A Burden of Easter Vigil (Lionel Johnson)

Bij Stille Zaterdag

 

 
De graflegging van Christus door Sisto Badalocchio, ca. 1610

 

A Burden of Easter Vigil

Awhile meet Doubt and Faith;
For either sigheth and saith,
That He is dead
To-day: the linen cloths cover His head,
That hath, at last, whereon to rest; a rocky bed.
Come! for the pangs are done,
That overcast the sun,
So bright to-day!
And moved the Roman soldier: come away!
Hath sorrow more to weep? Hath pity more to say?
Why wilt thou linger yet?
Think on dark Olivet;
On Calvary stem:
Think, from the happy birth at Bethlehem,
To this last woe and passion at Jerusalem!
This only can be said:
He loved us all; is dead;
May rise again.
But if He rise not? Over the far main,
The sun of glory falls indeed: the stars are plain.

 

 
Lionel Johnson (15 maart 1867 – 4 oktober 1902)
St Peter’s Church in Broadstairs, de geboorteplaats van Lionel Johnson

 

Zie voor de schrijvers van de 20e april ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Weary River (Muus Jacobse)

Bij Goede Vrijdag

 


De kruisiging door Pedro Orrente, ca. 1625–30

 

Weary River

De rode stroom van het vergevend bloed
Wast onontkoombaar uit de smaad der wonden.
Wie sloeg Hem? Wie heeft zijn gelaat geschonden?
Wie heeft bij de herkenning niet geboet?

Geen die het weet, want die Hem niet verstonden
Zien hoe Hij sterft en wachten aan zijn voet:
De rode stroom van het vergevend bloed
Wast onontkoombaar over alle zonden.

Zie, tussen Hem en ons en jou en mij
Klopt onophoudelijk en ongeneeslijk
Het trage leven als een vege vloed.

Alleen de dood verzoent ons met het leven.
Want er is geen vergaan en geen vergeven
Dan in de stroom van het vergevend bloed.

 


Muus Jacobse (13 september 1909 – 21 november 1972)
De St Janskerk in Hoorn, de geboorteplaats van Muus Jacobse

 

Zie voor de schrijvers van de 19e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Gethsemane (Richard Dehmel)

Bij Witte Donderdag

 

 
De gevangenneming van Christus door Caravaggio, ca. 1602

 

Gethsemane

Lautlos steht der starre Hain der Palmen,
tiefe Schatten schaun aus Busch und Halmen,
ihre blauen Thränen weint die Nacht.
Nur von dumpfen Menschenlauten schauert
der verstummte starre Hain, und schauert;
einsam stöhnt und stöhnt und trauert
auf den Knien ein Mann in Betteltracht.

Höre, höre, Geist der Wahrheit,
meinen Zwiespalt, meine dunkle Schuld:
der ich wandelte in Kampf und Starrheit,
Liebe lehrt’ ich und Geduld.
Ach! ein Baum, der Licht gab, wollt’ ich leben,
übermächtig der Natur;
nur mein Glaube war mir Leben.
Ach, sie sahn nicht auf mein Streben,
sahn die That, des Baumes Schatten nur.

Uebermenschlich hab’ ich mich vermessen,
und sie haben fromm gemeint:
Ich, ich lebte selbstvergessen.
Einer, Er nur – Judas! Freund!
warum willst du mich verraten?!
O zertrennte mich doch mein Gebet,
daß ich zwiefach lebte Wort und Thaten,
Menschen menschlich irrend zu beraten,
auch dem Zweifel ein Prophet!

Und zum Mond die Arme wild gebreitet
und die Augen in die Nacht geweitet,
läßt er seine dunkeln Blicke irr’n.
Und er sieht die Schaaren seiner Qualen,
durch das Dickicht brechen bleiche Stralen,
und sie bohren ihm die fahlen
Dolche gierig in die glühende Stirn.

Wehe, wehe, Geist der Liebe:
voller Reinheit schwebst du klar und hoch,
doch dein Pfad ist Nacht und kalt und trübe,
und mich kettete die Erde doch!
Schwerter stieß ich in die weichsten Herzen:
Allen wollt’ ich liebend glühn,
aber meiner Mutter mach’ ich Schmerzen
und mit sehnsuchtwundem Herzen
weint um mich die Magdalenerin.

Nackt und bloß, und nur ein Menschensohn,
wollt’ ich trösten all mein arm Geschlecht;
doch im Mitleid glimmt die Rache schon,
auch der Reichste hat auf Liebe Recht!
Judas, Judas, kommst du mich zu richten?
ist Entsagung, ist Gewalt mein Loos?
Muß denn diese Welt sich erst vernichten,
um das Reich des Friedens aufzurichten?
Freiheit, lebst du im Gewissen blos?!

Und verzagt aufs Antlitz hingezwungen,
spürt er heftiger die Anfechtungen,
seine zarte Stirne trieft von Schweiß.
Und er fühlt wie Blut die großen Tropfen
von den Schläfen in die Gräser tropfen,
seine brennenden Pulse klopfen
an die Erde hart und laut und heiß.

Geist des Lebens: Klarheit, Klarheit!
wird denn Sieg um Opfer nur gewährt?
Sieh, es kommt der Jünger Meiner Wahrheit:
hier der Todesbecher, hier das Schwert!
Selig, meiner Inbrunst mich zu töten,
eine Lebensleuchte wollt’ ich stehn,
aber jetzt in Todesnöten
sieh mich zittern, sieh mich beten:
laß den Kelch an mir vorübergehn!

Allzu willig war mein Fleisch dem Geist!
weh: entbrächen meines Glaubens Gluten.
Sollen Tausend um mich Einen bluten?
Wer nach Meinem Wandel lebt, verwaist.
Nein, ich fühl es: nicht wie Ich will, Vater,
dunkler Geist, der alle Seelen speist,
allen Fleisches Schöpfer und Berater,
Du des Lebens, Du des Todes Vater,
Deiner Hand befehl ich meinen Geist!

Und er horcht, und sieht die Nacht erglühen,
starrer stehn die Bäume, Fackeln sprühen
auf, und dumpfe Menschenlaute nahn.
Und verzückt den Seherblick gehoben,
steht und hört er seine Häscher toben,
und ein Lächeln schluchzt nach Oben:
Judas, komm! ich schreite nur voran –

 

 
Richard Dehmel (18 november 1863 – 9 februari 1920)
Dehmel-monument in Hermsdorf, de geboorteplaats van Richard Dehmel

 

Zie voor de schrijvers van de 18e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Palmzondag (Willem de Mérode)

Bij Palmzondag

 

 
De intocht van Christus in Jeruzalem door Félix Louis Leullier, ca. 1800

 

Palmzondag

Wat zou ik graag de palmen zwaaien,
Nu Gij uw hoofdstad binnenrijdt,
Den weg met voorjaarsbloei bezaaien,
Mijn mantel spreiden als tapijt.

Wat zou ik graag de kindren hooren:
De meisjes arm aan arm gereid,
De hooge schelle jongenskoren,
Vol eerbied en brutaal jolijt.

Is ’t mij ontzegd tot U te komen
Als Gij straks binnen galoppeert,
Ik zie U in mijn wakkre droomen,
Ik hoor hoe alles jubileert.
Misschien dat Gij, hoe ik moog schromen,
Mijn zondig huis voor U begeert.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk (Delfzijl), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 14e april ook mijn twee vorige blogs van vandaag.

En Jezus schreef in ’t zand (Gerrit Achterberg)

Bij de 5e zondag van de veertigdagentijd

 


Jezus en de overspelige vrouw door Pieter van Lint, ca. 1630

 

En Jezus schreef in ’t zand

Jezus schreef met Zijn vinger in het zand.
Hij bukte zich en schreef in ’t zand, wij weten
niet wat Hij schreef, Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.

De schriftgeleerden, die Hem aan de tand
hadden gevoeld over een vrouw, van hete
hartstochten naar een andere man bezeten,
de schriftgeleerden stonden aan de kant.

Zondig niet meer, zei Hij, ik oordeel niet.
Ga heen en luister naar het lied.

En Hij stond recht. De woorden lieten los
van hun figuur en brandden in de blos

waarmee zij heen ging, als een kind zo licht.
Zo geestelijk schreef Jezus Zijn gedicht.

 

 
Gerrit Achterberg (20 mei 1905 – 17 januari 1962)
De Hervormde kerk van Nederlangbroek, de geboorteplaats van Gerrit Achterberg

 

Zie voor de schrijvers van de 7e april ook mijn twee volgende blogs van vandaag.

 

De verloren zoon (Willem de Mérode)

Bij de 4e zondag van de veertigdagentijd

 


De terugkeer van de verloren zoon door Bartolomé Esteban Murillo, 1667-70

 

De verloren zoon

Bitt’rer dan alle ellende,
is dit herwonnen deel:
Weer thuis te mogen slapen
op lang verlaten peel,

En liggen lamgeslagen …
en woelen rustvermoeiend,
Totdat ’t lavendelgeurig
verkoelend linnen gloeit.

En mijn ontstoken oogen
zien, starende in den nacht,
Waar ik mij wende of keere,
daar ’t honend op mij wacht,

Hoe vaders mond, zoo weiflend,
zoo droevig naar mij loech.
In zijn verdoofde oogen
was iets dat stille kloeg.

Zijn handen klemden mijn hand
zoo blijde en vervaard;
En ’t trage woord van welkomst
vertrilde in zijnen baard.

Toen ‘k mijn verwelkte wangen
aan zijnen schouder boog,
Voelde ik mijn weedom groeien,
daar ‘k weenend, hem bedroog.

Mijn moeder stond gebogen,
vol opgekropt verdriet,
Terwijl heur kalme wachten
heur heimlijke angst verried:

Hij komt terug: gebroken?
in de ouden eigenwaan?
Toen heb ik, zwak en moede,
opnieuw bedrog gedaan.

En ‘k sprak, wat zij verwachtten
van hun gekeerden zoon:
ik ben de zonde ontvloden
in heimwee naar uw woôn,

In heimwee naar uw harte;
dàt praamde tot ik ging.
Ik heb slechts één verlangen:
vergevens zegening.

Met wangen, heet van schaamte
zat ik des avonds aan.
Ik moest de vreugden loochnen
van mijn ontvloôn bestaan,

Terwijl hun pracht zoo weeldrig
herrees voor ’t hunderend oog,
En ach, in iedre stilte,
mijn hart reeds rugwaarts toog.

Ik kwam naar huis, te zoeken
vergetelheid en rust.
En zonde zorgloos leven
wordt schòòner mij bewust,

En is mijn hart veel nader
dan ’t strenge en stugge goed,
En al mijn tochten trekken
naar ’t onheilbrengend zoet.

Ach, dat reeds de eerste stonde,
dat reeds in de eersten nacht
Ik, trots mijn moeders kussen,
naar àndre weelden smacht;

Dat mijn onbandige harte
niet eerder zwijgen zal,
Vó;or ik die zoete togen
opnieuw verkrijgen zal;

Vóór ik, (nog toeft het donker),
hun bitterheid ten hoon
Mijn ouders erve ontsluipe,
voorgoed verloren zoon.

 

 
Willem de Mérode (2 september 1887 – 22 mei 1939)
De Andreaskerk in Spijk (Delfzijl), de geboorteplaats van Willem de Mérode

 

Zie voor de schrijvers van de 31e maart ook mijn volgende drie blogs van vandaag.

Eerst de vruchten dan de bladeren (Thomas Möhlmann)

Bij de 11e zondag door het jaar

 

 
The Barren Fig Tree door N.C. Wyeth, 1923

 

Eerst de vruchten dan de bladeren

De wolfskinderen dronken hier
de dromen van hun stad al in

in deze dunne stammen schuilden
een moeder en haar vluchteling

onder deze takken brak een man niet
onder verleiding en bedreiging

met deze bladeren bedekten reeds
je voorgangers hun vernedering

je hoeft alleen maar te geloven
dat je al kreeg waar je om vraagt

omring de vijgenboom met zorg
en neem de vruchten die ze draagt.

 

 
Thomas Möhlmann (Baarn, 18 november 1975)
De Pauluskerk in Baarn

 

Zie voor de schrijvers van de 24e maart ook mijn volgende blog van vandaag.