Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Björn Kern, Vladimir Nabokov, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Thommie Bayer, Madame de Staël

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Dood van een gelukkig man (Vertaald door Philip Supèr)

“Hij was de mening toegedaan dat het, eventueel op onorthodoxe wijze, begeleiden van een verlies ook tot de taken van een magistraat behoorde.
Op een bepaalde manier was hij een parasiet van het leed: zonder misdaden zouden er geen straffen zijn, en dus ook geen magistraten. Het leek hem daarom juist om de wereld nog iets anders terug te geven: dat wat zijn empathie als simpel en helder resultaat voortbracht.
En daar zat hij dus, zes maanden later, om te gedenken wat er was gebeurd en om even wijdlopige als zinloze betogen aan te horen over de goedheid van die man en over de tijd waarin ze leefden. En het was allemaal zonder problemen verlopen, alles was gegaan volgens het draaiboek: het gedenken van de gebeurtenis, de onoverkomelijke leegte die elke moordaanslag oproept, een paar geeuwen (na een tijdje wordt leed saai, behalve voor wie erdoor wordt opgevreten) en uiteindelijk de verzekering dat hij en zijn collega’s hun plicht niet zouden verzaken.
Het was goed gegaan – tot die jongen het woord had genomen. Beleefd had hij zijn hand opgestoken en Colnaghi meegedeeld dat hij vergelding wilde. Hij wilde vergelding omdat hij dokter Vissani’s zoon was. Was er een sterkere rechtvaardiging denkbaar dan deze? De volwassenen keken elkaar aan zonder iets te zeggen, sommige draaiden wat met de hoed in hun hand, een paar vrouwen konden een misplaatst glimlachje niet onderdrukken. In welke vorm ook, het uitgesproken verlangen leek algemeen te zijn.
Ten slotte had Colnaghi toch zijn reactie gegeven. ‘Als het gaat om vergelding ben ik niet de aangewezen persoon,’ zei hij alleen, terwijl hij met zijn glimlach een poging deed om de spanning wat te laten wegsmelten.’


Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

 

De Nederlandse schrijver Jan de Hartog werd geboren in Haarlem op 22 april 1914. Zie ook alle tags voor Jan de Hartog op dit blog.

Uit: Het koninkrijk van de vrede

“Drie keer ‘Lydia Best’ in één zin. Op een buitenstaander moest dat een zelfingenomen indruk maken, maar Rossini was nu voldoende vertrouwd met de Quaker-mentaliteit om te beseffen dat Lydia van het begin af aan duidelijk wilde stellen dat zij alleen verantwoordelijk was voor het gedurfde schouwspel dat haar leerlingen op het punt stonden op te voeren. Het idee alleen al van een toneelspel in een Quaker-school moest verfoeilijk zijn voor de Engelsman naast hem, Mordechai Monk, evangelist uit Londen. Voor de samenkomst begon had Rossini opgemerkt dat de heer Monk met gefronste wenkbrauwen naar de piano had gestaard alsof het een afgodsbeeld was. ’s Mans reputatie was hem al vooruitgereisd. Het scheen dat hij in Fort Wayne een harp had stukgeslagen en de vluchtende harpiste de brokken achternageslingerd onder het brullen van aanhalingen uit de Heilige Schrift. Hij vroeg zich af wat Lydia had bezield om uitgerekend deze man in het harnas te jagen. De school was zo afgelegen dat zij tot dusver ontsnapt was aan het schisma tussen ‘orthodoxe’ en ‘vrijzinnige’ Vrienden, de vloek van het huidige Genootschap; het was duidelijk dat Mordechai Monk gezonden was als orthodox inquisiteur. Voor de eerste maal voelde Rossini zich geïrriteerd door Lydia’s opstandigheid, die tot dusver zo verfrissend had geleken. Het was alsof de agressieve geest die bezig was de hele Wabash Vallei onherkenbaar te veranderen zich ook meester had gemaakt van dit laatste bastion van tolerantie en lankmoedigheid. In het afgelopen jaar was de vallei niet alleen van aanzien maar ook van karakter veranderd. Negen maanden geleden was een aanvang gemaakt met het graven van het laterale kanaal langs de rivier de Wabash, en reeds was het idyllische landschap van weiden en beboste heuvels verminkt door een wit litteken, tweehonderd meter breed. De invasie van honderden Ierse grondwerkers met hun gillende, gierende stoomzagen, hun heimachines, hun bruut rumoer leek een verontreiniging van wat eens een waar Arcadië geweest was met alleen, soms, het loeien van een koe en het koeren van duiven. De invasie had de zegeningen van de vooruitgang met zich meegebracht: hoeren, kwakzalvers, waarzegsters, landspeculanten, woeste kermissen, dronkemansgevechten; het landelijke stadje Pendle Hill was besmet met de schurft van honky-tonks, bordelen, gokhuizen…”


Jan de Hartog (22 april 1914 – 22 september 2002)
Cover biografie

 

De Duitse schrijver Björn Kern werd geboren op 22 april 1978 in Lörrach (Baden). Zie ook alle tags voor Björn Kern op dit blog.

Uit: Das erotische Talent meines Vaters

„Er lief nicht das Feld entlang und nicht den Weinberg hinauf, Ähren und Reben lagen verlassen im Nachmittags-licht. Die Gerste wuchs satt, der Riesling aber war erneut befallen, ölige löcher hatten sich in die Blätter gefressen, Grauschimmel überzog fast jeden Stamm. Unwahrscheinlich, dass die Genossenschaft nicht erlaubt hatte zu spritzen, auch für diesen Jahrgang waren die Trauben verloren. Ich ließ den Weinberg hinter mir und bog in den Feld-weg ein. Ober dem Betonquader, den wir noch immer als Villa bezeichneten, kreiste ein Bussard in der Thermik, es ging auf fünf (Ihr zat, und die Luft über dem Uferstreifen begann zu tragen. Ich stieg weiter bergab. Bald erreichte ich das Eisentor und stellte meinen Rucksack in den Kies. das Tor war geschlossen, die Villa selbst nicht zu sehen von hier, nur die großen, weißfleckigen Stämme der Platanen.
Auf dem Nachbargrundstück schlug kraftlos der Rüde an, dann hörte ich nichts mehr, dann landete ein Kastanien-blatt mit einem trockenen Rascheln im Kies. Auf dem Eisentor thronten zwei gusseiserne Greifvögel, die ihr erstarrtes Gefieder spreizten und jeden Eindringling unbesehen anfauchten. Sie waren so meisterhaft gegossen, dass sie auch die Haube eines Bentleys geschmückt hätten, zwischen ihnen aber saß ein blechernes und schlecht lackiertes Seepferdchen, das den Vögeln ihre hochmütige Würde nahm.
Die Raubvögel schienen auf ein prächtiges Anwesen in verweisen, zumindest aber auf ein verstecktes Kleinod, während das nachträglich aufgelötete Seepferdchen schon eher verriet, was einen hinter dem Tor tatsächlich erwartete. Ich wollte den rechten Flügel aufstoßen, eine Eisenkette spannte sich, allenfalls eine Katze hatte nun Platz zu passiren. Die Kette wirkte lächerlich schmal und doch ließ sie sich ohne Schlüssel nicht abnehmen. Schloss er sich ein oder schloss er mich aus? links ging das Tor in einen I lartmaschennun über, rechts aber wucherte nur loses Brombeergestrüpp, einige Ranken waren bereits abgeknickt selbst mit dem Rucksack kam ich problemlos am Torpfosten vorbei. Im Park hatten wieder Wildschweine die Krume durchpflügt, dicke Wurzelstränge ragten aus der aufgeworfenen Erde. Die Fassade der Villa war knöchelhoch mit Moos bewachsen, weiter oben hatte sich eine Mauerflechte ausgebreitet, der Beton schien an manchen Stellen fast schwarz. Neben dem Ein-gang stand der Citroen im Carport, der Motor knisterte noch. Ich stieg die beiden Stufen zum Foyer hinauf und wollte gerade klingeln, als sich die Haustür öffnete, erst nach einem zweiten Blick war ich mir sicher, nicht vor einem Tier, sondern vor meinem Vater zu stehen, nur langsam beruhigte sich mein Puls.“


Björn Kern (Lörrach 22 april 1978)

 

De Rüssisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Vladimirovic Nabokov werd geboren in St. Petersbürg, op 22 april 1899. Zie ook alle tags voor Vladimir Nabokov op dit blog.

Uit: Lolita

“A paper of mine entitled “The Proustian theme in a letter from Keats to Benjamin Bailey” was chuckled over by the six or seven scholars who read it. I launched upon an “Histoire abregie de la poisie anglaise” for a prominent publishing firm, and then started to compile that manual of French literature for English-speaking students (with comparisons drawn from Eng-lish writers) which was to occupy me throughout the forties—and the last volume of which was almost ready for press by the time of my arrest. I found a job—teaching English to a group of adults in Auteuil. Then a school for boys employed me for a couple of winters. Now and then I took advantage of the acquaintances I had formed among social workers and psychotherapists to visit in their company various institutions, such as orphanages and reform schools, where pale pubescent girls with matted eyelashes could be stared at in perfect impunity remindful of that granted one in dreams. Now I wish to introduce the following idea. Between the age limits of nine and fourteen there occur maidens who, to certain bewitched travelers, twice or many times older than they, reveal their true nature which is not human, but nymphic (that is, demoniac); and these chosen creatures I propose to designate as “nymphets.” It will be marked that I substitute time terms for spatial ones. In fact, I would have the reader see “nine” and “fourteen” as the boundaries—the mirrory beaches and rosy rocks–of an enchanted island haunted by those nymphets of mine and surrounded by a vast, misty sea. Between those age limits, are all girl-children nymphets? Of course not. Otherwise, we who are in the know, we lone voyagers, we nympholepts, would have long gone insane. Neither are good looks any criterion; and vulgarity, or at least what a given community terms so, does not necessarily impair certain mysterious characteristics, the fey grace, the elusive, shifty, soul-shattering, insidious charm that separates the nymphet from such coevals of hers as are incomparably more dependent on the spatial world of synchronous phenomena than on that intangible island of entranced time where Lolita plays with her likes.”


Vladimir Nabokov (22 april 1899 – 2 jüli 1977)
Cover

 

De Indiase schrijver Chetan Bhagat werd geboren op 22 april 1974 in New Dehli. Zie ook alle tags voor Chetan Bhagat op dit blog.

Uit:One Indian Girl

“What do you mean not enough rooms?” I said to Arijit Banerjee, the lobby manager of the Goa Marriott.
“See, what I am trying to explain is…” Arijit began in his modulated, courteous voice when mom cut him off.
“It’s my daughter’s wedding. Are you going to shame us?” she said, her volume loud enough to startle the rest of the reception staff.
“No, ma’am. Just a shortage of twenty rooms. You booked a hundred. We promised eighty then. We hoped to give more but the chief minister had a function and…”
“What do we tell our guests who have come all the way from America?” Mom said.
“If I may suggest, there is another hotel two kilometers away,” Arijit said.
“We have to be together. You are going to ruin my daughter’s wedding for some sarkaari function?” my mother said, bosom high, breath heavy – classic warning signs of an upcoming storm.
“Mom, go sit with Dad, please. I will sort this out,” I said. Mom glared at me. How could I, the bride, be doing all this in the first place? I should be worried about my facials, not room allocations.
“The boy’s side arrives in less than three hours. I can’t believe this,” she muttered, walking to the sofa at the center of the lobby. My father sat there along with Kamla bua, his elder sister. Other uncles and aunts occupied the remaining couches in the lobby – in a Mehta takeover of the Marriott. My mother looked at my father, a level two glare. It signified: ‘Will you ever take initiative in life?’
My father shifted in his seat. I re-focused on the lobby manager.
“What can be done now, Arijit?” I said. “My family is all here.”
We had come on the morning flight from Delhi. The Gulatis, or the boy’s side, would take off from Mumbai at three p.m. and land in Goa at four p.m. Twenty hired Innovas would bring them to the hotel by five. I checked the time. 2:30 p.m.
“See, ma’am, we have set up a special desk for the Mehta-Gulati wedding,” Arijit said. “We are doing the check-ins for your family now.”
He pointed to a makeshift counter at the far corner of the lobby where three female Marriott employees with permanent smiles sat. They welcomed everyone with folded hands. Each guest received a shell necklace, a set of key cards for the room, a map of the Marriott Goa property and a ‘wedding information booklet’. The booklet contained the entire programme for the week, including the time, venue and other details of the ceremonies.”

 


Chetan Bhagat (New Dehli, 22 april 1974)

 

De Zwitstserse schrijver en müsicüs Peter Weber werd geboren op 22 april 1968 in Wattwil / Toggenbürg. Zie ook alle tags voor Peter Weber op dit blog.

Uit: Aus dem Toggenburg nach Berlin Alexanderplatz

„Deutsch schien in fernen Begriffen aufgespannt, die Sprache bestand aus zirrischen Himmeln, die ich nicht berühren konnte, die mich nicht berührten. Selbst in der freien Musik, die damals so inspirierend war, wirkten Dogmen, sie war dogmatisch verhärmt, so durfte man nicht wiederholen, Wiederholung galt als reaktionär. Prärepetitive Staulage. Es gab viel Gedröhn. Nach der so genannten Wende wurden ganz andere Fragen dringend, die wirklich starken Winde wurden in Deutschland entfesselt. Westdeutsch und Ostdeutsch, zwei so unterschiedliche Sprachen und Sprachladungen, wurden mit dem Fall der Mauer verwirbelt, die Spannungsverhältnisse innerhalb der Sprache veränderten sich grundlegend, Ideologismen zerfielen allerorts. Kleinere Wirbel waren in der Deutschschweiz, am Südrand des Sprachraumes spürbar.
Und der Bahnhof? Nirgends lässt sich der elementare Wechsel von oben beschriebener Staulage in die schlanke digitale Gegenwart so schön nachzeichnen wie im Zürcher Hauptbahnhof. Er hat alles durchgemacht, was ich erlebt habe. Die einstige Gleishalle war voll gestopft, verpfercht, dunkel, als ich, eben der voralpinen Landschaft entschlüpft, nach Zürich kam. In den Beschreibungen des vollen alten Bahnhofes versuchte ich meine eben erlangte kleinzellige Sprache zu stauen. Ich konnte aufzählen, reihen, türmen. Der Bahnhof aber wurde Baustelle, schon lag der Lärm der Kompressoren in der Luft, und unterirdisch wurde gewühlt. Gleichzeitig wurde der Stundentakt eingeführt. Die dadurch erwirkte Verflüssigung der Abläufe war körperlich, diese Stunden haben mein Erleben, meine Tage strukturiert. Ich begann in Stundenklötzen zu denken. Die entstehenden Texte verfrachtete ich in alle Landesteile, ins Tessin, in die Südschweiz, über Zürich wieder nach Bern und in die Westschweiz, wieder in die Ostschweiz ins Toggenburg, benötigte den Perspektivenwechsel, um voranzuschreiben, in der Stadt schrieb ich, vereinfacht gesagt, über die Herkunftslandschaft, in den Landschaften über die Stadt. Ein frei migrierender Einheimischer, freilich im Inland. Meine Identitätskarte: Das Generalabonnement der Schweizerischen Bundesbahnen, nun gültig in allen Zügen, in den Trambahnen und Bussen aller Städte, in Postautos, den meisten Bergbahnen und Schiffen. Als ausgewachsenem Gleisschweizer hat man Infrastrukturprägungen erlebt, wie sie vielleicht nur die Japaner kennen. Ich bin bahnsozialisiert, ein Kind helvetischen Gleichtaktes. Ich habe nie Autofahren gelernt.“


Peter Weber (Wattwil, 22 april 1968)

 

De Vlaamse dichter en essayist Jos de Haes werd geboren in Leüven op 22 april 1920. Zie ook alle tags voor Jos de Haes op dit blog.

Vergeet, vergeet

Het pelzig kussen van uw schoot
beklemt en blijft beklemmen.
Gij laadt mijn hart met vuur en lood,
en remt, en viert de remmen.

En ‘k weet niet hoe die droeve rol
van mijden en verleiden
u laat van schroom en gratie vol,
maar mij doet dubbel lijden.

De laatste regel van het spel
kastijdt ons dwaze beiden.
Gij wijst mijn beten in uw vel,
en bijt, gebenedijde!

De zonde, schampre medicijn
van ’t leed dat ingevreten
eens zuiverende tol kon zijn…
Vergeet, vergeet haar beten.

 

Rust

Wanneer de dag met zijn gezoef is weggedwaald
en zachte duisternis met avond nederdaalt.
Wanneer uit bosch en wei een wierooknevel dringt
en ’t stille land aan U zijn hymnen zingt.
Wanneer mijn geest verheven is in droom
en ik in eeuwge Godsbedwelming koom,
dan eindlijk vind ik
rust ….een oogenblik.

 
Jos de Haes (22 april 1920 – 1 maart 1974)

 

De Duitse schrijver, musicus en schilder Thommie Bayer werd geboren op 22 april 1953 in Esslingen am Neckar. Zie ook alle tags voor Thommie Bayer op dit blog.

Uit: Die kurzen und die langen Jahre

Als mein Vater dann viel später wirklich starb, waren die Telefone grün, rot oder beige, und ich wünschte mir nichts mehr. Nicht nur, weil es beim letzten Mal so schiefgegangen war und ich mir eigentlich hätte Vorwürfe machen müssen, schließlich hatte ich meine Mutter auf dem Gewissen. Aber ich machte die Vorwürfe nicht mir, sondern meinem Vater, der sich irgendwie aus der Schusslinie meines Fluchs gebracht und ihn auf meine Mutter umgeleitet hatte, und ich wusste längst, dass Wünsche nur etwas für Frauen und Kinder sind. Männer haben Pläne.
Ich war zweiundzwanzig und verdiente mein Geld als Klavierstimmer, nachdem ich von der Musikhochschule abgelehnt worden und aus einer Lehre als Klavierbauer rausgeflogen war.
Ein Polizist stand morgens um elf im Musikladen, wo ich gerade neue Geigensaiten einsortierte, das war mein Nebenjob, immer wenn ich keine Stimmaufträge hatte, half ich im Laden aus. Der Polizist fragte nach Herrn Stiller, ich sagte, der sei ich, und er änderte seinen Gesichtsausdruck von neutral auf besorgt.
»Ihr Vater wurde ermordet«, sagte er.
Ich sagte nichts, weil das absurd war. Mord gab es nur im Fernsehen und in Büchern, genauso wie Liebe und Spionage. Nicht dass ich viel ferngesehen oder gelesen hätte in dieser Zeit, aber früher hatte es Phasen gegeben, in denen die wirkliche Welt an dem, was ich erlebte, nur geringfügig beteiligt gewesen war.
Irgendwas musste ich mit dem Polizisten geredet haben, zumindest er mit mir, denn als er irgendwann wieder gegangen war, sah ich durch den Nebel in meinem Kopf das Bild zweier erschlagener Männer vor der Hütte am Feldberg, die mein Vater von seinem Vater geerbt und in der er seit einiger Zeit als Rentner gelebt hatte. Ohne Strom und Telefon. Und ohne Kontakt zu mir. Unser letztes Treffen lag schon Monate zurück.
Diesmal war ich nicht stolz auf das Drama, aber Trauer, wie sie mich nach dem Tod meiner Mutter bald mit Macht eingeholt und monatelang zu einer Art Roboter gemacht hatte, empfand ich nicht. Nicht nach der Nachricht und auch nicht später am Grab – mein Vater war mir so fremd geworden, dass ich nur eine Art inneres Achselzucken für ihn zustande brachte. Die Erinnerungen an meine frühe Kindheit hielt ich längst für Einbildung.“


Thommie Bayer (Esslingen am Neckar, 22 april 1953)

 

De Franse schrijfster Madame de Staël werd in Parijs geboren op 22 april 1766. Zie ook alle tags voor Madame de Staël op dit blog.

Uit: Corinne; or, Italy (Vertaald door Isabel Hill)

“In the year 1794, Oswald, Lord Nevil, a Scotch nobleman, left Edinburgh to pass the winter in Italy. He possessed a noble and handsome person, a fine mind, a great name, an independent fortune; but his health was impaired; and the physicians, fearing that his lungs were affected, prescribed the air of the south. He followed their advice, though with little interest in his own recovery, hoping, at least, to find some amusement in the varied objects he was about to behold. The heaviest of all afflictions, the loss of a father, was the cause of his malady. The remorse inspired by scrupulous delicacy still more embittered his regret, and haunted his imagination. Such sufferings we readily convince ourselves that we deserve, for violent griefs extend their influence even over the realms of conscience. At five-and-twenty he was tired of life; he judged the future by the past, and no longer relished the illusions of the heart. No one could be more devoted to the service of his friends; yet not even the good he effected gave him one sensation of pleasure. He constantly sacrificed his tastes to those of others; but this generosity alone, far from proving a total forgetfulness of self, may often be attributed to a degree of melancholy, which renders a man careless of his own doom. The indifferent considered this mood extremely graceful; but those who loved him felt that he employed himself for the happiness of others, like a man who hoped for none; and they almost repined at receiving felicity from one on whom they could never bestow it. His natural disposition was versatile, sensitive, and impassioned; uniting all the qualities which could excite himself or others; but misfortune and repentance had rendered him timid, and he thought to disarm, by exacting nothing from fate. He trusted to find, in a firm adherence to his duties, and a renouncement of all enjoyments, a security against the sorrows which had distracted him. Nothing in the world seemed worth the risk of these pangs; but while we are still capable of feeling them, to what kind of life can we fly for shelter?”


Madame de Staël (22 april 1766 – Parijs, 14 juli 1817)
Corinne au Cap Misène door Francois Gérard, 1819-1821

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Björn Kern, Vladimir Nabokov, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Thommie Bayer, Madame de Staël

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Dood van een gelukkig man (Vertaald door Philip Supèr)

‘Ze wilden dus vergelding. Colnaghi knikte een paar keer voor zichzelf, als om gedachten te vergaren die nog geen vorm hadden gekregen of die nog te verward waren. Hij legde zijn handen op de tafel en keek de jongen weer aan die zojuist had gesproken.
In het lokaal dat de kleuterschool van de wijk ter beschikking had gesteld, heerste stilte. Zweetplekken onder de oksels, de vleugels van de plafondventilator draaiden langzaam rond. Iedereen zat te wachten op een antwoord van hem, de zoveelste meelevende woorden.
Een stuk of dertig familieleden en vrienden van het slachtoffer. Vissani was chirurg geweest, en daarbij een van de toonaangevende figuren van de meest rechtse vleugel van de christendemocratische partij in Milaan. Tweeënvijftig jaar, asblond, gezet. De foto op de katheder stond tussen vele boeketten bloemen.
Misschien had Colnaghi de man één of twee keer gezien in de voorgaande jaren. Misschien had hij weleens een artikel over hem gelezen in het lokale katern van de Corriere della Sera, naar aanleiding van zijn opmars in de partij. Colnaghi hield niet zo van dat deel van Democrazia Cristiana, maar wie weet hadden ze elkaar lang geleden zelfs ooit de hand gedrukt, als ze toevallig aan elkaar waren voorgesteld door een collega die carrière wilde maken. Misschien wel op een avond half mei, wanneer Milaan wordt doorkruist door zwaluwen en het licht een ongrijpbare kleur heeft.
Misschien voelden ze zich alle twee wel gelukkig op dat moment, en misschien had Vissani zich wel op de knieën geslagen van pret om een grapje van Colnaghi. Waarna de medicus het goede humeur van de magistraat even moeiteloos weer kon hebben bedorven met een ongelukkige uitlating, een van de vele zoals Colnaghi die had kunnen lezen in het onderzoeksdossier – iets onaangenaams over jongeren of over fascisme of over de noodzaak van hard optreden door de regering.
Hoe het ook zij, daarna was het als volgt gegaan: die hatelijke, vulgaire en onschuldige figuur was vermoord op 9 januari 1981, ’s avonds laat, ergens bij de Piazza Diaz. Twee kogels kaliber 38 Spl. Zes maanden geleden nu. De aanslag was opgeëist door Strijdende Proletarische Formatie, een dissidente, afgesplitste cel van de Rode Brigades. De zaak liep nog, er werd aan gewerkt door officier van justitie Colnaghi.
Hij had zich lang afgevraagd of het wel een goed idee was om aanwezig te zijn bij de herdenkingsceremonie. Het was immers juist de bedoeling dat hij zich onttrok aan deze mensen, niet dat hij ze ging opzoeken. Maar uiteindelijk had hij zich toch gewonnen gegeven; het deed er eigenlijk niet toe wat opportuun was of niet.”

 
Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

 

De Nederlandse schrijver Jan de Hartog werd geboren in Haarlem op 22 april 1914. Zie ook alle tags voor Jan de Hartog op dit blog.

Uit:Het koninkrijk van de vrede

“De eerste voorjaarsstorm kwam omlaaggewerveld uit het Rotsgebergte, raasde over de honderden lege mijlen van de prairie en wierp zich, daverend als de branding, op het hoogste gebouw van het plaatsje Pendle Hill: de Rebekka Baker Kostschool, een bakstenen gevaarte op de heuvel waaraan het stadje zijn naam ontleende.
In de hooggezolderde aula zaten leerlingen, leerkrachten en eregasten in samenkomst bijeen, in afwachting van het hoogtepunt van de feestelijkheden ter gelegenheid van de achtenzeventigste herdenkingsdag: een reeks historische tableaus, op te voeren door de leerlingen. De jonge acteurs stonden klaar op het toneel, het hoofd gebogen, wachtend tot het schoolhoofd de samenkomst zou beëindigen door zijn echtgenote, die naast hem op de ouderlingenbank zat, de hand te drukken. Tegenover hen zaten vier eregasten, daarachter de leerlingen: aan de rechterkant vijfenzeventig meisjes in grijze jurken met witte boezelaars en witte Quaker-mutsen, links achtenzestig jongens in het zwart, met breedgerande Quaker-hoeden.
De storm deed de ramen rammelen, huilde door de kieren, bolderde in de schoorsteen; niemand kon zich onder dit kabaal op stil gebed concentreren, zelfs de eregasten zaten te luisteren naar het kolossale misbaar van de bulderende wind. Het waren drie Quakers: een jonge man in steedse kledij, een indrukwekkende grijsaard met witte manen en een oude vrouw in grijs en wit; de vierde gast was een vijftiger in werelds reiskostuum: dokter Léon Rossini, districtsarts van de Wabash Vallei.
Niettegenstaande het woeden van de storm kwam dokter Rossini allengs toch onder de ban van de Quaker-eredienst. Hij werd bevangen door hetzelfde onaardse gevoel van vrede dat hij voor het eerst had ervaren zeven jaar geleden, tijdens de grote cholera-epidemie, toen hij zijn eerste visite maakte aan de school op de heuvel. Iedereen in deze zaal, kinderen inbegrepen, had familieleden verloren in die epidemie, met uitzondering van de oude Engelsman naast hem die er waarschijnlijk nooit van gehoord had.”

 
Jan de Hartog (22 april 1914 – 22 september 2002)
Cover

 

De Duitse schrijver Björn Kern werd geboren op 22 april 1978 in Lörrach (Baden). Zie ook alle tags voor Björn Kern op dit blog.

Uit: Das Beste, was wir tun können, ist nichts

„Wenn ich im Hochsommer auf meiner Bank im Oderbruch sitze, die Füße in eine Wanne voll Eiswasser getaucht, ein kaltes Bier neben mir, dann weiß ich, dass ich es geschafft habe.
Vor mir leuchtet das Kornfeld so gelb, dass es beinahe schon blendet, und die Libellen aus dem Entwässerungsgraben schießen in die Luft und umkreisen mich und verschwinden dann wieder im Wiesengrund. Mal huscht ein Wiesel vorbei, mal bricht ein Wildschwein aus dem gegenüberliegenden Hain, der Birnbaum über mir treibt seine Früchte aus.
Bin ich einmal traurig, genügt es, dass ich mich ausreichend lang auf die Bank setze, schon sind meine Sorgen nichtig geworden und klein. Vor keiner noch so großen Kinoleinwand kann ich annähernd so schöne Bilder bestaunen, wie ich das von meiner Bank aus vermag, den Himmel, das Feld und die Weite. Und wenn direkt über mir eine Biene den Birnbaum anfliegt und zehn Fuß vor der Bank ein Reh durch das Gras streift, klingt das besser als Dolby Surround. Ich brauche nicht fortzugehen, um aufzubrechen, ich muss nichts tun, nur das Richtige unterlassen, ich brauche nichts als die Bank und das Feld.
Die Bank war ein Bausatz und hat neunzehn Euro neunzig gekostet. Ein paar Bretter, ein paar Schrauben, mehr nicht.
Doch die Bank war nicht nur günstig, es lässt sich sogar Geld mit ihr verdienen. Freilich braucht es dafür bereits einige Erfahrung im Nichtstun. Der Trick kann daher an dieser Stelle noch nicht verraten werden, nur so viel vorab: Wenn man mit der Bank Geld verdienen will, genügt es, sich daraufzusetzen und, ganz wichtig, nicht wieder aufzustehen.
……………..
Nichtstun hat mich in meinem Leben immer sehr glücklich gemacht. Schon als Kind lag ich lieber im Sandkasten, als darin zu sitzen, und schaute lieber in den Himmel, statt Sandburgen zu bauen. Als Jugendlicher verbrachte ich ganze Sommer rücklings auf dem Steg eines nahen Waldsees. Ohne
Weltschmerz, ohne Drogen, vor lauter Nichtstun war ich viel zu glücklich dazu.”

 
Björn Kern (Lörrach 22 april 1978)

 

De Rüssisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Vladimirovic Nabokov werd geboren in St. Petersbürg, op 22 april 1899. Zie ook alle tags voor Vladimir Nabokov op dit blog.

Uit: Speak Memory

“Short of suicide, I have tried everything. I have doffed my identity in order to pass for a conventional spook and steal into realms that existed before I was conceived. I have mentally endured the degrading company of Victorian lady novelists and retired colonels who remembered having, in former lives, been slave messengers on a Roman road or sages under the willows of Lhasa. I have ransacked my oldest dreams for keys and clues—and let me say at once that I reject completely the vulgar, shabby, fundamentally medieval world of Freud, with its crankish quest for sexual symbols (something like searching for Baconian acrostics in Shakespeare’s works) and its bitter little embryos spying, from their natural nooks, upon the love life of their parents.
Initially, I was unaware that time, so boundless at first blush, was a prison, In probing my childhood (which is the
next best to probing one’s eternity) I see the awakening of consciousness as a series of spaced flashes, with the intervals between them gradually diminishing until bright blocks of perception are formed, affording memory a slippery hold. I had learned numbers and speech more or less simultaneously at a very early date, but the inner knowledge that I was I and that my parents were my parents seems to have been established only later, when it was directly associated with my discovering their age in relation to mine. Judging by the strong sunlight that, when I think of that revelation, immediately invades my memory with lobed sun flecks through overlapping patterns of greenery, the occasion my have been my mother’s birthday, in late summer, in the country, and I had asked questions and had assessed the answers I received. All this is as it should be according to the theory of recapitulation; the beginning of reflexive consciousness in the brain of our remotest ancestor must surely have coincided with the dawning of the sense of time.
Thus, when the newly disclosed, fresh and trim formula of my own age, four, was confronted with the parental formulas, thirty-three and twenty-seven, something happened to me. I was given a tremendously invigorating shock. As if subjected to a second baptism, on more divine lines than the Greek Catholic ducking undergone fifty months earlier by a howling, self-drowned half-Victor (my mother, through the half-closed door, behind which an old custom bade parents retreat, managed to correct the bungling archpresbyter, Father Konstantin Vetvenitski), I felt myself plunge abruptly into a radiant and mobile medium that was none other than the pure element of time.”


Vladimir Nabokov (22 april 1899 – 2 jüli 1977)
Cover

 

De Indiase schrijver Chetan Bhagat werd geboren op 22 april 1974 in New Dehli. Zie ook alle tags voor Chetan Bhagat op dit blog.

Uit: One Night @ The Call Center

“So what are you trying to say? I had to start somewhere, so I wrote about my college experiences. And you know the story is not so IIT specific. It could have happened anywhere. I mean, just for that you are trashing my book.”
“I am not trashing it. I am just saying it hardly represents the Indian youth,” she said and closed back the box of mints.
“Oh really..,” I said but was interrupted by the noise as the train passed over a long river bridge.
We didn’t speak for the next three minutes, until the train returned to smoother tracks.
“What represents the youth?” I said.
“I don’t know. You are the writer. You figure it out.,” she said, and brushed aside a few curls that had fallen on her forehead.
“That’s not fair,” I said, “that is so not fair.” I sounded like a five year old throwing a tantrum. She smiled as she saw me grumbling to myself. A few seconds later, she spoke again.
“Are you going to write more books?” she said.
“I’ll try to,” I said. I wasn’t sure if I ever wanted to talk to her again.
“So what is going to be? IIMs this time?” she said.
“No.”
“Why not?”
“Because it does not represent the country’s youth,” I said.
She started laughing.“

 

 
Chetan Bhagat (New Dehli, 22 april 1974)

 

De Zwitstserse schrijver en müsicüs Peter Weber werd geboren op 22 april 1968 in Wattwil / Toggenbürg. Zie ook alle tags voor Peter Weber op dit blog.

Uit:Aus dem Toggenburg nach Berlin Alexanderplatz

„Weshalb die Bahnhöfe, warum nicht die Flughäfen? Der Himmel über dem Grossraum Frankfurt ist voller Flugzeuge, vom Zug aus sah ich sie an einem Wintermorgen: Fliegende Silberlinge, sie flogen mit ihren Kondensstreifen ein Geflecht in die Morgenröte. Die Frage stellt sich also, Flughäfen: Hypnoseanlagen, auf der ganzen Welt ähnlich, ein einziger Belämmerungsort sozusagen, man geht überall auf Watte, zudem sind die Flughäfen neuerdings voller Vereinzelungsanlagen, sogenannten Personenvereinzelungsanlagen, Gründe genug, die Flughäfen den Bahnhöfen vorzuziehen.
Aus Höfen sind Bahnhöfe, aus Häfen sind Flughäfen geworden, könnte ich antworten, vor sieben Jahren war ich ein Jahr lang Gast einer Schweizer Stiftung im Osten Londons: Der einstmalige Welthafen brach gefallen, die Themse führte Milchkaffee wie immer, zwischen den alten Docks landeten kleine Passagierflugzeuge auf dem neuen Flughafen. Über der Stadt, in langen Folgen, alle paar Minuten die Flugriesen aus Asien, Australien, Amerika, ihre Nasen pflügten sich durch die Westwindwolken, Atlantikdämpfe, die ihnen über der flachen Stadt entgegen segelten. Während ich den nahen Hafen erwanderte, aus dem bereits neue Hochbauten stiegen, während ich Welt sammelte, um aus ferner Welt ein Fernrohr zu bauen, so meine Absicht, mit dem ich aus der Gastwohnung in die Ferne blicken wollte – während ich im dunklen Winter Ausschau hielt, kamen die mir in Heftchen, auf Plakaten sehr präsenten Winteridyllen der Schweizer Gastlandschaften vors Auge, das Fernrohr wurde mir – von wem eigentlich – von der Weltinsel auf die Binneninsel zurückgedreht.
Weshalb aber die Bahnhöfe? Meine ersten Texte entstanden Ende der achtziger Jahre in der Schwellenzeit zwischen analog und digital, auch formal: Ich übertrug die frühen, auf weich federnden mechanischen Maschinen getippten Fassungen auf den Bildschirm, was das rhythmische Gefüge veränderte: Die Texte wurden Flüssigkeiten, durchsichtig, liessen sich durchschwimmen, ich konnte Flächen umgiessen, ohne Schere und Leim zu verwenden.“

 
Peter Weber (Wattwil, 22 april 1968)
Wattwil

 

De Vlaamse dichter en essayist Jos de Haes werd geboren in Leüven op 22 april 1920. Zie ook alle tags voor Jos de Haes op dit blog.

 

Bewonderen

Ik mag mijn voet langs blanke vloeren schuiven.
Verrukkend, waar ik treed, zweven gewelven
trillend aan als regenbogen die wuiven
en in mijn ziel oneindge diepten delven.

Verlichte diepten, waar Uw beelden groeien
weerspiegeld, Tempels, waar de Goden wonen.
Laat uit Uw kleuren duizend bloemen bloeien,
die woorden worden en Uw schoonheid toonen.

Ik mag het klankbord van mijn ziel ontvouwen.
O mocht ik eens een blanken tempel bouwen.

 

Zeegezicht

Mijn zoetelief, in licht en verven
van eeuwen her ben ik, zijt gij.
In vuur en water minnen, sterven,
verteren en verrijzen wij.

In vuur en water, gelijk helden
die koppig op de voorplecht staan
en blauwe werelddeelen melden,
maar met de hoop in ’t zicht vergaan.

Orkaan van zeewind en van duister,
ons gravend leven, zoute waan.
Een wrong van elementen bruist er
doorheen den donkren oceaan.

En over ’t zwoegen van de zeilen
het verre roeren van ’t geheim,
waar nevelrook en wolken ijlen,
en englen Gods rechtvaardig zijn.

Orkaan, ons leven: ’t schielijk vreezen
van duizenden in ieder eeuw.
Hoe zou een vrouwenmond genezen
de diepe scheur van elken schreeuw…

Maar ‘k zal u blind en vast beminnen
in de open golven van uw lach.
Nu aan de snaren van uw zinnen
mijn diepste wellen trillen mag,

nu gij nog dieper weet te beven,
nu ‘k immer gravend naast u zit,
mijn zoetelief, over de reven
slaan schuim en zout ons wangen wit.

 
Jos de Haes (22 april 1920 – 1 maart 1974)
Leuven, Oude Markt

 

De Duitse schrijver, musicus en schilder Thommie Bayer werd geboren op 22 april 1953 in Esslingen am Neckar. Zie ook alle tags voor Thommie Bayer op dit blog.

Uit:Heimweh nach dem Ort, an dem ich bin

„Also ignorierte ich den Anflug von Ärger, den mir ihr blasierter Ton verursachte, und ging zu ihr, lehnte mich an den Holzstapel und sah ihr in die Augen. Grün und Bernstein. Sie gähnte wieder. Sie hatte Mundgeruch.
»Und das, was du gerade tust, also hier liegen und in die Gegend schauen, wie fühlt sich das an? In Katzenkategorien gedacht?«
»Wie Vordemjagen, Nachdemschlafen oder Vordemspielen oder Nachdemessen.«
»Verarschst du mich?«
»Nein. Ich mag dich.«
»Warum?«
»Weil du mich magst. Und ich seh dir an, dass du schon mal um eine wie mich getrauert hast. Dein Blick ist liebevoll und sehnsüchtig, so als könnte ich vielleicht eine Wiedergängerin derjenigen sein, deren Fehlen du immer noch manchmal an deiner Haut spürst.«
Damit traf sie ins Schwarze. Und zwar mit solcher Wucht, dass ich den Blick von ihr abwandte, weil ich nicht wollte, dass sie sah, was in mir vorging.
Die Augen auf die Wiese gerichtet, versuchte ich, das Thema zu wechseln: »Du denkst also nur deinen Teil des Dialogs und schickst ihn dann auf irgendwie telepathische Weise in mein Gehirn, wo er sauber übersetzt in Menschensprache ankommt?«
»So etwa. Ja.«
»Dann bist du echt was Besonderes.«
»Gleichfalls. Du auch.«
»Wieso?
»Dem Hübschen macht der Spiegel Komplimente.«
Obwohl das nun ganz sicher was Nettes war, wurde ich den Verdacht nicht los, dass sie mich herablassend behandelte. Schon die Form ihrer Antwort, dieser Orakelton, war überheblich.
»Ist ein Spiegel eine Katzenkategorie?”


Thommie Bayer (Esslingen am Neckar, 22 april 1953)

 

De Franse schrijfster Madame de Staël werd in Parijs geboren op 22 april 1766. Zie ook alle tags voor Madame de Staël op dit blog.

Uit: Delphine

“Madame d’Albémar à Matilde de Vernon.
Bellerive, ce 12 avril 1790.
Je serai trop heureuse, ma chère cousine, si je puis contribuer à votre mariage avec M. de Mondoville; les liens du sang qui nous unissent me donnent le droit de vous servir, et je le réclame avec instance. Si je mourois, vous succéderiez naturellement à la moitié de ma fortune: me seroit-il refusé de disposer d’une portion de mes biens pendant ma vie, comme les lois en disposeraient après ma mort? A vingt et un ans, convenez qu’il seroit ridicule d’offrir mon héritage à vous qui en avez dix-huit! Je vous parle donc des droits de succession, seulement pour vous faire sentir que vous ne pouvez considérer le don de la terre d’Andelys comme un service embarrassant à recevoir, et dont votre délicatesse doive s’alarmer.
M. d’Albémar m’a comblée de tant de biens en mourant, que j’éprouverois le besoin d’y associer une personne de sa famille, quand cette personne, ma compagne depuis trois ans, ne seroit pas la fille
de madame de Vernon, de la femme du monde dont l’esprit et les manières m’attachent et me captivent le plus. Vous savez que la sœur de mon mari, Louise d’Albémar, est mon amie intime; elle a confirmé avec joie les dons que M. d’Albémar m’avoit faits. Retirée dans un couvent à Montpellier, ses goûts sont plus que satisfaits par la fortune qu’elle possède; je suis donc libre, et parfaitement libre de
vous assurer vingt mille livres de rente, et je le fais avec un sentiment de bonheur que vous ne voudrez pas me ravir.”

 
Madame de Staël (22 april 1766 – Parijs, 14 juli 1817)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Björn Kern, Vladimir Nabokov, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Thommie Bayer, Madame de Staël

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Het geweten van Roberto Doni (Vertaald door Philip Supèr)

‘Dat heb ik altijd wel gedaan, ja, hard werken.’
‘Ja, maar je gaat nog steeds door, je zakt niet in. Begrijp je wat ik bedoel?’
Doni schudde heel kort zijn hoofd.
‘Binnenkort geven ze je natuurlijk een mooi parketje ergens in de provincie, en dan kun je je gemak ervan nemen,’
ging Salvatori verder. ‘Ja toch?’
‘Dat hoop ik wel, inderdaad. Ik zou naar Varese gaan, maar uiteindelijk hebben ze de voorkeur gegeven aan Riccardi.’ Doni sneed het laatste stukje tong in twee gelijke delen. ‘Die is jonger en slimmer dan ik, schijnt het.’
‘En hij ligt wat beter bij bepaalde mensen.’
‘En hij ligt wat beter bij bepaalde mensen.’
‘Maar dat ga je nu dan toch goedmaken? Pavia, Piacenza… Of misschien meer naar het noorden, Como… Jezus, hoe heten al die plaatsen daar ook allemaal weer?’
‘Geen idee. Como? Lecco?’
‘Ja, precies, zo’n soort stad.’
‘We zullen zien.’
‘Je hebt het hier wel gehad, toch?’
Doni haalde zijn schouders op en nam een slokje water.
Het meisje van de bediening bracht de rekening.
‘Ikzelf heb er anders méér dan genoeg van,’ zei Salvatori.
‘Ik walg van Milaan. Ik werk hier vier jaar en ik kan er nu al niet meer tegen. Het is toch ook niet te doen? Ja, ik weet het, je moet proberen je erdoorheen te slaan. Maar dat is nou juist het probleem. Milaan is een stad die je alleen maar doorkruist. Ik begrijp er nog steeds niks van hier, en ik kén hier vooral ook niks. Ik zie alleen maar de onderkant van deze helse stad. Ik woon in Piola, daar neem ik de groene metrolijn, ik stap over op de rode en stap uit op San Babila.”

 
Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

Doorgaan met het lezen van “Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Björn Kern, Vladimir Nabokov, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Thommie Bayer, Madame de Staël”

Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Björn Kern, Vladimir Nabokov, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Thommie Bayer

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Het geweten van Roberto Doni (Vertaald door Philip Supèr)

“De weinige vrienden die hij nog had, zijn zwager in het bijzonder, benijdden Doni om de locatie van zijn Paleis. Het mocht dan een ruimtevijandig ding zijn, wat dan ook, maar het bevond zich wel mooi op een steenworp van de dom. Vandaar dat iedereen dacht dat hij lunchte in kleine, verfijnde brasserietjes in Franse stijl, of in deftige grand cafés uit de jaren twintig – risotto met saffraan, biefstuk, en dan een kopje koffie aan de bar, met je sjaal om de kraag van je jas geslagen.
In werkelijkheid aten Doni en zijn collega’s bijna uitsluitend broodjes. Velen van hen hadden een volwaardige aversie tegen dat hele lunchritueel ontwikkeld, en sommigen koersten meteen af op een aperitiefje, of op de avondmaaltijd, en haalden dan alles in.
Maar met Salvatori lag het anders. Het was de moeite waard om een uurtje op te offeren voor hem, omdat hij zowel ordinair als wanhopig was. Allebei eigenschappen waaraan Doni een hekel had, maar die verenigd in een dikzak uit Zuid-Italië van midden veertig en met de nodige zelfspot, een vermakelijk mengsel vormden.
Ze gingen naar een restaurant in de Via Corridoni. Doni bestelde zeetong à la meunière en wilde daarbij een ambachtelijk gebrouwen biertje proberen. De hele maaltijd lang voerden ze het bekende toneelstukje op waarin Salvatori het hoogste woord voerde en Doni de rol had van de acteur met teksten in telegramstijl.
‘Jij hebt niet echt te klagen, hè,’ zei Salvatori.
‘Nou, ik ben anders behoorlijk oud aan het worden.’
‘Ja, dat wel. Maar je zit er toch maar mooi, bij het ressortsparket.’
‘O, daar kom jij ook nog wel ’s. Gewoon geduld hebben.’
‘Maar jij bent een echte bikkel. Je werkt keihard, dat weet iedereen.’

 
Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

Doorgaan met het lezen van “Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Björn Kern, Vladimir Nabokov, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Thommie Bayer”

Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Vladimir Nabokov, Björn Kern, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes

De Italiaanse schrijver Giorgio Fontana werd geboren op 22 april 1981 in Saronno. Zie ook alle tags voor Giorgio Fontana op dit blog.

Uit: Het geweten van Roberto Doni (Vertaald door Philip Supèr)

“De bouten. Daarmee was het allemaal begonnen. Elke dag, als hij op het werk kwam, naar buiten liep om te lunchen of weer naar huis ging, bleef Doni even staan om ze te bekijken.
Van een afstand leken het gewoon slijtplekken, of vlekjes die altijd al in de tegels hadden gezeten, maar het waren bouten, grote metalen bouten, die het marmer op zijn plaats moesten houden. Het oorspronkelijk aangebrachte cement was namelijk aan het loslaten, waardoor het hele gebouw gevaar liep.
Die dingen hadden natuurlijk iets van een morele boodschap. Het huis van het Recht dat zich moet voegen naar de hogere wetten van de materie. Maar Doni zag er niets anders in dan de idiotie van de mensen, en misschien een vage waarschuwing: nooit bouwen op zand.
Op de dag dat zij hem schreef, bedacht Doni dat het Paleis van Justitie dat lot had moeten ondergaan omdat het de omringende ruimte van zich af stootte. Het was ermee in gevecht, het was niet in staat er deel van uit te maken, zoals het dat trouwens ook niet zou kunnen in een willekeurige andere wijk van de stad. En het kon niet alleen maar een kwestie zijn van bouten en scheuren en lelijkheid. Net zo min als de architectuur uit de tijd van het fascisme of de overwinning van de breedte op de hoogte voldoende waren om het Paleis te vonnissen. Nee, het Paleis had één bepaalde, unieke eigenschap.
Het was iets wat te maken had met ballingschap, een moeilijk te vatten gevoel.
Als hij daar binnen was, voelde Doni zich verbannen uit de rest van de stad, uit het land, uit de wereld. De kracht van honderden bouten moest hem overeind houden, zand gebouwd op zand.
Op de dag dat zij hem schreef, bestond Doni’s lunch niet uit de gebruikelijke mueslireep, maar at hij samen met Salvatori, een officier van justitie, in een restaurant. Dat was niet de gewoonte. Als magistraten hadden ze altijd haast, hoogstens kwamen ze wel eens in een of andere vreselijke selfservice in de buurt.”

 
Giorgio Fontana (Saronno, 22 april 1981)

Doorgaan met het lezen van “Giorgio Fontana, Jan de Hartog, Vladimir Nabokov, Björn Kern, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes”

100 Jaar Jan de Hartog, Vladimir Nabokov, Björn Kern, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Madame de Staël

100 Jaar Jan de Hartog

De Nederlandse schrijver Jan de Hartog werd geboren in Haarlem op 22 april 1914. Dat is vandaag precies 100 jaar geleden. Zie ook alle tags voor Jan de Hartog op dit blog.

Uit: Hollands Glorie

“Eén en twintig December komt hij voor mijnheer van Munster met vuurrode oren en een grijnslach die zijn lippen laat beven, ook al bijt hij er op dat het bloedt; hij krijgt een pluim en loopt in het portaal een parapluiestander omver, gelukkig maar, want dat is beter dan onder de paardentram, al vloekt de boekhouder zó, dat zelfs een zeeman van twee en twintig jaar, die op zijn eentje een heel schip gered heeft, ervan verbleken moet.
Eén en dertig December drinkt hij een ijskoud biertje in de pronkkamer van Dijkmans, den sluiswachter, onder de ijskoude oogjes van moeder Dijkmans, die hij die nacht dreigend boven zijn bed zal zien zweven, met in iedere hand een hoedenspeld; hij schaamt zich, omdat hij steeds boertjes moet laten door de neus en hij heeft het ellendig vermoeden dat zijn kruinharen tòch overeind staan, ondanks al dat vet. Om twaalf uur morst hij, bij het klinken, met rode wijn op iets wits en is zo verschrikt en verward door het onheil, dat het niet eens tot hem doordringt, dat hij Nellie’s hand niet vast heeft kunnen houden bij het loeien van de stoomfluiten en het beieren van de klokken, en daar was het toch om begonnen geweest.
Op vijftien April krijgt hij zijn tweede rapport en gaat ’s avonds dansen; maar hij kan niet aan de driekwartsmaat denken, want zijn hoofd zit vol kruispeilingen en logarithmen, hij kan de naam ‘Ko!’ niet horen roepen, of hij denkt aan cosinus en zelfs Nellie’s hand in de zijne vergeet hij, omdat hij de variatie van het kompas tracht te berekenen voor het jaar negentienhonderd vijf en vijftig, terwijl zij, naast hem, over meubels en gordijntjes babbelt voor het jaar negentienhonderd en acht. Hij komt eerst weer bij, wanneer hij in de wind en de duisternis staat, met de warmte van haar mond dicht bij de zijne, en dan zinkt hij in een andere droom, verward, verschrikkelijk, verrukkelijk, met een werveling van gedachten, die geen gedachten zijn, en een wankel makende kracht, die uit de grond in zijn benen omhoogschiet; tot mannen in de omtrek lachen en iets roepen, dat zijn vuisten wakker maakt, hij wil vechten maar dan moet hij Nellie loslaten en dan valt ze zeker.”

 
Jan de Hartog (22 april 1914 – 22 september 2002)

Doorgaan met het lezen van “100 Jaar Jan de Hartog, Vladimir Nabokov, Björn Kern, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes, Madame de Staël”

Vladimir Nabokov, Jan de Hartog, Björn Kern, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes

De Rüssisch-Amerikaanse schrijver Vladimir Vladimirovic Nabokov werd geboren in St. Petersbürg, op 22 april 1899. Zie ook alle tags voor Vladimir Nabokov op dit blog.

 

Üit: Lolita

“I was extremely fond of her, despite the rigidity–the fatal rigidity–of some of her rules. Perhaps she wanted to make of me, in the fullness of time, a better widower than my father. Aunt Sybil had pink-rimmed azure eyes and a waxen complexion. She wrote poetry. She was poetically superstitious. She said she knew she would die soon after my sixteenth birthday, and did. Her husband, a great traveler in perfumes, spent most of his time in America, where eventually he founded a firm and acquired a bit of real estate.

I grew, a happy, healthy child in a bright world of illustrated books, clean sand, orange trees, friendly dogs, sea vistas and smiling faces. Around me the splendid Hotel Mirana revolved as a kind of private universe, a whitewashed cosmos within the blue greater one that blazed outside. From the aproned pot-scrubber to the flanneled potentate, everybody liked me, everybody petted me. Elderly American ladies leaning on their canes listed toward me like towers of Pisa. Ruined Russian princesses who could not pay my father, bought me expensive bonbons. He, mon cher petit papa, took me out boating and biking, taught me to swim and dive and water-ski, read to me Don Quixote and Les Misérables, and I adored and respected him and felt glad for him whenever I overheard the servants discuss his various lady-friends, beautiful and kind beings who made much of me and cooed and shed precious tears over my cheerful motherlessness.”

 


Vladimir Nabokov (22 april 1899 – 2 jüli 1977)

Doorgaan met het lezen van “Vladimir Nabokov, Jan de Hartog, Björn Kern, Chetan Bhagat, Peter Weber, Jos de Haes”