Sterfbed (Jean Pierre Rawie), Dolce far niente, Romenu

Dolce far niente

 

 
Boten aankomend bij de haven door Nicolaas Riegen, 19e eeuw

 

Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu in zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

 

 
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)
Scheveningen bij zonsondergang

 

Zie voor de schrijvers van de 22e mei ook mijn blog van 22 mei 2018 en eveneens mijn blog van 22 mei 2017.

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Marieke Lucas Rijneveld, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna, Michel Leiris

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

Het uur U (Fragment)

De rechter zag zich staan
zonder ambtsgewaad aan:
geen toga, geen muts, geen bef:
niet dan uit rechtsbesef
en met geheven hand
deed hij zijn eed gestand:
in naam der gerechtigheid
schold hij de zonde kwijt
en had eigen schuld bekend. –
De dame die niemand kent,
het kreng, zoals men haar noemt,
zag, zonder blouse gebloemd,
zich naakt als Diana staan
in een woud: een hert kwam aan:
en toen zij zag hoe hij
knielde, knielde ook zij:
haar hand beefde, haar oog blonk
nu zij levend water dronk. –

Zo zag iedereen wat,
de één dit, de ander dat.
Maar het puur geluk dat men mocht
smaken: één ademtocht
duurde het, en werd verstoord.
Men was, als ’t ware, aan boord
van een opgegeven schip,
waar men de verdwijnende stip
naoogt der reddingsboot:
zo hoog stijgt dan de nood
dat men, naar geloof gebiedt,
olie in de golven giet:
één ondeelbaar moment
treedt rust in, rust ongekend:
het schip ligt roerloos recht:
maar reeds rolt over de plecht
een zware golf, olie-vermengd,
en hetgeen voor de zee was bestemd
komt in ’t vuur, ontploft, en het wrak
vol bezoedeld zeewater zakt
als een baggergevulde praam.
Zo zakte, achter elk raam,
in de spiegelgladde vloed
een mens zijn beeld tegemoet,
zijn eigen ontredderd beeld. –

 

Aan een graf

Vliegen en vlinders, kinderen en bijen,
al wat als stipjes vonkt door de natuur,
warm, blij en snel, moedertje, schoot van vuur,
daar hield je van, en zie, die bleven bij je.

Want als ik hier de diepe stilte intuur,
stijgt het zo glinsterend op, dat ik moet schreien,
en duizend lachjes, liedjes, mijmerijen,
tintelen uit het gras naar het azuur.

‘k Sta aan je graf als jij eens aan mijn wieg.
Moeder, vrees niet dat ik bij dit verzonken
handjevol as mij om het vuur bedrieg.

Ik ween, als jij toen, om de vrije vonken,
de bij, het kind, de vlinder en de vlieg,
die in het licht van puur geluk verblonken.

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Cover

 

De Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer werd geboren in Enschede op 20 april 1940. Zie ook alle tags voor Jan Cremer op dit blog.

Uit: Ik Jan Cremer

“Ik loop al vier jaar achter mezelf aan. Ik voel me nergens thuis of overal? Stel dat ik weer in Holland kom, dan kom ik vanzelf weer in moeilijkheden. En dan wil ik weer naar het buitenland. Ik ben een verlegen zoeker. ’s Avonds, als ik op wacht sta, is het zo stil om me heen. Dan weet ik niet eens meer wie ikzelf ben. Als het zo stil is, vind ik het fijn. De wereld is zo ruim. Zouden we nu óp of in de aardbol leven?
18/8 Het is nu zeker dat ik met de ‘Constantine’ naar Marseille ga. Om troepen te verschepen. Ik zou geen J. C. zijn als er niet iets versierd wordt. Het is en blijft gevaarlijk. Als ik weg wil gá ik. En anders kom ik rustig weer terug. Ik heb dit weekend geen verlof, dus zie ik Halima misschien niet meer. Gelukkig maar, want misschien zou ik doorslaan in mijn enthousiasme. En mijn vaste stelregel: wantrouw iedereen, ook jezelf! We zijn nu al een paar dagen bezig in Aft Assad Kemach samen met de genietroepen de Poste du Commandement te herstellen. De post is in de vernieling gegooid door Algerijnse moussebilines, zelfmoordenaars, saboteurs, zoals de Japanse kamikazes. Er zijn geen doden gevallen, alleen maar gewonden. Ik moet iets anders doen dan overdag meehelpen slopen en bouwen en ’s nachts wachtlopen. Het is vlak buiten het dorp en de caïd, het dorpshoofd, had de commandant van de Genie en onze commandant gisteren uitgenodigd om te komen eten. Ik mocht mee met de Bewakingsgroep. Met de jeep zijn we er gisteravond naar toe gescheurd. We moesten op de veranda blijven zitten en elk half uur de ronde doen. We kregen ook te eten. Een schotel met een zilverachtige weke massa erop, met kleine stukjes vlees ertussen. De andere jongens hebben het weggekwakt in de struiken, maar ik heb het opgegeten: het smaakte naar vlees. Een meisje bracht het ons. Ik vroeg wat het was. ‘Slang met hondevlees.’ Gotverdomme, wát voor slang. Wát voor hond? Misselijk. Het stinkt ook altijd zo in de kasbahs. De stank van verschroeid vlees. Een weeïge geur hangt er in die huizen. Dat is de hondegeur. Voor het meisje wilde ik het niet laten merken. Ik ben niet de Hollander die erop staat boerenkool met worst en havermoutpap te eten in het buitenland. Even later kwam ze weer op de veranda met een klein schoteltje waarop een heel klein stukje bruin vlees lag in een roodachtige smurrie. Ik vroeg wat dat was: want ik had weinig zin om een drol in een plas menstruatie op te vreten, want daar zag het naar uit. Bovendien gebruiken Arabische vrouwen dat om hun minnaar te betoveren. En misschien had dit meisje wel een oogje op mij. Ze grinnikte en zei iets in het Arabisch. Ze wees op de palm van haar hand en deed me voor hoe lekker het wel was en hoe ik het op moest eten.”


Jan Cremer (Enschede, 20 april 1940)
Cover

 

De Nederlandse dichter en vertaler Jean Pierre Rawie werd geboren op 20 april 1951 in Scheveningen. Zie ook alle tags voor Jean Pierre Rawie op dit blog.

Sterfbed

Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn huid heen steken.
Ik zoek naar woorden maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd.

Dus schud ik kussens en verschik de deken,
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.

Wij volgen éen voor éen hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maat gemeten;
ik zie mijzelf nu in zijn bed gezeten

zoals hij bij zijn eigen vader zat:
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

 

Dichter

Je maakt het mensen toch niet naar de zin,
en streeft dat ook niet langer na. Niet langer
is wat je schrijft gericht op een ontvanger.
Je bent je eigen einde en begin,

en leeft en sterft alleen. Geen dubbelganger
neemt straks je plaats wanneer je doodgaat in;
geen keer op keer verloren hartsvriendin
ging van iets anders dan gedichten zwanger.

Veel lijkt mislukt te zijn, maar toch, jij bent
degeen die eens zelfs in het meest banale
de waardigheid en zin heeft onderkend,

en alles in het eerste licht zag stralen.
En heel je leven zoek je dat moment
nog eenmaal zo volmaakt te achterhalen.

 

Kwatrijn

Wij zijn – vergrijsd en het gelaat doorgroefd –
niet dikwijls meer ten dode toe bedroefd,
alleen van tijd tot tijd een beetje treurig
omdat het allemaal niet meer zo hoeft.


Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marieke Lucas Rijneveld werd geboren in Nieuwendijk op 20 april 1991. Zie ook alle tags voor Marieke Lucas Rijneveld op dit blog.

Thuiskomen

Al die tijd voor niets gezocht, zag wel de slakken op het asfalt
Ervan uitgegaan dat zij steevast onderweg waren tot ik hoorde dat thuis geen
plek is maar een welbevinden, het lichaam niet langer een dekmantel om alles
te verschuilen wat zich van buiten naar binnen keerde, het effect veroorzaakte

als van een opengesneden appel in de koelkast die door het bruin de schijn
heeft van niet meer genuttigd te willen worden, nee zie de muren aan de binnenkant
van mijn benen, zo verplaatsbaar waardoor iedere plek een thuis wordt waar ik
me ook zal vastleggen mits de huid valt zoals een zondags pak waarin geslapen

kan worden op de bank zonder dat het op een manier verkreukelt dat er sprake is van
een ander soort vermoeidheid: ik ben wel aangekomen maar het weggaan zit in al mijn
ledematen zoals een voortvluchtige vaak degene is die stil blijft zitten als een fossiel
in de zetel bij het raam, bang voor de dag dat het rennen geen achterkant meer heeft

gebouwen plat van karton, de voeten eeuwig in de vorm van een startblok gevouwen.

Net als een slak wordt de mens geboren met een huis dat groeit totdat ze het laatste
streepje op de deurpost neerkrabbelen tussen de buurman en de hond in, weet nog de
septembermaand dat mijn broertje met een rubberhamer, toen de hazelnoten op waren, een
slakkenhuis kapotsloeg, het parelmoer aan diggelen, het laagje vernis als huidschilfers tussen

de straatstenen. Toen we de volgende dag terugkwamen zat er alleen nog een vochtplek
alsof er iemand getuft had maar wij wisten wel beter. Nu de herfst zich aandient smeer ik mijn
lichaam in met wrijfwas tegen krassen, probeer in mij het ouderlijk huis te vinden want zonder
droog ik uit, verander ik in kauwgom dat aan iedere schoenzool blijft plakken om

maar met een ander mee te kunnen reizen die nooit zijn lichaam als een plastic beschermlaagje
zal gebruiken om mij daaronder warm te houden, te beschermen tegen alles wat mij aan
zal willen raken, vette vingerafdrukken, mijn nette opvoeding etaleren. Liever een glimmend

lichaam waar op een dag het welbevinden niet langer een beurse plek is maar het klokhuis.


Marieke Lucas Rijneveld  (Nieuwendijk, 20 april 1991)

 

De Britse schrijver en journalist Sebastian Faulks werd geboren op 20 april 1953 in Newbury. Zie ook alle tags voor Sebastian Faulks op dit blog.

Uit: Paris Echo

“I was taking a pee in the bathroom when I caught sight of myself in the mirror. My face looked so beautiful that I turned to look more closely, spraying the tiles round the toilet in my hurry. I shook my zib and put it back inside my boxers so I could study my face. It was like someone had drawn a faint shadow beneath the cheekbones, then put a touch of mascara on my lashes. The eyes had a depth I’d never seen before. I put my head to one side and smiled, then furrowed my brow as though I was being serious, but the eyes stayed the same – twinkling with a kind of humour and experience. This was the face of someone old beyond my years.How could it be I’d never noticed before just how beautiful I was? Not regular handsome maybe like an old-time film star and not indie blank like a modern one. More a mix of soul and sexiness. With noble bones.I flipped the glass to magnifying and back to normal. I held a hand mirror up to turn the reflection on itself, so it sat right-way-on. I backed against the wall, then went fisheye close. It made no difference. True, I’d smoked a little kif, but only a little, which was all I liked, and I’d had a Coke to keep my sugar level up (a tip from a boy in my year). I felt happy to think this person was me. No harm could come to someone who looked like that. The ways of peace and righteousness were ours. Not to mention soft-skinned girls and travel to distant places.
We stared into one another’s eyes for a few more minutes.Then he spoke.He said, ‘You got to get out, man. You gotta get out.’I felt myself nodding in agreement.Because I’d known this anyway, for quite a while. There was nothing shocking in what he said, it was more of a relief.‘Go now.’‘I will. Any day now.’We lived just outside the medina, the old town, in a whitewashed house. There was another family on the ground floor, but an outside staircase led to our front door. We had the top two floors and a roof terrace with a view towards the sea. My stepmother used to hang the washing up there, which pissed my father off. ‘How can I bring people home when they have to sit next to a row of wet shirts?’ I had nothing against my stepmother except that she was not my mother. That, and the fact that she always repeated herself. Once she ’d locked on to a piece of news or a point of view, she couldn’t let it go. ‘All our problems are caused by the Arabs of the Gulf, especially the Saudis,’ she told us one January. In September she was still saying this like something she ’d just stumbled on.In the middle of the terrace was a taifor, a kind of low table.It had a woven cloth, orange and red, and small shiny discs that reflected the sun. On it was a box of cigarettes and coloured glasses for tea. My father asked men he hoped would invest in his business to come up and admire the view while he unlocked his supply of whisky. He offered it round with a leer that made me feel sick. There were tons of places in town you could buy liquor. Some of them had only boxes of tissues or cat food in the window, but everyone knew you couldn’t run a specialist tissue shop. You only had to go a few paces in, past the Kleenex, and there were rows of Johnnie Walker and Glenmorangie above the lager and Moroccan wine.”


Sebastian Faulks (Newbury, 20 april 1953)

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jozef Hugo Maria Deleu werd geboren in Roeselare op 20 april 1937. Zie ook alle tags voor Jozef Deleu op dit blog.

Lied om jou

Pluk een hand licht
aan de zon,
het wordt dag
met de herfst in de lucht
en de vlucht
van het wild.

Speel mij het spel,
het geliefde verhaal
van het kind in de zon
dat de avond beschreit
om de nacht –
en kom.

En niets zal ik vragen,
noch talen met woorden
om diepere zin;
vandaag met de zon
in de herfst en de bomen
vergeet ik – en zing.

 

Zwijgen

Anderhalf zwijgen
is zwijgen, ongehoord.
In mijn verlichte kamer
stamelen dof de dagen
het één en hetzelfde woord:
te slapen liggen dood
de zon horen bloeien
uit elk aardse woord
zacht en weerbarstig beminnen
zonder twijfel en daarom
zonder woord.


Jozef Deleu (Roeselare, 20 april 1937)
Roeselare, Grote Markt

 

De Amerikaanse schrijver, essayist en criticus Steven Michael Erickson werd geboren op 20 april 1950 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Steven Erickson op dit blog.

Uit: Our Ecstatic Days

“Later after the college professor got off the bus with his radio and the bus continued onward, I went on singing it to myself if there’s a higher light sang it to myself just as much not to forget it as anything, and inside me let it shine on me inside Kirk stopped thrashing, listening. I knew he was listening. Later, after he was born, I would ask if he remembered me singing it to him, and he said he did. Maybe he did, maybe he didn’t. But I would sing it to him before going to sleep, by the window of our apartment, while the nightwind came in off the lake. Started this journal in Tokyo, stopped when I thought I miscarried him, then started again after I got back to L.A. . . . that was around the time the lake first appeared, that mid-September three years ago after Kirk was born. Of course it was already there before that, before anyone realized it was ever going to turn into an actual lake, the center near where Hollywood Boulevard used to meet Laurel Canyon Boulevard, nothing more than a puddle the morning it first bubbled up, no one thinking anything about it until however long it was before it cut the canyon off from the rest of the city. . . . Since the city was in the middle of one of its usual droughts, a lake that appeared from nowhere and kept getting bigger ought to have been a little suspicious — but I guess that’s easy to say in retrospect. “What’s that old machinery out there in the water?” the writer down the hall asked me not that long ago, staring in the distance out his window, and I said, “Pumps from when they tried to drain it. . ” As usual Kirk was busy demolishing the guy’s apartment, sitting over in the corner pulling the tape out of a video. “Hey! ” I yelled. He stopped long enough to gauge whether this admonition was to be taken any more seriously than any of the others, before returning to the task at hand.”


Steve Erickson (Los Angeles, 20 april 1950)
Cover

 

De Finse schrijver Arto Paasilinna werd geboren op 20 april 1942 in Kittilä in Lapland. Zie ook alle tags voor Arto Paasilinna op dit blog.

Uit: Helse eendjes (Vertaald door Annemarie Raas)

“Jyllänketo schatte dat er vele honderden hectaren land voor hem lagen. Aan de rand van het dennenbos, dat slechts als een donkere schim zichtbaar was, ploegden een paar trekkers voort die dampende, zwartbruine groeven achter zich lieten. Nadat de sporen waren getrokken knielde er een groep ijverig ogende mensen bij neer; die waren ongetwijfeld bezig zaailingen uit te zetten.
Jyllänketo ging op de traptreden naar de ingang van het hoofdgebouw zitten en haalde een laptop uit zijn koffer. Hij zette hem aan, en toen het beeldscherm oplichtte, begon hij te typen: ‘Turtola, dinsdag 3 juni. Rond een uur of elf vanochtend ben ik hier in het Hoge Noorden gearriveerd. Ik heb de nacht in Oulu doorgebracht. Het is een mooie dag, een graad of tien. Het leven hier lijkt rustig zijn gangetje te gaan. Op de velden worden de gebruikelijke voorjaarswerkzaamheden verricht. Ik heb nog geen lokale bewoners ontmoet.’
Op het erf voor het gebouw sjokten een paar mannen op leeftijd rond, gekleed in overalls. Ze droegen manden tjokvol met voorjaarskluifzwammen. De mannen liepen een bordes op, veegden hun laarzen af aan een laarzenborstel en gingen toen door een zijdeur naar binnen. Ze kwamen rechercheur Jyllänketo op een of andere manier bekend voor, maar hoezeer hij zijn best ook deed, hij kon niet op hun namen komen. Maar het waren beslist mannen van gewicht, dat voelde hij gewoon. Agenten die voor de geheime dienst werken hebben een goed getraind geheugen; ze moeten zich duizenden gelaatstrekken, gebaren en zonderlinge details inprenten. Maar wie kon zich nou echt alles herinneren? Om die reden waren er in de loop van de tijd lijsten, rapporten, documenten en notulen opgesteld, geschreven en verzameld. Al die informatie was zorgvuldig in mappen opgeborgen, die genummerd waren en op planken neergezet. Mappen met persoonsgegevens moesten worden geactualiseerd en indien nodig aangevuld. De orde moest worden gehandhaafd, zowel in de samenleving als in het archief. In onrustige tijden werden de kaften van de stoffige mappen opengeslagen, waarna zwarte auto’s in de donkere uren van de nacht op pad werden gestuurd om elementen die de rust in de samenleving dreigden te verstoren in de boeien te slaan.”


Arto Paasilinna (Kittilä, 20 april 1942)
Cover

 

De Franse dichter, schrijver en etholoog Michel Leiris werd geboren in Parijs op 20 april 1901. Zie ook alle tags voor Michel Leiris op dit blog.

Uit: Nights as Day, Days as Night (Vertaald door Richard Sieburth)

“JANUARY 20–21, 1925
(HALF-ASLEEP)
I see the word “bât” [packsaddle] written in capital letters while apparently hearing the strains of a violin. Then there follows, without my reading the letters this time: “convolutions . . . prismatic gloom . . . ”

“JANUARY 21–22, 1925
I set out on an excursion boat from a small river port where pirate and corsair ships of the 17th and 18th centuries are moored. Every type of vessel is represented; there is even a steamboat similar to the tugs one sees on the Seine. The flagship is huge and is made up of two hulls linked together by a single deck, an arrangement that allows smaller boats to sail through the flagship widthwise and to pass under the deck as though it were a fixed arch. The sails are capable of only one movement: they can be lowered or raised like drawbridges or like wings, according to that simple up-and-down movement to which the flight of birds used to be so schematically reduced in sketches made by designers of flying machines.
The excursion boat takes me to the ruins of the abbey of Jumièges. After a long walk through the halls and stairways, I come across my brother lying in bed. I ask him what he’s doing there. He replies that he is the director of the “Abbey Clinic,” then (the dream now extending into a half-awake revery) he explains to me the ritual of the “Tactile Exam” that is observed in the region at various prescribed dates: a number of girls, naked, their faces masked, are gathered into one of the monastery’s crypts; a young man, chosen by lot, leaves a nearby village at midnight and makes his way into the crypt blindfolded; his task is to feel up the girls until he has recognized one of them by purely tactile means, and if this girl also manages to recognize him in turn, he makes love to her. There is a similar game called “Aural Exam,” in which the method of identification involves the voice.”


Michel Leiris (20 april 1901 – 30 september 1990)
Cover

 

Zie voor nog meer schrijves van de 20e april ook mijn vorige blog van vandaag.

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Marieke Lucas Rijneveld, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna, Michel Leiris

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

Het uur U (Fragment)

toen daar dit hels accoord
in de hete lucht in het rond
trilde, zodat wie daar stond
hetzelfde zou hebben gedaan
– hetgeen zeggen wil: heengegaan –
als de man die zijn schop vergat,
die kuilen gegraven had
maar de bomen niet geplant, –
toen daar dan die dissonant
schrille spiralen schreef
naar een schuldeloos wolkje dat dreef
in een onbewogen zee, –
bracht de muziek met zich mee,
– want zo is muziek: zij speelt –
terwijl inmiddels het beeld
van de schrijdende vreemdeling
langs de huizen verder ging,
dat ieder sterveling daar
een visioen werd gewaar
van schier hemelse euphorie.

De dokter, bijvoorbeeld, die
in de straat als huisdokter pas
een praktijk begonnen was
sinds hij als jong assistent
een ver strekkend experiment
had opgegeven omdat
hij er hoogstens droog brood van at, –
hem bracht de wilde muziek
terug in een stille kliniek:
hij zag zichzelf daar staan,
witte jas, rubber handschoenen aan:
in een kast langs de muur
spraken dingen van glazuur,
email, glas en metaal,
een tintelende taal
van een achter alle kwaad
verrijzende dageraad. –

 

Novalis

Zijn ogen waren onnatuurlijk groot,
De bleke handen te roerloos voor daden –
Zoals een bloem uitbloeit met open bladen,
Droomde zijn leven open naar de dood.

Zijn zwakheid glimlachte als een kind glimlacht,
Wanneer zijn tuin bevroren is van winter –
Hij stond voor ’t raam en, glimlachend naar ginder,
Zong hij zijn zachte liefde door de nacht.

Er hingen – wonderlijk – over het paars
Behangsel schaduwen van vreemde dingen –
Hij kon zijn angst niet dempen door te zingen,
Het leven droeg iets stils, dood-stils en zwaars.

Hij zat voor ’t instrument en speelde een wijs
Die meedreef met het drijven van zijn dromen,
En zei eenvoudig: ‘Nu zal wellicht komen
Hij met de zandloper, viool en zeis.’

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Affiche voor een lezing in 1993

 

De Nederlandse schrijver en beeldend kunstenaar Jan Cremer werd geboren in Enschede op 20 april 1940. Zie ook alle tags voor Jan Cremer op dit blog.

Nachtstube

in het aardedonker zoek ik mijn weg
langs dreigend schrikdraad opgejaagd
brekende takken omringd door verstoord wild
een laatste zware last als afscheid
over gladde paden door zompige modder
radio’s uit de parochiezaal van gronau

het everzwijn schiet voor mijn voeten weg
de verduisterde stormlamp weerkaatst in schors
prikkelende rook van virginia-sigaretten
fluisterende stemmen hijgend onderhandelen
hitsige deernen verscholen achter stammen
ranzige make-up en vlagen eau-de-cologne

nachtstube am grenze gehuld in zwak schijnsel
lang verlangde warmte in de illegale spelonk
en jij staat achter de bar mijn liefde
sonja ziemann in doorschijnend rode baby-doll
de smokkelkoning kneedt jouw borsten
de toog is jouw vrijheid en hun biechtstoel

geweerschoten weerklinken het krijgsrumoer gefilterd
glazen breken het bier houdt op te schuimen
hab’ kein angst kommiezen losse flodders
de grenspatrouille is in aantocht
de lichten worden gedoofd de dag breekt door de mist
liefde is een mijnenveld

 
Jan Cremer (Enschede, 20 april 1940)
Cover

 

De Nederlandse dichter en vertaler Jean Pierre Rawie werd geboren op 20 april 1951 in Scheveningen. Zie ook alle tags voor Jean Pierre Rawie op dit blog.

Zo’n dag

Aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood,
terwijl de landerijen en de steden
gestaag langs het beslagen treinraam gleden
en het om beurten miezerde en goot.

Al menig lief is langer overleden
dan dat ze mij verdriet of vreugde bood.
Ik reis alleen en mis mijn reisgenoot,
met wie ik elke windstreek heb doorsneden.

Zo’n dag. Ik deed het niet met opzet, maar
ik zag zelfs het gezicht van vaag bekenden,
wier naam mij bij hun leven reeds ontschoot.

Ik zag mijn vader in elk handgebaar.
Het regende. Waar ik mij keerde of wendde,
aan wie ik ook maar dacht vandaag was dood.

 

Ten geleide

Wij, die in weerwil van de tijd
het onverdraaglijkste verdroegen,
vanaf dat wij de weg insloegen
die naar voorbij de einder leidt,

beseffend dat wij, juist omdat
wij haakten naar het allerhoogste
wat is gezaaid niet zullen oogsten,
wij gaan het ongeweten pad

tot aan het ongeweten eind,
en vragen niet dan ten geleide
het licht dat soms van gene zijde
voor onze voeten schijnt.

 

Kwatrijnen

Het ijzelt, en de struiken zijn van glas.
Wij lopen samen door het witte gras.
Er zijn van die momenten dat ik wilde
dat alles nu maar bleef zoals het was.

 
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)

 

De Nederlandse dichteres en schrijfster Marieke Lucas Rijneveld werd geboren in Nieuwendijk op 20 april 1991. Zie ook alle tags voor Marieke Lucas Rijneveld op dit blog.

Luizenmoeders

Het feest gaat sneller als we af en toe de gasten als bierglazen
naar het randje duwen en niet meer in staat om de balans nog op

te maken of juist staande te houden om de versmelting van drank
en weemoed te onderzoeken, we laten de meubels sokken dragen
tegen krassen in het linoleum zodat niemand het feest terug kan vinden

totdat de schuimkragen uit zoveel lucht bestaan dat er wel iets zwaars
op gegooid moet worden: iemand zegt dat weemoed net als een luizenmoeder

is en hoezeer we daarnaar terugverlangen: het moment van het kriebelen
van vreemde vingers door je haar die zoveel bedachtzamer hun weg
zochten dan die van je eigen moeder, alsof ze zocht naar een reden om het

gemis eruit te kammen, je later terug te laten denken maar nu met een
puberbrein in plaats van een kinderlijke angst datje later een briefje
in je jaszak vond met de mededeling: luis gesignaleerd, morgen vier uur

achter het fietsenhok, dat het jeuken nog geen tekort was maar een teveel
aan koppen bij elkaar steken onder de deknaam Annemaria Koekoek in de
hoop dat dichterbij komen vanzelf over zou slaan. Moeder die deze
schooldag je goedbedoelde pogingen in de wasmachine stopte.

Er waren vrienden die onbekende meisjes door hun haren streelden
sommige dansten alsof het jeuken een uitweg zocht in hun ledematen en
iemand zei dat dit haar gelukkig maakte, dit feest op deze datum, het

verschuiven van de uren; luizenmoeders die als onderwerpen in een
dichtgeknoopte zak gestopt werden om nooit meer tevoorschijn te halen, een teveel
aan schoonheid je een hoofd vol zorgen kan geven en al die verlangens die door

je moeder gladgestreken op de traptreden lagen, de zomer net als toen weer op
openbarsten staat, morgen worden we wakker met het onweer in onze koppen.

 
Marieke Lucas Rijneveld  (Nieuwendijk, 20 april 1991)

 

De Britse schrijver en journalist Sebastian Faulks werd geboren op 20 april 1953 in Newbury. Zie ook alle tags voor Sebastian Faulks op dit blog.

Uit: Where My Heart Used to Beat ·

“With its free peanuts and anonymity, the airline lounge is somewhere I can usually feel at home; but on this occasion I was in too much of a panic to enjoy its self-importance. It had been hard work getting there. The queues at Kennedy were backed up to the terminal doors; the migrants heaving trunks onto the check-in scales made New York look like Lagos.
I had done a bad thing and wanted to escape the city. Staying in an Upper West Side apartment belonging to my friend Jonas Hoffman, I had ordered in a call girl. I got the number from a phone booth on Columbus. It seemed to me important to get the sex act into perspective, to laugh at myself in the way you laugh at other people for their choice of mates. A true view of myself and my concerns: that was what I needed.
I suppose I’d say I was a voluptuary, someone who had seen it all, yet when the super called to say there was a young lady on her way up, it struck me that I was nervous. The front door buzzed. I took a pull of iced gin and went to open it. It was eleven in the morning. She wore an overcoat of olive green and carried a serviceable handbag with a clasp; for a moment I thought there was a mistake and that she must be Hoffman’s cleaner. Only the high heels and lipstick suggested something more frolicsome. I offered her a drink.
“No, thanks, mister. Maybe a glass of water.”
In so far as I’d imagined what she might be like, I’d pictured a pinup—or a tart with platinum hair and rouge. But this woman was of indeterminate nationality, possibly Puerto Rican. She was not ugly in any way, yet neither was she beautiful. She looked like someone’s thirty-eight-year-old sister; like the person who might be in charge of the Laundromat or work behind the desk of a Midtown travel agent.
I brought back the water and sat beside her in Hoffman’s huge, book-lined living room. She had taken off her coat and was wearing an incongruous cocktail dress. It was hard not to think of her family: brother, parents … children. I put my hand on her knee and felt the coarse nylon. Was I meant to kiss her? It seemed too intimate; we’d only just met.… But I tried anyway and found a world of fatigue in her response.
It brought a flash-recall of Paula Wood, a sixteen-year-old girl I’d kissed in a village hall a lifetime ago, before I’d discovered the awfulness of desire. Kissing this hooker was like kissing a mannequin: it was like a repetition, or a memory, not like a kiss at all. I went to the kitchen and poured another half tumbler of gin with ice cubes and two slices of lemon.”

 
Sebastian Faulks (Newbury, 20 april 1953)
Cover

 

De Vlaamse dichter en schrijver Jozef Hugo Maria Deleu werd geboren in Roeselare op 20 april 1937. Zie ook alle tags voor Jozef Deleu op dit blog.

De eik

Breek de eikel stuk
en laat de boom
ontspringen in de hand,
de schaduw valt allicht
zover over ’t gezicht
dat niemand nog de groeven
van de onrust vindt.

Word hoog en breed
over de eigen grenzen,
tot de wind je vreest
de vogels vluchten uit de kruin,
het leven wordt het knaaggeluid
totdat de eik ter aarde stuikt.

 

Landschap

Kijken
hoe het licht
wandelt

over het land
met de schaduw
aan de hand

hoe de ruimte
vorm krijgt

van zien

 
Jozef Deleu (Roeselare, 20 april 1937)

 

De Amerikaanse schrijver, essayist en criticus Steven Michael Erickson werd geboren op 20 april 1950 in Los Angeles. Zie ook alle tags voor Steven Erickson op dit blog.

Uit: The Sea Came in at Midnight

“Now in the years of the New York City zombielife, with the great punksurge of the late Seventies fading into the embalmed aftermath, all the girls in the clubs who reminded Louise of Marie from Minneapolis, every one of whom Louise believed she had betrayed, had the look of chaos in their eyes. They had been serviced by the chaos of the age. When Louise ran into Maxxi Maraschino down at Bleecker and Bowery, just a year or so before the “accident” that killed her, Louise could only hope the look of chaos in Maxxi’s eyes wasn’t answered by a look of murder in her own. Maxxi said a very strange thing to Louise. I’m the twentieth of November 1978, she said. I’m a thousand people desperate for salvation, poison Kool-Aid on our lips, dying together in the jungles of Guyana. As it happened—the universe having a strange sense of humor—Louise did find Marie from Minneapolis, long after she ever expected to. When she finally got a card from Billy it was from a little town out west Louise had never heard of, and so after Mitch’s death she set out on the bus to Sacramento, where she caught a couple of rides up to the delta. Billy was running a small bar he had taken over in a deserted Chinatown on an island that could be reached only by ferry—about as much distance as he could put between himself and the stoned bonhomie of his early years now flooded by drink and a growing, uncomprehending terror for his mortal soul; in Davenhall he spent his time drinking up the profits he never made, and trying to forget what he had once been so awfully and complicitly part of, back when he was making movies with names like Virgin Black with his sister and his best friend. Louise got to Davenhall, walked into the bar, and found Marie from Minneapolis behind the counter drying whisky glasses. The girl appeared not the least surprised, as if she had been expecting her. Then Louise went into the bathroom and threw up, not because she had finally found Marie but because she had been throwing up since a month or so after that last night she slept with Mitch, who presumably, even if he hadn’t lost his head in New York traffic, still wouldn’t have been ready to be a father. “God, I hate surprises,” she muttered deep into the toilet of Billy’s bar.”

 
Steve Erickson (Los Angeles, 20 april 1950)

 

De Finse schrijver Arto Paasilinna werd geboren op 20 april 1942 in Kittilä in Lapland. Zie ook alle tags voor Arto Paasilinna op dit blog.

Uit: Helse eendjes (Vertaald door Annemarie Raas)

“Daar was-ie dan! Rechercheur Jalmari Jyllänketo van de Finse veiligheidsdienst staarde naar het statige gebouw dat in de jaren vijftig op de Finse kolchoz in het dorp Turtola in de provincie Lapland was neergezet. Het hoofdgebouw van landgoed Peuravuoma had twee verdiepingen, was dertig meter lang en bijna vijftien meter breed. Het was roodgeschilderd, als het kantoor van een arbeidersvereniging. De kozijnen en kozijnafdekkingen waren wit, de deuren zwart.
Het gebouw stond op een lage zandheuvel en werd omgeven door een dichtbegroeid dennenbos. Aan de andere kant van het erf bevonden zich zo te zien nog een paar andere gebouwen: een aantal grote hallen en een huizenblok. Op het onverharde erf naast het hoofdgebouw stond een rood hondenhok, met op het dak een zwarte Karelische berenhond, die woest blafte. Tussendoor sprong hij vanaf zijn uitkijkpost op de grond en deed een nijdige schijnaanval in de richting van de bezoeker; het enige wat hem tegenhield was de looplijn, die de uiterste grens van zijn revier bepaalde.
Jalmari Jyllänketo was een politieagent met een lange carrière achter de rug; hij was een jaar of veertig oud, een meter achtenzeventig lang en negentig kilo zwaar. Hij had blond haar en zag eruit als een doodgewone Fin, wat goed van pas komt als je voor de geheime politie werkzaam bent. Zijn karakter paste vrij goed bij zijn werk als rechercheur: hij hield ervan de omgeving, het leven, mensen te observeren. Hij aarzelde niet als er iemand in de kraag moest worden gegrepen. Hij vond het wel wat hebben om tegen een vermeende landverrader te zeggen: ‘Deze kant op graag.’ Aangrijpend, in zekere zin.
Jyllänketo was van Helsinki naar Turtola gereisd om onderzoek te doen naar het landgoed Peuravuoma, waar biologische kruiden werden gekweekt. De Finse veiligheidsdienst waren in de loop der jaren uiteenlopende geruchten ter ore gekomen. Spionnen meldden dat er mensen waren verdwenen op Peuravuoma.
Jyllänketo bekeek het landschap dat zich voor hem uitstrekte. De eindeloze akkerlanden werden omzoomd door donkere dennenbossen. Het was een mooie dag, en er zeilden vederwolken door de lucht. Het gulzige gezang van duizenden trekvogels weerklonk. De kruiden begonnen al groene blaadjes te krijgen, ook al was het pas begin juni. De wind die over de akkers waaide bracht aromatische geuren met zich mee.”

 
Arto Paasilinna (Kittilä, 20 april 1942)

 

De Franse dichter, schrijver en etholoog Michel Leiris werd geboren in Parijs op 20 april 1901. Zie ook alle tags voor Michel Leiris op dit blog.

Uit: Nights as Day, Days as Night (Vertaald door Richard Sieburth)

“December 17–18, 1924
In his studio Giorgio de Chirico shows me an album containing reproductions of his paintings. Each of these reproductions is accompanied by a handwritten note indicating the theme of the work, providing either a succinct description of the painting in question or a statement of what the artist intended when undertaking it. Read in sequence, these texts turn out to be a series of brief poems.
Upon waking, only a fragment of one of these texts will stick in my mind: “ . . . épeurés et apeurés” [frighted and affrighted] – which is not a mere phonetic nicety; rather, the nuance implied by the difference of the initial vowels puts into play a number of distant meanings.
One of the paintings is entitled Jupiter’s Finger Passing through the Partition. The canvas depicts an empty room, dark, with receding walls. From the right wall there emerges an enormous finger, an index finger (probably) or else a middle or ring finger. No clear distinction between this room that is painted more or less as a trompe-l’oeil and the room that I’m actually in.
In another dream (which I had years ago but am unable to date even approximately because I didn’t note it down anywhere), I was looking at a cubist still life hanging in a museum or some other exhibition. Suddenly it seemed to me that my entire person was about to become part of the painting, as if my very being had been projected into it by my gaze, and I was seized with fright: if the world is really that way, a world without perspective, how go about inhabiting it?”

 
Michel Leiris (20 april 1901 – 30 september 1990)
Il Dioscuri in Riva door Giorgio de Chirico, 1934

 

Zie voor nog meer schrijves van de 20e april ook mijn blog van 20 april 2014 deel 2 en ook deel 3.

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna, Michel Leiris

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

Het uur U (Fragment)

Want wat dood is is dood,
maar wat vermoord is leeft voort,
leeft voortaan minder gestoord
dan wat onbestorven leeft.
De daad die men naliet heeft
meer kwaad dan de daad gedaan.
Om gestorven dood te gaan
is genade, maar wee hem die
als in dubbele agonie
levens- en stervenspijn
tegelijk voelt: hij moet het ravijn
des doods over zonder brug.

Hij liep betrekkelijk vlug,
de man, maar niet vlug genoeg
of ieder raam besloeg
door de adem uit de mond
die zich sperde, maar woorden niet vond
al sperde hij zich nog zo wijd.
En tegelijkertijd
met dit onnoemlijk wee
bracht de muziek met zich mee,
– let wel, in een straat die liefst niet
rept, als het kan, van verdriet,
die, integendeel, opgewekt,
zich slechts het leed aantrekt
dat een ander ondergaat, –
let wel, in zulk een straat,
toen daar achter raam aan raam
de stamelingen tezaam
een infernale taal
aanhieven, – nog eenmaal,
geen kreet brak uit dan gesmoord, –

 

Twee reddeloozen

Zij gaat ’s nachts vaak naar de haven
Waarheen ze vroeger met mij ging,
Aan de eeuwige zee, aan de sterren,
Vraagt ze waarom het voorbij ging –

En de wind en de lichten der schepen
Zeggen dat al wat voorbijgaat
Op een reis is zonder thuisreis
Naar een einde waar niemand ons bijstaat –

In mijn hooge verlichte venster
Tusschen schoorsteene’ en torenklokken
Heb ik tegenover den hemel
Een eenzame voorpost betrokken.

In alles te kort geschoten,
Staar ik bij het raam op de stad
En vraag: was ik grooter geworden
Wanneer ik had liefgehad?

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Hier met Adriaan Roland Holst (links)

Doorgaan met het lezen van “Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna, Michel Leiris”

Reserve (Jean Pierre Rawie)

Bij moederdag

 

 
 Young Mother Gazing at Her Child door William Bouguereau, 1871.

 

Reserve

Nu ik mijn oude moeder weer aanschouw
wordt het mij week en wonderlijk te moede;
hoe woest de wind door zoveel jaren woedde,
ik blijf het kind ontwaren in de vrouw.

Zij keerde waar zij kon het kwaad ten goede,
een halve eeuw was zij mijn vader trouw,
en als het even in haar macht lag zou
zij hem ook voor het heengaan nog behoeden.

Al klaagt ze soms (vindt zich opeens te dik
en poogt verwoed haar snoeplust in te tomen):
zij put uit raadselachtige reserve.

Misschien dat zelfs mijn moeder ooit zal sterven,
maar in haar blauwe ogen blijft die blik
alsof het allermooiste nog moet komen.

 

 
Jean Pierre Rawie (Scheveningen, 20 april 1951)
Portret door Harriët Geertjes, 2003

 

Zie voor de schrijvers van de 8e mei ook mijn vorige twee blogs van vandaag.

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

Het uur U (Fragment)

Een traag wolkje, als een eilandje in
de heldere hemel ontplooid,
beduidde het nu of nooit
ophanden zijnd offensief.
Al wie zijn kijker ophief
zag op de zee van azuur
een slagschip, klaar voor vuur.
Was het vriend of vijand?
Niet uit te maken, want
het schip voerde geen vlag.
Zoals ook de man die men zag
het minste niet droeg dat een man
van een man onderscheiden kan.
En ook de muziek zong door,
werd een groot, onzichtbaar koor.
Want sedert water en gas
en het zoemen hoorbaar was
van de elektrische stroom,
hadden ook hartklop, en droom,
en geeuw, en bloedsomloop,
en wanhoop, en stille hoop,
kortom al wat nooit stem werd,
zich gemengd in het ver concert
dat tegen wil en dank
steeds duidelijker van klank
uit de stilte kwam opgeweld.
Verlangen, doodgekneld,
een kind vermoord in een put,
riep, eensklaps wakker geschud,
om speelgoed en speelgenoot.

 

Het kind en ik

Ik zou een dag uit vissen,
ik voelde mij moedeloos.
Ik maakte tussen de lissen
met de hand een wak in het kroos.

Er steeg licht op van beneden
uit de zwarte spiegelgrond.
Ik zag een tuin onbetreden
en een kind dat daar stond.

Het stond aan zijn schrijftafel
te schrijven op een lei.
Het woord onder de griffel,
herkende ik, was van mij.

En toen heeft het geschreven,
zonder haast en zonder schroom,
al wat ik van mijn leven
nog ooit te schrijven droom.

En telkens als ik even
knikte dat ik het wist,
liet hij het water beven
en het werd uitgewist.

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
Doorgaan met het lezen van “Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson, Arto Paasilinna”

Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson

De Nederlandse dichter, toneelschrijver en essayist Martinus Nijhoff werd geboren in Den Haag op 20 april 1894. Zie ook alle tags voor Martinus Nijhoff op dit blog.

Het uur U (Fragment)

Zo ook hier. Toen de man kwam
en met zijn gestrekte pas
voortliep, begon men het gas
in de buizen onder het huis
te horen, en het gesuis
van water onder de straat,
en, in de elektrische draad
naar radio en telefoon,
een vonkende zoemertoon
als waren er bijen in de buurt.
Er werd niet gegluurd.
Gewoonlijk, als iemand passeert,
is men geïnteresseerd:
men vouwt met voorzichtige hand
vitrages terzijde, want
elke voorbijganger is
min of meer een gebeurtenis.
Was er niets te zien
aan hem?—Kwam het misschien
doordat iedereen sliep,
of doordat hij zo zacht liep,
dat geen vitrage bewoog?
Neen, neen, elk raam was oog,
was toegeschoven lid
voor het oog van een uil die zit
te spieden op zijn tak.
De stilte, die niets verbrak,
ging trillen en werd muziek.
Het is een groot woord: paniek,
maar het tekent de stille schrik
die op dit ogenblik
de ledige straat beving.

 

Na een jaar

In deze morgen zie ik dat de nachten
Dragend geweest zijn, van extase zwaar –
En onze dagen, lichtend in elkaar,
Ernstig van de bezinning der gedachten.

Boven de warreling van zwarte nachten
En witte dagen, staan wij, boven ’t jaar.
En zien de harde oneindigheden naar
Het wentlen onzer wereld zich verzachten.

Ik heb me plat tegen de grond gelegd
En woorden heb ik tot mezelf gesproken,
Die ook een dode tot zichzelve zegt,
Die in zijn donkere eenzaamheid ontwaakt:

Leven was goed al heeft het mij gebroken,
Leven is goed ofschoon het doden maakt.

 
Martinus Nijhoff (20 april 1894 – 26 januari 1953)
In 1916

Doorgaan met het lezen van “Martinus Nijhoff, Jan Cremer, Jean Pierre Rawie, Sebastian Faulks, Jozef Deleu, Steve Erickson”