Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Pieter Bas

“Zij trok langs ons huis dwars over het Muntplein; ik stond ademloos met mijn neus tegen het vensterglas, en was in het bijzonder verbaasd dat er zoveel rijtuigen nodig waren om één dode man te vervoeren.
Ik herinner mij ook de merkwaardige voorstelling, die ik mij hierover vormde, als zou in elk rijtuig een stukje van zijn lichaam gelegd zijn.
Soldaatje spelen was reeds vroeg mijn lust en mijn leven. Wij bezaten, ik weet het nog goed, zestig loden soldaatjes, waarvan er één geen hoofd had zodat wij hem generaal maakten. De overige stelden wij op in een indrukwekkende slagorde, waaraan wij minstens een uur besteedden, en dan – dan was het uit. Want het lodensoldatenspel bezit deze eigenaardigheid dat het afgelopen is op het ogenblik, dat het eigenlijk beginnen moet. Als het excerceren, het opstellen en het paraderen voorbij is en het gevecht een aanvang behoort te nemen, is de aardigheid eraf. Ik heb later opgemerkt dat dit ook bij andere soldaten het geval is.
’s Avonds zaten wij allen, vader, moeder, vier jongens en twee meisjes, onder het lamplicht bijeen aan een grote tafel. Als ik aan die tijd terugdenk zie ik mij altijd op één bepaalde avond, die mij in het bijzonder goed in het geheugen is gebleven, toen de wind om het oude huis woei en vader met halfluide stem een artikel uit De Dordtsche Bazuin voorlas, waarvan wij allen niets begrepen, doch dat ons een bijzonder gevoel van veiligheid en rust gaf. Later, als gevolmachtigde te Genève, heb ik dikwijls langs de vergadertafel gekeken en gewenst dat mijn vader met De Dordtsche Bazuin daar zat, en mijn moeder, mijn drie broers en mijn twee zusters; en soms – men vergeve het mij – heb ik gemeend dat het een weldaad voor de wereld zou geweest zijn
De eerste mannelijke wezens die ik op mijn levenspad ontmoette, waren mijn drie broeders, Vincent, Prick en Jozef. Zij sliepen gedrieën in één groot bed, en toen ik oud genoeg was, werd er een stukje aangebouwd en kwam ik erbij. Dit was een uitvinding van mijn vader; hij vond het zo overzichtelijk.
Dit enorme bed was een bron van onenigheid. Want Vincent, die de oudste en sterkste was, placht zich een onrechtvaardig groot deel van de dekens toe te eigenen: hij stopte zich goed van alle kanten in en viel genoeglijk knorrend in slaap.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Cover

Doorgaan met het lezen van “Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel”

Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Pieter Bas

“Doch mijn moeder keek hem stralend aan en noemde hem een malle.
Ik heb later meermalen de gelegenheid gehad op te merken hoe gering de belangstelling van vrouwen is in zaken van politieke strekking. Zelfs mijn eigen lieve Catharina kende het verschil niet tussen de Eerste en Tweede Kamer, en wanneer het gesprek die kant opging werd zij onrustig en trachtte de aandacht te vestigen op de jampot of op andere voorwerpen welke in generlei verband stonden met het besprokene. Misschien is dit te verklaren uit een zekere vrees voor de ernst van het leven. In elk geval is het beter terug te keren tot de loop der gebeurtenissen, waarvan mijn geboorte het begin was.
Ik moet die eerste dag geweldig geschreeuwd hebben; doch daar het juist de verjaardag van koning Willem III was, stak hierin niets opvallends. Van dat eerste levensjaar kan ik mij, hetgeen te verontschuldigen is, niets herinneren. Het is het noodlot van memoires dat zij haperen op de twee belangrijkste punten: het einde en het begin, de dood en de geboorte. Omtrent het eerste kan de schrijver niets mededelen zonder met zichzelf in tegenspraak te geraken en omtrent het laatste is hij letterlijk genoodzaakt zich naar bakerpraatjes te richten. De bijzonderheden, die ik nochtans weet, zijn mij overgeleverd bij monde van Anna, een grote dikke vrouw, waarvan ik mij alleen haar twee blinkende zwarte ogen herinner. Ik moet dan een bijzonder groot hoofd gehad hebben, dat ik reeds toen gewoon was een weinig schuin te houden, een gewoonte waarvan, zoals ge weet, duur mijn politieke tegenstanders zulk een laaghartig gebruik is gemaakt.
Naar aanleiding hiervan schijnt mijn oom Jozef in scherts gezegd te hebben dat er nog een minister uit mij Zou groeien. Deze voorspelling kwam mij echter pas ter ore toen ik minister was, hetgeen de betrouwbaarheid aanzienlijk vermindert. Een neiging tot spelen schijn ik niet gehad te hebben; gewoonlijk lag ik stil op mijn rug naar boven te kijken ‘alsof ik over iets nadacht’. Ik groeide snel op en reeds in mijn eerste jaar kon ik lopen. Ook mijn bevattingsvermogen was al vroeg rijp; zo zal ik wel de enige in Holland zijn die zich de begrafenis van burgemeester Sanders weet te herinneren. Hij stierf toen ik drie jaar was en ik kan mij de stoet nog zeer goed voorstellen.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)
Ilustratie uit Pieter Bas door Harry Prenen

Doorgaan met het lezen van “Godfried Bomans, Multatuli, Frank Albers, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany, Olivia Manning, Rinske Kegel”

Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit:Moeder de gans
     Over sprookjes in het algemeen en over Charles Perrault in het bijzonder

“Wie herinnert zich niet haar wonderlijke stem, murmelend in onze verre, verre kinderjaren? Wie heeft niet gezucht van opwinding als de arme vrouw van Blauwbaard (was het zijn tiende? was het zijn twaalfde?) daar hoog op de toren roept: ‘Zuster Anna! Zuster Anna! Ziet gij nog niets komen?’ Nu, zolang zuster Anna nog niets ziet mogen wij opblijven, dat is zeker. Want zelfs uw oudste broer, die geheimzinnige bezigheden heeft op een groot kantoor ergens in de wereld, heeft zijn pijp laten uitgaan en luistert met een vreemde glimlach. Doch als hij zich betrapt ziet, schrikt hij en duikt weg achter zijn krant, want sprookjes vindt hij onzin.
Dat zijn ze ook. Maar we zijn ermee groot geworden en er is iets van die onzin diep in ons zelf blijven zitten. Op sommige zomeravonden komt dat nog wel eens naar boven en dan weten we zelf niet goed hoe we het hebben. Het kan dan gebeuren, dat een ernstig makelaar in effecten plotseling achter het rozenboompje in zijn tuin een kabouter meent te zien; hij wrijft zijn ogen uit en de kabouter is weg. Wat was dat? Het was veel meer van Moeder Gans in ons gebleven dan wij zelf wel weten. […]
Hoe oud ze precies zijn weet geen sterveling, evenmin als men de plaats kent waar ze vandaan komen. Hierover zijn boeken geschreven, veel dikker dan de sprookjes zelf, maar ik moet mijn lezers waarschuwen: ze zijn niet zo spannend. Het eerst hielden Duitse vorsers zich met deze vraag bezig en zij kwamen na veel nadenken tot de natuurlijke slotsom, dat de sprookjes uit Duitsland stamden. Zo zegt bijvoorbeeld Franz Linnig in zijn Deutsche Mythenmärchen (1883), over Roodkapje sprekend: ‘Das Märchen von der kleinen süssen Dirne, die alle Leute so lieb haben, ist den deutschen Kinderherzen so innig verwachsen, das mann an einen fremden Ursprung kaum zu denken wagt’ Niet treffender kan worden aangetoond dat de wens de vader van gedachte is! Een andere Duits geleerde Theodor Pletscher, tekent tegen deze doorzichtige inbeslagneming dan ook protest aan [en merkt op dat de bekendste sprookjes, ook die in Duitsland het bekendst zijn, al lang in Frankrijk hun definitieve vorm hadden gevonden voor zij in Duitsland als volkssprookjes werden opgeschreven].”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

Doorgaan met het lezen van “Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany”

Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany

De Nederlandse schrijver Godfried Bomans werd geboren in Den Haag op 2 maart 1913. Zie ook alle tags voor Godfried Bomans op dit blog.

Uit: Wandelingen door Rome

“Ja mijne heren, de beste gids van Rome komt uit Sittard. Het is een klein stevig gebouwd mannetje, met borstelige, witte wenkbrauwen, een witte snor en een wit baardje dat aan de stevige kin vol moed begonnen is, maar zich dan plotseling bedenkt en er ineens mee uitscheidt. Hij draagt een wit hemd, dat van voren open is en daar een kettinkje laat zien, vermoedelijk eindigend in een gouden penning of medaille, doch daarover worden geen inlichtingen vertrekt. Opzij van de mond hebben zich twee kuiltjes gegraven, die op een algemene geneigdheid wijzen het leven een prettige instelling te vinden. De ogen zijn blauw en hebben de argeloze uitdrukking van een Walt Disney-kabouter. De schedel is opzij met een vermoeden van haar bekropen, doch in het midden volkomen kaal. Onder deze schedel bevindt zich Rome.’
(…)

“Naar het schoonmaken van de Trevi-fontein ben ik ook gaan kijken, maar om een heel andere reden. De Fontana di Trevi is de fontein, waar alle vreemdelingen, die later in Rome nog eens willen terugkeren, een munt ingooien. (..) Ik ging daar heen om te kijken, wat ze met al die duizenden munten zouden doen. Hoe vindt u die gedachte? Mij dunkt, dit is een typisch burgerlijke gedachte, die alleen door een Hollander kan worden voortgebracht. Niet de poëzie van zo’n munt in ‘t water gooien, met de volle maan boven je hoofd en een meisje aan je zij, nee, niets daarvan. Alleen de vraag: wáár blijven de duiten? Gaan ze naar de fiscus? Pikt de waterleiding ze in? Of verdwijnen ze in het potje der omliggende percelen? Kijk, aan zo’n vraag heb ik, als Hollander, houvast, daar kan ik mij uren in verdiepen.”
(…)

“Met honderden liepen ze in de stoet mee, allemaal als patertjes, nonnetjes, engelen of martelaren verkleed, met grote, oneindig verbaasde ogen, sommigen met hun eigen martelwerktuigjes in de hand en er verzonken op zuigend. Ik zag één engel, wier beide vleugels tot op de billetjes waren afgezakt en die liep nu juist heel ingetogen te bidden, in een brevier, dat zij precies omgekeerd in de beduimelde handjes hield. (..) Zestig Franciscaner paters trokken voorbij, ieder zeven jaar oud, met echte bruine pijtjes en hagelwitte koordjes, onder leiding van een dik gardiaantje, dat bijna omviel van de slaap.”

 
Godfried Bomans (2 maart 1913 – 22 december 1971)

Doorgaan met het lezen van “Godfried Bomans, Multatuli, John Irving, Thom Wolfe, Michael Salinger, János Arany”

János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Pascal Rannou, Gerhard von Halem

De Hongaarse dichter János Arany werd geboren op 2 maart 1817 in Nagyszalonta. Zie ook alle tags voor János Arany op dit blog.

Uit: Toldi (Fragment)

But no, he does not care how it sifts the road
from end to end – through a tower of dust erected
by the wind, proud weapons glitter, proud troops
ascend. A cloud of sighs rises from his heart like
those hazy troops. And bending forward, he stares
and stares as though heart and soul were fixed
in his eyes.

‘Neat Hungarian cavaliers, shining knights! How beat
and bitter am I to see you. Where are you bound? How
far? Into battle? To gather flowers for a wreath of
glory? Are you riding against Tatars, Turks? To bid
them good night forever? Ah, if I too, I too were
only riding. Neat Hungarian cavaliers, shining knights!’

These were the thoughts that furrowed into Miklós
Toldi’s soul. His head churned, and his heart was
wrung with sadness because he too was the son of a
knight. György, his false brother, was reared as
a companion of the royal heir. He lives it up in
the royal court while Miklós mows and rakes with
the hired hands.

Here they come, the mounted men of the Palatine
Laczfi, and at the head of his proud troops Endre
Laczfi himself. He sits with martial bearing on
his fallow horse, braids of gold on his robe. In
his train dashing young men ride in fancy saddles
on stamping stallions. Miklós stares and stares,
not knowing his eyes are sore for staring so hard.

 
János Arany (2 maart 1817 – 22 oktober 1882)
Portret door Barabás Miklós, 1856

Doorgaan met het lezen van “János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Pascal Rannou, Gerhard von Halem”

János Arany, Jevgeni Baratynski, Pascal Rannou, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Gerhard von Halem

De Hongaarse dichter János Arany werd geboren op 2 maart 1817 in Nagyszalonta. Zie ook alle tags voor János Arany op dit blog.

Uit: Toldi (Fragment)

First Canto

‘He took in one hand an enormous rail
and pointed at the road to Buda.’
Ilosvai

The sun shrivels up the sparse alkali flats,
parched herds of grasshoppers are grazing about –
not a new blade in all the the stubble, not a handbreadth
in green in all the broad meadows. A dozen laborers
or so are snoring under the stack – all their work
is going fine, but the big haywagons loiter there,
empty or only half loaded with hay.

A lanky sweep dandles its skinny neck into the well
and spies for water – imagine a giant gnat sucking
the blood of old earth. Thirsty oxen mill around
the through, making war on an armyt of flies. But
lazybone Laczkó hangs on the hands, and who’s to scoop
the water up?

As far as the eye can see on bleak earth and sky,
one workman alone on his feet. A whopping side-
rail sways on his browny shoulder ligthly, and still
not a trace of beard on his chin. He stares far,
far down the road as though to depart this village
and land for other fields. A live warning, you
would have thought him, planted at the crossroad on
a shallow hill.

Dear little brother, why stand in the blazing sun?
Look, others are snoring under the hay. The kuvasz,
too, is lolling there his tounge dangling out, not
for all the world would he go a-mousing. Or have you
never seen a whirlwind like this? It kicks up the
dust for a fight, lickd the road at breakneck speed,
a smoke-stack belching on the run.

János Arany (2 maart 1817 – 22 oktober 1882)

Beeld in Boedapest

Doorgaan met het lezen van “János Arany, Jevgeni Baratynski, Pascal Rannou, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Gerhard von Halem”

János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Gerhard von Halem, Pascal Rannou

De Hongaarse dichter János Arany werd geboren op 2 maart 1817 in Nagyszalonta. Zie ook alle tags voor János Arany op dit blog.

 

Cosmopolitan poetry

I have no shame, no regret
That born Hungarian, I write
As one, that I can never let
My words beyond this soil take flight.
No ‘Wonder of two worlds,’ my song
If charm it has, is due to them,
My people; I am theirs, belong
To one land wholly, root and stem.

Let tongues of the mighty propagate
Their own language, sovereignty
Their god, a roaring flood in spate
That washes all, destructively.
But let the poet of a small nation
Placed in destruction’s very path,
Find at home his true station,
Death, else, the aftermath.

Or is our glory here so small
It needs must sink into the grave
Along with the nation? Do you call
Us inferior, that neighbours gave
No heed to us? Is there no test
Worthy of our strength at home,
Subject for song, no native quest?
Must we crave Albion’s loan?

Be a „world poet;” if you can,
Stir up the whole lazy west.
The cradle that rocked me Hungarian
Is one that I must still call blessed.
A thousand threads bind me – I deal
With motherland, with this one spot.
I sing of no abstract ideal,
Voice such, I’d rather not.

And what becomes of this sad mistake?
His race, his nationality
Have left a mark he cannot shake:
Will the great poet despise them, he?
I have scanned the pages of the best,
Contemporaries of mine as well;
All were mirrors, each confessed
People and land he alone could tell.

Pray do not think that a people stricken
Are extinguished, blotted out suddenly,
While poet and homeland in harmony quicken
With a national, endless melody.
And were you to picture some future danger,
Or should its semblance in fact appear,
Would you desert like any stranger
The holy flag, its peril near?

Oh, with a worthier lute to sing
As Homer did, a land reborn,
No longer a poet sorrowing
For a land of griefs now left forlorn.
But should its fate indeed be death,
Then let me be an Ossian dwelling
In a place that fades, no mongrel breath
Intoning, but a live song swelling.

Vertaald door Madeline Mason

 

János Arany (2 maart 1817 – 22 oktober 1882)

Portret door Miklós Barabás, 1894

Doorgaan met het lezen van “János Arany, Jevgeni Baratynski, Sholom Aleichem, Olivia Manning, Gerhard von Halem, Pascal Rannou”