1 MEI (C. S. Adama van Scheltema), Johano Strasser

Bij de eerste mei

 

1e Mei demonstratie door Isaak Brodsky, 1934

 

1 MEI

Kom vriend met uw jonge vrouw!
Met uw liefdevol hartlijke vrouw,
Met uw al zo zorgende vrouw –
Welkom! welkom is zij
De eerste Mei!

Kom vriend met uw zoon, uw kind!
Met uw jonge en al verstandige kind,
Met uw o! eenmaal gelukkiger kind –
Welkom! welkom is hij
De eerste Mei!

Kom vriend met uw kloppende hart!
Met uw duldend maar dappre hart,
Wij roepen uw hoopvolle hart
Welkom in onze rij
De eerste Mei!

Wij allen behoeven elkaar!
Wij winnen slechts met elkaar –
Helpen, helpen wij dan elkaar:
Maken we elkander vrij
De eerste Mei!

Ons is immers deez’ dag!
Ons is deez’ bloeiende dag!
Als eenmaal der dagen dag –
Die vindt ons zij aan zij
De eerste Mei!

Aan óns is de komende tijd!
Ons, óns is de nieuwe tijd!
O heerlijk toekomstige tijd
Wij voele’ u nabij
De eerste Mei!

Want wij zijn de groten der aard!
Wij zijn de werkers der aard!
Wij zijn de winners der aard!
Dat zijn wij állen – wij
Den eerste Mei!

 

C. S. Adama van Scheltema (26 februari 1877 – 6 mei 1924) De diamantbeurs in Amsterdam, de geboorteplaats van Adama van Scheltema

 

De Duitse dichter en schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook alle tags voor Johano Strasser op dit blog.

Op de drempel
Voor Franziska

Het geluk:
Op een zomerochtend
Uit de voordeur te stappen
En een moment
Niet te weten wie je bent

Onberispelijk de dingen
De levende wezens
Voltallig als had men jou achteraf
Toegevoegd aan het universum
Als een soort bij nader inzien
(Of omdat het misschien toch
Niet zonder jou gaat)

Maar dan het vermoeden
Dat er mogelijkerwijs
Niets noemenswaardigs is gebeurd
Sinds de laatste ijstijd het meer uitgroef
En de modderheuvel opwierp
Achter het huis

Glanzend
Als een zijden draad
Zweeft de gedachte in het ochtendlicht
Een licht, bijna onhoorbaar kloppen
Een geritsel misschien
Een knetteren
Meer niet

Dat is dus wat er overblijft
Wanneer de dood naar mij reikt:
Een wereld

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn blog van 1 mei 2019 en ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Bertolt Brecht, Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

Dolce far niente

 

 
Oude man met drie kinderen door Guillaume van Strydonck, ca. 1890

 

Der alte Mann im Frühling

Ach, in meinen Jugendjahren
War der Frühling schöner noch als heut.
Daß die schönen Mädchen schöner waren
Ist das letzte, was uns Alte freut.

Deine Mutter sagt es auch seit Jahren
Alter macht das Urteil erst gescheit.
Denn wir Alten haben viel erfahren:
Aber dieses war die schönste Zeit.

Daß die Wiesen nicht und nicht die Ähren
Wie dereinst so golden und so grün
Muß wohl sein; denn wenn sie noch so wären
Könnt ich doch nie mehr zu ihnen hin.

Aber daß die Sonne immer kälter
Wo sie doch dereinst so herrlich war –
Ist nicht gut, denn wird man merklich älter
Liebt man Sonne mehr mit jedem Jahr.

Und Gedichte, Liebende und Leben
Ist nun anders als es früher war –
Und nur wir sind immer gleiich geblieben.
Denn man haßt die Änderung im grauen Haar.

 
Bertolt Brecht (10 februari 1898 – 14 augustus 1956)
Het Weberhaus in Augsburg, de geboorteplaats van Bertolt Brecht

 

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook alle tags voor Guido Gezelle op dit blog.

Heb meelijen

Heb meelijen met de bomen, laat
de bast hun ongeschonden;
bewaar ze voor de nijdigheid
der kwade nagelwonden;
geen onbarmhartig mensenkind
ze dood en kwelle: geeft
de vrijheid aan des Scheppers hand,
die in hun lenden leeft.

Hoe schandelijk ontmaakselt en
ontmooit gij mij de vrome,
de vrije en blije bomen, die ‘k
zo geren tegenkome
omtrent uw huis en hof, o gij,
die God met harte en oog
heeft toegerust, om Hem te zien
in ‘t heerlijk boomvertoog.

‘k Zie opgeroeste pikken, moe
van kappen en van kerven,
gehamerd om de essenboom,
de essenboom bederven,
daaraan het hekken vastgehaakt
de bilken sluit, en ‘t vee
belemmert, dat zijn vulte zoekt,
en voedsel, in de wee.

‘k Zie bomen, die gebonden staan,
in ‘s dwingers boze handen,
die nooit geen duimbreed af en laat
zijne ijzervaste banden,
maar, spannende en onroerbaar, al
dat leeft en roert in ‘t lijf
der bomen doet misdragen tot
een eerloos wanbeklijf.

Gebulte bomen zie ‘k, en die,
doorhakkeld en dooreten,
vol krammen en vol haken staan
gespijkerd en gesmeten;
die werken zo Gods wet hun wijst,
die tranen en die bloên,
o mense, om eenmaal vrij te zijn
van al uw dartel doen.

Of staan ze meer niet vast genoeg,
de wortelvaste bomen?
en vreest gij dat ze henen-gaan
en mee met ‘t water stromen;
of vliegen in de lucht, omdat
gij scherpe draden spint,
en lange reken bomen al
in snijdend garen windt?

Och arme, en is ‘t genoeg u niet
dat, schier nog ongeboren,
het hout alree geknipt moet zijn,
geschonden en geschoren,
dat ‘t, galoos en tot alles dat
het niet en is gepraamd,
wordt “gloriette” en “pyramide”,
en “espalier” genaamd!

Heb meelijen met de bomen, laat
hun schoonheid ongeschonden,
die schoonder is, onaangeroerd,
onvast en ongebonden,
zo God ze liet gewassen zijn,
gewonnen en gebaard,
als al hetgene gij, o mens,
verzint en hebt vergaard.

  

Eeuwelingen

Gedaagde, bodemvaste bosgenoten,
bomen, die ‘k, wel vijftig jaren lang,
boom wete; en zo hoge als nu geschoten,
gezien hebbe, op zo menig wandelgang;
wat ben ik, arme miere, u bijgeleken,
die sta en u aanschouwe, o hoge bomenreken!

Mijn handen, uitgestrekt, en konnen, eiken,
beuken, op wel twee drie vamen naar,
vamende u om ‘t lijf, malkaar bereiken,
noch meten uwe stam, die, machtig zwaar,
die machtig diepe staat, de grond beneden,
in de onuitroeibaarheid van uwe wortelsteden.

Gij grijpt mij, grote bomen, vast; en ‘k voele
vreze mij het hert des herten slaan,
hore ik, al met eens, omhoge, ‘t koele
gedaver van de winden dóór u gaan!…
Gij spreekt dan tegen hen zo’n zware sprake,
dat, angstig en ontsteld ik worde, en koud gerake!

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Portret door Henri Bogaerts (1889) of door Hubert Bogaerts (1902)

 

De Duitse dichter en schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook alle tags voor Johano Strasser op dit blog.

Uit: Als wir noch Götter waren im Mai

„Jedenfalls hatte ich nie das Gefühl, allein zu sein, wenn ich am Morgen diesen Weg zurücklegte. Alles sprach zu mir, der Wind, die Bäume, die Vögel, das fast lautlos dahingleitende dunkelbraune Wasser des Baches, die struppigen Ginsterbüsche. Es war nichts Besonderes, nichts, worüber man hätte reden müssen, ich gehörte ganz selbstverständlich dazu. Es war meine Landschaft, so wie man meine Familie sagt. Die Landschaft meiner Kindheit, das ist die Landschaft des nördlichen Niedersachsens, die Sandhügel, die Moore, die Flussniederungen, die kargen Heideflächen und die lichten Föhrenwälder. Von den früheren Eindrücken aus meinem Geburtsland Holland ist mir nicht viel im Gedächtnis geblieben, allenfalls vage Bilder von Wassergräben voller Entengrütze und vom Deich bei Bergen op Zoom mit einem blankgeputzten Himmel darüber. Alles andere stammt von den späteren Besuchen bei meinen Großeltern in Leeuwarden, als wir – ich war zehn oder elf Jahre alt – mit dem Dampfer über Kanäle und Seen bis nach Grouw fuhren und das Schiff mitten in einem riesigen Seerosenfeld auf Grund lief und erst wieder freikam, nachdem alle Passagiere sich unter dem Kommando des Kapitäns auf dem Deck ein paar Mal von links nach rechts und wieder zurück bewegt hatten. Später habe ich festgestellt, dass noch ganz andere Landschaftsbilder in mir existierten. Woher sie stammen, weiß ich nicht. Aber als ich in die Pfalz kam und zum ersten Mal die Gartenlandschaft sah, die sich vor dem Pfälzer Wald hinzieht, diese sanftgewellten Reben-, Obst- und Gemüsefelder mit dem blauen Dunststreifen des Gebirges dahinter, da war es ein staunendes Wiedererkennen. Ebenso ging es mir, als ich Jahre später zum ersten Mal durch die Poebene fuhr und die lastende Hitze wie flüssiges Blei über der Landschaft lag, oder noch später im Garten des Hotels Cipriani in Äsolo oder auf der Terrasse des Klosters Rosazzo bei Udine, von wo man viele Kilometer weit in die blühende Ebene blicken kann.“

 
Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)
Cover

 

De Franse schrijfster Yasmina Reza werd geboren op 1 mei 1960 in Parijs. Zie ook alle tags voor Yasmina Reza op dit blog.

Uit: Babylon

« Je dois savoir ce que devient la tante de Jean-Lino. La visite de Ginette Anicé m’y a fait penser. Jean-Lino avait ramené en France la soeur de son père et lui avait trouvé une place dans une maison de retraite juive. Je l’y avais accompagné un après-midi. Nous étions allés à la cafétéria, un grand hall reconfiguré entièrement fonctionnel, sol en petit marbre piqueté, murs lisses, tables où étaient assis des gens en chaises roulantes avec des visiteurs. On aurait dit que tous les matériaux avaient été choisis en raison de leur qualité d’écho et de résonance. La tante avançait vite avec son déambulateur. Esprit vif. Jambes vivaces. Le corps, et surtout la tête agités de mouvements perpétuels incontrôlés qui ne semblaient pas la gêner mais qui rendaient sa parole sourde et saccadée. Elle parlait, en même temps, trois langues, un français châtié et semi-oublié d’autrefois, l’italien et le ladin, un patois des Dolomites. Jean-Lino nous avait installés à la table du fond, devant une télé murale, son au maximum, branchée sur une chaîne de clips. Durant la conversation (si on peut dire), Jean-Lino, par à-coups, lui arrachait avec ses doigts des poils du visage. Sait-elle ce qui est arrivé à son neveu ? À qui parle-t-elle, avec sa tête branlante dans le désert du hall ? Un rien peut me faire douter de la cohérence du monde. Les lois semblent indépendantes les unes des autres et se heurtent. Dans le réduit de mon bureau, à Pasteur, une mouche m’exaspère. Je n’aime pas quand une mouche est conne. J’ouvre grand la fenêtre et au lieu de s’enfuir vers les arbres qui bordent notre pavillon, elle revient dans la pièce zigzaguant vers le mur du fond. Deux secondes avant elle se cognait à la vitre, frappait à droite, à gauche, en tous sens, maintenant que l’air entre, que le ciel lui tend les bras, elle erre dans l’ombre absurdement. Elle mérite que je l’enferme en m’en foutant. Mais elle a pour elle son odieux bourdonnement. Je me demande même si ce bourdonnement n’a pas été créé comme garde-fou à l’emprisonnement. Je n’aurais aucune pitié sans cette parade. Je saisis ma CBE, je renvoie la mouche vers la fenêtre, enfin j’essaie, car au lieu de s’abandonner à la raquette charitable, elle l’esquive, se met hors de portée et va se coller en lisière de plafond. Pourquoi faut-il supporter une telle perte de temps ? La tante vivait dans les montagnes. »


Yasmina Reza (Parijs, 1 mei 1960)
Cover

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia. Zie ook alle tags voor Yánnis Rítsos op dit blog.

Moonlight Sonata (Fragment)

The lip of the glass gleams in the moonlight
like a round razor – how can I lift it to my lips?
however much I thirst – how can I lift it – Do you see?
I am already in a mood for similes – this at least is left me,
reassuring me still that my wits are not failing.
Let me come with you.

At times, when evening descends, I have the feeling
that outside the window the bear-keeper is going by with his old heavy she-bear,
her fur full of burns and thorns,
stirring dust in the neighborhood street
a desolate cloud of dust that censes the dusk,
and the children have gone home for supper and aren’t allowed outdoors again,
even though behind the walls they divine the old bear’s passing –
and the tired bear passes in the wisdom of her solitude, not knowing wherefore and why –
she’s grown heavy, can no longer dance on her hind legs,
can’t wear her lace cap to amuse the children, the idlers, the importunate,
and all she wants is to lie down on the ground
letting them trample on her belly, playing thus her final game,
showing her dreadful power for resignation,
her indifference to the interest of others, to the rings in her lips, the compulsion of her teeth,
her indifference to the interest of the others, to the rings in her lips, the compulsion of her teeth,
her indifference to pain and to life
with the sure complicity of death – even a slow death –
her final indifference to death with the continuity and knowledge of life
which transcends her enslavement with knowledge and with action.

 
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)
Cover

 

Zie voor de schrijvers van de 1e mei ook mijn blog van 1 mei 2018 en ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 1 en deel 2 en eveneens deel 3.

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Antal Szerb, Ignazio Silone, Aleksander Wat, Reinier van Genderen Stort

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

Hoort ’t is de wind

Hoort, ’t is de wind, ’t is de wind, ’t is de wind, en
   zoekende zucht hij om ruste te vinden,
   overal rond, en en vindt geene, nooit:
   of hij de daken van d’huizen verstrooit,
of hij de vliegende blâren doet ruischen,
of hij de boomen daarboven doet buischen
   of hij de torren hun toppen afwaait,
   of hij de malende meulenen draait,
of hij de zee in de wolken doet botsen
of hij ze slaat op heur zuchtende rotsen,
   of hij de schepen daarbinnen begraaft,
   of hij door schuimbekkend zeewater draaft:
nimmer en vindt hij, de wind, ’t is de wind en
nimmer en zal hij geen ruste meer vinden,
   nimmer en rustt’ hij maar eenen keer: ‘Stil!’
   sprak Hij, die immer in ruste is, ‘Ik wil!’
   sprak Hij, die alles in roer zetten kan:
   ‘Stil!’ en hij rustte . . . en hij rustte nochtan!

 

Duiven

Klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
slaan hun vlerken, de ene op de aâr;
klap-klap-klap,
en henenschuiven
doen ze, van mijn dak mij daar.

Klap-klap-klap,
ze spelevaren,
rinkelroeiende, altemaal;
klap-klap-klap,
van harentaren,
ommenton, in énen haal.

Klap-klap-klap,
zij zijn daar weder;
hoort ge vlug hun vlerken slaan?
klap-klap-klap,
ze vallen neder,
betende op mijn dak, voortaan.

Klap-klap-klap,
de veren stuiven,
want hun baaike, groef en fijn,
klap-klap-klap,
m’n dertien duiven
boetende, in de zonne, zijn.

 

‘k Hore tuitend’ hoornen

‘k Hore tuitend’ hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
kinderen, blij en blonde, kom,
de navond is nabij,
kom bij:
zegene u de Alderhoogste, want
de navond is nabij,
komt bij:
‘k hore tuitend’ hoornen en
de navond is nabij,
voor mij!

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Portret door Aimé Van Belleghem, 1980

 

De Duitse dichter en schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook alle tags voor Johano Strasser op dit blog.

Uit: Die schönste Zeit des Lebens

„Wofür ich mich interessiere? Ihre Stimme ist leise und eindringlich; von ihrem Sessel aus scheint sie, den Kopf leicht zur Seite gelegt, ihren Worten hinterherzuhorchen. Für alles, sagt sie dann, sagt es so heiter, als wären damit alle Fragen beantwortet, alle Probleme gelöst. Aber als er darauf lange nichts erwidert, weil er ganz damit beschäftigt ist, zu entziffern, was auf den vergilbten und abgegriffenen Buchrücken steht, vielleicht auch, weil ihn ihre Antwort erst recht ratlos gemacht hat, da fügt sie, als handelte es sich um eine eigentlich überflüssige Erläuterung, doch noch hinzu: Vor allem für die Liebe.
Er wirft den Kopf herum. Wie ein Schreck sind ihm ihre Worte in die Glieder gefahren. Sein Atem stockt, er zwingt sich, die Luft, die er in einem kurzen, erschreck-ten Atemzug eingesogen hat und die sich nun in seiner Lunge staut, ganz langsam durch den halb geöffneten Mund auszulassen. Vor allem für die Liebe … Er fühlt, wie ihm vom Hals her die Röte in die Wangen steigt. Als hätte er sich, seit sie ihm vor wenigen Minu-ten die Wohnungstür öffnete und ihm mit kleinen, tas-tenden Schritten in dieses altmodisch plüschige Wohn-zimmer voranging, in einen schüchternen Knabenzutückverwandelt.
Ein Wort wie eine Wunde, wie ein falsches Verspre-chen: Liebe… Oder wie ein kleiner Vogel mit gebrochenem Flügel. Der weiße Sand unter den Füßen fein wie Mehl, bei jedem Schritt quillt er zwischen den Zehen hindurch, das Heidekraut den Hügel hinau£ die roten Föhren, der fächelnde Wind, der Duft des Harzes … Warum schnürte ihm die Stille die Kehle zu? Der Vogel in sei-ner Hand, er spürte, wie das Meine Herz klopfte, wild und voll Angst, er sah, wie er den Kopf zur Seite legte, einen Moment lang schauten sie sich an, Auge in Auge: der kleine Vogel mit dem gebrochenen Flügel und er, der ihn hielt, ihn sicher hielt in seiner großen, wärmenden Hand. Ob sie seine Verlegenheit bemerkt hat? Er wirft einen schnellen prüfenden Blick zu ihr hinüber.“

 
Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)

 

De Franse schrijfster Yasmina Reza werd geboren op 1 mei 1960 in Parijs. Zie ook alle tags voor Yasmina Reza op dit blog.

Uit: Babylon

« Un jour, sans que rien ne l’annonce, Rémi avait mis ses bras autour du cou de Jean-Lino Manoscrivi. Ça s’est passé un dimanche à l’Hippopotamus. Ils déjeunaient tous les trois et un couple d’amis de l’atelier de jazz de Lydie. Rémi qui s’embêtait comme tous les enfants à table avait eu la permission d’aller faire des bulles sous la véranda ouverte. Jean-Lino le surveillait d’un œil quand tout à coup plus de Rémi. Jean-Lino va voir. Pas de Rémi. Il descend les marches, regarde de tous les côtés de l’avenue du Général-Leclerc. Rien. Il retourne à l’intérieur, monte à l’étage. Personne. Mamie Lydie s’affole. Jean-Lino et elle ressortent. Ils partent à droite, à gauche, tourbillonnent, retournent dans l’Hippopotamus, interrogent les serveurs, ressortent. Ils crient le nom de l’enfant, le paysage urbain est vide, ouvert à tous les vents. Les amis chanteurs sont restés à table, pétrifiés, ne touchant plus leur assiette. Non loin d’eux un couple, discrètement, leur désigne du menton une desserte à laquelle est accolé un genre de palmier en pot. La copine de Lydie finit par comprendre les signes, se lève et trouve Rémi accroupi, réjoui de sa blague, planqué derrière le bac à fleurs. Les Manoscrivi hagards reviennent. Lydie se jette pour serrer l’enfant. C’est à peine s’il n’est pas félicité pour sa réapparition. Tout rentre dans l’ordre. Jean-Lino n’a pas dit un mot. Il s’est rassis, blême et sombre. Rémi lui aussi a repris sa place. On lui propose une île flottante. Il se balance sur sa chaise en garçon satisfait et puis on ne sait pourquoi il se lève et vient entourer Jean-Lino de ses bras et poser sa tête sur ses épaules. Le cœur de Jean-Lino s’est gonflé de façon déraisonnable. Il a cru à la victoire secrète de l’amour, comme tous les amoureux éconduits que le moindre geste inopiné suffit à enfiévrer. Les mêmes gestes ne valent pas un clou, accomplis par des personnes acquises. Je pourrais en écrire là-dessus. Le type qui n’en a rien à foutre et qui un matin, par inadvertance ou perversité, t’envoie un signal imprévu, je sais ce que ça provoque. »

 
Yasmina Reza (Parijs, 1 mei 1960)

 

De Italiaanse schrijver Ignazio Silone werd geboren op 1 mei 1900 in Pescina dei Marsi. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Ignazio Silone.

Uit: Fontamara (Vertaald door J.-P. Samson)

« Que personne n’aill imaginer que les Fontamarais parlent l’italien. La langue italienne est pour nous une langue qu’on apprend à l’école, tout comme on peut apprendre le latin, le français ou l’espéranto. La langue italienne, pour nous, est une langue étrangère… La langue italienne, pour accueillir et rendre nos pensées, ne peut faire autrement que de les estropier, les corrompre, leur donner l’apparence d’une traduction…
Le premier juin de l’année passée, Fontamara, pour la première fois, resta sans lumière électrique. Le 2 juin, le 3 juin, le 4 juin, Fontamara continua à rester sans lumière électrique. Il en fut de même les jours suivants, les mois suivants ; tant et si bien que Fontamara se réhabitua au régime du clair de lune. Pour passer du clair de lune à la lumière électrique, Fontamara avait mis une centaine d’années. Pour revenir de la lumière électrique au clair de lune, un soir fut suffisant.
Les jeunes ne connaissaient pas l’histoire, mais nous, les vieux, nous la connaissons. Toutes les nouveautés que les Piémontais nous ont apportées en soixante-dix ans se ramènent, en définitive à deux : la lumière électrique et les cigarettes. La lumière électrique, ils nous l’ont reprise. Les cigarettes ? Puissent-elles étouffer ceux qui les fument : pour nous, la pipe a toujours suffi.
La lumière électrique, à Fontamara, était devenue elle aussi un fait naturel, comme le clair de lune, en ce sens que personne ne la payait. Personne ne la payait depuis des mois. Et avec quoi l’aurions-nous payée ? Les derniers temps, le facteur rural n’était même plus venu distribuer l’habituelle note mensuelle portant mention des arriérés, l’habituel morceau de papier dont nous nous servions à des fins domestiques. La dernière fois que le facteur était venu, peu s’en fallut qu’il n’y laissât la peau. Un coup de fusil, en effet, manqua le laisser raide mort à la sortie du pays.”

 
Ignazio Silone (1 mei 1900 – 22 augustus 1978)
Scene uit de gelijknamige film uit 1980 met o.a. Michele Placido als Berardo Viola (links)

 

De Amerikaanse schrijver Joseph Heller werd geboren in New York op 1 mei 1923. Zie ook alle tags voor Joseph Heller op dit blog.

Uit: Closing Time

“On those navigational training missions in South Carolina, Appleby would find the way back for us safely with his radio compass. One black night we were lost and had no radio compass for more than an hour. There was electrical interference from storms celebrated Coney Island amusement area with its gaudy lightbulbs in the hundreds of thousands and the games and rides and food stands. Luna Park was a big and famous attraction then, and so was the Steeplechase (“Steeplechase — the Funny Place”) Park of a Mr. George C. Tilyou, who had passed away long before and of whom no one knew much. Bold on every front of Steeplechase was the unforgettable trademark, a striking, garish picture in cartoon form of the grotesque, pink, flat, grinning face of a subtly idiotic man, practically on fire with a satanic hilarity and showing, incredibly, in one artless plane, a mouth sometimes almost a city block wide and an impossible and startling number of immense teeth. The attendants wore red jackets and green jockey caps and many smelled of whiskey. Tilyon had lived on Sorf Avenue in his own private house, a substantial wooden structure with a walkway to the stoop from a short flight of stone steps that descended right to the margin of the sidewalk and appeared to be sinking. By the time I was old enough to walk past on my way to the public library, subway station, or Saturday movie matinee, his family name, which had been set in concrete on the vertical face of the lowest step, was already sloping out of kilter and submerged more than halfway into the ground. In my own neighborhood, the installation of oil burners, with the excavations into the pavement for pipes and fuel tanks, was unfailingly a neighborhood event, a sign of progress.
In those twenty more years we will all look pretty bad in the newspaper pictures and television clips, kind of strange, like people in a different world, ancient and doddering, balding, seeming perhaps a little bit idiotic, shrunken, with toothless smiles in collapsed, wrinkled cheeks. People I know are already dying and others I’ve known are already dead. We don’t look that beautiful now. We wear glasses and are growing hard of nearby, and to this day I clearly hear Yossarian’s voice on the intercom, saying:
“I see the bank of a river down there. Turn left and cross it and I’ll pick up a landmark on the other side.”

 
Joseph Heller (1 mei 1923 – 12 december 1999)
Cover

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Yánnis Rítsos.

Moonlight Sonata (Fragment)

I know it’s very late. Let me,
because for so many years – days, nights, and crimson noons – I’ve stayed alone,
unyielding, alone and immaculate,
even in my marriage bed immaculate and alone,
writing glorious verses to lay on the knees of God,
verses that, I assure you, will endure as if chiselled in flawless marble
beyond my life and your life, well beyond. It is not enough.
Let me come with you.

This house can’t bear me anymore.
I cannot endure to bear it on my back.
You must always be careful, be careful,
to hold up the wall with the large buffet
to hold up the table with the chairs
to hold up the chairs with your hands
to place your shoulder under the hanging beam.
And the piano, like a closed black coffin. You do not dare to open it.
You have to be so careful, so careful, lest they fall, lest you fall. I cannot bear it.
Let me come with you.

This house, despite all its dead, has no intention of dying.
It insists on living with its dead
on living off its dead
on living off  the certainty of its death
and on still keeping house for its dead, the rotting beds and shelves.
Let me come with you.

Here, however quietly I walk through the mist of evening,
whether in slippers or barefoot,
there will be some sound: a pane of glass cracks or a mirror,
some steps are heard – not my own.
Outside, in the street, perhaps these steps are not heard –
repentance, they say, wears wooden shoes –
and if you look into this or that other mirror,
behind the dust and the cracks,
you discern – darkened and more fragmented – your face,
your face, which all your life you sought only to keep clean and whole.

 

Vertaald door Peter Green en Beverly Bardsley

 
Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)

 

De Hongaarse schrijver Antal Szerb werd geboren op 1 mei 1901 in Boedapest. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Antal Szerb.

Uit: Journey by Moonlight (Vertaald door Len Rix)

„What was the strange attraction, the peculiar ecstasy, that seized him among the back-alleys? Why did it feel like finally coming home? Perhaps a child dreams of such places, the child raised in a gardened cottage who fears the open plain. Perhaps there is an adolescent longing to live in such a closed world, where every square foot has a private significance, ten paces infringe a boundary, decades are spent around a shabby table, whole lives in an armchair … But this is speculation.
He was still wandering among the alleys when it occurred to him that day was already breaking and he was on the far side of Venice, on the Fondamenta Nuova, within sight of the burial island and, beyond that, the mysterious islands which include San Francesco Deserto, the former leper colony, and, in the far distance, the houses of Murano. This was where the poor of Venice lived, too remote and obscure to profit from the tourist traffic. Here was the hospital, and from here the gondolas of the dead began their journey. Already people were up and on their way to work, and the world had assumed that utter bleakness as after a night without sleep. He found a gondolier, who took him home.
Erzsi had long been sick with worry and exhaustion. Only at one-thirty had it occurred to her that, appearances notwithstanding, even in Venice one could doubtless telephone the police, which she did, with the help of the night porter, naturally to no avail.
Mihály was still like a man walking in his sleep. He was abominably tired, and quite incapable of providing rational answers to Erzsi’s questions.
“The back-alleys,” he said. “I had to see them by night, just once … it’s all part of … it’s what everyone does.”
“But why didn’t you tell me? Or rather, why didn’t you take me with you?”
Mihály was unable to reply, but with an offended look climbed into bed and drifted towards sleep, full of bitter resentment.
“So this is marriage,” he thought. “What does it amount to, when every attempt to explain is so hopeless? Mind you, I don’t fully understand all this myself.”

 
Antal Szerb [1 mei 1901 – 27 januari 1945)
Cover Hongaarse uitgave

 

De Poolse schrijver en dichter Alexander Wat werd geboren op 1 mei 1900 in Warschau. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Aleksander Wat.

Slaap

Slaap. Ook al moest nu in vervulling gaan
waarop trillend is gewacht sinds de morgenstond der tijden.
Hoe slaperig, hoe losmakelijk zijn geest en lichaam
in het uur van scheiden.

Slaap. Slaap in deze vreemde tuinen,
waar onze Meester snikt en sterft, van allen al verlaten.
Netten op de kust geworpen, de wind stil in de kruinen,
boten slapend in het water.

Slaap. De hele eeuwigheid verslapen,
dood en herrijzenis, hel en verlossing.
Of de verdoemenis.

Hij wekte mij en slechts de ogen zagen.
De handen waren dood, de mond verstard,
versteend het hart.

 

Een Perzische fabel

Aan een grote rappe stroom
lag op de stenen oever
een schedel en die schedel
schreeuwde: Allah jah illah.

En er was zoveel afgrijzen
in die kreet, zo’n vurige bede
en de wanhoop was zo diep,
dat ik aan de stuurman vroeg:

Wat doet hem nu vrezen? En waar kan hij om smeken?
Welk Godsoordeel kan hem wreder nog hier wreken?

Toen rolde een golf aan
hij greep de schedel mee
sloeg hem met woeste kracht
tegen de kant te pletter.

Er is geen laatste grens
– sprak daarop dof de stuurman –
erger kent geen bodem.

 

Vertaald door Gerard Rasch

 
Aleksander Wat (1 mei 1900 – 29 juli 1967)
Warschau, Slotplein

 

De Nederlandse dichter en schrijver Reinier van Genderen Stort werd geboren op 1 mei 1886 in Buitenzorg, Nederlands Indië. Zie ook alle tags voor Reinier van Genderen Stort op dit blog en ook mijn blog van 1 mei 2010.

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen

Ik zie in mijn verbeelding de konijnen
Weer sluipen door de helm en door het zand,
En duinrozen ontbloeien en weer kwijnen,
Terwijl de golven breken op het strand.

Gij, mollig diertje, bedeesd is ook uw wezen,
Uw vacht wordt zacht door zon en wind gekoosd,
Uw bout, gekruid, is wellicht onvolprezen,
Gedijen moge steeds uw willig kroost.

Ge zijt heel anders dan uw neef, de haas,
Want vreedzaam kunt gij toeven in een kooi,
Daar zijt ge veilig, wordt ge vet, gij dwaas,
En valt ge niet des jagers strik ten prooi.

Doch liever zie ik u in een warande,
Omheind gebied, en waar ge holen graaft,
Daar zijn ge saam met duiven en fazanten,
In de Natuur, die allen voedt en laaft.

 

De palingen en ook de zalmen

De palingen en ook de zalmen
De laatste komen uit de Rijn,
Zij trekken jaarlijks zonder talmen
Tot waar hun paringsoorden zijn.

De torren, klimmend in de halmen,
Al wat tiert, schier zat van gein,
In deze wereld, groot en klein,
Ik zoude uw lof wel willen galmen.

En dan de korhaan, de wisent,
Hun beelt’nis was al ruw geprent
Gelijk de runen in de steen.

Maar bliksemsnel gaat het al voorbij,
De dood gaat schuil in ieder ei,
Het baat noch deert, of ik juich of ween.

 
Reinier van Genderen Stort (1 mei 1886 – 7 januari 1942)
Het paleis van de Gouverneur-Generaal in Buitenzorg, Nederlands-Indië

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e mei ook mijn blog van 1 mei 2016 deel 2 en eveneens deel 3.

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Antal Szerb, Ignazio Silone, Aleksander Wat, Reinier van Genderen Stort

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

Maak pompen van kanons

Maak pompen van kanons
en speiten van geweren,
al ’t vechten is voorbij,
’t is vrede weere in ’t land.

 

De koning is gekommen!

De grote zon, de zomer is
ten oosten uitgeklommen,
bezoekende zijn koninkrijk…

De volkeren, de groten en
de klenen, alle lieden
hem koninklijk begroeten gaan
en blijde inkom bieden.

De mannen zijn veel sterker nu
ten arbeide, en de vrouwen,
ze slaan wel nog zo dapper, met
de la, de weefgetouwen.

De jongens en de maagden, als
of ze nog klene waren,
gaan lopen in de lanen, in
de locht, en spelevaren.

Het kindje, dat geen tonge en heeft,
nu zingen kan; en ‘t aaien
van moeders hand- en mondgebaar
vriendtoevig tegenkraaien.

De vogels zingen, de aarde zingt,
de kruiden en de blommen…
de zomer is, de grote zon,
de koning is gekommen!

 

Wierook

o Wierookgraan,
geronnen traan
van ceder- en van lorkenstammen,
gebedenbeeld,
daar ‘t vier in speelt,
en ‘t vonkelen van ‘s herten vlammen.

Geen gave van
fijn goud en kan
mijn hand de Heer, geen myrrha bieden,
maar wierook zal,
en overal
en allen dag, Hem dank bedieden.

o Wierookgraan,
in ‘t vier gedaan,
en rokende uit mijns herten midden,
van aards en grauw
wordt hemels blauw:
gaat, wierookgraan, de Here aanbidden!

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Borstbeeld door J. Dommisse, 1e helft 20 eeuw

Doorgaan met het lezen van “Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Antal Szerb, Ignazio Silone, Aleksander Wat, Reinier van Genderen Stort”

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

Peren

Gebogen hangt het perenhout,
bevallig, onder ‘t menigvoud
gedrag, dat hem bewonderen laat
alom, en op de bomen staat.

Zo druiven, in malkaâr geklist,
bij grote en dikke krabben is ‘t,
dat top en takken, scheefgelaân,
bezwijkend, van de peren staan.

Hoe schone, als ‘t lieve zonnelicht
daarop zijn mooie stralen zicht;
en, geluw-, groen- en grauwgeveld,
fijn goud op al die peren smelt!

Hoe spannen ze, in hun ronde glans,
vol zerpe en zoete zeupen gans;
die, borstgeeene en lijfgenoot,
nog wassen, bij de moederschoot!

Het staat er die, vol rode schijn,
bloedverwig als de kaken zijn
van menig menig mensenkind,
dat m’hier en daar ten boere vindt.

Het staat er, effenbruin van bast,
aan klene, tere takken vast;
die ‘k puilen zie, alhier, aldaar,
ter pelen uit en… ponden zwaar.

Vaarwel, die zulke giften laat,
o zonne, aleer gij henengaat,
en elders weunt, de lange tijd
dat ‘t wintert, en ge onzichtbaar zijt.

Dat ‘t donker is, dat ‘t waait en buist;
dat verre is al het groen verhuisd;
dat, naakt, of heel met ijs belaân,
onvriendelijk de bomen staan.

Vaarwel, o zonne!… Hij is groot,
diens hand u in de hemel schoot;
diens goedheid, die geen’ beurte en kent,
bij beurten, ons die zomer zendt.

o Eeuwig goede, om al het goed
dat ‘t bakelen van de zonne doet
onze onbeholpen schamelheid,
zij lof en ere u toegezeid!

 

Het kruis

Het kruis ontliet de mens
uit ’s vijands helse banden;
met ’t kruise wijden hem,
in ’t doopsel, ’s priesters handen;
gebiecht, gevormd, berecht,
getrouwd, gezalfd in ’t kruis,
nog wijst hem ’t kruis de weg
naar hier, zijn laatste thuis.
o kruise, dat daar staat,
och, of zij ’t allen wisten,
gij zijt het teken en
de hoop van elke christen:
zo Christus leefde en stierf,
in kruisen en verdriet,
zo zult gij, of ge en volgt
in Zijn triomf hem niet!

  

Ach licht en is het lot van al

Ach licht en is het lot van al,
zo menig band wordt keten;
zo menige en zo groot getal
die ’t blijzijn haast vergeten!

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Standbeeld in Brugge

Doorgaan met het lezen van “Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos”

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

Een dreupel poësij

Aan Gustaf Verriest

Hoe blij is de arme vogel toen
hij, lange lang geboeid,
weerom zijn vlerk mag opendoen
en in de hemel roeit!
En hoe is ’t arme viske blij,
dat, in mijn net gepakt,
half dood gesperteld, los van mij,
weerom in ’t water smakt!
Het gouden vliegsk’ hoe blijde ruist
het, werk- en worstelensmoe,
wanneer ik zijn gevang, mijn vuist,
ontluikend opendoe!
Zo blij en is mijn ziele niet,
maar zeven maal zo blij,
wanneer ik, moe en mat, geniet
een dreupel poësij. –
In ’t vrij bewind des vogels en
in ’t koele ruim daarvan,
en ‘k weet niet waar ik nog al ben
wanneer ik dichten kan:
’t gedacht springt als de vis, die zeer
in ’t waterkrystalijn
blank blinkt en weerom blinkt, aleer
‘k hem wel gewaar kan zijn;
bepereld als het vliegske, licht
en schitterend in de zon,
zo vliegt en lacht het los gedicht
met zijne Dichter ton:
neen, blij en is mijn ziel toen niet,
maar is iets meer als blij,
wanneer zij, God zij dank, geniet
een dreupelke poësij!

 

Spreeuwen

„’k Zie-’t!” zo vliggert, vlug te vlerke,
recht de torre in van de kerke,
daar ze is nest aan ’t bouwen!… „’k zie-’t!”
piept de spreeuwe, en anders niet.

Maar wat is mij, scherpgebekte,
zwart-halfgroen gevliggervlerkte,
vage vogel, dan ’t bedied
van uw eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

Ziet gij, daar omhoog aan ’t broeden,
ziet ge, aan ’t blijde jongskes voeden,
in uw pierende oogskes, iet
dat elk mense niet en ziet?

Zeg, of is ’t de zonne rijzen,
dat gij ziet, is ’t buien bijzen;
kwade wichten of kwa died
zitten ievers, diepe in ’t riet?

„’k Zie-’t!” zo piept gij; ziet gij, binnen
deze borst, mij iet beminnen,
haten, willen, wensen iet,
blijdschap hebben en verdriet?

„’k Zie-’t!” uw roepwoord doet mij delven
diepe in ’t diepste diep mijns zelven,
en ontdekken daar ’t bedied
van uw eeuwig zeggen „’k zie-’t!”

Een daar is, die aan de leeuwen
’t leven gaf, en aan de spreeuwen,
Een die, vrij van al ’t verdriet,
hoge zit en verre ziet.

Een… Hij zit in zijnen torre,
zonder schaaltje en zonder schorre;
en, van ’t gene in mij geschiedt,
Hij mag eeuwig zeggen: „’k zie-’t!”

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Borstbeeld in Brugge

Doorgaan met het lezen van “Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone”

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder alle tags voor Guido Gezelle.

O Perenboom belaên

O Perenboom, belaên
met al goudgeelwe blaên,
oktoberziek en treurig,
de winter is ‘t, die naast,
en ’t al het land uit blaast
dat groeizaam is en geurig!

Nog onlangs stond gij daar,
o schone perelaar,
één witte wolke blommen,
die ’t weerd was om te zien,
en die naar u de biên
van verre en na deed kommen.

De zomer ging voorbij,
en dan bekroondet gij
uw edel hoofd met bruine,
zoetvleesde peren, van
daar schier mijn hand aan kan
tot in uw hoogste kruine.

Nu staat gij daar en treurt,
ontkinderd en ontkleurd,
en schijnt alom te vragen:
zal niemand, die mij zag
in mijne schone dag,
me een meêlijend herte dragen?

o Perenboom, vaar wel;
’n wilt vóór winter fel
noch weemoed buigen neder:
de winter komt en gaat,
o Perenboom: weêrstaat,
verrijzen zult gij weder!

 

De macht ontvalt de mense aleer hij ’t weet

De macht ontvalt de mense aleer hij ’t weet;
wat baat hem dat hij werkt, en leeft, en eet?
Het leven zelf doet ’t leven dood, en ’t is
dat wij geen duur en hebben, ’t grootst gemis
van al dat ons ontbreekt. o Duurzaamheid
oneindig, al omvattend, uitgebreid,
die, onbegonnen, nimmer sterven zult;
die ’t wezen van het wezen heel vervult,
u ken ik, ja, heb dank; u ben ik? Neen:
want duurzaamheid, o God, zijt Gij alleen!

 

Tempus edax…

’t Is stille! Neerstig tikt het ongedurig
hangend wezen,
waarop de weg naar ’t eeuwige, in
twaalf stappen, staat te lezen.

’t Is stille en middernacht! Alsof
ik blind ware, om mij henen,
in donkere diepten schijnt het al
verduisterd en verdwenen.

’t Is stille! Niets te zien en niets
te horen, ’t doet mij beven!
als ’t altijd neerstig bijten van
den tijdworm aan ons leven!

 
Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Zandsculptuur door Marielle Heessels, Blankenberge

Doorgaan met het lezen van “Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos”

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder de tags voor Guido Gezelle.

 Weldadig zonneweer

Weldadig zonneweer,
hoe lang heeft ons verlangen
gewacht naar uwe troost,
geveterd en gevangen
in ‘s winters lastigheid!
Zal ‘t zomer zijn voortaan,
of zult ge, wederher
al, zonne, u duiken gaan?

De mensen danken u
volmondig, en de hoven,
in ‘t eerst aanschouwde groen,
u dankbaarheid beloven;
de vogels vliegen los
en blij; het kwekenoot,
ontdonkerd hier en daar,
de staldeure openstoot.

Daar davert iet dwersdeur
elk wezen; daar zijn stralen
van louter levendheid,
die uit de hemel dalen:
of wat, ontdekt het mij,
wat is die geile stroom,
die alles blij zijn doet,
‘t zij mense, dier of boom?

‘t Is zonneweer; het is…
‘t is zomer; al ‘t geleden,
al ‘t uitgedoogde kwaad
is weg, uit lijf en leden;
de zonne lacht en laaft
het herte los en vrij
van kommer, of het ook
geen dag nog zonne en zij.

Wie zal de goedheid dan,
wie de eeuwig onbegonnen
mildadigheid van Hem,
de dageraad aller zonnen,
verstaande, ootmoediglijk
genoeg, op beide knie’n
aanbidden? wie de naam
vollovend zijn van Dien?

Door de eeuwige eeuwen heen,
geloofd zij ‘t eeuwig Wezen;
zij ‘t eeuwig Licht geloofd,
zo nu zo ooit nadezen:
zij ‘t eeuwig Liefdevier,
het leven van ‘t heelal,
geloofd, zo lange iet is,
of ooit iet wezen zal!

 

‘k Zal mij van te dichten zwichten

‘k Zal mij van te dichten zwichten,
zo ‘t mijn hart niet wel en gaat:
wie kan rijpe bezen lezen
van een tak die droge staat?

Laat de lieve wonnenbronne,
laat het leutig zonnenvier,
laat de verse blommen kommen,
laat weerom de lente, alhier!

Dan ja, zal ‘k genezen wezen,
opstaan en, gespannen fel,
of ‘t een klare snare ware,
dichten ende deunen wel!

 

Oneigene

Hetgeen ik niet uitgeve en
hebbe ik niet in,
wie zal mij dat wijten tot schande ?
Mijn herte en mijn tale, mijn
rede en mijn zin,
’t is al zo van buiten, ’t is
al zo van bin’
’t ligt alles daar bloot op mijn handen !

Dan, weg met de oneigene
tale en de schijn
van elders geborgde gepeizen;
mijn zijt gij niet, uw, dat en
wille ik niet zijn ;
dat in mij en aan mij is,
dàt hete ik mijn
oneigene, ik late u, . . . . gaat reizen !

 

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

Portret door  H. De Graer, 1905

Doorgaan met het lezen van “Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos”

Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2010 en verder de tags voor Guido Gezelle.

Als de ziele luistert

Als de ziele luistert
spreekt het al een taal dat leeft,
’t lijzigste gefluister
ook een taal en teken heeft:
blâren van de bomen
kouten met malkaar gezwind,
baren in de stromen
klappen luide en welgezind,
wind en wee en wolken,
wegelen van Gods heilige voet,
talen ende vertolken
’t diep gedoken Woord zo zoet…
als de ziele luistert!

 

Terug

Scheef is de poorte, van
oudheid geweken;
zaâlrugde ’t dak van
de schure; overal
stro op de zwepingen
zit er gesteken;
vodden beveursten het
huis en de stal.

Boven die vodden zijn
blommen gesprongen;
onder die vodden zit
volk en gezin:
blommen van vrede, zo
ouden, zo jongen,
blommen van buiten en
blommen van bin.

Daar is ’t dat moeder zat;
daar is ’t dat vader
vond die hem arbeid en
herte bracht; daar
knielden wij, kinderen,
handen te gader,
baden wij, kleinen en
groten te gaâr.

Daar is de schippe nog,
daar is de tange;
’t ovenbuur staat daar, zo
’t vroeger daar stond;
’t hondekot staat daar, en…
– ’t is al zo lange! –
Hoe is de naam van die
andere hond?

Ach, hoe verheugen mij,
ach, hoe verheffen
de oudere dagen mijn
diepste gemoed!
Is er wel iemand, die ‘t
ooit kon beseffen
wat gij, oud hof, mij nu
zegt, mij nu doet?

Zalige lieden, al
te argloze mensen,
weinig begeerdet gij,
groot was uw hert!
– Kon het maar helpen, met
wenen en wensen,
weer ate ik roggenbrood,
naast u, aan ’t berd!

 

‘k Hoore tuitend’ hoornen

‘k Hoore tuitend’ hoornen en
de navond is nabij
voor mij:
de navond is nabij,
komt bij:
zegene u de Alderhoogste, want
de navond is nabij,
komt bij:
‘k hoore tuitend’ hoornen en
de navond is nabij,
voor mij!

 

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)

Beeld door Jules Lagae in Kortrijk

 

Doorgaan met het lezen van “Guido Gezelle, Johano Strasser, Yasmina Reza, Joseph Heller, Yánnis Rítsos”

Guido Gezelle, Joseph Heller, Johano Strasser, Yasmina Reza, Yánnis Rítsos, Ignazio Silone, Antal Szerb, Aleksander Wat

De Vlaamse dichter Guido Gezelle werd geboren in Brugge op 1 mei 1830. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2006 en ook mijn blog van 1 mei 2008 en ook mijn blog van 1 mei 2009.

Half april

Gij blauwgekaakte wolken daar,
halfwit, omtrent uw boorden,
die gruwzaam in de hemel moêrt,
en grimt in ‘t gramme noorden:
hoe lange speelt gij, koud en kil,
de baas nog hier? ‘t Is half april!

‘t Is onbermhertig koud; en ‘t kan,
de zonne ondanks, gebeuren,
dat, ‘s morgens, al dat gers is, wit
geruwrijmd, staat te treuren!
Waar wilt gij, boos geweld, naartoe,
des winters? Wij zijn wintermoe!

‘t Moet zomer zijn, geen koude lucht,
die bijt en straalt; ‘t moet open,
dat, wachtende, in de botte zit
of weer in ‘t gers gekropen,
van schuchterheid, voor ‘t nijpen van
de hardgevuiste winterman!

Staat op, gij oosters zonnelicht,
en schiet, bij volle grepen,
uw schichten uit; doorkwetst, doorlijdt
het graf, daarin, genepen,
de zomer zat: verrijzenist
des konings kind! Te late al is ‘t!

Hallelu-jah! dan zingen zal,
dat ‘t wederklinkt alomme,
de gorgel los, de vogel en
de luidgekeelde blomme;
de klepel zal de klokke slaan
en kondigen de Koning aan.

 

De ramen

De ramen staan vol heiligen,
gemiterd en gestaafd,
gemartelaard, gemaagdekroond,
gehertoogd en gegraafd;
die ’t branden van het ovenvier
geglaasd heeft in de scherf,
die, glinsterend, al de talen spreekt
van ’t hemelboogs geverf.

Doch schaars is herontsteken in
de oosten het geweld
der zonnevonke, en valt zij op
de heiligen, zo smelt
’t samijtwerk uit de mantelworp,
de goudware uit de kroon,
en alles, even wit nu, blinkt
en bliksemt even schoon.

Verdwenen zijt gij, hertogen
en graven dan, zo zaan;
verdwenen, maagden, martelaars
en bisschoppen: voortaan
geen palmen, staven, stolen meer,
’t is alles henen, tot
één helderheid gesmolten, in
één zonnelicht – in God.

 

Daar liep een dichtje

Daar liep een dichtje in mijn gebed,
en ‘k wilde ’t aan de kant gezet,
maar, niet te doen, het wilde en ’t zou
mij plagen, als ik bidden wou!
En nu is mijn gebed gedaan,
en ’t dichtje is ‘k weet niet waar gegaan:
vergeefs gezocht, vergeefs, o wee,
‘k en vinde noch rijm noch dichtje meer!

 

Guido-Gezelle

Guido Gezelle (1 mei 1830 – 27 november 1899)
Standbeeld in Brugge

 

De Amerikaanse schrijver Joseph Heller werd geboren in New York op 1 mei 1923. Zie ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008 en ook mijn blog van 1 mei 2009.

Uit: Closing Time

 

When people our age speak of the war it is not of Vietnam but of the one that broke out more than half a century ago and swept in almost all the world. It was raging more than two years before we even got into it. More than twenty million Russians, they say, had perished by the time we invaded at Normandy. The tide had already been turned at Stalingrad before we set foot on the Continent, and the Battle of Britain had already been won. Yet a million Americans were casualties of battle before it was over — three hundred thousand of us were killed in combat. Some twenty-three hundred alone died at Pearl Harbor on that single day of infamy almost half a century back — more than twenty-five hundred others were wounded — a greater number of military casualties on just that single day than the total in all but the longest, bloodiest engagements in the Pacific, more than on D day in France.
No wonder we finally went in.
Thank God for the atom bomb, I rejoiced with the rest of the civilized Western world, almost half a century ago, when I read the banner newspaper headlines and learned it had exploded. By then I was already back and out, unharmed and, as an ex-GI, much better off than before. I could go to college. I did go and even taught college for two years in Pennsylvania, then returned to New York and in a while found work as an advertising copywriter in the promotion department of Time magazine.
In only twenty years from now, certainly not longer, newspapers across the country will be printing photographs of their oldest local living veterans of that war who are taking part in the sparse parades on the patriotic holidays. Theparades are sparse already. I never marched. I don’t think my father did either. Way, way back, when I was still a kid, crazy Henry Markowitz, an old janitor of my father’s generation in the apartment house across the street, would, on Armistice Day and Memorial Day, dig out and don his antique World War I army uniform, even down to the ragged leggings of the earlier Great War, and all that day strut on the sidewalk back and forth from the Norton’s Point trolley tracks on Railroad Avenue to the candy store and soda fountain at the corner of Surf Avenue, which was nearer the ocean.

 

joseph_heller

Joseph Heller (1 mei 1923 – 12 december 1999)
Heller in 1961

 

De Duitse schrijver Johano Strasser werd geboren op 1 mei 1939 in Leeuwarden. Zie ook mijn blog van 1 mei 2009.

Camping Europa

Wahrlich wir leben
Und leben nicht schlecht
In Deutschlands europäischem Teil
Aber schon Goethe trieb es nach Süden
Winckelmann träumte von Athen
Unterwegs auf den schlammigen Straßen
Zwischen Bückeburg und Berlin
Mal über den Grenzfluß die Wasserscheide
Endlich vor Augen das andere Meer
Das ist das Leben

Heimlich im Schatten der Backsteindome
Brüten wir eine Ferne aus
Nordkap Nordafrika Normandie
Reisende Büßer in Knobelbechern
Unter unserem Sehnsuchtsblick
Wölbt sich der Himmel wogen die Felder
Schreien die Raben bei Stalingrad

Schwer klumpt die Erde
An unseren Füßen
Hemmt unsere Heimkehr
Wärmten uns lieber an euren Feuern
Lauschten den Liedern
Dem Lachen der Frauen
Herder war Deutscher Das Slawenkapitel
Staunend lesen es unsere Nachbarn:
Unsere Seele wuchert nach Osten

Aber nach Süden lichtet der Wald sich
Hier bauten Fremde
Was wir erträumten”

johanostrasser

Johano Strasser (Leeuwarden, 1 mei 1939)

 

De Franse schrijfster Yasmina Reza werd geboren op 1 mei 1960 in Parijs. Reza is een Iranese met een Hongaarse moeder die in Parijs woont. Zelf zegt ze dat haar enige nationaliteit de Frans taal is. Haar carrière begon ze echter op de planken als comédienne.  Haar toneelstuk „Art“ trok volle zalen in de ‘Comédie des Champs Elysées’; kreeg twee Molières: beste nieuwe auteur en beste productie in de vrije sector. Het was ook een groot succes in het Londense West-End en op Broadway waar ze in 1998 (zeer opmerkelijk voor een niet-Engelstalig auteur) een Tony-award wegkaapte. Ander werk van haar hand: Conversations après un enterrement (1987), La traversée de l’hiver, Hammerklavier (autobiografisch relaas 1997), Une désolation (roman 1999)

 

Uit: Le Dieu du carnage

 

„ANNETTE. Nous sommes très touchés par votre générosité, nous sommes sensibles au fait que vous tentiez d’aplanir cette situation au lieu de l’envenimer.
VERONIQUE. Franchement c’est la moindre des choses.
MICHEL. Oui ! ANNETTE. Non, non. Combien de parents prennent fait et cause pour leurs enfants de façon elle-même infantile. Si Bruno avait cassé deux dents à Ferdinand, est-ce qu’on aurait pas eu Alain et moi une réaction plus épidermique ? Je ne suis pas sûre qu’on aurait fait preuve d’un telle largeur de vues.
MICHEL. Mais si ! ALAIN. Elle a raison. Pas sûr.
MICHEL. Si. Parce que nous savons tous très bien que l’inverse aurait pu arriver.
Flottement.

(…)

 

VERONIQUE. Maisj’ignorais tout voyons ! Michel nous a dit aux enfants et à moi que le hamster s’était enfui le lendemain matin. Je suis descendue tout de suite, tout de suite,j’ai fait le tour du pâté, je suis même allée à la cave.
MICH
EL. Véronique, je trouve odieux d’être subitement sur la sellette pour cette histoire de hamster que tu as cru bon de raconter. C’est une affaire personnelle qui ne regarde que nous et qui n’a rien à voir avec la situation présente ! Et je trouve inconcevable de me faire traiter d’assassin ! Dans ma maison !“

 

Reza

Yasmina Reza (Parijs, 1 mei 1960)

 

De Nieuwgriekse dichter Yánnis Rítsos werd geboren op 1 mei 1909 in Monemvasia.

 YOU WERE KIND AND SWEET OF TEMPER (ISSOUN KALOS ISSOUN GLYKOS)

 You were kind and sweet of temper, aIl the good graces were yours,
all the wind’s caresses, all the gillyflowers of the garden.

You were light of foot, treading as softly as a gazelle,
when you stepped past our threshold it always glittered like gold

I drew youth from your youth and to boot, I could even smile.
Old age never daunted me and death I could disregard.

But now where can I hold my ground? Where can I find shelter?
I’m stranded like a withered tree in a plain buried in snow

 

Vertaald door Amy Mims

 

Perplexity

Closed shops. Flour spilt upon the pavement.
Sandbags heaped by the shelter. Hands folded,
sad, he sits behind the garden’s gate. A mob
of swallows flies over, their shadows crossing
his face. He bends over and gathers flowers.
He makes a wreath. Will he put it on?

 

Vertaald door Scott King 

ritsos_en_theodorakis

Yánnis Rítsos (1 mei 1909 — 11 november 1990)
Ritsos (hier links) met Mikis Theodorakis

 

De Italiaanse schrijver Ignazio Silone werd geboren op 1 mei 1900 in Pescina dei Marsi

 

Uit  Fontamara (Vertaald door Hanna Dehio)

 

Auch er wurde als Reaktionär bezeichnet. jeder von uns wartete darauf, an die Reihe zu kommen, und keinem gelang es zu erraten, welche Antwort der Vertreter der Obrigkeit hören wollte. Unsere größte Sorge war natürlich, daß man uns zwingen würde, für jede falsche Antwort zu zahlen, und daß die ganze Prüfung nur ein Vorwand für eine neue Steuer war. Das Wort »Reaktionär«” war uns unbekannt, aber es war mehr als wahrscheinlich, daß es bedeutete »muß bezahlen.
Ich versuchte, mich Baldissera zu nähern und mich von ihm über die richtige Antwort belehren zu lassen, denn er war uns anderen an Wissen und Kenntnis der Gebräuche überlegen. Er sah mich jedoch mit einem mitleidigen Lächeln an wie einer, der ganz gut weiß, worauf es ankommt, aber sein Wissen für sich behalten will.
»Wen läßt du hochleben?,« fragte ihn der Mann des Gesetzes.
Der alte Schuster nahm den Hut ab und rief: »Hoch lebe die Königin Margherita.« Der Erfolg entsprach nicht ganz dem, was Baldissera erwartet hatte. Die Milizsoldaten fingen an zu lachen, und der Anführer bemerkte: »Die ist tot. Die Königin Margherita ist längst gestorben.«
»Was, sie ist gestorben, sagte Baldissera tief betrübt. »Das ist doch nicht möglich.«
Der Dickbäuchige lachte voller Verachtung und sagte zu Filippo:
»Schreib >Konservativer<«.
Baldissera schüttelte noch im Fortgehen den Kopf über diese Häufung unverständlicher Ereignisse. Als nächster wurde Antonio La Zappa aufgerufen. Er war von Berardo entsprechend beraten worden und gab zur Antwort:
»Nieder mit den Spitzbuben.«
Damit rief er heftigen Widerstand bei den schwarzen Männern hervor, die sich persönlich getroffen fühlten.“

 

IgnazioSilone

Ignazio Silone (1 mei 1900 – 22 augustus 1978)

 

 

De Hongaarse schrijver Antal Szerb werd geboren op 1 mei 1901 in Boedapest.

 

Uit: Reise im Mondlicht (Vertaald door Christina Viragh)

 

„Eines Abends, als sie nach dem Theater ins Hotel zurückkehrten, hatte Mihaly das Gefühl, er würde ganz gern noch etwas trinken. Was, das wußte er nicht so genau, am ehesten war ihm nach einem süßen Wein zumute. Er erinnerte sich an den eigenartigen, klassischen Geschmack des Samosweins, den er in Paris, in einer kleinen Weinhandlung in der Rue des Petits Champs 7, oft getrunken hatte, und er überlegte sich, daß Venedig ja schon halbwegs Griechenland war und man bestimmt Wein von Samos oder vielleicht Mavrodaphne bekam, denn mit den italienischen Weinen kannte er sich nicht aus. Er bat Erzsi, allein hinaufzugehen, er komme gleich nach, er wolle nur rasch etwas trinken – wirklich nur ein Glas, sagte er mit gespieltem Ernst, denn Erzsi hatte ihn, ebenfalls scheinernst, zu Mäßigkeit ermahnt, wie es sich für die junge Ehefrau gehört.
Er entfernte sich vom Canal Grande, an dem das Hotel stand, und geriet in die Gassen um die Frezzeria, wo auch jetzt noch viele Leute unterwegs waren, mit der seltsamen Ameisenhaftigkeit, wie sie die Bewohner dieser Stadt charakterisiert. Die Menschen bewegen sich hier immer nur entlang bestimmter Linien, wie die Ameisen, wenn sie den Gartenweg überqueren. Die anderen Gassen bleiben leer. Auch Mihaly hielt sich an eine Ameisenstraße, weil er sich ausrechnete, daß die Bars und Fiaschetterien an den belebten Orten lagen und nicht im unsicheren Halbdunkel der leeren Gassen. Er fand auch zahlreiche Lokale, wo man trinken konnte, aber irgendwie paßte ihm keins. An jedem stimmte etwas mcht. Im einen saßen zu elegante Leute, im anderen zu einfache, und mit keinem konnte er das Getränk, das er suchte, in einen Zusammenhang bringen. Das hatte irgendwie einen heimlicheren Geschmack. Er begann sich einzureden, es gebe in Venedig nur ein einziges Lokal, wo man jenen Wein bekäme, und er müsse den Ort instinktiv finden. So geriet er in die Gäßchen hinein.“

 

Szerb

Antal Szerb [1 mei 1901 – 27 januari 1945)

 

De Poolse schrijver en dichter Alexander Wat werd geboren op 1 mei 1900 in Warschau.

 

Verdoemd

 

Eerst droomde ik van een koffiemolen.

Een heel gewone. Zo’n ouderwetse. Donker koffiekleurig.

 

(Als kind hield ik ervan het dekseltje ope
n te klappen, te kijken en ogenblikkelijk dicht te slaan. Met angst, trillend! Tot mijn tanden klapperden. Het was alsof ik erin werd fijngemalen! Ik heb altijd geweten dat het slecht moest aflopen.)

 

Eerst was er dus een koffiemolen.

Of misschien leek het maar zo, want even later was het al een molen met wieken geworden.

Die molen stond op zee, op de lijn van de horizon, precies in het midden.

De vier wieken draaiden krakend rond. Ze vermaalden vast iemand.

En boven op elke wiek

draaide een equilibrist in wit

mee op de maat van Die lustige Witwe

met zijn linkerhand leunend op de wiek zweefde hij vloeiend,

met zijn voeten in de ether zilveren vlammen slaand.

Daarna doofde hij. De een na de ander. En zou het donker zijn geweest als de maan niet had gebrand.

Maar waar kwamen die nu vandaan? Voltigeuses?! Mijn beminde voltigeuses!

Licht op zware hoewel snelle molenpaarden

galopperen ze achter elkaar en ik zie er talloze,

sommige in plooiende tule, andere blootjes in zwarte zijden kousen,

weer andere in gitten – goudkleurig, turquoise, zwart, en regenboogkleurig,

de lendenen als suiker zo wit! Als tanden! En sterk, ijzersterk, zo sterk!

 

(Als jongen droomde ik van een voltigeuse – alleen een voltigeuse! Een voltigeuse zadelde de grote liefde van mijn leven! Ach! Ik heb er nooit een gekend. En dat is waarschijnlijk beter, want wat was dat voor een paar geweest: een voltigeuse en een boekhouder in de genationaliseerde begrafenisonderneming.)

 

Tja! niets duurt eeuwig. Want een ogenblik later defileerden in plaats van

de voltigeuses de Sabijnsen, in bruidsuitrusting, hoe dan ook veel trivialer,

 

(elf jaar geleden was ik verliefd op een zekere Sabina, gescheiden, maar maakt het uit: het was niet wederkerig).

 

Derhalve geen

ontvoerde Sabijnsen – vervoerende, dat wel. Waarheen?

Waar heen? Kan ik weten waarheen?

Hoe het ook zij – naar het zelfverlies.

 

Ik werd wakker. Ik wist dat het slecht moest eindigen.

 

(Saint-Mandé, juni 1956)

 

 

Vertaald door Gerard Rasch

 

wat

Aleksander Wat (1 mei 1900 – 29 juli 1967)

 

 

Zie voor de vier bovenstaande schrijvers ook mijn blog van 1 mei 2007 en ook mijn blog van 1 mei 2008 en ook mijn blog van 1 mei 2009.

Zie voor nog meer schrijvers van de 1e mei ook mijn vorige blog van vandaag.