Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Paul Farley, Geoff Dyer, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet, Margaret Drabble

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

Lament for the Death of Ignacio Sánchez Mejías

1. Goring And Death

At five in the afternoon.
It was five sharp in the afternoon.
A boy brought the white sheet
at five in the afternoon.
A basket of lime already set
at five in the afternoon.
The rest was death and only death
at five in the afternoon.

The wind swept away the cotton
at five in the afternoon.
And rust planted crystal and nickel
at five in the afternoon.
Now the struggle of leopard and dove
at five in the afternoon.
And a thigh with a desolate horn
at five in the afternoon.
And so began the bass notes
at five in the afternoon.
The arsenic bells and the smoke
at five in the afternoon.

On the corners groups of silence
at five in the afternoon.
And the bull alone with heart on high
at five in the afternoon.
When the sweat of snow arrived
at five in the afternoon,
when the bullring filled with iodine
at five in the afternoon,
death laid eggs in the wound
at five in the afternoon.
At five in the afternoon.
At five sharp in the afternoon.

The bed is a coffin on wheels
at five in the afternoon.
Bones and flutes blow in his ear
at five in the afternoon.
The bull bellowed on his brow
at five in the afternoon.
The room iridescent with agony
at five in the afternoon.
Gangrene comes in the distance
at five in the afternoon.
Trumpet of lilies on green groins
at five in the afternoon.
The wounds burned like suns
at five in the afternoon,
and the rabble broke the windows
at five in the afternoon.
Oh, what a terrible five in the afternoon!
It was five on all the clocks.
It was five in shadow of the afternoon.

 

2. Spilled Blood

I don’t want to see it!
Tell the moon to come.
I don’t want to see
Ignacio’s blood on the sand.

I don’t want to see it!

The moon fully open,
a horse of quiet clouds
and the gray bullring of sleep
with willows over the barricades.

I don’t want to see it!
My memory burns.
Warn the jasmine
to cover its whiteness!

I don’t want to see it!

The cow of the old world
stroked a snout of blood
with its sorrowful tongue
and the bulls of Guisando
almost death and almost stone
bellowed like two centuries
tired of walking the land.
No.

I don’t want to see it.

Up the bleachers goes Ignacio
with death on his shoulders.
He looks for dawn
and it isn’t dawn.
He looks for his sensible profile
and sleep confuses him.
He looks for his beautiful body
and finds his open blood.
Don’t ask me to see it!
I don’t want to feel the spurt
growing weaker by the moment,
the spurt that illumines
the seats and spills
on the hide of the thirsty crowd.
Who orders me to look!
Don’t make me see it!

His eyes didn’t close
when he saw the horns approach,
but the terrible mothers
raised their heads
and all through the cattle ranches
there was an air of secret orders
thrown to celestial bulls
by the foremen of pale mists.
There wasn’t a prince in Seville
who could compare,
no sword like his sword
nor a heart so real.
His strength was a river of lions,
his prudence a torso of marble.
An air of Andalusian Rome
gilded his head
where his smile was a rose
of salt and intelligence.
The great fighter of bulls!
The good mountaineer of the mountain!
How soft with the wheat stalk!
How hard with his spurs!
How tender with the dew!
How dazzling in the fair!
How grand with the last
banderillas of dusk!

But now he sleeps forever.
Now the grass and the moss
open with sure fingers
the flower of his skull.
And his blood comes singing:
singing through marshes and prairies,
sliding down shivering horns,
wandering soulless in fog,
stumbling on thousands of hoofs
like a long, dark, sorrowful tongue
to form a puddle of agony
by the Guadalquivir of the stars.
Oh white wall of Spain!
Oh black bull of sorrow!
Oh hard blood of Ignacio!
Oh nightingale of his veins!
No.
I don’t want to see it!
There is no chalice to hold it.
There are no swallows that drink it,
no frost of light to cool it,
no song or deluge of lilies,
no crystal to bathe it in silver.
No.
I don’t want to see it!

Vertaald door Pablo Medina

Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Muurschildering in New York

 

De Nederlandse dichter en schrijver Adriaan Morriën werd geboren op 5 juni 1912 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Morriën op dit blog.

Lectuur

Ik kan niet genoeg krijgen van je huid.
Als een blinde lees ik met mijn vingers
het stille verhaal van je oppervlak.
In je ogen dreig ik te verzinken.
Op je huid bewandel ik alle wegen
zonder mij van jou te verwijderen.

Soms keer je je behulpzaam op je buik.
Je rug is een lang hoofdstuk uit een boek.
Ik spel je tepels, herlees je oren.
Ik laat je tenen op elkander rijmen.
Ik lees tussen de regels van je benen
en blader in de atlas van je hals.

Het is mij of mijn eigen vingers
je lichaam hebben uitgeschreven.
Eerst viel het mij als klank te binnen,
toen lag het als een beeldspraak op mijn tong
en nu herhaal ik wat ik heb gestameld
in vloeiende bewoordingen.

 

Schilderij

Twee doode kreeften met gebroken scharen
Rood op de witheid van het tafellaken;
Een gele wijn, die fonkelt in het glas,
Maar niet gedronken wordt; gemorste asch,
En tusschen appelen en eierschalen
Een houten kruisbeeld met de pijn en zegen
Van zijn doorboorde handen. In den regen,
Achter het raam, dat uitziet in de straat,
Het grijs gelaat van een bedroefde vrouw,
Die in den rouw van hare kleeren staat,
Verwonderd en afwijzend en naijvrig
En ongetemd: haar wilde armen slaan,
Als in een dwaas verweer langs ’t vensterraam.
En verder in een kleinen, kalen tuin
Van een der huizen aan den overkant,
Zacht neergevlijd als een vermoeide hand,
Een laatst verzet in ’t wijkend perspectief,
De weemoed van een omgewaaiden boom.

Adriaan Morriën (5 juni 1912 – 7 juni 2002) 

 

De Engelse schrijver Ken Follett werd geboren op 5 juni 1949 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Ken Follett op dit blog.

Uit:Het eeuwige vuur(Vertaald door Joost van der Meer en William Oostendorp)

“Te midden van een sneeuwstorm kwam Ned Willard thuis in Kingsbridge.
In de hut van een trage schuit, geladen met stoffen uit Antwerpen en wijn uit Bordeaux, voer hij stroomopwaarts vanuit Combe Harbour.
Toen hij vermoedde dat de boot eindelijk Kingsbridge naderde sloeg hij zijn Franse mantel strakker om zijn schouders; hij trok de capuchon over zijn oren, stapte het open dek op en tuurde in de verte.
Aanvankelijk werd hij teleurgesteld: vallende sneeuw was het enige wat hij zag. Maar zijn verlangen om een glimp van de stad op te vangen was als een pijn, en vol hoop staarde hij in de sneeuwvlagen. Na een poosje werd zijn wens vervuld, de storm begon zich terug te trekken. Er verscheen een verrassend stukje blauw aan de hemel. Starend over de toppen van de omringende bomen zag hij de toren van de kathedraal, honderddrieentwintigenhalve meter hoog, zoals iedere leerling in Kingsbridge
wist. De stenen engel die vanaf de torenspits over de stad waakte had vandaag sneeuw op haar vleugels liggen, waardoor haar duifgrijze vleugeltoppen nu helderwit waren. Even viel er een zonnestraal op het beeld, die als een zegen van de sneeuw af fonkelde; daarna sloot de storm haar weer in en werd ze aan het zicht onttrokken.
Een poosje zag hij niets anders dan bomen, maar zijn verbeelding liep over. Hij stond op het punt om na een afwezigheid van een jaar met zijn moeder te worden herenigd. Hij zou haar niet vertellen hoezeer hij haar had gemist, want een man diende op zijn achttiende onafhankelijk te zijn.
Maar bovenal had hij Margery gemist. Hij was op een rampzalig moment voor haar gevallen: een paar weken voor zijn vertrek uit Kingsbridge om een jaar door te brengen in Calais, de door Engelsen bestuurde havenstad aan de Franse noordkust. Hij kende en mocht de ondeugende, intelligente dochter van sir Reginald Fitzgerald al sinds zijn kindertijd.
Toen ze opgroeide had haar schalksheid een nieuwe verleidelijkheid gekregen, waardoor hij merkte dat hij in de kerk met een droge mond en oppervlakkige ademhaling naar haar staarde. Hij had geaarzeld om meer te doen dan alleen staren, want ze was drie jaar jonger dan hij, maar zij kende zulke remmingen niet. Op het kerkhof van Kingsbridge, achter de grote graftombe van prior Philip, de monnik die vier eeuwen eerder de opdracht voor de bouw van de kathedraal had gegeven, hadden ze elkaar gekust. Er was niets kinderachtigs geweest aan hun lange, gepassioneerde zoen; daarna had ze gelachen en was ze weggerend.”

Ken Follett (Cardiff, 5 juni 1949)

 

De Britse dichter en schrijver Paul Farley werd geboren op 5 juni 1965 in Liverpool. Zie ook alle tags voor Paul Farley op dit blog.

Ports

1

I want you to imagine, in your late capitalist’s mind’s eye,
a stagnant fly-blown lake under an African sun,
the smell of the sea just beyond (this at least should come easy
being the universal saltwater of all your childhoods).
Armies of ants on parade in the poor weeds and grey sludge
of the ages, dismantling the scene in their own time-lapse movie,
skeletal cats picking over spoil, boneyard mongrels
marking their range by the water’s edge before moving on.
I want you to imagine all this, because once I was Carthage
and still am in name, though like some poisoned inland sea
my horizons have shrunk to a port that handles zero tonnage,
an import and export that evens the scales up at nil,
not counting the old rope and plastic bottles that come knocking
with the tides, not counting the rusted tins that drift in,
not counting the ants shifting clay forms and Carrera marble
from my ruins, or the guide who conducts his own private dig
for unscrupulous tourists who think nothing of removing
a coin from its context (if money ever has such set contexts),
of taking a Roman penny with an obverse of Augustus
out of the country, to reach the cold northern latitudes
in the holds of Lufthansa or Aeroflot, in a fraction
of the time it once took under oar and Ursa Major.
I was Carthage, but nothing much comes or goes in this afterwards;
all that’s left of a thousand years of dockyards and shipsheds
are a few shapes the soft earth has found indigestible,
for the tourist to squint at, consider, weigh up, reconstruct
imaginatively, as I am asking you, listener.
From this silted salt lake I once pulled the strings of the known world.
Lovers looked out from my sea walls into powerful distance
that bound them knowing that I was a true centre.
They pulled tight their merchant purses. They drank from clay pitchers –
under glass now in nearby museums. A museum will go some way
to help in your excavations, but what stories lead on from
the razors and combs and amphora and ostrich egg masks
are the details of millions who passed through, then into the ground.
Standing over a scale model in its sea of flat glass
acts out a dominion of your time over mine, looking down on
my circular dockyard apotheosis; looking down
as from a great height, in a way I can never have known.
A map might be easier in helping you build on my wasteland:
my trade routes once lit up the coastlines in thousands of oil lamps,
a Phoenician outline of Africa in the antique night,
spreading westward and hugging the shore, a luminous tracing
that brought in and foundered sea creatures, signalling for their mates.
I can still taste the distant metals like blood in my harbour mouth,
the tin and the iron and the copper which don’t come here now
but leech down the well-furrowed sea lanes, my phantom nerve endings.
Carthaginian and Roman and Vandal are blinks in my brine eye,
In each of their eternities: to me they rise and fall
as sea swell. Credit me, listener, with such a long memory,
as more than the sum of my parts, more than archaeology
and soft sump, more than ground fought over. Aeneas stood here once
with a mind to call it quits and cut loose, so the story goes,
my port in his storm to his girl in every port.
The jets tilt and bank heading north for their carrier hubs
in Frankfurt and Moscow, without so much as a second thought
for me in my modern darkness, their starboard wing lights
blinking in an element I knew nothing about.
Some things have endured: the peaks of Cap Bon across the bay
form a backdrop to nothing much doing these days; the stars rise
to guide nobody from my mouth and on course for the Pillars
of Hercules – but these things give me a sense of myself,
as the winds do, strong at the turns in the year, which remind me
of cargoes and freights in their seasons, gross tonnes that passed through
as sand through an hour glass, until history,
like the idea of magnetic north so long in the discovering,
moved slowly away from here, like a great ship embarking
out onto the future’s broad main, and this is the fate
of all ports, even yours, listener. Listen to me. I was Carthage.

Paul Farley (Liverpool,. 5 juni 1965)

 

De Engelse schrijver Geoff Dyer werd op geboren 5 juni 1958 in Cheltenham. Zie ook alle tags voor Geoff Dyer op dit blog.

Uit:Broadsword Calling Danny Boy

“Meanwhile, at dusk—even allowing for the fact that it’s winter, the day has been stunningly short—the Eagles sneak across the snowy railroad tracks, in the wake of a freight train whose role will not extend beyond this cameo appearance (a sad decline from the recent glory years of Von Ryan’s Express [1965], starring Frank Sinatra, and The Train [1964], with Burt Lancaster). They let themselves into a storage unit where Eastwood and Burton strip off their parkas and pull out greatcoats and caps from their small but apparently bottomless rucksacks. They have not packed lightly, these two; they have enough clothes and equipment to keep the Sherpas on an inter-war Everest expedition employed for much of the climbing season. Working within the confines of a smaller costume budget, the others do what they can, reversing their par­kas from snowy-white to wintery camouflage. Thus arrayed, like any bunch of lads on a stag weekend, they head into the village of Werfen for a bit of the old après-ski (minus the skiing), a little apprehensive, naturally, this being their first night out on the streets of the resort. The pitched roofs are laden with snow, the streets are bustling with troops and vehicles, and there’s so much parping of horns it sounds like an Alpine equivalent of Cairo.
They choose a tavern at random—we’ll try this one behind us, says Burton, though as with most things he says he’s not saying but ordering. He tells them to keep their ears open for anything about General Carnaby, but it seems a lame excuse for that which needs no excuse, namely getting into the bar and getting a few down them. It’s a cosy place with foam­ing steins, a really festive Bavarian atmosphere and no obviously anti-Semitic conversation. You can’t help thinking what fun it would be to attend a fancy-dress party like this in real life, even though you’d catch hell from the tabloids, especially since the guests include none other than the blond beast Von Hapen, in his medal-bedecked Gestapo costume. For once Burton is not the one doing the ordering; it’s Eastwood who orders drinks at the bar, thereby raising the possibility that, for all his swagger, command and much-publicized love of drink and his will­ingness to splash out vast sums of money on diamonds, Burton might be that lowest, most treacherous form of British life: a round-dodger, a conscientious-drink-buying-objector and all-round round-shirker. Even this suspicion only slightly clouds the rest of the group’s belief that this is surely the best of all Second World War mission-capers, way better than scaling the cliffs of Navarone, sweating your malarial bollocks off on that ghastly bridge over the River Kwai or waiting for Telly Savalas to flip his sicko lid in The Dirty Dozen. A top night seems guaranteed as long as they can keep up their German and not be tricked into letting their conversational guard down, as fatally happened, six years earlier, to Gordon Jackson as he boarded a bus in The Great Escape (before enjoying extended small-screen resurrections in
Upstairs Downstairs and The Professionals).”

Geoff Dyer (Cheltenham, 5 juni 1958)

 

De Australische schrijfster Margo Lanagan werd geboren op 5 juni 1960 in Waratah, New South Wales. Zie ook alle tags voor Margo Lanagan op dit blog.

Uit: Tender Morsels

“Has the chimney fallen in? Or what is it?” She wanted to step farther out and look.
But he sprang over the logs and ran at her. She was too surprised to fight him, and her insides were too delicate. The icicled edge of the thatch swept down across the heavy sky, and she was on the floor, the door slammed closed above her. It was dark after the snow-glare, the air thick with the billowing smoke. Outside, he shouted—she could not hear the words—and hurled his logs one by one at the door.
She pressed her nose and mouth into the crook of her elbow, but she had already gulped smoke. It sank through to her deepest insides, and there it clasped its thin black hands, all knuckles and nerves, and wrung them, and wrung them.
Time stretched and shrank. She seemed to stretch and shrink. The pain pressed her flat, the crashing of the wood. Da muttered out there, muttered forever; his muttering had begun before her thirteen years had, and she would never hear the end of it; she must simply be here while it rose from blackness and sank again like a great fish into a lake, like a great water snake. Then Liga’s belly tightened again, and all was gone except the red fireworks inside her. The smoke boiled against her eyes and fought in her throat.
The pains resolved themselves into a movement, of innards wanting to force out. When she next could, she crawled to the door and threw her fists, her shoulder, against it. Was he out there anymore? Had he run off and left her imprisoned? “Let me out or I will shit on the floor of your house!”
There was some activity out there, scraping of logs, thuds of them farther from the door. White light sliced into the smoke. Out Liga blazed, in a dirty smoke-cloud, clambering over the tumbled wood, pushing past him, pushing past his eager face.”

Margo Lanagan (Waratah, 5 juni 1960)
Cover

 

De Nederlandse literair criticus Carel Peeters werd geboren in Nijmegen op 5 juni 1944. Zie ook alle tags voor Carel Peeters op dit blog.

Uit: Het eigenwijze potlood

“Of het nu om mensen of dieren ging, Peter Vos was in zijn tekeningen voortdurend aan het vermommen, om-draaien, transformeren en verkleden: dieren die menselijke din-gen doen, mensen die dierendingen doen, mensen die in vogels veranderen, wezens die half dier, half mens zijn, mensen die in een satirisch beestenkarakter veranderen (klavierleeuw, kloothom-mel). Hij was een Pulcinel, de komische bediende uit de commedia dell’arte die aan alles een fantasierijke wending moest geven. Met een handtekening in de vorm van een Pulcinel ondertekende hij vaak zijn brieven. Eind jaren vijftig sorteerde de toenmalige uitgever van De Arbei-derspers Theo Sontrop nog brieven op het postkantoor van Amster-dam. Op een dag herkende hij een met vogels versierde envelop als afkomstig van Peter Vos, net als hij oud-leerling van het St. Boni-fatiuslyceum in Utrecht Peter Vos was inmiddels student aan de Rijksakademie, Sontrop zat in de redactie van het studentenweek-blad Propria Cures. Hij vond dat Propria Cures wel een vaardig en geestig tekenaar als Peter Vos kon gebruiken. Dat dacht Rinus Ferdinandusse ook toen hij als redacteur van Propria Cures was over-gestapt naar Vrij Nederland (VN) en Vos vroeg mee te gaan. In het begin maakte Vos getekende grappen voor de rubriek ‘Vrij Blijvend’, die later ‘Terzijde’ zou gaan heten. De rubriek bestond nog uit pasti-ches en parodieën geschreven door Ferdinandusse en Hugo Brandt Corstius, en niet uit de volle kolom oneliners van Toon Verhoeven waarmee de rubriek later vermaard zou worden. vn-lezers lazen hem altijd als eerste (‘Als je van lezen houdt is de Tros een goede omroep’). In die verzuilde tijd kon een tekening van Peter Vos nog voor de nodige commotie en ingezonden brieven zorgen. Zoals de tekening in het kerstnummer van het jaar 1960. Het is kerstavond en we zien Jozef op het moment dat een engel hem laat weten dat er een kindje is geboren. ”t Is een jongen!’ juicht de engel. En toen in 1964 de aflevering ‘Beeldreligie’ van het satirische televisieprogramma Zo is het toevallig ook nog eens een keer zo veel verontwaardiging had ge-wekt, maakte Peter Vos de tekening van de man die voor de televisie zit en zijn vrouw roept ‘Mien, kom. Het is weer kwetsen.’ Zijn bijdrage aan ‘Terzijde’ bestond uit het tekenen van de weke-lijkse leeuw. Die werd zo’n vaste verschijning dat je hem bijna over het hoofd zag. Maar wie dat niet liet gebeuren, zag de mens ver-momd als leeuw elke week vechten tegen de aanvallen van het leven. Hij nam in de loop der tijd elke denkbare manhaftige pose aan. De leeuw werd met alles geconfronteerd, elke ochtend al meteen met zichzelf in de spiegel, en verder in de loop van de dag met allerhande tegenstanders die hij niet zelden met een zwaard te lijf ging, tot hij zich bedacht. “

Carel Peeters (Nijmegen, 5 juni 1944)

 

De Nederlandse dichter, schrijver en schilder Robert Marie Philmain Joseph Franquinet werd geboren in Amby (bij Maastricht) op 5 juni 1915. zie ook alle tags voor Robert Franquinet op dit blog.

Gedicht

Ik weet het wee van zoveel scherpe klippen.
Ik weet het lied dat druipt van wrange wijn.
Ik weet veraders aan uw fijngekorven lippen
die mij een smart van lang-verduren zijn;
want wist gij hoe ik heb gebeden
om niet meer droef uw roekloosheid te denken,
hoe ‘k u wou bedden, heel schuldeloos en rein
en hoe ‘k het snijdend woord voor u steeds heb vermeden
om zacht en heelend en ook goed te zijn.

Hoe ik de eenzaamheden
geregen heb tot kostbre snoeren rond uw lijf,
hoe ik het licht bevangen heb vermeden
en hoe ik stil bij ’t graf van een herinnering blijf.
En hoe de stilte werd tot een ondraaglijk tarten
te weten dat er is een véélvergulden schijn!
Die kerft zijn wond in al te wilde harten
die niet bevrijd, te snel verbeten zijn…

Weet gij dat wij toch grenzeloos herleven
van dit vergift, nog zoeter dan jasmijn?
dat alles nieuw, het hunkren en het streven
en ’t worstelen, ongekend, rebels en wreed zal zijn.

Robert Franquinet (5 juni 1915 – 30 mei 1979)

 

De Engelse schrijfster Margaret Drabble werd geboren op 5 juni 1939 in Sheffield, Yorkshire. Zie ook alle tags voor Margaret Drabble op dit blog.

Uit: The Garrick Year

“While I was watching the advertisements on television last night, I saw Sophy Brent. I have not set eyes on her for some months, and the sight of her filled me with a curious warm mixture of nostalgia and amusement. She was, typically enough, eating: she was advertising a new kind of chocolate cake, and the picture showed her in a shining kitchen gazing in rapture at this cake, then cutting a slice and raising it to her moist, curved, delightful lips. There the picture ended. It would not have done to show the public the crumbs and the chewing. I was very excited by this fleeting glimpse, as I always am by the news of old friends, and it aroused in me a whole flood of recollections, recollections of Sophy herself, and of all that strange season, that Garrick year, as I shall always think of it, which proved to me to be such a turning point, though from what to what I would hardly like to say.
Poor old Sophy, I allowed myself to say, thinking that she would not much like being on a cake advertisement; and then I remembered the last time I had said Poor old Sophy, and that in any case, she would have earned a lot of money from that tantalizing moment. There is perhaps something finally unpitiable in Sophy, just as there is in me. We are both in our ways excellent examples of resilience, though I seem obliged to pass through many degrees of meanness on my way, whereas she just smiles and wriggles and exclaims and with a little charming confusion gets by. I like Sophy. I cannot help liking Sophy. And if there is a defensive note to be detected in that assertion, I am not in the least surprised.
That chocolate cake vision made me think back, as I said, over the whole lot, right back to the very beginning, to the occasion when I first realized that David was really intending to go to Hereford. I had just finished putting Flora to bed, and I came downstairs, splashed and bedraggled from her bath, to find David nursing the new baby and drinking a glass of beer. He had poured some stout for me, which was the only thing he would let me drink. When I appeared he handed the baby over quickly, and as I sat down and prepared to feed him, wondering if I would ever get him to wake at a less exhausting time, Dave spoke.”

Margaret Drabble (Sheffield, 5 juni 1939)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e juni ook mijn blog van 5 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Paul Farley, Geoff Dyer

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

Ballad Of The Moon

The moon came into the forge
in her bustle of flowering nard.
The little boy stares at her, stares.
The boy is staring hard.
In the shaken air
the moon moves her amrs,
and shows lubricious and pure,
her breasts of hard tin.
“Moon, moon, moon, run!
If the gypsies come,
they will use your heart
to make white necklaces and rings.”
“Let me dance, my little one.
When the gypsies come,
they’ll find you on the anvil
with your lively eyes closed tight.
“Moon, moon, moon, run!
I can feelheir horses come.”
“Let me be, my little one,
don’t step on me, all starched and white!”

Closer comes the the horseman,
drumming on the plain.
The boy is in the forge;
his eyes are closed.
Through the olive grove
come the gypsies, dream and bronze,
their heads held high,
their hooded eyes.

Oh, how the night owl calls,
calling, calling from its tree!
The moon is climbing through the sky
with the child by the hand.

They are crying in the forge,
all the gypsies, shouting, crying.
The air is veiwing all, views all.
The air is at the viewing.

 

Vertaald door Will Kirkland

 

Arbolé, Arbolé

Tree, tree
dry and green.

The girl with the pretty face
is out picking olives.
The wind, playboy of towers,
grabs her around the waist.
Four riders passed by
on Andalusian ponies,
with blue and green jackets
and big, dark capes.
‘Come to Cordoba, muchacha.’
The girl won’t listen to them.
Three young bullfighters passed,
slender in the waist,
with jackets the color of oranges
and swords of ancient silver.
‘Come to Sevilla, muchacha.’
The girl won’t listen to them.
When the afternoon had turned
dark brown, with scattered light,
a young man passed by, wearing
roses and myrtle of the moon.
‘Come to Granada, inuchacha.’
And the girl won’t listen to him.
The girl with the pretty face
keeps on picking olives
with the grey arm of the wind
wrapped around her waist.
Tree, tree
dry and green.

 

Vertaald door William Logan

 
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Portret door Alejandro Cabeze, 2015

 

De Nederlandse dichter en schrijver Adriaan Morriën werd geboren op 5 juni 1912 in Amsterdam. Zie ook alle tags voor Adriaan Morriën op dit blog.

 

Zomerwind

Nog voor zonsondergang valt reeds de wind,
het land wordt diep waarin de boomen zwijgen
en de gedachten ruimte en toekomst krijgen,
voor ’t open raam denkt menig moeder aan haar kind.

En in den nacht wordt ’t gouden haar ontbonden
en streelen vingers een bemind gelaat;
het spel is oud waarvoor wij namen vonden
zoo zoet dat geen herinnering geheel vergaat.

In vele kamers schijnt de glans der maan
over de lichamen die zich verstrenglen;
de liefde raakt ons in ’t voorbijgaan aan,
maakt ons één nacht haar uitverkoren englen.

Wie nu nog rond ziet in de leege straat
hoort hoe het loover nauwlijks leeft en fluistert,
de vogel onder maan en sterren klaagt,
de klimroos maakt het venster zoet en duister.

Straks gloort de morgen boven bosch en weiden,
het landschap waar het vee slaapt in het gras
wordt vochtig van den dauw, de vijver blinkt als glas
waarover schaduwen van wolken glijden.

Als de rivier zich rekt in ’t heldre licht
en langs de wegen menschen naar de dagtaak loopen,
begint de wind opnieuw en waait den hemel open,
de boomen ruischen in het vergezicht.

 
Adriaan Morriën (5 juni 1912 – 7 juni 2002) 

 

De Engelse schrijver Ken Follett werd geboren op 5 juni 1949 in Cardiff, Wales. Zie ook alle tags voor Ken Follett op dit blog.

Uit: Fall of Giants

„22 June 1911
On the day King George V was crowned at Westminster Abbey in London, Billy Williams went down the pit in Aberowen, South Wales.
The twenty-second of June, 1911, was Billy’s thirteenth birthday. He was woken by his father. Da’s technique for waking people was more effective than it was kind. He patted Billy’s cheek, in a regular rhythm, firmly and insistently. Billy was in a deep sleep, and for a second he tried to ignore it, but the patting went on relentlessly. Momentarily he felt angry; but then he remembered that he had to get up, he even wanted to get up, and he opened his eyes and sat upright with a jerk.
“Four o’clock,” Da said, then he left the room, his boots banging on the wooden staircase as he went down.
Today Billy would begin his working life by becoming an apprentice collier, as most of the men in town had done at his age. He wished he felt more like a miner. But he was determined not to make a fool of himself. David Crampton had cried on his first day down the pit, and they still called him Dai Crybaby, even though he was twenty-five and the star of the town’s rugby team.
It was the day after midsummer, and a bright early light came through the small window. Billy looked at his grandfather, lying beside him. Gramper’s eyes were open. He was always awake, whenever Billy got up; he said old people did not sleep much.
Billy got out of bed. He was wearing only his underdrawers. In cold weather he wore his shirt to bed, but Britain was enjoying a hot summer, and the nights were mild. He pulled the pot from under the bed and took off the lid.
There was no change in the size of his penis, which he called his peter. It was still the childish stub it had always been. He had hoped it might have started to grow on the night before his birthday, or perhaps that he might see just one black hair sprouting somewhere near it, but he was disappointed. His best friend, Tommy Griffiths, who had been born on the same day, was different: he had a cracked voice and a dark fuzz on his upper lip, and his peter was like a man’s. It was humiliating.
As Billy was using the pot, he looked out of the window. All he could see was the slag heap, a slate-grey mountain of tailings, waste from the coal mine, mostly shale and sandstone. This was how the world appeared on the second day of Creation, Billy thought, before God said: “Let the earth bring forth grass.” A gentle breeze wafted fine black dust off the slag on to the rows of houses.”

 
Ken Follett (Cardiff, 5 juni 1949)

 

De Britse dichter en schrijver Paul Farley werd geboren op 5 juni 1965 in Liverpool. Zie ook alle tags voor Paul Farley op dit blog.

 

For St Jerome

Guardian of the date-stamp and card catalogue,
keeper of knowledge, and a staff notice-board
pinned with drunks and men who lick the atlases,
go with me while I Tipp-Ex-out the bogies
and spray Glade in the newspaper section.
Curmudgeon, teach me how to smile while fining
the sinners who have lately been in hospital,
who were struck dumb by lightning, or forgot.
Teach me to bear their crumbs and bookmarks
with the fortitude for which you are not famous:
the bus tickets, postcards, rashers of bacon
and once – give me strength – a knotted condom.
Gatekeeper, watch over books on loan;
their months of purgatory spent in bath steam
or under beds. Watch over those abandoned
on bus seats or park benches. Heal the torn.
Take them back from houses with the measles.
Inform Environmental Health at once.
And teach me to work with an abrupt demeanour,
And the martyrdom of the index, which was yours;
to speak out in the silence of your feast day
whose widespread celebration is long overdue.

 
Paul Farley (Liverpool,. 5 juni 1965)

 

De Engelse schrijver Geoff Dyer werd op geboren 5 juni 1958 in Cheltenham. Zie ook alle tags voor Geoff Dyer op dit blog.

Uit: Jeff in Venice, Death in Varanasi

“On top of that he was supposed to make sure – at the very least – that she agreed to grant Kulchur exclusive rights to reproduce a drawing Morison had made of her, a drawing never previously published, and not even seen by anyone at Kulchur, but which, due to the fear that a rival publication might get hold of it, had acquired the status of a rare and valuable artefact. The value of any individual part of this arrangement was irrelevant. What mattered was that in marketing and publicity terms (or, from an editorial point of view, circulation and advertising) the planets were all in alignment. He had to interview her, had to come away with the picture and the right to reproduce it. Christ Almighty … A woman pushing an all-terrain pram glanced quickly at him and looked away even more quickly. He must have been doing that thing, not talking aloud to himself but forming words with his mouth, unconsciously lip-synching the torrent of grievances that tumbled constantly through his head. He held his mouth firmly shut. He had to stop doing that. Of all the things he had to stop doing or start doing, that was right at the top of the list. But how do you stop doing something when you are completely unaware that you’re doing it? Charlotte was the one who pointed it out to him, when they were still together, but he’d probably been doing it for years before that. Towards the end that’s how she would refer to this habit of muted karaoke. ‘That thing,’ she would say. ‘You’re doing that thing again.’ At first it had been a joke between them. Then, like everything else in a marriage, it stopped being a joke and became a bone of contention, an issue, a source of resentment, one of the many things that rendered life on Planet Jeff – as she termed the uninhabitable wasteland of their marriage – intolerable. What she never understood, he claimed, was that life on Planet Jeff was intolerable for him too, more so, in fact, than for anyone else. That, she claimed, was precisely her point.”

 
Geoff Dyer (Cheltenham, 5 juni 1958)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 5e juni ook mijn blog van 5 juni 2017 deel 1 en eveneens deel 2.

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet, Margaret Drabble, Kristin Gore

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

Of the Dark Doves
For Claudio Guillén

In the branches of the laurel tree
I saw two dark doves
One was the sun
and one the moon
Little neighbors I said
where is my grave — 
In my tail said the sun
On my throat said the moon
And I who was walking
with the land around my waist
saw two snow eagles
and a naked girl
One was the other
and the girl was none
Little eagles I said
where is my grave —
In my tail said the sun
On my throat said the moon
In the branches of the laurel tree
I saw two naked doves
One was the other
and both were none.

 

Vertaald door Sarah Arvio

 

Sonnet of the Wreath of Roses

The wreath, quick, I am dying!
Weave it quick now! Sing, and moan, sing!
Now the shadow is darkening my throat,
and January’s light returns, a thousand and one times.

Between what needs me, and my needing you,
starry air, and a trembling tree.
A thickness of windflowers lifts
a whole year, with hidden groaning.

Take joy from the fresh landscape of my wound,
break out the reeds, and the delicate streams,
and taste the blood, spilt, on thighs of sweetness.

But quick! So that joined together, and one,
time will find us ruined,
with bitten souls, and mouths bruised with love.

 

Paso (The Images of the Passion)

Virgin in a crinoline,
Virgin of Solitude,
spreading immensely
like a tulip-flower.
In your boat of light,
go –
through the high seas
of the city.
through turbulent singing,
through crystalline stars.
Virgin in a crinoline
through the roadway’s river
you go,
down to the sea!

 

Vertaald door A. S. Kline

 
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
“Federico García Lorca” door Alice Wellinger, 2011

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet, Margaret Drabble, Kristin Gore”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

City That Does Not Sleep

In the sky there is nobody asleep.  Nobody, nobody.
Nobody is asleep.
The creatures of the moon sniff and prowl about their cabins.
The living iguanas will come and bite the men who do not dream,
and the man who rushes out with his spirit broken will meet on the
street corner
the unbelievable alligator quiet beneath the tender protest of the
stars.

Nobody is asleep on earth.  Nobody, nobody.
Nobody is asleep.
In a graveyard far off there is a corpse
who has moaned for three years
because of a dry countryside on his knee;
and that boy they buried this morning cried so much
it was necessary to call out the dogs to keep him quiet.

Life is not a dream.  Careful!  Careful!  Careful!
We fall down the stairs in order to eat the moist earth
or we climb to the knife edge of the snow with the voices of the dead
dahlias.
But forgetfulness does not exist, dreams do not exist;
flesh exists.  Kisses tie our mouths
in a thicket of new veins,
and whoever his pain pains will feel that pain forever
and whoever is afraid of death will carry it on his shoulders.

One day
the horses will live in the saloons
and the enraged ants
will throw themselves on the yellow skies that take refuge in the
eyes of cows.

Another day
we will watch the preserved butterflies rise from the dead
and still walking through a country of gray sponges and silent boats
we will watch our ring flash and roses spring from our tongue.
Careful!  Be careful!  Be careful!
The men who still have marks of the claw and the thunderstorm,
and that boy who cries because he has never heard of the invention
of the bridge,
or that dead man who possesses now only his head and a shoe,
we must carry them to the wall where the iguanas and the snakes
are waiting,
where the bear’s teeth are waiting,
where the mummified hand of the boy is waiting,
and the hair of the camel stands on end with a violent blue shudder.

Nobody is sleeping in the sky.  Nobody, nobody.
Nobody is sleeping.
If someone does close his eyes,
a whip, boys, a whip!
Let there be a landscape of open eyes
and bitter wounds on fire.
No one is sleeping in this world.  No one, no one.
I have said it before.

No one is sleeping.
But if someone grows too much moss on his temples during the
night,
open the stage trapdoors so he can see in the moonlight
the lying goblets, and the poison, and the skull of the theaters.

 

Vertaald door Robert Bly

 
Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Portret door Fabrizio Cassetta, 2013

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Robert Franquinet”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

De gitaar

Aanvangt de klaagzang van de gitaar.
Breken doen de bekers van de ochtend.
Aanvangt de klaagzang van de gitaar.
Hem smoren is nutteloos.
Hem smoren is onmogelijk.
Hij huilt eentonig zoals het water huilt,
zoals de wind huilt over de sneeuwvlakte.
Hem smoren is nutteloos.
Hem smoren is onmogelijk.
Hij huilt om dingen ver.
Heet zand uit het zuiden
snakt naar witte camelia’s.
Hij huilt om de pijl zonder doel,
om de avond zonder ochtend
en om de eerste vogel dood
op de tak.
O gitaar!
Hart door vijf zwaarden zwaargewond.

 

Processiebeeld

Maad met hoepelrok,
Maagd der Verlatenheid,
open als een onmetelijke
Op je lichtende schip
klief je
door het hoogwater
van de stad,
tussen roezige saeta’s
en kristalsterren.
Maagd met hoepelrok
jij klieft
door de straatrivier
tot in zee!

Vertaald door Bart Vonck

 

De zigeunernon
                 Voor José Moreno Villa

Stilte van witkalk en mirte.
Kaasjeskruid in de kruidentuin.
De non borduurt violieren
op een strogeel doek.
In de grijze luchter vliegen
zeven vogels van het prisma.
In de verte gromt de kerk
als een beer op zijn rug.
Wat borduurt zij mooi! Hoe fraai!
Op het strogele doek
wil zij de bloemen
van haar fantasie borduren.
Wat een zonnebloem! Wat een magnolia
van pailletten en linten.
Wat een saffraantjes, wat een maantjes
op de altaardwaal!
Vijf pompelmoezen versuikeren
vlakbij in de keuken.
De vijf wonden van Christus
in Alméria geoogst.
In de ogen van de non
galopperen twee ruiters.
Een verre gesmoorde zucht
maakt haar hemd los,
en terwijl ze in verstarde verten
naar wolken en bergen staart,
breekt haar hart
van suiker en citroenverbena.
O, wat een steile vlakte
met twintig zonnen erboven.
Wat een rechtopstaande stromen
dagen in haar fantasie!
Toch gaat zij verder met haar bloemen,
terwijl rechtop, in de bries,
het licht schaakspeelt
hoog in het zonnescherm.

Vertaald door Lepus

 Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Portret door Mick Rooney, 1990-95

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Margaret Drabble

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

Hartstochtelijk madrigaal

Ik had zo graag aan je lippen gerust
om uit te doven in de sneeuw
van je tanden.

Ik had zo graag aan je borst gerust
om er bloedend in te vergaan.

Ik was zo graag altijd opnieuw
in je gouden haren weggedroomd

tot je hart een grafkuil werd
van mijn rouwend hart,

tot mijn vlees jouw vlees werd,
mijn voorhoofd het jouwe.

Ik had zo graag dat ik met hart en ziel
je kleine lichaam binnendrong,

dat ik je enige gedachte was,
en je kraakwitte kleed.

Dat je zo hartstochtelijk
op mij verliefd zou zijn
dat je, naar mij op zoek, jezelf verloor
zonder mij ooit te vinden.

Dat je op je dooltocht mijn naam
naar de einder schreeuwde,
en je rivieren naar mij vroeg,
en droef de bitterheden dronk
die mijn hart op de weg
uit liefde voor jou heeft verloren
.

En dan zal ik je zwakke en zachte
lichaam binnendringen,
en word ik, vrouw, jezelf
en ben ik voor altijd bij jou,
terwijl jij tevergeefs naar mij zoekt
van oost naar west,
tot uiteindelijk de dood
ons beiden met zijn grauwe vlam verkoolt
.

Vertaald door Piet Thomas en Christian de Paepe

 

Romance van de zwarte smart

    Voor José Navarro Pardo

De pikhouwelen van de hanen
graven zoekend naar de dageraad,
wanneer Soledad Montoya
de donkere berg afdaalt.
Geel koper haar lijf
dat geurt naar paard en schaduw.
Berookte aambeelden haar borsten
die ronde liederen jammeren.
Soledad: naar wie vraag je
zonder gezelschap, op dit uur?
Ik vraag naar wie ik wil,
trouwens gaat jou dat wat aan?
Ik kom zoeken wat ik zoek,
mijn vreugde en mijn eigen ik.
Soledad van mijn smarten,
een paard dat op hol slaat
rent tenslotte in zee
en de golven verzwelgen het.
Van de zee wil ik niet horen:
de zwarte smart bot uit
op de olijfgronden
bij geruis van blaren.
Soledad, wat heb je een smart!

Hoe zielig die smart!
Je huilt citroensap
zuur van wachten en van mond.
Wat een diepe smart! Waanzinnig
dool ik door mijn huis,
mijn twee vlechten over de grond
van de keuken naar het bed.
Wat een smart! Ik word
gitzwart van lijf en kleren.
Ach, mijn linnen hemden!
Ach, mijn papaveren dijen!
Soledad: was je lichaam
met leeuwerikswater,
en gun je hart rust,
Soledad Montoya.

Daar beneden zingt de rivier:
strook van hemel en lover.
Het nieuwe licht wordt
met pompoenbloemen gekroond.
O smart van de zigeuners!
Klare smart en immer eenzaam.
O smart die diep verborgen stroomt
en dageraad die nimmer komt.

 

Vertaald door Lepus

 

The Little Mute Boy

The little boy was looking for his voice.
(The king of the crickets had it.)
In a drop of water
the little boy was looking for his voice.

I do not want it for speaking with;
I will make a ring of it
so that he may wear my silence
on his little finger

In a drop of water
the little boy was looking for his voice.

(The captive voice, far away,
put on a cricket’s clothes.)

Vertaald door W.S. Merwin

 Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)
Javier Beltran als Lorca en Robert Pattinson als Salvador Dali in de film »Little Ashes »,2008

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters, Margaret Drabble”

Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters

De Spaanse dichter en toneelschrijver Federico Garcia Lorca werd geboren op 5 juni 1898 in Fuente Vaqueros, Granada. Zie ook alle tags voor Federico Garcia Lorca op dit blog.

 

 

Struikje Struikje

 

Struikje struikje
dor en groen.

Het meisje met het knappe snoetje
plukt olijven op het veld.
De wind die van de torens houdt,
slaat zijn armen om haar heupen.
Vier ruiters komen voorbij
op Andalusische paardjes,
in het blauw en het groen
met langere donkere mantels.
“Kom mee naar Córdoba, lief kind.”
Het meisje luistert niet.
Drie jonge torero’s komen voorbij
in oranje pakken
en slank van lijf,
met degens van belegen zilver.
“Kom mee naar Sevilla, lief kind.”
Het meisje luistert niet.
Als de avondhemel paars kleurt,
komt in het wazige schemerdonker
een jongeman voorbij
met rozen en mirten van maanlicht.
“Kom mee naar Granada, lief kind.”
En het meisje luistert niet.
Het meisje met het knappe snoetje
blijft maar olijven plukken,
met de grijze armen van de wind
om haar heupen.

Struikje struikje
dor en groen.

 

 

 

Vertaald door Bart Vonck

 

 

 

The Poet asks his Love to write

 

Visceral love, living death,

in vain, I wait your written word,

and consider, with the flower that withers,

I wish to lose you, if I have to live without self.

 

The air is undying: the inert rock

neither knows shadow, nor evades it.

And the heart, inside, has no use

for the honeyed frost the moon pours.

 

But I endured you: ripped open my veins,

a tiger, a dove, over your waist,

in a duel of teeth and lilies.

 

So fill my madness with speech,

or let me live in my calm

night of the soul, darkened for ever.

 

 

The Dawn

New York’s dawn holds

four mud pillars,

and a hurricane of black doves,

paddling in foul water.

 

New York’s dawn

moans on vast stairways,

searching on the ledges,

for anguished tuberoses.

 

Dawn breaks and no one’s mouth breathes it,

since hope and tomorrow, here, have no meaning.

Sometimes coins, furiously swarming,

stab and devour the abandoned children.

 

The first to go outside know in their bones

Paradise will not be there, nor wild loves.

They know they go to the swamp of law, and numbers,

to play without art, and labour without fruit.

 

The light is buried by chains and by noise,

in the shameless challenge, of rootless science.

All across the suburbs, sleepless crowds stumble,

as if saved, by the moment, from a shipwreck of blood.

 

 

Vertaald door A. S. Kline

 

 

 

Federico García Lorca (5 juni 1898 – 19 augustus 1936)

Doorgaan met het lezen van “Federico García Lorca, Adriaan Morriën, Ken Follett, Margo Lanagan, Carel Peeters”