Lucille Clifton, Rafael Chirbes, Teju Cole, Paul Laurence Dunbar, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, João Guimarães Rosa, Zsuzsanna Gahse

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

Lorena

it lay in my palm soft and trembled
as a new bird and i thought about
authority and how it always insisted
on itself, how it was master
of the man, how it measured him, never
was ignored or denied, and how it promised
there would be sweetness if it was obeyed
just like the saints do, like the angels
and I opened the window and held out my
uncupped hand; I swear to god
I thought it could fly

 

sorrow song

for the eyes of the children,
the last to melt,
the last to vaporize,
for the lingering
eyes of the children, staring,
the eyes of the children of
buchenwald,
of viet nam and johannesburg,
for the eyes of the children
of nagasaki,
for the eyes of the children
of middle passage,
for cherokee eyes, ethiopian eyes,
russian eyes, american eyes,
for all that remains of the children,
their eyes,
staring at us, amazed to see
the extraordinary evil in
ordinary men.

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)
Cover


De Spaanse schrijver Rafael Chirbes werd geboren op 27 juni 1949 in Tabernes de Valldigna bij Valencia. Zie ook alle tags voor Rafael Chirbes op dit blog

Uit: París-Austerlitz (Vertaald door Eugenie Schoolderman)

“Laat op de avond ging ik naar de Marokkanenbar. Ik was daar vaak samen met hem geweest. Maar nu bevond Michel zich niet meer onder de schaarse gasten die er op dat uur nog bleven drinken. Hij was verhuisd naar een parallelle stad. Vanuit de keuken van mijn woning kon ik de slecht verlichte binnenplaats zien met aan de andere kant, in duisternis gehuld, het raam van de kamer die we hadden gedeeld. Ik probeerde niet aan hem te denken, hoe hij op dat tijdstip in zijn ziekenhuiskamer lag, de naald van het infuus in zijn hand en het zuurstofmasker over zijn gezicht. Ondanks de pijnstillers die hij kreeg – of juist daardoor – had hij last van nachtmerries. Hij zei dat hij werd vastgebonden op zijn bed en werd gedwongen gruwelijke beelden te bekijken op een scherm dat ’s nachts in zijn kamer werd gezet. Hij leed aan hallucinaties. Wat konden ze hem nou laten zien, hij klaagde immers steeds dat hij amper meer iets zag, al heb ik altijd het gevoel gehad dat er wel iets van waarheid school in dat vastbinden. Ik kan me zo voorstellen dat het, zeker in het begin, niet eenvoudig zal zijn geweest om zijn woedeaanvallen in te tomen, en daar komt nog eens bij dat slachtoff ers van de plaag door artsen en verpleegkundigen vaak worden behandeld met een mengeling van afk eer, wreedheid en minachting. We raken allemaal ondersteboven van het raadselachtige verloop van de ziekte, van de heft igheid ervan. We raken allemaal van slag.
Ondanks mijn pogingen om een praatje aan te knopen zei niemand ooit een stom woord. Ze keken wantrouwig naar me, misschien omdat ik daar altijd in spijkerbroek, leren jack of donsjas kwam, terwijl ze me overdag op straat, op de terugweg van mijn werk of in de rij bij de bakker of de groenteboer, altijd in keurige blauwe jas, colbert en stropdas zagen. Zo’n kerel aan wie te horen was dat hij zijn Frans had geleerd op het Lycée français in Madrid, ondersteund door privéles van moedertaalsprekers, en het nog eens had geperfectioneerd op talenscholen in Bordeaux en Lausanne: ze konden het vast niet erg waarderen dat zo iemand in hun café kwam. Ze waren ervan overtuigd dat ik van de narcoticabrigade of van de vreemdelingenpolitie was, een bemoeial die zijn neus graag in stinkende zaakjes stak, waar ze die ook verborgen hielden, of in het gunstigste geval dachten ze dat ik een journalist was of zoiets, iemand die ver van hun wereld af stond, of – nog erger – uit een wereld die op voet van oorlog stond met de hunne.”

Rafael Chirbes (27 juni 194915 augustus 2015)
Cover Italiaanse uitgave


De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver, fotograaf en kunsthistoricus Teju Cole werd geboren op 27 juni 1975 in Kalamazoo, Michigan. Zie ook alle tags voor Teju Cole op dit blog.

Uit: Every Day Is for the Thief

There is a wheedling tone in his voice, and the feeling of desperation one senses about him isn’t helped by his dowdy appearance, brown polyester sweater and brown trousers. A stressed-­out man in stressed-­out clothes. Abdul speaks into the microphone:
—­What can I do? The person who is supposed to sign it is not here. That’s why I said come back at three.
—­Look, look, that’s my ticket. Abdul, come on now, just look at it. It says five o’clock. I can’t miss that flight. I just can’t miss it.
The man continues to plead, thrusting a piece of paper under the glass. Abdul looks at the ticket with showy reluctance and, exasperated, speaks in low tones into the microphone.
—­What can I do? The person is not here. Okay, please go and sit down. I’ll see what can be done. But I can’t promise anything.
The man slinks away, and immediately several others rise from their seats and jostle in front of the window, forms in hand.
—­Please, I need mine quickly too. Abeg, just put it next to his.
Abdul ignores them and calls out the next number in the sequence. Some continue to pace near the window. Others retake their seats. One of them, a young man with a sky-­blue cap, rubs his eye repeatedly. An older man, seated a few rows ahead of me, puts his head into his hands and says out loud, to no one in particular:
—­This should be a time of joy. You know? Going home should be a thing of joy.
Another man, sitting to my right, fills out forms for his children. He informs me that he recently had his passport reissued. I ask him how long it took.
—­Well, normally, it’s four weeks.”

Teju Cole (Kalamazoo, 27 juni 1975)


De Amerikaanse dichter en schrijver Paul Laurence Dunbar werd geboren op 27 juni 1872 in Dayton, Ohio. Zie ook alle tags voor Paul Laurence Dunbar op dit blog.

The Masters

OH, who is the Lord of the land of life,
When hotly goes the fray?
When, fierce we smile in the midst of strife
Then whom shall we obey?
Oh, Love is the Lord of the land of life
Who holds a monarch’s sway;
He wends with wish of maid and wife,
And him you must obey.
Then who is the Lord of the land of life,
At setting of the sun?
Whose word shall sway when Peace is rife
And all the fray is done?
Then Death is the Lord of the land of life,
When your hot race is run.
Meet then his scythe and pruning-knife
When the fray is lost or won.

 

The Poet And The Baby

How’s a man to write a sonnet, can you tell,–
How’s he going to weave the dim, poetic spell,–
When a-toddling on the floor
Is the muse he must adore,
And this muse he loves, not wisely, but too well?

Now, to write a sonnet, every one allows,
One must always be as quiet as a mouse;
But to write one seems to me
Quite superfluous to be,
When you ‘ve got a little sonnet in the house.

Just a dainty little poem, true and fine,
That is full of love and life in every line,
Earnest, delicate, and sweet,
Altogether so complete
That I wonder what’s the use of writing mine.

 

The Pool

By the pool that I see in my dreams, dear love,
I have sat with you time and again;
And listened beneath the dank leaves, dear love,
To the sibilant sound of the rain.

And the pool, it is silvery bright, dear love,
And as pure as the heart of a maid,
As sparkling and dimpling, it darkles and shines
In the depths of the heart of the glade.

But, oh, I ‘ve a wish in my soul, dear love,
(The wish of a dreamer, it seems,)
That I might wash free of my sins, dear love,
In the pool that I see in my dreams.

Paul Laurence Dunbar (27 juni 1872 – 9 februari 1906)
Standbeeld in Chicago


De Nederlandse schrijver en dichter Everhardus Johannes Potgieter werd geboren in Zwolle op 27 juni 1808. Zie ook alle tags voor Potgieter op dit blog.

Heugenis van Zandvoort (Fragment)

Het vurig tweespan, dat de wagen
voor ’t badhuis uit het stof deed dagen,
stond nauw onwillig stil
of hoff’lijk voerde van de trede
de jonge man zijn gade mede,
gedost naar modes laatste gril;
had zich de schone les zien geven
een trap bevallig op te zweven?
Het viel niet sierlijker te doen;
hoe jammer dat tot prettig praten
noch hem noch haar lectuur mocht baten!
Toen op het klein terras zij zaten,
van zoete kout zelfs geen vermoên.
’t Was ’t alledaagse: ‘Hebt ge ook hinder
van tocht?’ ‘Heel weinig, hier nog minder.’
En straks: ‘Hoe lastig is die zon!’
Een pauze… Jan brak ze af. ‘Niet helder,’
was ’t water, en ‘niet koel de kelder,’
‘Fi donc! coupé,’ bleek haar bouillon.

Al wand’lend aan de voet der duinen
verdroten hen de witte kruinen
dier ‘lege, lege zee!’
Noch in de scheem’ring van die kolken,
noch op de lichte zoom dier wolken
ging hun verbeelding mijm’rend mee!
In schrik bezweem ’t verveelziek staren,
daar rees een hoofd, met blonde haren,
eens jonglings borstbeeld uit de baren:
hoe fier die worst’laar overwon!
En toch door breder reeks van golven
met blinkend schuim al was bedolven,
eer kiesheid zelve blozen kon!
Nee, vraag niet of zij zich vermeiden
de tinten-grenslijn te onderscheiden
van hemel en van oceaan,
om in een stip een schip te ontdekken,
dat zoete fantasie zal wekken,
reeds zijn ze ’t huis weer doorgegaan.

Potgieter (27 juni 1808 – 3 februari 1875)
Cover


De Nederlandse dichter Kees Ouwens werd geboren op 27 juni 1944 in Zeist. Zie ook alle tags voor Kees Ouwens op dit blog.

De ontdekking

Op een zomeravond, dat ik onder oude eiken liep,
de handen genoeglijk in de zakken genesteld had,
wierp ik de voeten naar voren, ten teken
dat ik liep.
Ik liep onder oud gebladerte en, hoewel alleen,
ik voelde mij niet eenzaam.

Want, klein dier, gij liept immers met mij, de warmte uit
uw zachte pels steeg tot mij op, en gij waart,
ik zag het overduidelijk, tevreden met het verloop
van mijn voetenwerk over deze weerbarstige aarde.

En van vreugde dit ontdekt te hebben, kneep ik
mijn roede – want liefde is niet blind – en
toonde mij uitgelaten.

 

Het poesje

Op deze stille zomeravond, dat de zon in modieuze kleuren onderging,
dat ik naar een trage rivier verlangde
waarover zich nederig twijghout buigt,
en aan welks oever een zuiver loofwoud zich verheft,
sprong een speels en breekbaar poesje op mijn gulp
en ik dacht:
Heden kwam zij thuis in een glanzende automobiel
en haar gelaat was lijnwaad.
Toen zij lachte zag ik dat haar tanden wit waren.
Zó wit, dacht ik, zó wit zijn haar tanden.

 

Een mondvol kersen

Na het veld der zelfbevrediging verlaten te hebben, begaf ik
mij in een vervallen woning.
Hoewel het er donker was, wist ik mij omringd door voor-
werpen.
Ik noemde ze alle bij de naam en noemde dat Informatie.
Vervolgens begaf ik mij naar buiten, tot aan een oude wa-
terput,
waarboven ik, met een mondvol kersen, schreide over de
ontmoedigende waarschijnlijkheid van mijn Verhouding tot
de Dingen.

Kees Ouwens (27 juni 1944 – 24 augustus 2004)


De Canadese dichter, singer-songwriter, performer en sociale activist. Dawud (David) Wharnsby Ali werd geboren op 27 juni 1972 in Kitchener, Ontario. Zie ook alle tags voor Dawud Wharnsby op dit blog.

A Whisper of Peace (Reprise)

In the name of God, the Most Gracious, the Most Merciful
By (the Token of) Time (through the ages),
Verily Mankind is in loss,
Except those who have Faith, and do righteous deeds,
And (join together) in the mutual teaching of Truth,
And of Patience and Constancy.

A whisper of peace
Moving through the land,
Allah will surely run to us
If we hold out our hand.
A word of hope,
A call to every woman and man,
A light until the end of time,
This is our Islam.

A whisper of peace
Moving through the land,
Allah will surely run to us
But do we understand?
A word of hope,
A call to every woman and man,
A light until the end of time,
Is this our Islam?

A whisper of peace
Moving through the land,
Allah will surely run to us
But do we understand?
A word of hope,
A call to every woman and man,
A light until the end of time,
Is this our Islam?

A whisper of peace
Moving through the land,
Allah will surely run to us
But do we understand?
A word of hope,
A call to every woman and man,
A light until the end of time,
Is this just a waste of rhyme?
What if we run out of time?
Is this our Islam?

Dawud Wharnsby (Kitchener, 27 juni 1972)


De Braziliaanse schrijver João Guimarães Rosa werd geboren op 27 juni 1908 in Cordisburgo, Minas Gerais. Zie ook alle tags voor João Guimarães Rosa op dit blog.

Uit: The Devil To Pay In The Backlands (Vertaald door James L. Taylor en Harriet de Onís)

“I thank you again. All right, then, there is no devil. And no spirits. I never saw any. And if anybody was to see one, it should be me, your humble servant. If I was to tell you… So, the devil rules his black kingdom, in animals, in men, in women. Even in children, I say. For isn’t there a saying: “A child – spawn of the devil?” And in things, in plants, in waters, in the earth, in the wind… “The devil in the street, in the middle of the whirlwind.”
What? Ah, yes. Just an idea of mine, memories of things worse than bad. It’s not that it hurts me to talk about them. It’s better, it relieves me. Look here: in the same ground, and with branches and leaves of the same shape, doesn’t the sweet cassava, which we eat, grow and the bitter cassava, which kills? Now the strange thing is that the sweet cassava can turn poisonous – why, I don’t know. Some say it is from being replanted over in the same soil, from cuttings – it grows more and more bitter and then poisonous. But the other, the bitter cassava, sometimes changes too, and for no reason turns sweet and edible. How do you account for that? And have you ever seen the ugliness of glaring hate in the eyes of a rattlesnake? Or a fat hog, happier every day in its brutishness, that would gladly swallow the whole world if it could, for its filthy satisfaction? And some hawks and crows – just the look of them shows their need to slash and tear with that beak honed sharp by evil desire. There are even breeds of twisted, horrible, rocks, that poison the water in a well, if they lie at the bottom of it. The devil sleeps in them. Did you know that? And the devil – which is the only way you can call a malign spirit – by whose orders and by what right does he goes around doing as he damn well pleases? Mixed up in everything, he is.
What wears him out, little by little, the devil inside folks, is suffering wisely. Also the joy of love – so say my compadre Quelemém. The family. Is that the thing? It is and it isn´t. Everything is and isn´t . The most ferocious criminal, of the worst kind, is often a good husband, a good son, a god father, a good friend of his friends. I´ve known some like that. Only, there is the hereafter – and God too. Many´s the cloud I´ve seen.”

João Guimarães Rosa (27 juni 1908 – 19 november 1967)


De Duitse dichteres, schrijfster en vertaalster Zsuzsanna Gahse werd op 27 juni 1946 in Boedapest geboren. Zie ook alle tags voor Zsuzsanna Gahse op dit blog.

Höhenmeter

Der Berghang, der jetzt auf mich zukommt, könnte meine
Stimme entweder verschlucken oder sie zurückschlagen. Wenn
er sie zurückschlägt, wird mehr aus der Stimme, doppelt oder
viermal so viel, und weil der Hang jetzt immer näher rückt,
schweige ich sicherheitshalber eine Weile.

Seit einigen Jahren möchte ich alles so sehen, wie es ist, so dass
ich nicht versuche, jedes Ding mit etwas Bekanntem zu
vergleichen.

Das Gebirge ist wirklich das Gebirge, der Berg ist der Berg, der
Hügel ein Hügel und nichts sonst, niemand braucht rot zu
werden, Hintergründiges ist nicht gemeint.

Das Tal ist in der Tat das Tal, schön hinzuschauen. Jetzt fahre
ich seit fast einer Stunde in einer Gondel von Celerina nach
Marguns hinauf, wieder zurück, schaue mich um und sehe, dass
ich fahre.

Bisher habe ich nie versucht, so zu hören, wie ich zu sehen
versuche. Sicher kam es zwischendurch vor, dass ich richtig
hingehört habe, aber versucht habe ich das nicht, manchmal

ist es mir zufällig gelungen, ohne zu merken, dass es mir
gelungen war, und jetzt, in der Gondel, hier bin ich
einigermaßen abgeschottet, höre nur die lauten Kuhglocken
unter mir

am Hang, hier frage ich mich in einer mir nach wie vor
fremden Landschaft, was mit der Stimme in den Bergen
passiert.

Der Berghang, der jetzt auf mich zukommt, könnte die Stimme
verschlucken. Falls er sie aber zurückwirft, verdoppelt sich die
Stimme vielleicht.

Zsuzsanna Gahse (Boedapest, 27 juni 1946)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juni ook mijn blog van 27 juni 2016 en eveneens mijn blog van 27 juni 2015 deel 2.

Lucille Clifton, Rafael Chirbes, Teju Cole, Frank O’,Hara, Paul Laurence Dunbar, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, João Guimarães Rosa

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

It Was A Dream

in which my greater self
rose up before me
accusing me of my life
with her extra finger
whirling in a gyre of rage
at what my days had come to.
what,
i pleaded with her, could i do,
oh what could i have done?
and she twisted her wild hair
and sparked her wild eyes
and screamed as long as
i could hear her
This. This. This.

 

The Mississippi River Empties Into The Gulf

and the gulf enters the sea and so forth,
none of them emptying anything,
all of them carrying yesterday
forever on their white tipped backs,
all of them dragging forward tomorrow.
it is the great circulation
of the earth’s body, like the blood
of the gods, this river in which the past
is always flowing. every water
is the same water coming round.
everyday someone is standing on the edge
of this river, staring into time,
whispering mistakenly:
only here. only now.

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

De Spaanse schrijver Rafael Chirbes werd geboren op 27 juni 1949 in Tabernes de Valldigna bij Valencia. Zie ook alle tags voor Rafael Chirbes op dit blog

Uit: Der lange Marsch (Vertaald door Antje Kunstmann)

„Die blauen Augen waren jedoch von gleicher Lebendigkeit, obwohl die des Vaters eingesunken und, umgeben vom Saum dünner Wimpern, in die Feuchtigkeit des Tränensekrets getaucht waren, vielleicht aber gerade deshalb mit größerer Intensität zu glänzen schienen. Beide Körper strahlten eine unmäßige, fast rohe Kraft aus. Die machte sich in der Stimme des Jüngeren Luft, als in der Tür, die den Rest des Hauses mit der Küche verband, ein barfüßiges Kind in einem grün-weiß gestreiften Schlafanzug erschien. »Ich hab dir doch gesagt, daß ich dich hier nicht sehen will, Lolo. Du gehst jetzt sofort ins Bett und bleibst da, bis es Zeit ist, zur Schule zu gehen«, sagte der Mann. Der Junge kam nicht dazu, ein Wort zu sagen, obwohl er den Mund schon geöffnet hatte. Er machte kehrt und tauchte in die Dunkelheit des Ganges ein. Sein Erschei-nen hatte das Bild vom Vergehen der Zeit abgerundet. Denn das Gesicht war das der beiden Männer, vor vie-len Jahren gesehen. Die drei Lebensalter. »Und Sie soll-ten sich auch hinlegen, Vater«, fuhr der junge Mann, nun in einem anderen Ton, fort. Der Alte machte kei-nerlei Anstalten zu antworten. Er führte die Zigarette an die Lippen, nahm einen tiefen Zug, stieß eine Rauch-wolke aus und griff dann mit der rechten Hand das Kaffeeglas und trank einen Schluck Der Kaffee im Glas dampfte. Die Gegenstände erschienen verzerrt im Wechselspiel von Licht und Schatten, das vom Kamin-feuer ausging, und dann und wann, wenn die Flammen an den feuchten Scheiten leckten, war ein Pfeifen zu hören und, ebenfalls nah, das Tosen des Wildbachs. Es war noch stockfinster; Wahrscheinlich brannten in kei-nem anderen Haus in Hz die Lichter. Und vermutlich liefen in dieser Nacht nicht einmal die herrenlose Tiere über die vom winterlichen Sturm gepeitschten Straßen und das Grenzgebiet zwischen dem Wald und den ab-seits liegenden Häusern, die nichts als eine Schatten-masse unter dem mondlosen Himmel waren.“

Rafael Chirbes (27 juni 194915 augustus 2015)

 

De Nigeriaans-Amerikaanse schrijver, fotograaf en kunsthistoricus Teju Cole werd geboren op 27 juni 1975 in Kalamazoo, Michigan. Zie ook alle tags voor Teju Cole op dit blog.

Uit: Every Day Is for the Thief

“I wake up late the morning I’m meant to go to the consulate. As I gather my documents just before setting out, I call the hospital to remind them I won’t be in until the afternoon. Then I enter the subway and make my way over to Second Avenue and, without much trouble, find the consulate. It occupies several floors of a skyscraper. A windowless room on the eighth floor serves as the section for consular services. Most of the people there on the Monday morning of my visit are Nigerians, almost all of them middle-­aged. The men are bald, the women elaborately coiffed, and there are twice as many men as there are women. But there are also unexpected faces: a tall Italian-­looking man, a girl of East Asian origin, other Africans. Each person takes a number from a red machine as they enter the dingy room. The carpet is dirty, of the indeterminate color shared by all carpets in public places. A wall-­mounted television plays a news program through a haze of static. The news continues for a short while, then there is a broadcast of a football match between Enyimba and a Tunisian club. The people in the room fill out forms.
There are as many blue American passports in sight as green Nigerian ones. Most of the people can be set into one of three categories: new citizens of the United States, dual citizens of the United States and Nigeria, and citizens of Nigeria who are taking their American children home for the first time. I am one of the dual citizens, and I am there to have a new Nigerian passport issued. My number is called after twenty minutes. Approaching the window with my forms, I make the same supplicant gesture I have observed in others. The brusque young man seated behind the glass asks if I have the money order. No, I don’t, I say. I had hoped cash would be acceptable. He points to a sign pasted on the glass: “No cash please, money orders only.” He has a name tag on. The fee for a new passport is eighty-­five dollars, as indicated on the website of the consulate, but it hadn’t been clear that they don’t accept cash. I leave the building, walk to Grand Central Terminal, fifteen minutes away, stand in line, purchase a money order, and walk the fifteen minutes back. It is cold outside. On my return some forty minutes later, the waiting room is full. I take a new number, make out the money order to the consulate, and wait.
A small group has gathered around the service window. One man begs audibly when he is told to come back at three to pick up his passport:
—­ Abdul, I have a flight at five, please now. I’ve got to get back to Boston, please, can anything be done?”

Teju Cole (Kalamazoo, 27 juni 1975)

 

De Amerikaanse dichter, schrijver en kunstcriticus Francis Russell “Frank” O’Hara werd geboren op 27 maart 1926 in Baltimore. Zie ook alle tags voor Frank O’Hara op dit blog.

Call Me

The eager note on my door said “Call me,”
call when you get in!” so I quickly threw
a few tangerines into my overnight bag,
straightened my eyelids and shoulders, and

headed straight for the door. It was autumn
by the time I got around the corner, oh all
unwilling to be either pertinent or bemused, but
the leaves were brighter than grass on the sidewalk!

Funny, I thought, that the lights are on this late
and the hall door open; still up at this hour, a
champion jai-alai player like himself? Oh fie!
for shame! What a host, so zealous! And he was

there in the hall, flat on a sheet of blood that
ran down the stairs. I did appreciate it. There are few
hosts who so thoroughly prepare to greet a guest
only casually invited, and that several months ago
.

 

Song (Is It Dirty)

Is it dirty
does it look dirty
that’s what you think of in the city

does it just seem dirty
that’s what you think of in the city
you don’t refuse to breathe do you

someone comes along with a very bad character
he seems attractive. is he really. yes. very
he’s attractive as his character is bad. is it. yes

that’s what you think of in the city
run your finger along your no-moss mind
that’s not a thought that’s soot

and you take a lot of dirt off someone
is the character less bad. no. it improves constantly
you don’t refuse to breathe do you

Frank O’Hara (27 maart 1926 – 25 juli 1966)

 

De Amerikaanse dichter en schrijver Paul Laurence Dunbar werd geboren op 27 juni 1872 in Dayton, Ohio. Zie ook alle tags voor Paul Laurence Dunbar op dit blog.

De Way T’Ings Come

De way t’ings come, hit seems to me,
Is des’ one monst’ous mystery;
De way hit seem to strike a man,
Dey ain’t no sense, dey ain’t no plan;
Ef trouble sta’ts a pilin’ down,
It ain’t no use to rage er frown,
It ain’t no use to strive er pray,
Hit’s mortal boun’ to come dat way.

Now, ef you ’s hongry, an’ yo’ plate
Des’ keep on sayin’ to you, ‘Wait,’
Don’t mek no diffunce how you feel,
‘T won’t do no good to hunt a meal,
Fu’ dat ah meal des’ boun’ to hide
Ontwell de devil’s satisfied,
An’ ‘twell dey’s some’p’n by to cyave
You ’s got to ease yo’se’f an’ sta’ve.

But ef dey ’s co’n meal on de she’f
You need n’t bothah ‘roun’ yo’se’f,
Somebody’s boun’ to amble in
An’ ‘vite you to dey co’n meal bin;
An’ ef you ’s stuffed up to be froat
Wid co’n er middlin’, fowl er shoat,
Des’ look out an’ you ‘ll see fu’ sho
A ‘possum faint befo’ yo’ do’.

De way t’ings happen, huhuh, chile,
Dis worl’ ’s done puzzled me one w’ile;
I ’s mighty skeered I ‘ll fall in doubt,
I des’ won’t try to reason out
De reason why folks strive an’ plan
A dinnah fu’ a full-fed man,
An’ shet de do’ an’ cross de street
F’om one dat raaly needs to eat.

Paul Laurence Dunbar (27 juni 1872 – 9 februari 1906)
Affiche voor een documentaire

 

De Nederlandse schrijver Everhardus Johannes Potgieter werd geboren in Zwolle op 27 juni 1808. Zie ook alle tags voor Potgieter op dit blog.

Uit: Een dag te Kleef

“Een goedhartig maar medelijdend glimlachje, ziedaar wat u wacht, wanneer gij er voor uitkomt, dat ge de weinige zomerdagen, welke ter uwer beschikking stonden, met genoegen te Kleef hebt doorgebragt; dat gij uwen viertijd in de omstreken van het stadje waarlijk genoot. „Kleef,” klinkt het; – maar van welk tal van teekens de drukkerij voorzien moge zijn, dat ondeugend middending tusschen vraag en verbazing, ’t welk ieder uwer bekenden zich veroorlooft er achter te zetten, ontbreekt haar, – „Kleef,” en de toon, waarop het woord wordt uitgesproken, heeft beurtelings iets van een verwijt of van beklag, „Kleef.” Hagchelijk oogenblik, waarin het aan het licht komt, of en hoe ge u hebt vermaakt, – wie van beiden aanvaller of verweerder, niet den zuiversten zin voor het schoon der natuur blijkt begaafd. Het geldt hier minder den toets van hen, bij wie het met deze ook niet breed staat geschapen, zij die aan de villeggiatura maar mededoen, omdat zij tot de mode du grand monde behoort, die op den schoonsten zomeravond eene operazaal in de buurt eene alleraardigste ressource heeten, helaas! zoo zijn er, maar die gaan niet naar „Kleef.” Het geldt hier, ach! zoo zijn er ook, zijn er velen, hen, die eenige sporten lager geplaatst op den ladder der beschaving, beweert men, op dien der fortuin zouden wij er willen bijvoegen, zich verbeelden door zulk een stappen over de grenzen in Duitschland, te zijn geweest, die bij Maywald niet louter het onvergelijkelijk uitzigt van het terras, die er ook den toon, en wel niet alleen: dien der eeuwige muzijk prijzen, die dweepen met het Schützen-Bal, – hola! Wat ter wereld zou ons echter het regt verleenen om u onder die schare te schikken, welke, zegt zij, voor iederen gulden, dien zij daar uitgeeft, er voor drie pret heeft; het is er pret naar! wat zou ons de bevoegdheid geven u bij hen te tellen, die afdeinzen, die inkrimpen, die Kleef verloochenen als hun voorname vriend van zijne verre togten ophaalt, zelfs den moed missende hem te vragen, of hij zich op deze wijzer gedroeg dan zij op den hunnen. Liever stellen wij u ons voor, ondanks het verkeer in het gewoel van velerlei wereld zoo eenvoudig van harte gebleven, als vereischt wordt om in vollen zin het leven op het land te smaken, maar tevens schalk genoeg om met het geduldigste gezigt dat goedhartig glimlachje te verdragen, tot de overmoed ten val voert. „Tien dage in Kleef,” hoort gij en laat gij in éénen adem zeggen: „maar amice! in tien dagen hadt ge Belgie, hadt ge den Rhijn, hadt ge Ems, Wiesbaden, hadt gij de Saxische Schweitz kunnen zien,” en lacht op uwe beurt en herneemt: „Af-, op- en overvliegen, meent ge; minus het genot van den vogel, de vrije lucht!” inderdaad, gij hadt regt, maar naar Kleef te gaan.”

Potgieter (27 juni 1808 – 3 februari 1875)
Kleef

 

De Nederlandse dichter Kees Ouwens werd geboren op 27 juni 1944 in Zeist. Zie ook alle tags voor Kees Ouwens op dit blog.

Treur niet…

treur niet, late lichtval, als uw gemis
omgloeit de ranke stammen der dennen en
doet blozen hun schubben onder uw streling
uw ophef baart het oog en schokt zijn aanleunen
als een ladder aan de gevel, zoals een aanpassing het
dwalen liet tot de kunstgreep verslapt, zich afleert de
gewenning de eerste beginselen, toen het wendde zijn blik
toe naar uw keervloed maar zich bevond in uw aftocht

leger maakt het uur des inziens u dan de droogste lucht
in een beweging uw toevluchtshoek in zonder een spoor van
resten

beween niet, schuldeloos licht, uw getuige als strijkt
uit uw opzicht uw verving de vanen van heugenis uit over
het oog dat herleidt, merkend uw intocht tot de gang
terug en uw eenzaamheid reddend van
vereenzaming

 

De stervende natuur

Wanneer de bladeren vallen en, meegevoerd door de wind,
over de straten dwalen, is de winter
nabij. Het zal weldra koud zijn en niets zal
meer herinneren aan de frivole dagen van
weleer.
Wel zie ik nog, ver weg,
mijn moeder in de badkuip zitten,
het haar opgebonden in een handdoek,
en ik hoor haar ondeugende
liederen, die zich met de stoom vermengen,
maar dat is reeds lang geleden.

Zij zal nu eveneens koud zijn
en ingevroren in de huiselijke zorgen.
Want tegenwoordig, men weet het, wil geen kruidenier meer borgen
en het slachten van eigen kind doet aan het
hart zo pijn.

Als de bladeren vallen en, meegevoerd door de wind,
in een troebele vijver belanden, sta ik daar
en zie het droevig aan en denk
hoe gelukkig het is, het schreien nog
niet verleerd te zijn.

Mijn bleke, opgeheven hand troost de stervende natuur
en een tor, staalblauw, kruipt langs mijn schoen.

Kees Ouwens (27 juni 1944 – 24 augustus 2004)

 

De Canadese dichter, singer-songwriter, performer en sociale activist. Dawud (David) Wharnsby Ali werd geboren op 27 juni 1972 in Kitchener, Ontario. Zie ook alle tags voor Dawud Wharnsby op dit blog.

Little Bird

Little Bird, where has your mother gone?
Why are you here all alone?
Little bird where is your nest?
Why are you so far from all the rest?
Allah knows the language you speak.
And Allah can lift you high.
Allah can bring you home again,
For Allah is stronger than I,
Allah is stronger than I.

Little Bird, I wish I could
Understand the words you speak.
I wish that you could spend the day with me,
We could sit and chat as you perch upon my knee.
Allah knows the language you speak.
And Allah can lift you high.
Allah can bring you home again,
For Allah is stronger than I,
Allah is stronger than I.

Little Bird, I’d love to take you home.
Little Bird, your eyes enchant me so.
Smiling moons in the dark night sky,
I wish that I could lift you up to fly
Allah knows the language you speak.
And Allah can lift you high.
Allah can bring you home again,
For Allah is stronger than I,
Allah is stronger than I.

I’ll tell you a secret my Little Bird,
Sometimes I feel alone just like you.
But we should always know, Allah is nearby,
To hear each word we pray and kiss each tear we cry.
Allah knows the language we speak
And Allah will lift us high
Allah will bring us home again
For Allah is stronger than you and I
Allah is stronger than I
Allah will bring us home again
For Allah is stronger than you and I
Allah is stronger than I.

Dawud Wharnsby (Kitchener, 27 juni 1972)


De Braziliaanse schrijver João Guimarães Rosa werd geboren op 27 juni 1908 in Cordisburgo, Minas Gerais. Zie ook alle tags voor João Guimarães Rosa op dit blog.

Uit: The Devil To Pay In The Backlands (Vertaald door James L. Taylor en Harriet de Onís)

“But tell me, when it comes to being possessed of a devil, or helped by one, you too must have known of cases – men – women? Isn’t that so? As for me, I’ve seen so many that I learned to spot them: Rincha-Mãe, Sangue-d’outro, Muitos-Beiços, Rasga-em-Baixo, Faca-Fria, Fancho-Bode, a certain Treciziano, Azinhavre, Hermógenes – a whole herd of them. If I could only forget so many names… I’m not a horse wrangler. And besides, anyone who fools around with the notion of becoming a jagunço, as I did, is already opening the door to thedevil. Yes? No?
In my early days, I tried my hand at this and that, but as for thinking, I just didn’t. Didn’t have time. I was like a live fish on a griddle – when you’re hard-pressed you waste no time in day-dreams. But now, with time on my hands and no special worries, I can lie in my hammock and speculate. Does the devil exist, or doesn’t he? That’s what I’d like to know. I give up. Look: there is such a thing as a waterfall, isn’t there? Yes, but a waterfall is only a high bank water tumbling over the edge. Take away the water, or level the bank – what becomes of the waterfall? Living is a very dangerous business…
Let me try to explain: when the devil is inside a man, in his guts, the man is either evil or suffers bad luck.
But, on his own, a man as such has no devil in him. Not one! Do you agree? Tell me frankly – you’ll be doing me a great favor, and I ask it of you from my heart. This matter, however foolish it may seem, is important to me. I wish it wasn’t. But don’t tell me that a wise and learned person like you, sir, believes in the devil! You don’t? I thank you. Your opinion reassures me. I knew you felt that way – I expected you would – I give you credit for it. Ah! When a man is old he needs to rest easy.

João Guimarães Rosa (27 juni 1908 – 19 november 1967)
Cover Braziliaanse uitgave

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 27e juni ook mijn blog van 27 juni 2016 en eveneens mijn blog van 27 juni 2015 deel 2.

Lucille Clifton, Rafael Chirbes, Teju Cole, Frank O’Hara, Paul Laurence Dunbar, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, João Guimarães Rosa

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

Shapeshifter Poems

1
the legend is whispered
in the women’s tent
how the moon when she rises
full
follows some men into themselves
and changes them there
the season is short
but dreadful shapeshifters
they wear strange hands
they walk through the houses
at night their daughters
do not know them

2
who is there to protect her
from the hands of the father
not the windows which see and
say nothing not the moon
that awful eye not the woman
she will become with her
scarred tongue who who who the owl
laments into the evening who
will protect her this prettylittlegirl

Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

 

Doorgaan met het lezen van “Lucille Clifton, Rafael Chirbes, Teju Cole, Frank O’Hara, Paul Laurence Dunbar, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, João Guimarães Rosa”

Lucille Clifton, Rafael Chirbes, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, Zsuzsanna Gahse, João Guimarães Rosa

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Lucille Clifton werd geboren in New York op 27 juni 1936. Zie ook alle tags voor Lucille Clifton op dit blog.

Miss Rosie

when I watch you
wrapped up like garbage
sitting, surrounded by the smell
of too old potato peels
or
when I watch you
in your old man’s shoes
with the little toe cut out
sitting, waiting for your mind
like next week’s grocery
I say
when I watch you
you wet brown bag of a woman
who used to be the best looking gal in Georgia
used to be called the Georgia Rose
I stand up
through your destruction
I stand up

 

Wishes For Sons

i wish them cramps.
i wish them a strange town
and the last tampon.
I wish them no 7-11.

i wish them one week early
and wearing a white skirt.
i wish them one week late.

later i wish them hot flashes
and clots like you
wouldn’t believe. let the
flashes come when they
meet someone special.
let the clots come
when they want to.

let them think they have accepted
arrogance in the universe,
then bring them to gynecologists
not unlike themselves.

 
Lucille Clifton (27 juni 1936 – 13 februari 2010)

Doorgaan met het lezen van “Lucille Clifton, Rafael Chirbes, E. J. Potgieter, Kees Ouwens, Dawud Wharnsby, Zsuzsanna Gahse, João Guimarães Rosa”

Catherine Cookson, Marcus Jensen, João Guimarães Rosa, Gaston Bachelard, James Woodforde, Helen Keller

De Engelse schrijfster Catherine Cookson (pseudoniem van Kate McMullen) werd geboren in Tyne Dock, County Durham op 27 juni 1906. Zie ook alle tags voor Catherine Cookson op dit blog.

Uit: Kate Hannigan’s Girl

“‘Well, don’t get so mad, you asked me to tell you. She said it wasn’t a real marriage because you are Catholics, and it was in a registry office, and the priest said that in the sight of God and all Catholics they are living in sin. That’s what she said.’
‘0h, she’s wicked…wicked, wicked! They are married. What else did she say?’ Annie demanded, her eyes wide.
‘She said…Oh, it doesn’t matter.’
‘It does! It does! What did she say?’ There was the urgency of self-torture in her voice; she knew quite well what Cathleen had said, but she must hear it aloud.
‘Well, it doesn’t matter two hoots to me, you know, but she said you hadn’t got a da either. She said Kate — your mother — had never been married.’
Annie had never ridden so hard in her life, and when she reached the gate to the wood the perspiration was running down her face. When Brian had attempted to ride with her she had pushed him so hard that he saved himself from falling only by dismounting, and she had pedalled away like a wild thing.
Inside the gate and out of sight of the road, she flung her cycle on to the grass and ran, stumbling and crying, along the path through the wood…Oh, Cathleen Davidson, you wicked, wicked thing! Oh, how could you tell Brian! That’s why some of the girls in the convent school had cut her. And everybody would know now. The nuns would know…Sister Ann…Sister Ann would know. Oh, Cathleen Davidson, I hate you! I don’t care if it is a sin, I do hate her. And Mam is married, she is!…”

 
Catherine Cookson (27 juni 1906 – 11 juni 1998)

Doorgaan met het lezen van “Catherine Cookson, Marcus Jensen, João Guimarães Rosa, Gaston Bachelard, James Woodforde, Helen Keller”

Zsuzsanna Gahse, João Guimarães Rosa, Catherine Cookson, Gaston Bachelard, James Woodforde, Helen Keller

 De Duitse schrijfster en vertaalster Zsuzsanna Gahse werd op 27 juni 1946 in Boedapest geboren. Zie ook mijn blog van 27 juni 2007 en ook mijn blog van 27 juni 2008 en ook mijn blog van 27 juni 2009 en ook mijn blog van 27 juni 2010.

 

DRITTER WÜRFEL

1.
Schon mit Siebzehn war er auf dem Schiff, fing
als Schiffsjunge an, war bald braun gebrannt,
auf dem Kopf eine Schildmütze, und die
Uniformhose trug er ohne Hemd,
sobald es warm war, im Sommer immer.
Am Landungssteg – wobei das Schiff ständig
zu halten hatte – warf er die Taue,
und man sah seinen Rücken, den schönen
glatten Rücken, die Schulterblätter in
Bewegung. Gleich darauf drehte er sich

2.
um, schaute einen mit braunen Augen
an und sagte, aussteigen bitte. Den
Sommer lang jede Viertelstunde die
dicken Taue werfen, ziehen, um die
Poller wickeln, warten, weiterfahren,
in die Sonne schauen oder tief ins
Wasser und unabhängig bleiben. Die
älteren Matrosen mochten ihn auch.
Der Stefan, sagten sie, der Junge bringt
es noch weit, und er kam bis zum Schwarzen

3.
Meer, dann war er verschollen

 

Uit: Instabile Texte. zu zweit

Gestern: Licht, heute: Licht, morgen: Licht. Eine ganz eindeutige Zugehörigkeit hat das Licht,
es gehört dem Tag.
Alle Augen glänzen, alle Leute haben Haut am Sommerabend, und die Hauswände,
die Markisen, die Tische, die Gläser, die künstlichen Kakteen haben sich
vollgetrunken mit dem rotorangenen Abend, der flach und groß aus dem See steigt.
Es ist gleich neunzehn Uhr, und ich weiß, dass die Leute, die auf der Straße und am
Seeufer in Richtung Westen gehen, ein auffallendes Liebeslicht in ihren Gesichtern
haben, bis weit nach neun Uhr abends.

 

Zsuzsanna Gahse (Boedapest, 27 juni 1946)

Doorgaan met het lezen van “Zsuzsanna Gahse, João Guimarães Rosa, Catherine Cookson, Gaston Bachelard, James Woodforde, Helen Keller”

Zsuzsanna Gahse, João Guimarães Rosa, Catherine Cookson, Gaston Bachelard, James Woodforde, Helen Keller

De Duitse schrijfster en vertaalster Zsuzsanna Gahse werd op 27 juni 1946 in Boedapest geboren. Zie ook mijn blog van 27 juni 2007 en ook mijn blog van 27 juni 2008 en ook mijn blog van 27 juni 2009.

Uit: Nachher klappt es aber

 

„Die viel gerühmten guten und schlechten Nachrichten betreffen auch die Sprache, vielleicht sogar sie am ehesten (da doch solche Nachrichten nur mit Hilfe der Sprache mitgeteilt werden können).

Zuerst die schlechte Nachricht: Keine einzige Sprache kann alles ausdrücken.

Immer wieder verzweifelt man schier, weil man etwas Besonderes sagen möchte, aber es klappt nicht. Wörter fehlen, der richtige Satz fehlt, und nun geht die Suche los, die Untersuchung aller Wörter, die Versuchung, den erwünschten Satz einfach wieder aufzugeben, aber zum Schluss fällt einem (hoffentlich) ein halbwegs gutes neues Wort ein.

Damit ist schon gesagt, dass selbst die schlechte Nachricht positiv ist, denn die Sprache ist klug, erfinderisch, sie nähert sich gerne den Ideen der Redenden und lässt sich verändern. Und die von vornherein gute Nachricht ist, dass unsere oft als spröd bezeichnete deutsche Sprache, der man Kopflastigkeit und Kälte nachsagt, in Wirklichkeit elastisch ist, zudem ist sie lautmalerisch, bis hinein in ihre Welt der Buchstaben.

Das Wort kahl ist wirklich kahl, öd ist wirklich öd, rot ist rot und hängt mit rösten zusammen, das spürt jeder, auch wenn er nicht daran denkt.

Wimmern, winseln, quieken sind einleuchtende Beispiele für die Lautmalerei; drei Beispiele aus einer endlos langen Reihe. Auch stur ist ein gutes Wort, weil da förmlich zu sehen ist, wie sich jemand bockig sträubt, um nicht viel denken zu müssen.

Stur also. Und stehen, stecken, starren, Stock, Stapel, stellen, stumm; bei jedem einzelnen ST-Wort stolpert und stockt die Bewegung, man hört es, spürt es auch im Mund. Dieses ST ist ein gelungener alter Doppellaut, der nie korrigiert werden musste und der ein uraltes indogermanisches (indoeuropäisches) Grundgefühl transportiert. Er taucht auch im italienischen stare auf, im englischen to stay, im russischen stajatj.“

 

 

gahse

Zsuzsanna Gahse (Boedapest, 27 juni 1946)

 

 

De Braziliaanse schrijver João Guimarães Rosa werd geboren op 27 juni 1908 in Cordisburgo, Minas Gerais. Zie ook mijn blog van 27 juni 2009.

 

Uit: The Audacious Mariner (Vertaald door J.L. Taylor en Harriet De Onis)

 

„The Aldacious Mariner, he did infirmly go off to discover the other places. He went in a ship, and skulduggery, too. He went on his own. The places were far-off, and the sea. The Aldacious Mariner at first missed his mother, his brothers and sisters, his father. He didn’t cry. He did duly have to go. He said: — ‘Will you forget me?’ His ship, the day came for it to leave. The Aldacious Mariner stood waving his white handkerchief, extrinsically, from inside the ship’s going away. The ship went from being near to being far off, but the Aldacious Mariner didn’t turn his back on the people, away from them. The people were actually waving white handkerchieves too. In the end, there was no more ship to be seen, there was only the sea that was left. Then one of them thought and said: — ‘He’s going to discover the places that we’re never going to discover…’ Then, so then, another person said: — ‘He’s going to discover the places, then he’s never going to come back…’ Then yet another one thought and thought, spherically, and said: — ‘So, he must be a bit angry with us, deep down, without knowing it…’ Then they all cried, ever so much, and went home sadly to have their dinner…“

 

Rosa

João Guimarães Rosa (27 juni 1908 – 19 november 1967)

 

 

De Engelse schrijfster Catherine Cookson (pseudoniem van Kate McMullen) werd geboren in Tyne Dock, County Durham op 27 juni 1906. Zie ook mijn blog van 27 juni 2007 en en ook mijn blog van 27 juni 2009.

 

Uit: Kate Hannigan’s Girl

 

„Annie stood gripping her bicycle and staring wide-eyed at the tall, auburn-haired boy leaning nonchalantly across his saddle.
‘What did Cathleen Davidson tell you?’ she asked.
‘Well, if I tell you you’ll jump down my throat.’
‘No I won’t.’ Without taking her eyes from his she flicked her head from side to side, throwing the long silvery plaits over her shoulders.
‘Your hair’s marvellous,’ he said.
‘What did Cathleen say about me?’ Annie asked again, a nervous tremor passing over her face.
‘Well, if I tell you, will you promise to go with me?’
‘Go with you? Oh, I can’t.’ Annie stared at him, aghast. ‘You’re nearly sixteen. And…and there’s Cathleen.’
‘Oh, very well.’ He shrugged his shoulders and ran his hand through his wavy hair.
‘Yes I will. All right, then, Brian.’ The words came with a rush.
‘Well…’ His eyes moving over her face, from the fringe above the wide green eyes to the large, curving mouth, Brian was savouring the effect of his coming words: ‘Well, she said your mother and stepfather aren’t really married.’
‘What!’ This was new; she hadn’t expected to hear this.
‘That’s what she said.’
‘Oh, the wicked thing. They are married; I was there when they were married. It was the day after New Year’s Day, nearly four months ago.’
‘Were you really there?’
‘Yes, I was!’ she said with emphasis.“

 

cookson

Catherine Cookson (27 juni 1906 – 11 juni 1998)

 

De Franse filosoof en dichter Gaston Bachelard werd geboren op 27 juni 1884 in Bar-sur-Aube. Zie ook mijn blog van 27 juni 2007 en en ook mijn blog van 27 juni 2009.

 

Uit: Le Droit de rêver

 

“Pour un philosophe, les premières pages de son livre sont difficiles et graves, car elles l’engagent trop. Le lecteur les veut pleines, claires, rapides, faute de quoi il les taxe de littérature. Le lecteur veut aussi qu’elles lui paraissent directes, c’est-à-dire rattachées à ses propres problèmes, ce qui suppose un accord des esprits, accord que la tâche du philosophe est précisé- ment de mettre en question. La première page est à peine achevée, et voici le fil en filière. On n’a plus le temps de se reprendre, de rectifier, de recommencer. Et, pourtant, si la philosophie est l’étude des commen- cements, comment s’enseignera-t-elle sans de patients recommencements ? Dans l’ordre de l’esprit, com- mencer, c’est avoir la conscience du droit de recom- mencer. La philosophie est une science des origines voulues. A cette condition, la philosophie cesse d’être descriptive pour devenir un acte intime.”

 

Bachelard

Gaston Bachelard (27 juni 1884 – 16 oktober 1962)

 

De Engelse dagboekschrijver en geestelijke James Woodforde werd geboren in Ansford op 27 juni 1740. Zie en ook mijn blog van 27 juni 2009.

 

Uit: The Diary of a Country Parson 1758 – 1802

 

„I walked up to the White Hart with Mr. Lewis and Bill to see a famous Woman in Men’s Cloaths, by name Hannah Snell, who was 21 years as a common soldier in the Army, and not discovered by any as a woman. Cousin Lewis has mounted guard with her abroad. She went in the Army by the name of John Gray. She has a pension from the Crown now of 18. 5. 0 per annum and the liberty of wearing Men’s Cloaths and also a Cockade in her Hat, which she still wears. She has laid in a room with 70 soldiers and not discovered by any of them. The forefinger of her right hand was cut of by a Sword at the taking of Pondicherry. She is now about 60 yrs of age and talks very sensible and well, and travels the country with a Basket at her back, selling Buttons, Garters, laces etc. I took 4 Pr of 4d Buttons and gave her 0. 2. 6. (21 May 1778).“

 

woodforde

James Woodforde (27 juni 1740 – 1803)

 

De Amerikaanse schrijfster Helen Keller werd geboren in Tuscumbia, Alabama op 27 juni 1880. Zie ook mijn blog van 27 juni 2007 en ook mijn blog van 27 juni 2009.

Uit: The Story of My Life

 

It is with a kind of fear that I begin to write the history of my life. I have, as it were, a superstitious hesitation in lifting the veil that clings about my childhood like a golden mist. The task of writing an autobiography is a difficult one. When I try to classify my earliest impressions, I find that fact and fancy look alike across the years that link the past with the present. The woman paints the child’s experiences in her own fantasy. A few impressions stand out vividly from the first years of my life; but “the shadows of the prison-house are on the rest.” Besides, many of the joys and sorrows of childhood have lost their poignancy; and many incidents of vital importance in my early education have been forgotten in the excitement of great discoveries. In order, therefore, not to be tedious I shall try to present in a series of sketches only the episodes that seem to me to be the most interesting and important.
I was born on June 27, 1880, in Tuscumbia, a little town of northern Alabama.
The family on my father’s side is descended from Caspar Keller, a native of Switzerland, who settled in Maryland. One of my Swiss ancestors was the first teacher of the deaf in Zurich and wrote a book on the subject of their education-rather a singular coincidence; though it is true that there is no king who has not had a slave among his ancestors, and no slave who has not had a king among his.
My grandfather, Caspar Keller’s son, “entered” large tracts of land in Alabama and finally settled there. I have been told that once a year he went from Tuscumbia to Philadelphia on horseback to purchase supplies for the plantation, and my aunt has in her possession many of the letters to his family, which give charming and vivid accounts of these trips.
My Grandmother Keller was a daughter of one of Lafayette’s aides, Alexander Moore, and granddaughter of Alexander Spotswood, an early Colonial Governor of Virginia. She was also second cousin to Robert E. Lee.”

 

keller

Helen Keller (27 juni 1880 – 1 juni 1968)