Micha Hamel, Maria van Daalen, María Cecilia Barbetta, Peter Orlovsky, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Jean de La Fontaine, Julius Mosen

De Nederlandse dichter, componist en dirigent Micha Hamel werd geboren in Amsterdam op 8 juli 1970. Zie ook alle tags voor Micha Hamel op dit blog.

Meer over vaders dood…

Meer over vaders dood.
Ik vertelde het op mijn werk. De secretaresses mompelden,
slordig verwarde handen afvegend aan de kokerrok. Gebruikelijk
drentelen, pulken, wegkijken,
en dan ineens vieze koffie gaan halen.

Een ogenblik later plant ik mij neer en leg mijn handen op het
koele formica,
het bekertje middenin.
Twee Russen, korte beentjes, zwijgzame violisten van de eerste stoel
op wier kinderhand het riet was neergekomen bij elke onzuivere
noot,
– en nu dus met die worstenvingers viool kunnen spelen –

ze rezen voor me op als bomen, ze huilden
zulke dikke tranen achter plusbrillen.
Een dubbele omhelzing van hout, en langs hen heen
zag ik wegrijdend de slee over de taiga,
de bloemen, de troost, de geruisloze mens

 

In Paradisum

Ook anorexia-meisjes hebben hun nut
bijvoorbeeld voor de schoorvoetende
verliefdheid van knapen die het nog niet
op lichamelijkheid kunnen laten
aankomen en verlangen naar een on-
bezoedelde omarming met een echt levend
tijdschriftmeisje of ganzig ballerinaatje
uit het corps dat gedwee haar spiertjes
rolt en in wonderland de narcis danst.

Een vermeend meisje, een wolk, een kind onaangetast
door vaders boze tengels, maar vooral intact
gelaten door zichzelf, borstloze bewoonster van
virtueel Arcadië die ostentatief weigert
over haar lichaam te beschikken, als zeide zij
ik ben een stil doorschijnend diepzeevisje in jouw aquarium
breng je mij omhoog ben ik een koud prulletje in je hand
een kinderlijkje, een zakje orgaanvlees op het strand.

Lofwaardig is haar streven want hoezeer
is vergeestelijking niet bezongen
door de beeldhouwer die strijdt tegen steen
door de flagellant die het vlees pijnigt en veracht.

Modebeeld dank u voor de jonkies die glad
van hormoonstoornissen onverplicht door mijn luchtruim
kruisen als engelen op een fresco
met een zeepbel achter hun hoofd.

Proef de zuiverheid van deze ootmoedige liefde
waarin seks en geweld niet langs de decoder kunnen.

Zie in gedachten de geloken ogen van Maria,
de kinderbeentjes van het nichtje dat op schoot kruipt,
de eenvoudig afgewerkte randjes van een wit hema-slipje.

Breng dit samen in een beeld
Heb geen bijgedachten
Neem afstand
Mijmer over de kindertijd
Roep op de golvende ontroering van de eerste geziene spleet.

Het is een lief restje rosbief in de hoek van de koelkast
Het is een gebitsloos mondje op de witte tegels van het slachthuis

(Trouwens, ook Fellini had angst voor de kut)

Micha Hamel (Amsterdam, 8 juli 1970)


De Nederlandse dichteres en schrijfster Maria van Daalen werd geboren op 8 juli 1950 in Voorburg. Zie ook alle tags voor Maria van Daalen op dit blog.

Uit: Carissimo Angelo

“Nunziata, 26 maart, A.D.
Niets heb ik meer gedaan, vanmorgen, sinds je bent weggegaan. Ik heb alleen maar in bed gelegen en gestaard naar het stukje lucht dat nog net zichtbaar is in het dakraam. Langzaam veranderde het van kleur: een grijze nevel, een gouden moment, een blauwe hemel. Zoals je ogen. Maar die zijn helemaal niet blauw, die zijn bruin, bijna zwart. Glanzend als je haren en net zo donker. Weet je dat die wel rood lijken, krullend rood. Gistermiddag. We lagen in een baan zonlicht die precies op het bed stond, je hoofd lag op mijn buik, ik voelde je tong langs de rand van dat beetje zwarte krulhaar dat ik heb en ik zei je naam even heel zachtjes en je keek met een ruk op – in die beweging kleurde je haar dieprood, het stond als een aureool uit om je hoofd en je ogen, in de schaduw, leken nog zwarter… ‘Saluto, Maria,’ zei je. Je mondhoeken, die altijd iets opgetrokken staan, tegelijk spottend en glimlachend, trokken nog iets hoger zonder dat je lippen uit elkaar gingen – terwijl ik toch duidelijkje tong had gevoeld. Voordat je hoofd weer in de kom van mijn heupbeenderen lag voelde ik je vinger, die ruimte maakte, die je voorzichtig ronddraaide over de lichte bolling na het begin van de opening. Als vanzelf gingen mijn knieën wijd uiteen en mijn hoofd trok kreunend achterover.
Ik lees; hij komt binnen. Ik schrijf; en het begint te waaien. In een brief aan hem noteer ik ook altijd wat voor weer het is, alsof ik het zelf gemaakt heb. Op mijn stemming heeft het geen invloed. Ik stel mij zijn ogen voor, wat voor weer het dáár is, achter die zwarte pupillen; ik stel mij zijn lange spitse vingers voor. Elke ervan begint als een vinger en loopt uit in een vingertop zo smal als een gedachte, als bidden met opgeheven handen. Zó uit een Giotto gestapt; ik mis de gouden achtergrond, telkens als ik hem zie.
In het blauw van de hemel zag ik het groen van de rivier. Herinner je je dat we over een smalle brug gingen, die aan weerskanten verdween in de wilgen en in zo hoog riet (dacht ik) dat het mij overschaduwde; maar jij zei dat het bamboe was. We stonden middenop stil en leunden over de brug; onder ons waren kleine forellen die zich steeds op dezelfde plaats hielden, tegen de stroom in, met een klap van hun kleine staarten.
De dag nadat je was weggegaan liep ik nog een keer dezelfde wandeling; aan het begin van de brug stond ik stil en staarde over de volle lengte naar de wuivende bamboe. Een vogeltje vliegt aan over de brug, het heeft iets in zijn bek dat felgekleurd is, ik kijk en voor mijn voeten valt een helderrode kers.”

Maria van Daalen (Voorburg, 8 juli 1950)


De Duitstalige schrijfster María Cecilia Barbetta werd geboren op 8 juli 1972 in Buenos Aires. Zie ook alle tags voor María Cecilia Barbetta op dit blog.

Uit: Nachtleuchten

„Nun steckte sie den Kopf durch den Türrahmen des elterlichen Gemachs und musste die Augen zusammenkneifen. Sie wurde von der hereinfallenden Sonne geblendet, die den Raum überfl utete und alles darin in eine beißende Helligkeit tauchte. Teresa blinzelte, dabei wechselten Hell und Dunkel so oft, bis ihre Augen sich an die Lichtfülle gewöhnten und nicht länger schmerzten. Die Mutter hatte den Rücken mit einem Kissen gestützt; um sie herum erstreckten sich geheimnisvolle Stoffl andschaften, schattige und goldene Bahnen liefen in abgelegene Gefi lde aus, dazwischen warfen sich Falten auf, es waren ihrer so viele wie bei einem kostbaren Umhang. Wie eine Erscheinung kam die Mutter der Tochter vor, wie die wohltätige weiße Madonna in der Grotte, wo die Quelle des Lichts nur sie sein kann, die strahlende Mutter, die einen über die Entfernung ruft und zu der man pilgert, weil sie Wärme und Trost spendet, weil man sich seiner Fehltritte schämt und um Verzeihung bitten möchte. Die Mutter lächelt gütig und winkt die Tochter zu sich heran. In solchen Augenblicken geschehen Wunder, denn durch dieses unmissverständliche Zeichen vergisst die Tochter die Beschwerden und Strapazen des Weges, die nächtlichen Stunden der Trennung, das Wachen an der Schwelle der Kindheit, das Bangen um die Mutter, die erdrückende Ungewissheit im Herzen und den Alb in den Träumen, den unerträglichen Durst mitten in der Nacht, das Aufstehen und sich Vorantasten im Halbdunkeln, das Aufhorchen in der Nähe des Badezimmers, das Aussetzen des Atems und das Lauschen an der Tür, die eiskalten Kacheln, die nackten Füße wie Mondsicheln und die aufkommende Reue, denn heute erinnerte Teresas Mutter mit ihrem off enen Gesicht und ihren zurückgesteckten schwarzen Haaren an die Santísima Virgen del Monte, an die Heilige Jungfrau auf dem Berge, oder auch an die wunderschöne Virgen del Cerro, Unsere liebe Frau am Hügel, vor der die Pilger gern hinknien, um die am Wegesrand gepfl ückten Blumen abzulegen und mit ihnen die ganze Müdigkeit und die Sorgen. Der Platz des Vaters war leer und sein Pyjama zusammengeknüllt. Die Tochter stieg auf das Ehebett, um auf Augenhöhe mit dem Gemälde der Heiligen Familie sich Sankt Christophorus anzuvertrauen, einen Fuß zwischen die langgestreckten Beine der Mutter zu setzen und mit dem nächsten Schritt die andere Seite zu erreichen. Während der Überquerung wanderten die Blicke der Mutter über das Nachthemd der Tochter.“

María Cecilia Barbetta (Buenos Aires, 8 juli 1972)


De Amerikaanse dichter Peter Orlovsky werd geboren in New York op 8 juli 1933. Zie ook alle tags voor Peter Orlovsky op dit blog.

Uit: My Dear Boy: Gay Love Letters Through the Centuries

“PETER ORLOVSKY TO ALLEN GINSBERG

{New York]
April 22, 58
Dear Allen:
. . . Hi Allen – hay-ho doll – come on over and blow me you sexy ass of yours under the sheets that I feel all the time – right there between my hands – I miss the shoe shine you’d give my cock! – God – you know I’ve layd nobody since we last made it together – God for all I know my cock may be getting rusty like a dusty kings crown in dewy dungen – I’m sick of all this crying – the world is never going to end all this sadness – I’m going to marry good woman & grow my own love army . . .

[New York]
June 23, ’60
Dear Allen with dark Indian Death Eyes:
. . . I also thought, Yesterday, that you (in yr last letter said our Peyote High scared you when I laffed) feel I do harm to myself if we seperated & you get married (children) or I get mad at you & so I think now what ever we do (weather I turn into cockerroch cralling along 1st Ave coblestones & get Xed by truck) (both get married or just you) (as you fell in love with John Weiners or bring back new boy friend from Lima as you want to go away alone by yr self to india hill cave – or sit on my cock & talk it over & lay down & do it again, as you get married & I take care of yr baby while you blink in Jungle Storms or open the door & say “Now Peter you just cant stay around & do notheing all the time” – or be happey to each other at important times – maybe I am yr Child & you dont know it Allen – Alen I love you, Allen, Please Allen give me a sapey (sap) kiss – . . .
     Write me more if you want I sail yr heart
         Love from 33 st. P.O. Peter
             by by now”

Peter Orlovsky (8 juli 1933 – 30 mei 2010)

 

De expressionistische Duitse schrijver en dichter Walter Hasenclever werd op 8 juli 1890 in Aken geboren. Zie ook alle tags voor Walter Hasenclever op dit blog.

Uit: Der Bankier und der Dichter. Ein Gespräch über Dichtung

„Der Dichter: Ich gebe Ihnen ohne weiteres zu, daß das Ansehen der Lyrik im Publikum seit einiger Zeit gesunken ist. Ich mache dafür niemand anders als die Dichter selber verantwortlich! Weder die Raserei im Kosmischen, noch die Wut im Metaphysischen (lassen Sie mich schweigen von den Marktweibern in der Lyrik), hat uns reicher gemacht. Die Dichter, unsere Vorfahren, haben allzuviel besessen. Wir müssen wieder zu dem Mythos zurückkehren, wo der Dichter Gottes ärmstes, aber auch liebstes Kind ist.
Der Bankier: Entschuldigen Sie, wenn ich realer bin: wir erleben vor uns das Schauspiel der Aeroplane und Luftathleten. Vielleicht kann uns, während wir reden, eine Maschine von oben auf den Kopf fallen. Das wäre vor 10 Jahren noch nicht möglich gewesen. Weshalb sollte der Dichter nicht dieser Katastrophe zuvorkommen und das sagen, was schließlich für alle modern ist?
Der Dichter: Sie vergessen, daß dies bereits geschah! Die Lyrik, von der Sie sprechen, ist dagewesen. Wir kennen den Rhythmus der Maschinengewehre und können Verse bauen, mit denen man Tunnels sprengt. All das scheint mir nicht mehr aktuell; es ist wichtiger, gegen die Zeit zu sein, indem man ihr eine Distanz zu sich gewinnt, als für sie zu sein und ihre Bedürfnisse in Kunstfertigkeit zu erheben. Sie müssen bedenken, daß der Dichter immer das Zukünftige ist, das heißt jene Existenz, die im Grunde Raum- und Zeitlosigkeit bedeutet und nur durch ihre Erscheinung wirklich wird.
Der Bankier: Doch geben Sie zu, daß Sie die Welt brauchen, in der Sie leben und zum Dichten verurteilt sind! Sie sind abhängig in Ihrer Seele von der motorischen Sensation dieses Tages, ebenso wie von den finanziellen Operationen, mit denen ich über Ihrem Dasein wache.
Der Dichter: Pardon – Sie irren! Ich muß Ihnen mit Ihren eigenen Worten begegnen: Sie erkennen die Form eines Gedichtes an, aber Sie leugnen seine Bestimmung. Die gleichen Grenzen setze ich Ihrer Wirkung: ich brauche die Fülle des Tages und der Nacht, die Sie mir dauernd gestalten; ich gleite durch den Strom elektrischer Transparente und durch die Kabeldrähte der Ozeane – aber ich lehne die Bürgerlichkeit dieser Sphäre ab, sobald sie Kunst wird.“

Walter Hasenclever (8 juli 1890 – 21 juni 1940)
In 1916

 

De Engelse schrijver en dichter Richard Aldington werd geboren op 8 juli 1892 in Portsmouth. Zie ook alle tags voor Richard Aldington op dit blog.

Le Maudit

Women’s tears are but water;
The tears of men are blood.

He sits alone in the firelight
And on either side drifts by
Sleep, like a torrent whirling,
Profound, wrinkled and dumb.

Circuitously, stealthily,
Dawn occupies the city;
As if the seasons knew of his grief
Spring has suddenly changed into snow

Disaster and sorrow
Have made him their pet;
He cannot escape their accursed embraces.
For all his dodgings
Memory will lacerate him.

What good does it do to wander
Nights hours through city streets?
Only that in poor places
He can be with common men
And receive their unspoken
Instinctive sympathy.

What has life done for him?
He stands alone in the darkness
Like a sentry never relieved,
Looking over a barren space,
Awaiting the tardy finish.

Richard Aldington (8 juli 1892 – 27 juli 1962)
Cover


De Frans- en Nederlandstalige Belgische schrijver Jean Ray (bekendste pseudoniem van Raymond de Kremer) werd geboren op 8 juli 1887 in Gent. Zie ook alle tags voor Jean Ray op dit blog.

Uit: Saint-Judas-de-la-Nuit

« La petite ville », aimait répéter Mgr Ducroire. Il est heureux que Benoît Picard, l’auteur de cette comédie pleine de charmante gaieté, ait échappé aux horreurs de l’an Quatre-vingt-treize, sinon cette ceuvrette n’aurait pas été écrite. Et c’est ainsi que la ville m’est apparue quand je la vis, la première fois, du haut de cette colline. Depuis… » Ce souvenir s’achevait à chaque fois en un soupir. Depuis, la petite ville avait perdu de son charme ; la colline n’était plus qu’une affreuse butte en proie aux avoines folles ; et le palais épiscopal, où Mgr Ducroire achevait sa sainte carrière, finissait la sienne en une ruine mangée par toutes les pluies et les vents de l’espace. Bien avant que le bon Benoît Picard eût décrit sa douce vision, la petite ville s’appelait La-Roche-sur-Orgette, en raison d’un pan de rocher et du nom de la rivière caressant ses remparts. Elle était devenue plus tard La-Ruche-sur-Orgette, à cause d’un fragment de blason ornant le coin d’une de ses portes, et où un archéologue local avait cru découvrir une ruche entourée d’un essaim de mouches à miel. C’était d’ailleurs sans importance ; Mgr Ducroire continuait à l’appeler « la-petite-ville » et, le plus souvent « ma-petite-ville », au mépris de quelques vilains noms qu’elle devait à ses habitants. L’abbé Capade, le secrétaire de Monseigneur, la nommait pour sa part « nichet du diable », sans qu’on pût savoir pourquoi. Un nichet est un oeuf factice que l’on met dans un nid pour que les poules y aillent pondre. Alors ?… Il y avait bien des choses auxquelles l’abbé Capade aurait pu fournir de rationnelles explications, mais il se taisait à ce sujet. Personne d’ailleurs ne lui en demandait.
Ce jour de fin mars, donc jour printanier, une pluie mêlée de petits grêlons battait les vitres, et un vent aux sautes capricieuses apportait de brusques vagues de froid. — C’est un vent mauvais, dit l’abbé Capade. Nos amis des Six-Tourelles le nomment « goule de mer » et ce n’est pas mal trouvé. — Ah ! les Six-Tourelles…, murmura Mgr Ducroire. Ils se tenaient dans la sombre mais chaude cuisine du palais, car on gelait dans les autres pièces du vaste bâtiment, et l’heure du dîner était proche. Frère Adelin, le cuisinier, activait le feu à grands coups de tisonnier et, de temps à autre, faisait basculer la porte du four d’où s’envolait une bonne odeur de rôti. — Ce n’est pas une odeur de carême, fit observer l’abbé Capade. — Profiteroles, grommela Adelin. — Et leurs béatilles ? demanda, non sans un peu d’anxiété, Mgr Ducroire. — Sarcelles, répondit le frère cuisinier. Un dernier présent des Six-Tourelles. — Chair maigre, approuva l’abbé Capade. Les profiteroles sont des petits pains sans mie, cuits au four gai et garnis de béatilles, qui sont de viandes fines richement épicées, ou de poisson aux jours maigres. — Un dernier présent des Six-Tourelles, soupira l’évêque. Frère Adelin a raison en ce disant. Son secrétaire haussa les épaules. — L’abbaye des Six-Tourelles, bien digne aux siècles derniers, s’en allait pierre par pierre. En grande partie sur vos instances,”

Jean Ray (8 juli 1887 – 17 september 1964)
Cover


De Franse dichter en schrijver Jean de La Fontaine werd op 8 juli 1621 geboren in Château-Thierry in Champagne. Zie ook alle tags voor Jean de La Fontaine op dit blog.

Uit: De twee duiven (Vertaald door Martinus Nijhoff)

Twee duiven hielden van elkander;
De één hield het in huis niet uit:
Dol als hij werd nam hij ’t besluit
Op reis te gaan – Toen sprak de ander:
Beseft ge wel wanneer ge heengaat
Dat gij uw kameraad alleen laat?
Eenzaamheid is het zwaarst verdriet;
Voor u niet, egoïst! O mocht slechts een verschiet
Van last op reis, moeite en gevaren
Uw overmoed wat doen bedaren.
En dan, als maar de dagen reeds wat zachter waren!
Waarom zo’n haast gemaakt? wacht toch de zomer af:
Daar straks nog kraste een Raaf van een ras vogelgraf.
Geen blad beweegt of ‘k zie de vreselijkste keerzij,
Een valk, een vangnet – Ach, zeg ik, als ’t reegnen gaat,
Heeft hij ’t naar wens, mijn kameraad,
Eten, een bed, en wat dies meer zij? –
Zo teedre taal verlamde schier
Het hart van den avonturier,
Toch kreeg de reislust in zijn ongedurig wezen
Ten slotte de overhand – Hij sprak: staak uw getreur.
Hoogstens een dag of drie en mijn hart is genezen:
Dan keer ik huiswaarts en verhaal in kleur en geur
Mijn vriend wat mij is overkomen.
Wat zal hij lachen! wie een reis heeft ondernomen
Kan veel vertellen thuis: ’t relaas dat ik ga doen,
Wat zal u ’t een genoegen geven!
Ik zeg: ‘k was daar en daar; en dat gebeurde toen;
Ge zult geloven mee te leven.
Zo sprak hij. Diep bedroefd zeiden ze elkaar adieu.
De reiziger snelt heen. Maar zie, een wolk verduistert
De vlakte en dwingt de Duif te schuilen voor een bui.

Jean de La Fontaine (8 juli 1621 – 13 april 1695)
De twee duiven, illustratie door Jean-Baptiste Oudry

 

De Duitse dichter en schrijver Julius Mosen (eig. Julius Moses) werd geboren op 8 juli 1803 in Marieney in het Vogtland. Zie ook alle tags voor Julius Mosen op dit blog.

Könnt´ ich verwehen…

Könnt´ ich verwehen,
zu Nebel vergehen,
zerfließen in Luft;
ich hielt´voll Erbarmen
die Welt in den Armen.
So mit dem Herzen
voll Liebe und Schmerzen
verglüh´ich allein
und sinke in Flammen
und Asche zusammen.

 

Sehnsucht

Wär´ich der Regen,
ich wollte mich leben
der Erde ans Herz;
wie sollte sie blühen
und jauchzen und glühen.

Wär´ich die Sonne,
ich sög´mich vor Wonne
ins dampfende Meer;
wie sollt´es da rauschen
und Küsse tauschen!

Julius Mosen (8 juli 1803 – 10 oktober 1867)
Borstbeeld in Plauen


Zie voor nog meer schrijvers van de 8e juli ook mijn blog van 8 juli 2017 deel 2.

Richard Aldington, Jean Ray, Jean de La Fontaine, Julius Mosen, Eva Roman, Hanns Johst

De Engelse schrijver en dichter Richard Aldington werd geboren op 8 juli 1892 in Portsmouth. Zie ook alle tags voor Richard Aldington op dit blog.

I have drifted along this river 

I have drifted along this river
Until I moored my boat
By these crossed trunks.

Here the mist moves
Over fragile leaves and rushes,
Colorless waters and brown, fading hills.

You have come from beneath the trees
And move within the mist,
A floating leaf.

O blue flower of the evening,
You have touched my face
With your leaves of silver.

Love me, for I must depart.  

 

Beauty Unpraised

There is only you.
The rest are palterers, slovens, parasites.
You only are strong, clear-cut, austere;
Only about you the light curls
Like a gold laurel bough.

Your words are cold flaked stone,
Scentless white violets?
Laugh Let them blunder.
The sea is ever the sea
And none can change it,
None possess it.

Richard Aldington (8 juli 1892 – 27 juli 1962)

 

Doorgaan met het lezen van “Richard Aldington, Jean Ray, Jean de La Fontaine, Julius Mosen, Eva Roman, Hanns Johst”

Micha Hamel, Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen, Jean de La Fontaine

De Nederlandse dichter, componist en dirigent Micha Hamel werd geboren in Amsterdam op 8 juli 1970. Zie ook alle tags voor Micha Hamel op dit blog.

Konterfeitsel

Ontbijt met krantenfoto
van de onontkoombare oogopslag van een loensende blondine
die besloot de paarse kringen van slaaptekort aan het glasdeeg
van de huid rond haar ogen toe te staan

daar ze droomt als ze werkt en werkt als ze praat en
praat als ze slaapt en slaapt als ze reist als ze
denkt en denkt als ze droomt. Goedemorgen passagier

door een span hoogwaardige chronosomen vervoerd, wat
bent u mooi boven de dertig en wat schonk de Schepper
half rijmend op uw verwekker u een prachtig stel

rechte enkels, een scheve hoektand en ‘Jij
vindt Patricia Arquette alleen maar aantrekkelijk
omdat ze op Ireentje lijkt.’

zegt mijn voruw. Ireentje is niet mijn vrouw
maar een liefde van vroeger, van school

‘Dit is niet Patricia, dit is Noreena Hertz.’

‘Wie?’

‘Die komt in Nederland werken, en wordt er doodmoe van
dat mannen haar altijd complimenteren met haar intelligentie.’

‘Je aapt gigantisch Tonnus Oosterhoff na als je dit
allemaal zo letterlijk gaat zitten opschrijven, hoor.’

 
Micha Hamel (Amsterdam, 8 juli 1970)

Doorgaan met het lezen van “Micha Hamel, Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen, Jean de La Fontaine”

Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen, Jean de La Fontaine

De Nederlandse dichteres Maria van Daalen werd geboren op 8 juli 1950 in Voorburg. Zie ook alle tags voor Maria van Daalen op dit blog.

 

 

Lucifer

 

Schroevend als een buizerd naar grote hoogte

daal ik af in het denkend licht.

 

Wat is niets zien anders dan kreng

en nergens steun voor de glijvlucht

 

opent de dood. Aaseter

 

die zich haakt in de vacht, klauwend

rolt om en om in het stof.

 

 

Beeldend

 

Geblinddoekt stap ik uit de rots

die mijn vernietiging bevat. Breekbaar

linnen dat mij standhoudt,

 

het zijn mijn handen die hij schetst,

het is mijn mond die in zijn naam

verandert, tot een zwaluw

 

de zeeëngte kan oversteken. Duizeling-

wekkend herken ik mijzelf

in de stilte die mijn stap besluit.

 

Aan de rand brengen is beginnen

door te breken: de dag als een

opening scheert langs mij heen, leidt mij in.

 

 

 

In nova fert animus

 

Zijn ogen ontmoeten zijn ogen.

Achter mij staat hij. Peinzend

streelt het lemmet de oorschelp.

Mijn polsslag drupt in zijn hand.

 

Alleen in de spiegel is uitzicht

waarin ik opspring. Voorover

 

valt alles in zijn mes

naar een bestaan zonder schaduw.

 

 

Maria van Daalen (Voorburg, 8 juli 1950)

 

Doorgaan met het lezen van “Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen, Jean de La Fontaine”

Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen, Jean de La Fontaine

De Nederlandse dichteres Maria van Daalen werd geboren op 8 juli 1950 in Voorburg. Zie ook alle tags voor Maria van Daalen op dit blog.

Wie een mens streelt met een mes
om scherper te verwachten
hoe het geluid van de liefde verstrijkt
en cirkelend en dieper

verschuift de pijngrens ingehouden
tussen lippen en doorbijten,
raakt aan elkaar, onderhuids.

‘Ik open je als eerste, liefste
beweging die in mijn leegbloedt –

neem mij terug tot het heft.

 

@N.I.A.S.

Hoe de boomschaduwen over de grasmat
wandelen, rondom, onophoudelijk. Stil
staan als een beuk in het struikgewas. De wil
om te groeien is wet: van leven, maar wat

weten we van de vogels die tussen blad
en takken in ons nestelen? Is er pril
geluk dat nog uitgebroed moet? Het wil
hier aan de dag waar het strijklicht ons omvat.

Tussen ons allen vallen eierschalen
op de aarde. Het jaargetijde kennen
is zo onmogelijk als de kruin dragen:

voel je hoe ons hart buigt in de windvlagen?
Elke ochtend aan het hernieuwde wennen.
Doorstaan. Er is zwaar weer op til. Niet falen.

 

Moeders en dochters
voor mijn dochter Cat van Daalen

Het spoor van de taal vind ik terug in de tijd.
Mijn moeder. Mijn Omoe. Opoe Kragt. En dan
mijn dochter. Luister: wie zingt, en breien kan
en koken, weeft taal. Smakelijke waarheid

wordt gewoon op alledag lopend, bereid
gevonden tot dansen, vol als knopen van
wol in warme sokken, is het boodschappen-
briefje een lied voor de eenzame man. ‘Meid…’

‘…wat een heerlijk recept. Heeft Oma dat nog
aan jou gegeven? Heeft ze opgeschreven
hoe ze dat deed in de oorlog, vertel je

alles van vroeger, waren jullie arm? Me
vernoemen is leuk, maar bloedlijn is leven.’
Dat liefhebben geven we door in het zog.

Maria van Daalen (Voorburg, 8 juli 1950)

Doorgaan met het lezen van “Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen, Jean de La Fontaine”

Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen

De Nederlandse dichteres Maria van Daalen werd geboren op 8 juli 1950 in Voorburg. Zie ook mijn blog van 8 juli 2010 en eveneens alle tags voor Maria van Daalen op dit blog.

 

Rozen

voor je verjaardag koop ik 42 rozen
ik zet ze op mijn altaar neer ik geef ze water
en dan laat ik ze drinken en verwelken later
nog wacht ik tot de cirkel van verdorde loze

blaadjes bruin en knisperend is ik tel hun broze
stiltes dat weet je niet je viert het niet je gaat er-
van uit dat ik er niet meer ben de waarheid staat er
te lezen blad na rozenblad tijd die gekozen

is nu ga ik weg ga jij weg als ik dood kus ken
ik verlangen het blijft over in krullend rood en
geur het verwelkt nog niet het is ingehouden meer

van mij als alle stelen kaal zijn leg ik ze neer
in een vuilniszak in een krant voorzichtig dorens
niet scheuren ik mag vergeten ik ben geboren.

 

Nieuwsdienst

Hij staat met een plastic tas in zijn hand
en weet niet welke kant hij uit moet.
Linksonder loopt de klok met grote snelheid door.

Later zie ik hem met geopende mond
achterover liggen: een paardebloem
bloeit tot pluis toe tussen zijn lippen.

Het is diep geworteld: werkelijkheid,
verval, eierdoppen die krakend
barsten onder schoenzolen.

Van karton ben ik, bespat aan twee kanten,
met druppels die kleurstof achterlaten.
Ik kan nat worden, en zachtjes gaan liggen.

 

Knekel

hoofd dat mijn beenderas bevat voor later
spreek met een mond vol aarde van het leven
ik voel de zon en ja, ik blijf nog even
mijn ogen tranen maar ook dat is water

woorden bewogen door de wind – dat staat er
in elke beendervel volop geschreven –
vormen de liefste zin aan mij gegeven
zolang mijn schedelmond nog praat – ik schater

mij schuimend, bottend, brandend, stormend naar de
vier elementen die zich zingend mengen
met mij, de lichtste, aether, als hun hemel

die schedeldak mag vullen met gewemel
van wormen, rijmend kronkelend in strengen
ten slotte is mijn vruchtbaarheid mijn waarde.

Maria van Daalen (Voorburg, 8 juli 1950)

Doorgaan met het lezen van “Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Julius Mosen”

Maria van Daalen, Walter Hasenclever, Richard Aldington, Jean Ray, Jean de La Fontaine, Julius Mosen, Martin Jankowski, Eva Roman, Hanns Johst

De Nederlandse dichteres Maria van Daalen werd geboren op 8 juli 1950 in Voorburg. Zie ook mijn blog van 25 augustus 2006.

In een nacht toen het volle maan was

iemand opent het venster

iemand houdt de nacht over ons heen als een nieuw tentdoek

iemand kent de weg

 

iemand legt mij zijn oude tweedjasje over de schouders

iemand zegt honing, iemand zingt honing, iemand proeft

 

iemand gaat met mij de rivier in

iemand zoekt tussen de schelpen

naar de allerkleinste

geopende schelp

iemand zoekt naar een waterdruppel

 

in een open hand, in een handpalm, 1 geopende schelp

daarin

1 druppel

in 1 druppel is mijn wereld

iemand herkent mijn wereld

 

iemand legt 1 waterdruppel naast 1 waterdruppel

en het is samen 1 waterdruppel

 

iemand tilt alles zolang op totdat het niet zwaar meer is

 

iemand is vergeten dat het gisteren was

omdat het er nu is.

 

 

 

De moeder de dichter

Voor Gerrit Kouwenaar

 

Ik ging naar Gerrit om het paradijs te zien.

Ik dronk er koffie en at er appeltaart

met het zicht op dieren en bloemen. Bedaard

luisterde ik, en zag. Na een minuut of tien

 

begon buiten een merel luid te zingen.

Hij wees me op Adam en Eva in de tuin,

hoe rond en zacht haar buik was, roze, bijna bruin

gekleurd na zoveel eeuwig zonlicht: dingen

 

ontstaan in stilte, dragen namen, getwijnd

als wol, geborduurd op hun werkelijkheid

en vol van eigen ongedwongen schoonheid.

 

Zo las hij mij de aarde voor en ongerijmd

begreep ik voor het eerst waarom de laatste tijd

de eenhoorn mij natuurlijk opvalt in gewoonheid.

 

 

VanDaalenSanders

Maria van Daalen (Voorburg, 8 juli 1950)
Hier met schrijver Stephan Sanders (links)

 

De expressionistische Duitse schrijver en dichter Walter Hasenclever werd op 8 juli 1890 in Aken geboren.

Die Mörder sitzen in der Oper

 

Zum Andenken an Karl Liebknecht

Der Zug entgleist. Zwanzig Kinder krepieren.

Die Fliegerbomben töten Mensch und Tier.

Darüber ist kein Wort zu verlieren.

Die Mörder sitzen im Rosenkavalier.

 

Soldaten verachtet durch die Straßen ziehen.

Generäle prangen im Ordensstern.

Deserteure, die vor dem Angriff fliehen,

Erschießt man im Namen des obersten Herrn.

 

Auf, Dirigent, von deinem Orchesterstuhle!

Du hast Menschen getötet. Wie war dir zu Mut?

Waren es viel? Die Mörder machen Schule.

Was dachtest du beim ersten spritzenden Blut?

 

Der Mensch ist billig, und das Brot wird teuer.

Die Offiziere schreiten auf und ab.

Zwei große Städte sind verkohlt im Feuer.

Ich werde langsam wach im Massengrab.

 

Ein gelber Leutnant brüllt an meiner Seite:

„Sei still, du Schwein!“ Ich gehe stramm vorbei:

Im Schein der ungeheuren Todesweite

Vor Kälte grau in alter Leichen Brei.

 

Das Feld der Ehre hat mich ausgespieen;

Ich trete in die Königsloge ein.

Schreiende Schwärme schwarzer Vögel ziehen

Durch goldene Tore ins Foyer hinein.

 

Sie halten blutige Därme in den Krallen,

Entrissen einem armen Grenadier.

Zweitausend sind in dieser Nacht gefallen!

Die Mörder sitzen im Rosenkavalier.

 

Verlauste Krüppel sehen aus den Fenstern.

Der Mob schreit: „Sieg!“ Die Betten sind verwaist.

Stabsärzte halten Musterung bei Gespenstern;

Der dicke König ist zur Front gereist.

 

„Hier, Majestät, fand statt das große Ringen!“

Es naht der Feldmarschall mit Eichenlaub.

Die Tafel klirrt. Champagnergläser klingen.

Ein silbernes Tablett ist Kirchenraub.

 

Noch strafen Kriegsgerichte das Verbrechen

Und hängen den Gerechten in der Welt.

Geh hin, mein Freund, du kannst dich an mir rächen!

Ich bin der Feind. Wer mich verrät, kriegt Geld.

 

Der Unteroffizier mir Herrscherfratze

Steigt aus geschundenem Fleisch ins Morgenrot.

Noch immer ruft Karl Liebknecht auf dem Platze:

„Nieder der Krieg!“ Sie hungern ihn zu Tod.

 

Wir alle hungern hinter Zuchthaussteinen,

Indes die Opfer tönt im Kriegsgewinn.

Mißhandelte Gefangene stehn und weinen

Am Gittertor der ewigen Knechtschaft hin.

 

Die Länder sind verteilt. Die Knochen bleichen.

Der Geist spinnt Hanf und leistet Zwangsarbeit.

Ein Denkmal steht im Meilenfeld der Leichen

Und macht Reklame für die Ewigkeit.

 

Man rührt die Trommel. Sie zerspringt im Klange.

Brot wird Ersatz und Blut wird Bier.

MeinVaterland, mir ist nicht bange!

Die Mörder sitzen im Rosenkavalier.

 

 

toller_hasenclever

Walter Hasenclever (8 juli 1890 – 21 juni 1940)
Hier met de schrijver Ernst Toller (rechts)

 

 

 

De Engelse schrijver en dichter Richard Aldington werd geboren op 8 juli 1892 in Portsmouth.

 

Prelude 

 

How could I love you more?

I would give up

Even that beauty I have loved too well

That I might love you better.

Alas, how poor the gifts that lovers give

I can but give you of my flesh and strength,

I can but give you these few passing days

And passionate words that, since our speech began,

All lovers whisper in all ladies’ ears.

 

I try to think of some one lovely gift

No lover yet in all the world has found;

I think: If the cold sombre gods

Were hot with love as I am

Could they not endow you with a star

And fix bright youth for ever in your limbs?

Could they not give you all things that I lack?

 

You should have loved a god; I am but dust.

Yet no god loves as loves this poor frail dust. 

 

 

Epilogue 

Che son contenti nel fuoco

 

We are of those that Dante saw

Glad, for love’s sake, among the flames of hell,

Outdaring with a kiss all-powerful wrath;

For we have passed athwart a fiercer hell,

Through gloomier, more desperate circles

Than ever Dante dreamed:

And yet love kept us glad

 

Aldington

Richard Aldington (8 juli 1892 – 27 juli 1962)

 

 

Zie voor de drie bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 8 juli 2007 en ook mijn blog van 8 juli 2008 en ook mijn blog van 8 juli 2009.

 

 

De Frans- en Nederlandstalige Belgische schrijver Jean Ray (bekendste pseudoniem van Raymond de Kremer) werd geboren op 8 juli 1887 in Gent. Zie ook mijn blog van 8 juli 2007 en ook mijn blog van 8 juli 2009.

 

Uit: Malpertuis

 

Le notaire se pencha sur ses papiers et prononça lentement un chiffre. C’était si énorme, si formidable, si fantastique, que le vertige s’empara un moment de tous les esprits.
Ce fut tante Sylvie qui rompit le charme du nombre d’or, en s’écriant :
– Charles, tu démissionneras !
– Bien entendu ! ricana l’oncle Cassave. Il ne pourrait faire autrement.
Cette fortune, déclara le notaire, ne sera pas, partagée.
Un murmure de déception terrifiée s’éleva, mais le notaire y coupa court en continuant :
Quand Quentin-Moretus Cassave sera, décédé, tout le monde ici présent, sous peine de se voir exclure immédiatement de l’héritage et de perdre tout avantage à venir, habitera et continuera de vivre sous ce toit.

– Mais nous avons une maison, notre propriété ! gémit Eléonore Cormélon.
– Ne m’interrompez pas, dit sévèrement le notaire.
Ils y vivront jusqu’à leur mort, mais chacun touchera une rente annuelle, donc viagère, de…
Ce fut de nouveau un chiffre prodigieux qui tomba des lèvres minces de l’officier ministériel.
– On vendra la maison, entendis-je marmotter l’aînée des dames Cormélon.
Tous y auront droit au gîte et au couvert, pour lesquels le testateur exige la perfection. Les époux Griboin, tout en ayant les mêmes avantages que les autres, resteront des serviteurs et ne l’oublieront jamais.
Le notaire fit une pause.
Il ne sera apporté à la maison Malpertuis aucun changement et au dernier vivant sera dévolue la fortune entière.
Le magasin de couleurs sera traité comme la maison même et Mathias Krook en restera le commis, ses gages triplés et maintenus à vie. Seul le dernier vivant sera en droit de fermer ledit magasin.
Eisengott, qui n’aura aucun avantage, à qui rien n’échoit, et qui ne voudrait rien, sera témoin de la parfaite exécution de ces volontés. »

 

ray-briot

Jean Ray (8 juli 1887 – 17 september 1964)
Tekening door Muriel Briot

 

De Franse dichter en schrijver Jean de La Fontaine werd op 8 juli 1621 geboren in Château-Thierry in Champagne. Zie ook mijn blog van 8 juli 2006 en ook mijn blog van 8 juli 2007 en ook mijn blog van 8 juli 2008 en ook mijn blog van 8 juli 2009.

 

De leeuw en de rat

 

Wil wien gij kunt een dienst bewijzen,

Daar toch uw mindere u zeer noodig wezen kan!

‘k Weet daar een tweetal faablen van:

Zoo zeker is de leer, die ik u aan wil prijzen.

 

Een rat, die uit zijn gaatjen sloop,

Viel in de klauw eens leeuws. De sukkel had geen hoop.

Maar aller dieren Vorst, geneigd eens blijk te geven

Van ‘tgeen hij waarlijk was, schonk d’armen drommel ’t leven.

Een weldaad vindt haar loon. Wat leeuw die ooit een rat,

-Zoo denkt men licht- van nooden had?

En toch, te midden van zijn koninklijke gangen

Vond onverwachts de leeuw zich in een net gevangen:

En of hij woelde en of hij dreet,

Het web des jagers hield hem beet.

Maar meester rat snelde aan, doorknabbelde de mazen:

En gaf den leeuw zijn vrijheid weer!

 

Geduld en Tijd vermogen méér

Dan woeste Kracht en grimmig razen!

 

Jean_de_la_Fontaine

Jean de La Fontaine (8 juli 1621 – 13 april 1695)

 

De Duitse dichter en schrijver Julius Mosen (eig. Julius Moses) werd geboren op 8 juli 1803 in Marieney in het Vogtland. Zie ook mijn blog van 8 juli 2007 en ook mijn blog van 8 juli 2009.

 

 

Der erste Kuß

 

Das Röslein war verborgen

In seiner Knospe sitzt,

Der neue Frühlingsmorgen

Zum Kuß das Mäulchen spitzt;

Doch Röslein mag nichts wissen

Vom Blühen und vom Küssen.

 

Das Röslein sitzt gar spröde

In seinem engen Haus,

Der Mittag ist nicht blöde,

Strahlt Glut und Flammen aus;

Doch Röslein mag nichts wissen

Vom Blühen und vom Küssen.

 

In seiner Zelle drinnen

Das Röslein heimlich steht,

Der Abend kommt zu minnen,

Der Abend weint und sieht:

Ach alle Blumen müssen

Am Ende blühn und küssen!

 

Das Röslein steht in Bangen,

Es steht in Liebesnoth,

Roth werden seine Wangen,

Vor Liebe purpurroth,

Und seine Lippen müssen

Zum ersten Male küssen.

 

Zum ersten Male blühen

Mit allererstem Kuß,

Zum ersten Male glühen

Das holde Röschen muß;

Denn alle Blumen müssen

Um Ende blühn und küssen.

 

mosen_gedenktafel

Julius Mosen (8 juli 1803 – 10 oktober 1867)
Gedenkplaat in Innsbruck

 

Onafhankelijk van geboortedata:

 

De Duitse dichter en schrijver Martin Jankowski werd in 1965 in Greifswald geboren. Zie ook mijn blog van 8 juli 2009.

 

im schatten

 

wir streichen in rudeln um bröckelnde häuser

und schießen den nächtlichen müll vor uns her

der krieg läuft im fernseher unserer eltern

wir lächeln gelassen und warten auf mehr

der blitz in den augen hinter dem lächeln

ist nichts als der schritt aus dem brütenden nest

ihr habt uns zu wenig übrig gelassen

die rechnung dafür steht schon fest

der kasper im frack geht in zeitlupe unter

der kasper im hirn explodiert in der luft

selbst gott das placebo hat uns niemals geholfen

all die prüden paroln sind wie popcorn verpufft

lasst den pastor im kaufhaus gebete lallen

wir kreischen vor glück wenn jetzt tödlich getroffen

die engel auf die dächern knallen

es reicht uns nicht mehr nur geduldig zu hoffen

wir entfesseln das grauen der gierigen gaffer

die schreie der menge machen uns mut

uns hilft nur noch eins wenn hier nichts mehr was wert ist

wir brüllen die bitte um brennendes blut

es gibt wenig chancen in diesem casino

legal an ein haus und den benz zu kommen

vielleicht sollten wir uns was anderes wünschen

wir haben euch zu lange ernst genommen

am ende der sackgasse sammeln sich ratten

betäubt von dem freien fall in den schacht

wir planen den ausbruch in euerem schatten

und warten darauf dass ihr noch einmal lacht

wir zücken den stahlblanken hass um zu töten

und grüßen den kasper der ordnung per funk

wir mustern wie wölfe das ziel unserer wut

und treffen exakt den schwächsten punkt

 

jankowski

Martin Jankowski (Greifswald, 1965)

 

De Duitse schrijfster Eva Roman werd in 1980 geboren in Aken en groeide op in Augsburg. Zij studeerde nieuwe Duitse literatuur en romanistiek in Berlijn en communicatiedesign in Trier, Berlijn en Parijs. Vanaf 2007 studeerde zij aan het Deutsche Literaturinstitut in Leipzig.

 

Uit: Zwischen den Heidelbeeren

 

In der Schwimmhalle-Ost sind wir uns das erste Mal begegnet, als wir die grünen Turnschuhe aus dem Regal nahmen. Den Linken und den Rechten. Wir rochen gut und das Chlorwasser verlieh unseren Augen jenen seltsamen, kränklichen Glanz, der uns bewog, uns ewige Liebe zu schwören. Am späten Nachmittag, wir waren bereits nicht länger wir, erhielt ich eine Einladung, sie lag unter dem Farngestrüpp in einem Kuvert, zwischen Unmengen von Hintergedanken. Ich bemerkte nichts und begab mich ohne Misstrauen zur angegebenen Adresse, einem Neubau, neben dem ein kleiner Jahrmarkt aufgebaut war, mehrere Buden, ein buntes Riesenrad, das sich haltlos in den blauschwarzen Nachthimmel wand, ein einzelner Stern, aufdringlich hell. Der Fahrstuhl brachte mich in die oberste Etage, durch Vorhänge betrat ich einen dunklen Raum, in dessen Mitte drei Roulettetische standen. Menschen in Anzug und Abendkleid, die französisch sprachen, flanierten umher. An einer langen Tafel wurden Variationen von Wachtel serviert. Es gab ein bläuliches Getränk, das nach Heidelbeeren schmeckte und barocke Musik.
Ich erwachte am Morgen zuhause vom Klingeln des Telefons, wobei mir eine Stimme mitteilte, ich solle zum Arzt gehen. Die Sprechstundenhilfen trugen unter ihren weißen Kitteln Kleider mit Kirschenmotiv, gaben vor, mein Anliegen nicht zu verstehen und ließen mich ewig warten. Zu lesen lagen einzig dreisprachige Urlaubsprospekte des Kantons Graubünden aus. Unter Schmerzen war ich erleichtert, ich vergaß niemals ganz.

 

eva_roman

Eva Roman (Aken, 1980)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 8 juli 2007.

 

De Duitse schrijver en nationaalsocialist Hanns Johst werd geboren op 8 juli 1890 in Seerhausen.