Liefdesbrieven (Jan Slauerhoff)

Bij Valentijnsdag

 

 
The Morning of Saint Valentine by John Callcott Horsley, 1863

 

Liefdesbrieven

Een liefdesbrief is beter dan het lief
Zelf: als men eens de brieven heeft gekregen
Dan heeft men ze voorgoed, terwijl tien tegen
Eén ’t lief verdwijnt om geldgebrek of grief.

Een brief kan men daags, nachts, elk ogenblik
Dat men ze bij zich heeft, te voorschijn halen,
De tederheid er uit op laten stralen,
De woordjes lezen, denkend: zo ben ìk!

Een vrouw is wisselvallig, een brief niet.
Wel lacht men wijs of weent men bitter, later
Als men voorbije dwaze woorden ziet.

Maar als het kon wou ‘k door woestijn en water
Wel eeuwig naar oase’ en havens tijgen,
Als ’t zeker was in elk een brief te krijgen.

 

 
Jan Slauerhoff (15 september 1898 – 5 oktober 1936)
Voorjaar in Park Vijversburg, Leeuwarden, de geboorteplaats van Jan Slauerhoff

 

Zie voor de schrijvers van de 14 februari ook mijn vorige blog van vandaag.

Fishers Of Men (Alfred Noyes)

Bij de vijfde zondag door het jaar

 

 
De wonderbare visvangst door Jacopo Bassano, 1545

 

Fishers Of Men

Long, long ago, He said,
He who could wake the dead
And walk upon the sea-

‘Come, follow Me.

Leave your brown nets and bring
Only your hearts to sing,
Only your souls to pray,
Rise, come away.

Shake out your spirit-sails,
And brave those wilder gales,
And I will make you then
Fishers of men.’

Was this, then, what He meant?
Was this His high intent,
After two thousand years
Of blood and tears?

God help us, if we fight
For right and not for might.
God help us if we seek
To shield the weak.

Then, though His heaven be far
From this blind welter of war,
He’ll bless us, on the sea
From Calvary.

 

 
Alfred Noyes (16 september 1880 – 28 juni 1958)
St Peter’s Church, Wolverhampton, de geboorteplaats van Alfred Noyes

 

Zie voor de schrijvers van de 10e februari ook mijn twee volgende blogs van vandaag.

 

Naaman (John Newton)

Bij de vierde zondag door het jaar

 

 
Elisa weigert het geschenk van Naäman door Ferdinand Bol, 1661

 

Naaman

Before Elisha’s gate
The Syrian leper stood;
But could not brook to wait,
He deemed himself too good:
He thought the prophet would attend,
And not to him a message send.

Have I this journey come,
And will he not be seen?
I were as well at home,
Would washing make me clean:
Why must I wash in Jordan’s flood?
Damascus’ rivers are as good.

Thus by his foolish pride
He almost missed a cure;
Howe’er at length he tried,
And found the method sure:
Soon as his pride was brought to yield,
The leprosy was quickly healed.

Leprous and proud as he,
To Jesus thus I came,
From sin to set me free,
When first I heard his fame:
Surely, thought I, my pompous train
Of vows and tears will notice gain.

My heart devised the way
Which I supposed he’d take;
And when I found delay,
Was ready to go back:
Had he some painful task enjoined,
I to performance seemed inclined.

 


John Newton (24 juli 1725 – 21 december 1807)
St James’s Church in Londen, de geboorteplaats van John Newton

 

Zie voor de schrijvers van de 3e februari ook mijn twee volgende blogs van vandaag.

 

Simeon in de tempel (Joseph Brodsky)

Bij Maria Lichtmis

 

 
Presentatie in de Tempel door Lodovico Carracci, ca. 1605

 

Simeon in de tempel

Toen zij voor het eerst met het kind op haar arm
de tempel betrad, trof ze onder het tal
dergenen die zich daar voortdurend bevonden,
ook Simeon aan en de profetes Anna.

De Heilige Simeon tilde het kind
Maria uit handen; het drietal omgaf
de boreling nu als een vage omlijsting,
die ochtend, verhuld door de duistere tempel.

De tempel omtoog hen als stammen van steen.
Hun rijzige kruinen, beschuttend gespreid,
onttrokken aan blikken van mensen en hemel,
dat ochtenduur, Simeon, Anna, Maria.

Alleen bij het kind viel toevallig een straal
van licht op zijn haar, maar hij wist nog van niets
en brabbelde slechts wat in vredige sluimer,
te ruste in Simeons stevige armen.

Het was aan de oude verkondigd dat hij
het duistere dal van de doden niet zien zou,
voordat hij de Christus des Heren gezien had.
En zo was geschied. Toen sprak Simeon: ‘Laat nu,

uw dienstknecht, Gij Here, indachtig uw woord,
in vrede vertrekken, want nu is het kind
gezien door mijn ogen, dit heil, alle volken
ten aanzien, door u toebereid: immers hij is

uw voortzetting, hij is de bron van het licht
voor heidense stammen, en Israëls roem.’
En Simeon zweeg nu. Er daalde een stilte.
Slechts scheerde van wat hij gezegd had de echo

nog langs het gebinte hoog boven hun hoofd
en cirkelde suizelend enige tijd
in ’t koepelgewelf rond, zoals soms een vogel
wel opvliegen kan, maar dan niet meer kan dalen.

Ze voelden zich vreemd. Het gesprokene was
al niet minder vreemd dan de stilte. Verward
volhardde Maria in zwijgen. ‘Wat woorden…’
En Simeon sprak, toegewend naar Maria:

‘Zie, deze die nu aan je boezem nog rust
zal velen tot val of tot opstanding zijn,
de oorzaak van tegenspraak, voorwerp van twisten.
Hetzelfde metaal dat zijn lichaam, Maria,

zal pijnigen, zal ook doorwonden jouw ziel,
opdat door die wonde je zult gaan verstaan
hetgeen overlegd wordt in harten van mensen
en als een soort oog in dat diep ligt verborgen.’

De man had gezegd. Hij verwijderde zich.
En zwijgende bleven Maria, gekromd,
en Anna, gebukt onder jaren, hem nazien.
Voortlopend verloor hij aan waarde en lengte

voor ’t vrouwenpaar dat in het donker daar stond.
En voortgejaagd haast door haar blikken, liep hij,
in zwijgen gehuld, door de ledige tempel
de gelige gloor tegemoet van de uitgang.

Zijn oudemanstred was bezonnen en ferm.
Alleen toen van achteren Anna haar stem
de tempel doorklonk, hield hij even de pas in:
maar hem was de roep niet bestemd, nee, de Here

werd luide inmiddels door Anna geloofd.
De uitgang kwam nader. Reeds raakte de wind
zijn kleren en voorhoofd, reeds werden zijn oren
bestormd door het koppig gedruis van daarbuiten.

Hij ging naar zijn dood toe. En toen hij de deur
had opengeduwd, liep hij niet het geraas
van straatlawaai in, maar het doofstomme doodsrijk.
Hij liep door de ruimte en voelde geen grond meer,

hij hoorde hoe tijd zijn geluiden verloor.
En Simeons ziel droeg het beeld van het kind,
de stralende krans rond het donzige kruintje,
afdalende over het pad van het doodsrijk,

als fakkel de pikzwarte duisternis in,
waar nimmer tevoren ooit iemand zijn weg
op enige wijze had kunnen verlichten.
De fakkelvlam blaakte. Het pad raakte breder.

 

Vertaald door Jan Robert Braat

 

 
Joseph Brodsky (24 mei 1940 – 28 januari 1996)
De Izaäkkathedraal in Sint-Petersburg (Leningrad), de geboorteplaats van Joseph Brodsky

 

Zie voor de schrijvers van de 2e februari ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Ein junger Mann aus Nazareth (Jürgen Wagner)

Bij de derde zondag door het jaar

 

 
Christus onderwijst in de synagoge van Nazareth door Gerbrand van den Eeckhout, 1658

 

Ein junger Mann aus Nazareth

Ein junger Mann aus Nazareth
Verlässt Familie, Haus und Bett
Macht sich auf nach der Berufung
Trifft Johannes, dessen Ahnung,

Dass die Axt schon liegt am Baum
Für Korrektur ist etwas Raum
Ansonsten bleibt noch wenig Zeit
Das Gottesreich ist schon bereit

Er lässt sich taufen, wie geraten
Geht nun selbst auf diesen Pfaden
Kündet an die letzte Zeit
Macht auch andere dafür bereit

Er heilt und wandert, mahnt und redet
erkennt und weiß es, liebt und betet
Es sind die wunderlichen Sachen
Die ihn zum Messias machen

In den Augen seiner Zeit
Die so gerne wär‘ befreit
Von dem großen Arme Roms
So viele Opfer gab‘s da schon

Auch Er musst sich den Mächt‘gen beugen
Die hohe Geistlichkeit war Zeuge
Musst sein Leben jung schon geben
Bis heute wirkt es nach, dies Beben

Dass ein Gerechter hier erstand
Ein Gottessohn, Prophet, Heiland
Dem nichts dran lag, ihn zu verehren
Doch viel, die Liebe zu vermehren

 


Jürgen Wagner (Neckarsulm, 10 december 1957)
Neckarsulm, St. Dionysiuskerk en stadspark

 

Zie voor de schrijvers van de 27e januari ook mijn volgende blog van vandaag.

 

Bruiloft te Kana (Gerrit Kamphuis)

Bij de tweede zondag door het jaar

 


De bruiloft te Kana door Jacopo Tintoretto, 1561

 

Bruiloft te Kana

                               Aan Jan H. Eekhout

Het kleine huis in ’t zonlicht tussen bloemen
weerklinkt van ’t bruiloftsfeest; vruchten en wijn
geuren, terwijl viool en tamboerijn
uitzingen boven lach en stemmenzoemen.

Glimlachend gaat Jezus onder de boomen
van ’t kleine plein, en weet de pijn en vreugd
van die, gevangen binnen zond’ en deugd,
verlangen tot Zijn vrije rust te komen.

En in de kamer is het bed versierd
met rozen, rood op wit, groene guirlanden
afhangend van het hoofdeind naar de randen –
de stilt’ is koel – buiten wordt feest gevierd.

Neem dan, o man, vannacht je kleine bruid
in d’ armen, heb haar grondloos lief, ervaar,
in ’t duizlen buiten tijd en wil, hoe daar-
in iets zich van de diepten Gods ontsluit.

Jezus doorbreek’ de wet van ons verstand
nu in Zijn liefd’ ons leven is ontloken;
want Hij heeft zacht een enkel woord gesproken
en water geurd’ als wijn onder Zijn hand.

 

 
Gerrit Kamphuis (8 mei 1906 – 25 april 1998)
De Grote Kerk in Zwolle, de geboorteplaats van Gerrit Kamphuis

 

Zie voor de schrijvers van de 20e januari ook mijn twee volgende blogs van vandaag.

 

Der Täufer (Christian Morgenstern)

Bij Het Doopsel van Jezus

 

 
De doop van Christus door Guido Reni, 1622-1623

 

Der Täufer

Siehe! Das ist Gottes Lamm.
Dieser wird für unsre Sünde
Sterben an des Kreuzes Stamm,
dass er allen Völkern künde:
Gott nimmt ihr Geberst auf sich.
Dass fortan die Menschheit wisse:
Träger ihrer Finsternisse
Ist nicht nur ihr kleines Ich.

 

 
Christian Morgenstern (6 mei 1871 – 31 maart 1914)
De St. Lucaskerk in München, de geboorteplaats van Christian Morgenstern

 

Zie voor de schrijvers van de 13e januari ook mijn volgende twee blogs van vandaag.