loved stars because it was made of the same substance. He needed to tell her it was impossible, it was unbearable, to be so continually mistaken for a misshapen boy with a walleye and a pumpkin head and a habit of speaking in fits.
He said, “I celebrate myself, and what I assume you shall assume.” It was not what he’d hoped to tell her.
She smiled. At least she wasn’t angry with him. She said, “I should go now. Will you walk me home?”
“Yes,” he said. “Yes.”

 
Michael Cunningham (Cincinnati, 6 november 1952)

 

De Oostenrijkse schrijver Robert Musil werd geboren op 6 november 1880 in Klagenfurt. Zie ook alle tags voor Robert Musil op dit blog.

Uit: Der Mann ohne Eigenschaften

“Die Straße, in der sich dieser kleine Unglücksfall ereignet hatte, war einer jener langen, gewundenen Verkehrsflüsse, die strahlenförmig am Kern der Stadt entspringen, die äußeren Bezirke durchziehn und in die Vorstädte münden. Sollte ihm das elegante Paar noch eine Weile weiter gefolgt sein, so würde es etwas gesehen haben, das ihm gewiß gefallen hätte. Das war ein teilweise noch erhalten gebliebener Garten aus dem achtzehnten oder gar aus dem siebzehnten Jahrhundert, und wenn man an seinem schmiedeeisernen Gitter vorbeikam, so erblickte man zwischen Bäumen, auf sorgfältig geschorenem Rasen etwas wie ein kurzflügeliges Schlößchen, ein Jagd- oder Liebesschlößchen vergangener Zeiten. Genau gesagt, seine Traggewölbe waren aus dem siebzehnten Jahrhundert, der Park und der Oberstock trugen das Ansehen des achtzehnten Jahrhunderts, die Fassade war im neunzehnten Jahrhundert erneuert und etwas verdorben worden, das Ganze hatte also einen etwas verwackelten Sinn, so wie übereinander photographierte Bilder; aber es war so, daß man unfehlbar stehen blieb und »Ah!« sagte. Und wenn das Weiße, Niedliche, Schöne seine Fenster geöffnet hatte, blickte man in die vornehme Stille der Bücherwände einer Gelehrtenwohnung.
Diese Wohnung und dieses Haus gehörten dem Mann ohne Eigenschaften.
Er stand hinter einem der Fenster, sah durch den zartgrünen Filter der Gartenluft auf die bräunliche Straße und zählte mit der Uhr seit zehn Minuten die Autos, die Wagen, die Trambahnen und die von der Entfernung ausgewaschenen Gesichter der Fußgänger, die das Netz des Blicks mit quirlender Eile füllten; er schätzte die Geschwindigkeiten, die Winkel, die lebendigen Kräfte vorüberbewegter Massen, die das Auge blitzschnell nach sich ziehen, festhalten, loslassen, die während einer Zeit, für die es kein Maß gibt, die Aufmerksamkeit zwingen, sich gegen sie zu stemmen, abzureißen, zum nächsten zu springen und sich diesem nachzuwerfen; kurz, er steckte, nachdem er eine Weile im Kopf gerechnet hatte, lachend die Uhr in die Tasche und stellte fest, daß er Unsinn getrieben habe. – Könnte man die Sprünge der Aufmerksamkeit messen, die Leistungen der Augenmuskeln, die Pendelbewegungen der Seele und alle die Anstrengungen, die ein Mensch vollbringen muß, um sich im Fluß einer Straße aufrecht zu halten, es käme vermutlich – so hatte er gedacht und spielend das Unmögliche zu berechnen versucht – eine Größe heraus, mit der verglichen die Kraft, die Atlas braucht, um die Welt zu stemmen, gering ist, und man könnte ermessen, welche ungeheure Leistung heute schon ein Mensch vollbringt, der gar nichts tut.
Denn der Mann ohne Eigenschaften war augenblicklich ein solcher Mensch.
Und einer der tut?
»Man kann zwei Schlüsse daraus ziehen« sagte er sich.”


Robert Musil (6 november 1880 – 15 april 1942)
Cover

 

De Surinaamse dichteres en schrijfster Bea Vianen werd geboren in Paramaribo op 6 november 1935. Zie ook alle tags voor Bea Vianen op dit blog.

Uit: Het paradijs van Oranje

“Wanneer Sirdjal zich ’s ochtends voor de spiegel stond te scheren, zijn tanden poetste, of op het toilet zat, ging hem in gedachten een reeks van gebeurtenissen voorbij, die hem bracht op een vraagstuk dat hem heel erg interesseerde.
Nu, net uit bed, gezeten op het toilet, herinnerde hij zich het gisteravond door de nos gebrachte televisieprogramma over het vaderland. Hij keek zelden naar de televisie – hij had meer belangstelling voor de dingen die hij zelf maakte, de dingen die hij moest afmaken. Bovendien had hij een toestel dat steeds méér kuren kreeg en steeds weer andere afstellingstechnieken van hem eiste. Het was een rot oud kreng, hem aangesmeerd door een zekere firma Brandtjes, in één van die Amsterdamse buurten waar je denkt goedkoper af te zijn dan ergens anders. Hij had er honderdvijftig gulden voor uitgegeven en dat juist in een tijd dat hij nauwelijks geld had om zich in leven te houden. Hij had het in twee termijnen betaald en wat graag, omdat hij toen zo’n enorme behoefte had aan verstrooiing, maar hij was belazerd, men had misbruik gemaakt van zijn technische onkunde.
Klagen was volkomen zinloos – hij moest het ding gewoon wég doen, in het holst van de nacht op straat zetten voor een voddenman, een student, of een knutselend type. Dat hij het nog altijd niet gedaan had, kwam doordat zijn vader hem had ingehamerd nooit iets weg te doen als hij verder wilde komen in de maatschappij. Goed, hij was erin gestonken, zoiets kon je gebeuren. Het toestel kon altijd nog gebruikt worden als een soort bijzettafeltje, voor een paar boeken, een asbak, een pakje sigaretten, een schaartje. Hij had fantasie genoeg en op een avond ging hij zelfs zo ver zijn miskoop te beschouwen als een zeer geslaagde stommiteit. Er was toen een uitzending van ‘Kort Geding’ over de onafhankelijkheid van het vaderland. Vertegenwoordigers van de twee grootste Surinaamse bevolkingsgroepen, de Hindoe-stanen en de creolen, redetwistten met elkaar. Hoewel hij wist dat er weer om de dingen heen gepraat zou worden, was Sirdjal een en al oor. Als een waanzinnige had hij aan het toestel zitten morrelen om vooral Mohan M. niet te kort te doen. Hij was zelfs voornemens geweest hem een brief te schrijven in de trant van:
‘Beste, brave Mohan, je haar zat weer voortreffelijk. Prima, schitterende coupe. Twee ravenzwarte, naar voren toe soepel over elkaar heen geslagen bloembladen à la Raj Kapoor, uit de film Paigam, de Grote Boodschap aan de verdrukte, vertrapte Indiase onderlaag, de chamars.”


Bea Vianen (Paramaribo, 6 november 1935)

 

De Vlaamse literatuurwetenschapper en auteur Gilbert (Bert) Vanheste werd geboren in Pervijze op 6 november 1937. Zie ook alle tags voor Bert Vanheste op dit blog.

Uit:Van Kerststal tot kristal. Lucebert verwoordt de verwording

“In Luceberts ‘voorjaar’ lijkt in het begin nog de kinderlijke naoorlogse ‘Cobra’-hoop door te klinken (‘kinderen zingen in de klassen’); in de laatste strofe kunnen we de vernietigende kracht van de atoombom beluisteren (‘verwoed de woede koelt de woede/de mensen verwelken en smelten als toevallige vlokken’). Lijkt, schreef ik spontaan, nu bewust. Het lezen van literatuur als antwoord van de schrijver ook op de maatschappelijke realiteit, maakt de interpretatie niet zonder meer objectiever. Ik kom immers niet verder dan een visie op de Nederlandse samenleving in Luceberts tijd, een selectie van feiten die ik – vanzelfsprekend met de hulp van historici – samenhang en structuur probeer te geven. Maar zelfs als het mogelijk zou zijn een wetenschappelijk verantwoord beeld van de tweede helft van de jaren veertig en van Luceberts positie daarin te verkrijgen, dan nog is het gevaar groot – zoals menige lezer na het voorafgaande al bedacht zal hebben – dat Luceberts woorden te snel en te rechtstreeks gezien worden als lelies door hem opgedregd uit een wereld van ‘slaapwandelaars in een koud circus’.
Om die reden leg ik hierna de lat aanmerkelijk lager. Ik probeer ‘het vlees is woord geworden’ niet te verklaren als antwoord op december 1948, ik streef er slechts naar het gedicht te lezen met in mijn achterhoofd mijn kennis van die naoorlogse tijdgeestwendemaand. Ik vereenzelvig mij met de dichter die volgens hemzelf de werkelijkheid met open fontanel tegemoet treedt: ‘als babies zijn de dichters niet genezen/van een eenzaam zoekend achterhoofd’. Ik ga na of een (mede) literatuursociologische lezing bijdraagt aan een beter inzicht in het gedicht, of een zesde interpretatie iets toevoegt aan de vijf vorige. Als Oegema’s Parmentier-essay iets duidelijk heeft gemaakt, is het wel dat de vijf interpretaties licht werpen op het gedicht, maar dat ‘“het vlees is woord geworden” (…) een raadselachtige tekst (blijft), waar het laatste woord nog niet over is gezegd’”.


Bert Vanheste (6 november 1937 – 23 februari 2007)
Lucebert

 

De Nederlandse schrijver Christiaan Frederik (Chris) van Abkoude werd geboren in Rotterdam op 6 november 1880. Zie ook alle tags voor Chris van Abkoude op dit blog.

Uit: Hollandsche jongens

“Het had des nachts weer flink gevoren. Sneeuw lag er weinig of niet, en dat was voor een dag als heden een meevallertje, want worden niet dikwijls de prachtigste ijsbanen door één enkele sneeuwbui bedorven? En al de banen op den Plas bij den theetuin wàren prachtig! Als je er naar keek voelde je dadelijk den lust opkomen om er eens een toertje te maken! En de afsluitboomen, touwen en hekken, waarboven een ontelb’re massa vlaggen en vlaggetjes vroolijk in ’t frissche morgenkoeltje wapperden, vertelden al, dat de banen vandaag een bijzonder schouwspel te zien zouden geven: een wedstrijd op schaatsen voor jongens!
Om half negen brak het zonnetje door de morgennevelen, en verlichtte de wit-bevroren velden en wegen met een gouden glans. De ijskristalletjes schitterden als vurige diamantjes in het heldere morgenlicht, de mistige dampen trokken op en alles blonk helder-blank in den schoonen wintermorgen.
Zooals gezegd is, de banen zagen er feestelijk uit! Het waren er twéé, door palen en touwen van elkander gescheiden. Iedere baan was juist 250 Meter lang, en zorgvuldig aan weerskanten afgesloten.
In den tuin van het koffiehuis liepen de knechts van den eigenaar met vlaggen en stokken te sjouwen; hier timmerde er een aan den ingang een wapentrofee, ginds werden vlaggetjes aan de hekken gespijkerd, en aan een zijdeur werd een bordje getimmerd, waarop met zwarte letters te lezen stond:
INGANG VOOR DE RIJDERS
WACHTKAMER
Op een tafeltje lagen roode en witte seinvlaggetjes voor de baancontroleurs, die moesten zorgen, dat geen der mededingers zich aan oneerlijkheid schuldig maakte, b.v. door onder de touwen door te kruipen voor het eindpunt, enz. – Het zwakke Oostenwindje deed de vlaggen lustig wapperen, en het scheen wel, alsof er een bijzonder groot feest op handen was.”


Chris van Abkoude (6 november 1880 – 2 januari 1960)

 

De Nederlandse schrijver, dichter en predikant Johannes Petrus Hasebroek werd geboren in Leiden op 6 november 1812. Zie ook alle tags voor Johannes Petrus Hasebroek op dit blog.

Aan een jongen vriend, op zijn vijftienden verjaardag.

Verheug u, Jongeling! ten dage van uw jeugd!
Geen ouderlijk gemoed wraakt argelooze vreugd.
Ja, gulle scherts kan vaak den geest weldadig wetten,
Gelijk de Lentewind het jonge gras verfrischt.
Maar wen u te gelijk op d’ uitgang streng te letten
Van ’t hart dat, onbewaakt, zich zelf zoo ligt vergist.
’t Hart, o mijn jonge Vriend! dan vroeg gekeerd naar Boven!
Men zoekt zijn Heiland nooit óf te ijvrig óf te vroeg.
Van dat uw moeder u naar ’t heilig doopbad droeg
Ontfingt gy stof en wenk, om biddend Hem te loven.
Wees vrolijk, jongeling! ten dage van uw jeugd.
Maar meng’ zich de ernst dier vraag, beslissend voor het leven:
‘Wien hoor ik? wie alleen kan my behoudnis geven?’
By de u van gantscher ziel gegunde levensvreugd.

 

In eenen bijbel

By ’t openslaan van ’t Boek der boeken
Gedenk, o Christen! dag aan dag,
Dat wie dat Woord wil onderzoeken,
Geen eigen licht vertrouwen mag.
Geen menschenwijsheid zou hier baten,
Geen vlijtige arbeid hier volstaan;
Alle eigenwijsheid dient verlaten –
Een ander oog moet opengaan.
Voor dat ge u dan begeeft tot lezen,
Val, Christen! val uw God te voet!
En dat een heilig, heilzaam vreezen
Zich meester maak’ van uw gemoed!
Vraag, eer gy verder gaat, een zegen!
Vraag oogen, ooren, en een hart!
En – Jesus zelve kome u tegen
In dit Zijn woord by vreugd en smart

 
Johannes Petrus Hasebroek (6 november 1812 – 29 maart 1896)
Borstbeeld door Johan Keller, 1893

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e november ook mijn blog van 6 november 2017 en ook mijn blog van 6 november 2016 deel 2.

Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook alle tags voor Lucebert op dit blog.

Wambos

Van rozenhout en snijkunst
nog geuren en kraken de treurige tuinen
de tijd een teng van molm en zweet
beeft murmelt en prevelt

nu leeft en nu zaait sneltastend
stenen vuur met al zijn hoornen
vrouwelijk en manlijk opwaarts
wankelende goed en kwaad gewillig
gaat hij tussen onverschillig alle
wateren der rust

zeggen kunnen vanuit hun nesten
de poppen ik heb dorst & honger
vorstelijk verschijnt de vader
van zijn arbeidsveld nog stoffig
er is bidden en beginnen
en amen en opstaan
maar niet gaan samen ja en nee en niet
de honger baart het lam een lamzak

zo zie toe hoe
vroom vogels de lucht versnijden
een vlees van geest van zout
ook dat ootmoedig en onmachtig
het hart aan huilen hangt
als een trap aan een dak

 

Stereographie

Naar stad en land van geluk
Zullen wij samen gaan
Niet hier en naast elkaar
Maar hier en daar
En ieder afzonderlijk

Op vuil water voetstappen
Zijn onze handelingen
En onze vrolijkheid is
Een gevangenis vlammende

Maar ver van elkaar in de ruimte
Is de ruimte een tweesnijdend mes
Zijn rechterdaad is sterven
Zijn linkerdaad is de dood.

 

Teken en tijd

Streng en eenvoudig spreken
met de streng gelovige aarde
de zwaarte voedt het zwevende
in de danser die eens het vallen aanvaardde

en wat is gegeven als teken
de berg de rivier en de afgrond
zorg dat de adem dit opvat
en het bloed in het lichaam het afrondt

ook al dragen zonen uw naam
naar het steeds betere land
gij wijst de weg waar te gaan
want gij zijt Absoloms hand


Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

 

De Nederlandse dichter en schrijver Jan Jacob Slauerhoff werd geboren in Leeuwarden op 15 september 1898. Zie ook alle tags voor Jan Slauerhoff op dit blog.

Nog

Dichten doe ik nog, maar als in droom,
In een droom waarover ’t voorgevoel
Van te ontwaken in een werklijkheid
Die geladen is met ramp op ramp
Hangt als een zwaar onontkoombaar onweer
Dat in laatste stilt zijn donder uitbroedt
Over ’n lieflijk maar al rottend landschap.
Tussen zwammenwoekring bloeien bloemen,
Pluimen rijzen uit vergrauwde grassen,
Maar de meren spieglen vuile wolken
En het bos kromt al zijn volle kronen.

En ikzelf loop in mijn droom, dat landschap,
Eerst nog vergezeld, dan plotseling eenzaam,
Tegelijk loer ik van achter stammen
Om mijzelf van schrik te doen ontwaken
Maar ik ben verlamd – ik wil gaan roepen
Dat het onweer komt en de verwoesting
En daarna de doodlijke verdorring!

En ik roep, maar angst versmoort mijn kreet.
Ook ’t geluid is hier gestorven?

Hoor

Als een beek, onder toelopend rotsdak,
Die zo snel stroomt dat zij niet kan spieglen
De bedreiging die erboven hangt,
Ruist het dwars door ’t droomland, van verbazing,
Dat ik dood voorzie en door moet dichten
En de beek, ontsprongen uit die bron,
Roept met stroomversnelling, stemverheffing,
Maar zo diep dat ‘k niet kan onderscheiden
Of ’t is van verontwaardiging of toejuiching:

‘Dichten doe je nog?’

 

Ultra Mare

Hier is de wereld niets dan waaiend schuim,
De laatste rotsen zijn bedolven
Na de verwekking uit de golven,
Die breken, stuivend in het ruim.

Het laatste schip wordt weerloos voortgesmeten,
Het zwerk is ingezonken en asgrauw.
Zal ik nu eindelijk, vergaan, vergeten,
Verlost zijn van verlangen en berouw?

 

Outcast

’t Breed grauw gelaat van de Afrikaanse kust,
Na eeuwen van een ondoorgrondelijk wee
Gekomen tot een onaantastbre rust,
Staart steil terneer op de gekwelde zee.

Ons blijft ’t verneedrend smachten naar de ree.
Geen oceaan heeft onze drift geblust,
En niets op aard, ook zwerven niet, geeft rust,
En de enige toevlucht de prostituee.

Bij haar die achter iedre haven wacht
– Altijd een andre en toch steeds dezelfde –
Wordt ons heimwee tijdlijk ter dood gebracht.

En ook de sterrenheemlen die zich welfden
Over ons trekken, andre iedre nacht,
Zijn eindlijk saamgeschrompeld tot één zelfde.

 
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)
Borstbeeld in Leeuwarden

 

De Colombiaanse dichter, schrijver, hoogleraar en journalist Sergio Esteban Vélez werd geboren op 15 september 1983 in Medellín. Zie ook alle tags voor Sergio Esteban Vélez op dit blog.

Wilde

For that daring
to love your way,
they cursed you,
they condemned your body,
they spit on you,
believing that they could
spin your essence,
but nothing accomplished
to overcome your genius:
not the cold
that blushed your skin
and hurt your bones;
nor the superhuman days
who surrendered your eyelids
and sealed your breath;
nor dishonor
that punched your ego;
nor loneliness,
that caused your depression;
the pseudo-spiritual anathemas
they could not either
nor the contempt of those who liked
the supraexcellence
of your verb.

Now not even,
fearing sacrilege,
I could pronounce
your name,
Do not repeat your verses.

Your mind knew the truth
and it was more free
that the atrophied consciences,
of masked corruption
of the deaf sheep,
and the naive illogicals,
that were
outside.

And it flourished
with more momentum
your greatness,
and your soul grew
towards the unfading
eternal
dimension

 
Sergio Esteban Vélez (Medellín, 15 september 1983)
Portret door Carlos Ribero, 2010

 

De Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie werd geboren op 15 september 1977 in Enugu. Zie ook alle tags voor Chimamanda Ngozi Adichie op dit blog.

Uit: Half of a Yellow Sun

“Ugwu, sah.””Ugwu. And you’ve come from Obukpa?””From Opi, sah.””You could be anything from twelve to thirty.” Master narrowed his eyes. “Probably thirteen.” He said thirteen in English.”Yes, sah.”Master turned back to his book. Ugwu stood there. Master flipped past some pages and looked up. “Ngwa, go to the kitchen; there should be something you can eat in the fridge.””Yes, sah.”Ugwu entered the kitchen cautiously, placing one foot slowly after the other. When he saw the white thing, almost as tall as he was, he knew it was the fridge. His aunty had told him about it. A cold barn, she had said, that kept food from going bad. He opened it and gasped as the cool air rushed into his face. Oranges, bread, beer, soft drinks: many things in packets and cans were arranged on different levels and, and on the topmost, a roasted shimmering chicken, whole but for a leg. Ugwu reached out and touched the chicken. The fridge breathed heavily in his ears. He touched the chicken again and licked his finger before he yanked the other leg off, eating it until he had only the cracked, sucked pieces of bones left in his hand. Next, he broke off some bread, a chunk that he would have been excited to share with his siblings if a relative had visited and brought it as a gift. He ate quickly, before Master could come in and change his mind. He had finished eating and was standing by the sink, trying to remember what his aunty had told him about opening it to have water gush out like a spring, when Master walked in. He had put on a print shirt and a pair of trousers. His toes, which peeked through leather slippers, seemed feminine, perhaps because they were so clean; they belonged to feet that always wore shoes.”What is it?” Master asked.”Sah?” Ugwu gestured to the sink.Master came over and turned the metal tap. “You should look around the house and put your bag in the first room on the corridor. I’m going for a walk, to clear my head, i nugo?””Yes, sah.” Ugwu watched him leave through the back door. He was not tall. His walk was brisk, energetic, and he looked like Ezeagu, the man who held the wrestling record in Ugwu’s village.Ugwu turned off the tap, turned it on again, then off. On and off and on and off until he was laughing at the magic of the running water and the chicken and bread that lay balmy in his stomach. He went past the living room and into the corridor. There were books piled on the shelves and tables in the three bedrooms, on the sink and cabinets in the bathroom, stacked from floor to ceiling in the study, and in the store, old journals were stacked next to crates of Coke and cartons of Premier beer. Some of the books were placed face down, open, as though Master had not yet finished reading them but had hastily gone on to another.”

 
Chimamanda Ngozi Adichie (Enugu, 15 september 1977)

 

De Britse schrijfster Agatha Christie werd geboren in Torquay (Devon) op 15 september 1890. Zie ook alle tags voor Agatha Christie op dit blog.

Uit: Murder on the Orient Express

“Dubosc had overheard part of a conversation between him and the stranger. “You have saved us, mon cher,” said the General emotionally, his great white moustache trembling as he spoke. “You have saved the honour of the French Army – you have averted much bloodshed! How can I thank you for acceding to my request? To have come so far–”
To which the stranger (by name M. Hercule Poirot) had made a fitting reply including the phrase – “But indeed, do I not remember that once you saved my life?” And then the General had made another fitting reply to that, disclaiming any merit for that past service; and with more mention of France, of Belgium, of glory, of honour and of such kindred things they had embraced each other heartily and the conversation had ended.
As to what it had all been about, Lieutenant Dubosc was still in the dark, but to him had been delegated the duty of seeing off M. Poirot by the Taurus Express, and he was carrying it out with all the zeal and ardour befitting a young officer with a promising career ahead of him.
“To-day is Sunday,” said Lieutenant Dubosc. “Tomorrow, Monday evening, you will be in Stamboul.”
It was not the first time he had made this observation. Conversations on the platform, before the departure of a train, are apt to be somewhat repetitive in character.
“That is so,” agreed M. Poirot.
“And you intend to remain there a few days, I think?”
“Mais oui. Stamboul, it is a city I have never visited. It would be a pity to pass through – comme a.” He snapped his fingers descriptively. “Nothing presses – I shall remain there as a tourist for a few days.”
“La Sainte Sophie, it is very fine,” said Lieutenant Dubosc, who had never seen it.
A cold wind came whistling down the platform. Both men shivered. Lieutenant Dubosc managed to cast a surreptitious glance at his watch. Five minutes to five – only five minutes more!”

 
Agatha Christie (15 september 1890 – 12 januari 1976)
Scene uit de gelijknamige film uit 2017

 

De Turkse schrijver Orhan Kemal (eig. Mehmet Raşit Öğütçü) werd geboren op 15 september 1914 in Ceyhan. Zie ook alle tags voor Orhan Kemal op dit blog.

Uit: The Idle Years (Vertaald door Cengiz Lugal)

We saw Hasan Hüseyin the night we got back to Adana. We found out that my girlfriend had gone off with a sailor. Gazi’s had got engaged to her cousin who worked as a farmhand in a nearby village, and the Cretan café owner had been busted for dealing hashish and was doing time.
‘How about that?’ mused Gazi. ‘Would you believe it?’
As for me… ‘What are you thinking?’ Hasan asked me.
‘Don’t mind him,’ said Gazi. ‘He just can’t let things go. I don’t know what it is with him – you can’t dwell on these things.’
It was nearly midnight by the time I left them. I went over to the old sycamore tree, where we used to light matches and signal our girlfriends.
It seemed to be waiting patiently, resigned to whatever fate might bring.
I leaned against its trunk. In the distance I saw the two brightly lit windows. It all looked exactly the way we had left it. I gave a loud whistle. I noticed two shadows pause at one of the windows. My second whistle created more of a stir. One of the shadows seemed to climb on the sofa. A lamp signalled ‘Coming!’ My face began to twitch, and my left ear started to hum. I thought of how she would break down and apologize… How on earth was she going to explain what she had done to me? How, I wondered? Just how?
She came and stood in front of me without even saying ‘Welcome back.’ We stood silently for a while.
‘Is it true?’ I asked eventually.
She remained quiet.
‘So it is true?’
Still nothing.
‘How did you meet him?’ I asked.
She still didn’t say a word.
‘So,’ I said, ‘I don’t have a chance.’
She raised her head and looked up to the stars, then folded her arms in front of her chest.
‘There’s no way he could love you the way I do,’ I said. ‘You’re going to regret this, believe me. You’re really going to regret it.’
She shrugged.
I flicked away the last of my cigarette and left.”

 
Orhan Kemal (15 september 1914 – 2 juni 1970)
Hier met echtgenote en kinderen

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e september ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, James Fenimore Cooper, Claude McKay

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

de rivier

uit al haar armen brandt de rivier onder de rotsen
en onder de kleine zon boven de bossen
spuwt naar tellurische wortels naar de staart van de wolk
en met gesperde muil dwars door deinende scherven zij zwermt
met grillige warmte over de wereld

de duisternis dicht bij haar buik buigen gulzige bloemen
en daar is een hol en een poel en het kraken en zoemen
van een paar draken in de avond niet veraf op een graf
staande een uil staart naar een glazen galg daar grof
gebouwde rotsen omringen de melodische afgrond

ach altijd en altijd hangen natte tongen aan de trieste bergen
gespleten tongen getande tongen en opgeblazen
ronkende tongen en in de dalen in de stenen en lemen cocons
academisch zingende mannen manmoedig wanhopig
zingende mannen en vrouwen vaag draperend de ruimte

maar een adder de lichtgeaderde rivier spartelt en
knaagt aan het wenende vlees van de wind
wat geeft dat klagen? sneeuw sneeuwt over vervaarlijke
en ook over bedaagde ogen en alles raakt los in de nacht
voort stromende argeloos tomeloos maar niet verlost
van de klagende nacht

 

lente-suite voor lilith

introductie:

als babies zijn de dichters niet genezen
van een eenzaam zoekend achterhoofd
velen hebben liefde uitgedoofd
om in duisternis haar licht te lezen

in duisternis is ieder even slecht
de buidel tederheid is spoedig leeg
alleen wat dichters brengen het te weeg
uit poelen worden lelies opgedregd

kappers slagers beterpraters
alles wat begraven is
godvergeten dovenetels laat es
aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is

wie wil stralen die moet branden
blijven branden als hij liefde meent
om in licht haar duisternis op handen
te dragen voor de hele goegemeent

1
o-o-oh
zo god van slanke lavendel te zien
en de beek koert naar de keel
en de keel is van de anemonen
is van de zee de monen zingende bovengekomen

kleine dokter jij drinkende huid van bezien
zie een mond met de torens luiden de tong
een wier van geluid de libbelen tillende klei

en jij
wassen jij klein en vingers in de la in de ven
lavendel in de lente love lied
laat zij geuren
pagodegeuren
lavendelgoden
geuren

 
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)
Lucebert: Prinsenpaar, 1962

Continue reading “Lucebert, Jan Slauerhoff, Sergio Esteban Vélez, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf, James Fenimore Cooper, Claude McKay”

Dolce far niente, Alfred Tomlinson, Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf

 

Dolce far niente

 

 
Gustavo Silva Nuñez poseert voor een door hem geschilderde zwemmer, 2015.

 

Swimming Chenango Lake

Winter will bar the swimmer soon.
He reads the water’s autumnal hestitations
A wealth of ways: it is jarred,
It is astir already despite its steadiness,
Where the first leaves at the first
Tremor of the morning air have dropped
Anticipating him, launching their imprints
Outwards in eccentric, overlapping circles.
There is a geometry of water, for this
Squares off the clouds’ redundances
And sets them floating in a nether atmosphere
All angles and elongations: every tree
Appears a cypress as it stretches there
And every bush that shows the season,
A shaft of fire. It is a geometry and not
A fantasia of distorting forms, but each
Liquid variation answerable to the theme
It makes away from, plays before:
It is a consistency, the grain of the pulsating flow.
But he has looked long enough, and now
Body must recall the eye to its dependence
As he scissors the waterscape apart
And sways it to tatters. Its coldness
Holding him to itself, he grants the grasp,
For to swim is also to take hold
On water’s meaning, to move in its embrace
And to be, between grasp and grasping, free.
He reaches in-and-through to that space
The body is heir to, making a where
In water, a possession to be relinquished
Willingly at each stroke. The image he has torn
Flows-to behind him, healing itself,
Lifting and lengthening, splayed like the feathers
Down an immense wing whose darkening spread
Shadows his solitariness: alone, he is unnamed
By this baptism, where only Chenango bears a name
In a lost language he begins to construe —
A speech of densities and derisions, of half-
Replies to the questions his body must frame
Frogwise across the all but penetrable element.
Human, he fronts it and, human, he draws back
From the interior cold, the mercilessness
That yet shows a kind of mercy sustaining him.
The last sun of the year is drying his skin
Above a surface a mere mosaic of tiny shatterings,
Where a wind is unscaping all images in the flowing obsidian,
The going-elsewhere of ripples incessantly shaping.

 

 
Alfred Tomlinson (8 januari 1927 – 22 augustus 2015)
Stoke-on-Trent, Old Town Hall. Alfred Tomlinson werd geboren in Stoke-on-Trent.

Continue reading “Dolce far niente, Alfred Tomlinson, Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Orhan Kemal, Gunnar Ekelöf”

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal, Karl Philipp Moritz

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

gedicht

I
van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen
van hoe de mensen webben spinnen en sterven
van savonds versierde hyenaas en cocons in de ochtend
van zwaar slapen aanblazen en van de vraatzucht

II
hoe in de heldere natuur eender werken de dingen en wezens
bruisend zich rekken de takken en huilende vallen de stenen
een denkende mier of een denkende ster en een slang
zacht vertrekt uit zijn zwangere staart als de beken
uit hun drabbig foedraal zoals de leliën ook en
van verdriet of van vrede blauw zijn de bloemende bergen

III
altijd en overal anders zijn de mensen want anders
dragen zij de aarde: vaak door de slaafse spreekbuis
hinkend zij dragen de aarde of vallend van de statietrap
zij torsen de aarde maar nooit en te nimmer zij nemen
de aarde aan als een wind in ’t gezicht in het web

IV
door donkerte nader zij komen met allen en alles
en daar gelijk is het oor aan de mond het hoofd aan het hart
aan alles aan allen gelijk het licht zij vloeien het toe

 

 
Lucebert, Het geschenk, 1986

 

V
maar daaraan terstond zij maken bodemloze fotoos van de almacht
als was de nacht hun moeder niet de avond niet hun vader
zij steken de zon in de mond verorberen de wolken
zij beduimlen de bliksem met hun smeulende tongen
en bootsen de maan na met hun pluimstrijkende ogen
of gaan wonen in hoge wisselstromen onttronend de diepte

VI
spook en talisman zij trouwen en bouwen hun huizen daarom
maar buiten zij breken graag de glazen derwisch van het water
en gehaast zij plukken de magnetische springveren
die van het vuur en de maandragende paarden der zee
blazen zij op en het steen het steen zij besmetten het met
rokende rivieren of sluizen en aldus ook hun mummies
zij sluimren of mijmren niet maar zij stomen zij bonzen

VII
oh de moede man die de sleutels der dubbelzinnigheid smolt
of wegwierp dat hij staat voor de zo vaak vertoonde kasten en laden
die zo gehoond gelijk zij geloofd zijn dat hij er staat en vraagt
naar een deur om daar door te gaan

VIII
zie dan voor zijn vetgemeste spiegel wil hij vliegen en zweven
hoor dan door zijn mulle microfonen wil hij van vrede lachen en zingen
deze die eens de sleutels der dubbelzinnigheid smeedde
hem opent geen vrede

 
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

Continue reading “Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal, Karl Philipp Moritz”

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

Vrede is eten met muziek

Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik

Vrede is goed eten met goede muziek
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten
Dan is marsmuziek net zo bedorven
Als besmet voedsel

Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten
Want dansen is geen vechten
Wie danst houdt rekening met andere dansers
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt
Met overig disgenoten.

 

 
Lucebert, En zij wendden zich af van het kruis, 1985

 

Van de econoom

onverschrokken bij braindrain de schoonprater
springt van nest naar vogel en blijft opgetogen
in de spaghetti van glossolalie lepelen

bepaalde aspecten moeten worden meegenomen
als je niet bepaalde effecten voorkomt
maar kunnen ook blijven liggen als vorm van antwoord
zoals de schepping ook is bepaald die met mensen in de supermarkt
al te toevallige offers heeft afgewend daar komen we onszelf tegen
in de ethiek van het economisch leven

zorgvuldig produceren en consumeren
er is een omslag ontstaan in de omgang
een kwestie van gewenning
invulling van verantwoordelijkheden meer vulsel
dat uitspruit tot vullus
toegevoegde waarde
strijkstok van strijkages

 
Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994) Lucebert, verkleed als Keizer der Vijftigers, 1954

Continue reading “Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie, Claude McKay, Orhan Kemal”

Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie

De Nederlandse dichter Lucebert werd in Amsterdam geboren op 15 september 1924 onder de naam Lubertus Swaanswijk. Zie ook mijn blog van 15 september 2010 en eveneens alle tags voor Lucebert op dit blog.

 

 

Over schilders IV

het atelier staat wijd open
maar eerst worden van licht de tere benen
gebroken voordat de bezoeker zo kan staan
als de schilder zijn bezoeker droomt

maar vaak is de bezoeker in het atelier
een haan met haar en veel
zitvlees met stemverheffing
geen schilderij kan hem aan

soms ook komt als op kousevoeten
de beschouwende bezoeker die diep in gedachten
wat mee- nee wat napenseelt
omdat juist die kompositie die kleur niet past
bij zijn kiekeboe-museumcarrière of kamer
bij zijn kiekeboe-ega of zijn kiekeboe-kantoor

al die gasten waren toch gewaarschuwd
op het palet blijft het eeuwig een smeerboel
parasieten beulen zelfs de koddebeier van ’t heelal
alles roert in de verf fervent en met verve

et la belle peinture o la la dat is het móóie schilderen
dat is uit de knieën van geknielde spuiten tranen
omdat zij zich schamen voor het bloed dat niet is te stuiten

 

 

Lucebert, Orpheus en de dieren, 1952

 

 

 

kleine strateeg

de kleine zonnetafel was immens
waaraan ik als kind mijn dromen speelde
de bergen hier de dalen daar
en het gevaar daartussen met zijn woeste baard

alles was toen geel onder gelukkige ogen
geen schaduw werd er ingedeeld
zelfs de despoot bleef onbewogen en in stilte
aan de altijd zingende slaven uitgespeeld

 

Slaap

De oude wind beweent met as de gouden zee
daarop traag en treurend drijft de dag weg
het sterft het streng en trouw gesprek en een zucht
verheft zich tussen de donkere doornen
wit schichtig de tred van de maan

In de diepte en onder zwijgzaamheid
trekken toekomstige handen naar
het werk aan waters en aan de wortel.

In wolken echter rusten
nu overbodige ogen uit
hun ijle vleugels sluiten alom
in het sterstijve licht.

 

 

Lucebert (15 september 1924 – 10 mei 1994)

Continue reading “Lucebert, Jan Slauerhoff, Chimamanda Ngozi Adichie, Agatha Christie”