Christi Himmelfahrt (Annette von Droste-Hülshoff ), Robert Creeley

Bij Hemelvaartsdag

 

Christi Himmelfahrt. Altaarstuk door Jan Baegert in de Kirchspielkirche in Liesborn, 1517-22

 

Christi Himmelfahrt

Er war ihr eigen drei und dreißig Jahr.
Die Zeit ist hin, ist hin!
Wie ist sie doch nun alles Glanzes bar,
Die öde Erd’, auf der ich atm’ und bin!
Warum durft’ ich nicht leben, als sein Hauch
Die Luft versüßte, als sein reines Aug’
Gesegnet jedes Kraut und jeden Stein?
Warum nicht mich? Warum nicht mich allein
O Herr, du hättest mich gesegnet auch!

Dir nachgeschlichen wär’ ich überall
Und hätte ganz von fern,
Verborgen von gebüschesgrünem Wall,
Geheim betrachtet meinen liebsten Herrn.
Zu Martha hätt’ ich bittend mich gewandt
Um einen kleinen Dienst für meine Hand:
Vielleicht den Herd zu schüren dir zum Mahl,
Zum Quell zu gehn, zu lüften dir den Saal –
Du hättest meine Liebe wohl erkannt.

Und draußen in des Volkes dichtem Schwarm
Hätt’ ich versteckt gelauscht,
Und deine Worte, lebensreich und warm,
So gern um jede andre Lust getauscht;
Mit Magdalena hätt’ ich wollen knien,
Auch meine Träne hätte sollen glühn
Auf deinem Fuß; vielleicht dann, ach, vielleicht
Wohl hätte mich dein selig Wort erreicht:
Geh hin, auch deine Sünden sind verziehn!

Umsonst! Und zwei Jahrtausende nun fast
Sind ihrem Schlusse nah’,
Seitdem die Erde ihren süßen Gast
Zuletzt getragen in Bethania.
Schon längst sind deine Märtyrer erhöht,
Und lange Unkraut hat der Feind gesät;
Gespalten längst ist deiner Kirche Reich,
Und trauernd hängt der mühbeladne Zweig
An deinem Baume; doch die Wurzel steht.

Geboren bin ich in bedrängter Zeit;
Nach langer Glaubensrast
Hat nun verschollner Frevel sich erneut;
Wir tragen wieder fast vergeßne Last,
Und wieder deine Opfer stehn geweiht.
Ach, ist nicht Lieben seliger im Leid?
Bist du nicht näher, wenn die Trauer weint.
Wo Drei in deinem Namen sind vereint,
Als Tausenden in Schmuck und Feierkleid?

‘S ist sichtbar, wie die Glaubensflamme reich
Empor im Sturme schlägt,
Wie Mancher, der zuvor Nachtwandlern gleich,
Jetzt frisch und kräftig seine Glieder regt.
Gesundet sind die Kranken; wer da lag
Und träumte, ward vom Stundenschlage wach;
Was sonst zerstreut, verflattert in der Welt,
Das hat um deine Fahne sich gestellt,
Und jeder alte, zähe Firnis brach.

Was will ich mehr? Ist es vergönnt dem Knecht,
Die Gabe seines Herrn
Zu meistern? Was du tust, das sei ihm recht!
Und ist dein Lieben auch ein Flammenstern,
Willst läutern du durch Glut, wie den Asbest,
Dein Eigentum von fauler Flecken Pest:
Wir sehen deine Hand und sind getrost,
Ob über uns die Wetterwolke tost,
Wir sehen deine Hand und stehen fest.

 

Annette von Droste-Hülshoff (10 januari 1797 – 24 mei 1848) Schloss Hülshoff, waar de dichteres werd geboren.

 

De Amerikaanse dichter Robert Creeley werd geboren op 21 mei 1926 in Arlington, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Robert Creeley op dit blog.

Naar Lorca
voor M. Marti

De kerk is een bedrijf en de rijken
zijn de zakenlieden.
Als ze de klokken luiden, komen
de armen binnen en wanneer een arme man sterft, heeft hij een houten
kruis, en ze haasten zich door de ceremonie.

Maar wanneer een rijke man sterft, slepen
zij het sacrament naar buiten
en een gouden kruis, en gaan doucement, doucement
naar de begraafplaats.

En de armen zijn er dol op
en denken dat het te gek is.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Robert Creeley (21 mei 1926 – 30 maart 2005)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e mei ook mijn blog van 21 mei 2019 en ook mijn blog van 21 mei 2018.

Fröhliche Ostern! (Kurt Tucholsky)

Prettige Paasdagen!

 

Pasen stilleven door Max Rimböck, 1934

 

Fröhliche Ostern!

Da seht aufs Neue, dieses alte Wunder:
Der Osterhase kakelt wie ein Huhn
und fabriziert dort unter dem Holunder
ein Ei und noch ein Ei und hat zu tun.

Und auch der Mensch reckt frohbewegt die Glieder
er zählt die Kinderchens: eins, zwei und drei…
Ja, was errötet denn die Gattin wieder?

Ei, ei, ei
ei, ei
ei!

Der fleißige Kaufherr aber packt die Ware
ins pappne Ei zum besseren Konsum:
Ein seidnes Schupftuch; Nadeln für die Haare,
die Glitzerbrosche und das Riechparfum.

Das junge Volk, so Mädchen wie die Knaben,
sucht die voll Sinn versteckte Leckerei.
Man ruft beglückt, wenn sie´s gefunden haben:

Ei, ei, ei
ei, ei
ei!

Und Hans und Lene steckens in die Jacke,
das liebe Osterei – wen freut das nicht?
Glatt, wohlfeil, etwas süßlich im Geschmacke
und ohne jedes innre Gleichgewicht.

Die deutsche Politik… Was soll ich sagen?
Bei uns zu Lande ist das einerlei
und kurz und gut: Verderbt euch nicht den Magen!
Vergnügtes Fest! Vergnügtes Osterei!

 

Kurt Tucholsky (9 januari 1890 – 21 december 1935) St. Marienkirche in Berlijn, de geboorteplaats van Kurt Tucholsky

 

De Nederlandse dichter en schrijver Nachoem Mesoelam Wijnberg werd geboren in Amsterdam op 13 april 1961. Zie ook alle tags voor Nachoem Wijnberg op dit blog.

Zondagmiddag in de voorstad

Een goede blonde
een oudere man en huidige minnaar
een jongere man en vroegere minnaar
(allen gekomen in de auto van de huidige minnaar)
een slechte blonde
een vriend en zijn vrouw
een gastheer die vlees braadt op een open vuur
een tweeling met snorren langs de rand van het zwembad

de slechte blonde spreekt zacht met de gastheer
de vriend spreekt zacht met zijn vrouw
de minnaar schenkt de minnaar een glas wijn in
en schenkt zichzelf een glas wijn in
de goede blonde ligt in de zon
op haar buik

de oudere man en de blonde kleden zich om
de jongere man wacht in de woonkamer
de slechte blonde stelt drie vragen aan de jongere man
de slechte blonde probeert te telefoneren
de slechte blonde valt over een stoel
de vriend duikt in het zwembad

de goede blonde loopt door de woonkamer
zij geeft een spiegel terug aan de jongere man
zij zegt:
‘hij is ontevreden met mij
en ik ben niet zeker waarom
en hij legt het ook niet uit’.

Het einde van het wachten

Een licht in de nacht,
antwoord op
een ander licht,
antwoord op

een ander licht
dat zegt: iemand
komt terug naar een paleis
waarin een vrouw

naast iemand ligt
als vermoeid naast vermoeid;
in een ander paleis
ligt zachtheid die niet

voor vingers vlucht
maar vingers laat en zegt:
in mij als in lucht
en geen dood om dood.

 

Jezus

Meegesleept naar
leeg en stil,
klaar om terug te keren
als er iets gebeurt.

Alles wat gezegd wordt over Jezus
is waar over wie daar is

en groter laat worden wat hij is
alsof het plaats maakt
voor wat steeds groter is

en voorbij aan wat hij is
Jezus laat storen,
blij maken,
bij hem blijven.

 

Nachoem Wijnberg (Amsterdam, 13 april 1961)

 

De Ierse dichter Seamus Heaney werd op 13 april 1939 te County Derry, Noord-Ierland, geboren. Zie ook alle tags voor Seamus Heaney op dit blog.

Lied

Een lijsterbes als een meisje met lippenstift.
Tussen de zijweg en de hoofdweg
Elzen op een natte en druipende afstand
Houden zich afzijdig tussen de biezen.

Er zijn de modderbloemen van het dialect
En de immortellen van een perfecte toonhoogte
En dat moment waarop de vogel heel dichtbij zingt
Op de muziek van wat er gebeurt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Seamus Heaney
(13 april 1939 – 30 augustus 2013)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 13e april ook mijn blog van 13 april 2019 en ook mijn blog van 13 april 2018 en ook mijn blog van 13 april 2014.

Seven Stanzas at Easter (John Updike), Antje Rávic Strubel

Prettige Paasdagen!

 

De opstanding van Christus door Pietro Novelli, ca. 1640

 

Seven Stanzas at Easter

Make no mistake: if he rose at all
It was as His body;
If the cell’s dissolution did not reverse, the molecule reknit,
The amino acids rekindle,
The Church will fall.

It was not as the flowers,
Each soft spring recurrent;
It was not as His Spirit in the mouths and fuddled eyes of the
Eleven apostles;
It was as His flesh; ours.

The same hinged thumbs and toes
The same valved heart
That—pierced—died, withered, paused, and then regathered
Out of enduring Might
New strength to enclose.

Let us not mock God with metaphor,
Analogy, sidestepping, transcendence,
Making of the event a parable, a sign painted in the faded
Credulity of earlier ages:
Let us walk through the door.

The stone is rolled back, not papier-mache,
Not a stone in a story,
But the vast rock of materiality that in the slow grinding of
Time will eclipse for each of us
The wide light of day.

And if we have an angel at the tomb,
Make it a real angel,
Weighty with Max Planck’s quanta, vivid with hair, opaque in
The dawn light, robed in real linen
Spun on a definite loom.

Let us not seek to make it less monstrous,
For our own convenience, our own sense of beauty,
Lest, awakened in one unthinkable hour, we are embarrassed
By the miracle,
And crushed by remonstrance.

 

Zeven strofen met Pasen

Vergis u niet: als hij überhaupt opstond
Was het als Zijn lichaam;
Als de ontbinding van de cel niet was omgekeerd, het molecuul herstelt,
De aminozuren herleven,
Zal de kerk vallen.

Het was niet zoals de bloemen,
Die elke zachte lente terugkomen;
Het was niet zoals Zijn Geest in de mond en verwarde ogen van de
Elf apostelen;
Het was als Zijn vlees; het onze.

Dezelfde beweegbare duimen en tenen
Hetzelfde hart met klep
Dat – doorboord – stierf, verdorde, pauzeerde en weer terugkwam
Vanuit de blijvende Macht
Nieuwe kracht in te sluiten.

Laten we God niet bespotten met een metafoor,
Analogie, zijwegen, transcendentie,
Van het evenement een gelijkenis maken, een teken, geschilderd in de verbleekte
Goedgelovigheid van eerdere tijdperken:
Laten we door de deur lopen.

De steen is teruggerold, geen papier-maché,
Geen steen in een verhaal,
Maar de enorme rots van materialiteit die bij het langzaam slijpen van
Tijd voor ieder van ons verduisteren zal
Het wijde daglicht.

En als we een engel bij het graf hebben,
Maak er een echte engel van,
Zwaar met de kwanta van Max Planck, levendig met haar, ondoorzichtig
In de ochtendschemer, bekleed met echt linnen
Gesponnen op een blijvend weefgetouw.

Laten we niet proberen het minder monsterlijk te maken,
Voor ons eigen gemak, ons eigen gevoel voor schoonheid,
Opdat we niet, ontwaakt in een ondenkbaar uur, ons schamen
Door het wonder,
En verpletterd door verwijten.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

John Updike (18 maart 1932 – 27 januari 2009) St Mary’s Church in Reading, Pennsylvania, de geboorteplaats van John Updike

 

De Duitse schrijfster Antje Rávic Strubel werd geboren op 12 april 1974 in Potsdam. Zie ook alle tags voor Antje Rávic Strubel op dit blog.

Uit: Sturz der Tage in die Nacht

„Hinterher würden sie mit ihren exotischen Abenteuern protzen und mich fragen, ob ich mich nicht zu Tode gelang­weilt hätte da oben im menschenleeren Norden. Ich benei­dete sie nicht.Ich war nach Gotland gefahren. Ich war durch die Land­schaft gestreift, und die Landschaft mit ihrem Kalkstein, ihrem struppigen Bewuchs, mit ihren verlassen daliegenden Plateaus, den versandeten Tümpeln und Klapperstein­feldern, auf denen es hunderte Millionen Jahre alte Fossi­lien gab, hatten mich in Trance versetzt. Ich ließ mich trei­ben.Es war die Zeit nach meinem Aushilfsjob in einem Jugendprojekt; verglichen mit dem Zivildienst im Altenheim war das eine leichte Arbeit gewesen, auch wenn es täglich neun Stunden Lärm bedeutete, Drogen bedeutete, Messer­stechereien und täglich entweder die Polizei oder das Jugend­amt, täglich Rap oder Techno, täglich die Frage, ob du ein Hopper oder ein Emo bist, denn Emos sind schwarzgeklei­dete Schwulis, schwule Chorkinder, du Arsch, auch das täglich, täglich ich hab deine Mutter gefickt, überhaupt deine Mudderund willste was aufs Maul, und erst hier, unter Kiefern und Ostseewind, ließ die Erinnerung daran nach. Die Einsam­keit, die langen Tage, die Stille in den kleinen Ortschaften entspannten mich.
Am Ende der Woche hatte ich in einem Touristenbüro einen Tagesausflug gebucht; eine geführte Tour auf eine Insel, die der Westküste Gotlands vorgelagert war. Ich hatte Lust, wieder mit jemandem zu reden. Wo es hinging, interessierte mich nicht.Im Hafen von Klintehamn stand ein Kiosk, in dem schon lange nichts mehr verkauft wurde. Die Fenster waren ver­nagelt, eine verwaschene Preisliste für Lachs und Heringe hing noch am Holz. Der Parkplatz war schattenlos und leer. Am Kai, an dem das Boot zur Insel ablegen sollte, warteten zwei Frauen mit Wanderstöcken und Knickerbocker, Finni­nen, wie sich herausstellte. Andere Fahrgäste waren nicht zu sehen. Die Finninen verstanden kein Englisch. Sie sprachen schwedisch mit mir. Vielleicht dachten sie, es würde die Ver­ständigung erleichtern, wenn beide Seiten eine ihnen fremde Sprache benutzten. Das war nicht der Fall.”

 

Antje Rávic Strubel (Potsdam, 12 april 1974)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 12e april ook mijn blog van 12 april 2019.

Easter eve (John Keble), Leonard Nolens, Mark Strand

Bij Paaszaterdag

 

De avond voor Pasen door Mikhail Germashev, tussen 1904 – 1911

 

EASTER EVE

As for thee also, by the blood of thy covenant I have sent forth thy prisoners out of the pit wherein is no water. Zech. xi. 11.  

AT length the worst is o’er, and Thou art laid 
Deep in thy darksome bed; 
All still and cold beneath you dreary stone 
Thy sacred form is gone; 
Around those lips where power and mercy hung, 
The dews of death have clung; 
The dull earth o’er Thee, and thy foes around, 
Thou sleep’st a silent corse, in funeral fetters wound. 

Sleep’st Thou indeed? or is thy spirit fled, 
At large among the dead? 
Whether in Eden bowers thy welcome voice 
Wake Abraham to rejoice, 
Or in some drearier scene thine eye controuls 
The thronging band of souls; 
That, as thy blood won earth, thine agony 
Might set the shadowy realm from sin and sorrow free. 

Where’er Thou roam’st, one happy soul, we know, 
Seen at thy side in woe, 
Waits on thy triumph—even as all the blest 
With him and thee shall rest. 
Each on his cross, by Thee we hang a while, 
Watching thy patient smile, 
Till we have learn’d to say, “Tis justly done, 
“Only in glory, LORD, thy sinful servant own.” 

Soon wilt Thou take us to thy tranquil bower 
To rest one little hour, 
Till thine elect are number’d, and the grave 
Call Thee to come and save: 
Then on thy bosom borne shall we descend, 
Again with earth to blend, 
Earth all refin’d with bright supernal fires, 
Tinctur’d with holy blood, and wing’d with pure desires. 

Meanwhile with every son and saint of thine 
Along the glorious line, 
Sitting by turns beneath thy sacred feet 
We’ll hold communion sweet, 
Know them by look and voice, and thank them all 
For helping us in thrall, 
For words of hope, and bright examples given 
To shew through moonless skies that there is light in Heaven. 

O come that day, when in this restless heart 
Earth shall resign her part, 
When in the grave with Thee my limbs shall rest, 
My soul with Thee be blest! 
But stay, presumptuous—CHRIST with thee abides 
In the rock’s dreary sides: 
He from the stone will wring celestial dew 
If but the prisoner’s heart be faithful found and true. 

When tears are spent, and Thou art left alone 
With ghosts of blessings gone, 
Think thou art taken from the cross, and laid 
In JESUS’ burial shade; 
Take Moses’ rod, the rod of prayer, and call 
Out of the rocky wall 
The fount of holy blood; and lift on high 
Thy grovelling soul that feels so desolate and dry. 

Prisoner of Hope thou art—look up and sing 
In hope of promis’d spring. 
As in the pit his father’s darling lay 
Beside the desert way, 
And knew not how, but knew his GOD would save 
Even from that living grave, 
So, buried with our LORD, we’ll close our eyes 
To the decaying world, till Angels bid us rise. 

 

John Keble (25 april 1792 – 29 maart 1866) Kerk en kerkhof in Fairford, Gloucestershire, de geboorteplaats van John Keble

 

De Belgische dichter en schrijver Leonard Nolens werd geboren in Bree op 11 april 1947. Zie ook alle tags voor Leonard Nolens op dit blog.

Lectori salutem!

Ik heb je meegenomen naar dit doorgangshuis.
De zolder gonst van stemmen als een bijenkorf.
Haat en liefde doen er honingraten zwellen
Van het vers dat elders wil worden gegeten.

Zo geef ik, gif en tegengif, veranderd weer
Wat ik van jou gestolen heb, een klein heelal
Met mijn gevang van jouw verborgenheid betaald.
Enkel jij krijgt hier de vrijheid zwart op wit.

Dus lees me. Lees me helemaal of lees me niet.
Ik wou dit toch, ik zou dit toch niet zo alleen.
Ik wou toch spreken, hier, in naam van iedereen.
Ben ik een fles in zee, een les in duisternis?

Ik was nog jong, ik droomde dat ik hier verscheen
Als een die ginder in de heuvels loopt te zingen.
Ik droomde dat ik schreef zoals een dode spreekt
Met heel de pinkstertong van zijn afwezigheid.

 

Afscheid van Missenburg

Voor Elza

Het paradijs, en zonder slang, dat was labeur
Maar heerlijk! Hoog en zwetend riep de zonnewijzer
Honderd vijftig jaar de taxus en fazanten
Tot de orde, en zacht en dwingend hing de gastvrouw
Aan het touw en liet de kleine klokken gaan
Over de paden van patrijzen en tuiniers.
Ook onkruid boog zich naar die goddeloze mis.

Ik schreef daarginds geen poëzie maar Siberische ganzen
Op doortocht neergestreken in het grachtenwater.
En deze pen beluisterde de zonnewijzer
Die de eenden wees op brood onder de brug.
Ik ben van Missenburg geweest. Ik draag zijn hemel
Als een gouden trauma met mij om, een dak
Van groen waar plots mijn kamer uit de kruinen kantelt.

 

Prijs ons

Liefde, hoe
Gierig, hoe bleek, hoe mager
Ben je vandaag, ik kijk los
Door je heen.
Hoe pover, hoe schamel, hoe moe
Gevochten liggen je kleren
Van ons met elkaar in de knoop
Op de vloer. En hoe schraal is je praat
Van ons in dat dun en broos bed.

Armtierige,
Maak je weer dik.
En scherp onze tongen en tanden
En nagels, getongd en getand
En genageld verstaan wij mekaar
Als geroepen van jaren
Her, van straten
Ver.

Prijs ons,
Prijs ons paar.
En prijs onze goede gemeenplaats
Van langzame seks in de luwte,
Prijs die trage paringsdrift.
Die draagt ons hoog op handen
Door het holste van de nacht.
Kom, prijs ons, prijs ons aan
Bij jou,
Liefde.

 

Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Mark Strand werd geboren op 11 april 1934 in Summerside, Prince Edward Island, Canada. Zie ook alle tags voor Mark Strand op dit blog.

Poëzie eten

Er komt inkt uit mijn mondhoeken.
Er is geen geluk zoals het mijne.
Ik heb poëzie gegeten.

De bibliothecaresse gelooft niet wat ze ziet.
Haar ogen zijn bedroefd
en ze loopt met haar handen in haar jurk.

De gedichten zijn weg.
Het licht is zwak.
De honden zijn op de keldertrap en komen eraan.

Hun oogballen rollen,
hun blonde poten branden als struweel.
De arme bibliothecaresse begint met haar voeten te stampen en te huilen.

Ze begrijpt het niet.
Als ik op mijn knieën val en haar hand lik,
schreeuwt ze.

Ik ben een nieuwe man,
Ik grom naar haar en blaf,
Ik ravot van vreugde in het boekachtige donker.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Mark Strand (11 april 1934 – 29 november 2014)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 11e april ook mijn blog van 11 april 2019 en mijn blog van 11 april 2017 en ook mijn blog van 11 april 2015 deel 1 en eveneens deel 2 en deel 3.

Goede Vrijdag (René de Clercq), Leo Vroman, Johannes Bobrowski

Bij Goede Vrijdag

 

De kruisiging door Simon Vouet, 1622

 

Goede Vrijdag

Ik zag Hem op zijn kruis, gelaten en verduldig,
Met nagelen door zijn hand, en doornen in zijn hoofd;
Bloed stroomde langs zijn oog gebroken en verdoofd;
Hij stierf voor uwe schuld, en voor de mijne, onschuldig!

Ik heb opnieuw bemind, daar ‘k weder heb geloofd!
Ik weet, mijn zonden zijn zo zwaar, zo menigvuldig;
Doch, heeft de laatste blik van Deze, die ik huldig,
Mij, arme kranke, niet zijn reddend hulp beloofd?

O reiniging door Bloed, gelijk de bloedschuld erflijk;
O wonderbare nacht, daar ’t licht zijn oorsprong vindt,
O goddelijke dood, daar ’t leven herbegint.

Komt herwaarts, gij die zegt: “Geen liefde is onbederflijk!”
Komt herwaarts, gij die treurt, omdat gij hebt bemind:
De liefde sterft voor u, en leeft voor u, onsterflijk.

 

René de Clercq (14 november 1877 – 12 juni 1932) De Sint-Columbakerk in Deerlijk, de geboorteplaats van René de Clercq

 

De Nederlandse dichter Leo Vroman werd op 10 april 1915 in Gouda geboren. Zie ook alle tags voor Leo Vroman op dit blog.

Moment en haar momenten

Er was een klein moment
dat wou zo vreselijk groot,
maar bleef geweldig onbekend
tot na haar dood.

En haar dochter, ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en haar dochter ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en haar dochter ook al zwanger,
wou graag mooier en ook langer,

en zo meer, en zo meer
ongeveer
tweeduizend keer.

Het stel werd later teruggevonden
en toen moeiteloos erkend
als de laatste kwart seconde
vóór het Vreselijk Moment.

Moraal:
Ook al moet je nog zo klein,
je schaduw mag best langer zijn.

 

De ander

De ander zal huilen in de lege
schoenen en ze wat bewegen,
de kuil in het andere kussen zoenen
zolang die daar nog is te voelen
maar geen vaarwel bedoelen,

ze zal nog een hele tijd
knechten en kinderen moeten zeggen
welke koud geworden kleren
met hun menselijkheden kwijt
weg te smijten, weer meer en
hartverscheurend klemtoon leggen
op de volgroeide eenzaamheid,

zal later, als de scherpe hoeken
van verlies zijn rond gesleten,
in onze nagebleven boeken
duimelen en hun doel vergeten
en niet meer zoeken,

zal eindelijk, nog onuitgepraat
en helemaal onuitgesproken
slapen met een arm uitgestoken
naar degene die al lang niet meer bestaat.

 

Scheppinkje

Kon ik Jou, Heer, tezamensponzen
tot een gebaartje op mijn hand
en gaf Jou alle kralen, donzen,
poesjesmiepsen en hommelgonzen
en Jij weefde het verband …

ik zou mijn vingers rond Je sluiten
en Jouw gekriebel zó beminnen
terwijl Je scheppend was daarbinnen
dat ik mijn vuist héél zacht van buiten
zou kussen;

en als ik op een teken
Jouw werk voorzichtig zou ontbloten
nimmermeer zijn uitgekeken
op mijn lege handpalm, grote
God
en nooit meer spreken.

 

Leo Vroman (10 april 1915 – 22 februari 2014)
Leo Vroman en echtgenote Tineke

 

De Duitse schrijver, dichter en essayist Johannes Bobrowski werd geboren op 9 april 1917 in Tilsit. Zie ook alle tags voor Johannes Bobrowski op dit blog.

Vissershaven

’s Avonds
voordat de boten weg
drijven, één voor één,
dan hou Ik van je.

Tot aan de ochtend
hou Ik van je met het stro in de kamer
met de landwind over het dak,
met de heg voor je huis,
met het hondengeblaf
voordat het licht wordt.

Het gezicht vol visdamp, in de dauw
zal ik komen: een
die van zijn handen
de warmte verspilt aan de zilvergedaante
van de nacht. Met ’n mond van zout
komt hij. Nu
springt hij in de laatste boot.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johannes Bobrowski (9 april 1917 – 2 september 1965)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 10e april ook mijn blog van 10 april 2019 en ook mijn blog van 10 april 2016 deel 2

Palmzondag (Malcolm Guite), Mary Angelou

Bij Palmzondag

 

De intrede in Jeruzalem door Frans Francken de Jongere, tweede kwart 17e eeuw

 

Palm Sunday

Now to the gate of my Jerusalem,
The seething holy city of my heart,
The saviour comes. But will I welcome him?
Oh crowds of easy feelings make a start;
They raise their hands, get caught up in the singing,
And think the battle won. Too soon they’ll find
The challenge, the reversal he is bringing
Changes their tune. I know what lies behind
The surface flourish that so quickly fades;
Self-interest, and fearful guardedness,
The hardness of the heart, its barricades,
And at the core, the dreadful emptiness
Of a perverted temple. Jesus come
Break my resistance and make me your home.

 

Malcolm Guite (Ibanda, 12 november 1957) Alpha and Omega Secondary School in Ibanda

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Maya Angelou (eig. Margueritte Johnson) werd geboren in Saint Louis, Missouri, op 4 april 1928. Zie ook alle tags voor Maya Angelou op dit blog.

Geraakt door een engel

Wij, niet gewend aan moed
ballingen van genot
leven opgerold in schelpen van eenzaamheid
totdat de liefde haar hoge heilige tempel verlaat
en in ons zicht komt
om ons vrij te maken om te leven.

Liefde komt aan
en in haar spoor komen extases
oude herinneringen aan plezier
oude geschiedenissen van pijn.
Maar als we moedig zijn,
slaat liefde de kettingen van angst weg
van onze ziel.

We zijn gespeend van onze verlegenheid
In het licht van de liefde
we durven dapper te zijn
En plotseling zien we
dat liefde alles kost wat we zijn
en ooit zullen zijn.
Toch is het alleen liefde
die ons vrijmaakt.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Maya Angelou (4 april 1928 – 28 mei 2014)

 

Zie voor de schrijvers van de 5e april ook mijn blog van 5 april 2019 en ook mijn blog van 5 april 2018 en eveneens mijn blog van 5 april 2016.

Ash Wednesday (T. S. Eliot)

Bij Aswoensdag

Vanitas door David Bailly, ca. 1650

 

Ash Wednesday

IV
Who walked between the violet and the violet
Whe walked between
The various ranks of varied green
Going in white and blue, in Mary’s colour,
Talking of trivial things
In ignorance and knowledge of eternal dolour
Who moved among the others as they walked,
Who then made strong the fountains and made fresh the springs

Made cool the dry rock and made firm the sand
In blue of larkspur, blue of Mary’s colour,
Sovegna vos

Here are the years that walk between, bearing
Away the fiddles and the flutes, restoring
One who moves in the time between sleep and waking, wearing

White light folded, sheathing about her, folded.
The new years walk, restoring
Through a bright cloud of tears, the years, restoring
With a new verse the ancient rhyme. Redeem
The time. Redeem
The unread vision in the higher dream
While jewelled unicorns draw by the gilded hearse.

The silent sister veiled in white and blue
Between the yews, behind the garden god,
Whose flute is breathless, bent her head and signed but spoke
no word

But the fountain sprang up and the bird sang down
Redeem the time, redeem the dream
The token of the word unheard, unspoken

Till the wind shake a thousand whispers from the yew

And after this our exile

 

T. S. Eliot (26 september 1888 – 4 januari 1965)
Kathedraal basiliek van Saint Louis, Missouri, de geboorteplaats van T. S. Eliot

 

Zie voor de schrijvers van de 26e februari ook mijn vorige blog van vandaag en mijn blog van 26 februari 2019 en ook mijn blog van 26 februari 2017 deel 2.