Fernando Pessoa, Thomas Heerma van Voss, Willem Brakman, Virginie Despentes, William Butler Yeats, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens, Dorothy L. Sayers

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

Sonnet V

How can I think, or edge my thoughts to action,
When the miserly press of each day’s need
Aches to a narrowness of spilled distraction
My soul appalled at the world’s work’s time-greed?
How can I pause my thoughts upon the task
My soul was born to think that it must do
When every moment has a thought to ask
To fit the immediate craving of its cue?
The coin I’d heap for marrying my Muse
And build our home i’th’ greater Time-to-be
Becomes dissolved by needs of each day’s use
And I feel beggared of infinity,
Like a true-Christian sinner, each day flesh-driven
By his own act to forfeit his wished heaven.

 

Sonnet VI

As a bad orator, badly o’er-book-skilled,
Doth overflow his purpose with made heat,
And, like a clock, winds with withoutness willed
What should have been an inner instinct’s feat;
Or as a prose-wit, harshly poet turned,
Lacking the subtler music in his measure,
With useless care labours but to be spurned,
Courting in alien speech the Muse’s pleasure;
I study how to love or how to hate,
Estranged by consciousness from sentiment,
With a thought feeling forced to be sedate
Even when the feeling’s nature is violent;
As who would learn to swim without the river,
When nearest to the trick, as far as ever.

 

Sonnet VII

Thy words are torture to me, that scarce grieve thee-
That entire death shall null my entire thought;
And I feel torture, not that I believe thee,
But that I cannot disbelieve thee not.
Shall that of me that now contains the stars
Be by the very contained stars survived?
Thus were Fate all unjust. Yet what truth bars
An all unjust Fate’s truth from being believed?
Conjecture cannot fit to the seen world
A garment of its thought untorn or covering,
Or with its stuffed garb forge an otherworld
Without itself its dead deceit discovering;
So, all being possible, an idle thought may
Less idle thoughts, self-known no truer, dismay.


Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)

 

De Nederlandse schrijver Thomas Heerma van Voss werd geboren in Amsterdam op 13 juni 1990. Zie ook alle tags voor Thomas Heerma van Voss op dit blog.

Uit: Plaatsvervangers

“Rhythm & Poetry.
Onder dat alias verscheen Rob in mijn leven, zo noemde hij zichzelf op MusicMeter – een muzieksite waar duizenden Nederlandse muziekliefhebbers zich dagelijks verzamelen om te discussiëren over artiesten en albums, over opkomende subgenres, over ontwikkelingen in de zogeheten underground, over alles wat er op muziekgebied maar te bespreken valt. Ik deed daar graag aan mee. Hier vond ik mensen die zich met eenzelfde bezetenheid op muziek stortten als ikzelf, die wilden weten wie welk nummer precies had geproduceerd en zich uren konden verliezen in minieme feitjes en geruchten.
Soortgenoten, ja, zo kon je ons wel omschrijven, al beperkten de gesprekken zich tot muziek en kwamen we van elkaar niets te weten behalve ons alias, en in een enkel geval een geboortestad, een leeftijd, een wazige profielfoto. Het profiel van Rhythm & Poetry toonde niets behalve zijn geboortejaar (1989) en de onvoorstelbare hoeveelheid hiphopmuziek die hij beluisterde; minstens drie nieuwe albums per dag, soms wel zes of zeven. Het leek voor hem niet zomaar een tijdverdrijf of hobbyisme, hij luisterde als een onderzoeker. Hij verdiepte zich in oeuvres en substromingen, en wilde elke dag meer ontdekken, net zoals ik.
Daarom vroeg ik hem – evenals talloze andere MusicMeterleden – om voor Hiphopleeft te gaan schrijven. Het was januari 2008. Ik had niets te bieden: geen vergoeding, geen ervaring, geen naamsbekendheid, alleen een onbeholpen site met nauwelijks bezoekers en een paar onopgemerkte artikelen. De meesten reageerden dan ook afwijzend op mijn verzoek. En degenen die wel meededen stopten vrijwel allemaal meteen. Sommigen hadden meer van de site verwacht, anderen vonden mijn redactie te kritisch. Wat de reden ook was, stuk voor stuk verdwenen ze uit mijn leven zonder dat ik ze ooit had ontmoet, vaak zelfs zonder dat ik wist welke naam er schuilging achter hun online – pseudoniem.
Ik was ervan overtuigd dat het bij Rhythm & Poetry hetzelfde zou gaan. Voor ik hem aanschreef had hij nog nooit iets geschreven en direct werd zijn gebrek aan ervaring zichtbaar. Zijn eerste recensie (van een obscure Amerikaanse undergroundrapper) moest in totaal negentien keer heen en weer worden gestuurd voor ze online kon verschijnen. En alsnog stond de bespreking vol slordigheden en stilistische oneffenheden.”


Thomas Heerma van Voss (Amsterdam, 13 juni 1990)

 

De Nederlandse schrijver Willem Brakman werd geboren op 13 juni 1922 in Den Haag. Zie ook alle tags voor Willem Brakman op dit blog.

Uit: Vestdijk en pantoufles

“Wat de persoon Vestdijk betreft beschik ik alleen maar over wat punctuele herinneringen. Toen ik nog werkzaam was als huisarts en het zo druk had dat ik aan mijn vrouw moest vragen wie ik ook weer was, droeg ik een visionair beeld in mij om van een huisje in Doorn, goed verborgen voor iedereen die wilde storen, waarin een stille werkkamer waarin alleen het krassen van de pen was te horen. “Maar Vestdijk leeft!” dacht ik vaak al trappen beklimmend in een wijk vol flatgebouwen.
Regelmatig kwam hij op bezoek bij Nol Gregoor, die een kleine biografie over hem schreef en ook in Doorn woonde. Daar heb ik hem dan ook een paar maal getroffen en een van die keren werd er op de televisie een documentaire uitgezonden over hem met Gomperts als interviewer. Toen een keer Ans Koster alleen en in close-up op het scherm kwam, riep zij luid en helder: “Een heks!… een heks!… een heks!” Niet boos of geschrokken, maar hard en hoogstens wat krijsend. Het gezicht van Vestdijk bleef onbewolkt, hoe scherp ik ook keek uit de ooghoek. Mogelijk was hij te zeer verdiept in de zeer lovende Gomperts op het scherm of dacht hij terug aan het feest waarop Van Oorschot hem in het oor had gesist na wat glaasjes: “Man… dat verdroogde, uitgeloogde… godv… dat versletene, dat windt me op!” Misschien dempten deze momenten elkaar op dat ogenblik.
Het was in die tijd de gewoonte om op visites en bij de koffie een ‘harde Wener’ te serveren, een uitermate vet en zwaar mokkagebak, dat ik afsloeg met de verduidelijking dat de naam mij te veel deed denken aan een heel erge geslachtsziekte. Toen ik het zei, moest Vestdijk na een tijdje nadenken bleekjes lachen, wat ook wel weer zijn reden zal hebben gehad. Eenmaal had ik op zo’n visite een venijnig twistgesprek met Nol Gregoor, op de rand van een ordinaire ruzie. Ik weet niet meer waarover, maar mijn verborgen bron was de ergernis dat Nol, van nature jaloers als geen ander hier op aarde, Vestdijk te veel afschermde. Ik had zelfs mijn jasje uitgetrokken en maakte in een wit overhemd brede en woedende gebaren. Na afloop krijtwit en uitgeput, hoorde ik Vestdijks commentaar: “Prachtig! Net de Franse Revolutie.”


Willem Brakman (13 juni 1922 – 8 mei 2008)
Cover brievenboek

 

De Franse schrijfster en filmmaakster Virginie Despentes werd geboren in Nancy, Meurthe-et-Moselle, op 13 juni 1969. Zie ook alle tags voor Virginie Despentes op dit blog.

Uit: Bye Bye Blondie (Vertaald door Sian Reynolds)

“The Royal, a bar that’s practically empty during the day. A big room with high ceilings, colored moldings, and pictures by a pal of the owner on the walls. It isn’t really designed for broad daylight, what seems fabulous at night looks a bit tatty by day. Just pushing open the door to the bar is reassuring in itself, in spite of the combined smell of stale tobacco and cleaning products.
“Ooooh, old lady! In one of our moods are we?”
Jérémy, behind the bar, bursts out laughing when he sees her. She would like to stay looking furious, on her high horse, but it doesn’t work. She smiles, and leans on the counter.
“Can you put it on my tab? Till Tuesday?”
“I’d like to say no, but I can see you’d smash the place up. A Jack?”
“Thankyouthankyouthankyou,” she chants, twisting her head on her neck to make the vertebrae click. That very morning, leaning over the washbasin, vomiting up her guts, she had sworn not to have a drink at all today. Her liver’s crying out for understanding, mercy, and respite. But seeing how the day’s turning out, to remain clearheaded wouldn’t be appropriate.
Gloria takes her glass and goes over to a seat. Slight headache, backache, she feels stiff. The warmth of the alcohol immediately unlocks her joints, her knees, the insides of her wrists and elbows. Something relaxes. But it’s still not enough to let her draw breath without pain.
She’s been here before, of course she has, she knows the score by heart. Pain doesn’t lessen with age, on the contrary. But she knows there’s nothing to be done, except wait, day after day, for it to get bearable. Another failure, par for the course, another breakup.
Gloria’s not her real name. Her parents had her christened Stéphanie. But even in primary school she’d changed it, every new year she tried a different one. That wreaked havoc when the teachers realized what she was up to, and it made the other kids suspicious when they figured out she was lying. She’d almost given up when Gloria the “punk princess” became a media icon. She realized it was time to settle on something. It was the early eighties, and she’d just discovered that there was something out there that spoke to her: the Sex Pistols, Bérurier Noir, Sham 69, and Taxi Girl. Hair carefully dyed electric blue, one evening in town she’d met this young guy who’d shown her the three chords for “Gloria” on a guitar.”

 
Virginie Despentes (Nancy, 13 juni 1969)

 

De Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus William Butler Yeats werd geboren in Sandymount bij Dublin op 13 juni 1865. Zie ook alle tags voor William Butler Yeats op dit blog.

 

The Spirit Medium

Poetry, music, I have loved, and yet
Because of those new dead
That come into my soul and escape
Confusion of the bed,
Or those begotten or unbegotten
Perning in a band,

I bend my body to the spade
Or grope with a dirty hand.

Or those begotten or unbegotten,
For I would not recall
Some that being unbegotten
Are not individual,
But copy some one action,
Moulding it of dust or sand,

I bend my body to the spade
Or grope with a dirty hand.

An old ghost’s thoughts are lightning,
To follow is to die;
Poetry and music I have banished,
But the stupidity
Of root, shoot, blossom or clay
Makes no demand.

I bend my body to the spade
Or grope with a dirty hand.

 

To Songs Of A Fool

I
A Speckled cat and a tame hare
Eat at my hearthstone
And sleep there;
And both look up to me alone
For learning and defence
As I look up to providence.
I start out of my sleep to think
Some day I may forget
Their food and drink;
Or, the house door left unshut,
The hare may run till it’s found
The horn’s sweet note and the tooth of the hound.
I bear a burden that might well try
Men that do all by rule,
And what can I
That am a wandering-witted fool
But pray to God that He ease
My great responsibilities?
I slept on my three-legged stool by thc fire.
The speckled cat slept on my knee;
We never thought to enquire
Where the brown hare might be,
And whether the door were shut.
Who knows how she drank the wind
Stretched up on two legs from the mat,
Before she had settled her mind
To drum with her heel and to leap?
Had I but awakened from sleep
And called her name, she had heard.
It may be, and had not stirred,
That now, it may be, has found
The horn’s sweet note and the tooth of the hound.

 
William Butler Yeats (13 juni 1865 – 28 januari 1939)
Muurschildering in Belfast

 

De Franse journaliste en schrijfster Tristane Banon werd geboren op 13 juni 1979 in Neuilly-sur-Seine. Zie ook alle tags voor Tristane Banon op dit blog.

Uit: Le Bal des hypocrites

« Mardi 10 mai. Il insiste qu’il veut me voir, qu’il doit me voir. Il me dit son nom, son prénom, ses amis, son pedigree. Il m’écrit comme si j’étais de la police. Son courrier m’assure de son honnêteté. Il s’appelle Marin, Marin H, je pense que ça sonne comme Arthur H et ça me fait sourire. Puis je me souviens d’un autre Marin, l’un de ceux qui m’ont trahie par peur de se fâcher avec le sacrosaint pouvoir, grande maîtresse des hommes du milieu, quel que soit le milieu. La puissance du politique. Ma vie est parsemée de Marin, c’est comme un champ de coquelicots, mais certains ne ressemblent plus à rien, fanés, dépéris. À ce souvenir, je ne souris plus. t Il veut me voir car il écrit sur sa femme à lui, lui l’homme du 15 mai. Dans une autre vie, je sais que cette femme a été intelligente. Et puis elle l’a rencontré, il l’a séduite. Elle n’a pas vu, pas voulu voir le babouin derrière l’homme. Son cochon n’est pas babouin à plein temps, juste malade par intermittence. Je me souviens, c’était il y a huit longues années, il était en crise ce jour-là, et il m’a volé mes vingt ans. Je ne les ai jamais retrouvés depuis. C’était il y a huit ans et le cochon m’a volé ma vie. C’était il y a huit ans et, aujourd’hui, Marin H, journaliste, veut encore me parler de « l’Affaire ». Il veut revenir sur « l’Affaire » comme mille autres avant lui depuis des mois, des semaines, des années. Des jours que j’ai enfilés comme des perles sur un collier, la tête basse, les uns après les autres, comme pour me repentir d’un crime qu’un autre aurait commis. Mais il me faut payer, le pays veut ça, la morale veut ça. Ça n’est pas à celui qui a le vice qu’on en veut, c’est à celle qui nous le montre du doigt. Et dire que, sans cette catin, on vivrait tranquilles et heureux dans un univers propre et net. Méchante jeune femme, sale fille qui entache notre belle vision du monde. Étrange monde que celui où, de nouveau, un journaliste veut enquêter pour « savoir » sans jamais « faire savoir ». Il répète « l’Affaire » comme tous ceux qui évitent stratégiquement les mots justes. Pas qu’ils ne veuillent pas choquer, simplement qu’ils veulent rester innocents. C’est moi, la sale fille, celle grâce à qui ils mettront la vérité entre parenthèses, comme pour mieux se protéger. »


Tristane Banon (Neuilly-sur-Seine,13juni 1979)

 

De Britse schrijver en presentator Marcel Theroux werd geboren op 13 juni 1968 in Kampala, Oeganda. Zie ook alle tags voor Marcel Theroux op dit blog.

Uit:Strange Bodies

“In the days that followed his showing up at the shop, I tracked down some old friends. A few had lost touch with Nicky altogether, but several had heard that he’d died and one said it was in a road accident. I didn’t ask for the details. Something held me back from telling them about his visit to the shop. Everywhere I checked, the story was the same. University College London was even setting up a memorial fellowship named after him. But Nicky wasn’t dead, and it seemed as though only he and I knew it.
The only way I could make sense of it was to assume that Nicky had got into some kind of trouble and taken a desperate decision to run away from it. It was completely out of character for him, but no other explanation fitted the facts. I knew I hadn’t seen a ghost. He was too material for that.
And besides, I think men, even the good ones, are more apt to cut and run than we are. Ted walked out when Babette was six months old; he said he’d found someone who could make him happier than I could. This woman turned out to be a twenty-four-year-old Italian translator he’d met at a convention in Düsseldorf. That miserable period coincided with the date of Nicky’s death, which might explain why it didn’t make more of an impression on me. All the bad news got rolled up together in one big indigestible lump.
It was almost a year before I saw him again. I was closing up the shop at the end of one of those short December days, rushing because the book group was meeting at my house that evening. Just as I was about to leave, I remembered that it was Kath’s birthday. I unlocked the front door and went back in to get her one of the ceramic Seletti jugs shaped like a milk carton. Sleet was rattling against the shopfront. I grabbed some wrapping paper and a bag to keep it all dry. When I turned round there was a dark shape in the doorway. I froze. The jug slipped out of my hand and smashed on the floor.
“Sukie?” he said.
I felt a little breathless. For an instant, the last twenty-odd years vanished like a trick of the light: no Leonora, no Ted, no kids, no break-ups and false starts, no aging, only the two of us in the half-dark just like the first time I kissed him in Grantchester Meadows.“

 
Marcel Theroux (Kampala, 13 juni 1968)

 

De Vlaamse schrijver Lode Zielens werd geboren in Antwerpen op 13 juni 1901. Zie ook alle tags voor Lode Zielens op dit blog.

Uit: Moeder waarom leven wij

“Nu waren de Paters volop hun metten aan ’t zingen. De stemmen van de novicen klonken jeugdig en vol, de oudsten, die ’t pertang van buiten moesten kennen, hadden moeite om met hun versleten mond die haastigaards bij te houden. Naast een stuk of vier, die nog niet klaar zagen, stond er een kaars op den rand van ’t gestoelte. Als die van den linkerkant het end van hun verske met een schoonen kronkel nog aan het afdraaien waren, sprongen die van den rechterkant al boven op de leste woorden van de anderen, om toch maar geen moment te laten verloren gaan. ’t Was of ze deden om ’t rapste. Kobeke zijn kop werd er aardig van, hij kon met geen mogelijkheid zijn morgengebed lezen. Hij loerde naar Vader Abt of die van tijd geen teeken zou doen aan die jonge mannen vooraan, dat ze niet zoo onpasjentig mochten zijn. Maar Vader Abt gaf katoen juist lijk de anderen. Soms vielen ze allemaal ineens stil, als om asem te halen, en bleven in diepe stilte staan met hun kop over hun psalmboek gebogen. Dan bofte de stilte in de schemerklare kapel neer gelijk een ongeluk, en ge hoorde hier en daar een van de oude Paters een snuifke nemen. Dan hoorde Kobeke ook iederen keer buiten een koppel musschen sjierpen, en ge zaagt beter dat het lichter werd in ’t koor en dat de kaarsevlammekens verflauwden. Koning David stond in het hooge raam met zijn harp en zijn purperen mantel al gereed om de zon te ontvangen. En dan ineens schoten ze weer in gang, rechts tegen links, zoo rap achtereen dat ge der uwen vinger niet kondt tusschen steken. Het was allemaal zoo heilig dat Kobeke gelijk honing over zijn hart voelde drijven. Hij had willen meezingen, met zijn oogen omhoog. Vader Abt zat nu in den glans van koning David zijn purperen mantel.”

 
Lode Zielens (13 juni 1901 – 28 november 1944)
Cover CD met de soundtrack uit de gelijknamige tv-serie (1993)

 

De Engelse schrijfster, dichteres en vertaalster Dorothy Leigh Sayers werd geboren op 13 juni 1893 in Oxford. Zie ook alle tags voor Dorothy L. Sayers op dit blog.

Uit: Five Red Herrings

“If one lives in Galloway, one either fishes or paints. “Either” is perhaps misleading, for most of the painters are fishers also in their spare time. To be neither of these things is considered odd and almost eccentric. Fish is the standard topic of conversation in the pub and the post-office, in the garage and the street, with every sort of person, from the man who arrives for the season with three Hardy rods and a Rolls-Royce, to the man who leads a curious, contemplative life, watching the salmon-nets on the Dee. Weather, which in other parts of the Kingdom is gauged by the standards of the farmer, the gardener, and the weekender, is considered in Galloway in terms of fish and paint. The fisherman-painter has the best of the bargain as far as the weather goes, for the weather that is too bright for the trout deluges his hills and his sea with floods of radiant colour; the rain that interrupts picture-making puts water into the rivers and the locks and sends him hopefully forth with rod and creel; while on cold dull days, when there is neither purple on the hills nor fly on the river, he can join a friendly party in a cosy bar and exchange information about Cardinals and March Browns, and practise making intricate knots in gut.
The artistic centre of Galloway is Kirkcudbright, where the painters form a scattered constellation, whose nucleus is in the High Street, and whose outer stars twinkle in remote hillside cottages, radiating brightness as far as Gatehouse-of-Fleet. There are large and stately studios, panelled and high, in strong stone houses filled with gleaming brass and polished oak. There are workaday studios—summer perching-places rather than settled homes–where a good north light and a litter of brushes and canvas form the whole of the artistic stock-in-trade. There are little homely studios, gay with blue and red and yellow curtains and odd scraps of pottery, tucked away down narrow closes and adorned with gardens, where old-fashioned flowers riot in the rich and friendly soil. There are studios that are simply and solely barns, made beautiful by ample proportions and high-pitched rafters, and habitable by the addition of a tortoise stove and a gas-ring. There are artists who have large families and keep domestics in cap and apron; artists who engage rooms, and are taken care of by landladies; artists who live in couples or alone, with a woman who comes in to clean; artists who live hermit-like and do their own charing. There are painters in oils, painters in water-colour, painters in pastel, etchers and illustrators, workers in metal; artists of every variety, having this one thing in common–that they take their work seriously and have no time for amateurs.”


Dorothy L. Sayers (13 juni 1893 – 17 december 1957)
Cover audiobook

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e juni ook mijn blog van 13 juni 2017 en ook mijn blog van 13 juni 2015 deel 1 en eveneens deel 2.

Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens, Dorothy L. Sayers, Franz Alfred Muth

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

Sonnet II

If that apparent part of life’s delight
Our tingled flesh-sense circumscribes were seen
By aught save reflex and co-carnal sight,
Joy, flesh and life might prove but a gross screen.
Haply Truth’s body is no eyable being,
Appearance even as appearance lies,
Haply our close, dark, vague, warm sense of seeing
Is the choked vision of blindfolded eyes.
Wherefrom what comes to thought’s sense of life? Nought.
All is either the irrational world we see
Or some aught-else whose being-unknown doth rot
Its use for our thought’s use. Whence taketh me
A qualm-like ache of life, a body-deep
Soul-hate of what we seek and what we weep.

 

Sonnet III

When I do think my meanest line shall be
More in Time’s use than my creating whole,
That future eyes more clearly shall feel me
In this inked page than in my direct soul;
When I conjecture put to make me seeing
Good readers of me in some aftertime,
Thankful to some idea of my being
That doth not even my with gone true soul rime;
An anger at the essence of the world,
That makes this thus, or thinkable this wise,
Takes my soul by the throat and makes it hurled
In nightly horrors of despaired surmise,
And I become the mere sense of a rage
That lacks the very words whose waste might ‘suage.

 

Sonnet IV

I could not think of thee as piecèd rot,
Yet such thou wert, for thou hadst been long dead;
Yet thou liv’dst entire in my seeing thought
And what thou wert in me had never fled.
Nay, I had fixed the moments of thy beauty-
Thy ebbing smile, thy kiss’s readiness,
And memory had taught my heart the duty
To know thee ever at that deathlessness.
But when I came where thou wert laid, and saw
The natural flowers ignoring thee sans blame,
And the encroaching grass, with casual flaw,
Framing the stone to age where was thy name,
I knew not how to feel, nor what to be
Towards thy fate’s material secrecy.

 
Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)
Fernando Pessoa door João Beja

Continue reading “Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens, Dorothy L. Sayers, Franz Alfred Muth”

Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook alle tags voor Fernando Pessoa op dit blog.

Heb niets in je handen, noch…

Heb niets in je handen, noch
Een herinnering in de ziel,

Dan zal, wanneer de laatste obool
Men je in de handen legt,

En men je handen openvouwt
Niets je ontvallen.

Welke troon wil men je geven
Die Atropos je niet ontneemt?

Welke lauweren die niet welken
Onder Minos’ oordeel?

Welke uren die ook jou niet
Maken tot de schaduw

Die je zijn zult als je gaat
De nacht in en naar ’t einde van de weg.

Pluk de bloemen maar laat ze
Los eer je ze hebt bezien.

Ga zitten in de zon. Doe afstand
En wees koning van jezelf.

Vertaald door August Willemsen

 

The Herdsman

I’m herdsman of a flock.
The sheep are my thoughts
And my thoughts are all sensations.
I think with my eyes and my ears
And my hands and feet
And nostrils and mouth.

To think a flower is to see and smell it.
To eat a fruit is to sense its savor.

And that is why, when I feel sad,
In a day of heat, because of so much joy
And lay me down in the grass to rest
And close my sun-warmed eyes,
I feel my whole body relaxed in reality
And know the whole truth and am happy.

 
Vertaald door Edouard Roditi

 

Sonnet I

Whether we write or speak or do but look
We are ever unapparent. What we are
Cannot be transfused into word or book.
Our soul from us is infinitely far.

However much we give our thoughts the will
To be our soul and gesture it abroad,
Our hearts are incommunicable still.
In what we show ourselves we are ignored.

The abyss from soul to soul cannot be bridged
By any skill of thought or trick of seeming.
Unto our very selves we are abridged
When we would utter to our thought our being.

We are our dreams of ourselves, souls by gleams,
And each to each other dreams of others’ dreams.

 
Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)
Muurschildering in Bedminster, Bristol

Continue reading “Fernando Pessoa , Willem Brakman, William Butler Yeats, Thomas Heerma van Voss, Tristane Banon, Marcel Theroux, Lode Zielens”

Fernando Pessoa, Willem Brakman, Hector de Saint-Denys Garneau, William Butler Yeats, Lode Zielens, Dorothy Leigh Sayers, Fanny Burney

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook mijn blog van 13 juni 2007 en ook mijn blog van 13 juni 2008.

 

Soms heb ik…

Soms heb ik gelukkige gedachten,

Gedachten, plotseling gelukkig, in gedachten

En in de woorden waar ze zich vanzelf in losmaken…

 

Na het schrijven, lees ik…

Waarom heb ik dit geschreven?

Waar heb ik dit vandaan gehaald?

Van waar is dit tot mij gekomen? Dit is beter

       dan ikzelf…

Zouden wij op deze wereld niets dan pennen

       zijn met inkt

Waarmee iemand waarachtig schrijft wat wij

       hier krassen?…

 

 

Wanneer de lente komt… 

 

Wanneer de lente komt

En als ik dan al dood ben

Zullen de bloemen net zo bloeien

En de bomen zullen niet minder groen zijn dan het vorig voorjaar.

De werkelijkheid heeft mij niet nodig.

 

Ik voel een enorme vreugde

Bij de gedachte dat mijn dood volstrekt onbelangrijk is

 

Als ik wist dat ik morgen zou sterven

En het was overmorgen lente,

Zou ik tevreden sterven, omdat het overmorgen lente was.

Als dat haar tijd is, wanneer dan zou ze moeten komen tenzij op haar tijd?

Ik houd ervan dat alles werkelijk is en alles zoals het moet zijn;

Daar houd ik van, omdat het zo zou wezen ook als ik er niet van hield.

Daarom, als ik nu sterf, sterf ik tevreden,

Want alles is werkelijk en alles is zoals het moet zijn.

 

Men mag Latijn bidden boven mijn kist, indien men wil.

Indien men wil, mag men rondom dansen en zingen.

Ik heb geen voorkeur voor wanneer ik toch geen voorkeur meer kan hebben

Dat wat zal zijn, wanneer het zijn zal, zal het zijn dat wat het is.

 

 

Vertaald door August Willemsen

 

 

Lisboa-Pessoa

Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)

Beeld in Lissabon 

 

 

 

De Nederlandse schrijver Willem Brakman werd geboren op 13 juni 1922 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 13 juni 2007. en mijn blog van 8 mei 2008. en ook mijn blog van 13 juni 2008.

 

Uit: Toeristen

 

“Om het terrasje hing de lichte onbeschoftheid van een goed lopende, zonnige vakantiemiddag niet al te ver buiten het topseizoen. Ze dreigde schemerig, half verscholen, maar toch al veelvormig in de vele toeristen op de wijde tegel- en asfaltvlakken om het restaurant, vol felle zonnevlekken, geparkeerde bussen en rijen vonkende, hete auto’s,bewaakt door propvolle papierkorven. De filmploeg had zich daar parkeertechnisch afgezonderd middels een eigen, in het rond gebouwd wagenparkje, waarin enkele auto’s met statieven en veel lampen her en der, leren koffers en tassen op de grond en ertussen wat verachtelijk starende jongelui die traag uit plastic bekertjes dronken. De meesten waren in witte broek. Ze dreigde in de kinderstemmen, in het slaan van portieren, het loerend verveeld ge~ slenter, in de veel te blauwe lucht, maar het duidelijkst was ze aanwezig op het terras waar schei en luidruchtig een zwerm Amerikanen was neergestreken, een vlucht kwetteraars, beweeglijk en kleurrijk als papegaaien.

Het was een overwegend zwarte groep: leren, clowneske petjes, kroezige, blauwzwarte baardjes en snorren om uitdagend flitsende tanden, getailleerde leren jacks snoerend nauwe pijpen om benen vol onrust en tikketakkende, orthopedisch hoge hakken.

Beurtelings wit en rood van ergernis draafde de ober-eigenaar heen en weer, nerveus als een insect getreiterd tot het uiterste. Onophoudelijk wisselden de yanks van tafeltje, kirrend, giechelend met archaïsche keelgeluiden, zodat het snel aandravende bier en ijs, de cakeplakken en Käsetorten opeens verbijsterd in de lucht kwamen te hangen. ‘Wrong guy man… this is shit man… get lost man…’ ‘Gleich zahlen,’ siste de bezwete eigenaar die overal tegelijk was, en groot geld wiegde tergend aan het eind van lange zwarte vingers tussen roze nagels. ‘Hurry up man… got to go man…’ Ook om het terras was het onweersachtig, maar toch zuiverden. Langs de kiosk met de onvermijdelijke wandelstokken, kaarten en zonnebrillen was de Kainzhof te zien, ook zonbevlekt maar met hardnekkig somber groen-grijs, ernaast wat paarden met biergele manen.”

 

brakman

Willem Brakman (13 juni 1922 – 8 mei 2008)

 

De Frans-Canadese dichter Hector de Saint-Denys Garneau werd geboren op 13 juni 1912 in Montréal. Zie ook mijn blog van 13 juni 2007. en ook mijn blog van 13 juni 2008.

 

 

PORTRAIT

 

C’est un drôle d’enfant
C’est un oiseau
Il n’est plus là
Il s’agit de le trouver
De le chercher
Quand il est là
Il s’agit de ne pas lui faire peur
C’est un oiseau
C’est un colimaçon.
Il ne regarde que pour vous embrasser
Autrement il ne sait pas quoi faire
avec ses yeux
Où les poser
Il les tracasse comme un paysan sa casquette
Il lui faut aller vers vous
Et quand il s’arrête
Et s’il arrive
Il n’est plus là
Alors il faut le voir venir
Et l’aimer durant son voyage

 

 

 

L’AQUARELLE

 

Est-il rien de meilleur pour vous chanter
les champs
Et vous les arbres transparents
Les feuilles
Et pour ne pas cacher la moindre des lumières
Que l’aquarelle cette claire
Claire tulle ce voile clair sur le papier. 

 

 

garneau

Hector de Saint-Denys Garneau (13 juni 1912 – 24 oktober 1943)

 

 

De Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus William Butler Yeats werd geboren in Sandymount bij Dublin 13 juni 1865. Zie ook mijn blog van 13 juni 2006 en ook mijn blog van 13 juni 2007. en ook mijn blog van 13 juni 2008.

 

 

THE INDIAN TO HIS LOVE

 

THE island dreams under the dawn

And great boughs drop tranquillity;

The peahens dance on a smooth lawn,

A parrot sways upon a tree,

Raging at his own image in the enamelled sea.

 

Here we will moor our lonely ship

And wander ever with woven hands,

Murmuring softly lip to lip,

Along the grass, along the sands,

Murmuring how far away are the unquiet lands:

 

How we alone of mortals are

Hid under quiet boughs apart,

While our love grows an Indian star,

A meteor of the burning heart,

One with the tide that gleams, the wings that gleam and dart,

 

The heavy boughs, the burnished dove

That moans and sighs a hundred days:

How when we die our shades will rove,

When eve has hushed the feathered ways,

With vapoury footsole by the water’s drowsy blaze.

 

 

 

LINES WRITTEN IN DEJECTION

 

WHEN have I last looked on

The round green eyes and the long wavering bodies

Of the dark leopards of the moon?

All the wild witches, those most notable ladies,

For all their broom-sticks and their tears,

Their angry tears, are gone.

The holy centaurs of the hills are vanished;

I have nothing but the embittered sun;

Banished heroic mother moon and vanished,

And now that I have come to fifty years

I must endure the timid
sun.

 

 

 

RECONCILIATION

 

SOME may have blamed you that you took away

The verses that could move them on the day

When, the ears being deafened, the sight of the eyes blind

With lightning, you went from me, and I could find

Nothing to make a song about but kings,

Helmets, and swords, and half-forgotten things

That were like memories of you–but now

We’ll out, for the world lives as long ago;

And while we’re in our laughing, weeping fit,

Hurl helmets, crowns, and swords into the pit.

But, dear, cling close to me; since you were gone,

My barren thoughts have chilled me to the bone.

 

 

wbyeats

William Butler Yeats (13 juni 1865 –  28 januari 1939)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 13 juni 2007.

De Vlaamse schrijver Lode Zielens werd geboren in Antwerpen op 13 juni 1901.

De Engelse schrijfster, dichteres en vertaalster Dorothy Leigh Sayers werd geboren op 13 juni 1893 in Oxford.

De Engelse schrijfster Frances „Fanny“ Burney werd geboren op 13 juni 1752 in King’s Lynn, Norfolk.

Fernando Pessoa, Willem Brakman, Hector de Saint-Denys Garneau, William Butler Yeats, Lode Zielens, Dorothy Leigh Sayers, Fanny Burney

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888. Zie ook mijn blog van 13 juni 2007.

 

 

Om groot te zijn

 

Om groot te zijn, wees heel: maak niets wat jouw is
Groter of tot niets.
Wees heel in alles. Leg al wat je bent
In ’t minste dat je doet.
Zo blinkt de maan in ieder meer geheel
Wijl zij verheven leeft.

 

 

 

Engelen of goden

 

Engelen of goden, altijd hebben wij
Het troebel visioen gehad dat boven ons
En ons bestierend
Andere wezens handelen.

Zoals boven de kudden op de weiden
Ons kunnen, dat zij niet begrijpen,
Hen dwingt en prest
En zij ons niet bemerken

Zo zijn ons denken, onze wil,
De handen waaraan anderen ons leiden
Naar waar zij willen
En wij niet wensen

 

 

 

Toen ik je nog niet had

 

Toen ik je nog niet had
Hield ik van de natuur zoals een kalme monnik houdt van Christus…
Nu houd ik van de natuur
Zoals een kalme monnik van de Maagd Maria houdt,
Religieus, op mijn manier, als vroeger,
Maar op andere, meer ontroerde en meer nabije wijze.
Ik zie de rivieren beter als ik met jou door de velden ga
Tot aan de oever der rivieren;
Naast jou zittend, kijkend naar de wolken,
Kijk ik beter naar de wolken…
Jij hebt de natuur mij niet ontnomen…
Jij hebt de natuur voor mij in niets veranderd…
Jij hebt de natuur heel dicht bij mij gebracht.
Omdat jij bestaat zie ik haar beter, maar als natuur dezelfde,
Omdat jij mij liefhebt, heb ik haar net zo lief, maar meer,
Omdat jij mij kiest om je te hebben en lief te hebben,
Hebben mijn ogen haar langer aanschouwd
En boven alle dingen.

Ik heb geen spijt van wie ik vroeger was
Omdat ik die nog ben.

Ik heb slechts spijt je vroeger niet te hebben liefgehad.

 

 

Vertaald door August Willemsen

 

 

almada_pessoa

Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)

 

De Nederlandse schrijver Willem Brakman werd geboren op 13 juni 1922 in Den Haag. Zie ook mijn blog van 13 juni 2007. en mijn blog van 8 mei 2008.

 

Uit: Rivalen

 

Omdat de dochter die zoetjes en knus Zus werd genoemd, nog zachter en blonder was dan de vrouw des huizes en voor iedereen even lief, werd er veel gefeest daar in dat donkere huis aan het Frederik Hendrikplein. Onophoudelijk kwam ik aanfietsen, gekamd en gewassen, zag het parkje als een verlossing opdoemen, zag de donkere en statige huizen en een diep geluk doorstraalde mij erbij te horen, zo zelfs dat ik nog wel eens in een uiterste aan zelfbeheersing een rondje extra reed voordat ik aanbelde. Op een avond met veel gezelligs in de lucht kwam Zus niet opdagen. Ze werkte in een modemagazijn dus een reden lag wel voor de hand, maar niettemin gingen mijn vriend en diens broer een paar keer naar de deur en keken dan uit over het plein en de Frederik Hendriklaan Ook ik ging een keer kijken, let op, ik liep door de gang zwaar van Indië, langs de trap die naar boven voerde naar de oudgedienden, door de hal met de krissen, opende de zware deur en keek uit in de zomeravond in de verte en op dat moment werd ik verliefd, of ik ontdekte dat ik het was, wanhopig en heftig. Een verschrikkelijk verlangen maakte zich van mij meester dat alles insloot, het plein, de ouden, het KNIL, Hanenburg, Houtrust en alles wat zacht was, blond en rond. Ik weet niet of ze toen gekomen is, ik zou het moeten verzinnen maar ik weet wel dat we spoedig daarop het gekostumeerd feest hadden.

Gekostumeerde feesten, dat kende ik: schmink, een te wijde broek, bolhoed, snor, altijd de clown, de piraat en al dat soort zaken. Ik had een beter plan, een dag lang fietste ik heen en weer, leende hier een uniformjasje, daar zwarte schoenen en sokken, elders een broek die paste en tenslotte als kroon op het werk de pet, soepel gelijk een KNIL-pet, door stormen gelouterd, honderden malen opgezet met zwier en met een indrukwekkend gouden anker boven de glanzende klep. Voor de spiegel kon ik maar geen genoeg krijgen van mijzelf, draaide en heupwiegde als een buikdanser en kon de dag haast niet afwachten. Eindelijk was het zover, ik pakte de hele boel netjes in een doos en fietste naar het Frederik Hendrikplein. Aan de lange gezichten van de huizen kon ik zien dat het niet helemaal juist was wat ik deed, maar iets was sterker dan ik.”

 

Brakman

Willem Brakman (13 juni 1922 – 8 mei 2008)

 

De Frans-Canadese dichter Hector de Saint-Denys Garneau werd geboren op 13 juni 1912 in Montréal. Zie ook mijn blog van 13 juni 2007.

 

Autre Icare

 

Cela tient du vent, cela tient au vent.
Cela n’est qu’un accroc que l’on fait au passage,
Un noeud que l’on fait au fil fugace du temps

 

Et nous sentons bien qu’à travers
ce mince filet qu’on a fait,
Ces faibles appuis qu’on a pris
sur le cours de notre en-allée
Et ces liens ingénieux tendus
à travers des espaces trop vides,

 

Il n’y a qu’un cri au fond qui persiste,
Il n’y a qu’un cri
d’un lien persistant

 

Où les tiges des fruits sont déjà rompues,
Tes attaches des fleurs et pétales de fleurs
sont déjà rongés
Où ces ailes de plumes de notre coeur de cire
sont déjà détachées
Et plumes au vent, plumes flottant au vent
par-dessus cette noyade
Sans port d’attache.

 

 

 

Laternes

 

Vieilles
Pauvres lumières pendues
Immobiles parmi la fumée
Comme des silences perdus
Qu’est-ce que vous faites-là, et qu’est-ce
Je vous prie que vous regardez
Lumières pendues mortes

 

La tristesse comme vous des sourires tout faits
Et des regards alentour
Comme vous suspendus
Aux seins branlants des danseuses de bazar
Rouges et vertes et bleues
Pauvres que vous êtes
Vieilles,
Mortes.

 

 

 

Silence

 

Toutes paroles me deviennent intérieures
Et ma bouche se ferme comme un coffre
qui contient des trésors
Et ne prononce plus ces paroles dans le temps,
des paroles en passage,
Mais se ferme et garde comme un trésor
ses paroles
Hors l’atteinte du temps salissant, du temps passager.
Ses paroles qui ne sont pas du temps
Mais qui représentent le temps dans l’éternel
Des manières de représentants
Ailleurs de ce qui passe ici,

Des manières de symboles
Des manières d’évidences de l’éternité qui passe ici,

Des choses uniques, incommensurables,
Qui passent ici parmi nous mortels,
Pour jamais plus jamais,
Et ma bouche est fermée comme un coffre
Sur les choses que mon âme garde intimes,
Qu’elle garde
Incommunicables
Et possède ailleurs.

 

SaintDenys

Hector de Saint-Denys Garneau (13 juni 1912 – 24 oktober 1943)

 

 

De Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus William Butler Yeats werd geboren in Sandymount bij Dublin 13 juni 1865. Zie ook mijn blog van 13 juni 2006 en ook mijn blog van 13 juni 2007.

 

A CRADLE SONG

 

THE angels are stooping

Above your bed;

They weary of trooping

With the whimpering dead.

 

God’s laughing in Heaven

To see you so good;

The Sailing Seven

Are gay with His mood.

 

I sigh that kiss you,

For I must own

That I shall miss you

When you have grown.

 

A MEMORY OF YOUTH

 

THE moments passed as at a play;

I had the wisdom love brings forth;

I had my share of mother-wit,

And yet for all that I could say,

And though I had her praise for it,

A cloud blown from the cut-throat North

Suddenly hid Love’s moon away.

 

Believing every word I said,

I praised her body and her mind

Till pride had made her eyes grow bright,

And pleasure made her cheeks grow red,

And vanity her footfall light,

Yet we, for all that praise, could find

Nothing but darkness overhead.

 

We sat as silent as a stone,

We knew, though she’d not said a word,

That even the best of love must die,

And had been savagely undone

Were it not that Love upon the cry

Of a most ridiculous little bird

Tore from the clouds his marvellous moon.

 

 

 

HIS DREAM

 

I SWAYED upon the gaudy stem

The butt-end of a steering-oar,

And saw wherever I could turn

A crowd upon a shore.

 

And though I would have hushed the crowd,

There was no mother’s son but said,

‘What is the figure in a shroud

Upon a gaudy bed?’

 

And after running at the brim

Cried out upon that thing beneath

— It had such dignity of limb —

By the sweet name of Death.

 

Though I’d my finger on my lip,

What could I but take up the song?

And running crowd and gaudy ship

Cried out the whole night long,

 

Crying amid the glittering sea,

Naming it with ecstatic breath,

Because it had such dignity,

By the sweet name of Death.

William_Butler_Yeats

William Butler Yeats (13 juni 1865 –  28 januari 1939)

Portret door de Amerikaanse schilder John Singer Sargent

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 13 juni 2007.

 

De Vlaamse schrijver Lode Zielens werd geboren in Antwerpen op 13 juni 1901.

 

De Engelse schrijfster, dichteres en vertaalster Dorothy Leigh Sayers werd geboren op 13 juni 1893 in Oxford.

De Engelse schrijfster Frances „Fanny“ Burney werd geboren op 13 juni 1752 in King’s Lynn, Norfolk.

 

Fernando Pessoa, Willem Brakman, Hector de Saint-Denys Garneau, William Butler Yeats, Dorothy L. Sayers, Fanny Burney, Lode Zielens

De Portugese dichter en schrijver Fernando António Nogueira Pessoa werd geboren in Lissabon op 13 juni 1888 – Lissabon, 30 november 1935) is Op zeventienjarige leeftijd, in 1905, trok Fernando Pessoa in Lissabon in bij twee tantes en een krankzinnige grootmoeder, en probeerde in 1906 een literatuurstudie, waar hij na een tijdje de brui aan gaf. Hij stortte zich wel in de literatuur, en concentreerde zich op de Franse symbolisten en de grote Portugese literaire boegbeelden uit de zestiende eeuw (Luís de Camões) en uit de negentiende eeuw. Nadat hij vergeefs een drukkerij had proberen op te starten (in 1907) werd hij vanaf 1908 freelance vertaler en handelscorrespondent, voor de rest van zijn leven. In zijn Boek der rusteloosheid staan een aantal verwijzingen naar zijn professioneel leven, naar zijn “baas” en de collega’s. Tussen 1908 en 1935 bestond Pessoa’s leven vooral in zijn literatuur. Overdag leidde hij het bescheiden bestaan van een hulpboekhouder, handelscorrespondent en deels vertaler. Pessoa koesterde de droom als het hoogst bereikbare, en de rest veeleer als middel daartoe. Na zijn uren, vooral ’s nachts, schreef hij poëzie en proza, niet alleen in eigen naam maar vooral in naam van anderen. Deze anderen waren heteroniemen, die hij zelfs kritieken en recensies liet schrijven over elkaars werk.

Uit de cyclus: De herder verliefd

 

Nu dat ik liefde voel
Hecht ik belang aan geuren.
Nooit eerder hechtte ik belang aan ’t geuren van een bloem.
Maar nu ruik ik de geur van bloemen alsof ik iets nieuws zag.
Ik weet wel dat ze geurden, zoals ik weet dat ik bestond.
Dat zijn de dingen die men weet van buiten.
Maar nu weet ik het met de adem van achter in mijn hoofd.
Nu smaken mij de bloemen op papillen waarmee men ruikt.
Nu word ik wakker, soms, en ruik nog voordat ik zie.

 

 

Uit de cyclus: De hoeder van kudden XXV1

 

Soms, op dagen van volmaakt en zeer scherp licht,
Waarop de dingen zo werkelijk zijn als ze maar kunnen zijn,
Vraag ik mij langzaam af
Waarom ik schoonheid toeken
Aan de dingen.

Een bloem bijvoorbeeld, heeft die schoonheid?
Is er soms schoonheid in een vrucht?
Nee: ze hebben kleur en vorm
En ze bestaan, meer niet.
Schoonheid is de naam van iets dat niet bestaat
En die ik aan de dingen geef in ruil voor het genot dat zij mij geven
Hij betekent niets.
Waarom dan zeg ik van de dingen: ze zijn mooi?

Ja, zelfs mij, die alleen van leven leeft,
Bezoeken, onzichtbaar, de leugen der mensen
Met betrekking tot de dingen,
Met betrekking tot de dingen die eenvoudigweg bestaan.

Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien!

Zonder titel

 

Ik ben niets, kan niets, volg niets na.
Ik draag mijn zijn, illusie, waar ik ga.
Begrip begrijp ik niet, kan nergens lezen
Of ik zal zijn, niets zijnd, wat ik zal wezen.

Hiernevens, wat niets is, onder ’t azuur
Der wijde hemel, wekt me in ijdel uur
Een zuidenwind die siddert in het lover.
Gelijk hebben, winnen, in liefde geloven

Zijn aan illusie’s dode mast verstard.
Dromen is niets, niet weten is onnut.
Slaap in de schaduw, o onzeker hart.

 1903

 

 

Vertaald door August Willemsen

 

 

Pessoa

Fernando Pessoa (13 juni 1888 – 30 november 1935)

 

De Nederlandse schrijver Willem Brakman werd geboren op 13 juni 1922 in Den Haag. In de periode 1961 – 2004 schreef hij in totaal 51 romans, verhalen, novellen en een enkel essay publiceerde; daarmee is hij één van de productiefste naoorlogse Nederlandse schrijvers. Hij ontving drie literaire prijzen, waaronder in 1980 de P.C. Hooftprijs. Brakman studeerde medicijnen in Leiden. In de jaren vijftig had hij een huisartsenpraktijk in zijn geboorteplaats. Na enkele jaren als huisarts te hebben gewerkt, werd Brakman bedrijfsarts in Enschede bij dertien textielfabrieken. Hier kon hij meer rust vinden dan in zijn drukke huisartspraktijk in Den Haag. Brakman debuteerde laat – op bijna 40-jarige leeftijd – met autobiografisch proza. Vandaag wordt Brakman 85 jaar.

Uit: Engel (Zes subtiele verhalen, 1978)

In de supermarkt werd hij aangesproken, alle grindpaadjes, bruggetjes, trappen en gangen voerden trouwens naar de supermarkt, iedereen uit de verzorgingsflats kwam daar terecht en daar werd hij dan ook aangesproken. Zo op het oog was dat een heel gewone zaak, niet in strijd met het ‘verzorgd wonen’, maar hij was een oud man en hij hield er niet van onverwachts te worden aangesproken want dat stoorde. Zo was hij bijvoorbeeld in die supermarkt bezig te overwegen of de magere, zeer eiwitrijke kaas vol mineralen die ze daar in kuipjes verkochten en die uit Zwitserland werd aangevoerd, behalve de voor een oud man zo noodzakelijke bouwstoffen aandragen, niet evengoed en voor
hetzelfde geld en met dezelfde mineralen de kanker in het zadel kon helpen. Het kon geen kwaad daar tussen de rekken eens te overwegen dat die ene fatale rotcel, door de supermarkt tot aan de tanden bewapend, misschien net op dat vredige moment uit de band kon springen waarop hij na het tevreden boertje het oog liet dwalen over een goedverzorgde ontbijttafel met kuipje.

Zeker, hij was een slap geval, zo stond hij even later te denken in de rij voor de kassa, altijd net niet helemaal fit en al die dingen, en als hij uit een stoel opstond dan vulde dat de ruimte met stenen, klagen en hol geknak van botten, maar hij had toch nog niet die maanbleke dunne moeheid die niet meer wijken wilde. Hij had nog zijn goeie momenten zoals dat heette, maar dat wilde mogelijk zeggen te weinig afweer maar nog net genoeg kracht en kuipje om zo’n gezwel uit te broeden”.

 

Brakman

Willem Brakman (Den Haag, 13 juni 1922)

 

De Frans-Canadese dichter Hector de Saint-Denys Garneau werd geboren op 13 juni 1912 in Montréal. Daar studeerde hij klassieke talen aan diverse colleges en schilderen aan het Collège des beaux-arts. In 1934 ontwillelde zich bij hem een hartkwaal en onderbrak hij zijn studies. Hij wijdde zich toen geheel aan het schrijven van poëzie, aan schilderen en aan muziek. In 1937 werd zijn dichtbundel Regards et jeux dans l’espace gepubliceerd. Zijn dagboek werd in 1954 uitgegeven en in 1962 verscheen er de Engelse vertaling van. Saint-Denys Garneau wordt beschouwd als de eerste moderne dichter van Quebec.

 

 

RIVIÈRE DE MES YEUX

 

Ô mes yeux ce matin grands comme des rivières
Ô l’onde de mes yeux prêts à tout refléter
Et cette fraîcheur sous mes paupières
Extraordinaire
Tout alentour des images que je vois
Comme un ruisseau rafraîchit l’Île
Et comme l’onde fluente entoure
La baigneuse ensoleillée.

 

 

SPLEEN

 

Ah ! quel voyage nous allons faire
Mon âme et moi, quel lent voyage

Et quel pays nous allons voir
Quel long pays, pays d’ennui.

Ah ! d’être assez fourbu le soir
Pour revenir sans plus rien voir

Et de mourir pendant la nuit
Mort de moi, mort de notre ennui

 

 

LES ORMES

 

Dans les champs
Calmes parasols
Sveltes, dans une tranquille élégance
Les ormes sont seuls ou par petites familles.
Les ormes calmes font de l’ombre
Pour les vaches et les chevaux
Qui les entourent à midi.
Ils ne parlent pas
Je ne les ai pas entendus chanter.
Ils sont simples
Ils font de l’ombre légère
Bonnement
Pour les bêtes. 

 

 

Garmeau

Hector de Saint-Denys Garneau (13 juni 1912 – 24 oktober 1943)

 

De Ierse dichter, toneelschrijver en mysticus William Butler Yeats werd geboren in Sandymount bij Dublin 13 juni 1865. Zie ook mijn blog van 13 juni 2006.

 

 When You Are Old

 When you are old and grey and full of sleep,

And nodding by the fire, take down this book,

And slowly read, and dream of the soft look

Your eyes had once, and of their shadows deep;

How many loved your moments of glad grace,

And loved your beauty with love false or true,

But one man loved the pilgrim Soul in you,

And loved the sorrows of your changing face;

And bending down beside the glowing bars,

Murmur, a little sadly, how Love fled

And paced upon the mountains overhead

And hid his face amid a crowd of stars.

 

 

Broken Dreams

 

THERE is grey in your hair.

Young men no longer suddenly catch their breath

When you are passing;

But maybe some old gaffer mutters a blessing

Because it was your prayer

Recovered him upon the bed of death.

For your sole sake – that all heart’s ache have known,

And given to others all heart’s ache,

From meagre girlhood’s putting on

Burdensome beauty – for your sole sake

Heaven has put away the stroke of her doom,

So great her portion in that peace you make

By merely walking in a room.

Your beauty can but leave among us

Vague memories, nothing but memories.

A young man when the old men are done talking

Will say to an old man, “Tell me of that lady

The poet stubborn with his passion sang us

When age might well have chilled his blood.’

Vague memories, nothing but memories,

But in the grave all, all, shall be renewed.

The certainty that I shall see that lady

Leaning or standing or walking

In the first loveliness of womanhood,

And with the fervour of my youthful eyes,

Has set me muttering like a fool.

You are more beautiful than any one,

And yet your body had a flaw:

Your small hands were not beautiful,

And I am afraid that you will run

And paddle to the wrist

In that mysterious, always brimming lake

Where those What have obeyed the holy law

paddle and are perfect. Leave unchanged

The hands that I have kissed,

For old sake’s sake.

The last stroke of midnight dies.

All day in the one chair

From dream to dream and rhyme to rhyme I have

ranged

In rambling talk with an image of air:

Vague memories, nothing but memories.

 

 

jbyeats

William Butler Yeats (13 juni 1865 –  28 januari 1939)

 

De Engelse schrijfster, dichteres en vertaalster Dorothy Leigh Sayers werd geboren op 13 juni 1893 in Oxford als enig kind van Henry Sayers, een Anglicaanse geestelijke en hoofd van een christelijke school. In 1915 promoveerde ze met lof in de middeleeuwse letterkunde aan het Sommerville College in Oxford. Na haar afstuderen schreef ze twee dichtbundels. Om in haar onderhoud te kunnen voorzien werkte ze een poosje als copywriter en begon tegelijkertijd aan het schrijven van detectiveromans. Haar eerste roman, Whose Body?, publiceerde ze in 1923. Hierin introduceerde ze de ietwat dandy-achtige speurder Lord Peter Wimsey en zijn vriend, inspecteur Parker van Scotland Yard, die samen meestal misdaden in de hogere kringen oplosten. De laatste jaren van haar leven werkte ze aan een Engelse vertaling van Dantes driedelige Divina Comedia (Goddelijke Komedie). Het was van haar bekend dat ze religie en middeleeuwse studies belangrijker vond dan het schrijven van detectiveverhalen. Ze werkte hard en schreef van de vroege morgen tot in de kleine uurtjes. Ze stierf op 17 december 1957 onverwachts aan een hartstilstand, terwijl ze werkte aan het laatste deel van Dantes werk, Paradiso.

 

Uit: Gaudy Night

 

“Harriet Vane sat at her writing-table and stared out into Mecklenburg Square. The late tulips made a brave show in the Square garden, and a quartet of early tennis-players were energetically calling the score of a rather erratic and unpracticed game. But Harriet saw neither tulips nor tennis-players. A letter lay open on the blotting-pad before her, but its image had faded from her mind to make way for another picture. She saw a stone quadrangle, built by a modem architect in a style neither new nor old, but stretching out reconciling hands to past and present. Folded within its walls lay a trim grass plot, with flower-beds splashed at the angles, and surrounded by a wide stone plinth. Behind the level roofs of Cotswold slate rose the brick chimneys of an older and less formal pile of buildings–a quadrangle also of a kind, but still keeping a domestic remembrance of the original Victorian dwelling-houses that had sheltered the first shy students of Shrewsbury College. In front were the trees of Jowett Walk, and beyond them, a jumble of ancient gables and the tower of New College, with its jackdaws wheeling against a windy sky.”

 

 

Sayers

Dorothy L. Sayers (13 juni 1893 – 17 december 1957)

 

De Engelse schrijfster Frances „Fanny“ Burney werd geboren op 13 juni 1752 in King’s Lynn, Norfolk. Haar roem begon nadat bekend werd dat zij de in 1778 eerst anoniem gepubliceerde roman Evelina geschreven had. In de jaren daarna schreef zij Cecilia (1782) en Camilla (1796). De romans beschreven het opgroeien van een intelligent jong meisje en Burney schiep er de zogenaamde „novel of manners“ mee. Bekend werd zij verder ook daar haar in 1768 begonnen en postuum verschenen dagboeken die het leven aan het Engelse hof beschrijven.

 

Uit: The Diary of Fanny Burney

 

“Windsor, December, 1785 … “I do beg of you,” said dear Mrs. Delany, “when the Queen or the King speak to you, not to answer with mere monosyllables. The Queen often complains to me of the difficulty with which she can get any conversation, as she not only always has to start the subjects, but, commonly, entirely to support them: and she says there is nothing she so much loves as conversation, and nothing she finds so hard to get. She is always best pleased to have the answers that are made her lead on to further discourse. Now, as I know she wishes to be acquainted with you, and converse with you, I do really entreat you not to draw back from her, nor to stop conversation with only answering Yes, or No.”

This was a most tremendous injunction; however, I could not but promise her I would do the best I could.

The Queen, indeed, is a most charming woman. She appears to me full of sense and graciousness, mingled with delicacy of mind and liveliness of temper. She speaks English almost perfectly well, with great choice and copiousness of language, though now and then with foreign idiom, and frequently with a foreign accent. Her manners have an easy dignity, with a most engaging simplicity, and she has all that fine high breeding which the mind, not the station, gives, of carefully avoiding to distress those who converse with her, or studiously removing the embarrassment she cannot prevent.”

 

 

burney

Fanny Burney (13 juni 1752 – 6 januari 1840)

 

De Vlaamse schrijver Lode Zielens werd geboren in Antwerpen op 13 juni 1901. Zielens werkte afwisselend als havenarbeider, journalist en bediende. Tussen 1928 en 1930 schreef hij zijn hoofdwerk, een zeer uitgebreid proletarisch havenepos. De titel alleen al klonk als een felle aanklacht: Moeder, waarom leven wij? (1932). Zijn faam als bedreven en origineel romanschrijver was op slag gevestigd. In 1934 werd het werk bekroond met de Staatsprijs, terwijl hem al in 1931 voor Het duistere bloed (1930) de prijs voor `het beste werk’ door de provincie Antwerpen was toegekend.

 

Uit: Moeder waarom leven wij

“Werd dit zelfs niet meer dan zij ooit verwachtte? Zij weet het immers reeds lang: het geluk is niet durend en voor elke kruimel ervan moet zij dankbaar zijn, want – al heeft zij misschien wel recht op geluk – zij behoort tot die wezens in wier leven het geluk nu eenmaal niet thuishoort. Slechts het leed vult hun bestaan en dat houdt hen zo mak dat zij nooit meer in machtige vaart kunnen opstuiven en opstandig worden tegen hun lot. Zij dulden, zij aanvaarden en hebben geen betrachting. Zij leven levenloos; over hun bestaan verwijlt niet het minste licht, niet de geringste klaarte doorflitst hun ziel en verheft hen eens, o, maar een enkele maal boven die normen van het dagelijkse leven.

Hun bestaan vervloeit onder deze normen. Zij zijn zeer arm, zij hebben nooit iets en als zij, als bij toeval, eens iets bezitten, wordt hun dat doorgaans ontnomen. Maar steigeren daarom en zich desnoods te pletter lopen tegen de grote macht van de sterke kunnen zij niet. Zij zijn gewoon niets te bezitten. Netje had slechts Louis – nu heeft zij ook Louis niet meer.

Nu bezit Mariëtte hem. Reeds op haar huwelijksdag wist Netje – zij het niet zo doorhelder – dat zij eens haar man aan Mariëtte zou moeten afstaan. Dat is nu geschied. Zij heeft zijn strijd gevolgd, en toen hij haar die avond vernederde, wist zij wel waarom hij dit deed.”

 

Zielens

Lode Zielens  (13 juni 1901 – 28 november 1944)