Herman Brusselmans, Louise Glück

De Vlaamse schrijver Herman Brusselmans werd geboren in Hamme op 9 oktober 1957. Zie ook alle tags voor Herman Brusselmans op dit blog.

Uit: De Tafel

“Ik heb jaren aan een stuk bezworen dat ik nooit een boek zou schrijven met als titel De tafel. En tja, op een dag begin je er dan toch aan. Want hoewel ik vanaf 1982 vond dat De tafel een veel te simpele, weinigzeggende titel is, dacht ik daarstraks: nou, eigenlijk valt dat wel mee. Tenslotte weet iedereen wat een tafel is, en een titel mag gerust begrijpelijk zijn voor het grote publiek. Zonder tafel zouden we in een heel andere cultuur leven, bijvoorbeeld de woestijncultuur, waar de bewoners van de grond eten, of van een zelf geknoopt tapijt. Geef mij dan maar een tafel. Ik heb slechts één keer in m’n leven van de grond gegeten, en dat was toen ik drie maanden in een psychiatrisch instituut verbleef, en iedereen daar ervan wilde overtuigen dat ik werkelijk gek was. Van de grond eten, m’n uitwerpselen verkopen voor veel te veel geld aan de andere gekken, een vrouw die bij de verpleging zat beloven dat ik haar zwanger zou maken en daarna alsnog weigeren om met haar te neuken, dat soort dingen. Het was geen leuke periode. Oké, er zit iets fout in m’n hoofd, dat wel. Dat 6begon al goed toen ik op straat een paard wilde omhelzen, maar het bleek geen paard maar een oud wijf met een veel te groot bovengebit. Ik omhelsde haar trouwens veel te stevig, en door ademnood viel ze neer op de straat. Ik riep: ‘Bel de politie! Bel de politie! Een vrouw probeert de straat te stelen!’ Niemand belde de politie omdat iedereen wist: een straat stelen door er bewusteloos op neer te vallen, dat is onmogelijk. Zeker niet als de zogenaamde dief een vrouw is van tweeënnegentig, zich bovendien voortbewegend met een rollator. Ik gaf haar een trap in haar maag. Stom wijf. Eerst een beetje een paard lopen imiteren, en dan in coma raken, ik ken dat, mij moet je geen appelen voor citroenen verkopen. Omdat ik nog nooit de kut had gezien van een tweeënnegentigjarige vrouw, deed ik haar rok en haar onderbroek uit, en staarde ik tussen haar benen. Godverdomme, zoiets lelijks had ik nog nooit gezien. Het leek wel alsof tussen die benen de smoel van een hamster was ontploft. Van die rauwe vleesresten, weet je wel. Zo’n harige, ontplofte smoel van een bejaarde hamster. Zou die kut ook naar een dode hamster rúiken? Ik stak m’n neus tussen de benen van de vrouw en snoof hard en veelvuldig. Nee, de kut rook niet naar een dode hamster, maar wel naar iets wat per ongeluk zoek is geraakt in een slachthuis en daar al enkele weken ligt te rotten.
Ondertussen had iemand alsnog de politie gebeld, niet om de oude vrouw aan te houden vanwege straatdiefstal, maar om mij aan te houden vanwege het op een onzedelijke manier lastigvallen van die vrouw. Altijd als er iets gebeurt met een man en een vrouw, wordt de man in het ongelijk gesteld. Dat is al zo sinds de tweede feministische golf van 1865, toen een Franse lesbo door een rechter in het gelijk werd gesteld nadat ze een man beschuldigd had van verkrachting.”

 

Herman Brusselmans (Hamme, 9 oktober 1957)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

 

Metten

Wat heb je met mijn hart
dat je het keer op keer moet breken
als een kweker die zijn nieuwe
ras beproeft? Experimenteer
maar op iets anders: hoe kan ik leven
in groepen, zoals jij wilt, als jij me
in de quarantaine van hartzeer dwingt, me scheidt
van de gezonde leden van
mijn eigen soort: zoiets doe je niet
in de tuin, de zieke roos
afzonderen; die laat je rustig met zijn openbare
geteisterde bladeren in
de gezichten van de andere rozen wapperen, en de luizen

van de ene op de andere plant springen, wat maar weer bewijst
dat ik het laagste van jouw schepselen ben, lager nog
dan de tierige bladluis en de klimmende roos – Vader,
als vertegenwoordiger van mijn eenzaamheid, verzacht
althans mijn schuld; neem
het brandmerk van mijn afzondering weg, tenzij
je van plan bent mij weer
voor altijd gezond te maken, zoals ik
gezond was en heel in mijn onbegrepen jeugd,
of als toen niet, onder de lichte druk
van mijn moeders hart, of als toen niet
in dromen: eerste
wezen dat nooit zou sterven.

 

Vertaald door Erik Menkveld

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 9e oktober ook mijn blog van 9 oktober 2018 en ook mijn blog van 9 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 9 oktober 2016 deel 2.

Nobelprijs voor de Literatuur voor Louise Glück

De Nobelprijs voor de Literatuur is dit jaar toegekend aan Louise Glück. Haar poëzie wordt gekenmerkt door een streven naar duidelijkheid, aldus het comité. Terugkerende thema’s zijn het gezinsleven en de relatie tussen ouders en broers en zussen. De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

The Red Poppy

The great thing
is not having
a mind. Feelings:
oh, I have those; they
govern me. I have
a lord in heaven
called the sun, and open
for him, showing him
the fire of my own heart, fire
like his presence.
What could such glory be
if not a heart? Oh my brothers and sisters,
were you like me once, long ago,
before you were human? Did you
permit yourselves
to open once, who would never
open again? Because in truth
I am speaking now
the way you do. I speak
because I am shattered.

 

Vespers

In your extended absence, you permit me
use of earth, anticipating
some return on investment. I must report
failure in my assignment, principally
regarding the tomato plants.
I think I should not be encouraged to grow
tomatoes. Or, if I am, you should withhold
the heavy rains, the cold nights that come
so often here, while other regions get
twelve weeks of summer. All this
belongs to you: on the other hand,
I planted the seeds, I watched the first shoots
like wings tearing the soil, and it was my heart
broken by the blight, the black spot so quickly
multiplying in the rows. I doubt
you have a heart, in our understanding of
that term. You who do not discriminate
between the dead and the living, who are, in consequence,
immune to foreshadowing, you may not know
how much terror we bear, the spotted leaf,
the red leaves of the maple falling
even in August, in early darkness: I am responsible
for these vines.

 

October (section I)

Is it winter again, is it cold again,
didn’t Frank just slip on the ice,
didn’t he heal, weren’t the spring seeds planted

didn’t the night end,
didn’t the melting ice
flood the narrow gutters

wasn’t my body
rescued, wasn’t it safe

didn’t the scar form, invisible
above the injury

terror and cold,
didn’t they just end, wasn’t the back garden
harrowed and planted—

I remember how the earth felt, red and dense,
in stiff rows, weren’t the seeds planted,
didn’t vines climb the south wall

I can’t hear your voice
for the wind’s cries, whistling over the bare ground

I no longer care
what sound it makes

when was I silenced, when did it first seem
pointless to describe that sound

what it sounds like can’t change what it is—

didn’t the night end, wasn’t the earth
safe when it was planted

didn’t we plant the seeds,
weren’t we necessary to the earth,

the vines, were they harvested?

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)

Giorgio Fontana, Louise Glück

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Dood van een gelukkig man (Vertaald door Philip Supèr)

‘Goed,’ antwoordde de jongen. Hij had hetzelfde blonde haar als zijn vader, maar steil en lang, zijn neus en mond trilden af en toe. ‘Stel dat jullie de gasten pakken die mijn vader hebben vermoord. Wat dan?’ `Dan komen ze voor de rechter.’ `En daarna?’
`Als ze schuldig worden bevonden, krijgen ze een straf opgelegd.’ `Blijven ze dan hun hele leven in de gevangenis?’ `In ieder geval heel veel jaren. Ze zullen niemand meer iets kunnen aandoen.’ `Dat is niet genoeg,’ zei de jongen, en hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet genoeg.’ Colnaghi knikte weer. lij heet Luigi, toch?’ vroeg hij. ‘Ja.’ `Hoe oud ben je, Luigi?’ `Veertien.’ `Veertien. Zit je op school?’ `Op het lyceum. Onderbouw.’ `Oké. Vertel me dan maar ’s wat we moeten doen met de moordenaar van je vader.’ Ontstemd gemompel, schuddende hoofden. Colnaghi realiseerde zich dat hij te ver was gegaan, maar hij had inmiddels voor zichzelf een hypothese opgesteld, en die moest worden getest. De jongen leek overigens helemaal niet verrast door de vraag. Hij wendde zich alleen maar naar de deur en kneep zijn ogen samen om even goed te kunnen nadenken. Toen keek hij Colnaghi weer aan. `Ik zou hem doodmaken,’ zei hij. ‘Ik zou hem meteen doodmaken, gewoon met mijn handen.’ Nu rees er een geroezemoes op. Zijn moeder trok hem stevig aan zijn hand. tuigir siste ze, zonder veel overtuiging. De jongen negeerde haar. Hij bleef Colnaghi aankijken en Colnaghi begreep dat wat hier tussen hen gebeurde niet zomaar een tweestrijd was, maar iets veel groters en complexers. Het ging om het lot van een hele natie die een tragedie probeerde te verwerken, om een lange geschiedenis van over en weer aangedaan onrecht en geslagen wonden. Want uiteindelijk kwam alles samen in dezelfde, banale vraag: hoe vertel je een kind over de dood van zijn vader? Wat heb je aan redeneringen en verklaringen bij zo’n verlies? We zien onze kinderen opgroeien vol van rancune, dacht hij bij zichzelf. We zien ze opgroeien als wezen die nieuwe vaders nodig hebben, en ik heb niets te bieden.”

 

Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

Bekentenis

Om te zeggen dat ik niet bang ben –
Het zou niet waar zijn.
Ik ben bang voor ziekte, vernedering.
Zoals iedereen heb ik mijn dromen.
Maar ik heb geleerd ze te verbergen,
Om mezelf te beschermen
Tegen vervulling: alle geluk
Trekt de woede van het noodlot aan.
Het zijn zussen, wilden –
Uiteindelijk hebben ze
Geen gevoel behalve afgunst.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e april ook mijn blog van 22 april 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Giorgio Fontana, Louise Glück

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Dood van een gelukkig man (Vertaald door Philip Supèr)

‘Goed,’ antwoordde de jongen. Hij had hetzelfde blonde haar als zijn vader, maar steil en lang, zijn neus en mond trilden af en toe. ‘Stel dat jullie de gasten pakken die mijn vader hebben vermoord. Wat dan?’ `Dan komen ze voor de rechter.’ `En daarna?’
`Als ze schuldig worden bevonden, krijgen ze een straf opgelegd.’ `Blijven ze dan hun hele leven in de gevangenis?’ `In ieder geval heel veel jaren. Ze zullen niemand meer iets kunnen aandoen.’ `Dat is niet genoeg,’ zei de jongen, en hij schudde zijn hoofd. ‘Dat is niet genoeg.’ Colnaghi knikte weer. lij heet Luigi, toch?’ vroeg hij. ‘Ja.’ `Hoe oud ben je, Luigi?’ `Veertien.’ `Veertien. Zit je op school?’ `Op het lyceum. Onderbouw.’ `Oké. Vertel me dan maar ’s wat we moeten doen met de moordenaar van je vader.’ Ontstemd gemompel, schuddende hoofden. Colnaghi realiseerde zich dat hij te ver was gegaan, maar hij had inmiddels voor zichzelf een hypothese opgesteld, en die moest worden getest. De jongen leek overigens helemaal niet verrast door de vraag. Hij wendde zich alleen maar naar de deur en kneep zijn ogen samen om even goed te kunnen nadenken. Toen keek hij Colnaghi weer aan. `Ik zou hem doodmaken,’ zei hij. ‘Ik zou hem meteen doodmaken, gewoon met mijn handen.’ Nu rees er een geroezemoes op. Zijn moeder trok hem stevig aan zijn hand. tuigir siste ze, zonder veel overtuiging. De jongen negeerde haar. Hij bleef Colnaghi aankijken en Colnaghi begreep dat wat hier tussen hen gebeurde niet zomaar een tweestrijd was, maar iets veel groters en complexers. Het ging om het lot van een hele natie die een tragedie probeerde te verwerken, om een lange geschiedenis van over en weer aangedaan onrecht en geslagen wonden. Want uiteindelijk kwam alles samen in dezelfde, banale vraag: hoe vertel je een kind over de dood van zijn vader? Wat heb je aan redeneringen en verklaringen bij zo’n verlies? We zien onze kinderen opgroeien vol van rancune, dacht hij bij zichzelf. We zien ze opgroeien als wezen die nieuwe vaders nodig hebben, en ik heb niets te bieden.”

 

Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

Bekentenis

Om te zeggen dat ik niet bang ben –
Het zou niet waar zijn.
Ik ben bang voor ziekte, vernedering.
Zoals iedereen heb ik mijn dromen.
Maar ik heb geleerd ze te verbergen,
Om mezelf te beschermen
Tegen vervulling: alle geluk
Trekt de woede van het noodlot aan.
Het zijn zussen, wilden –
Uiteindelijk hebben ze
Geen gevoel behalve afgunst.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e april ook mijn blog van 22 april 2019 deel 1 en eveneens deel 2.

Louise Glück, Hans Lodeizen, Henk Hofland, Arie Storm, Paul Violi, Uwe Johnson, Maurice Gilliams, Francesco Petrarca, Dolce far niente

Dolce far niente

 

Starting Rain door Vahe Yeremyan, 2016

 

Summer

Remember the days of our first happiness,
how strong we were, how dazed by passion,
lying all day, then all night in the narrow bed,
sleeping there, eating there too: it was summer,
it seemed everything had ripened
at once. And so hot we lay completely uncovered.
Sometimes the wind rose; a willow brushed the window.

But we were lost in a way, didn’t you feel that?
The bed was like a raft; I felt us drifting
far from our natures, toward a place where we’d discover nothing.
First the sun, then the moon, in fragments,
stone through the willow.
Things anyone could see.

Then the circles closed. Slowly the nights grew cool;
the pendant leaves of the willow
yellowed and fell. And in each of us began
a deep isolation, though we never spoke of this,
of the absence of regret.
We were artists again, my husband.
We could resume the journey.

 

Louise Glück (New York, 22 april 1943)
Coney Island, New York


De Nederlandse dichter Hans Lodeizen werd geboren op 20 juli 1924 in Naarden. Zie ook alle tags voor Hans Lodeizen op dit blog.

Op bezoek

verdronken in steden
van ongewillige pijn,
waar als een droom
verlichte wagens zweven, bijna,
bijna totaal gezonden.

ik heb wel
honderd dagen, die ik
aangelengd heb, mengend
de wind met het verlangen
in het lege horloge.

nu dan, nu
onoverkomelijk ongemak door
de straten zwerft, lijdend
aan haar voeten, en het wilde
touw zwabbert in het oog.

nu dan zal
mijn huilen zwaar als een
onweer losbreken over de
huizen en ramen, die
niet spreken van onrust.

ik heb de
mensen uitsluitend vanwege
het lichte wuiven van hun
handen liefgehad; de zee
en de schuim in de wind verdeeld –

een troebele
genade zwemt als lover
op de nacht drijvend naar
mijn ondergronds eiland, o, dat
heb je op de photos toch wel gezien?

het is het hart,
dat zoekt, en steeds het lichaam,
dat vindt, oneindige melodie gooiend
in de avond, zo zwak zijn we
en toch verdacht.

grote ogen,
uit de stenen muur tegen
handen en voeten pratend,
tuimelend in de hoeden en
olifantsbenen der oude dames.

 

ik die de morgen als een beker

ik die de morgen als een beker
vol gouden wijn met lange
teugen leegdrink en denk
aan korenvelden in de zon
en de lange avonden van de boeren
ik die als een korenveld
voor de winter ben bewaard

Hans Lodeizen (20 juli 1924 – 26 juli 1950)
Cover biografie


De Nederlandse schrijver, journalist, commentator, essayist en columnist Henk Hofland werd geboren in Rotterdam op 20 juli 1927. Zie ook alle tags voor Henk Hofland op dit blog.

Over de slaverny in Europa

De laatste mensenslaaf die ik in Europa nog heb gezien, is het dienstmeisje, dat in ruil voor de haar verstrekte bevelen, loon, kost en inwoning haar hele leven trouw bleef aan de familie die haar exploiteerde. Hoewel ik van kindsbeen af tegen het instituut ben geweest, ben ik blij dat ik het zelf heb gezien. De Tweede Wereldoorlog heeft aan het ouderwetse dienstmeisje terloops een eind gemaakt. Dat was de nekslag voor de alledaagse slavernij.
Het aardige van Droogstoppel bij zijn inspectie van het pak van Sjaalman is, dat hij vaak zegt wat hij ervan vindt. Van dit onderwerp heeft hij niets begrepen, noteert hij met de eerlijkheid die weleens ontwapenend wordt genoemd. (Een onderwerp dat in het pak ontbreekt: over het ontwapenende in de eerlykheid dergenen die nooit onbewapend zyn). Voor wie ervan overtuigd is, dat het zo hoort, dat er nu eenmaal bevelen moeten worden gegeven en opgevolgd, bestaat er geen slavernij. Wat bevlogen idealisten slavernij noemen, is niets anders dan een gepaste, fatsoenlijke rangorde.
Kon het dienstmeisje bijvoorbeeld mooi zitten en kwispelen? Zeker: op haar manier wist ze precies hoe ze dat moest doen. Misschien zijn er nog wel mensen wier ouders met een smalfilmcamera dat allemaal hebben vastgelegd. Onschatbaar historisch materiaal; ik weet professors die er goud voor zouden willen geven om zo weer eens met iets heel oorspronkelijk nieuws te voorschijn te kunnen komen.
Intussen hebben wij in het moderne Europa tegen het einde van de twintigste eeuw op het gebied van de slavernij alleen nog de hond. Loop één hele dag op straat en kijk alleen naar de manier waarop de bazen hun honden behandelen, en wat de honden daarop antwoorden (en verwar de hond niet met andere huisdieren zoals kippen, vissen of koeien want dat zijn geen slaven maar slachtoffers, en begin ook niet over de kat want die is een profiteur) en zie dat de slavernij in Amsterdam en heel Europa niet is verdwenen maar zich alleen heeft verplaatst van het ene zoogdier naar het andere.
(Wat hy hiermee bedoelt, begryp ik niet. – Droogstoppel).

Henk Hofland (20 juli 1927 – 21 juni 2016)


De Nederlandse schrijver en literatuurcriticus Arie Storm werd geboren in Den Haag op 20 juli 1963. Zie ook alle tags voor Arie Storm op dit blog.

Uit: Het horrortheater van de Nederlandse literatuur

“Proloog
Toen ik een jaar of veertien, vijftien was, was mijn jongere zus – ze is ruim een jaar jonger dan ik – verbijsterd door het feit dat ik de typemachine van mijn vader pakte, die op de keukentafel zette, er een vel papier in draaide en vrolijk begon te tikken. Het verbaasde haar niet dat ik die machine van mijn vader gebruikte; ze wist dat ik zijn toestemming daarvoor had. Iets anders hield haar bezig. Ze wees naar het papier dat om de rol in de wagen van de machine zat en zei: ‘Dat papier schrijf je zomaar vol zonder dat ik je zie nadenken?’
‘Ja,’ zei ik, terwijl ik verder tikte. ‘Wat is daar mis mee?’
‘Dat is best bijzonder,’ zei ze. ‘De meeste mensen zuchten en steunen als ze iets moeten schrijven, maar jij doet het gewoon, je gaat meteen aan de slag.’
Het was waar. En het is nog steeds waar. Ik schrijf met veel plezier en ogenschijnlijk ook zonder me er al te veel voor in te hoeven spannen. Ik doe het graag. Misschien moet ik dit niet onthullen, want lezers houden van schrijvers die zeggen dat schrijven hard werken is, een buitengewone inspanning, zwaarder dan dat je bevalt van een kind. (Amateurschrijvers en mindere schrijvers in het algemeen vergelijken hun scheppende werk opmerkelijk vaak met zwanger worden en het krijgen van een kind.) Ik las een keer dat iemand eerst een halfuur op de grond ging liggen voordat hij ging schrijven. Zo ben ik dus niet. Ik houd evenmin van het eindeloos krabbelen van aantekeningen in notitieboekjes of het vullen van systeemkaarten met allerhande opmerkingen. Dat laatste deed Vladimir Nabokov. Maar daarna schreef hij de roman vlot, met een combinatie van kalm toezien op een geduldige en gestage groei van wat hij schreef en flukse spontaniteit – of wat daarop lijkt.
Schrijven, dat is wat ik het liefst doe, al komt lezen erbij in de buurt. En misschien is het ook niet helemaal waar. Wat ik écht het liefst doe is leven. Maar om daarvan te genieten moet ik erover schrijven (en lezen).”

Arie Storm (Den Haag, 20 juli 1963)
Cover

 

De Amerikaanse dichter Paul Randolph Violi werd geboren op 20 juli 1944 in Brooklyn, New York. Zie ook alle tags voor Paul Violi op dit blog.

On An Acura Integra

Please think of this as not merely a piece
Of writing that anyone would fully
Appreciate, but as plain and simple
Words that attempt to arouse whatever
Appetencies you, especially, depend
Upon language to fulfull; that drench you
In several levels of meaning at once,
Rendering my presence superfluous.
In other words, welcome this as a poem,
Not merely a missive I’ve slowly composed
And tucked under your windshield wiper
So that these onlookers who saw me bash
In your fender will think I’m jotting down
The usual information and go away.

 

Sonnet [“If I were fire, I’d burn the world away”]
Angiolieri’s “S’i’ fosse foco”

If I were fire, I’d burn the world away;
If I were wind, I’d blow it down;
If I were water, I’d let it drown;
If I were God, I’d deep-six it today.

If I were Pope, what would make me gay?
To ransack every Christian town.
If I were emperor, what would make my day?
To see heads roll on the ground!

If I were death, I’d run down my father;
If I were life, I’d flee from him.
As for dear mama, she gets the same.
If I were Cecco, and that is my name,
I’d take the pretty young girls to screw
and leave the ugly old hags to you.

Paul Violi (20 juli 1944 – 2 april 2011)


De Duitse schrijver Uwe Johnson werd geboren op 20 juli 1934 in Cammin (tegenwoordig Kamień Pomorski, Polen). Zie ook alle tags voor Uwe Johnson op dit blog.

Uit: Anniversaries (Vertaald door Damion Searls)

“August 24, 1967 ThursdayFive American war planes have been shot down in North Vietnam. Seventeen military personnel were killed in combat in the South, among them Anthony M. Galeno of the Bronx.Police in the Bronx have discovered a cache of weapons: submachine guns, an antitank gun, dynamite, ammunition, hand grenades, rifles, shotguns, pistols, detonators. The four collectors—private citizens, patriots, John Birch Society members—had planned to kill the Com-munist Herbert Aptheker first, then protect the nation from its other enemies.When Gesine Cresspahl came to this city in spring 1961, it was supposed to be for two years. The porter had put the child on his luggage cart and dashed her exuberantly around the somewhat run-down French Line terminal; when he doffed his cap and held out a hand, the child put both of hers behind her back. Marie was almost four years old. After six days at sea she had lost heart and no longer expected the new country to have the Rhine, her Düsseldorf kinder-garten, her grandmother. Gesine still always thought of Marie as “the child,” and the child of course was powerless to stop her. Gesine was worried—this child, squinting darkly, shyly, from under a white capotehat into the grimy light of West 48th Street, could thwart the move.She had twenty days to find an apartment, and the child resisted New York on every last one of them. The hotel found a German-speaking babysitter for her, an elderly, stiff-necked woman from the Black Forest in a tar-black dress, all ruffles and buttons. She could sing lieder by Uhland in a thin soprano voice, but she had retained more of her local dialect than she did the High German spoken in Freudenstadt twenty-five years ago; the child did not answer her. The child marched through the city with Gesine, not letting go of her hand, pressing against her in buses and subways, watchful to the point of suspicion, and letting herself be tricked into sleep by the monotonousmovements of some vehicle only late in the afternoon. She hunched her head between her shoulders when Gesine read to her from the apartment listings in The New York Times: she couldn’t care less about doorman buildings or air conditioning; she asked about ocean liners. She looked around with a kind of satisfaction in the apartments Gesine could afford, with their stingily chopped up, shabbily furnished rooms, three windows looking out on a courtyard black as night and one on the bleak hard facade opposite, expensive because it was free of Negro neighbors; they were nothing compared to the garden windows in Düsseldorf, she didn’t have to stand for these. The child did not take in one single English word, letting the shouts and hellos and compliments in hotel lobbies in buses at snack counters pass over her as though she had lost her sense of hearing entirely. She answered only with a delayed furious shake of the head, eyelids lowered. She was so silently bent on going back that people called her well-brought-up again and again. She started to refuse her food, because the bread, the fruit, the meat tasted different. Gesine permitted herself to resort to bribery and told her she could watch cartoons on TV; the child turned away from the screen, and not defiantly.”

Uwe Johnson (20 juli 1934 – 24 februari 1984)


De Vlaamse dichter en schrijver Maurice Gilliams werd geboren in Antwerpen op 20 juli 1900. Zie ook alle tags voor Maurice Gilliams op dit blog.

Uit: Elias of het gevecht met de nachtegalen

“Somtijds heb ik het gevoel, dat mijn haar in brand staat.
– Elias, zegt Hermine: vertel nog weer van de blauwe hand.
Zij heeft zich naast mij op het tapijt neer laten zinken en ik zie een lichte huivering door haar lichaampje gaan. Het is de eerste keer niet dat ik haar van de blauwe hand vertel; zij kent het verhaaltje, en toch kan ze niet stilzitten van bange verwachting; ze wil lachen, zuchten en kouwelijk geeuwen tegelijk. En argeloos begin ik een duister gebeuren te vertellen van toen ik, moederziel alleen, op een winteravond in mijn bed lag.
Pas was ik ontwaakt, en ik wilde alweer dadelijk opnieuw in slaap vallen; maar ik kon die warme plooi niet terugvinden en dat eigenste heerlijke kuiltje van daar straks, waar mijn lichaam zoo goed in paste, zoodat ik er vast omsloten in liggen kon. Ik draaide mij om en woelde mijn voeten bloot; eindelijk was er geen plekje meer in bed te vinden om nu eens fijntjes te liggen soezen. Ik lag op mijn rug, de armen onder het hoofd, gelijk ’s morgens als men wakker ligt en het nog te vroeg is om op te staan. De ijsbloemen kraakten op de bevroren ruiten. Op straat liep een paard met een bel. Ik liet het heetgestookte hoofd van links naar rechts vallen en een poos lag ik te staren naar het nachtlichtje, dat achter een blauwe flesch te beven stond. Beneden in huis hoorde ik bij wijlen duidelijk een pot op het vuur zetten en herhaaldelijk miaauwde de kat in de keuken.
Als ik op het beddegoed staarde, zag ik aan het voeteneinde iets bewegen waar ik niet goed uit wijs kon worden. Het was als een opgerolde kous, maar toch ànders, want met beweeglijke deelen er aan vast scheen het op inzakkende krabbepooten te rusten. Voorzichtig trok ik langzaam mijn voeten in, eerst mijn linker en dan mijn rechter. Toen mijn rechter maar pas bewogen had, verroerde het monsterachtige ding en het kwam dichterbij. En nu het eenmaal verontrust was, wilde het niet meer stilliggen. Op eens zag ik met schrjk: ik herkende een blauwe, leelijk verwrongen hand die met tergende traagheid naar mij toe kwam gekropen. Ze was nu reeds tot aan mijn knie naar boven geklommen en ik voorzag dat ze in korte tijd mijn borst bereiken zou; nog een paar vreeselijke oogenblikken, – en in mijn eigen bed lag ik als een vogeltje met dichtgeknepen keel. Listig probeerde ik me om te keeren; ik lag op mijn buik, het gelaat in het kussen verborgen. Met armen en beenen deed ik een poos zwembewegingen, in afwachting dat het ergste gebeurde.”

Maurice Gilliams (20 juli 1900 – 18 oktober 1982)
Hier bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren in 1982 met koningin Beatrix


De Italiaanse dichter en schrijver Francesco Petrarca werd geboren in Arezzo op 20 juli 1304. Zie ook alle tags voor Francesco Petrarca op dit blog.

Uit: Die Besteigung des Mont Ventoux (Vertaald door Kurt Steinmann)

„Wohl aber liegt das Leben, das wir das selige nennen, auf hohem Gipfel, und ein schmaler Pfad, so sagt man, führt zu ihm empor. Es steigen auch viele Hügel zwischen durch auf, und von Tugend zu Tugend muß man weiterschreiten mit erhabenen Schritten. Auf dem Gipfel ist das Ende aller Dinge und des Weges Ziel, darauf unsere Pilgerfahrt gerichtet ist. Dorthin gelangen wollen zwar alle, aber, wie Ovid sagt: Wollen, das reicht nicht aus, Verlangen erst führt dich zum Ziele. Es ist nicht zu glauben, wie sehr diese Überlegung mir zu dem, was noch zu tun verblieb, Geist und Körper aufrichtete.
Ein Gipfel ist da, der höchste von allen, den nennen die Waldleute „das Söhnlein“ – warum weiß ich nicht. Ich vermute aber, daß es wie manches andere nach dem Prinzip des Gegensatzes gesagt wird; denn in Wahrheit scheint er aller benachbarten Berge Vater zu sein. Auf seinem Scheitel ist eine kleine Hochfläche. Zuerst stand ich, durch einen ungewohnten Hauch der Luft und durch einen ganz freien Rundblick bewegt, einem Betäubten gleich. Ich schaue zurück nach unten: Wolken lagerten zu meinen Füßen, und schon sind mir Athos und Olymp minder unglaublich geworden, da ich das, was ich über sie gelesen und gehört, auf einem Berge von geringerem Rufe zu sehen bekomme. Ich richte nunmehr meine Augen nach der Seite, wo Italien liegt, nach dort, wohin mein Geist sich so sehr gezogen fühlt. Die Alpen selber – eisstarrend und schneebedeckt –, über die einst der wilde Feind des Römernamens hinüberzog, der, wenn wir dem Gerücht Glauben schenken wollen, die Felsen mit Essig sprengte, – sie erschienen mir greifbar nahe, obwohl sie durch einen weiten Zwischenraum getrennt sind. Die Rhone lag mir geradezu vor Augen. Dieweil ich dieses eins ums andere bestaunte und jetzt Irdisches genoß, dann nach dem Beispiel des Leibes auch die Seele zum Höheren erhob, schien mir gut, in das Buch der Bekenntnisse des Augustin hineinzusehen, eine Gabe, die ich deiner Liebe verdanke und die ich bewahre, zum Gedenken an den Urheber wie an den Geber, und die ich stets in Händen habe. Das faustfüllende Bändchen allerwinzigsten Formats, aber unbegrenzter Süße voll, öffne ich, um zu lesen, was mir entgegentreten würde: Was anderes als Frommes und Demütiges konnte mir wohl entgegentreten? Zufällig aber bot sich mir das zehnte Buch dieses Werkes dar.“

Francesco Petrarca (20 juli 1304 – 19 juli 1374)
Cover


Zie voor nog meer schrijvers van de 20e juli ook mijn blog van 20 juli 2017 en ook mijn blog van 20 juli 2013 deel 2 en eveneens deel 3.

Ana María Shua, Louise Glück, Gert W. Knop, Robert Choquette, James Philip Bailey, Henry Fielding, Michael Schulte, Cabrera Infante, Ludwig Renn

De Argentijnse dichteres en schrijfster Ana María Shua werd geboren op 22 april 1951 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Ana Maria Shua op dit blog.

Uit: Botany of Chaos (Vertaald door Rhonda Dahl Buchanan)

“Romance between Guard and Magnolia

Public square. Guard in love with Magnolia (secretly, even to himself). City budget cuts. Guard transferred to office job. Magnolia languishes. Guard languishes. Pathetic nocturnal encounters. With each passing day, Magnolia blossoms. Rumors in the neighborhood. One night, tragic premature birth: offspring buried discreetly. At the site, noticeable growth of a rebellious misfit sapling who refuses to remain tied to his roots, hates to study, and sits on the curb guzzling beer.

 

Beware of Women

That a woman has no roots (or pretends not to have them) is not enough proof. I would pay attention to what she eats, how she greets others (a certain flexibility in her curtsies). I would approach her to see if her sighs smell like the wind, if she has tangles like nests in her luxuriant hair. Clever, hybrid species that flitter between two kingdoms, these deceitful women disguise themselves, seduce, pretend to love, and reproduce at the slightest provocation.”


Ana María Shua (Buenos Aires, 22 april 1951)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

The Racer’s Widow

The elements have merged into solicitude,
Spasms of violets rise above the mud
And weed, and soon the birds and ancients
Will be starting to arrive, bereaving points
South. But never mind. It is not painful to discuss
His death. I have been primed for this –
For separation – for so long. But still his face assaults
Me; I can hear that car careen again, the crowd coagulate on
asphalt
In my sleep. And watching him, I feel my legs like snow
That let him finally let him go
As he lies draining there. And see
How even he did not get to keep that lovely body

 

Elms

All day I tried to distinguish
need from desire. Now, in the dark,
I feel only bitter sadness for us,
the builders, the planers of wood,
because I have been looking
steadily at these elms
and seen the process that creates
the writhing, stationary tree
is torment, and have understood
it will make no forms but twisted forms.


Louise Glück (New York, 22 april 1943)

 

De Duitse dichter, graficus en illustrator Gert W. Knop werd geboren op 22 April 1943 in Darmstadt.Zie ook alle tags voor Gert W. Knop op dit blog.

Früher Sommertag

Das Leben,
ewiges Karussell der Ereignisse,
wie einsame Fahrten
auf endloser See.
Der Tag im Wandel
ergießt seine Blüten
zum nahenden Sommer.
Jetzt, im Windhauch,
der betörende Duft das Jasmins,
der sich auf Gras und Bäume
legt im nahen Park.
Vergessen ist die Zeit der Stille,
und der dunklen, vergangenen Tage
im Glanz einer neuen Sonne
mit den Regenbogenfarben
der Seele

 
Gert W. Knop (Darmstadt, 22 April 1943)

 

De Canadese dichter, schrijver en diplomaat Robert Choquette werd geboren op 22 april 1905 in Manchester, New Hampshire. Zie ook alle tags voor Robert Choquette op dit blog.

Uit: En Marge de Dürer

J’AS feuilleté longtemps un album de Dürer,
Ce vieux maître allemand qui, extirpant de l’ombre
La conscience humaine aux racines sans nombre,
Grava dans la clarté le profil de l’enfer.
Et ces feuillets vivants que le détail torture,
Et ces traits corrosifs, aigus, rongeurs, pillards,
Dont le burin-scalpel mutile la nature,
Ont fait monter en moi ce mystique brouillard
Troué de cent clochers que fut le moyen âge;
Et je rêve, et voici que je vois en mes yeux,
Sur un chemin qui tient de la terre et des cieux,
Prendre forme et grandir des spectres en voyage.

D’abord l’Orgueil, masqué de son sourire amer.
Fils aîné de Satan, qu’il provoque de taille,
Il chevauche un lion ému pour la bataille.
Sa pensée orageuse est pareille à la mer,
Mais, fluide serpent qui se glisse en spirale
Aux ramures, le vent n’a jamais pris au vol
Ses plaintes. Le coeur haut comme une cathédrale,
Il passe, et le lion, d’un coup de griffe au sol,
Écrit sur tout chemin: « C’est le maître qui passe.
Une ombre de l’enfer le suit: le Désespoir,
Étouffant à deux mains l’oeil qui ne sait plus voir
Le bleu visage de l’espace.

Après lui vient l’Envie au sourire amaigri,
Au pied feutré, au front étroit, au regard jaune.
C’est elle qui mesure à l’aune Le bien d’autrui.
Son sein, qui n’a jamais fleuri,
Nourrit avec douleur la fille de ses oeuvres,
La Calomnie au profil d’ange et dont le corps
Dérobe en son manteau l’ondoiement des couleuvres.
Un autre nourrisson, plus redoutable encor,
Dévoré d’une soif aux flammes de Géhenne,
Aspire au maigre sein qu’il n’a jamais tari;
Et quand la mère, ouvrant sa bouche avec un cri,
L’appelle par son nom, l’écho répond: la Haine.


Robert Choquette (22 april 1905 – 22 januari 1991)
Manchester, New Hampshire in de Jaren 1960

 

De Engelse dichter James Philip Bailey werd geboren op 22 april 1816 in Nottingham. Zie ook alle tags voor James Philip Bailey op dit blog.

The Passing Bell

Hark! ‘tis the passing bell;
While the soul is on its way,
While it waves its upward wings,
We yet may pray.

Pray for the good man’s soul;
He is leaving earth for heaven;
And it soothes us to feel that the best
May be forgiven.

Pray for the sinful soul;
It fleëth we know not where;
But wherever it be, let us hope;
For God is there.

Pray for the rich man’s soul;
Not all be unjust, nor vain;
The wise he consoled; and he saved
The poor from pain.

Pray for the poor man’s soul;
The death of this life of ours,
He hath shook from his feet; he is one
Of the Heavenly powers.

Pray for the old man’s soul;
He hath laboured long; through life
It was battle, or march; he hath ceased,
Serene, from strife.

Pray for the infant’s soul;
With his spirit’s crown unsoiled,
He hath won, without war, a realm;
Gained all, nor toiled.

Pray for the struggling soul;
The mists of the straits of death
Clear off; in some star–bright isle
It anchoreth.

Pray for the soul assured;
Though it wrought in a gloomy mine,
Yet the gems it earned were its own,
That soul divine.

Pray for the simple soul;
For it loved, and therein was wise,
Though itself knew not; but with Heaven
Confused the skies.

Pray for the sage’s soul;
‘Neath his welkin wide of mind,
Lay the central thought of God,
Though undefined.

Pray for the high, the mean;
Souls are of equal birth;
Let thoughts be the joy of the world,
And end of earth.

Pray for the souls of all,
To God, and His holy Son,
That, filled with the Spirit Divine,
All may be one.

Hush! for the bell hath ceased;
And the spirit’s fate is sealed;
To the angels known; to man
Left unrevealed.


James Philip Bailey (22 april 1816 – 6 september 1902)
In zijn studeerkamer

 

De Engelse schrijver Henry Fielding werd op 22 april 1707 in Glastonbury geboren. Zie ook alle tags voor Henry Fielding op dit blog.

Uit: Tom Jones

“Thwackum was likewise pretty assiduous in his visits; and he too considered a sick-bud to be a convenient scene for lectures. His style however, was more severe than Mr Allworthy’s: he told his pupil, that he ought to look on his broken limb as a judgment from heaven on his sins. That it would become him to be daily on his knees, pouring forth thanksgivings that he had broken his arm only, and not his neck; which latter, he said, was very probably reserved for some future occasion, and that, perhaps, not very remote. For his part, he said, he had often wondered some judgment had not overtaken him before; but it might he perceived by this, that divine punishments, though slow, are always sure. Hence likewise he advised him to foresee, with equal certainty, the greater evils which were yet behind, end which were as sure as this, of overtaking him in his state of reprobacy. “These are,” said he,” to be averted only by such a thorough and sincere repentance, as is not to be expected or hoped for, from one so abandoned in his youth, and whose mind, I am afraid, is totally corrupted. It is my duty, however, to exhort you to this repentance, though I too well know all exhortations will be vain and fruitless. But liberavi animam meam. I can accuse my own conscience of no neglect ; though it is, at the same time, with the utmost concern I see you travelling on to certain misery in this world, and to as certain damnation in the next.” Square talked in a very different strain: he said, such accidents as a broken bone were below the consideration of a wise man ; that it was abundantly sufficient to reconcile the mind to any of these mischances, to reflect that they are liable to befal the wisest of mankind, and are undoubtedly for the good of the whole. He said, it was a mere abuse of words, to call those things evils, in which there was no moral unfitness: that pain, which was the worst consequence of such accidents, was the most contemptible thing in the world: with more of the like sentences, extracted out of the second book of Tully’s Tusculan questions, and from the great Lord Shaftesbury. In pronouncing these he was one day so eager, that he unfortunately bit his tongue; and in such a manner, that It not only put an end to his discouree, but created much emotion in him, and caused him to mutter an oath or two: but what was worst of all, this accident gave Thwackunt, who was present, and who held all such doctrine to be he-thenish and atheistical, an opportunity to clap a judgment on his back. Now this was done with so malicious a sneer, that it totally unhinged (if I may so say) the temper of the philosopher, which the bite of his tongue had somewhat ruffled; and so he was disabled from venting his wrath at his lips, he had possibly found • more violent method of revenging himself; had not the surgeon, who was then luckily in the room, contrary to his own interest, interposed, and Preserved the peace.”


Henry Fielding (22 april 1707 – 8 oktober 1754)
Cover

 

De Duitse schrijver en vertaler Michael Schulte werd geboren op 22 april 1941 in München. Zie ook alle tags voor Michael Schulte op dit blog. Zie ook alle tags voor Michael Schulte op dit blog.

Uit: Die Flaschenpost des Herrn Debussy

„Ein Haus am Meer, das war immer mein Traum gewesen. Nun wohne ich unweit der Ostsee, ich kann sie vom Garten aus so-gar sehen, aber die Ostsee ist kein Meer, sondern eine leicht salzhaltige Pfütze. Da schäumt und brodelt nichts, auch Knut Hamsun hat sich über die Ostsee immer abfällig geäußert Ich muss ihm Recht geben. Die Ostsee ist wie eine Bockwurst, die ein Rumpsteak sein möchte. Einmal hätte ich beinahe ein Haus mit eigener Bucht an der Pazifikküste gekauft, in Oregon, USA. In letzter Sekunde fiel mir jedoch auf, dass alle Häuser in dieser Gegend zu verkaufen waren. Der Makler behauptete zwar, das habe nichts zu bedeu-ten, doch ich wurde misstrauisch, irgendetwas war da faul, der Bau eines Atomkraftwerks oder einer sechsspurigen Auto-bahn, ich wusste es nicht. Meine damalige Ehefrau, eine aus Chicago stammende Anthropologin, zeterte: »Let’s buy this home, honey«, aber ich blieb hart. Dann doch lieber die Ost-see, wo Windräder die Landschaft verschandeln, viel Lärm ab-sondern und gerade genug Strom erzeugen, um ein Frühstücks-ei zu kochen. Vielleicht gelingt es mir doch noch, ein Haus am Meer zu beziehen. Ich habe ein langes Leben zu gewärtigen, mein Hausarzt macht mir Mut — außer einer Herzschwäche, zu hohem Blutdruck, einer angeschwollenen Leber, ein wenig schwachen Nieren, der Milz, na ja, halb so wild, und kaum noch reduzierbarem Übergewicht sei alles in bester Ordnung. Ich müsse nur ordentlich Sport treiben und mich viel bewegen, um meinen Niedergang und die endgültige Verblödung aufzu-halten. Sport habe ich mein Lebtag verabscheut, und ich werde damit jetzt nicht anfangen. Außerdem, welchen Sport? Fußball — dazu bin ich zu alt. Handball — ich hatte noch nie einen Ball fangen können. Kugelstoßen, Hochsprung — unmöglich. Ten-nis — die meisten Tennisspieler sind mir unsympathisch. Golf—das wäre was, aber es gibt hier im Umkreis von hundert Kilo-metern keinen Golfplatz. Also bleibe ich auf meinem Bett lie-gen, sehe mir schlechte Fernsehsendungen an, die alten ameri-kanischen Serien, Perry Mason zum Beispiel, Perry Mason, der Anwalt, der nie verliert und der immer das Glück hat, dass der Mörder im Gerichtssaal sitzt, um von ihm entlarvt zu wer-den. Oder Jerry Cotton, unglaublich schlechte deutsche Filme aus den sechziger Jahren, noch schlechter als die Edgar-Wal-lace-Filme, in denen Klaus Kinski immer den spielt, von dem der Zuschauer annehmen soll, er sei der Mörder. Wenn im Fernsehen nichts Ordentliches läuft, wenn meine Haushälterin mich nicht zwingt, mit ihr an der blöden Ostsee spazieren zu gehen oder die Enten zu flittern oder die Fensterrahmen zu streichen oder den Rasen zu mähen, bleibe ich auf dem Bett liegen und höre klassische Musik und lese; am liebsten Bio-grafien. Am liebsten Biografien über Menschen, die ich gerne gekannt hätte, Orson Welles etwa oder Eddie Constantine, Anna Magnani, Erich Mühsam, Franziska zu Reventlow, Egon Friedell oder Erik Satie.“


Michael Schulte (München, 22 april 1941)
Cover

 

De Cubaanse schrijver Guillermo Cabrera Infante werd geboren op 22 april 1929 in Gibara, Cuba. Zie ook alle tags voor alle tags voor Guillermo Cabrera Infante op dit blog.

Uit: Drei traurige Tiger (Vertaald door Wilfried Böhringer)

“Showtime! Meine Damen und Herren. Ladies and Gentlemen. Einen wunderschönen Abend Ihnen allen, meine Damen und Herren. Good evening, Ladies and Gentlemen. “Tropicana”, der FABELhafteste Nachtclub der Welt. “Tropicana”, the most fabulous nightclub in the WORLD…präsentiert…presents…seine neue Revue…its new show…in der Künstler von kontinentalem Ruhm…where performers of continental fame …Sie alle mitnehmen werden…will take you all…to the wonderful world of supernatural beauty of the Tropics…in die wunderbare, außergewöhnliche und herrliche Welt der Tropen. Die Tropenwelt für Sie, liebe Landsleute (….) Herzallerliebstes Publikum, Volk Kubas, dieses allerschönsten Landes, entschuldigen Sie mich für einen Augenblick, während ich mich in der Sprache Shakespeares, in English, an die erlesenen Besucher wende, die bis zum allerletzten Platz diese Hochburg der Liebe und der Lebensfreude füllen. Ich möchte mich, wenn es mir die sprichwörtliche Liebenswürdigkeit der hochverehrten kubanisches Publikums erlaubt, an unsere RIIIIEsige amerikanische Besucherschar wenden: an die ehrenwerten und strahlenden Touristen, die das Land der gay senyoritas and brave caballerros besuchen … WelCOME to Cuba!”


Guillermo Cabrera Infante (22 april 1929 – 21 februari 2005)
Cover

 

De Duitse schrijver Ludwig Renn (eig. Arnold Friedrich Vieth von Golßenau) werd geboren op 22 april 1889 in Dresden. Zie ook alle tags voor Ludwig Renn op dit blog.

Uit: Nachkrieg

„Als er fortgegangen war, fragte ich den Unterwachtmeister Kroll: „Was ist denn das für einer, der Alte?”
„Ach, der ist wie alle.” Dazu zog er einen Mund, als ob er sehr wenig von ihm hielte.
Am nächsten Tage erfuhr ich durch Herumfragen, dass im Lager zwei ganze Reichswehrregimenter lagen und außerdem die ersten Anfänge von zwei Polizeiregimentern. Freilich hießen die nicht Regimenter, sondern Gruppen. Die Bataillone hießen Abteilungen und die Kompanien Hundertschaften. Sonst aber waren wir genauso organisiert wie das Militär, hatten Maschinengewehre und sogar Artillerie und Kavallerie. Nur wurden wir mit Herr angeredet und waren Beamte.
Die Offiziere kümmerten sich gar nicht um uns. Sie hatten bei altgedienten Polizeiwachtmeistern Unterricht im Polizeidienst, denn sie waren ehemalige Offiziere der Armee und mussten natürlich auch erst ihren neuen Dienst lernen. In den Stuben, nicht nur bei unserer Hundertschaft, wurde ausgiebig über unsere Organisationsart diskutiert. Einige waren damit gar nicht einverstanden. Sie sprachen es nicht deutlich aus, aber es stand hinter ihren Reden: sie sahen hier, dass wir nicht nur eine harmlose Polizei werden sollten, die dazu da ist, Pilzsucher zu verscheuchen und auf Ordnung in den Straßen zu halten, sondern eine Bürgerkriegsarmee gegen die Arbeiterschaft. Diese Stimmung war anfangs durchaus nicht allgemein, wurde aber durch zwei Vorkommnisse sehr gefördert.
In den ersten Tagen nach meinem Eintreffen kam täglich ein großer Schub von Neugeworbenen an. Am vierten kamen nur zwei. Am Tage darauf gar niemand mehr. Der Ersatz stockte vollkommen.
Der Hauptmann sprach mit dem Hauptwachtmeister darüber, woher das nur käme. Wir wussten es alle, aber keiner hatte Lust, es zu sagen. Am 13. Januar war in Berlin vor dem Reichstag eine riesige Demonstration gegen das Betriebsrätegesetz auseinander geschossen worden. Vierzig Tote und hundert Verwundete sollte es gegeben haben. Und am Tage darauf war der Belagerungszustand über das ganze Reich verhängt worden. Wir waren uns zwar über das Betriebsrätegesetz nicht klar, aber bei der Aussicht, auf frühere Arbeitskollegen schießen zu müssen, ließ sich niemand für die Polizei anwerben. Daher stockte der Ersatz.”


Ludwig Renn (22 april 1889 – 21 juli 1979)
V.l.n.r. Ernest Hemingway, Hans Kahle, Ludwig Renn en Joris Ivens bij de Internationale Brigades in 1937 in de buurt van Madrid

Louise Glück, Michael Longley, Marijke Höweler, Elizabeth Hardwick, Dan Coman, Hilde Domin, Eimear McBride, Graeme C. Simsion

Dolce far niente

 


Bathers On A Beach door Mabel May Woodward, ca. 1915–1920

 

Summer at the Beach

Before we started camp, we went to the beach.

Long days, before the sun was dangerous.
My sister lay on her stomach, reading mysteries.
I sat in the sand, watching the water.

You could use the sand to cover
parts of your body that you didn’t like,
I covered my feet, to make my legs longer;
the sand climbed over my ankles.

I looked down at my body, away from the water.
I was what the magazines told me to be:
coltish. I was a frozen colt.

My sister didn’t bother with these adjustments.
When I told her to cover her feet, she tried a few times,
but she got bored; she didn’t have enough willpower
to sustain a deception.

I watched the sea; I listened to other families.
Babies everywhere: what went on in their heads?
I couldn’t imagine myself as a baby;
I couldn’t picture myself not thinking.

I couldn’t imagine myself as an adult either.
They all had terrible bodies: lax, oily, completely
committed to being male and female.

The days were all the same.
When it rained, we stayed home.
When the sun shone, we went to the beach with my mother.
My sister lay on her stomach, reading her mysteries.
I sat with my legs arranged to resemble
what I saw in my head, what I believed was my true self.

Because it was true: when I didn’t move I was perfect.

 

 
Louise Glück (New York, 22 april 1943)
Zomer in New York

 

De Ierse dichter Michael Longley werd geboren op 27 juli 1939 in Belfast. Zie ook alle tags voor Michael Longley op dit blog.

The Waterfall

If you were to read my poems, all of them, I mean,
My life’s work, at the one sitting, in the one place,
Let it be here by this half-hearted waterfall
That allows each pebbly basin its separate say,
Damp stones and syllables, then, as it grows dark
And you go home past overgrown vineyards and
Chestnut trees, suppliers once of crossbeams, moon-
Shaped nuts, flour, and crackly stuffing for mattresses,
Leave them here, on the page, in your mind’s eye, lit
Like the fireflies at the waterfall, a wall of stars.

 

Freeze-Up

The freeze-up annexes the sea even,
Putting out over the waves its platform.
Let skies fall, the fox’s belly cave in –
This catastrophic shortlived reform
Directs to our homes the birds of heaven.
They come on farfetched winds to keep us warm.
Romantic
Bribing these with bounty, we would rather
Forget our hopes of thaw when spring will clean
The boughs, dust from our sills snow and feather,
Release to its decay and true decline
The bittern whom this different weather
Cupboarded in ice like a specimen

 
Michael Longley (Belfast, 27 juli 1939)

 

De Nederlandse schrijfster en psychologe Marijke Höweler werd geboren in Koog aan de Zaan op 27 juli 1938. Zie ook alle tags voor Marijke Höweler op dit blog.

Uit: Zum Wohl, Zum Glück!

“Bovengekomen met de stapel houtblokken waarvoor hij eigenlijk naar beneden was gegaan bleef hij een ogenblik uit het raam staan kijken. Als een verre, vage schemerlamp bescheen de zon het mistige dal. Het was zes uur. Jasper kon zich niet herinneren de laatste jaren ooit zo vroeg te zijn opgestaan. Toch leek hij in het verleden goede ervaringen te hebben opgedaan met dit vroege uur want er maakte zich een gevoel van hem meester alsof hij een onvervreemdbaar deel van de schepping uitmaakte. Dit vervulde hem van hoopvolle verwachting en een soort energie die hij zich ook herinnerde als behorend tot vervlogen dagen. Buiten maakten de vogels – de soort kende hij niet – geluiden alsof ze met een handzaag op een roestige spijker gestuit waren, terwijl de koeien een houten tafel over een stenen vloer leken te schuiven. Ook in de dierenwereld is het niet altijd rozegeur en maneschijn blijkbaar. Gisteren was Jasper zo kinderachtig geweest om direct na aankomst in zijn betrekkelijk nieuwe huis het zwaluwnest onder de dakrand te verwijderen. Met toegeknepen ogen en afgewend gezicht van schaamte had hij hun eengezinswoning met een forse duw van de bezem van zijn fundamenten gestoten. Jasper had zich daarbij de krakersbeweging voor ogen gehouden; en het feit dat de diertjes er de voorkeur aan gegeven hadden buiten het eigen nest, maar langs Jaspers glanzende beits te toiletteren en dus eigenlijk in Jaspers nest, had hem daar bij geholpen.
Wat zou hij nu eens gaan doen behalve wachten tot de bakker langs kwam? Witkalk gaan kopen misschien om z’n zonde ongedaan te maken? Maar Jasper vond dat sneu voor de bakker, die te zamen met zijn treurige dochter dag in dag uit deze negorij bezocht in de hoop dat één van de bewoners uit het rijtje van sterkste schouders die meenden de zwaarste lasten te dragen door de liquide middelen persoonlijk over de grens te tillen, hier zou zijn vandaag. Een kleine impasse dus en Jasper drentelde de voordeur uit en maakte een rondje om zijn huis. De zon had nu de mist uit het dal verdreven en veegde de laatste restjes tussen de bomen weg. Kringelend kwamen zij in de vorm van rookwolkjes uit hun schuilplaatsen te voorschijn. Jasper zou graag de krant zijn gaan lezen op zijn stoepje in de zon. Maar er was geen krant. Ook zou hij graag een praatje gemaakt hebben met een onbekend iemand. Maar er was niemand. Nee, zijn nieuwe huisje voldeed aan al z’n verwachtingen: de koeien, het gras, de beek, de bomen, de zenuwachtige vogeltjes en hij. En daar was de bakker, nee niet de bakker… of toch? Jawel daar was de bakker.”

 
Marijke Höweler (27 juli 1938 – 5 mei 2006)
In 1987

 

De Amerikaanse schrijfster en literatuurcritica Elizabeth Hardwick werd geboren op 27 juli 1916 in Lexington, Kentucky. Zie ook alle tags voor Elizabeth Hardwick op dit blog.

Uit: Sleepless Nights

“It is june. This is what I have decided to do with my life just now. I will do this work of transformed and even distorted memory and lead this life, the one I am leading today. Every morning the blue clock and the crocheted bedspread with its pink and blue and gray squares and diamonds. How nice it is—this production of a broken old woman in a squalid nursing home. The niceness and the squalor and sorrow in an apathetic battle—that is what I see. More beautiful is the table with the telephone, the books and magazines, the Times at the door, the birdsong of rough, grinding trucks in the street.
If only one knew what to remember or pretend to remember. Make a decision and what you want from the lost things will present itself. You can take it down like a can from a shelf. Perhaps. One can would be marked Rand Avenue in Kentucky and some would recall the address at least as true. Inside the can are the blackening porches of winter, the gas grates, the swarm.
The sunlight blinds me. When I look up I see confusing electricity behind windows. Maybe the shadows will suffice, the light and the shade. Think of yourself as if you were in Apollinaire’s poem:

Here you are in Marseilles, surrounded by watermelons.
Here you are in Coblenz at the Hotel du Geant.
Here you are in Rome sitting under a Japanese medlar tree.
Here you are in Amsterdam…

1954
Dearest M.: Here I am in Boston, on Marlborough Street, number 239. I am looking out on a snowstorm. It fell like a great armistice, bringing all simple struggles to an end. In the extraordinary snow, people are walking about in wonderful costumes—old coats with fur collars, woolen caps, scarves, boots, leather hiking shoes that shine like copper. Under the yellow glow of the streetlights you begin to imagine what it was like forty or fifty years ago. The stillness, the open whiteness—nostalgia and romance in the clear, quiet, white air… More or less settled in this handsome house. Flowered curtains made to measure, rugs cut for the stairs, bookshelves, wood for the fireplace.“

 
Elizabeth Hardwick (27 juli 1916 – 2 december 2007)

 

De Roemeense dichter en schrijver Dan Coman werd geboren op 27 juli 1975 in Gersa in de provincie Bistrita-Nasaud. Zie ook alle tags voor Dan Coman op dit blog.

Chicco

i wake up every morning before five
and like this, unwashed without tobacco
like this, in the dark and cold
i get out of bed on all fours
feeling for it.
before five he’s no more than a glass bead
when I touch him whoosh
leaping to some other part of the room.
i pick him up quickly, using only two fingers
roll him only on the carpet
lest he make noise and
wake the girls.
so it’s this way at five on all fours with this sun
this sun in the room rolled for hours on end
until like a snowball it grows quite large
until it begins to brighten begins to warm
though it’s only after growing so large
brighter and warmer
it’s only then that the sweat pours out
the chicco sun sweating likes a grown man
and at eight when the girls wake up
they must open the window
needing nearly an hour to air out the room.

 

Impossible to move

i’m impossible to move, there is nothing inside me
still I’m impossible to move with the force of only one man.
like a massive piece of living-room furniture.
like anything that means nothing in itself.
but i talk. i talk until the skin of my cheeks bursts.
i never stop talking.
all my force gathers like a spring inside my mouth
and mercilessly beats out sound after sound. phrase after phrase.
nobody ever seems to get tired of understanding nothing of what I say.
nobody seems annoyed because there’s nobody left.
that’s how I was born. straight out of the ground impossible to move
directly with words outside mine. exactly like this.
like anything else that means nothing in itself.

 

Vertaald door Martin Woodside en Ioana Ieronim

 
Dan Coman (Gersa, 27 juli 1975)

 

De Duitse schrijfster, dichteres en vertaalster Hilde Domin werd geboren in Keulen als Hilde Löwenstein op 27 juli 1909. Zie ook alle tags voor Hilde Domin op dit blog.

Älter werden
Antwort an Christa Wolf

Die Sehnsucht
nach Gerechtigkeit
nimmt nicht ab
Aber die Hoffnung

Die Sehnsucht
nach Frieden
nicht
Aber die Hoffnung

Die Sehnsucht nach Sonne
nicht
täglich kann das Licht kommen
durchkommen

Das Licht ist immer da
eine Flugzeugfahrt reicht
zur Gewissheit

Aber die Liebe

der Tode und Auferstehungen fähig
wie wir selbst
und wie wir
der Schonung bedürftig

 

Herbstaugen

Presse dich eng
an den Boden.

Die Erde
riecht noch nach Sommer,
und der Körper
riecht noch nach Liebe.

Aber das Gras
ist schon gelb über dir.
Der Wind ist kalt
und voll Distelsamen.

Und der Traum, der dir nachstellt,
schattenfüssig,
dein Traum
hat Herbstaugen.


Hilde Domin (27 juli 1909 – 22 februari 2006)

 

Onafhankelijk van geboortedata

De Iers-Britse schrijfster Eimear McBride werd geboren in 1976 in Liverpool en groeide op in Tubbercurry, County Sligo en in Castlebar, County Mayo. Zie ook alle tags voor Eimear McBride op dit blog.

Uit:  A Girl is a Half-Formed Thing

“For you. You’ll soon. You’ll give her name. In the stitches of her skin she’ll wear your say. Mammy me? Yes you. Bounce the bed, I’d say. I’d say that’s what you did. Then lay you down. They cut you round. Wait and hour and day.
Walking up corridors up the stairs. Are you alright? Will you sit, he says. No. I want she says. I want to see my son. Smell from dettol through her skin. Mops diamond floor tiles all as strong. All the burn your eyes out if you had some. Her heart going pat. Going dum dum dum. Don’t mind me she’s going to your room. See the. Jesus. What have they done? Jesus. Bile for. Tidals burn. Ssssh. All over. Mother. She cries. Oh no. Oh no no no.
I know. The thing wrong. It’s a. It is called. Nosebleeds, head aches. Where you can’t hold. Fall mugs and dinner plates she says clear up. Ah young he says give the child a break. Fall off swings. Can’t or. Grip well. Slipping in the muck. Bang your. Poor head wrapped up white and the blood come through. She feel the sick of that. Little boy head. Shush.
She saw it first when you couldn’t open your eye. Don’t wink so long wind’ll change and you’ll stay that way. I’m not Mammy. It’s got stuck. She pull it open. Hold it up. I can’t it’s all fall down.
And now Holy Family on a Saturday night. He is leaning you are sleeping she the chair me whirlabout. Listen in to doctor chat. We done the best we could. There really wasn’t much. It’s all through his brain like the roots of trees. Sorry. Don’t say. That. He’s running out I’m afraid. I’m afraid he’s running down. You should take him home, enjoy him while you can. He’s not. He is. Can’t you operate again? We can’t. Shush. Something? Chemo then. We’ll have a go at that.
Gethsemane dear Lord hear our prayer our. Please. Intercession. Night in hospital beds. Faces on the candlewick. Lino in the knees. Please don’t God take. Our. Holy Mary mother of all, humbly we beseech thee.”


Eimear McBride (Liverpool, 1976)

 

De Nieuw-Zeelandse schrijver Graeme C. Simsion werd geboren in in Auckland, Australië, in 1956. Zie ook alle tags voor Graeme C. Simsion op dit blog.

Uit: The Rosie Project

“Afterward, Claudia advised me that I should have abandoned the experiment prior to Elizabeth’s leaving. Obviously. But at what point? Where was the signal? These are the subtleties I fail to see. But I also fail to see why heightened sensitivity to obscure cues about ice-cream flavors should be a prerequisite for being someone’s partner. It seems reasonable to assume that some women do not require this. Unfortunately, the process of finding them is impossibly inefficient. The Apricot Ice Cream Disaster had cost a whole evening of my life, compensated for only by the information about simulation algorithms. •  •  • Two lunchtimes were sufficient to research and prepare my lecture on Asperger’s syndrome, without sacrificing nourishment, thanks to the provision of Wi-Fi in the medical library café. I had no previous knowledge of autism spectrum disorders, as they were outside my specialty. The subject was fascinating. It seemed appropriate to focus on the genetic aspects of the syndrome, which might be unfamiliar to my audience. Most diseases have some basis in our DNA, though in many cases we have yet to discover it. My own work focuses on genetic predisposition to cirrhosis of the liver. Much of my working time is devoted to getting mice drunk. Naturally, the books and research papers described the symptoms of Asperger’s syndrome, and I formed a provisional conclusion that most of these were simply variations in human brain function that had been inappropriately medicalized because they did not fit social norms–constructed social norms–that reflected the most common human configurations rather than the full range. The lecture was scheduled for 7:00 p.m. at an inner-suburban school. I estimated the cycle ride at twelve minutes and allowed three minutes to boot my computer and connect it to the projector. I arrived on schedule at 6:57 p.m., having let Eva, the short-skirted cleaner, into my apartment twenty-seven minutes earlier. There were approximately twenty-five people milling around the door and the front of the classroom, but I immediately recognized Julie, the convenor, from Gene’s description: “blonde with big tits.” In fact, her breasts were probably no more than one and a half standard deviations from the mean size for her body weight and hardly a remarkable identifying feature.”


Graeme C. Simsion (Auckland in 1956)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juli ook mijn blog van 27 juli 2017 en ook mijn blog van 27 juli 2011 deel 2.

Ana María Shua, Louise Glück, Robert Choquette, James Philip Bailey, Henry Fielding, Michael Schulte, Cabrera Infante, Ludwig Renn

De Argentijnse dichteres en schrijfster Ana María Shua werd geboren op 22 april 1951 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Ana Maria Shua op dit blog.

Uit: Microfictions (Vertaald door Steven Stewart)

“The Tree Man of Java

Dede Koswara, the tree man of Java, is afflicted with a rare variant of human papillomavirus. Knot-like warts deform his extremities, making them look like tree branches. Through a costly surgical procedure, fifteen pounds of warts and calluses were able to be removed, but these soon started growing again. For a time, Koswara, who is the father of two children, was forced to work in a Badung circus to earn money for food. Luckily he no longer has to go back to the circus: thanks to a well-paying special on the Discovery Channel, he’s been able to buy some land for growing rice and a used car that he can’t drive with his branch-like hands. Not even Barnum paid his freaks so well (but neither did they have such a big audience).
Nevertheless, one shouldn’t spurn the trees’ opinion, who have a different perspective on the whole situation.

 

The Ambassadors from Mars

The brothers George and Willie Muse were kidnapped by unscrupulous promoters. They were first exhibited as Iko and Eko, the Ecuadorian Cannibals, and some years later as the Ambassadors from Mars.
In reality only one of them, Willie, was a Martian, but he never achieved the rank of ambassador. He was sent to earth and was implanted into his supposed mother’s womb at the same instant George was conceived. The original plan was that he would develop and be born as the twin brother of any old child.
Unfortunately for the planned invasion, the other occupant of this particular uterus turned out to be a very rare combination of genes: a black albino. The twins were so strange that they soon became circus attractions and the Martian operatives, not wanting attention, abandoned the experiment. Willie Muse died on Earth, at 108 years of age, 30 years after his twin brother.”

 
Ana María Shua (Buenos Aires, 22 april 1951)

 

De Amerikaanse dichteres, essayiste en schrijfster Louise Elisabeth Glück werd geboren op 22 april 1943 in New York. Zie ook alle tags voor Louise Glück op dit blog.

 

Early Darkness

How can you say
earth should give me joy? Each thing
born is my burden; I cannot succeed
with all of you.

And you would like to dictate to me,
you would like to tell me
who among you is most valuable,
who most resembles me.
And you hold up as an example
the pure life, the detachment
you struggle to acheive–

How can you understand me
when you cannot understand yourselves?
Your memory is not
powerful enough, it will not
reach back far enough–

Never forget you are my children.
You are not suffering because you touched each other
but because you were born,
because you required life
separate from me.

 

First Memory

Long ago, I was wounded. I lived
to revenge myself
against my father, not
for what he was–
for what I was: from the beginning of time,
in childhood, I thought
that pain meant
I was not loved.
It meant I loved.

 
Louise Glück (New York, 22 april 1943)

 

De Canadese dichter, schrijver en diplomaat Robert Choquette werd geboren op 22 april 1905 in Manchester, New Hampshire. Zie ook alle tags voor Robert Choquette op dit blog.

 

Recommencement

Beauté qui m’as blessé d’une langueur sereine,
Nature, floraison de forces souveraines,
A toi je viens, tranquille et puissant univers,
Du fond le plus troublé de mon âme, à travers
Les chemins raboteux de la souffrance humaine.
Asile, paradis où mon coeur me ramène,
Berceau de toute chose, éden mélodieux,
J’ai délaissé pour toi la maison de mes dieux
Et, tout sanglant encor des batailles livrées,
Je viens avec amour baiser tes mains sacrées.
Hélas ! je le vois bien, moi qui n’eus d’horizon
Que les murs sans couleur de la seule raison,
Fils de la ville obscure, et qui grandis en elle,
Je ne sais presque rien de la terre éternelle,
Quand de petits enfants lui parlent dans les champs.
Que je m’approche mieux de ces milieux touchants
Et regarde tout bas la nature féconde
Et dise ma prière à la beauté du monde !
Car, le front couronné de joie et de victoire,
Libre des vains travaux de la vaine raison,
Avide seulement d’un plus frais horizon
Et du sage plaisir que mon âme y devine,
Je fais mon paradis de la terre divine.

 

Village

Fils de la ville, enfant de tristesse et de bruit,
Ambitieux morose et qui te plains sans trêve,
Je saurai, si ton pied me suit,
Te conduire en un lieu plus charmant que tout rêve.

C’est un village assis dans les coteaux, et tel
Que l’on dirait, à voir ses blanches maisonnettes
Dormir sous l’azur immortel,
Petits moutons épars en un bois d’épinettes.

Sur le sentier bordant le lac cristallisé
On rencontre, fixée aux branches les plus hautes,
La corneille au regard rusé;
Et le chemin neigeux grimpe et descend les côtes.

Parfois un aboiement, une voix d’homme, un choc…
Mais de l’aube au couchant, par-dessus le village,
Un coq répond à l’autre coq
Et les pins font le bruit des vagues sur la plage.

 
Robert Choquette (22 april 1905 – 22 januari 1991)
In 1931

 

De Engelse dichter James Philip Bailey werd geboren op 22 april 1816 in Nottingham. Zie ook alle tags voor James Philip Bailey op dit blog.

 

Festus – Xiii (Fragment)

Lucifer. Wait for what
Is on the wing already, or reach the end
As of an aimless lunge i’ the empty air.
Knowledge, love, power, are thrones thy soul shall sit
In order due as promised. Patience, man!
We are as yet but minors, both of us.

Festus. Of pleasure one has hardly had a glimpse.

Lucifer. Each pleasure hastes thee to thine end, and man’s.
Each new sought joy, each freshly proven power,
But draws the ends of all things like a hood,
Around thy fated head the closer.
Come.
Bethink thee of thy pact.

Festus. I do; a pact
Where abstinence only serves to quicken pain;
Indulgence, shorten pleasure.
Which to choose,
To let alone, which, wiser?

Lucifer. In them both
Is reason; but all–wise, man will never be.

Festus. Nay, come then, pretty patience. Sand by sand,
The world is worn away;–the sea hath sapped,
How oft! earth’s vaulted base; times countless whelmed,
‘Neath his abysmal bowl, the mountain tops.
‘Tis but a matter of days. Most greatest things
Are gradual. Star on star, the heavens fulfil
Their issue; and truth quickens here the soul,
Dipped in substantial lightning of the sun
Spiritual, and with the eternal saving saved,
By every breath inspired of God. I yield.
Let us to that near hand: the end, deferred.
Life to enjoy, not only one must conform
To the world’s laws, but bye–laws, customs, moods.
What can be done here?

 
James Philip Bailey (22 april 1816 – 6 september 1902)

 

De Engelse schrijver Henry Fielding werd op 22 april 1707 in Glastonbury geboren. Zie ook alle tags voor Henry Fielding op dit blog.

Uit: Tom Jones

“Tom Jones had many Visitors during his Confinement, tho’ some, perhaps, were not ve∣ry agreeable to him. Mr. Allworthy saw him almost every Day; but tho’ he pitied Tom’s Sufferings, and greatly approved the gallant Behaviour which had occasioned them, yet he thought this was a favoura∣ble Opportunity to bring him to a sober Sense of his indiscreet Conduct; and that wholsome Advice for that Purpose, could never be applied at a more proper Season than at the present; when the Mind was sof∣tened by Pain and Sickness, and alarmed by Danger; and when its Attention was unembarrassed with those turbulent Passions, which engage us in the Pursuit of Pleasure.
At all Seasons, therefore, when the good Man was alone with the Youth, especially when the latter was totally at Ease, he took Occasian to remind him of his former Miscarriages, but in the mildest and tender∣est Manner, and only in order to introduce the Cau∣tion, which he prescribed for his future Behaviour; ‘on which alone, ‘he assured him, ‘would depend his own Felicity, and the Kindness which he might yet promise himself to receive at the Hands of his Father by Adoption unless he should hereafter for∣feit his Good Opinion: For as to what had past,’ he said, ‘it should be all forgotten and forgiven. He, therefore, advised him to make a good Use of this Accident, that so in the End it might prove a Visitation for his own Good.’

 
Henry Fielding (22 april 1707 – 8 oktober 1754)
Cover DVD

 

De Duitse schrijver en vertaler Michael Schulte werd geboren op 22 april 1941 in München. Zie ook alle tags voor Michael Schulte op dit blog. Zie ook alle tags voor Michael Schulte op dit blog.

Uit: Zitroneneis

„Unvergeßlich jene Tage, an denen man ein altes, vergriffenes Buch findet oder eine neue Frau kennenlernt. Würde man öfter und systematischer die Antiquariate durchforsten, wäre die Privatbibliothek schon wesentlich reichhaltiger, wäre man weniger schüchtern, würde man gut und gern doppelt so viele Frauen kennen als man kennt, hätte man sich mit doppelt so vielen Frauen zerstritten, könnte man auf eine farbigere Biografie zurückblicken. Oft sieht man in der Kneipe eine Frau, allein sitzend, vielleicht sogar alleinstehend, deren Bekanntschaft zu machen man äußerst geneigt ist, man bestellt noch ein paar Bier, trinkt sich Mut an, und ist man schließlich beherzt genug, sich der Dame zu nähern, verfügt man gerade noch über genügend Vernunft, um sich zu erinnern, daß der erste Eindruck von entscheidender Bedeutung ist, in anderen Worten, die Frau, die da an dem Tisch sitzt und ihren dritten Kamliientee trinkt, sieht nicht so aus, als sei sie verrückt nach schwankenden, lallenden Männern.
(…)

Manchmal kommt man nicht umhin festzustellen, daß die Schöpfung alles andere als vollkommen ist. Aber man darf nicht ungerecht sein, manches ist durchaus gelungen. Der beste Einfall des Schöpfers war vielleicht, jedes Lebewesen mit der Fähigkeit des Schlafens auszustatten. Da hätte er ruhig mehr ins volle greifen sollen. Wenn die Menschen statt acht Stunden täglich zweiundzwanzig Stunden schlafen müßten, würden sie weniger Unheil anrichten. Es bliebe ihnen gerade Zeit, sich zu waschen, zu essen, abzuspülen und das Bett zu machen.”


Michael Schulte (München, 22 april 1941)

 

De Cubaanse schrijver Guillermo Cabrera Infante werd geboren op 22 april 1929 in Gibara, Cuba. Zie ook alle tags voor alle tags voor Guillermo Cabrera Infante op dit blog.

Uit: Coupable d’avoir dansé le Cha-Cha-Cha (Vertaald door Albert Bensoussan)

“Tous les névrosés ont le coeur religieux. Leur idéal est le plaisir sans la faute. Le névrosé est un criminel qui n’a pas le courage de commettre un crime”. (Je pense à Pavese, qui a dit, juste avant de se tirer une balle : “Les suicidés sont des homicides timides.”)
(…)

« Je pensais aussitôt à quelque chose que j’avais lu cet après-midi-là dans la Tombe et qui n’était pas une épitaphe. C’était presque au début, me semble-t-il, et je me mis à chercher. Combien de livres Renoir a-t-il écrits?/Qu’est-ce qu’un chef d’oeuvre? (tiens, ça m’intéresse) Permettez-moi d’en citer quelques-uns. Les Odes et les Épîtres d’Horace (l’un des rares poètes de l’antiquité que j’aie lus, que je puisse citer, que je dois citer : « Les ruines me trouveront impavides ») les Églogues et les Géorgiques (j’ai lu des parties de l’Énéïdes partagé entre l’ennui et l’admiration pour Frazer) de Virgile, le Testament de Villon (suivent trop de livres que je n’ai pas lus, à l’exception des Essais), les Essais de Mont/ Il n’y a pas de douleur semblable à celle que deux amants peuvent s’infliger l’un l’autre./Le communisme est une nouvelle religion qui nie le péché originel (comment peux-tu lire/transcrire ça? Palinure, tu risques ma peau ! Un Cubain à la mer ! À bâbord ! Une fois dans l’eau rien à faire. Ce qui est humiliant ce n’est pas la chute, mais les vêtements humides. À la troisième remontée je ne revis pas ma vie entière, mais simplement cette phrase: “Communiste, animal qui après avoir lu Marx attaque l’homme. » Elle est à toi, Cyril. Je te la laisse dans mon testament.”

 
Guillermo Cabrera Infante (22 april 1929 – 21 februari 2005)

 

De Duitse schrijver Ludwig Renn (eig. Arnold Friedrich Vieth von Golßenau) werd geboren op 22 april 1889 in Dresden. Zie ook alle tags voor Ludwig Renn op dit blog.

Uit:Nachkrieg

„Nu, auch hier?” rief er und zog ein verschmitztes Gesicht. „Hat Ihre Truppe noch einmal gemeutert? Was war das doch für eine komische Übergangserscheinung, Ihre Sicherheitstruppe mit den Wahlführern!”
„Aber damals war sie gut, Herrn Major vor der Gefangennahme durch das Nachrichtenbataillon zu schützen!”
Er stutzte und lächelte schelmisch. „Nur nicht gleich feindlich! Natürlich war sie damals das Beste. Aber jetzt ist es eben anders.”
Ich sah ihm nach. Aha, der Ton passte dir nicht. Jetzt ist es eben anders! Das heißt, jetzt haben wir, die Offiziere, wieder die Macht.
Bedeutend ernüchtert trat ich in das Geschäftszimmer der Abteilung. Der Schreiber schickte mich und Müller zur siebenten Hundertschaft. Die lag in derselben Baracke, wo ich im vorigen Jahre gelegen hatte. Am linken Ende war die Schreibstube. Da hatte ich im vorigen Jahre als Führer gesessen. Als ich eintrat, stand ein Mann mit Feldwebelabzeichen auf. „Die Hundertschaft besteht erst aus vier Mann, außer dem Hauptmann und mir. Sie werden Zugführer. Wir gehen gleich mal hinüber.”
Die vier Mann waren erst gestern gekommen und hatten sich in die kleinste Stube einquartiert, denn die lange Baracke war wohl den ganzen Winter noch nicht geheizt worden. In der Stube ließ es sich auch nur durch dauerndes Einkacheln aushalten. Wir bekamen aber nicht soviel Kohlen, wie wir dazu brauchten, und gingen in die Waldstreifen zwischen den Baracken trockenes Holz sammeln. Das machten wir mehrmals am Tage, denn wir hatten keinen Dienst, und unser Leben bestand in Schlafen, Essen und der Sorge für unseren Ofen.
Am Abend kam der Hauptmann, ein kleiner Mann mit etwas krummen Beinen, einem hübschen Gesicht und einer Hornbrille. „Nu”, sagte er liebenswürdig, „da sind wir ja wieder um zwei stärker geworden.”

 
Ludwig Renn (22 april 1889 – 21 juli 1979)
Cover

Ana María Shua, Louise Glück, Robert Choquette, James Philip Bailey, Henry Fielding, Michael Schulte, Cabrera Infante, Ludwig Renn

De Argentijnse dichteres en schrijfster Ana María Shua werd geboren op 22 april 1951 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor Ana Maria Shua op dit blog.

Uit: Microfictions (Vertaald door Steven Stewart)

A Bearded Woman

Some stories don’t even give your imagination a chance.
On a trip through Mexico in 1854, a circus promoter noticed the servant girl of one of his hosts. She was a shockingly hairy girl of twenty or so years. She looked like a bearded orangutan. She had protruding jaws, a double row of teeth (like a dogfish), a slim waist, and natural feminine grace. We don’t know if she followed him for love, money, or adventure, or to escape the tragic tedium of her life. The promoter exhibited Julia Pastrana all over the world; he made her famous and possibly happy.
She was already a pro when Theodore Lent met her. To swipe her from her agent, he married her. That way, in addition to getting what she made at the circus, he could sell much more expensive tickets to their own house, where the monkey woman would serve tea to the astonished guests. Lent got his wife pregnant and sold tickets to the birth, which took place in Moscow in 1860. The baby was born with the same characteristics as its mother and died two days later. Julia died three days later, always surrounded by spectators. Lent had the corpses embalmed and sold them to the University of Moscow. Nevertheless, when he learned that the university was exhibiting the mummies for “scientific” reasons, he reclaimed the bodies of his wife and child and took them with him to exhibit throughout the world. Some time later on, in Sweden, Theodore Lent married another bearded woman. He died insane in 1880.
Some stories don’t even give your imagination a chance.

 
Ana María Shua (Buenos Aires, 22 april 1951)

Doorgaan met het lezen van “Ana María Shua, Louise Glück, Robert Choquette, James Philip Bailey, Henry Fielding, Michael Schulte, Cabrera Infante, Ludwig Renn”

Thommie Bayer, Ana María Shua, Louise Glück, Robert Choquette, James Philip Bailey

De Duitse schrijver, musicus en schilder Thommie Bayer werd geboren op 22 april 1953 in Esslingen am Neckar. Zie ook alle tags voor Thommie Bayer op dit blog.

 

Uit: Das Aquarium

Aber auf dem untersten Absatz wurde ich langsamer. Wie sollte ich an dem Kerl im Auto vorbeikommen? Und wie an dem vor der Hauswartswohnung? Nachdenken. Ich blieb stehen.

Vielleicht lag auch darin meine Chance: Ich gehe ins Haus, der Mann im Auto ruft die anderen mit seinem Handy an, und sie brechen die Aktion ab. Ich riss die Tür auf und ging stur, ohne auf das Auto zu achten über die Strasse.

Atmen. Die Tür fiel hinter mir zu.
Der vor der Hauswartswohnung tat so, als habe er sich in der Tür geirrt und wolle gerade wieder gehen, als er mich sah. Ich musste weitergehen. Atmen. Der konnte mir jetzt einfach in den Rücken fallen und mich niederschlagen oder abstechen, aber er schlenderte Richtung Ausgang. Ich ging die Treppe hoch.

Sie kamen mir schon vom dritten Stock entgegen. Der eine hatte ihren Laptop unterm Arm, und die Sporttaschen, die sie beide, inzwischen nicht mehr über den Schultern, sondern in den Händen trugen, wirkten gut gefüllt. Sie nickten mir zu, ich nickte zurück und ging weiter nach oben.

Auf dem Absatz machte ich halt. Meine Knie waren wie aus Watte, ich hielt mich am Geländer fest, bis ich die Haustür unten zufallen hörte.

Ich rannte runter und raus, sah den Transporter schon in die Kreuzung einbiegen und hörte eine Polizeisirene. Na toll. So schlau. Mit Sirene ankommen, damit der Einbrecher auch schön gewarnt ist. Ich ging schnell über die Strasse und zurück in meine Wohnung. Ich hetzte so, dass ich kaum noch Luft bekam, als ich endlich wieder oben war und zum Fenster ging.“

 

Thommie Bayer (Esslingen am Neckar, 22 april 1953)

Doorgaan met het lezen van “Thommie Bayer, Ana María Shua, Louise Glück, Robert Choquette, James Philip Bailey”