Joost de Vries, Ada Limón

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Oude meesters

“Zoals je weet zijn we heel druk met het nieuwe katern, we willen vlug jullie — de redactie — laten zien wat we bedacht hebben, zei Feiko. Het katern moet een deur tot de krant zijn, waardoor nieuwe mensen kunnen instappen, zei Mireille. En tegelijk moet het een raam zijn voor de vaste lezers, om een wereld te zien die ze eerst misschien niet zagen, zei Feiko. We hebben nagedacht over hoe het katern moet functioneren in het hart van de krant, zei Mireille, want het moet ook in de meest letterlijke manier een hart zijn: vol leven en persoonlijkheid. Het moet bloed doen stromen naar onderwerpen die anders droog zijn. De designfase zit erop en we beginnen nu over vacatures na te denken, zei Feiko. Over medewerkers, zei Mireille. De juiste mensen, zei Feiko, op de juiste plek. Het kon niet anders of ze hadden dit ingestudeerd, dacht Sieger. Ze praten alsof ze een kür schaatsen. `Off the record: we willen Edmund, je broer, vragen.’ Edmund, je broer. Wat mooi nadrukkelijk gezegd. Wat mooi hoe die woorden op tafel worden gelegd, als een cadeau waar je niet om hebt gevraagd. `We willen dus dat hij een column gaat schrijven, voor Ha-en-Zet,’ verduidelijkte Feiko toen zijn reactie uitbleef. ‘Over zijn leven, zijn reizen, dat soort dingen.’ `Zei je nou “Hazes”? Gaat het nieuwe katern “Hazes” heten?’ `0 sorry, nee, niet Hazes, alhoewel dat vast een brede appeal zou hebben, haha. H en Z, noemen we het nu even. Als werktitel.’ `Hart en Ziel?’ `Juist,’ zei Feiko. `We proberen nog van alles uit, hoor,’ zei Mireille. `We willen iets met een ampersand. Het &-teken. Daar werken de ontwerpers al mee. Dat wordt het logo.’ `Hart & Ziel.’ `Buik & Brein.’ `Of Heer & Meester. Maar dat is misschien wat… masculien,’ zei Mireille. `En mijn god, laten we alsjeblieft niet masculien worden!’ zei Feiko. Ze lachten dankbaar om elkaar, waardoor Sieger zich afvroeg waarom deze twee geen zondagmiddagkookprogramma presenteerden of zo. `Dus iets als Melk & Honing.’ `Hart & Hoofd.’ `Wat vinden jullie van Bloed & Bodem?’ zei Sieger. ‘Lijkt me een krachtige titel.’ De twee keken hem even aan en begonnen toen vlug te lachen, Sieger glimlachte minzaam nu, niet om zijn grap, maar om hen: kinderen zijn het. `Spek & Bonen lijkt me ook een mooie,’ zei Sieger, terwijl hij nu de twee hulpjes negeerde en zijn hoofdredacteur recht aankeek. Anthony glimlachte, maar niet om de grap. Hij glimlacht, dacht Sieger, omdat we elkaar begrijpen. Omdat we weten wat dit is. Anthony keek gemaakt afgeleid naar iets op zijn beeldscherm terwijl hij zei: `Maak je geen zorgen; jij zal niets met het katern te maken hebben. “

 

Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

We zijn verrast

Nu nemen we de maan
in het midden van onze hersenen
dus we zien eruit als zwerfkatten langs de weg
met felle zaklamp-witte ogen
in onze gezichten, maar geen echte ideeën
van wanneer of waar te rennen.
We blijven hangen op de groene rand van het veld
en zeggen, Op een dag, zoon, zal niets van dit alles
van jou zijn. Wonderen zijn overal.
We zijn niet zozeer thuisloos
als vrij van thuis, geen stuiver op zak,
maar erg gelukkig wegens liefde en bladeren
die de val blijven breken. Hier is het:
de nieuwe manier van leven met de wereld
in ons zodat we hem niet kunnen verliezen,
en we kunnen niet verloren gaan. Jij en ik,
zijn wij en zij, en het en de hemel.
Het is moeilijk te geloven dat we dat niet eerder
wisten; het is moeilijk te geloven
dat we zo uitgehold waren, zo uitgeput,
alleen zodat we wat harder konden schijnen
toen het licht eindelijk kwam.

 

Vertaald door Frans Romen

 

Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2019 en ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Joost de Vries, Walter van den Broeck, Ada Limón, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Steye Raviez, Nelson Algren, Marianne Frederiksson, Russell Banks

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Oude meesters

‘Sieger, wil je koffie?’ vroeg Mireille Beumer.
‘Nu even niet.’
Mireille Beumer – bijna ontroerde ze hem, hoe ze erbij zat. Bijna. Ingetogen glimlachend, rechte rug, haar handen voor haar buik gevouwen. Overgenomen van een bn’er-blad, momenteel chef Lifestyle maar belast met de taak een nieuw wekelijks katern voor de krant te bedenken. Zo smetteloos als ze eruitzag, zo correct, make-up, haar, outfit. Haar ambitie was zo evident. Iemand die zou proberen de Beste Leerling van de Klas te blijven, hoewel niemand nog cijfers uitdeelde. Ze speelde altijd precies de rol die van haar verwacht werd. ‘Vond je het een mooie dienst?’ zei Mireille. (aimabele gastvrouw.) ‘Alles wat gezegd moest worden werd gezegd.’ ‘Je bedoelt dat het iets voorspelbaars had?’ (serieuze interviewster.) ‘Zijn vrouw zei tegen me dat de uitvaart meer was voor de mensen die hem niet zo goed kenden, dan voor de mensen die hem goed kenden.’ ‘Als wij ons maar herinneren hoe Willem echt was.’ (oprechte rouw.) Hoe was zij echt? Ze schreef geen stuk in de lifestylesectie zonder even in een bijzin te vermelden dat ze een ‘single lady’ was, ze gebruikte termen als ‘nahuwelijk’, en ‘love life’. Sarie had haar een keer ontmoet op een feestje van een glossy waar ze ooit een klusje voor had gedaan. ‘Zij is al heel lang niet aangeraakt,’ was haar enige oordeel. (Sarie kon dat: iets zeggen alsof het de wet was. Ze keek erbij alsof ze vanaf de Tafelberg over de oceaan keek en ze iets leek te zien wat er altijd al was geweest, sinds het begin van de tijd.)
Heerlijk hoe ze het had uitgesproken, kin-duh-run, ze spuwde het uit alsof het de nieuwste in een serie oppervlakkige hypes was. Ergens in haar hart zat een gat zo groot als een babywagen. De eerste keer dat hij haar daarna sprak was ze weer fris en fruitig en deed ze alsof hun gesprek nooit had plaatsgevonden.
Maar liever haar maskerade dan Feiko’s ongemak. Hij zat daar aan die tafel met zijn pens naar voren waardoor je je afvroeg of de overbelaste knoopjes van zijn overhemd niet elk moment de lucht in konden worden gelanceerd.
‘Ik geef deze twee gewoon maar het woord,’ zei Anthony, die niet aan de tafel maar achter zijn bureau iets verderop ging zitten.
De twee keken elkaar even aan, en toen begon de spraakwaterval: We willen je even bijpraten en, als je het goed vindt, even je advies inwinnen, zei Mireille.”

 
Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

 

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit:Een lichtgevoelige jongen

“Eerst dacht ik dat ze al wist wat mij was overkomen – moeders weten altijd alles – maar toen zag ik dat zij met haar gedachten helemaal bij vader was die minder jachtig zat te eten dan gewoonlijk. Zijn rechterslaap zag donkerblauw, zijn jukbeen had gebloed en was nu opgezet.
‘Elli, ik rijd straks eens naar Antwerpen’, had hij gisteren bij het middageten aangekondigd.
‘Zie maar dat ge op tijd thuis zijt,’ had moeder geantwoord, ‘ge staat morgen, met de vroege.’
Wanneer was hij thuisgekomen? Voor of na Ward Peeters en Frans Claes, die samen het lied van de kapotte pompbak hadden lopen lallen?
Tastend doopte hij soIdaatjes in een ei. Hij was zo te zien helemaal verdiept in de krant naast zijn bord.
‘Julius en Ethel Rosenberg.’
Die waren nu dood wist ik. Vader zou nu wel tevreden zijn. Dat zou hun leren atoomgeheimen aan de Rus te verkopen. Zo moesten ze allemaal varen, die smerige communisten. Was hij daarom nog altijd thuis? Om de dood van de Rosenbergs te vieren? Ik vond die Rosenbergs ook maar rare lui. Hij met dat brilletje en dat snorretje. En zij met die rare hoed, die hoge wenkbrauwen en dat zuinige mondje. Ze had iets van tante Leen uit Antwerpen. En welke vrouw heette er nu in godsnaam Ethel?
‘Staat hij van twee tot tien?’ vroeg ik. Hij hoorde me toch niet, hij was half doof, en als hij zat te lezen mocht de wereld vergaan.
Mijn zus Elvire schopte me onder tafel en lipte: Onnozelaar!
‘Heeft hij congé?’
‘Hij is vannacht tegen die paal aan de Tweede Halfstraat gelopen’, zei moeder. ‘Onze Staf zal meneer Timmermans bellen.’


Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)

 

De Amerikaanse dichteres Ada Limón werd geboren op 28 maart 1976 in Sonoma, Californië. Zie ook alle tags voor Ada Limón op dit blog.

We Are Surprised

Now, we take the moon
into the middle of our brains
so we look like roadside stray cats
with bright flashlight-white eyes
in our faces, but no real ideas
of when or where to run.
We linger on the field’s green edge
and say, Someday son, none of this
will be yours. Miracles are all around.
We’re not so much homeless
as we are home free, penny-poor,
but plenty lucky for love and leaves
that keep breaking the fall. Here it is:
the new way of living with the world
inside of us so we cannot lose it,
and we cannot be lost. You and me,
are us and them, and it and sky.
It’s hard to believe we didn’t
know that before; it’s hard to believe
we were so hollowed out, so drained,
only so we could shine a little harder
when the light finally came.

 

Downhearted

Six horses died in a tractor-trailer fire.
There. That’s the hard part. I wanted
to tell you straight away so we could
grieve together. So many sad things,
that’s just one on a long recent list
that loops and elongates in the chest,
in the diaphragm, in the alveoli. What
is it they say, heart-sick or downhearted?
I picture a heart lying down on the floor
of the torso, pulling up the blankets
over its head, thinking this pain will
go on forever (even though it won’t).
The heart is watching Lifetime movies
and wishing, and missing all the good
parts of her that she has forgotten.
The heart is so tired of beating
herself up, she wants to stop it still,
but also she wants the blood to return,
wants to bring in the thrill and wind of the ride,
the fast pull of life driving underneath her.
What the heart wants? The heart wants
her horses back.

 
Ada Limón (Sonoma, 28 maart 1976)

 

De Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa werd geboren op 28 maart 1936 in Arequipa. Zie ook alle tags voor Mario Vargas Llosa op dit blog.

Uit: Voor uw liefde (Vertaald door Arie van der Wal)

“Ze deed haar ogen dicht en luisterde: heel zwak maar regelmatig, zo klonk Chabela’s ademhaling. Ze sliep, droomde misschien, en dus was zij het ongetwijfeld zelf geweest die in haar slaap dichter naar het lichaam van haar vriendin was toe geschoven.
Terwijl ze zich verbaasd en beschaamd opnieuw afvroeg of ze wakker was of droomde, werd Marisa zich eindelijk bewust van wat haar lichaam al wist: ze was opgewonden. Die tere voetzool die haar wreef verwarmde, had haar huid en zinnen in vuur en vlam gezet, en als ze een hand tussen haar benen zou laten glijden, zou ze vast en zeker voelen dat ze nat was. Ben je gek geworden? zei ze bij zichzelf. Opgewonden raken van een vrouw? Sinds wanneer, Marisita? Natuurlijk werd ze in haar eentje ook vaak genoeg opgewonden, en ze had weleens met een kussen tussen haar benen gemasturbeerd, maar daarbij had ze altijd aan een man gedacht.
Voor zover ze zich kon herinneren nooit, maar dan ook nooit, aan een vrouw. En toch deed ze dat nu wél, ze trilde van top tot teen en verlangde er hevig naar dat niet alleen hun voeten elkaar raakten maar ook hun lichamen en dat ze, net als op haar wreef, overal de nabijheid en warmte van haar vriendin zou voelen.
Heel voorzichtig, met bonzend hart, zodanig ademend dat het leek alsof ze sliep, schoof ze een stukje op, totdat ze, ook al raakte ze haar niet aan, merkte dat ze zich nu op hoogstens enkele millimeters van Chabela’s rug, billen en benen bevond. Ze hoorde haar duidelijk ademen en meende een verborgen uitwaseming te bespeuren, die opsteeg uit dat zo nabije lichaam en haar volledig omhulde. Haast werktuiglijk, alsof ze zich niet bewust was van wat ze deed, strekte ze haar rechterhand uit en legde die op de dij van haar vriendin. Leve de avondklok, dacht ze. Ze voelde haar hart sneller kloppen. Chabela zou wakker worden en dan haar hand wegduwen: ‘Wat doe je? Raak me niet aan. Ben je gek geworden? Hoe haal je het in je hoofd.’ Maar Chabela bewoog zich niet en leek nog altijd diep in slaap. Ze hoorde haar in- en uitademen en het was net of die lucht naar haar toe kwam, haar neus en mond binnendrong en haar inwendig verwarmde. Opeens, in al haar opwinding, en dat was echt absurd, moest ze denken aan de avondklok, de stroomstoringen, de ontvoeringen – vooral de ontvoering van Cachito – en de bommen van de terroristen. Wat een land, wat een land!”


Mario Vargas Llosa (Arequipa, 28 maart 1936) 

 

De Nederlandse dichter en schrijver Chrétien Breukers werd geboren op 28 maart 1965 in het Limburgse Leveroy. Zie ook alle tags voor Chrétien Breukers op dit blog.

Uit: Een zoon van Limburg

“De winst ging naar de Hollanders, althans, zo wordt dat in Limburg gezien. En alle bossen die moesten wijken voor de inmiddels verdwenen welvaart? Die bossen waar een onbegrijpelijk provincie-omspannend snelwegennet voor in de plaats is gekomen? Ze zijn weg en blijven weg, en maken van Limburg een doorgangsweg, een geasfalteerde route richting Duitsland, België en het hart van Europa.
De Limburger vertrouwt het allemaal niet, wat zeg ik? Hij heeft het nooit vertrouwd. De hoge heren zitten met hun handen aan zijn dochter en in zijn portemonnee, de burgemeester maakt vuile zaken met provincie en rijk, de fabrieksdirecteur is alleen maar uit op winst en aanzien. En de kleine man? Die kan zich kapotwerken. Vroeger totdat hij stoflongen had of was bezweken onder het boerenwerk, nu totdat hij met AOW en pensioen wordt afgedankt. De Limburger voelt zich genaaid, door alles en iedereen. Daarin heeft de gemiddelde Limburger wel iets van een Surinamer. Hij komt uit een kleine wereld die voornamelijk is gedefinieerd vanuit negatieve gevoelens over de machthebbers. Dit is natuurlijk niet de hele waarheid. Limburgers voelen zich – bijvoorbeeld in culturele zin – wel degelijk met elkaar verbonden. Uiteraard zetten ze zich daarbij af tegen Holland, dat vreemde gebied ergens in de verte, maar de ligging van de provincie vergemakkelijkt samenwerking met Belgen en Duitsers. Er is nog een ander moment waarop Limburgers zich verbonden voelen met elkaar – als ze in het gezelschap zijn van Hollanders. Want niets schept zo’n band als de omgang met de natuurlijke vijand en bond- annex landgenoot. Limburg en de Limburgers bestaan vooral als ze hun plaats moeten bepalen jegens de dierbare vijand, van wie ze zelf deel uit-maken.
Het schrijven van ‘mijn’ verhaal, mijn verhaal over Limburg, heeft therapeutische bijverschijnselen gehad: ik voel me nu meer een Nederlander en tegelijkertijd meer een Limburger dan ooit. Een effect dat ik vooral de Limburgse lezers van dit boek van harte toewens. Helaas wil dat niet zeggen dat Limburg daardoor ineens bestáát. Zoveel toverkracht is het geschreven woord niet gegeven.”

 
Chrétien Breukers (Leveroy, 28 maart 1965)
Leveroy, Kerkstraat

 

De Nederlandse fotograaf en schrijver Steye Raviez werd geboren in Amsterdam op 28 maart 1943. Zie ook alle tags voor Steye Raviez op dit blog.

Uit: Spion

“Pos wilde onder geen beding hele of halve sympathisanten van nazisme of fascisme op het congres een podium bieden. Hij streefde veel meer naar een open discussie tussen communistische en niet-communistische filosofen. Er waren de on-vermijdelijke anekdotes.
Volgens een zekere Stuttenheim, voorzitter van de sectie taalfilosofie, waren lang niet alle filosofen in het gezelschap vakbekwaam.Stuttenheim tegen Pos:‘Ik sta op een morgen een kopje koffie te drinken. Staat er een mannetje naast me. Hij kijkt me aan en zegt:“Einstein heeft het nooit begrepen.”Ik zeg:“Wat heeft hij nooit begrepen?”“Dat van die getallen.”Ik zeg: “Van die getallen?”“Nou,” zegt dat mannetje, “je hebt mannelijke en vrouwe-lijke getallen en dat mannelijke kristalliseert zich in het vrou-welijke en dat vrouwelijke manifesteert zich in dat mannelijke.”Toen heb ik mijn kopje koffie neergezet en ben weggelopen, want ik denk: over twee seconden steekt hij weer van wal. Nou wil ik dat ’s avonds aan Pos vertellen en zeg:“Pos, ik heb vanmorgen een krankzinnige ontmoet.”Kijkt die Pos me moedeloos aan en zegt: “Maar eentje?”’De anekdote sloeg gelukkig niet op mijn vader, maar hij zou wel in krankzinnigheid eindigen: midden jaren vijftig werd hij opgenomen in de psychiatrische afdeling van de Sint-Willi-brordusstichting te Heiloo. In medische rapporten uit die tijd was onder meer opgetekend hoe hij tijdens nachtelijke uren dikwijls amok maakte door spiernaakt en kabaal makend rond te struinen in de slaapzalen. Het was op schrijnende wijze dui-delijk hoe zijn geestelijk verval doorzette. Edouard weet zijn recalcitrante gedrag aan de broeders van het gesticht: zolang er familiebezoek was waren ze poeslief, maar zodra men de hielen had gelicht gedroegen ze zich hardvochtig. Hij zou Sint-Willi-brordus nooit meer verlaten.”


Steye Raviez (28 maart 1943 – 20 februari 2017)
Hier met Jan Wolkers (links)

 

De Amerikaanse schrijver Nelson Algren werd geboren op 28 maart 1909 in Detroit. Zie ook alle tags voor Nelson Algren op dit blog.

Uit: A Place To Lie Down

“The Negro wriggled his toes, in sleep. Tex’s own feet had gone sockless for months, he too was very tired; but even as he felt himself dozing off he became aware of someone coming toward him. Then a silver badge above small boots, a row of brass buttons and a neck on thighs swung up a winding cindered path twirling a club-on-a-cord like a swagger-stick. Tex saw him coming, shoved Mack, and ran. From behind the picket fence, safe outside, Tex watched. Boots budged Mack until he rolled over, moaning like a sick man. He was sweating in sleep, his mouth drooled saliva, then he woke with a start, his eyes bulging out; there was, for one moment, no flicker of understanding in his eyes.
“White folks’ park, nigger. Git a-goin’ ‘for ah fan yore fanny.”
He twirled his club-on-a-cord significantly, boy-fashion, threatening.
Tex waited on the street. He’d like to josh the nigger a little now. But when the Negro joined him they walked on silently, and Tex said nothing at all.
On a street lined with radios competitively blasting the air into splinters, they sat down on a Keep-Our-City-Clean box. Both were hungry enough to chew their tongues; but they were both too weary to think consistently even about food. Tex rested his feet on the curbstone and watched the gutterflow swirl past.
Much was being borne on that gutter-tide: a frayed cigarbutt came past first; then a red beer-cork; and then, its pages flung wide in a disgraceful death, a copy of Hollywood Gossip came floating by. It lay flat on its back, a whore-like thing. Tex sniped the cigar and the magazine, crushed tobacco onto a dry page, and rolled a rude cigarette. Smoking, he looked at the magazine’s pictures. One page bore a picture of Douglas Fairbanks, Jr., in a stovepipe hat, hugging two girls in onepiece bathing suits. Out of Fairbanks’s ears Tex fashioned four long cigarettes, but the figures of the girls in the bathing suits Tex McKay preserved, studying them as he smoked.
The cigarettes were strong, hence good; he offered Mack one, but the boy shook his head as though he were too tired even to smoke. To make a few more, Tex ripped one of the bathing girls up the middle. He had an odd feeling when he did that, and looked through the book for more bathing girls’ pictures; but there was no other dry page, and he began to feel tired again.”

 
Nelson Algren (28 maart 1909 – 9 mei 1981)
Cover biografie

 

De Zweedse schrijfster Marianne Fredriksson werd geboren in Göteborg op 28 maart 1927. Zie ook alle tags voor Marianne Fredriksson op dit blog.

Uit: According to Mary Magdalene (Vertaald door Joan Tate)

“Mary had a great deal to do. Leonidas was to return home that day, thirsty, tired, and hungry. She put the great water pan to the fire and fetched water. As usual at the well, she glanced with gratitude up at the mountains in the south where Daphne’s springs leapt out of the rocks and supplied the town with an abundance of clear fresh water. They were expecting his sister in the afternoon. She was to bring the account book and the two of them were to sit at the big table to enter all the expenses and income from his journey. “Please, God, that trade was good,” said Mary, but her words were largely routine, an unnecessary invocation out into the air. She liked her sister-in-law, but feared those bold eyes that saw straight through you. Mary Magdalene had much to hide. She should have gone to the market the day before. Now she had to hurry down to the marketplace. She was in luck—a large piece of fresh lamb, some smoked fish, and a basket of vegetables and fruit. On her way home she passed the synagogue, and for a moment wished she could go in to Rabbi Amasya and tell him her story, but the thought was only random. She remembered her neighbor had said that Simon Peter and his companions were staying with the rabbi. She pulled down her headcloth and hurried on. She managed to clean the house and fill her jars with flowers from the garden, then finally combed her long hair and fastened it into a long plait round her head. A golden crown; she was proud of her hair. But she was troubled when she looked in the mirror and saw how wide-open her eyes were, dark shadows all around them.
……

When Leonidas arrived, the house smelled of spices, flowers, and roasting lamb. He sniffed at the aroma and laughed aloud with delight. As usual, he took her two hands in his. “Every evening on my journey” he said, “I try to remember how beautiful you are. But I have a poor imagination and you always surpass my images.” “Silly. I’m beginning to grow old.” “You’ll never grow old.” “The eyes of love,” she said, smiling, but then he noticed the dark circles around her eyes. “Mary, something’s happened.”


Marianne Frederiksson (28 maart 1927 – 11 februari 2007)
Göteborg

 

De Amerikaanse schrijver Russell Banks werd geboren op 28 maart 1940 in Newton, Massachusetts. Zie ook alle tags voor Russell Banks op dit blog.

Uit: The Angel On The Roof

“When I began writing nearly forty years ago, I wanted to be a poet, but had not the gift and fell in love instead with the short story, the form in prose closest to lyric poetry. Unable to court successfully the queen of the arts, I turned my attention to her lady-in-waiting. This is not a rare form of abandonment (as Faulkner famously observed, “All fiction writers are failed poets”), but in any event, it’s clear enough to me why I abandoned poetry early, almost too early to have failed at it, for the short story. Too many of my close friends at college and shortly afterwards obviously had the gifts (of language, wit, personal charm, good looks–whatever it took to woo and win the favors of the queen’s main muse), and by unavoidable comparison to poetry-writing friends like William Matthews, James Tate, and Charles Simic, I was tongue-tied, humorless, bad-mannered, and homely. No wonder I turned to prose fiction.
Before leaving, however, I did publish a fair number of those early poems in obscure–but not obscure enough- literary magazines and journals and published two chapbooks of poetry in small–but not small enough–editions. They show up now and then in the hands of collectors at book-signings, and it’s all I can do to keep from tearing the book from the collector’s hands and starting an auto-da-fe with it right there in the store. I’m not so much ashamed of those poor poems as embarrassed by the vanity of my youthful ambition, by its evident (to me, now) transparency, and am comforted a bit only by calling to mind Nathaniel Howthorne’s first book, an absolutely awful bodice- ripper entitled Fanshawe, self-published in an edition of perhaps 500 copies that he spent his life afterwards quietly seeking out, purchasing, and destroying by fire, in the process (since he got all but a handful of copies) making it one of the rarest, most expensive books in American literature.
Unable to cohabit with lyric poetry, I, like my illustrious ancestor, took up temporary residence instead with her nearest neighbor, the short story, and only later moved across town as he did, to settle more or less permanently, I thought, with the novel.”

 
Russell Banks (Newton, 28 maart 1940)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 28e maart ook mijn blog van 28 maart 2017 en ook mijn blog van 28 maart 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Steye Raviez, Nelson Algren, Marianne Fredriksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: Lang weekend

“– Joepiehajeejoepiehaho, dacht Hector de Waegenmaeckere. Joepiehajeejoepiehaho, drie dagen vakantie voor de boeg! Hij frunnikte de kraag van zijn regenjas in de vouw, knelde zijn zwartglimmende aktetas met de elleboog tegen zijn zij, en schreed met lange passen door de luchtgetemperde hal. Drie dagen vakantie. De klok boven de glazen deur wees 17u aan. Hector keek instinctmatig op zijn polshorloge, en zong zachtjes de dertien eerste noten van de Brabançonne. (TarAra BOEM tAra rAra rAra BOEM tara.)
In een der zijkantoren kreeg een nijdige schrijfmachine nog vlug een kortstondige zenuwcrisis, en daarna was er nog slechts het steriel gemompel en gehoest van enkele bejaarde bedienden hoorbaar. Hector luisterde naar de forse klank van zijn leren schoenzolen op het beslagen marmer, en stak zijn vrije hand uit naar de ingewikkelde, keramieken deurknop. De deurdrang bood slechts één ogenblik weerstand.
– Elke dag tweemaal indiaans worstelen, dacht hij. Zijn wagentje stond naast de slee van een der molochen, die op de bovenverdieping hun dagelijkse roes uitsliepen in kunstleren fauteuils en af en toe aan gloeiende filters nipten. Hector trok iets te ruw aan zijn linker oorlel, zei: au verdomme! en graaide toen in zijn zak naar zijn contactsleutel. De tijger onder de motorkap begon bij de eerste aanslag luidkeels te brullen. Bescheiden rolde het wagentje het parkeerterrein af. Vinnig drukte Hector op het gaspedaal.
– Drie dagen vakantie. Joepiehajee, dacht hij.
In vierde versnelling raasde hij over het beton. Aan het kruispunt genoot een Amerikaan zo uitvoerig van zijn voorrang dat Hector met een ruk zijn voertuig tot stilstand moest brengen. Hij draaide nerveus het raampje open en riep onvriendelijk:
– Enorm rotkreng van een zondagsrijder! Kan je verdomme niet uitkijken waar je met die afgrijselijke circuskar rijdt, of zijn je poten al zo erg verkalkt dat je niet eens meer behoorlijk met je stuurwiel kan manoeuvreren? Zijn laatste woorden rafelden uit in de wind, want de Amerikaan was reeds uit het gezicht verdwenen. Een voorbijganger keek Hector verbaasd aan en zei:
– Hier mag je niet blijven staan, je moet aan de oneven kant gaan staan.
– Krijg jij maar scheurbuik! gilde Hector, en nijdig rukte hij aan zijn contactsleutel. De motor weigerde. Hector vloog naar buiten en gooide de motorkap open. De tijger was door het bruuske stoppen met zijn staart tussen de schroefbladen klem geraakt. Tranen vloeiden hem uit de ogen.”

 
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)
Cover

Doorgaan met het lezen van “Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Steye Raviez, Nelson Algren, Marianne Fredriksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas”

Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Nelson Algren, Marianne Fredriksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas, Éric-Emmanuel Schmitt

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: De vreemdelinge

`Ze zit al de hele middag bij Dries’, zei Lea toen hij binnenkwam en automatisch naar de witte muur keek, waar tot zijn opluchting Poesjkin zijn oude plaats had ingenomen. Wie?’ Wil je koffie of ga je onmiddellijk door naar je werkkamer?’ `Melk en suiker.’ Die dochter van Morris, die Tess.’ `0.’ Bram had niets aan Lea verklapt over haar komst. ‘Is het woensdag vandaag?’ Hij blikte naar de scheurkalender. Terwijl ze samen koffiedronken, hield Bram zich van den domme, maar hij probeerde er toch achter te komen wat er in Lea’s hoofd omging. Die twee lijken goed met elkaar op te schieten. Amber zegt dat hij hele nachten met haar zit te chatten.’ `Amber heeft al ge-sms’t dat het een beeldschone, vlotte en attente meid is. Ik geloof dat die al in stilte hoopt dat het wat wordt tussen die twee. Ze wil de jongelui niet voor de voeten lopen en sleept Raf straks mee de stad in om geld uit te geven. Ze heeft ook gevraagd of ik hun vanavond te eten wil geven.’ ‘Ik mik het’, zei Bram. ‘Het geurt hier naar een galadiner.’ Ze lachten elkaar toe. Lea was blij dat ze weer eens voor iemand anders kon zorgen, en Bram omdat hij hoopte dat Tess zijn oude dag zou verblijden. Om niet de ongezond nieuwsgierige te lijken die hij in dit geval weliswaar was, liep hij na zijn koffie bij Raf binnen en veinsde interesse door te vragen hoe de zaken gingen. Raf keek echter alsof er zopas iemand overleden was. Hij maakte van achter de toonbank een brede, wat lusteloze zwaai. Pas nu zag Bram dat de zaak op een studente met een rugzakje na leeg was, en dat zijn vraag weleens als leedvermaak had kunnen klinken, als een nakomend maar onuitgesproken verwijt ook. Zie je wel, ik had je toch gewaarschuwd? “t Komt door dat aanhoudende hondenweer’, zei Raf.
`Zelfs bij De Keten is het de dood in de pot. Een krant, een weekblad, meer niet.’ Trek het je maar niet aan, bij de eerste droge dag komen ze allemaal uit hun schuilhokken gekropen.’ `Zo is dat!’ Bram stak bij wijze van groet zijn hand op en liep naar buiten. Hij deed een paar passen naar rechts, alsof hij daar een of andere boodschap te doen had, maar toen keerde hij op zijn schreden terug, blikte als een spion door de glazen deur en repte zich, toen hij zag dat Raf de studente met de tas stond te gerieven, snel en ongemerkt naar het antiquariaat. Er was niemand in de winkel. Ze waren dus in het magazijn. Voorzichtig duwde hij de deur open en omvatte met een hand de klepel van het ouderwetse belletje om hen niet aan het schrikken te maken en om eventueel geluidjes op te kunnen vangen van een flirt- of vrijpartijtje, maar onthutst hoorde hij dat in het magazijn een heftige discussie gaande was.”

 
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)

Doorgaan met het lezen van “Walter van den Broeck, Joost de Vries, Mario Vargas Llosa, Chrétien Breukers, Nelson Algren, Marianne Fredriksson, Russell Banks, Léon-Gontran Damas, Éric-Emmanuel Schmitt”

Walter van den Broeck, Mario Vargas Llosa, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: Een verliefde monnik

“Het was ook toen dat mijn leeswoede het gezelschap kreeg van een beginnende schrijfwoede, en mijn verlangen naar onsterfelijkheid begon te groeien. Nee, ik wilde geen Methusalem worden, ik wilde sporen achterlaten op deze planeet, die mijn naam zouden spreken als ik niet langer lijfelijk aanwezig was. Ik wilde eerst onsterfelijk worden en dan pas doodgaan.
Doodgaan… Wat erg toch, denk je dan. Maar dat is het pas echt als je beseft geen enkel spoor te hebben achtergelaten, niet te hebben ingegrepen op je tijd en je omgeving, de wereld niet een ietsje beter te hebben achtergelaten dan je hem had gevonden.
En je kinderen dan? Zijn zij niet het levende spoor dat jij zult achterlaten? Je schudt het hoofd, en wat beschaamd ontwijk je de vraag: gaat het om het spoor of om de spoortrekker zelve?
Nog altijd probeer ik te pennen. Nog altijd leg ik sporen. Opdat ik er altijd zal zijn.
Hoelang nog zal ik dit als een noodzaak beschouwen, heren veertigers, vijftigers, zestigers, zeventigers, tachtigers…?
Wie schrijft doet niet meer mee, is verloren voor het leven, maar gewonnen voor de eeuwigheid.
Zoals die West-Vlaamse monnik uit de 11de eeuw.”

 
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)

Doorgaan met het lezen van “Walter van den Broeck, Mario Vargas Llosa, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson”

Walter van den Broeck, Mario Vargas Llosa, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson

De Vlaamse roman- en toneelschrijver Walter van den Broeck werd geboren in Olen op 28 maart 1941. Zie ook alle tags voor Walter van den Broeck op dit blog.

Uit: Meester Streuvels en de minieme ontregeling

“Een recensent is gedoemd de literaire actualiteit op de voet te volgen. In kranten en weekbladen verschijnen bijgevolg vrijwel uitsluitend stukken die over de allernieuwste boeken gaan. Dat is jammer, want daardoor wordt onbewust gesuggereerd dat alles wat in het verleden werd geschreven hopeloos verouderd, en dus de moeite van het lezen niet meer waard is – Joyce, Kafka, Proust en nog een paar andere Heilige Koeien buiten beschouwing gelaten, natuurlijk. Het gevolg daarvan is dan weer dat de in literatuur geïnteresseerde lezer geen gebruik maakt van zijn belangrijkste goed: zijn vrijheid om dwars door de tijd en de ruimte heen te lezen. Ikzelf recenseer niet en kan mij dus de luxe permitteren volop van die vrijheid gebruik te maken. Ik volg de actualiteit ook wel, maar niet scrupuleus. Op mijn leesmenu staan bijgevolg zowel Monika van Paemel als Thomas Mann, Leo Pleysier als Albert Camus, Peter Sloterdijk als Joost van den Vondel, Geertrui Daem als Dante Alighieri, John Berger als Samuel Taylor Coleridge, Salman Rushdie als Emily Dickinson, Koen Peeters als Stijn Streuvels. +Jaja, ook iemand als Stijn Streuvels, want ik wil niet ten prooi vallen aan een soort literaire amnesie. Ik ben namelijk van mening dat wie geen beeld heeft van het verleden zich gegarandeerd de toekomst laat ontfutselen.
Maar er is nog een andere reden waarom ik af en toe een oude Vlaamse meester herlees. Niet zelden kan je er als collega schrijftechnisch nog flink wat van opsteken. Je moet dan wel een aantal idiote bezwaren tegen dialectisch getinte boerenverhalen laten varen. (Alle verhalen gaan tenslotte over hetzelfde. Eerst is er een orde. Die wordt al spoedig verstoord, en na vele, liefst escalerende moeilijkheden weer hersteld. De herstelde orde kan dan zowel de oude als een nieuwe orde zijn, en een nieuwe kan zich zowel op een hoger als op een lager niveau situeren dan de oude. Dat alles kan zowel een reden zijn om géén verhalen te lezen – het is in wezen toch altijd hetzelfde -, als om wèl verhalen te lezen – eens zien of er een interessante variant op het klassieke stramien werd uitgevoerd. Maar dit terzijde.)”

 
Walter van den Broeck (Olen, 28 maart 1941)

Doorgaan met het lezen van “Walter van den Broeck, Mario Vargas Llosa, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson”

Gouden Boekenuil voor Joost de Vries

Gouden Boekenuil voor Joost de Vries

De Nederlandse schrijver Joost de Vries heeft met zijn roman “De republiek” de Gouden Boekenuil gewonnen, een Vlaamse boekenprijs van 25 duizend euro die jaarlijks wordt uitgereikt.Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: De republiek

“Pas later las ik haar studie en kwam ik ook nog de verwijzing naar De papegaai van de Luitenant (1965) tegen, de enige roman van Gabriel Garcia Marquez die zich in Chili afspeelde, waarin drie rivaliserende dorpszonen naar de hand dingen van de dochter van de burgemeester; Minimaxi Gonzalez en Ivanho Sucre verliezen het gevecht, terwijl Donalduk Marinha uiteindelijk met de mooie Ariel Bulnes op de zonsondergang af rijdt. Ladida, zo gaat het liedje.
Volgens Romero waren dit soort onorthodoxe namen het gevolg van een antiklerikale golf die in de jaren twintig en dertig door de Chileense politiek en media ging: ‘Je moet je voorstellen hoe het Chileens staatsburgerschap eruitzag in de vroege twintigste eeuw. Enorme hoeveelheden immigranten kwamen dit land binnen, de grote steden waren een melting pot van Duits, Italiaans, Spaans, Iers, Grieks, noem maar op. Om geen religie te bevoordelen en zo etnische spanningen in de hand te werken, voerde de overheid al vroeg een rigide beleid van scheiding van kerk en staat. Wat je ziet is dat de gebruikelijke namen — veelal verwijzingen naar heiligen en martelaren — in die tijd massaal verdwenen, ten faveure van seculiere namen, soms ingegeven door politiek, maar vaker ingegeven door de Amerikaanse popcultuur die vanaf de jaren veertig een ongekende opmars maakte. Zo’n big deal was Hitler niet.’
Haar theorie kwam overeen met een onderzoek uitgevoerd door een van Briks studenten, die behalve Hitlers ook vijf Stalins, drie Churchills en twee Mussolini’s in het telefoonboek telde. Alsnog liep de snelheid van mijn aantekeningen achter bij Romero’s privecollege, waardoor ze soms moest pauzeren. Ik dacht niet dat ze oog had voor mijn jetlag en vond dat het niet heel flink zou zijn om erover te beginnen, maar opeens doorbrak ze haar vacante gezicht met een glimlach en zei: ‘Hee chico, ga toch lekker slapen.’ Ik knikte, ik straalde, ik was altijd bereid me te laten bemoederen. — Morgen moet ik naar Aquila rijden.
— Dat is heel ver.
— Ik heb een interview met iemand die Hitler heet, en die zijn zoon ook Hitler heeft genoemd. Hitler Lima.
— Dat is best een beruchte naam, zei ze. Doe voorzichtig.
Hij gold als de bekendste Hitler in Chili en er waren er best wat.”

 
Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

Mario Vargas Llosa, Walter van den Broeck, Chrétien Breukers, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson

De Peruviaanse schrijver Mario Vargas Llosa werd geboren op 28 maart 1936 in Arequipa. Zie ook alle tags voor Mario Vargas Llosa op dit blog.

Uit: Conversation in the Cathedral (Vertaald door Gregory Rabassa)

“There it was, recovered now, the beach of Miraflores, the waves of Herradura, the bay of Ancón, and the images were as real, the orchestra seats in the Leuro, the Montecarlo and the Colina, as wild, the dance halls where he and Teté danced boleros, as those of a technicolor movie. Are you happy? the senator asked, and he quite happy. What a nice person he is, he thought as they went into the dining room, and the senator that’s right, Freckle Face, just as soon as summer’s over he’ll break his hump, did he promise? and Popeye swore he would, papa. During lunch the senator teased him, Zavala’s daughter still hadn’t given you a tumble, Freckle Face? and he blushed: a little bit now, papa. You’re too much of a child to have a girl friend, his old lady said, he should still keep away from foolishness. What an idea, he’s already grown up, the senator said, and besides, Teté was a pretty girl. Don’t let your arm be twisted, Freckle Face, women like to be begged, it had been awful rough on him courting the old lady, and the old lady dying with laughter. The telephone rang and the butler came running: your friend Santiago, child. He had to see him urgently, Freckle Face. At three o’clock at the Cream Rica on Larco, Skinny? At three on the dot, Freckle Face. Was your brother-in-law going to beat the tar out of you if you didn’t leave Teté alone, Freckle Face? the senator smiled, and Popeye thought what a good mood he’s in today. Nothing like that, he and Santiago were buddies, but the old lady frowned: that boy’s got a screw loose, don’t you think? Popeye raised a spoonful of ice cream to his mouth, who said that? another of meringue, maybe he could convince Santiago for them to go to his house and listen to records and call Teté just to talk a little, Skinny. Zoila herself had said so at canasta last Friday, the old lady insisted. Santiago was giving her and Fermín a lot of headaches lately, he spent all day fighting with Teté and Sparky, he’d become disobedient and he talked back. Skinny had come out first in the final exams, Popeye protested, what more did his old man and old lady want?”

 
Mario Vargas Llosa (Arequipa, 28 maart 1936)

Doorgaan met het lezen van “Mario Vargas Llosa, Walter van den Broeck, Chrétien Breukers, Joost de Vries, Nelson Algren, Marianne Fredriksson”

Joost de Vries

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Zie ook alle tags voor Joost de Vries op dit blog.

Uit: Clausewitz (Vertaald door Liz Waters)

“That evening I read the fewer than 120 pages at a single sitting. Mr Brissot wrote clearly and amiably about why he found the work of Ferdynand LeFebvre so interesting and why he thought there was more political reality behind the man’s fanciful narratives than the literary world assumed. In the next hundred pages he deciphered countless parables and intertextualities hidden in the work and analysed a wide range of symbols and metaphors. All meticulously annotated.
In the online catalogue of the consortium of Dutch university libraries I could find neither the title nor the author. I had to create an account before I could search the French national library, but there too I failed to unearth any Monsieur Brissot. Google Scholar produced zero results. The book had no ISBN. It was as if I was holding something that didn’t exist.
In the week before leaving for France I’d walked along a corridor of the university library that I hadn’t seen before and happened upon the booklined wall where all the dissertations were kept. Thousands of surnames on thousands of immaculate, untouched white covers, an unread monument, with the names of doctoral researchers engraved on it like fallen soldiers.”


Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)

Joost de Vries

De Nederlandse schrijver Joost de Vries werd geboren op 28 maart 1983 in Alkmaar. Hij studeerde journalistiek en geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Vanaf het jaar 2005 schrijft hij voor De Groene Amsterdammen over literatuur en in 2007 versterkte hij de redeactie van het weekblad, waar hij werkte als kunstredacteur. Tegenwoordig schrijft hij ook nog voor De Gids en Tirade en heeft hij in nrc.next op dinsdag een eigen column. Zijn eerste boek en tot op heden enigste boek Clausewitz kwam in 2010 uit. Dit boek werd genomineerd voor de Selexyz Debuutprijs en ook ontving De Vries een C.C.S. Cronestipendium voor Clausewitz.

Uit: Clausewitz (Vertaald door Liz Waters)

“My doctoral research was still only a few months old when I happened upon a little book in a flea market in the south of France and immediately decided to plagiarize it.
On the black dust jacket was written in small white letters Les politiques de FLF. Aside from that there was nothing on the front or the back. Quite why I’d picked it up I didn’t know, since although I’d been professionally engaged with the prose of Ferdynand LeFebvre for six months by then, I’d never heard anyone refer to him by anything so familiar as ‘FLF’. I quickly leafed through to the title page, where the subject was rendered more explicitly as Les politiques de Ferdynand LeFebvre.
Underneath was the name of the author: Pierre-Marc Brissot. It meant nothing to me, but given that I hadn’t yet taken proper hold of my research project, that might have been a bibliographical oversight on my part. The book seemed to have the same chapter breakdown as I was planning to use.I couldn’t see the name of a publisher, and the way the text was laid out, simply, soberly, led me to suspect it was a hobbyist’s project. I felt hotter and hotter. I did find a year of publication, 1989, and saw that Mr
Brissot had dedicated the text to the memory of his beloved wife Jeanette, 21 May 1921–14 May 1988. I could picture this Mr Brissot, an elderly, bald academic, slumped in a chair beside his dying wife’s hospital bed, his head full of the camouflaged political messages of Ferdynand LeFebvre.
When I noticed that the book had the very subtitle I was intending to give my dissertation, Sleuth on the steppe, a feeling crept over me of having slipped through a hole in time into a parallel universe where I had a firm grip on my own future. I paid (four euros) and took the book back with me to my parents’ holiday home.”

Joost de Vries (Alkmaar, 28 maart 1983)