Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

Broeders van liefde
(naar aanleiding van berichten over kindermisbruik binnen de Katholieke Kerk)

Probeer het eens. Je neemt een kind op schoot
zo’n ding dat nog doorschijnend is en broos
liefst blind of doof. Geslachtloos bijna.
Het zit daar maar, een zuiglam voor het oog.

Pak nu het hoofdje. Leid het zacht omlaag
tot aan de uitgang onzer naastenliefde.
Schuif het, prop het erdoor desnoods, niet bang zijn.
Vandaag mag het. Er zijn geen ouders bij.

Dit is de kracht van elk geloof. Te groot
om te bevatten stoot het vroeg of laat
tot daar waar wij ons soeverein nog dachten.

Ze zeggen: God werkt slechts met onze handen.
Wel God, dit kun je dan: een kind van acht
mishandelen en jaar na jaar verkrachten.

 

In memoriam mei
(bij de dood van Harry Mulisch, 30 oktober 2010)

Ik, Harry Kurt Victor Mulisch, volle zoon van alle muzen
ik was de gloeiende bode van vuur, komend van niets
was ik op weg naar een brandnieuwe mythe.

Ik was het goudstof en de wind, ik was ibis, piramiden
ik was een ommekeer in inkt, ik was het duizendjarig licht
ik was de pijp, het Leidseplein, ik was een pupil van
     onsterfelijkheid.

Ik was de kogelvrije vlinder en de kern van alle oorlog
vulkaanzwemmer, godeneter, ik, de keizer van het lot
ik was de heimat, ik was ballingschap: ik was de Paradox.

En hier, binnen in dit eenpersoonsheelal, mijn blauwe labyrint
waar alle vingers doven – langzaam op de tast, hier bleef ik over.
De dood is mijn broekzak: Grote Eén gaat trap na oneindige trap.

Met de tocht in mijn botten en een uitzicht zonder god zo blijf ik,
Harry Mulisch, de ontdekker van uw hemel.
Ik was de brenger van letter en stof. En als u sterft, dan leef ik nog.

 

Sonnet voor 456 letters

(ter gelegenheid van Gedichtendag 2012)

En hier gebeurt het allemaal: vanbinnen
liggen de zinnen doodstil ingeklapt
als chromosomen, diep onder mijn kaft.
Ze wachten op een oog om te beginnen.

U leest – en loom weet zich een vers te ontspinnen.
Het was een val, u bent erin getrapt.
Geen geld of eeuwigheid wordt u verschaft.
Hooguit een ander heeft hier bij te winnen.

Andersmans letters kapen uw gedachten:
mijn minutieus verzonnen DNA
heeft uit het niets al wat bestaat onttroond.

Mijn lichaam fonkelt op geroofde krachten.
Voel hoe ik groei en blakend openga.
Wie leest, wordt door het leven zelf bewoond.

 
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)
Hier als acteur op een affiche van Toneelgroep Amsterdam

Doorgaan met het lezen van “Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí”

Wies Moens, José Martí, Miguel Barnet, Hermann Kesten, David Lodge

De Vlaamse dichter en schrijver Wies Moens werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 28 januari 1898. Zie ook alle tags voor Wies Moens op dit blog.

Vers voor de jonge monnik
Aan Pieter en Christine van der Meer de Waleheren.

De meiavond is in de boomgaard gegleden
waar hij de stammen omhelst,
de kruinen vastmeert in aandachtigheid.
Over het gras en de boterbloemen die slapen gaan
– wind-vermoeide kinderen –
in verre blinkende transen, diep heiligdom van de vliedende dag,
kom ik tot U, Heilige Vader Benedictus,
zooals ik U ken uit de verhalen van moeder
en de Vijf schitterende Wonden geslagen in mijn kindsheid.

De doornen dragen bloemkladden uw vlees
vurig-bedropte hagedoorn: het opstandige bloed geperst uit uw witheid
– de roodborstjes schreiden om U in het hout! –
O de wierook van uw gekastijde lichaam
in het midden der heilige zusteren,
de vlam van uw woord
als een Godslamp onder hen.
Het Monasterium blauw op de berg
en de witte duiven
die komen pikken uit uw handen!

Een lieve kameraad, een verre onbekende broeder
legt heden zijn hoofd in uw schoot.
Zo komen er velen en altijd weer:
de rinkelende wereld hebben zij gelaten
voor de stille sneeuw waarin uw voeten staan,
de glinsterende gletsjer Gods,
en de nijpende wind der Armoede
die de mantels vreet van het lijf.

Dat hun naaktheid worde gekleed
met de warme wol van het Lam,
Zijn gulpend bloed tot een lafenis
aan de lippen van hen
die het leven hebben aanvaard van het blad,
dat zich verdorren laat in onderworpenheid
– doorruisend de morgenden en de nachten –
en met zijn broeders te gronde gaat
voor de eeuwige terugkeer van Uw lenten,
Uw veropenbaarde majesteit, Heer,
in groen en gewas over de aarde!

 
Wies Moens (28 januari 1898 – 5 februari 1982)

Doorgaan met het lezen van “Wies Moens, José Martí, Miguel Barnet, Hermann Kesten, David Lodge”

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

De zeldzame dageraad’ (‘Am leuchtenden Sommermorgen’)

de bloemen fluistren en murmen
en waar praten ze dan over
en met welke mond
en waarom wandel ik zelf stom
rond bloemenkas kortom
traag start de zomermorgen op

Om later in een lofroep op de vrouw uit te barsten:

in een blinkende vrouw
van wie ik zeldzaam had gehouden
stulpte ze uit

o volroze dageraad
o dichtbevolkt hart

 

Feest in de stad

het is daar een fluiten en gijgen
ze smijten de trompetten erbij
op een hoop de genodigden
slopen de rieten en kleppen
een select groepje poept fagotten vol
een ander gezelschap spuit voor straf
de celesta tussen de bellen
men stampt er de bas in zijn kloten
kontneukt de piano het podium af
en dan ook ineens de hens
in het bruiloftsorkest
het is feest in de stad
dat moet godverdomme gedanst

het was er een klingen en dreunen
van hard pauken hard posaunen

daartussen hinkten en steunden
de kreupele engelen

gezeten vanaf kraakwitte schouders
keken er twee op haar hart ze wezen

onherstelbaar deze bruid
haar huid gebroken zwart

 
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

Doorgaan met het lezen van “Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Thierry Baudet, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí”

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí

De Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

Credo

geef mij het hoofd van de onnozel volhardende pletterloper
hij die hart op zwart cipres op rood dood op anijs laat rijmen
zijn uitpuilend gemoed weer bij elkaar raapt voorover bukkend

en maar struikeltochten organiseren door op platgetreden paden
bananenrijm voor zich uit te werpen hij is onverstoorbaar
half en kreupel blijft hij het zijn toverkeien zeggen kijk maar

een slechte mop verteld door een dichter zoals hij tekeergaat
soms springt hij op grijpt zonder reden mis naar omhoog
soms ook niet soms niet en ik heb hem altijd ruim verkozen

wel duizend-en-één-voudig boven hollands koning schraalhans
met de dichtgeschroefd moderne stem aan zijn stekelige tafel
rolstoel en handrem heus ik zal mijzelf wel redden breken schaden

ook aan orakels in de orde van de chocoladeschijter heb ik hekel
bruine nijl gieten ze uit in eigen zekerheid de onwrikbare waan
een echte vaticaanse doos likeurbonbons te hebben banketgekakt

ik geloof

in fulpen bloembladen het kapotte karmijn van de
avondschimmering in de pronkgedwongen achterwaartse
vlucht van de quetzal
zijn lange smaragdgroene staart onhandig stralend omwille van
haar
in bespottelijke praalzucht bewijst hij diensten van leven op dood
en ik geloof in baarlijke liefde er staat wat er staat alsof het niets is

vergeleken bij liberiaanse rebellen is ook groepsverkrachting
poëzie
aan schuim hecht ik in volle ijdelheid draag ik mijn nacht als
een buidel

 

Voor Gerrit

Ze zeiden dat je milder was geworden.
Hij is versoepeld de laatste tijd
verdomd, en schopt niet meer als vroeger.

Ik ken je weinig langer dan vandaag
kwam voor je vijandschap te laat
maar lieve Gerrit, nu je dan voorgoed

bedaard in je gedichten woont
de resten uitgezaaid tussen planken
nu je zonder stem, zonder koperen stem

nu je navelloos, nergens je stem –
kom dan dichter, met je tedere afstand
grijp je vast en vertak, geef ons hier

voor de laatste ondergrondse keer
je donkere kus van de poëzie.
Als ik ooit in dit leven wortelschiet

zal het door jou zijn. Alleen op papier
vinden de vogels reservenesten
bouwen de mensen zichzelf een land.

Ik wilde vandaag een reservedood bouwen
mijn dikke, dunne, zieke Komrij
om enkel de dood in op te vouwen.

 
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

Doorgaan met het lezen van “Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí”

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí

De Palestijns-Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook alle tags voor Ramsey Nasr op dit blog.

 Geen lied (Fragment)

De lier telt zeven snaren. Elke snaar
Is een planeet. Zeven planeten had ik.
Zeven planeten draaiden rondom mij
Met daaromheen een zwarte koepelbol
Die alles afsloot, maar niet helemaal;
Er zaten gaten in, duizenden sterren
Als venstertjes naar buiten op het vuur.
Zeven sirenen ook en hoe dat kon,
En of ze echt meesuisden met de planeten,
Zijn vragen die ik mij nooit heb gesteld,
Omdat ik ze alle dagen horen kon:
Vrouwen met baarden, met vogellichamen
En klauwen die zich in hun vaart als klem
Vast konden zetten aan de hemelbanen.
Elke sirene zong strak aangehouden
Een toon. Zeven sirenen, zeven tonen,
Een huiverend akkoord van zonnestralen
Of licht. Iets dergelijks. Zuiver geluid
Onder een tweemaal kolossale koepel,
Waardoor mijn snaren als vanzelf aanvingen
Te trillen. Ik hoefde maar mee te zingen.
Wanneer ik zong, zwermden de vogels uit;
Niet slechts bijzondere, maar alle soorten
Krioelden om mijn hoofd, ik weet niet hoe.
Bijen, libellen, wespen, horzels, kevers
Voerden fantastische figuren uit,
Achter elkaar, als danspassen op lucht.
Grote dieren kwamen op mij af,
Namen mij op de rug en luisterden,
Terwijl ze ruimte lieten voor de bomen,
Die langzaam dichterbij geschuifeld waren.
Zelfs rotsen bogen voorzover dat kon
Hun oren naar ons toe. Niet allemaal:
Er waren er die onbewogen stonden
En toekeken hoe bovenop de bergen
De sneeuw aan het wegsmelten was begonnen
En de rivieren weer in gang zette,
Die stilgehouden hadden in stroom,
Terwijl erboven alle bruggen golfden.

 
Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

Doorgaan met het lezen van “Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Ismail Kadare, Wies Moens, José Martí”

Wies Moens, José Martí, Miguel Barnet, Hermann Kesten

De Vlaamse dichter en schrijver Wies Moens werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 28 januari 1898. Zie ook alle tags voor Wies Moens op dit blog.

Drieluik

Loopt hij met zijn meisje
langs witte maanpaden-
ver ronken de kermisorgels
en de Bengaalse vuren zieltogen in het dorp-
hij vooist haar al de zoete wijsjes van zijn hart,
want zijn hart is een weke occarina.
Ronde boomkruintjes, haar ogen,
waaien gestaag hun bloesems in zijn hand

Maar hij is soldaat
die op nachtwake staat-
nacht: blauwe cowboyfilm;
zeebrand blikvuurt: alle einders langs, de opalen,
buitelen de nachtegalen!-
Drievoudig ontbloeit zijn heimwee:
Zodag-dorp-meisje,
en hij loop een pas of wat,
kuchend als het treintje
dat hem naar huis voert….
Dan, onder de sterrewielingen
staat hij verloren,
en kijkt scherp uit, als een stuurman.

Drinkt hij zijn pint met de dorpskameraden,
brult zijn keel schor,
danst vonken uit de vloerkarelen-
een plots, koele
doet hem opspringen; “mijn lief !”
En hij wipt de straat over
als een jonge haas!

 


Wies Moens (28 januari 1898 – 5 februari 1982)

Doorgaan met het lezen van “Wies Moens, José Martí, Miguel Barnet, Hermann Kesten”

Miguel Barnet, José Martí, Hermann Kesten, David Lodge, Wies Moens

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009 en ook mijn blog van 28 januari 2010.

 

Uit: The Language We Speak

 

Our Cuban variant of the Spanish language is a spicy potato dish in which, among others the Spanish, the indo-West Indian, and the African of Yoruba, Bantu or Carabali origin have combined, just to mention only three African linguistic sources, in view of which we should also assume an objective position, not an embarrassing or discriminatory one. The world “chévere”, very Cuban, is used today in many countries in the Americas, where it arrived by way of Cuban music; however, it’s barely used in Cuba now. “Asere” and “ecobio”, also of African roots, have expanded as ways of addressing people, particularly the first one, among our youngsters since the 1960’s. Today, their use is common in Cuban vocabulary and not necessarily poor Cubans. They’re contributions from other languages that have been gradually incorporated into the Cuban Spanish and that are part of our culture. Words coming from religious systems or fraternity and mutual help societies like the Abakuá Society, but that have acquired a new semantic value, according to the persons using them and the intention with which they do. 

Between all of us, we have gradually elaborated this rich spicy dish throughout the long cooking process identifying us as the Cuban linguistic community. We’re not defending the use or abuse of vernacular words, because “Cuban” means not only what is popular, picturesque, and vulgar; that’s not only a very narrow conception, but a wrong one. Cuban is also what is educated, more elaborate.” 

 

 

Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

 

 

Doorgaan met het lezen van “Miguel Barnet, José Martí, Hermann Kesten, David Lodge, Wies Moens”

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Maik Lippert, Ismail Kadare, Miguel Barnet, José Martí

Deze gedichtendag is tevens de verjaardag van de Nederlandse Dichter des Vaderlands Ramsey Nasr. De Palestijns-Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

da capo

treed binnen allerzwartste
met je gezandstraalde ziel
gerangschikte tranen
treed binnen en brul als een dame

schreeuw onder een houten doek
opnieuw cadenza na cadenza
sterf in een lijf dat niet van jou is
zing tot bloedens toe
ik wacht

beuk open de rode zaal
ik heb haar schoon en stil gemaakt
en smeek je wees mijn opera
da capo
kus dit lege hart

 

 

In het land der koningen

ik leef in een land
waar de dierenvriend besluit
uit goedheid een andere mens neer te knallen

ik leef in een land
waar de vrome gelovige besluit
uit eerbied het mes in de ketter te planten

ik leef in een land
waar onze jongens uit gekkigheid soms
de conducteur in elkaar stampen

ik leef in een land
waar een keurige man, achtendertig, blond
de vrijheid neemt om door anderen heen te rammen

en in dit rood, rood schemerland
waar de grenzen totaal werden opgeheven
waar de mondigheid totterdood wordt beleden
en waar zestien miljoen koningen leven

daar ontstaat vanzelf een nieuwe orde
daar zal langs feestelijk afgezette lanen
een laatste koningin haar laatste onderdanen
als beesten overreden zien worden

 

nieuw nederland

o bron van humanisme, blakend lichtpunt
o bakermat van zeldzaam burgerschap
wie luistert nog naar ons? dat zijn dan leiders
ze schallen hier hun christennormen rond

hangen fraai de morele misthoorn uit
maar in amerika (en nooit prime time)
doen ze het glimmend in hun broek van trots
stelen we tijd in het koelwitte huis

wat is een gidsland nog in zo’n positie?
wij varen braaf achter de grote baas
’t is imposant: een vloot van vijftig staten

plus nog een luchtbed om hen op te jagen
GEZOCHT: grote malloten met een visie
die dromen kunnen en de zee doen kraken

ramsey-nasr

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Zie ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

Luna

Alsof het was bedekt met hevig licht
bleef haar lichaam mij weerkaatsen,
even zinloos dreigend
zoals de glans aan messen hangt.

Ik bedroog haar met geweld:
mijn lichaam liet haar voor de liefde leven,
haren werden touw toen ik ze opbond,
een verwonding opsmuk, een gevlamde tatoeage.

Voor mijn schoonheid moest zij dood.
Uit haar schreeuwden tegenstrijdige bevelen.
Vuistgroot trilde ik boven haar uit.
Vallen was genade.

 

 

Sol invictus

Daar zit de vrouw juist, in een preutse jurk
die brandbaar is. (Ik ben haar man[p. 38] maar heeft ze iets?) Niet dat ik niet weet
dat er hoge liedjes spelen in haar hoofd,
maar ik lig nu in een gouden blouse van organza,
paarse lippen met een rode tong ertussen, dan
breng ik witte vingers halverwege naar mijn kapsel.
Het geklik van de viewmaster:
te veel licht en chemicaliën; rare pluisjes en krassen
voor mijn ogen, als zit daar een stekelige hand tussen
mij en mijn plaatjes. Staat Hij me naar het leven
met Zijn kleine foto’s die opengaan, in mij verschieten?
Ik,
de diamanten man vierstralig, omcirkeld door stemmen,
vliegjes en constellaties
tolererend omdat elke maan mijn schittering weerkaatst.

 

Life On Mars

Was zo graag samen
gevallen
maar iedereen viel
apart

was zo graag samen gevallen
maar iedereen viel apart
alleen
wij

was zo graag samengevallen
maar iedereen viel apart
alleen wij
sprongen naar de sterren.

Verhelst

Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Zie ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

mein vater


sah gern chaplin
der große organisator
trug stets perlonbeutel und stichsäge bei sich
wenn er ins möbelkombinat ging
arbeiten fürs restholz
nannte er das
baute barhocker mit rotem knautschlackbezug
sommers in kurzen hosen schmatzten
die schenkel darauf
noch heute
finde ich in schubläden unberührte
großpackungen
rasierklingen und interhotelseife
nur im eckschrank in der küche
wo der korn deponiert war
für blaue stunden
steht die flasche
nicht mehr

 

 

gicht


mondgewicht
in den knochen
gezeiten
in den gelenkkapseln
ein an und ab
schwellen
im hirn
der bleiche gesang
einer schmerztablette

 

Lippert

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

De Albanese dichter en schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

Poetry

 

Poetry,
How did you find your way to me?
My mother does not know Albanian well,
She writes letters like Aragon, without commas and periods,
My father roamed the seas in his youth,
But you have come,
Walking down the pavement of my quiet city of stone,
And knocked timidly at the door of my three-storey house,
At Number 16.

 

There are many things I have loved and hated in life,
For many a problem I have been an ‘open city’,
But anyway…
Like a young man returning home late at night,
Exhausted and broken by his nocturnal wanderings,
Here too am I, returning to you,
Worn out after another escapade.

 

And you,
Not holding my infidelity against me,
Stroke my hair tenderly,
My last stop,
Poetry.

 

 

Vertaald door Robert Elsie

 

Kadare

Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)

 

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

 

 

Death’s Like That

 

Fatso has died who could inflate

bicycle tires with his lungs

he used to get drunk in front of the Castillo de la Punte

hiding from daylight

 

Patricio has died his small dry hands

clasping a final lottery ticket to his breast

 

Tente, from Palmira, has died in his filthy bed of straw

poor old santero

 

He died at midnight while pouring aguardiente

for Oggún Arere his protector

I don’t know why I’m so sad about Tente

 

Israel has died who sold cloth wholesale

and filled with nostalgia would announce

‘I’d like to eat figs in Poland’

 

Susanita has died, the old hotel keeper, worn out from weeping

in the courtyard armchair

her keys at her waist and her thick nose…ah, Susanita!

 

The hustler died — I can’t recall his eyes —

who used to lounge for hours

against the post with the streamers

on the Paseo del Prado

 

Oscar the bookie has died, but more slowly,

soaked to the ears in violet water

weighing at the end no more than a husk

 

The gypsy organ grinder is dead

whose monkey danced its tender dance

at the end of its leash all over town

 

Lucía, or was it Lucrecia, is also dead

my mother’s seamstress

who sweated over her sewing machine day and night

to support Humberto, her eternal husband

Those eyes of hers pierce his body now

Jesús is dead — I wish this was over —

the mulatto from the library

They told me to read a lot. I don’t know anything.

 

Picasso is dead, hung

from a bar of chocolate

                                                                  That Picasso

                                                                  did amazing things

                                                                  at the circus!

 

Dead. This is awful

                                           God

 

Once again I don’t know why I say the name

 

I wish I could flow like a river

 

 

Vertaald door Mark Weiss

 

miguel_barnet

Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

 

De Cubaanse dichter en schrijver José Martí werd geboren op 28 januari 1853 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2009.

I dream awake (from Ismaelillo)

Day and night
I always dream with open eyes
And on top of the foaming waves
Of the wide turbulent sea,
And on the rolling
Desert sands,
And merrily riding on the gentle neck
Of a mighty lion,
Monarch of my heart,
I always see a floating child
Who is calling me!

 

If you’ve seen a mount of sea foam

If you’ve seen a mount of sea foam,
It is my verse you have seen:
My verse a mountain has been
And a feathered fan become.

My verse is like a dagger
At whose hilt a flower grows:
My verse is a fount which flows
With a sparkling coral water.

My verse is a gentle green
And also a flaming red:
My verse is a deer wounded
Seeking forest cover unseen.

My verse is brief and sincere,
And to the brave will appeal:
With all the strength of the steel
With which the sword will appear.

 

Vertaald door Esther Allen

 

jose-marti-statue-nyc

José Martí (28 januari 1853 – 19 mei 1895)
Standbeeld in New York

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e januari ook mijn vorige blog van vandaag.

 

Ramsey Nasr, Peter Verhelst, Ismail Kadare, Miguel Barnet, José Martí, David Lodge, Wies Moens, Maik Lippert, Manfred Jendryschik, Hermann Kesten, Colette, Mo Rocca, Christian Felix Weiße, Hermann Peter Piwitt

De Palestijns-Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008.

wonderbaarlijke maand

dat was in de wonderbaarlijke maand
van bloesemingen en overvloed
toen mijn borstkas opstoof als papaver
ribben in sierpennen uitwaaierden
mei mijn magere taal openbrak
vergelijkingen vrat als vuur water

ik schaamde mij diep naar poldergewoonte
in loden jas tussen druppel en wind
ongevoelig bij takken struikgewas doornen
had ik licht opgevat
ik wreef haar in
en doorzichtig vernederend fonkelniezen
kwam over mij o wonder daar ging ik
men zou van minder uit schamen gaan
maar dit was mijn ziekte baarlijke liefde

 

 

Wie weet mij eindelijk

 

Wie weet mij eindelijk, welke dodentolk,
Te doen bedaren in gezworen haat.
Ik volg de vaderen om vroeg en laat
Mijn land te zien. Ik leef tegen een volk
dat zebrapaden aanlegt over wonden,
Dat boven onze botten steen op steen
Bewoont, dat leven wil voor zich alleen.
Leeft dan in angst. Ons bloed wordt niet geronnen.
Op hoeveel scherven vlees weerkeert het recht.
En opgeblazen domme wraak en gal
Is wat er rest, als hersenen gaan denken.
‘Men mag een mens een leven niet ontschenken.
Ik hoop dat ik geen bommen maken zal.’

 

RamseyNasr1

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Zie ook mijn blog van 28 januari 2008.

 

Broken Nose

 

Onhandelbaar gezicht

op een sokkel op de schouders van een jongen

verdunnend tot een neus in een rare hoek.

De foto glanst onwezenlijk, een scherp been

in X-raykleuren met een streepje zwart

als een slechte zenuw. Alsof een meisje

in mijn hoofd eet tot ze me op heeft,

haar nagels over ijzer haalt en giechelt.

 

Jongetje op knalgeel schommelpaard

tegen de muur. (Mike Tyson-

Sint-Sebastiaan.)

 

 

 

Viewmaster en lucifer

 

Met sneeuwlippen en ijsblauwe ogen

je cold song baby, (God heeft de kleur

van de rook van mijn sigaret, evenzo giftig)

in catsuit voor je heupwiegend. Uit de hemel

daal ik aan een koord. Als ik dan zing gaat mijn mond

dood denk is soms; ik stel me voor dat hij

als vacuüm het gezongene terug inhaleert

zodat hij tenslotte vol gestorven muziek

als een doosje zonder gestolen spiegeltjes nutteloos

tussen mijn vingers op vuur wacht. (God is warm

als de askegel in mijn handpalm afgetikt) Erboven

klikt de master; ik met het gezicht van de vrouw

die op mijn hand zit als een dier in hypnose,

ik en Angst in gesprek, ik en Brutaal in een tongkus,

ik en Christus, ik Doodsogig, ik Emanatie… –

tot een flakkerende tong de minuscule

foto’s uit het kaartje weglikt.

(en de vuurpunt in mijn ogen doodduwt.)

 

Als niks.

 

Verhelst

Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

 

De Albanese schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008.

Uit: The Siege

 

As winter fell away and the Sultan’s envoys departed, we realised that war was our ineluctable fate. They had pressured us in every way to accept being vassals of
the Sultan. First they used flattery, promising us a part in governing their vast empire. Then they accused us of being renegades in the pay of the Frankish knights, that is to say, slaves of Europe. Finally, as was to be expected, they made threats.
You seem mighty sure of your fortresses, they said to us, but even if they are as sturdy as you think, we’ll throttle you with an altogether more fearsome iron band – hunger and thirst. At each season of harvest and threshing, the only seeded field you’ll see will be the sky, and your only sickle the moon.
And then they left. All through March their couriers galloped as fast as the wind bearing messages to the Sultan’s Balkan vassals, telling them either to persuade us to give in, or else to cut off all relations with us. As was to be expected, all were obliged to take the latter course.
We were alone and knew that sooner or later they would come. Many times in the past we had faced attacks from our enemies, but lying in wait of the mightiest army the world had ever known was a different matter. Our own minds were perpetually abuzz, but our prince, George Castrioti, was preoccupied beyond easy imagining. The inland castles and coastal keeps were ordered to repair their watchtowers and above all to build up stocks of arms and supplies. We did not yet know from which direction they would come, but in early June we heard that they had begun to march along the old Roman road, the Via Egnatia, so they were heading straight towards us.
One week later, as fate decreed that our castle would be the first defence against the invasion, the icon of the Virgin from the great church at Shkodër was brought to us. A hundred years before it had given the defenders of Durrës the strength to repulse the Normans. We all gave thanks to Our Immaculate Lady and felt calmer and stronger for it“.

 

Kadare

Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)

 

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008.

On Cat’s Feet

 

The wind has scorched my fur
the cold wind, the leveler
On cat’s feet I glide through the dark.
Carefully, with a wild beast’s caution,
I approach your heart,
your scent and the night my compass.
As if you don’t know that I exist you expose yourself
to helplessness and fright.
After all you are weaker
than a ball of yarn
and you haven’t learned to run away.
Only the rain silvering your arms
hovers between us.
You can’t see me, my path hidden beneath trees
The night, prodigal with dreams, plays again
its dirty trick on me.
Fiercely I drink your nakedness until my lips
dry out or forget.
God grant that an arrow pierce your heart
to remake you as I see you, to revive you.

Not for its apparition do I blame the night
but for its ghosts
.

 

 

 

Vertaald door Mark Weiss

 

miguel_barnet

Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

 

De Cubaanse schrijver José Martí werd geboren op 28 januari 1853 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

No. 5 from Simple Verses

 

If you see a hill of foam
It is my poetry that you see:
My poetry is a mountain
And is also a feather fan.

 

My poems are like a dagger
Sprouting flowers from the hilt;
My poetry is like a fountain
Sprinkling streams of coral water.

 

My poems are light green
And flaming red;
My poetry is a wounded deer
Looking for the forest’s sanctuary.

 

My poems please the brave:
My poems, short and sincere,
Have the force of steel
Which forges swords.

 

Marti

José Martí (28 januari 1853 – 19 mei 1895)

 

De Engelse schrijver en literatuurwetenschapper David Lodge werd geboren op 28 januari 1935 in Londen. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007 en ook mijn blog van 28 januari 2008.

 

Uit: Consciousness and the Novel

 

Lyric poetry, however, uses language in such a way that the description of qualia does not seem partial, imprecise, and only comprehensible when put
in the context of the poet’s personal life. In my novel Thinks…, the heroine Helen Reed makes this point to a cognitive science conference, quoting from Andrew Marvell’s poem “The Garden”:

 

The Luscious Clusters of the Vine
Upon my Mouth do crush their Wine;
The Nectaren, and curious Peach,
Into my hands themselves do reach;
Stumbling on Melons, as I pass,
Insnar’d with Flow’rs, I fall on Grass.

 

Helen says: “Let me point to a paradox about Marvell’s verse, which applies to lyric poetry in general. Although he speaks in the first person, Marvell does not speak for himself alone. In reading this stanza we enhance our own experience of the qualia of fruit and fruitfulness. We see the fruit, we taste it and smell it and savour it with what has been called ‘the thrill of recognition’ and yet it is not there, it is the virtual reality of fruit, conjured up by the qualia of the poem which I could try to analyse if there were world enough and time, to quote another poem of Marvell’s – but there is not” .

There are lyrical descriptions of qualia in prose fiction as well as verse. “My task, which I am trying to achieve,” Joseph Conrad wrote in the Preface to one of his tales, “is by the power of the written word to make you hear, to make you feel – it is before all, to make you see. That – and no more, and it is everything.”

 

DavidLodge

David Lodge (Londen, 28 januari 1935)

 

De Vlaamse schrijver Wies Moens werd geboren in Sint-Gillis-bij-Dendermonde op 28 januari 1898.  Van 1916 tot 1918 studeerde hij Germaanse filologie aan de Universiteit van Gent. Hij werd lid van de Vlaamse Beweging, en werd na de Eerste Wereldoorlog wegens zijn rol als activist tot gevangenisstraf veroordeeld. De Vereniging van Vlaamse letterkundigen verzocht om zijn vrijlating, en Vlaamse intellectuelen stuurden een petitie rond. In maart 1921 kwam Moens vrij. Hij vervulde zijn dienstplicht en trad in 1922 in het huwelijk. Zijn expressionistische gedichten verschenen in het tijdschrift Ruimte waarin ook Paul van Ostaijen publiceerde.Tijdens WO II werd Moens directeur van de nationaalsocialistische Zender Brussel. Eind 1943 diende hij zijn ontslag in omdat de zender steeds meer onder invloed kwam van de Algemeene SS-Vlaanderen en DeVlag. In 1947 werd hij bij verstek ter dood veroordeeld wegens collaboratie met Duitsland. Hij vluchtte naar Nederland waar hij de rest van zijn leven doorbracht.

 

Uit: Celbrieven

 

„Mijn goeie, waarde vriend!

‘Vijgen na Pasen’ hoor ik je al mompelen! Waarachtig ik kom wat laat met mijn Paasbrief aandragen, maar het is heus mijn schuld niet… ik heb het de laatste dagen zo biezonder druk gehad, – ik ben op reis geweest! Over mijn tegenwoordigheid als getuige op het proces Jacob c.s. zal de krant je wel geïnformeerd hebben. Ik meen dat het mijn plicht

[p. 13]was, als oud-student van Dr. Jacob aan de Vlaamse Hogeschool, ‘zonder haat en zonder vrees’ mijn herinneringen aan zijn professoraat voor het Assiesenhof te gaan uitspreken. Deze herinneringen zullen steeds zo levend en fris blijven, als dit professoraat uitmuntend was.

De reis naar Antwerpen is in mijn eentonig gevangenisleven (de 11e maand voorarrest is begonnen!) een zeer gewenst intermezzo geweest: dat kan je je voorstellen! En om je nu niet eeuwig met mijn al te dorre cel-filosofie om de oren te zaniken, zal ik je wat over die reis vertellen.

Het was een mottige dag toen wij naar Antwerpen spoorden; wat niet belet dat ik de lucht, en de bomen en het land die dropen van triestige regen, als een goddelike veropenbaring van ongekend, verholen geluk zat toe te knikken door het raampje, de hele reis lang! En de mensen dan! Maar zij keken zo schuw naar mij.“

 

moens

Wies Moens (28 januari 1898 – 5 februari 1982)

 

De Duitse dichter en schrijver Maik Lippert werd geboren op 28 januari 1966 in Erfurt. Van 1986 toto 1991 studeerde hij in Moskou economie. Hij debuteerde in 1995 met Suizid wird nicht länger strafrechtlich verfolgt, een uitgave in eigen beheer. Sinds 2003 werkt hij als docent in Berlijn.

engelsposaune

 

jeden morgen der kelch

das gelb von gummihandschuhen

ein fingerzeig gottes

liegt auf dir

beim vorbeigehen am vorgarten

zur haltestelle

lukas stöbert

in den abfallkörben

den krumen nach

wandert am packpapier

die geäderte stierzunge

wie ein blatt

vom nachtschatten

noch bleich die geliebte

in der hand

das buch mit blauem einband

monologe über engelarten

und du denkst

an zierliche schulterblätter

 

 

 

rippenzählen

 

ich kam zu dir

rippenzählen

was hatte ich mehr

als deinen rücken

nach der schicht

rauchtest du erstmal

bis dein kopf ganz

porzellan war

 

lippert

Maik Lippert (Erfurt, 28 januari 1966)

 

De Duitse dichter en schrijver en uitgever Manfred Jendryschik werd geboren op 28 januari 1943 in Dessau. Van 1962 tot 1967 studeerde hij germanistiek en kunstgeschiedenis aan de universiteit van Rostock. Vervolgens werd hij lector bij een uitgeverij in Halle. Sinds 1976 is hij zelfstandig schrijver. Jendryschik schrijft vooral gedichten, essays en verhalen. In 1987 ontving hij de Heinrich-Heine-Preis van het ministerie van cultuur van de DDR.

Uit: Der feurige Gaukler auf dem Eis

“Ach diese Stimme, thüringisch eingefärbt, jetzt wohnt sie in Leipzig, das gibt eine Mischung, jedenfalls zart, ein Mädchen, dass du die Worte beschützen möchtest, auch ihr Gesicht hat diese Röte, die kindliche, manchmal erzählt sie eifrig, die Lippen vollführen Sprünge, und sitzt dann auf fliegendem Teppich, sie gleitet uns weg aus dem Haus, aus den Straßen, der Stadt, ist schon unter südlicher Sonne zum Beispiel, das könnte die Camargue sein, um Aix en Provence usw., wo noch die wildesten Pferde traben, und zum Marienfest treffen sich Europas Zigeuner, da fällt sie gar nicht mehr auf, nie war sie anders, und es ist deutlich zu sehen, wie sie in buntschillerndem Röckchen tanzt, das Tamburin in der Hand, der Atem in Stößen, schneller die Schritte, verrückter, verrückter, jetzt sollte, erst mal, ein Semikolon her; einer hat doch gesagt, sie wäre einst Staatsanwalt gewesen, das muss ein Irrtum sein, auf alle Fälle geht die Legende, es hätten die Angeklagten viel Mitleid mit ihr gehabt; oder ich sag: ein Kind, das ist, zu plötzlich, unter diese Erwachsnen gefallen, das hört mit dem Staunen nun nicht mehr auf; oder sie erzählt nichts, sie steht nur so da, im Garten, im Mai oder Juli, und lächelt gegen den Regen, wandelt mit dieser Stimme Tropfen zu Schmetterlingen auf ihrer Nase, in dieser Luft, es könnten auch Blaumeisen sein, und wird gegen Abend ein Baum, so ist sie im Grün, ein Fliederbusch, der wächst über alle Zäune.”

 

jendryschik

Manfred Jendryschik (Dessau, 28 januari 1943)

 

De Duitse schrijver Hermann Kesten werd geboren op 28 januari 1900 in Podwoloczyska (tegenwoordig Oekraïne) en groeide op in Nürnberg. Hij studeerde rechten en economie, later germanistiek, geschiedenis, filosofie en theaterwetenschappen. In 1927 werd hij lector bij een uitgeverij in Berlijn. In 1933 vluchtte hij voor de nazi’s en leefde in Parijs, Nice, Oostende, Brussel en Amsterdam, waar hij voor uitgeverij Albert de Lange werkte. In 1940 vluchtte hij naar de VS. Daar werd hij – samen met Thomas Mann – Honorary Advisor” van de “Emergency Rescue Committee”, een organisatie voor de redding van kunstenaars en intellectuelen. In 1949 werd hij Amerikaans staatsburger, maar hij keerde in 1952 terug naar Europa en woonde in Parijs, Rome en in Zwitseland.

 

Uit: Die fremden Götter

“Junger Mann! Wollen Sie andeuten, in meiner Familie gehe es schlimmer zu als in Ihrer Familie? Oder in anderen guten Familien? Haben Sie nie Geschichte und Literatur studiert? Nie in der Schule von einer gewissen Iphigenie gehört? Das arme Kind ward zu Aulis vom eigenen Vater aus propagandistischen und religiösen Motiven geopfert. Und kennen Sie ihre Familie? Iphigeniens Urgroßvater Tantalus servierte seinen eigenen Sohn Pelops den Göttern zum Mahle, um sie auf die Probe zu stellen; er büßte es im Tartarus. Der Großvater Atreus, ein König von Mykene, rächte sich an seinem Bruder Thyestes. Indem er dessen Söhne tranchierte und dem Vater zum Mahle servierte; dafür tötete in sein Neffe Aegisthes. Die Mutter Klytämnestra erschlug mit Hilfe ihres Liebhabers Aegisthes ihren Mann Agamemnon im Bad nach dessen glücklicher Heimkehr vom Trojanischen Krieg. Der Onkel Menelaus war ein Hahnrei, der, um seine Hörner zu rächen, den Trojanischen Krieg entflammte. Ihre Tante Helena war die hübscheste Hure der Welt. Ihr Bruder Orestes war ein Muttermörder. Und ihre Schwester Elektra dessen Helfershelferin. Und doch stammte Iphigenia aus bester Familie, von hochbeliebten Atriden. Und lasen Sie nie die Bibel von Loth und seinen Töchtern? Und lasen Sie nicht kürzlich in der Zeitung vom Prozeß Laval, ich meine den Metzger Aristide Laval aus Juan-les-Pins, der seine Töchter jeweils an ihrem siebzehnten Geburtstag geschlachtet, zerlegt, durch seine Wurstmaschine getrieben hat als Charcuteriewaren in seinem Laden verkauft hat, die drei letzten armen Mädchen sogar auf dem schwarzen Markt?”

kesten-hermann

Hermann Kesten (28 januari 1900 – 3 mei 1996)

 

 

De Amerikaanse schrijver, satiricus en komiek Mo Rocca werd geboren op 28 januari 1969 in Washington, DC. Hij werd bekend als correspondent voor The Daily Show van Jon Stewart. In 2004 was hij de on-the-floor correspondent voor Larry King bij de Democratische Conventie en vormde hij het komische tegenwicht voor de serieuze presentator.

 

Uit: All the Presidents’ Pets

 

„Lesley quickly changed the subject—she must have been shooting for 48 Hours. She looked up at the menu. “Mo, sweetie, tell me about this Maine lobster wrap ‘enhanced with lemon mustard aioli, complemented by crisp cabbage slaw.’ Very fancy-sounding.” By the time she finished reading she was leaning almost over the counter, one leg, bent at the knee, sexily kicked up behind her.

“Well, let’s see,” I said, fumbling with one of the sandwiches. “It looks like the lobster is wrapped in some sort of a fennel tortilla with—”

“Why am I asking you?” she kidded, grabbing my collar and pulling my ear right up to her lips. “You’re not a food reporter, Maurice,” she cooed, using my birth name. “You’re an investigative reporter!” I’d just about had it with Lesley’s Mrs. Robinson routine when her cell phone rang and she pushed me away to grab it. “It’s Andrew calling! Must be important.” She wanted me to believe it was CBS News president Andrew Heyward, but of course I knew it was Andy Rooney. She covered the phone for a second. “Sorry, boys, but I have to take this. It’s the network.” And she was gone in an instant, the clicking of her heels receding down the aisle of the café car.

“Isn’t she amazing?” Phil said dreamily.

“Amazing,” I said, through clenched teeth.

 

mo-rocca

Mo Rocca (Washington, 28 januari 1969)

 

De Franse schrijfster Colette werd geboren op 28 januari 1873 in Saint-Sauveur-en-Puisaye. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Uit: La femme caché

La brune est jolie, et charmante est la blonde oxygénée. Mais la brune, toute velours gris à panneau de perles couleur de flamme, colletée de renards argentés, chaussée de paillettes, de plumes d’oiseaux et de strass, gantée d’entonnoirs brodés, coiffée d’une nue aux aigrettes qui suspend, au-dessus de deux astres, une menace d’orage, la brune resplendit de l’élégance un peu brutale qui plaît aujourd’hui … Les gourmandes et les bavardes se sont tues à son entrée. On la contemple, et les regards d’envie l’embellissent comme une pluie d’été lustre l’émail d’un martin pêcheur. Elle a chaud, boit en pigeonne, le cou tendu et le jabot penché. Elle a deux gestes, aussi fréquents que des tics, mais qui ressortissent à une coquetterie raisonnée : de l’index, elle chasse au-dessus de son sourcil une boucle brune très légère, et l’on voit briller, près de l’oeil allongé, l’ongle en amande ; elle enfonce, sur sa nuque, un trident d’écaille, et l’oeil suit, quand son bras se lève, la rondeur de son sein qui remonte, bien suspendu, en même temps que le bras.
La blonde … la blonde est charmante à sa façon. Ce n’est qu’une blonde en crêpe marocain et cape de panne, une blonde à l’encolure courte, à la bouche carnassière. Ses tics ne l’embellissent pas. Elle lance le menton en avant, d’une façon doguine, et elle fronce le nez comme un petit phoque qui sort de l’eau, en clignant des yeux. Ce n’est pas joli … Je voudrais le lui dire … A la bonne heure ! Voici qu’elle imite, sous le feu des regards, le jeu de son amie. Elle bombe le buste, tapote d’une main son chignon bas tout en or. Ainsi une soeur cadette imite, inconsciemment, l’aînée déjà sûre de séduire. Quel plaisir pour les yeux que ces deux paonnes bien apprises !

 

Colette

Colette (28 januari 1873 – 3 augustus 1954)

 

De Duitse dichter en schrijver Christian Felix Weiße werd geboren op 28 januari 1726 in Annaberg, in het Erzgebergte. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Der Knabe

Mich will der Informator schlagen?
Nein, nein, das geht nicht weiter an:
Als Knabe must ich es ertragen,
Doch jetzt bin ich schon halb ein Mann.

Ist er nicht klüger dieß zu wissen?
So hör er nur, was Hannchen spricht;
Will ich die kleine Närrin küssen:
So spricht sie, geh, dein Bart, der sticht.

weisse

Christian Felix Weiße (28 januari 1726 – 16 december 1804)

 

Zie voor onderstaande schrijver ook mijn blog van 28 januari 2007.

De Duitse schrijver Hermann Peter Piwitt werd geboren op 28 januari 1935 in Wohldorf bij Hamburg.

Peter Verhelst, Ramsey Nasr, Ismail Kadare, Miguel Barnet, David Lodge, Colette, José Martí, Christian Felix Weiße, Hermann Peter Piwitt

De Vlaamse dichter, romancier en theatermaker Peter Verhelst werd geboren op 28 januari 1962 in Brugge. Later volgde hij de lerarenopleiding in de vakken Nederlands, Engels en geschiedenis waarna hij les gaf in algemene vakken aan het Instituut voor Voeding in Brugge. In 1999 stapte hij uit het onderwijs om zich voltijds op het schrijven te storten.  Zijn eerste dichtbundel, Obsidiaan (1987) werd bekroond met de Prijs voor Letterkunde van de provincie West-Vlaanderen en de Paul Snoekprijs. Na Obsidiaan volgden nog zes poëziebundels, waarna hij zich in 1997 in het tijdschrift De Revisor als dichter dood verklaarde. Desondanks verscheen van hem in 2003 een nieuwe gedichtenbundel, Alaska. Naast poëzie schrijft Verhelst ook proza en theater. Sinds kort is hij ook als vaste werkkracht verbonden aan het theaterhuis NTGent.

 

Fassbinder Rex

 

Matroos in Brest onder de rosse gloed van de maan.

De accordeon kriept in mijn borst. Wie die vuist in mijn rug

priemt tijdens tango’s en me plots daar grijpt is het beest

dat me vooroverdrukt op tafel en als speeksel openwolkt,

in mijn hoofd de kermende touwen losknipt zodat ik

een schip op drift ben – speeltje met zijn onweegbuik over me heen –

        tot ik begeef onder Herr Kuiper

        en er mesjes uit zijn vingers klappen

        graaiend naar mijn hart. Die snijbloem.

(Andy is dood, Nico is dood, Nomi is dood,

Rainer die vergaat is de Dom die brandt

en boven zitten twee aapjes in een kooi

ook al in elkaars vlees vast.)

 

 

 

Jean Genet

 

Man met sigaret. Man met Russisch gezicht, gemillimeterd.

Wat denk je zal bewegen uit de telefoon naar me toe;

neonletters, de zalmroze vinger van de liefde of jouw tong

die wartaal in mijn hoofd brengt als een bloedende vork?

De kamer riekt, de muren zijn oud vlees.

In de sofa zie ik in een flits een uiteenvallend skelet.

(Zijn bloed zit vast. Genet en zijn verbijstering,

in zijn linkerhand het lichaam, in zijn rechter de hoorn,

maar het snoer is stuk. Daar zit hij als geschilderd

op bed, een knie omhoog, luisterend naar de zee

in de hoorn. De mond van de latrine. Zwarte keel.

Jean luistert.)

Verhelst

Peter Verhelst (Brugge, 28 januari 1962)

 

De Palestijns-Nederlandse dichter, schrijver en acteur Ramsey Nasr werd geboren in Rotterdam op 28 januari 1974. Zie ook
mijn blog van 28 januari 2007.

 

het complot

wetenschap we lachen er wel om

maar het is natuurlijk

om ten hemel te schreien

nooit klikte het tussen ons

        de dichter

 

        en jou

afgemeten man plus chemische vrouw

laboratoire tweeling der vooruitgang

samen petrischalen vullen jaja

leg het maar uit

op witte gangen heb ik anders gehoord

wisselen jullie in smetvrije jassen

onderling eiwitten uit kan dat

nucleotide basenparen zoiets

dan smiespelen jullie samen

en waarom doen jullie dat en voor wie

zeg op! wat zijn jullie in godsnaam!

o mijn god met ons van plan

 

dit heb ik allemaal gehoord

onlangs uit vertrouwde bronnen

maar let op mijn woord

en – lees – lippen – knul

of ook wij begaan ongelukken

via titanendonder en weerlicht

hou je vast aan schalen van richter

hoogachtend hou me vast

        hou me vast

 

        uw dichter

 

 

Een minimum

lees me dan
luister dan zacht

ik ben de muur
en muurvaste man

jarenlang zitten
mijn lief en ik stil

tegen dit plafond
van gitzwarte kas

en vanaf ons vel
begint de bodem

en daar is geen rek
om haar te omarmen

zij zit ertussen
ik zit eronder

en ja ik heb niks
jazeker ik ben niks

maar godmiljaar
ik kan overleven

ik knok tot nu
de jaren rond
van beens af aan
tot aan mijn dood
zal ik tegen u
dit plafond
en alle ogen
in uw mond
opknokken

ik zal uit mijn pree
tevoorschijn komen

meewandelen onder haar
met mijn kansarme zon

en rondbazuinen

hier staan wij
klein en fier

lijk een mens
op een plein

en ik zou met u niet willen ruilen
ik zou er geld voor willen geven

om net als u
mezelf te zijn

 

nasr2

Ramsey Nasr (Rotterdam, 28 januari 1974)

 

De Albanese schrijver Ismail Kadare werd geboren in Gjirokastër op 28 januari 1936. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Uit: Agamemnon’s Daughter

 

In early winter, the sightless suddenly began congregating on sidewalks and in cafés. Their fumbling s
teps caused passersby to stop and stare in disbelief. Although citizens had lived for months in fear of the qorrfirman, the sight of its results rooted them to the ground, petrified them.

For some time people had allowed themselves to think that the victims of that notorious order had been swallowed up in the dark night of oblivion, that the only people you would come across in the street or the square were the formerly blind, with their unchanging appearance, the peaceful tap-tap-tap of their sticks— the kind of blind people everyone’s eyes and ears were long accustomed to. But now the first winter freeze had brought with it innumerable blind folk of a new and far more lugubrious kind.

There was something specific about them that distinguished them from the traditionally unsighted. They had a disturbing swagger, and their sticks made a menacing knock-knock-knock on the cobblestones.

They’ve not yet grown used to their new condition, some argued. Blindness came to them at a stroke, not gradually, as is usually the case, so they haven’t yet acquired the necessary reflexes . . . But those who heard such remarks shook their heads, clearly not convinced. Could that be the only reason?

What was most striking was their collective reappearance. It was probably not a coincidence, nor could it have been the result of secret collusion among them, contrary to the rumors that were being circulated by people who saw anti-state conspiracies in everything and anything. It came from the simple fact that the time needed for most of them to recover — either from the physical wounds caused by disoculation or from its attendant psychological trauma — had now elapsed.”

 

Ismail_Kadare

Ismail Kadare (Gjirokastër, 28 januari 1936)

 

De Cubaanse dichter en schrijver Miguel Barnet werd geboren op 28 januari 1940 in Havanna. Zie ook mijn blog van 28 januari 2007.

Walking the City

 

I, too, am among the privileged
of the age.
I was nurtured on high, slender walls,
a melancholy child,
in spite of a taste for shiny shoes
and the tears of Deborah Kerr and Cary Grant.
My eyes would melt in silence
in Vedado’s shady places.
In my celluloid seat
I dreamed unspeakable things,
black women, naked
in a foamy landscape.
I myself invented all the stories of the city
and I built my castles of fear
upon the schemes of the penniless Chinese.
If I knocked at the doors of the great
it wasn’t to beg  for a crust or a star,
but to leave an open, perfumed flower.
Believe me, I have been among the privileged of my time,
without time to lament my personal sorrows.
There are things that they show me with a corroded shine
and I look at them —
what’s to do!
I will walk these streets
without fear of whatever unforeseen
may lunge at me when I’m lost in thought.
Child of the minstrel and his guitar,
like a dream beast
I will pluck the strings of my invention.
I continue walking the city,
it throbs in my skin,
and if by accident I knock at your door,
fear not, Lezama, that I’m the ghost
of a poem by Baudelaire
nor will I refrain from telling you that you are still among us,
you, and those with whom we surround you,
like a tree of dark signals,
a fountain of enameled fish.
I write this only
to tell you that my feet have not wearied
of going through these streets that were once mud,
through these palaces that Julián del Casal*
saw covered with snow
and that I carry in my pockets not stones
but the sons* of Teodora Ginés*
to distribute among solitary wanderers
and sleepers in the parks

I lean against the Malecón*
nervous about poisonous octopi and empty bottles tossing in the water.
A noisy truck passes
carrying men and women
volunteers for the harvest.
Why am I reminded of a chorus of medieval lutes.
I expose my heart to wind and salt.
I have crossed the threshold of my house of shadows
And I know now that I’ve become my own reflection.

 

Vertaald door Mark Weiss

 

Barnet

Miguel Barnet (Havanna, 28 januari 1940)

 

De Engelse schrijver en literatuurwetenschapper David Lodge werd geboren op 28 januari 1935 in Londen.

Uit: Love and the Master

 

When he congratulated his friend on the splendid way the wedding had gone off, Du Maurier sighed and shook his head. It was not that he had anything to object to in Trixy’s choice of partner. “He’s a fine, clean-cut, upstanding young man, ” he said. “I’m sure he loves her and will take care of her. But it’s a wrench you know, when the little girl you’ve been nourishing and tending and protecting for years, is suddenly a woman, and doesn’t want your protection any more.”

“I understand,” said Henry sympathetically, “But that’s life, my dear chap. How else would the race be renewed?”

“Yes, it’s life,” said Du Maurier gloomily. “Ce n’est pas gai.” It was one of his favourite expressions.

“After all, you took Emma away from her father – and you told me yourself he put up quite a struggle.”

“That’s true,” Du Maurier admitted. “But I believe the old devil’s motives were entirely selfish – and her mother’s. He’d lost a lot of money, you know, and they were counting on Emma to look after them in their old age. They couldn’t see much prospect of that if she married me”

“Well, I daresay your mother shed a genuine tear when you married.”

“Maman?” Du Maurier was evidently amused at the thought. “The old lady wasn’t sentimental about such things. D’you know, when I was making myself ill with anxiety and frustration over our long engagement, she advised me to take a mistress – some little grisette, or the Cockney equivalent.”

“You mean – instead of marrying?” Henry was startled by this disclosure.

“No – while I was waiting to be married.” said Du Maurier, an idea which Henry found no less shocking. “Of course I told her it was out of the question,” Du Maurier added quickly. “I told her – which was perfectly true – that I had made a vow in my heart of total fidelity to Pem, on the day we were engaged.” Henry had the sense, which he had experienced once or twice before, that his friend had inadvertently opened a cabinet drawer on contents slightly compromising to the owner, and quickly slammed it shut. A woman who could make such a cheerfully amoral suggestion to her son shattered all received notions of maternal love; and the vow Du Maurier referred to implied a less than chaste existence up to that point in his life – which wasn’t perhaps altogether surprising in someone who had been an art student in the Quartier Latin, but not the kind of behaviour one would have inferred from the irreproachable respectability of domestic life at New Grove House. The two men maintained a thoughtful silence as Du Maurier lit a cigarette.”

 

david_lodge

David Lodge (Londen, 28 januari 1935)

 

Zie voor onderstaande schrijvers ook mijn blog van 28 januari 2007.

De Franse schrijfster Colette werd geboren op 28 januari 1873 in Saint-Sauveur-en-Puisaye.

De Cubaanse schrijver José Martí werd geboren op 28 januari 1853 in Havanna.

De Duitse dichter en schrijver Christian Felix Weiße werd geboren op 28 januari 1726 in Annaberg, in het Erzgebergte.

De Duitse schrijver Hermann Peter Piwitt werd geboren op 28 januari 1935 in Wohldorf bij Hamburg.