Kazim Ali

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

 

Golden Boy

Almost afraid I am in the annals of history to speak
And by speaking be seen by man or god
Such then debt in light be paid

Atop the Manitoban parliament building in Winnipeg
What beacon to dollars food or god
I hallow starvation

This nation beneath the body hollowing
Its stomach to emptiness and in breadth
The river empties

Who sew spoke the craft born along
Long echo and echelon grains of light
And space we width one and other weight

The soul not the spirit breathe through
Spirited went or wend why true
Weave woe we’ve woven

A dozen attempts these tents pitched
On the depth be made biped by pen may
Perch atop the temple pool

Proven the prove these richness wheat and
Cherries and prunes what washes
Over woven ocean

Frayed I am most sir desired
Sired in wind seared and warned
Once in wild umiyak sworn

We parley to mend be conned be bent
Come now called to document your
Meant intent your indented mind

Haul oh star your weight in aeons
There in prayer money morrow more
You owe and over time god spends

The spent river melt into
Summer sound out the window
Sound out the spender

Where does the river road end
In what language can prayer or
Commerce be offered

Ender of senses pensive atop
Plural spires be spoken or mended
Broken and meant for splendor my mentor

 

Nachtgebed

Ik heb jaren in de buurt van het archief gewoond, maar heb het nooit gelezen.
In plaats daarvan liet ik om middernacht brieven, gevouwen als boten, in de stroom vallen.

De witte lijnen van een kaart meerden me eraan vast.
Vanaf dat moment had ik dorst, denkend aan mijn eerdere dorst.

Stilstaand bij de vensterbank van het raam, wilde ik weten
wie er op de uitkijk stond. Maar hoe kan een raam antwoorden?

Al mijn maritieme missieven werden tussen kaart en maalstroom geworpen,
en als ik ooit zou durven te bidden voor iets echts

zou het zijn voor het lessen van mijn dorst of voor onlesbare dorst –

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e april ook mijn blog van 6 april 2020 en eveneens mijn blog van 6 april 2019.

Özcan Akyol, Kazim Ali

De Nederlandse schrijver en columnist Özcan Akyol werd geboren in Deventer op 7 april 1984. Zie ook alle tags voor Özcan Akyol op dit blog.

Uit: Eus

“Na schooltijd dumpte iedereen zijn rugtassen thuis en speelden we samen op straat, net zo lang tot de eerste ouders begonnen te schreeuwen voor het avondmaal. Tot grote irritatie van de blanke buurtbewoners overigens, die het geroep maar hinderlijk vonden, temeer omdat de batsen het bijna tegelijkertijd deden, alsof ze het van elkaar afkeken. Het populairste spel op straat was BOM BILI BOM – tikkertje met een bal. Mijn beste vriendje Ata had het in de wijk geïntroduceerd, na een lange zomervakantie in Turkije, veel langer dan toegestaan omdat zijn ouders hem in april al hadden ziek gemeld. Deze zomer zou ik voor het eerst ook naar dat vreemde land gaan. Ik vond het allemaal best spannend. Volgens mijn broers was het een andere wereld. Argeloos zaten we op ’n dag te knikkeren op het plein, toen ineens Odin, de valse herdershond van een buurvrouw, in de verte opdoemde. Met lichte tred begaf het dier zich naar het centrale punt van de straat, juist de plek waar wij de meeste tijd doorbrachten. De hond blafte drie keer en raasde op ons af. Hij wilde iemand bijten. Via regenpijpen en raamtralies klommen we allemaal op daken, op de vlucht voor de meest gevreesde inwoner van de hele buurt, het hoofdpersonage van veel kindernachtmerries. Tot mijn geluk richtte het mormel al zijn aandacht op Dilek. Een klein, dikkig meisje dat naast Club Isabelle woonde en nu veel te laat anticipeerde op het gevaar, waardoor ze niet meer weg kon komen. Ze werd in haar arm gebeten. Krijsend probeerde Dilek zich los te wurmen van Odin, terwijl wij vanaf verschillende daken stonden toe te kijken. Een paar kinderen moesten huilen. We schreeuwden om hulp. ‘Godverdomme! Laat die bats met rust, Odin,’ klonk het opeens. Het was buurman Theo. De dorpsgek. Hij had een alcoholistenkop en ondanks zijn gevorderde leeftijd liep-ie nog steeds vijf krantenwijken. Theo greep Odin vast aan zijn nekvel, trok z’n kaken uit elkaar en schopte het beest met de onderkant van zijn voet. Op dat moment kwam het baasje van Odin uit haar tuin sjokken. ‘Is die boef nu weer ontsnapt?’ vroeg ze aan niemand in het bijzonder. “

 

Özcan Akyol (Deventer, 7 april 1984)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Regen

Met dikke inktstreken vult de lucht zich met regen.
Doen alsof je dekking zoekt, maar in het geheim bidden voor meer regen.

Boven de echo van het water hoor ik een stem die mijn naam zegt.
Niemand in de stad beweegt onder de snelle, onzichtbare regen.

De pagina’s van mijn notitieboek weken en krullen dan om. Ik heb geschreven:
‘Yogi’s openden urenlang hun mond om de regen te drinken.’

De lucht is een kom met donker water die je gezicht uitspoelt.
Het raam trilt; vloeibaar glas kan in regen uiteenspatten.

Ik ben een donkere kom, wachtend om gevuld te worden.
Als ik nu mijn mond open, zou ik kunnen verdrinken in de regen.

Ik haast me naar huis alsof daar iemand op me wacht.
De nacht bezwijkt in je huid . Ik ben de regen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 7e april ook mijn blogs van 7 april 2019.

Kazim Ali

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Marble Hill (Fragment)

Paradise lies beneath the feet of your mother. A verse I’ve heard recited so frequently I do not know if it is scripture or hadith.

Hadith, meaning traditions of the prophet, are always accompanied by a careful oral lineage of who said what to whom, and who heard who say they heard what. Usually back to one of the prophet’s wives who heard the prophet say it.

The veil also between what you want to see and cannot see, what you wish to have heard but did not hear.

In butoh the dancers are rendered in white smoke, ghosts traversing the stage-as-womb, moving so slowly you do not even know they are there.

If paradise lies beneath the feet of my mother then how will I find my way inside unless she admits me.

Now I look at each face, each body, as it moves around the subway platform, down the stairs and around the platform, onto trains, off of them.

After my aunt Chand-mumani’s death I thought of them each as flames, in each the body is combusting, burning up the fuel of the soul.

Michelle after giving birth walked around the city imagining everyone glistening, bordered in amniotic grit.

But is it really like Fanny writes, the body only a car the soul is driving.

Or something of us sunk into the matter of the body, part of us actually flesh, inseparable from it and upon death, truly dispersed, smoke.

The body of the prophet’s wife always between us. Who said what.

In which case there really is something to grieve at death: that the soul is wind, not immortal.

 

Gebed

Beroofd en verlaten verhaal ik
maar wat wil ik

Weer uit de oceaan opstaan
of levend begraven worden in de golf en slapen

Een angstaanjagend bereik zijn in één lichaam
of mijn eenheid tot in de diepte winden

Vermist in actie, spookachtig
dobberen in de verte

Psalmen zingen om mezelf zo bang te maken
dat ik een beslissing neem:

Vaarwel bevrijding

Mijn tijd in de wereld was
slechts een gebaar

Mijn lichaam een eenzame

vreemdeling

een pijn
die ik nooit heb gekend.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 6e april ook mijn blog van 6 april 2019.

Annejet van der Zijl, Kazim Ali, Uljana Wolf, Iulian Cioca, Günter Herburger, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Brigitte Schwaiger, Julien Torma

De Nederlands schrijfster en historica Annejet van der Zijl werd geboren in Leeuwarden op 6 april 1962. Zie ook alle tags voor Annejet van der Zijl op dit blog.

Uit; Anna. Het leven van Annie M.G. Schmidt

“… ik moet een jaar of drie geweest zijn toen mijn moeder riep: ‘Gauw, gauw, kom kijken, paardenvolk!’ Eerste Wereldoorlog. Mobilisatie. Ons dorp was vol uniformen. Er was niets angstaanjagends aan. Integendeel, het had iets vrolijks en ik begreep uit mijn vaders uitleg dat we niet bang hoefden te zijn. Oorlog bestond alleen in hele verre landen, zoals België, niet bij ons.
Terwijl op nauwelijks honderd kilometer afstand hele generaties jonge mannen in de loopgraven van Ieper en Verdun werden uitgeroeid, hernam het dagelijks leven in het Zeeuwse dorp al snel zijn vertrouwde gang. De vluchtelingen verdwenen naar andere provincies of terug naar België, de militairen werden een vertrouwd deel van het straatbeeld. Ter gelegenheid van haar vijfde verjaardag kreeg Annie door het raam van de salon een cadeautje aangereikt van een in Kapelle gelegerde majoor, die kennelijk vriendschap had gesloten met haar moeder.
Uit het pakje kwam een poppenbadje. Er bestond nog geen plastic, het was van celluloid. Er zat een klein bloot celluloid poppetje in. Het kraantje kon echt lopen als je water deed in het tankje bovenin.
Nooit in m’n verdere leven heb ik zo’n verrukkelijk cadeau gehad.
Het paard brieste en stampte, de majoor lachte vrolijk. Geuren van meibloesem woeien naar binnen en de zon scheen op ons alle drie. Alle vier eigenlijk, als je het paard meerekent.
De zon? Onzin. De salon lag pal op het noorden; er kwam nooit een straaltje zon naar binnen. Er moet iets anders geweest zijn waardoor de wereld van goud leek.
Haar eerste jeugdjaren bracht Annie in grote geborgenheid door. Truida Schmidt concentreerde al haar liefde, aandacht en zorg op het dochtertje dat ze op de valreep nog gekregen had. ‘Ik zou je ’t liefste in een doosje willen doen’, zoals ze zei. ‘Als een dikke spinnende moederpoes’ die alles wegblaast, dribbelde ze om Annie heen. ‘Ik was een kostbaar kleinood dat bewaakt en afgeschermd moest worden.’ Urenlang zat ze haar voor te lezen en liedjes met haar te zingen, en al snel was het kind zelf in staat Ot en Sien te spellen. Op vierjarige leeftijd zou ze zelfs haar eerste gedichtje gemaakt hebben:

Er was eens een hond,
die zat op z’n kont
er was eens een kat
die zat op z’n gat.

Dat haar vader iets bijzonders was binnen het dorp, besefte Annie al vroeg. ‘Hij was de baas van de kerk. En de kerk met z’n hoge toren was het middelpunt van het heelal. Elke middag om twaalf uur luidde de koster eigenhandig de torenklok.”

 
Annejet van der Zijl (Leeuwarden, 6 april 1962)
Cover

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

The Earthquake Days

In the earthquake days I could not hear you over the din or it might have been
the dinner bell but that’s odd
because I’m usually the one
cooking if not dinner then
a plan to build new fault lines through the dangerous valley.

I can’t give you an answer right now because I’m late for my 
resurrection,
the one where I step into my angel offices and fuck
the sun senseless.
That eclipse last week? Because of me.
You’re welcome.

The postman rattles up with your counter offer and I’m off
to a yoga class avoiding your call yes like the plague
because son you can read
in the dark and I have no
hiding place left.

You know me too well and you know it.
We walk hand in hand down the hill
into the Castro
avoiding the nudist protest not because we are afraid but
because we already know all about this city, its engineered 
foundations,
the earthquake-proofed buildings, the sea walls.

No tempest will catch us unaware
while we claim our share of
the province of penumbral affections.
You have no reason
to trust me but I swear I lie

down in this metal box as it thunders and looks
inside my brain. I am terrified nothing
is wrong because otherwise
how will I rewrite the maps unmoored
a deep sea a moor a cosmonaut

Who needs saving more
than the one who forgot
how the lazy cartographer mislabeled
his birthplace as Loss?
Riding the bus out to the end of the lines and back

I collect trash for art, oil spill, spent forest, the mind
is at work and everything is at stake. I demand
statehood for my states of mind, senators
for my failure, my disappointment, the slander
and my brain unmapped reveals no

explanation for danger the ground untamed.
I make paintings of nothing and
stand before them like mirrors.
I recently became a man but I do
not want to let go of my weakness,

instead want to meet God in heaven and in long psychotropic odes
have Him send me again digging in the dirt to unleash
tantric animal governors to lay down
the orgasmic law twice skewered and miserable
in the old photographs, miserable in my body, huddled

next to my mother, recently permed and aglow so unaware
of what is about to hit her. I am the answer to Bhanu’s question:
“Who is responsible for the suffering of your mother?” and so sick
I considered that sickness

could bring us closer and Shahid and Allen in heaven
slap me silly because they want me to know that
this world is worth its
trembling. At the next table over a mother
tries to reconcile her bickering sons. I have
no brother but the one

I invent has always got my back, he drowns
out the mullahs so my mother can
hear me finally. In a different book Jesus
never suffered, never was flogged or died
went whole into heaven without passion.

Shall I then deny myself passport through the stark places
unsalvageable, imagine it, the Mother
of Sorrows did never grieve in the new season
trees smell of semen and the tectonic plates
make their latest explosive move:

to transubstantiate my claim
by unveiling this city down to its stone.

Everyone I know wants to douse
the hungry flames, flee the endless aftershocks,
unravel every vexing question.

You owe me this witness.
I owe you the fire.


Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

 

De Duitse dichteres Uljana Wolf werd geboren op 6 april 1979 in Berlijn. Zie ook alle tags Uljana Wolf op dit blog.

dust bunnies

wir wollten über kleine tiere sprechen, wollten auf die knie gehen für die kleinen tiere, jene aus staub und schlieren, in ritzen und dielen, jene, die in grauen, feilen frieren, unsere tiere aus nichts, wir wollten auch ganz nah in deiner spräche und in meiner hauchen, sag mir liebes, hast du heute schon gesaugt, nein, wir wollten unsere tiere nicht erschrecken, klein wie flecken, sind das flecken, haben sie nicht puschelscbwänze, lange löffel, oder lange schwänze, tuschelohren, wollten wir nicht weniger rauchen, weniger husten, weniger entweder oder sein, gestern war die zimmerecke einsam in ihrer knarzenden öde. heute ist sie hort, heute zärtlichen horden ein port, wir wollen also still sein, auf den knien lauschen: unsere kleinen tiere, wie sie ihre wollenen, mondgrauen namen tauschen.

 

bougainville

0
gestippelde ochtend hoe die vanonder de mist
opstijgt alsof ’t door vloeiblad heen weekt
waterverven, val van bladpunten, val van tuiten
als van tule, een twijgje schilt zich uit het kostuum
heeft geen lijf, rekt zich, bezint zich op (groen) en
de zenuwpunten in de schouder van het dal groeten
het bewegen, de arm, ze leggen de hand op tafel
bij de knoppen, bloesems, de niet te vatten lucht –

1
ontbreken de steunbladeren ontbreekt de bevattelijke
grond om je heen en is zo één verhouten complot
een plaats delict van beschrijving: vliezig, geribd, zo
is vaak de griffel bezet met papillen, snap dat, zonder
een kijken naar, blootgesteld enkel aan het op elkaar
botsen van vocalen tussen haren, doorns, kan dat vergroeien
laat zich dat binnenhalen, gerafelde zoom fluweel soms
lancetachtige bladschijf, kopieer dat, tweeslachtige signalen –

 

Vertaald door Annelie David


Uljana Wolf (Berlijn, 6 april 1979)

 

De Roemeense schrijver, journalist en literair criticus Iulian Ciocan werd geboren op 6 april 1968 in Chisinau, in de toenmalige Sovjet Socialistische Republiek Moldavië. Zie ook alle tags voor Iulian Ciocan op dit blog.

Uit: The Queen of Hearts (Vertaald door Alistair Ian Blyth)

“Sergeant Jora Kureki was summoned to the Telecentru Sector Police Station to be entrusted with a new mission: he was to patrol the danger zone around the huge pit day and night. Captain Putinelu, with his permanently puffy face, affectionately put his arm around Kureki’s shoulders, trying to mollify his disgruntlement.
“It’s an order from the top, Jora . . . we haven’t got any choice . . . you’ll stroll around that damned pit, you’ll warn people out walking late not to get too close to the edge, you’ll shoo away drunkards, so that they won’t tumble into the chasm. You’ll even be able to take quick naps on a bench. It’s summer, it’s warm, it’s pleasant to be out at night, Jora!”
Captain Putinelu gave an understated smile and studied Kureki closely with his eyes.
“Yes . . . but, why do I have to go and walk around in the middle of the night, boss?” grumbled Jora Kureki. “I’m busy with the case of the dustbin that went missing from the yard of the Prosecutor’s Office —”
“I told you the order came from the top, Jora. And in that order, it says quite clearly that the policeman assigned to patrol the danger zone is sergeant Kureki. Or maybe you’d like me forget about the whole thing and find a replacement for you?”
Captain Putinelu cast his dissatisfied subaltern a reproving look.
“Yes, but . . . how many nights am I going to have to hang around the pit?”
“I’ve got no idea, Jora! As long as it takes. In other words, for as long as there’s a pit.”
“But it’s a bit big, boss . . . who knows how long it’ll be there. What are we supposed to do? Walk around the pit like lunatics for months or even years?”
“You’ve started to talk out of turn, lately, Jora. Do what you’re told and be thankful that you’ll be getting overtime! Now, get out of here, because I don’t have time to listen to your moaning,” said the captain with the permanently puffy face, raising his voice.”


Iulian Ciocan (Chisinau, 6 april 1968)

 

De Duitse schrijver en dichter Günter Herburger werd geboren op 6 april 1932 in Isny im Allgäu. Zie ook alle tags Günther Herburger op dit blog.

Uit: Das Glück: Eine Reise in Nähe und Ferne. Photonovelle

„Der nächste Winter Frühmorgens, die Kälte sickerte in die Poren, sahen Wege aus wie Pfeile, die sich irgendwo verloren. Milchtanker, denen ich begegnete, fuhren hart am Rand und scheuchten in den Schnee. Als ein Astronaut landen wollte, rief er in sein Mikrophon oder Belebungsgerät, die Ebene kenne er schon! Es war eine Enklave zwischen dem Weiler Neutrauchburg und den Menelzhofener Höhen im Allgäu. Meine beiden Großmütter – die eine trug Ringe aus abgeschnittenen Stielen silberner Teelöffel, die andere war Erbauerin begehbarer Schränke – flüsterten aus dem Gezweig: Ras Alhague und Ras Alghet. Ich schlug im Sternenatlas nach und fand Nachbarschaften wie Regulus und Krebs, Bellatrix und Beteigeuze, verbunden durch Entfernungen, die wir nicht begreifen. Im vormaligen Pulverturm arbeitet noch ein Töpfer, dessen Haare schwinden. Er lädt zu Kursen ein, und wenn die Teilnehmer, es sind meist Frauen, laut werden, zeichnet er mit Kreide eine Höhle auf die Tafel, die Dschebel Kafzeh heiße, ein Fundort bei Nazareth für menschliche Skelette aus der Riß-Würm-Warmzeit. Weit weg in der Kälte wurde ein Gehäuse aus Eisenblech, das früher einen Wasserfall mit einer Flachsspinnerei verband, aufgerichtet. Das hohle Monstrum scheint, je näher wir kommen, zu wachsen. Wo ich geboren wurde, werde ich wieder sein. Es gibt noch enge Gassen, alle Mauern sind alterslos getüncht, doch dahinter gewinnen träumerische Gesänge an Macht. Draußen hat sich wieder Kälte ausgebreitet, so daß die Säume der Wälder Jackenfutter gleichen. Füchse, die vorbeikommen, stellen ihren Schwanz hoch und schnaufen verächtlich. Aas, das am Weg liegt, ist kaum mehr zu riechen. Kettensägen und Schaufelbagger sind vorrätig im Wald, der, solang er noch steht, Wind und Frost in sich behält. Wer seine Handschuhe auszieht, wird daran erinnert.”

 
Günter Herburger (6 april 1932 – 3 mei 2018) 

 

De Deense schrijver en journalist Jakob Ejersbo werd geboren in Rødovre op 6 april 1968. Zie ook alle tags voor Jakob Ejersbo op dit blog.

Uit: Liberty (Vertaald door Ulrich Sonnenberg)

„Vor drei Monaten begann Vater als Chef der Buchhaltung einer Zuckerplantage, die TPC heißt – Tanzania Planting Corporation. Sie gehörte der Reederei Mærsk, wurde aber von der tansanischen Regierung verstaatlicht. Doch für die nächsten Jahre hat Mærsk noch einen Vertrag und soll den Eingeborenen beibringen, die Plantage zu betreiben. Sie liegt ein Stück südlich der Stadt Moshi, in der auch die Schule ist. Vater dreht sich auf dem Vordersitz um. »Bist du okay, Christian?« »Wann fahren wir zu unserem Haus?«, möchte ich wissen. »Später«, sagt Vater. »Es ist erst sieben.« Er hat mir erzählt, dass die Dunkelheit am Äquator früh und sehr plötzlich kommt. Mein Kopf fühlt sich leicht an. Ich könnte töten für eine Zigarette. »Okay«, sage ich und schaue aus dem Fenster, der Himmel ist mit klaren Sternen übersät, die sich bis zum Horizont erstrecken. Wir erreichen eine T-Kreuzung, an der Holzschuppen und kleine gemauerte Häuser ein schwaches Licht in die Dunkelheit werfen. Es sind Läden auf bloßem Erdboden. Dunkle Gestalten bewegen sich zwischen ihnen. Wir biegen rechts ab in Richtung Moshi. »Dies ist eine der besten Straßen des Landes«, erklärt mir mein V ater. »Fast keine Schlaglöcher.« Die Dunkelheit hüllt uns völlig ein. Es gibt so gut wie keinen Verkehr, und Katriina fährt schnell. Die Straße beginnt, kurviger zu werden, und führt bergab in eine Schlucht – die vorderen Scheinwerfer erleuchten steile Felswände auf beiden Seiten. »Was ist das denn!?«, stößt Katriina aus und tritt die Bremse durch, gleichzeitig reißt sie das Lenkrad herum, um einem großen belaubten Ast auszuweichen, der auf unserer Seite der Straße liegt. Die Bremsen blockieren, der Wagen rutscht auf den Ast und schiebt ihn vor sich her, bis wir zum Stehen kommen.
»Dort hält jemand«, sagt Vater. Ein Stück weiter vorn kann ich undeutlich einen dunklen Kasten erkennen, die Scheinwerfer liefern nur ein diffuses Licht durch das Laub des Asts. »Straßenräuber?«, fragt Katriina. »Glaub ich nicht«, erwidert Vater und öffnet die Tür. »Der Ast ist ein tansanisches Warndreieck.« Ich steige ebenfalls aus und helfe ihm, den Ast von der Frontpartie des Wagens zu ziehen, während K atriina zurücksetzt. Wie ich jetzt erkennen kann, handelt es sich bei dem Kasten um einen Lastwagen, der an eine der Felswände geprallt ist und quer auf der Fahrbahn steht – ein großer frischer Zweig steckt an der hinteren Stoßstange. Wir schleppen den Ast wieder an seinen Platz auf der Fahrbahn. Bei dem verunglückten Lastwagen sehe ich niemanden mehr.“


Jakob Ejersbo (6 april 1968 – 10 juli 2008)
Cover

 

De Nigeriaanse dichter en schrijver John Pepper Clark werd geboren op 6 april 1935 in Kiagbodo, Nigeria. Zie ook alle tags John Pepper Clark op dit blog.

Uit: Song Of A Goat

“ZIFA: …You
Said I should make sacrifice to the gods.
These past several years we have none of us
Followed your word. Being the elder,
I agree, I am to blame for this.
But now I obey you and will make instant
Sacrifice to the gods.
ORUKORERE: But you are
As yet not cleansed, and for that matter all
The concession is reeking with rot and
Corruption.
ZiIFA: In that case, it needs drastic
Cleansing, which is what we shall now all perform.
ORUKORERE: Be careful, son, and do nothing that is
Rash. When the gods ask for blood it is
Foolish to offer them oil.
(…)

ORUKORERE: Take away The light.
Will you take away your lamp?
What, am I become so like a statue
That discovered among ruins in
The sun-set day, you wonder at
Yet will not bow down to? I know
I have lost both my face and limbs.
Recognition therefore’s become a thing
For houseflies and bats, has it? I say
Let there be no light again in this house.”

 
John Pepper Clark (Kiagbodo, 6 april 1935)
Cover;

 

De Oostenrijkse schrijfster Brigitte Schwaiger werd geboren op 6 april 1949 in Freistadt. Zie ook alle tags voor Brigitte Schwaiger op dit blog.

Uit: Lange Abwesenheit

„Und wie überlegen du mir jetzt schon wieder bist. Aber ich glaube nicht, dass du dich hast aufnehmen lassen in die große Gemeinschaft der Heiligen. Du sitzt irgendwo allein und verfluchst Mutter, weil sie dir nicht die Wärmflasche bringt. Du willst nicht zusammen mit den gewöhnlichen Toten rund um den Herrgott sitzen. Wenn es einen Herrgott gibt, sagtest du einmal, dann soll er die Krankheiten abschaffen! Der Herrgott sollte dir lieber eine Wärmflasche geben, Kamillentee und Schafwollsocken. Und eine Zeitung. Aber hab Geduld, wir kommen ja nach. Großmutter ist schon recht alt. Und wir sind auch sterblich. Dann bringen wir dir Zigaretten und lassen uns wieder von dir erzählen, wie du geritten bist am norwegischen Eismeer, was für dicke Lachse du gefischt hast, und wir bewundern dich. Und wenn Mutter und die Schwestern schlafen gegangen sind, bleibe ich in der Küche sitzen und frage dich, ob du dich erinnerst an das weiße Kleid, wie ich im weißen Kleid zu dir gekommen bin, wie du das sagtest von der kleinen Geliebten, wie eine kleine Geliebte, wie eine heimliche Geliebte, und du antwortest: Ja, ja. Dann gehst auch du schlafen, und ich sitze allein in der Küche, trinke den Bierrest aus deinem Glas, werfe deine Zigarettenstummel weg, schaue nach, von wem die Ansichtskarten sind, die an der Holzleiste hinter deinem Essplatz stecken. Patienten, die auf ihren Urlaubsreisen an dich dachten, Sportfliegerfreunde, Kriegskameraden, lauter Menschen, die einen besseren Weg zu dir wussten als ich. Meine Briefe hast du nie beantwortet. Wer war ich denn. Nur eine von den vier Töchtern, die dir das Leben vergällten. Gute Nacht, sage ich. Gute Nacht, sagst du in dem Ton, der zugleich ein lautes Seufzen ist, ein Vorwurf von dir an dich selbst, uns gezeugt zu haben. Du tatest mir oft leid, wenn ich uns so anschaute. Aber auch wir haben uns dich und Mutter nicht ausgesucht. Ich hasse mich selbst, wie ich jetzt kerzengerade stehe vor einem Fleck Erde, unter dem du wahrscheinlich kerzengerade liegst. Jeder an seinem vorläufigen Platz. Ein rechter Winkel zwischen dir und mir. Ich bin gekommen, um Andacht zu halten. Aber du sagst nichts, und ich spüre nur mein Lebendigsein. Papa, lieber. Wir haben ein Papier bedrucken lassen mit deinem Namen und deinem Bild. Sympathisch bist du da, blickst ernst und pflichtbewusst. Der gute Arzt. Ich trage dich in meiner Handtasche herum. So ein Vater, den man auseinanderfalten und herzeigen kann.“


Brigitte Schwaiger (6 april 1949 – 26 juli 2010)

 

De Franse schrijver, dramaturg en dichter Julien Torma werd geboren in Cambrai op 6 april 1902. Zie ook alle tags voor Julien Torma op dit blog.

Antiques

Olympie, ô l’impie,
je rêve aux rives
de la saine Seine

Qui vive ?
Il y a des pies
à Olympie.

Les pies prient
les aines saines
loin des arbres

Les impies expient
le bris des débris
dans les abris des marbres

Au bruit des bris
les pies pépient et fuient
dans les arbres

Les rives des aines
rivent leurs plis
sans haine.

 

Le devoir des victimes

La toile cirée se lève
Sur L’Acte Zéro du Drame

Condamnés à mort, pelotez les guillotines en soutien-gorge
Dressées sur des soucoupes !
François-Donatiens, raffinez le suc des crèmes fouettées
Dans les châteaux mollets de la Rostopchine !

L’exécution capitule

Éclairant sa dent creuse d’un mégot à vif
Le cœur coincé entre l’omoplate et la glande pinéale
A travers les socs morts
Et les escouffes de la barbe d’Adam
Sous les coups de feu de la sentinelle
(très vite) Le loulou loue l’août lourd.


Julien Torma (6 april 1902 – 17 februari 1933)

 

ie voor nog meer schrijvers van de 6e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Kazim Ali, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Annejet van der Zijl, Julien Torma, Nicolas Chamfort

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Dear J.

It should be a letter
To the man inside
I could not become
Dressed in yellow
And green, the colors of spring
So I could leave death
In its chamber veined
With deep ore
I’ve no more to tell you
Last winter I climbed
The mountains of Musoorie
To hear frozen peals of bell and wire
A silver thread of sound
Sky to navel
Draws me
like the black strip
in a flower’s throat
meant to guide you in
I lie now in the winter
open-petaled beneath Sirius
I cereus bloom

 

Bright Felon Dvd Extra/Alternate Ending

In the convicted evening I am a victor struck loose and restless,
creeping for the unlocked window.
The family inside at the dinner table is mine.
Listening to the escape story on the radio, my mother’s hand freezes
in the air halfway to her mouth.
She realizes it’s me they’re talking about.
Lightning by lightning the minute before thunder.
Streets as empty as a beach before rain.
My hand on the cold glass.
Car alarm, tornado warning, catastrophe.
Who remembers the criminal son, free of the labyrinth and still
unsought, unthought of.
Oh when will the streetlamps blink out so my father can appear furtive
at the door and beckon me furiously in.

 
Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)
Foto: Tanya Rosen-Jones 

Doorgaan met het lezen van “Kazim Ali, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Annejet van der Zijl, Julien Torma, Nicolas Chamfort”

Kazim Ali, Annejet van der Zijl, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Julien Torma, Nicolas Chamfort

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Speech

How struck I was by that face, years ago, in the church mural:
Eve, being led by Christ through the broken gates of Hell.

She’s been nominated for the position of Featured Saint
on the Icon of Belief, up against the dark horse candidate—

me: fever-ridden and delirious, a child in Vellore, unfolding
the packet around my neck that I was ordered not to open.

Inside, a folk cure, painted delicately in saffron.
Letters that I could not read.

Why I feel qualified for the position
based on letters I could not read amounts to this:

Neither you nor I can pronounce the difference
between the broken gates and the forbidden letters.

So what reason do we need to believe in icons or saints?
How might we otherwise remember—

without an image to fasten in that lonely place—
the rock on which a Prophet flung himself into fever?

Without an icon or church, spell “gates of Hell.”
Spell “those years ago unfolding.”

Recite to me please all the letters you are not able to read.
Spell “fling yourself skyward.”

Spell “fever.”

 

Open House

Lost in the summer afternoon
The house’s upper floors disappear
What is it for me to be
At the beginning of a new life
When I knew nothing
Of the old.

 
Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

Doorgaan met het lezen van “Kazim Ali, Annejet van der Zijl, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf, Brigitte Schwaiger, Julien Torma, Nicolas Chamfort”

Kazim Ali, Annejet van der Zijl, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Renunciation

“The Sailor cannot see the North—but knows the Needle can—”

The books were all torn apart, sliced along the spines
Light filled all the openings that she in her silence renounced

Still: her handwriting on the papers remembered us to her
The careful matching of the papers’ edges was a road back

One night Muhummad was borne aloft by a winged horse
Taken from the Near Mosque to the Far Mosque

Each book likens itself to lichen,
stitching softly to tree trunks, to rocks

what was given into the Prophet’s ears that night:
A changing of directions—now all the scattered tribes must pray:

Wonder well foundry, well sunborn, sundered and sound here
Well you be found here, foundered and found.

 

Ramadan

You wanted to be so hungry, you would break into branches,
and have to choose between the starving month’s

nineteenth, twenty-first, and twenty-third evenings.
The liturgy begins to echo itself and why does it matter?

If the ground-water is too scarce one can stretch nets
into the air and harvest the fog.

Hunger opens you to illiteracy,
thirst makes clear the starving pattern,

the thick night is so quiet, the spinning spider pauses,
the angel stops whispering for a moment—

The secret night could already be over,
you will have to listen very carefully—

You are never going to know which night’s mouth is sacredly reciting
and which night’s recitation is secretly mere wind —

 
Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

Doorgaan met het lezen van “Kazim Ali, Annejet van der Zijl, John Pepper Clark, Jakob Ejersbo, Günter Herburger, Uljana Wolf”

Kazim Ali, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Günter Herburger, Uljana Wolf

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Prayer

Denuded and abandoned I recite
but what do I want

To rise again from the ocean
or be buried alive in the surge and sleep

To be a fearsome range in a single body
or to wind my unity down into depth

Missing in action, ghost-like
bobbing in the distance

Singing psalms to terrify myself
into deciding:

So long liberation

My time in the world was
only a gesture

My body a lonely
stranger

an ache
I never knew

 

The Fortieth Day

Seeing your way clear
of endless storm

A raft carries you across
the unstruck sound

You leave off the body
no one’s playing

Every one looking for some thing
newer than death

 
Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

Doorgaan met het lezen van “Kazim Ali, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Günter Herburger, Uljana Wolf”

Kazim Ali, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Günter Herburger, Uljana Wolf

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

Autobiography

we didn’t really speak
my summer wants to answer

the architecture doesn’t matter
this is not my real life

when I am here I want to know
why do I believe what I was taught

a storm is on the way
close all the windows

begin at the earliest hour
is there a self

 

Rain

With thick strokes of ink the sky fills with rain.
Pretending to run for cover but secretly praying for more rain.

Over the echo of the water, I hear a voice saying my name.
No one in the city moves under the quick sightless rain.

The pages of my notebook soak, then curl. I’ve written:
“Yogis opened their mouths for hours to drink the rain.”

The sky is a bowl of dark water, rinsing your face.
The window trembles; liquid glass could shatter into rain.

I am a dark bowl, waiting to be filled.
If I open my mouth now, I could drown in the rain.

I hurry home as though someone is there waiting for me.
The night collapses into your skin. I am the rain.

 
Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

Doorgaan met het lezen van “Kazim Ali, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Günter Herburger, Uljana Wolf”

Kazim Ali, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Günter Herburger, Uljana Wolf

De Amerikaanse dichter, schrijver en essayist Kazim Ali werd geboren op 6 april 1971 in Croydon, Engeland. Zie ook alle tags voor Kazim Ali op dit blog.

 

Hymn

 

My father’s silence I cannot brook. By now he must know I live and well.

My heart is nickel, unearthed and sent. We are a manmade catastrophe.

Unable to forgive, deeply mine this earthly light that swells sickly inside.

Like wind I drift westward and profane when the doors of ice slide open.

While he prays my father swallows the sickle moon, its bone sharp path spent.

Preyed upon by calendars of stone unbound the nickel of the mountain in streams.

Mine this awful empty night. Mine this unchiming bell, his unanswered prayers.

Mine the rain-filled sandals, the road out of town. Like a wind unbound this shining river mine.

 

 

Sleep Door

 

a light knocking on the sleep door

like the sound of a rope striking the side of a boat

 

heard underwater

boats pulling up alongside each other

 

beneath the surface we rub up against each other

will we capsize in

 

the surge and silence

of waking from sleep

 

you are a lost canoe, navigating by me

I am the star map tonight

 

all the failed echoes

don’t matter

 

the painted-over murals

don’t matter

 

you can find your way to me

by the faint star-lamp

 

we are a fleet now

our prows zeroing in

 

praying in the wind

to spin like haywire compasses

 

toward whichever direction

will have us

 

 

Kazim Ali (Croydon, 6 april 1971)

Doorgaan met het lezen van “Kazim Ali, Jakob Ejersbo, John Pepper Clark, Günter Herburger, Uljana Wolf”