Dolce far niente, Hélène Swarth, Louis Couperus, Jan Prins, August Graf von Platen, Guillaume van der Graft

Dolce far niente

 

 lisse3-licht
Lisse is op een grijze augustusdag minder fleurig dan in de bollentijd.
Dit is het gemeentehuis.

 

Bloemenlanden

De landen bloeien, lichte lustwaranden
Van luchteblauw en wolkenroze, of printen
De prille hemel wilde op aard zijn tinten.
En lilablauw versmelten lucht en landen.

De klare waatren, bleek-azuren linten,
Die – slootje of beek – der velden vlak omranden,
Zij vangen op de kleur der hemelwanden,
Maar lijken blauw van louter hyacinthen.

Kil waait de Aprilwind en de stilgekomen
Treurende schemer doet tot grauw versterven
D’ extasejubel, ademende aromen,

Van bei die blijde lenteveldenverven.
Nu bloeit alleen de hemel van mijn droomen.
O zaalge Landen! zal ik u beërven?

 

 
Hélène Swarth (25 oktober 1859 – 20 juni 1941)
Lente in het Vondelpark, Amsterdam, de geboorteplaats van Hélène Swarth

 

Narcis

Aan den boord eener beeke
Zie ik leliën droomend staan,
Wijl de golfjens om haar stengels
Schuimend gaan.

Een rei als van nymphen,
Die zich beuren uit de beek,
Een rei als van sneeuwwitte bruidjens,
Zoo kuisch, zoo bleek.

En in heur midden heft zich
Een enkele narcis,
Die kwijnt op zijn stengelken
Van droevenis.

De leliën smachten van minne
Voor die geluwde narcis;
Zij geuren haar zoetste geuren,
Zoo zwoel… zoo frisch.

En de goudgele bloeme nijgt zich
Steeds verder naar den vliet,
Tot hij in den zilveren spiegel
Zijn beeldtnis ziet.

Zoo koud en zoo kil is het water…
Zijn zoenen prangt
De bloem op het beeld, waar minnend
Hij over hangt.

En de leliën lisplen droeve,
Dat nog steeds met des jongelings lust
De bloem zijne beeldtnis
Op ’t water kust…

 

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Narcissen aan de Lange Vijverberg in Den Haag, de geboorteplaats van Louis Couperus

 

Tulpen

Gij die, op uw steel gestegen,
schijnt te zijn uit zon gedegen,
die met uw doorvlamd gewaad
drachtig in de velden staat,

gij die, nog in ’t morgendoomen,
tegen vroege–voorjaarsboomen
ijl de verten bloeit en brandt,-
in de verten van mijn land,

in de verten, waar de scholen
witgedekte wolken dolen,
waar de wereld in het rond
uitligt aan den horizont,-

in de statige avonduren
ligt gij met de wijde vuren
uwer levensheerlijkheid
voor mijne oogen uitgespreid,-

en nog diep in kalme nachten
zien, herdenkend mijn gedachten
en bij menigten geplant
in de schoonheid van mijn land.

 


Jan Prins (5 februari 1876 – 9 februari 1948)
Tulpen op het Grotekerkplein in Rotterdam, de geboorteplaats van Jan Prins

 

An die Tulpe

Andre mögen Andre loben,
Mir behagt dein reich Gewand;
Durch sein eigen Lied erhoben
Pflückt dich eines Dichters Hand.

In des Regenbogens sieben
Farben wardst du eingeweiht,
Und wir sehen was wir lieben
An dir zu derselben Zeit.

Als mit ihrem Zauberstabe
Flora dich entstehen ließ,
Einte sie des Duftes Gabe
Deinem hellen bunten Vließ;

Doch die Blumen all’, die frohen
Standen nun voll Kummer da,
Als die Erde deinen hohen
Doppelzauber werden sah.

Göttin! o zerstör’ uns wieder,
Denn wer blickt uns nur noch an?
Sprach die Rose, sprach der Flieder,
Sprach der niedre Thymian.

Flora kam, um auszusaugen
Deinen Blättern ihren Duft:
Du erfreu’st, sie sagt’s, die Augen,
Sie erfreu’n die trunkne Luft.

 
August Graf von Platen (24 oktober 1796 – 5 december 1835)
Tulpen en narcissen bij de Markgraf Georg Brunnen in Ansbach,
de geboorteplaats van August Graf von Platen

 

De Nederlandse dichter Guillaume van der Graft (eig. Willem Barnard) werd op 15 augustus 1920 geboren in Rotterdam. Zie ook alle tags voor Guillaume van der Graft op dit blog.

Lente in den vreemde

April – ik denk voortdurend aan mijn land.
Unter den Linden denk ik aan de olmen
zwaarmoedig langs een rinse waterkant,
aan steden waar de eeuwen traag vermolmen.

Ik denk aan buitenplaatsen en patrijzen,
de groene schaduw van het grachtenloof.
Ik kan niet helpen dat er lome wijzen
pianospelen in mijn achterhoofd.

Ik doe geen moeite om ze vast te houden,
de kathedraal zal wel verdronken zijn.
Er vloeit ergens achter de bronzen wouden
uit wonden in den einder donk’re wijn.

Schroefwater dat om wrakke steigers kolkt
en in de brakke avondwind seringen,
schakeringen der stilte, wie vertolkt
in taal of atonaal uw aarzelingen?

 

Le cygne van Saint-Saëns

De zwanen blijven op zichzelf in koor
buiten de perken van het park en drijven
de maanschijf schakende de schelfzee door;
de zwanen zijn hun wanen één zet voor,
vandaar ook dat zij nimmer wenen
maar op een langverbeide cantilene
het hoofd opheffen nu ik zit te schrijven.

 

De kanarie

De vogel in de rieten kooi
bezong het licht als goed en mooi.
Het duister lag hem minder goed,
hij had zo weinig bloed.

Veren had hij, niet van gewicht,
een keel in plaats van een gezicht,
een snavel en een eigeleider
en op zijn rug een vleugelspreider.

De wereld is een wijzerplaat,
zong hij, waarop het licht rondgaat.
Een dag is maar een uur, zong hij.
De spijlen hielpen hem daarbij.

Maar ’s avonds als het donker wordt,
valt er een schaduw in zijn strot.
De stilte wordt voortdurend breder
en zet zich dreigend naast hem neder.

Hij schrompelt in zoals de maan,
straks kan hij zelfs de kooi uitgaan.
Hij doet het niet. Hij steekt zijn lied
diep in het dons van zijn verdriet.

 
Guillaume van der Graft (15 augustus 1920 – 21 november 2010)
Portret door de beeldhouwer Dennis Coenraad

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 15e augustus ook mijn blog van 15 augustus 2017 en ook mijn blog van 15 augustus 2016 en eveneens mijn blog van 15 augustus 2015 deel 2 en deel 3.

Louis Couperus, D. Hooijer, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Noodlot

“De handen in de zakken, den kraag van zijn pels op, ging Frank door het stuiven der sneeuw voort, langs den eenzamen Adelaïde-Road, in den avond. Toen hij het villa-tje naderde, waar hij woonde, – White-Rose, geheel gedoken, gedompeld, verzonken in de blankheid der sneeuw, als een nestje in watten, – zag hij iemand op zich afkomen, van Primrose Hill. Hij richtte zijn blik vast op het gelaat van den man, die hem blijkbaar wilde aanspreken; niet wetende wat deze in zijn schild voerde in dien eenzamen sneeuwnacht, en hij was zeer verbaasd, toen hij, in het Hollandsch, hoorde:
– Neemt u me niet kwalijk… is u niet meneer Westhove?
– Ja, antwoordde Frank. Wie is u? Wat is er?
– Ik ben Robert van Maeren, misschien herinnert u zich…
– Bertie, jij? riep Frank uit. Hoe kom je hier in Londen!
En in zijne verbazing, zag hij, door het stuiven der sneeuw heen, een vizioen verrijzen uit zijn jeugd, een helder tafereel van jongensvriendschap, iets jongs en warms…
– Misschien niet zoo heel toevallig! antwoordde de vreemde, wiens stem bij den klank van dien verkleinnaam ‘Bertie’ iets vaster klonk; ik wist, dat u hier woonde en ik ben al driemaal aan uw deur geweest, maar u was niet thuis. De juffrouw zei, dat u van avond toch thuis zoû komen en daarom ben ik zoo vrij geweest hier op u te wachten…
De stem verloor weêr alle vastheid en werd smeekend, als van een bedelaar.
– Moest je me zoo dringend spreken? vroeg Frank verbaasd.
– Ja… ik woû… of u me misschien helpen kon… ik ken hier niemand…
– Waar woon je?
– Nergens; ik ben van morgen vroeg hier aangekomen en ik heb… ik heb geen geld…
En hij kromp, huiverend van het staan in de koude tijdens dit korte gesprek, zich bijna smeekend samen, als een hond, die bang is.
– Ga maar meê met me, sprak Frank, vol verbazing, medelijden, vol van de warme herinneringen zijner jongensjaren. Kom maar van nacht bij me.
– O ja, graag! klonk het antwoord, haastig en bevend, als angstig voor eene terugname dier goddelijke woorden.
Zij gingen samen een paar passen voort; toen haalde Frank den sleutel uit zijn zak, den sleutel van White-Rose. Hij opende de deur; een zeshoekige Moorsche lantaren scheen in de vestibule zacht met halve vlam.”

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Cover

 

De Nederlands dichteres en schrijfster D. Hooijer (pseudoniem van Catharina Antonetta (Kitty) Ruys-Krijgers Janzen) werd geboren in Hilversum op 10 juni 1939. Zie alle tags voor D. Hooijer op dit blog.

 

Twee gedichten

de laatste kerk op de heizee
gesloopt, de muren, de daken
de miniature armen en benen

een oude kapelvloer komt boven
daaraan nog de adem
van de Maria-gebeden

graaf door, de goden
werd wijn opgedrongen de verzoeken
deugden de helft van de tegenpartij

graaf door de tweede potsol
de steen met de bloedgoot
dat bidden was handel

nooit knielde de slachter, nooit
nam een god een beet
van het offer – overwoog hij beloning.

 

Ik ken niets van de dood, geen hand
geen stap vlak is zijn terrein totdat
we zwemmen in water
zonder bovenkant.

Ik ken hem niet, ken hem steeds
minder steeds minder juist
vind ik zijn waarheid
en ik vecht licht.

Stel de egel voelt aan zijn stekels
en knikt voor hij zich inrolt
zo licht vecht ik,
een duif wil het.

 
D. Hooijer (10 juni 1939 – 25 september 2013)

 

De Nederlandse dichter Jacques Fabrice Herman Perk werd geboren in Dordrecht op 10 juni 1859. Zie ook alle tags voor Jacques Perk op dit blog.

 

Liefde

Het vurig hart des jonglings, haast nog kind,
Gevoelt een rijke en ongekende weelde,
Wanneer hij zachtheid, liefde, schoonheid vindt,
Zooals die nooit het jong gemoed nog streelde.

Hij ziet de jonkvrouw, de met schoon bedeelde….
En die geen zege wil, zij overwint.
Hij mint het Schoone… en liefde is ingebeelde,
Als hij de ‘liefde’ van de vrouw bemint. –

Mathilde! ik vond de liefde in elke vrouw,
Ik heb van ’t schoone in allen haast gevonden,
En velen liefgehad te goeder trouw,

Maar die geliefden, allen saêmverbonden,
Bezitten niet, wat ik in ú aanschouw,
Die meer bekoort, dan zij tezamen konden.

 

Ik min uw minnaar

Dai ik mijn hoofd mocht aan uw boezem vlijen,
En zalig zijn als een onschuldig kind,
En duizendmaal met blijden blik belijden,
Dat gij, Mathilde, mij bezielt, bezint;

Dat ik gelukkig ben, nu u verbindt
De band der trouw, dien de eeuwigheid zal wijden…!
Ik heb hem lief, (omdat gij hem bemint)
Wiens min voor u mijn liefde doet gedijen.

Gij wilt mij, u te minnen, niet verbieden:
Ik bedel ú niet om uw wedermin,
Schutsengel! Gij zijt ziel, – en mijn Godin!

Ik schijn u als de zonnebloem de zon te ontvlieden.
Ik ben, zoolang gij mij uw bijzijn gunt,
Gelukkig, nu gij ’t innig wezen kunt!

 

Die lach

Zooals wanneer op eens de zonneschijn
Door ’t zwart der breede wolken heen komt breken,
En schittert in de tranen, die er leken
Van blad en bloem, als vloeiend kristallijn,

Zóó, dat het weenen lachen schijnt te zijn:
Zoo is, wat mij ontstemt, op eens geweken,
Mathilde! ontsluit úw mond zich om te spreken,
En doolt een glimlach om uw lippen, fijn: –

Doch van den lach is glimlach dageraad,
En klinkt uw lach, hoe drinken hem mijne ooren!
De vreugde vaart door pols en vezel rond, –

En met geloken oog zie ‘k uw gelaat,
Zoo zonnig: ‘k meen uw zilvren lach te hooren,
Wanneer ik roerloos wacht op de’ uchtendstond….

 
Jacques Perk (10 juni 1859 – 1 november 1881)
Portret door Johan Heinrich Neuman, 1882

 

De Amerikaanse schrijver James Salter werd op 10 juni 1925 in New York geboren. Zie ook alle tags voor James Salter op dit blog.

Uit: Last Night

“Philip married Adele on a day in June. It was cloudy and the wind was blowing. Later the sun came out. It had been a while since Adele had married and she wore white: white pumps with low heels, a long white skirt that clung to her hips, a filmy blouse with a white bra underneath, and around her neck a string of freshwater pearls. They were married in her house, the one she’d gotten in the divorce. All her friends were there. She believed strongly in friendship. The room was crowded.
— I, Adele, she said in a clear voice, give myself to you, Phil, completely as your wife . . . Behind her as best man, somewhat oblivious, her young son was standing, and pinned to her panties as something borrowed was a small silver disc, actually a St. Christopher’s medal her father had worn in the war; she had several times rolled down the waistband of her skirt to show it to people. Near the door, under the impression that she was part of a garden tour, was an old woman who held a little dog by the handle of a cane hooked through his collar.
At the reception Adele smiled with happiness, drank too much, laughed, and scratched her bare arms with long showgirl nails. Her new husband admired her. He could have licked her palms like a calf does salt. She was still young enough to be good-looking, the final blaze of it, though she was too old for children, at least if she had anything to say about it. Summer was coming. Out of the afternoon haze she would appear, in her black bathing suit, limbs all tan, the brilliant sun behind her. She was the strong figure walking up the smooth sand from the sea, her legs, her wet swimmer’s hair, the grace of her, all careless and unhurried.
They settled into life together, hers mostly. It was her furniture and her books, though they were largely unread. She liked to tell stories about DeLereo, her first husband—Frank, his name was—the heir to a garbage-hauling empire. She called him Delerium, but the stories were not unaffectionate. Loyalty—it came from her childhood as well as the years of marriage, eight exhausting years, as she said—was her code. The terms of marriage had been simple, she admitted. Her job was to be dressed, have dinner ready, and be fucked once a day. One time in Florida with another couple they chartered a boat to go bonefishing off Bimini.”


James Salter (10 juni 1925 – 19 juni 2015)

 

De Nederlandse schrijfster Mensje van Keulen werd op 10 juni 1946 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Mensje van Keulen op dit blog.

Uit: Neerslag van een huwelijk

“1 januari 1977
De klok op de televisie sloeg twaalf. Gelukkig nieuwjaar.
We waren in het appartement van John J., die er net twee dagen woonde. Fl 150.000 voor drie kamers en dat schijnt mee te vallen. Een paar jongetjes op de Nieuwe Herengracht staken vuurwerk af. Ik moest, zoals elk jaar, denken aan de kerstbomenjacht vroeger in mijn Haagse buurt, de fik die het afsloot, soms zo gigantisch dat er ramen sprongen.
C kwam, ging bij Lon in een hoek zitten en is er niet meer uit gekomen. Uiteindelijk zaten ze belachelijk ernstig te fluisteren. Om me heen deed iedereen of er niets aan de hand was en ik probeerde te luisteren en af en toe deel te nemen aan het gesprek en mee te lachen, terwijl mijn hart als een gek tekeerging.
Gelukkig nieuwjaar.
Ik liet de auto staan op de gracht, ter hoogte van het Vrouwenhuis, waar straat en stoep schoon waren. Het was tussen vijf en zes. Ik rende zowat naar huis, zag mijn witte laarsjes stappen. We zeiden geen woord. Gingen naar bed. Geen woord. Toen Lon sliep ging ik naar mijn kamer, dronk een glas whisky en viel op het logeerbed in slaap.
Een of twee uur later stond Lon naast me. Hij kroop bij me in het smalle bed. We gingen naar boven, sliepen verder. Toen we ontwaakten, was hij aanhankelijk, ik bleef voor dood liggen. Op een gegeven moment ging ik overeind zitten en zei zonder erbij na te denken: ‘Thee? Koffie?’
‘Blijf nog even liggen.’
En toen, ik weet niet meer hoe ik begon, stroomden de woorden eruit. Af en toe hoorde ik mezelf van alles uitroepen. Hij bleef geduldig, veegde mijn tranen weg.
Ik zei het ineens: ‘Ik weet zeker dat je wat met haar hebt. Ze kijkt naar me of ze last van haar geweten heeft of iets van me wil. Wat een plaatje vannacht, niet om aan te zien!’ Ik ging maar door en hij liet me maar praten, werd niet kwaad, liep niet weg. Het kan niet waar zijn, dacht ik. Het kan niet, het mag niet, ik heb zelf ook wel wat te vertellen. En zal dan meteen erachteraan zeggen: ‘Maar het stelde niets voor.’ Dat cliché, al is het gemeend. Zou het helpen? Zou het juist erger worden?”

 


Mensje van Keulen (Den Haag, 10 juni 1946)
Cover

 

De Nederlandse schrijver Jan Brokken werd geboren op 10 juni 1949 in Leiden. Zie ook alle tags voor Jan Brokken op dit blog.

Uit: Baltische zielen

“De maan kwam net op toen de loodsboot langszij draaide. Huig en ik konden inrukken; de loods zou wel weten waar de mijnen lagen. Kort na middernacht voer het schip de haven van Pärnu binnen en meerde recht tegenover het stadje af, aan een smalle kade. Ons schip was het enige in de haven.
Midden in de nacht werd ik van bed gelicht door de eerste stuurman. De grenspolitie wilde zien of mijn gezicht bij de foto in mijn paspoort hoorde. Ik kleedde me aan en liep naar de hut van de kapitein. Drie chagrijnige koppen keken me aan. De grenswachters hadden om sloffen sigaretten gevraagd en de kapitein had ze de huid vol gescholden. ‘De zak,’ mompelde de eerste stuur, ‘als hij zich niet zo Hollands calvinistisch had gedragen, hadden we kunnen blijven maffen.’
Een voor een moesten we voor de grenswachters verschijnen. Ik werd het langst ondervraagd, van de negen man aan boord was ik de enige passagier.
‘Why are you hanging around on this ship?’
‘Ik wilde de Oostzee zien,’ antwoordde ik slaperig in het Engels.
‘Is daar dan iets bijzonders aan?’
‘Volgens zeelieden is het de mooiste aller zeeën.’
‘Hebben wij nooit iets van gemerkt.’
‘Het licht is bijzonder. Zacht en warm.’
‘Het licht?’ De mannen keken elkaar aan.
‘Het smeult in de herfst.’
‘Wat doet u voor de kost?’
‘Schrijver.’
‘O…’
Dan was je gewoon gek in plaats van gevaarlijk.
In de manier waarop mijn paspoort werd gestempeld, meende ik iets schampers te zien.
De volgende ochtend, een maandagmorgen, ging ik aan land. De huizen van Pärnu stonden in de steigers of waren net geel, rood, helder grijs of blauw geschilderd.”


Jan Brokken (Leiden, 10 juni 1949)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e juni ook mijn vorige blog van vandaag.

Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Langs lijnen van geleidelijkheid.

“Het pension van de marchesa Belloni was gelegen in een van de gezondste, zoo niet dichterlijkste wijken van Rome: de helft van het huis was een gedeelte van een villino der oude Ludovisi-tuinen; de oude mooie tuinen, betreurd door een ieder, die ze gekend had, vóór de nieuwe kazernewijken verrezen waren, waar eerst het Romeinsche villa-park zich had uitgestrekt. Het pension stond in de Via Lombardia; het oude villino-gedeelte had voor de locataires van de marchesa zekere antieke bekoring gehouden, en het nieuw aangebouwde perceel bood aan: ruime kamers, moderne waterleiding en electrisch licht. Het pension had een zekere reputatie van goed en goedkoop en aangenaam gelegen te zijn; enkele minuten wandelens van den Pincio af, hoog gelegen, behoefde men er niet voor malaria te vreezen, en de prijs, dien men er voor een langer verblijf betaalde, en die acht lire nauw-lijks te boven ging was buitengewoon voor Rome, bekend als duurder dan iedere andere Italiaansche stad. Zoo was het pension dan ook meestal vol: de reizigers kwamen reeds in October – die het vroegst in den season kwamen, betaalden het minst; en behalve enkele haastige toeristen, bleven zij meest allen tot Paschen, om na de groote kerkfeesten naar Napels af te zakken.
Het pension was door Engelsche reiskennissen zeer aanbevolen aan Cornélie De Retz van Loo, die alleen in Italië reisde, en uit Florence geschreven had aan de marchesa Belloni. Het was de eerste keer, dat zij in Italië reisde; het was de eerste keer, dat zij uitstapte aan het groote holle station bij de Thermen van Diocletianus, en op het plein, in de gouden zonnelucht van Rome, terwijl de groote fontein van de Acqua Marcia ruischte, en de koetsiers klapperden met de zweepen en met de tong – om haar aandacht te trekken – kreeg zij hare ‘lieve Italiaansche sensatie’, zooals zij dacht, en was blij in Rome te zijn.
Zij zag een oud moeilijk loopend mannetje op haar toe komen, met het instinct van een oud-gedienden portier, die zijn reizigers dadelijk herkent, en zij zag op zijn pet: Hôtel Belloni, en wenkte hem, en glimlachte. Hij begroette haar als een oude kennis, met familiariteit en eerbied tegelijk, als was hij blij haar te zien – vroeg of zij prettig gereisd had, of zij niet moê was, geleidde haar naar de victoria, schikte haar plaid, haar valies, vroeg het biljet van hare koffers, en zeide, dat zij maar gaan moest: in tien minuten volgde hij met de bagage. Zij kreeg een gevoel van gezelligheid, van verzorgd te worden door het oude hinkende mannetje, en knikte hem vriendelijk toe, terwijl de koetsier wegreed. Zij gevoelde zich licht en luchtig, met even den weemoed van iets onbekends, dat haar gebeuren ging: en zij zag links en rechts, als om nu te zien de straten van Rome: zij zag alleen maar huizen en huizen, kazernehuizen; toen een groot wit paleis: het nieuwe Palazzo Piombino – waar zij wist, dat de Juno Ludovisi was – en toen hield hij stil, en een knoopenjongetje kwam naar haar toe.”

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Hier met zijn hond Brinio

Continue reading “Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow”

Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow, Ion Creanga

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan…

“Hij vond zich geen man om te trouwen. Hij was nog wel jong, acht-en-dertig; hij zag er zelfs véel jonger uit; hij verdiende geld genoeg met zijn artikels, om, met wat Elly meêkreeg van grootpapa Takma, het er zuinigjes op te wagen, maar hij vond zich toch volstrekt geen type om te trouwen. Zijn vrijheid, zijn onafhankelijkheid, zijn egoïste bewegelijkheid, die waren hem het liefst; en trouwen, dat was zich met gebonden handen en voeten overgeven aan een vrouw. Hartstochtelijk verliefd was hij niet op Elly – hij vond haar een intelligent en artistiek vrouwtje; om wat zij van grootpapa Takma zoû erven, deed hij het heùsch niet. Waaròm deed hij het dan – vroeg hij zich af, als hij zich reeds had afgevraagd, dag aan dag, gedurende die week, die gevolgd was op zijn aanzoek.
– Mama… kan jij me ook zeggen… waarom ik Elly gevraagd heb?
Mama Ottilie zag op. Ze was wel gewend aan zonderlinge en geestige vragen van Lot, en dan antwoordde ze hem in dien toon, voor zoo ver zij vermocht, maar deze vraag deed haar een stekel voelen van jaloezie, een stekel, die héel erg pijn deed, als een doorn, fyziek, in vleesch.
– Waarom je Elly gevraagd hebt? Ik weet het niet… We doen altijd dingen, en weten niet waarom…
Zoo zacht treurigjes klonk hare stem, boudeerend na de stoute-kindstem van zoo even. Had zij niet àlles verloren, wat zij ooit had gehad? Zoû zij Lot niet verliezen, hem moeten afstaan aan Elly… zoo als zij alles had moeten afstaan…
– U antwoordt zoo ernstig, mama. Dat ben ik niet van u gewoon.
– Mag ik dan alléen niet eens ernstig zijn…
– Waarom de laatste dagen, zoo ernstig, en treurig, en prikkelbaar… Is het omdat ik trouwen ga…
– Misschien is het wel daarom…
– U houdt toch wel van Elly…
– Ja wel, ze is lief…
– We moesten maar samen blijven wonen; Elly houdt ook van u; met Steyn heb ik er over gesproken…
Want zijn stiefvader, zijn twéeden stiefvader noemde Lot Steyn, kort-weg, nadat hij zijn eersten genoemd had, – hij toen een jongen, – ‘meneer’ Trevelley. Mama Ottilie was driemaal getrouwd geweest.”

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Scene uit de tv-serie met o.a. Caro van Eyck, Joan Remmelts en Paul Steenbergen, 1975-1976

Continue reading “Louis Couperus, Jacques Perk, James Salter, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Saul Bellow, Ion Creanga”

Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit: Extaze

“Dolf Van Attema was op zijne wandeling na den eten aangegaan bij de zuster zijner vrouw, Cecile Van Even, op den Scheveningschen weg, en hij wachtte in den kleinen voorsalon, wandelend tusschen de rozenhouten meubeltjes en de vieux roze moiré cauzeuses met de drie, vier groote passen, waarmeê hij de nauwte van het vertrekje telkens en telkens scheen over te meten. Achter de chaise-longue brandde op een onyxen zuil eene lamp van onyx, onder hare kanten kap zacht gloeiend als eene groote, zeshoekige lichtbloem.
Mevrouw was nog bij de jongens, die juist naar bed gingen, had de meid tot Van Attema gezegd en het speet hem zijn petekind, den kleinen Dolf, dien avond niet meer te zullen zien; hij had reeds even naar boven willen loopen om met Dolf in zijn bedje te stoeien, maar ook had hij zich aanstonds Cecile’s verzoek herinnerd, dit toch nooit meer te doen; de jongen bleef uren wakker liggen na zoo een gedartel met oom. En hij wachtte dus nu, met een glimlach om die gehoorzaamheid, zijne schoonzuster af, steeds metende den kleinen salon met zijn pas van een stevig, kort man, ineengedrongen en breed, niet jong meer en wat ivoorachtig kalend onder zijn kort, donkerblond haar, zijne oogen klein-vriendelijk en prettig blauw-grijs, zijn mond beslist flink, – al glimlachte hij ook – in het rossige gekroes van zijn korten Germaan-baard.
Een houtblok brandde met een paar kronkeltongen in het haardje van nickel en verguld, als een vuurtje van stille intimiteit, als eene vlam van discretie, in die schemeratmosfeer van, met kant gedekt, lampeschijnsel, intimiteit en discretie verspreidden ook door geheel het nauwe vertrekje iets als een aroom van viooltjes, eene nuance van viooltjes-geur, die school in de zachtheid der tinten van behang en meubelen, – fletsch roze moiré en rozehout, – die hing in het hoekje der kleine rozehouten schrijftafel, met hare enkele zilveren zaakjes om te schrijven en hare portretten in gladde, glazen Mora-lijstjes; een kleine, witte, Venetiaansche spiegel daar boven.”

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Continue reading “Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat”

Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

Uit De lof der luiheid

“Orlando ligt lang uit. Hij ligt uitgestrekt op den langen stoel, zijn donker hoofd tegen een rood leêren kussen en nooit heb ik zoo een rust bewonderd als in de houding van Orlando. Hij is de kalme, harmonische rust. Hij zoû op dit oogenblik kunnen pozeeren voor den god van de rust. Zijn groot, mooi, sterk lichaam ligt lang uit, op den rug; zijn donkere haren en verbruind gezicht komen prachtig uit op het lichtere rood leêren kussen; zijn eene sterke hand hangt af van de leuning van den stoel; zijn andere houdt de sigarette aan zijn lippen. Zijn oogen zien recht voor zich uit, naar den zilverigen beker der zee daar ginds. Zijn oogleden knippen soms zachtjes. Hij blaast kalm de rook uit. Zijn adem gaat regelmatig en zijn borst is heel breed in zijn slappe hemd, waarlangs zijn flanellen jas wegvalt, ontdekkend de breed leêren bretels, die vast geknoopt zijn aan den heel hoogen band van zijn broek. In zijn houding van volmaakte rust, blijft hij er sterk, gezond en daarom harmonisch uitzien.
(…)

Zit je goed? vraagt Orlando.
– Ja.
– Vindt je de cypressen mooi?
– Ja.
Zijn stem heeft een beetje gespot. Ik sluit mijn oogen.
– Slaap! zegt Orlando, en drukt mij tegen zich.
… Dit even nu vast te houden. Een oogenblik rust te hebben in mijn bewegelijke, veranderlijke ziel. Niemand dan Orlando kan het mij geven. Slaap, heeft hij gezegd, meer uit liefkoozing, dan uit ernst. Maar niet IK… HIJ slaapt binnen twee minuten, tegen mij aan, zijn hoofd tegen mijn hoofd. Wat is hij kalm, wat slaapt hij kalm! Wat is het heerlijk, zóo kalm te zijn! Het is bijna niet van de wereld. Het is als iets bovenaardsch. Hoe regelmatig gaat zijn korte adem. Hoe kan je, zoo in eens, slapen! En zelve héel kalm geworden, verroer ik mij niet, en zie naar de cypressen. Ik voel mij, bijna, gelukkig. Maar op den grond van mijn ziel blijft iets trillen, een weemoed… en een nooit te stillen onrust… naar verandering, naar verandering… Ik ben het, die opzucht en Orlando wordt wakker.
– Heb je geslapen? vraagt hij.
Ik lach. Hij lacht ook.”

 
Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)
Cover

Continue reading “Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken, Oktay Rifat”

150 jaar Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken

150 jaar Louis Couperus

De Nederlandse schrijver Louis Couperus werd op 10 juni 1863 geboren in Den Haag. Dat is vandaag precies 150 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Louis Couperus op dit blog.

 

Uit: De stille kracht

 

« Maar al mijmerde hij niet, de stemming was onafweerbaar, als een druk op zijn breede borst, als een ziekte van teederheid, een malaise van sentimentaliteit in zijn anders heel praktisch gemoed van hoofdambtenaar, die hield van zijn werkkring, van zijn gewest; die hart had voor de belangen er van, en wien het bijna onafhankelijk gezag van zijn betrekking geheel in harmonie was met zijne heerschersnatuur; die met zijn krachtige longen zijn atmosfeer van wijden werkkring en ruim veld van zoo verscheiden arbeid, met even veel genot gewoon was te ademen, als hij nu ademde, den wijden wind van de zee. De begeerte, het verlangen, een heimwee, waren dien avond vooral, vol in hem. Hij voelde zich eenzaam, niet alléen om het izolement, dat een hoofd van gewestelijk bestuur altijd min of meer omringt, wien men òf nadert conventioneel glimlachend-eerbiedig, om conversatie, òf kort, zakelijk-eerbiedig, om zaken. Hij voelde zich eenzaam, hoewel hij vader was van een huisgezin. Hij dacht aan zijn groote huis, hij dacht aan zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam, en alleen gedragen door het belang, dat hij stelde in zijn werk. Het was hem alles in zijn leven. Het vulde al zijne uren. Er over denkende sliep hij in, zijn eerste gedachte was voor het een of ander gewestelijk belang.

In dit oogenblik, moê van het cijferen, opademende in den wind, ademde hij tegelijk met de frischheid van de zee den weemoed van de zee in, den geheimzinnigen weemoed der Indische zeeën, den opspokenden weemoed der zeeën van Java; de weemoed, die aanruischt van verre als op suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet: er was alleen de zee en de wind, die frisch was. Er was alleen de walm van die zee, als iets van visch en van bloemen en zeewier; walm, die de frissche wind uitwoei. Er was alleen het oogenblik van herademing, en wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnigen weemoed voelde toch sluipen in zijn, dien avond, wat weeke gemoed, dacht hij te zijn om zijn huislijken kring, dien hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed noch iets, dan was het dàt. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van verre, niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van wonderlijkheid… En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst, richtte-op zijn flinken, militairen kop en snoof, en snoof den walm in en den wind…

De hoofdoppasser, neêrgehurkt, met zijn gloei-vuurtouw in de hand, gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier zoo vreemd te staan bij den vuurtoren… Zoo vreemd, die Hollanders… Wat denkt hij nu… Waarom doet hij zoo… Juist op dit uur op deze plek… De zeegeesten waren nu om… Er zijn kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest… Zie, daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den vuurtoren… Wat doet de Kandjeng Toean nu hier… Het is hier niet goed, het is hier niet goed… tjelaka, tjelaka… En zijn spiedende oogen gleden op en neêr langs den breeden rug van zijn heer, die maar stond en uitzag… Waar zag hij naar toe…? Wat zag hij aanwaaien in den wind…? Zoo vreemd, die Hollanders, vreemd… »

 

 

 

Louis Couperus (10 juni 1863 – 16 juli 1923)

Met zijn vrouw (rechts) op Sumatra, 1921 

Continue reading “150 jaar Louis Couperus, Jacques Perk, Saul Bellow, Mensje van Keulen, Jan Brokken”