Arjen Lubach, Jan Wagner

De Nederlandse schrijver, cabaretier en televisiepresentator Arjen Lubach werd geboren in Lutjegast op 22 oktober 1979. Zie ook alle tags voor Arjen Lubach op dit blog.

Uit: Mensen die ik ken die mijn moeder hebben gekend

“Dit is het verhaal van mijn schuldgevoel: gedeeltelijk zoals het was en hoofdzakelijk zoals ik het me herinner. De laatste zeven maanden schrijf ik in de leeszalen van de Koninklijke Bibliotheek aan het Søren Kierkegaards Plads in Kopenhagen.
Ik ben nu zo’n zeventien maanden aan het schrijven en ik denk dat ik klaar ben. Het heeft moeite gekost me alles te herinneren en dingen zo weer te geven dat ze niet afleiden van waar het mij om ging. Of waar het Lotte om ging. Of mijn moeder. Of oom Otto.
Het denken aan vroeger is niet per se moeilijk. In de bibliotheek sluit ik soms mijn ogen en dan komt alles voorbij als een diavoorstelling in de filmzaal van een museum: ganzen op een boerderij waar ik logeerde, stickers op mijn slaapkamerdeur, de voorraad shampooflessen van mijn moeder, wakken in bevroren sloten, het schrift waar ik dingen in schreef die ik niet wilde vergeten om vervolgens te vergeten waar ik het schrift had verstopt, het gezicht van de buurman, de verschillende tegels op weg naar school – absoluut drie overslaan, anders komt mama straks niet meer thuis –, het cassettebandje met mijn eigen stem waardoor ze dacht dat ik in mijn kamer was, terwijl ik buiten zocht naar duidelijke aanwijzingen voor een schat.
De beelden zijn redelijk helder. Het allermoeilijkste is het aanbrengen van een volgorde. Om met een botte naald een draad te rijgen door alle jaren om te komen waar ik nu ben en te weten wat ik nu weet.
Ik ben vierentwintig jaar oud. Zoals de meeste verhalen kent dit verhaal grotere en kleinere schakels. Schakels die wanneer je ze weghaalt het verhaal in stukken zouden doen vallen en schakels die niemand ooit zou missen, hoe vaak het verhaal ook verteld wordt.
Meneer Sieber is de eigenaar van een hotel in Duitsland waar ik vroeger regelmatig kwam. Hij is een kleine schakel geworden, ergens achterin; roestig en te klein om echt van belang te zijn.
Meneer Sieber zei dat hij het leven net een bergwandeling vond. Dat deze theorie enige uitleg behoeft laat zich raden, maar op dit moment heb ik geen tijd om dingen uit te leggen en al helemaal geen tijd voor raadspelletjes.
Hij zei ook dat hij geboren is in de loopgraven omdat zijn moeder de eerste Duitse soldaat was die zwanger naar het front werd gestuurd. Maar dat heeft volgens mij niemand ooit geloofd.”

 

Arjen Lubach (Lutjegast, 22 oktober 1979)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

de beer

is daar buiten ergens, belegert
de bijenkorven en vijvers, laat
in het gras de rood gemarkeerde schaapskarkassen
als grensstenen terug. een depressie die ruste-

loos verder trekt, van erf naar erf, waar in de stilte
van de nacht een hond blaft, waar de knecht te laat
komt aangesneld, in de kippenhokken
nog alleen de sneeuwstorm van witte veren ziet.

het bladeren door de oude sprookjesboeken
en kranten. Het wachten bij geslo-
ten deuren, drukinkt aan de handen.
de kat die zich achter de kachel uitrekt.

hoe lang is het geleden dat helikopters
de lucht verkavelden? een eeuwigheid
ook, sinds de processie van donker gekapte
boeren voorbij kwam, met zwaaiende zeis, kettingen

en fakkels. vanuit de veiligheid van de kamer
staar je naar de plek waar het zwijgen aandringt,
met de heraldiek van koude tralies
het lege wapen van een kooi te pronken staat.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

Zie voor nog meer schrijvers van de 22e oktober ook mijn blog van 22 oktober 2018.

Martin Bril, Jan Wagner

De Nederlandse dichter, columnist en schrijver Martin Bril werd geboren in Utrecht op 21 oktober 1959. Zie ook alle tags voor Martin Bril op dit blog.

Uit: Drank

“We bevonden ons in een koude loods van golfplaten aan de rand van Amsterdam. Voor de deur lag een kanaal te glimmen in de herfstzon. Verderop stond een molen. In de lucht hing laag een vliegtuig dat ging dalen op Schiphol, de wielen uit de buik gestoken, de vleugels wiebelend. Het leek alsof het monster niet vooruit kwam. Het was vroeg in de ochtend.
Ik had een kater en moest op de foto. Daartoe zat ik op een krukje. Er was geen koffie. Ik zag dat mijn handen trilden en had problemen met mijn maag. Last van koud zweet. Plus dat ik stonk, een uur in de wind.
Ik zette mijn zonnebril op. Het werd donker. Ik hoorde mezelf praten, de fotograaf moest erom lachen. Dat al die tekst eruit kwam was trouwens een wonder. Met zo’n droge bek. Ik kon niet stil zitten en stond weer op.
De muren van de loods hingen vol polaroids van mensen die ik niet kende. Mooie meiden, negers, junks klungelend met crack. Het zei me niets.
Toen brak de foto aan.
Ik moest in een decor staan dat prompt wankelde toen ik erin stapte. Het hield nog net stand.
‘Wat nu?’
‘Kijk maar triest,’ zei de fotograaf.
Dit was het moment om op te stappen. Ik liet het passeren en ging onhandig staan klooien met een sigaret die uit mijn mond moest hangen. Beetje duizelig werd ik er wel van. Ik had dorst, zin in bier.
Mijn hoofd dreunde.
Het was niet best. Het ergste was nog dat ik nu al weken bezig was met drinken te stoppen. En hier was ik dan, zo gekaterd dat ik nog steeds dronken was. Gelukkig kon ik me weinig herinneren van de nacht. Een puinhoop, maar ik was desondanks thuis wakker geworden, op de bank, kleren aan. Mijn vrouw joeg me de deur uit voor de kinderen aan de pap gingen. Ooh God. En ik hoefde voorlopig ook niet terug te komen. Ik was een klootzak. Het begon nou toch aardig te dagen.
‘Bijna klaar,’ zei de fotograaf. ‘Kijk eens naar de grond.’
Niks liever. Er was alleen niets te zien. De grond, mijn schoenen. Bruine schoenen. Brown shoes won’t make it, zeggen ze wel eens. Zo was het. Ik dacht dat ik mijn voeten rook. We waren klaar. Ik kreeg een glaasje water en vertrok, de wereld in die zo mooi stil lag te wachten. Na vandaag zou ik nooit meer een druppel drinken. Vanaf morgen. Ja. Een beetje toekomst begint met goede voornemens. Je moet ergens beginnen. Toen verzoop ik de auto.”

 

Martin Bril (21 oktober 1959 – 22 april 2009)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

KOALA’S

zoveel slaap in slechts één boom,
zoveel ballen van bont
in alle vertakkingen, een bohème
van traagheid die steevast in de toppen blijft zitten

en zitten met een paar klimijzers
als klauwen, nooit geprezen eerste klimmers
boven de fluitende terrassen
van regenwoud, verwarde stoïcijnen,

slordige boeddha’s, sterker dan vergif,
dat in de bladeren groeit met hun watten
oren, immuun voor verlokkingen
in een uithoekje van de wereld: geen water-

loo voor hen, geen gang naar canossa.
bekijk ze, neem ze goed op voordat
het te laat is- dit zachte knabbel-
gezicht, de tronie van een fietser

kort voor de etappewinst, aan de aarde ontrukt,
en toch binnen handbereik hun verlopen
grijs – voordat elk van hen weer gaapt, zich uitstrekt,
wegzinkt in een droom uit eucalyptus.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 21e oktober ook mijn blog van 21 maart 2018 deel 1 en eveneens deel 2.

David Vann, Jan Wagner

De Amerikaanse schrijver David Vann werd geboren op 19 oktober 1966 op Adak Island, Alaska. Zie ook alle tags voor David Vann op dit blog.

Uit: Heilbot op de maan (Vertaald door Arjaan en Thijs van Nimwegen)

“Na de begrafenis vatte mijn oom Jim het idee op mijn nieuwe vader te worden. En aangezien hij het gevoel had dat hij niet helemaal was opgewassen tegen die taak, riep hij de hulp in van zijn vriend Big Al. In het najaar namen die twee me mee naar Modoc om op ganzen te jagen. Die grote, de canadaganzen, toeteraars of zwiepers, zoals Big Al ze noemde. Komen zo laag aanvliegen dat je hun vleugeltoppen hoort zwiepen. Dan versteent je hart en je vingers zwellen op. Big Al liet het me zien: hij hield zijn vingers onder mijn neus, zijn nagels zwart van vettigheid.
Ik was dertien, woog een derde van wat Big Al woog, half zoveel als mijn oom, en zat tussen ze in geklemd. Hun harde stemmen – mijn oom kwam uit Nebraska, Big Al uit een ander luidruchtig oord – weerkaatsten tegen het naakte metalen interieur van de pick-upcabine, zwollen aan, doordringender dan het zonlicht. Ramen dicht. Ze boksten op tegen de goedkope bandrecorder op batterijen die op mijn schoot AmWay-kreten zat te sissen. Zo nu en dan stak mijn oom zijn hand uit om de ruis harder te draaien. ‘Pak die diamanten ring! Pak die Mercedes!’
Mijn oom probeerde Big Al te strikken voor AmWay.
Dat was een ander doel van deze tocht: iemand anders onder hem in de verkoop-piramide schuiven.
‘Ik weet het,’ zei Big Al. ‘Ik weet dat het eersteklas producten zijn. Dat bestrijd ik ook niet. Dat hoor je mij niet beweren. Daar gaat het niet om. Ik wil alleen maar zeggen…’
‘Drie maanden!’ riep mijn oom uit vanboven het stuur en grijnsde zijn tanden bloot. Hij had grote, gele, erg hoekige tanden, en hij was een grote vent, één meter vijfentachtig, hield zijn knokkels – van beide handen – om het stuur geklemd en hing er vlak boven. ‘Binnen drie maanden heb je je geld eruit. Man, ik…’ En hij grommelde een tijdje zo door zonder een zinnig woord, en zei toen: ‘Dat is toch niet niks!’ Toen sloeg hij me op mijn borstkas, hard, vriendschappelijk, mannelijk, en keek Big Al aan met een vrolijke, verraste blik. Alsof het opeens allemaal duidelijk was geworden.
‘Geen twijfel mogelijk,’ zei Big Al. ‘Dat beweer ik ook niet. Ik twijfel er niet aan.’
Alsof het opeens allemaal duidelijk was geworden.
Mijn oom gaf me nog een klap en gnuifde. Hij duwde zijn bril stevig omhoog en tuurde weer over het stuur heen naar buiten, zijn mond open en zijn lippen wat opgetrokken over zijn boventanden.”

 

David Vann (Adak Island, 19 oktober 1966)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

nature morte

een grote vis, neergevlijd op een krant,
een houten tafel in een hut in
normandië. heel stil, heel warm – de lucht
breit wollen sokken. je kunt hem aanraken of
ook niet, zijn zilveren schubben als lange rijen
van noten van een koele symfonie. zijn kop
is eraf, anders kon hij, voor het geval dat
vissen lezen kunnen, lezen
wat er boven zijn rugvin staat
en hem influistert: “Wat doen ze, deze mensen?”
het licht trekt zich stilletjes terug, het papier
neemt druppel voor druppel zeeën op.
au fond de l’image smijt de atlantische oceaan brullend
het laatste opsporingsbericht op het strand.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 19e oktober ook mijn blog van 19 oktober 2018 en ook mijn blog van 19 oktober 2011 deel 1 en eveneens deel 2.

Kees Fens, Jan Wagner

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: Hymnen

“Het Latijn is de kerk uitgewaaid. Op muziek die onsterfelijk heette. En daar verschijnt, als het ware in een drempelsituatie, een omvangrijk boek Lofzangen der Latijnse kerk. De samensteller en vertaler is F. van der Meer, die met presentatie van dit boek blijken van onverstoorbaarheid lijkt te geven: waar ‘gisteren’ al vaak verouderd wordt genoemd, bezint hij zich op eeuwen, die overigens op nog maar enkele plaatsen doorklinken. De auteur bekent dat, gezien zijn woordkeus niet zonder weemoed, trouwens in zijn ‘Woord vooraf’, waarin hij onder meer schrijft: ‘Ambrosius, en soms, Prudentius, zijn ongeëvenaard in hun soort. Hun basilieken zijn verdwenen; hun lofzangen kunnen wij nog lezen en zelfs, in een zeldzame trouwe abdij, nog horen zingen’.
Het boek verschijnt in een drempelsituatie: er is nog een generatie die een groot deel van de in het boek opgenomen hymnen anders dan als literaire teksten uit een ver verleden heeft gekend: ze heeft ze gebeden of gezongen en in de beste gevallen zullen ze een deel van hun Ieefwereld zijn geweest, want geïsoleerde zaken waren deze hymnen allerminst: ze hoorden in een hele liturgische bouw en vele onderdelen van de laatste resoneerden in die lofzangen, zoals delen van de hymnen, zowel naar geest als vaak naar letter, in andere teksten echoden. Die generatie zal uitsterven en, naar men kan vaststellen, nog eerder hun herinnering. En dan wordt een boek als Lofzangen der Latijnse kerk een bloemlezing voor enkele gekken en een aantal specialisten, zoals bloemlezingen als Mediaeval Latin Lyrics van de zo bijzonder veel wetende en bijzonder goed schrijvende Helen Waddel er een is. (Zij gaat aan hymnen, aan religieuze poëzie trouwens ook, nagenoeg voorbij, – met opzet; voor wat hymnen en religieuze liederen betreft geeft The Penguin Book of Latin Verse een goede aanvulling; keuze en (enthousiast) commentaar van Frederick Brittain zijn daarin trouwens voortreffelijk).
Al kan men in Van der Meers boek ook een gedenksteen zien aangebracht bij het scheiden van de markt, aan het einde van zijn ‘Woord vooraf’ omschrijft de auteur opzet en doel van zijn Lofzangen der Latijnse kerk als volgt: ‘Het was mij te doen om een letterlijke, ja, een woord-voor-woordvertaling, in dezelfde maat; een, die de kracht en de drastiek van het latijn ook in zogenaamd naïeve hymnen onaangetast laat; aan die bewust gekozen letterlijkheid zijn de fraaie en welluidende vorm, en het ons eigene taalgebruik, opgeofferd. Uit een veertigjarige ervaring weet ik, dat ook clerici die hun latijn kennen de heerlijke oude lofzangen die zij wekelijks en jaarlijks lezen of zingen, en die zij misschien van buiten kennen, niet altijd verstaan. Eerst wat men vertaalt, leert men tot op de bodem kennen’.

 

Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)
Foto op de Chassékerk in De Baarsjes in Amsterdam

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

Kleinstadtelegie

die schattenkarawane, jeden morgen
 ihr aufbruch, und die waschanlage,
 die stets aus einem reinen schlaf erwachte.

 und in den lieferwagen pendelten
 die schweinehälften zwischen ja und nein,
 den linden wuchsen herzen. und es paßte

 nicht mehr als ein blatt papier zwischen mich und die welt.
 und in den gärten, hinter allen hecken
 verkündeten die rasenmäher den mai.

 

nature morte

ein großer fisch, gebettet auf eine zeitung,
 ein tisch aus holz in einer hütte in
 der normandie. ganz still, ganz warm – die luft
 strickt wollene socken. du kannst ihn berühren oder
 auch nicht, seine silbrigen schuppen gleich langen reihen
 von noten einer kühlen symphonie. sein kopf
 ist ab, sonst könnte er, gesetzt den fall
 daß fische lesen können, lesen
 was über seiner rückenflosse steht
 und ihm souffliert: “was tun sie, diese leute?”
 das licht entzieht sich leise, das papier
 nimmt tropfenweise meere in sich auf.
 au fond de l’image drischt der atlantik dröhnend
 die jüngsten vermißtenanzeigen in den strand.

 

Kweepeertaart

toen oktober ze in de takken hing,
uitpuilende lampions, was het tijd: wij
plukten kweeperen, sjorden manden vol
geel in de keuken

onder het water. appel en peer rijpten
tot hun namen, een eenvoudig zoet –
zo niet de kweepeer aan zijn boom in de
verste hoek

van mijn alfabet, in het latijn van de tuin,
hard en vreemd in hun aroma. we sneden,
deelden in vieren, ontpitten het vlees (vier grote
handen, twee kleintjes),

schimmig in de stoom van de sapcentrifuge, deden
suiker, hitte, moeite bij iets dat
rauw de mond niet in wilde. wie kon, wilde
kweeperen begrijpen,

hun gelei, in bolvormige glazen voor de
donkere dagen in de schappen
opgesteld in een kelder van dagen waar ze
glansden, glanzen.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e oktober ook mijn blog van 18 oktober 2018 en ook mijn blog van 18 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 18 oktober 2015 deel 2.

Simon Vestdijk, Jan Wagner

De Nederlandse dichter en schrijver Simon Vestdijk werd geboren in Harlingen op 17 oktober 1898. Zie ook alle tags voor Simon Vestdijk op dit blog.

Kwijnende liefde

Het najaar, liefste, laat zijn lommerhoven
Maar langzaam bronzen, tegen wil en dank,
Om met dit uitstel van zijn zwaarste klank
Ons laat beraamde gaven voor te toov’ren.

Het bruinste blad ligt op de steenen bank.
Zet u daar niet: is hij ook warm van boven,
Van onder is ’t er kil als in de kloven
Die schaduw zaam’len in de wijnbergflank.

Het zonlicht doet de laatste hommels gonzen:
Een bruiloftslied, waarvan ’k de oorsprong ken,
En de bestemming, die ik blindlings nastaar.

Wie weet hoe hij beminnen moet in ’t najaar
Hij spreke; want zijn raad is goud waard, en,
Liefste, zijn liefde stellig méér dan de onze.

 

Kirke en Odysseus

Zij stonden samen aan de steile kust,
Betooverd en omtooverd na die nacht,
De zwijnen weer naar ’t schip teruggebracht,
Tot man herleid, en met ’n goed woord gesust.

Zij sprak: ‘ Opdat gij weer in de armen rust
Van haar die meer dan mij uw tooverkracht
Behoort, en die gij minder aarz’lend kust,
Daal af in Hades, waar ’t orakel wacht.’

De branding ruischte, en hij zag haar aan,
En wist: bij ’t liefdesspel, die nacht begaan,
Had zij een and’re naam hem hooren fluist’ren.

Zij straft en beloonde als een vrouw;
Zij bràcht hem thuis, maar om zijn huw’lijkstrouw
Zou zij zijn weg tot ’t einde toe verduist’ren.

 

Villanel

De minsten zullen minnaar zijn,
De armsten zullen macht vergaren
En gulzig drinken van den wijn

Onder een zoel ultramarijn.
Met bloesemwinden in hun haren
Zullen de minsten minnaar zijn

Als minstreel in den manenschijn –
Zij die te min voor vrouwen waren –
En gulzig drinken van den wijn.

Hun wellust, enkel minnepijn,
Werd niet verspild in liefdesparen:
De minsten zullen minnaar zijn,

Omdat zij voor den levenscijns
Zich ongeboren nog bewaren…
Want nu tot ’t drinken van de wijn

Den rijkeren de lust verdwijnt,
Geen lied meer slaat uit moede snaren,
Zullen de minsten minnaars zijn
En gulzig drinken van den wijn!

 

Simon Vestdijk (17 oktober 1898 – 23 maart 1971)
Portret van door Edgar Fernhout, 1958.

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

 

Champignons

we ontmoetten ze in het bos op een open plek:
twee expedities door de schemering
die elkaar zwijgend aankeken. zenuwachtig tussen ons
het telegraafgezoem van de zwerm muggen.

mijn grootmoeder was beroemd om haar recept
voor champignons farcis. ze nam het mee
in haar graf. alles wat goed is, zei ze,
vul je met weinig meer dan jezelf.

later in de keuken hielden wij
de paddenstoelen aan het oor en draaiden aan de stelen –
wachtend op het zachte knakken van binnen,
op zoek naar de juiste combinatie.

 

Vertaald door Frans Roumen

 

Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 17e oktober ook mijn blog van 17 oktober 2018 en ook mijn blog van 17 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 17 oktober 2015 deel 2.

Dolce far niente, Rainer Maria Rilke, Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Isabelle Autissier, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist

Dolce far niente

 

 
Een herfstavond in Parijs door Eugen Galien-Laloue (1854 – 1941), z.j.

 

Herbstabend

Wind aus dem Mond,
plötzlich ergriffene Bäume
und ein tastend fallendes Blatt.
Durch die Zwischenräume
der schwachen Laternen
drängt die schwarze Landschaft der Fernen
in die unentschlossene Stadt.

 


Rainer Maria Rilke (4 december 1875 – 29 december 1926)
Praag, de geboorteplaats van Rainer Maria Rilke

 

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: De nasmaak van het onsterfelijke

“Vondels gedicht is een specimen van een soort literatuur die wij kwijt zijn, niet literair, maar literair beschouwelijk en dat is levensbeschouwelijk. Het is de literatuur die eenheidscheppend is, niet, alweer, in de literaire en daarvan afgeleide literair-kritische betekenis, maar een die eenheid ontleent aan een samenhangend wereldbeeld, in het geval van Vondel het alles insluitende en alles met elkaar in relatie brengende rooms-katholicisme, dat zich in zijn universele greep in elk deel ervan manifesteert, in het sacrament van het altaar dus ook. Misschien daar vooral, omdat daar de stofwisseling van hemel en aarde – brood wordt lichaam van Christus, wie het brood eet, neemt Christus in zich op, transformeert diens bloed in zijn eigen bloed – het meest zichtbaar is. In de ‘Koorzang’, die aan het eerste boek van Altaergeheimenissen voorafgaat, staan de regels:

Alwaar zijn uitgestorte dierbaar bloed
Rantsoen is voor zijn ledematen

De transformatie door vlees en bloed gaat het hele lichaam van alle gelovigen aan die kunnen eten en drinken. Ik citeerde de regels niet zonder opzet: het sacrament van eten en drinken staat centraal in Kellendonks roman Mystiek lichaam. De grote eenheid-scheppende conceptie van het kerklichaam, die indrukwekkende mythe, die hemel en aarde, leven en dood samenbrengt en met elkaar verzoent, maar in zijn afstoting van de maaltijd ook sommigen buitensluit, wordt zichtbaar in deze roman, vertekend en verpulverd, maar nog altijd barstend van de verwijzingen naar het grote geheel, dat de hoofdfiguren nog altijd in de greep houdt. In het verbeeldingswerk dat de roman is.
Kellendonk had nog een andere reden voor de keuze van Vondels leerdicht. Ze lijkt een toevallige, ze werd een in meer opzichten essentiële. Hij had een editie van het werk, verzorgd door de priesterdichter A. van Delft, in zijn bezit. Het bleef vijfentwintig jaar ongelezen, het boek ongeopend. In die periode las hij veel poëzie. Het boek werd een droom, maar ook het archetype van poëzie, juist doordat het ongelezen bleef, en daarbij het werk van een dichter die al even archetypisch was: monumentaal en ongelezen, een dichter die er is, omdat elk land een groot dichter moet hebben: ‘Vondel is de naam die we aan die leemte gegeven hebben.’ Altaergeheimenissen was de naam die Kellendonk aan de behoefte tot grote poëzie had gegeven.
Ik denk dat in ieders leven een ongelezen boek moet zijn; dat het literaire lezen levend blijft door het uitstel van het lezen van dat ene boek: het boek dat de leemte zou kunnen vullen die al dat lezen nodig maakt. Kellendonk sloeg het tenslotte open en hij kreeg daar ineens, vermoed ik, veel meer gelijk van een gedicht dan hij ooit verwacht had. Hij heeft, de inhoud van zijn drie colleges bewijzen het, een zeer eigen Vondel en ook diens Altaergeheimenissen voor ons ontdekt, hij heeft ook, gezien de nabeschouwing, een in zijn eigen schrijverschap passende ontdekking gedaan, in elk geval zag hij zijn eigen wereldbeeld uitgedaagd door dat van Vondels poëzie, maar daarin ook bevestigd. Vijfentwintig jaar lijkt hij de rechtvaardiging van eigen schrijverschap in huis te hebben gehad.”

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

 

De Amerikaanse schrijver Nic Pizzolatto werd geboren op 18 oktober 1975 in New Orleans, Louisiana. Zie ook alle tags voor Nic Pizzolatto op dit blog.

Uit: Between Here and the Yellow Sea

“You said it,” Coach says, and I wonder if I was thinking out loud. He nods at the windshield, where rain spatters. I’m used to thinking out loud, especially in a moving truck. At this time I still work for Lone Star Environmental, in Port Arthur, and my days are spent driving back roads with a clipboard, noting phosphorus and ammonia levels in the watershed, making sure farmers aren’t spreading chicken shit over their fields. In the evening you might catch me at Petro Bowl or Chili’s, trying to buy drinks for grade school teachers and secretaries, but at work I drive alone, five to seven hours, and on those days I tend to narrate my thoughts, turning observations into stories. Rilke wrote, “Love your solitude, for solitude is difficult.” I remind myself not to think out loud.
Rain builds, and before we reach Las Cruces a torrent lets loose, hiding the road under a curtain of water. Metal writhes in my jawbone. The wipers don’t do much, and Coach leans close, squinting. He takes a pill from a brown plastic bottle.
“It’s late enough.” He swallows. We pull over onto the shoulder, rain drumming. He slouches against the window and tugs his baseball cap down. Coach doesn’t coach anymore, but he receives a generous stipend from Port Arthur High and the honorary title of athletic coordinator, which is what eight district championships and three state titles get you in East Texas. I watch him breathe, softened, rain making the windows look like creeks, and I try to connect this man sleeping so calmly with the man I used to see, the fuming, granite-faced commander on the edges of hallways, on the sidelines of a game. I try to figure how he got from there to here. I do that because at this age one of my essential habits is to look for causal links, find stories, and I spend a great deal of time combing through the past, as if answers were there. I’m at an age when I drive in circles, and I take the words of poets and famous men at face value. I’m four years out of high school, living in the house my grandmother left me, and not until sometime after Coach and I reach Los Angeles will I stop looking for answers.
My cheek rests against the window, because it’s cold and dulls my jaw’s throbbing. Coach starts to snore.
I was there the day she left. I mowed lawns back then, and on that Sunday I worked the yard next to Coach Duprene’s house. A red Chevy Blazer parked in their driveway. Four boys I knew from school were in that truck. The back end sagged with boxes and bags, a surfboard. High school was over, and they were all moving to California. Coach Duprene watched from the porch and didn’t wave as the truck rolled away”.

 
Nic Pizzolatto (New Orleans, 18 oktober 1975)

 

De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Zie ook alle tags voor Jan Wagner op dit blog.

Quittenpastete

wenn sie der oktober ins astwerk hängte,
ausgebeulte lampions, war es zeit: wir
pflückten quitten, wuchteten körbeweise
gelb in die küche

unters wasser. apfel und birne reiften
ihrem namen zu, einer schlichten süße –
anders als die quitte an ihrem baum im
hintersten winkel

meines alphabets, im latein des gartens,
hart und fremd in ihrem arom. wir schnitten,
viertelten, entkernten das fleisch (vier große
hände, zwei kleine),

schemenhaft im dampf des entsafters, gaben
zucker, hitze, mühe zu etwas, das sich
roh dem mund versagte. wer konnte, wollte
quitten begreifen,

ihr gelee, in bauchigen gläsern für die
dunklen tage in den regalen aufge-
reiht, in einem keller von tagen, wo sie
leuchteten, leuchten.

 

Champignons

wir trafen sie im wald auf einer lichtung:
zwei expeditionen durch die dämmerung
die sich stumm betrachteten. zwischen uns nervös
das telegraphensummen des stechmückenschwarms.

meine großmutter war berühmt für ihr rezept
der
champignons farcis. sie schloß es in
ihr grab. alles was gut ist, sagte sie,
füllt man mit wenig mehr als mit sich selbst.

später in der küche hielten wir
die pilze ans ohr und drehten an den stielen –
wartend auf das leise knacken im innern,
suchend nach der richtigen kombination.

 
Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)

 

De Franse schrijfster en zeilster Isabelle Autissier werd geboren op 18 oktober 1956 in Parijs. Zie ook alle tags voor Isabelle Autissier op dit blog.

Uit: Plotseling, alleen (Vertaald door Floor Borsboom)

“Ze zijn vroeg vertrokken. Het belooft een schitterende dag te worden zoals wel vaker op die onstuimige Zuidpoolzee, de hemel van een diep, vloeibaar blauw, van een transparantie die je alleen aantreft rond de vijftigste breedtegraad zuid. Geen rimpeltje op het wateroppervlak, de Jason, hun boot, lijkt te zweven over een tapijt van donker water. Bij gebrek aan wind peddelen albatrossen kalmpjes rond de romp.
Ze hebben de rubberboot hoog op het strandje getrokken en zijn langs het voormalige walvisstation gelopen. De verroeste staalplaten, verguld door de zon, hebben iets vrolijks, met hun mengeling van oker, lichtbruin en vaalrood. Het door de mensen verlaten station is wederom in bezit genomen door de dieren, dezelfde als waarop eeuwenlang jacht is gemaakt, die zijn afgemaakt, geslacht en te koken gelegd in enorme traanovens die nu op instorten staan. Rond elke hoop bakstenen, in half ingestorte krotten, te midden van een wirwar van pijpen die nergens meer heen gaan, nestelen groepen behoedzame pinguïns, families pelsrobben en zeeolifanten. Ze hebben de dieren een tijdlang gadegeslagen en zijn pas laat in de ochtend uit het dal omhooggeklommen.
‘Een dikke drie uur,’ had Hervé tegen hen gezegd, een van de weinigen die hier ooit is geweest. Zodra je op het eiland de kustvlakte achter je laat, verlaat je het groen. De wereld wordt mineraal; rotsen, kliffen, met gletsjers bedekte bergtoppen. Ze zetten er stevig de pas in, giechelend als middelbare scholieren op schoolreisje bij het zien van de kleur van een steen, het heldere water van een bergbeekje. Bij de eerste hoge piek, voordat ze de zee uit het oog verliezen, lassen ze nogmaals een pauze in. Het is van zo’n eenvoud, zo mooi, haast niet te beschrijven. De baai omgeven door donkere rotswanden, het water dat glinstert als kwikzilver in het briesje dat opsteekt, de oranje vlek van het oude station en de boot, hun goeie ouwe boot, die met toegevouwen vleugels ligt te soezen, net als de albatrossen van vanochtend. Op volle zee glanzen roerloze gevaartes, witblauw, in het licht. Niets is vrediger dan een ijsberg bij rustig weer. De hemel wordt doorkliefd door immense schrammen, schaduwloze wolken op grote hoogte die de zon met goud omrandt.”

 
Isabelle Autissier (Parijs, 18 oktober 1956)

 

De Amerikaanse dichteres en schrijfster Ntozake Shange werd geboren als Paulette Williams op 18 oktober 1948 in Trenton, New Jersey. Zie ook alle tags voor Ntozake Shange op dit blog.

you are sucha fool

you are sucha fool/ i haveta love you
you decide to give me a poem/ intent on it/ actually
you pull/ kiss me from 125th to 72nd street/ on
the east side/ no less
you are sucha fool/ you gonna give me/ the poet/
the poem
insistin on proletarian images/ we buy okra/
3 lbs for $1/ & a pair of 98 cent shoes
we kiss
we wrestle
you make sure at east 110 street/ we have cognac
no beer all day
you are sucha fool/ you fall over my day like
a wash of azure

you take my tongue outta my mouth/
make me say foolish things
you take my tongue outta my mouth/ lay it on yr skin
like the dew between my legs
on this the first day of silver balloons
& lil girl’s braids undone
friendly savage skulls on bikes/ wish me good-day
you speak spanish like a german & ask puerto rican
market men on lexington if they are foreigners

oh you are sucha fool/ i cant help but love you
maybe it was something in the air
our memories
our first walk
our first…
yes/ alla that

where you poured wine down my throat in rooms
poets i dreamed abt seduced sound & made history/
you make me feel like a cheetah
a gazelle/ something fast & beautiful
you make me remember my animal sounds/
so while i am an antelope
ocelot & serpent speaking in tongues
my body loosens for/ you

you decide to give me the poem
you wet yr fingers/ lay it to my lips
that i might write some more abt you/
how you come into me
the way the blues jumps outta b.b.king/ how
david murray assaults a moon & takes her home/
like dyanne harvey invades the wind

oh you/ you are sucha fool/
you want me to write some more abt you
how you come into me like a rollercoaster in a
dip that swings
leaving me shattered/ glistening/ rich/ screeching
& fully clothed

you set me up to fall into yr dreams
like the sub-saharan animal i am/ in all this heat
wanting to be still
to be still with you
in the shadows
all those buildings
all those people/ celebrating/ sunlight & love/ you

you are sucha fool/ you spend all day piling up images
locations/ morsels of daydreams/ to give me a poem

just smile/ i’ll get it

 
Ntozake Shange (Trenton, 18 oktober 1948)

 

De Afrikaans – Amerikaanse schrijfster Terry McMillan werd geboren op 18 oktober 1951 in Port Huron, Michigan. Zie ook alle tags voor TerryMcMillan op dit blog.

Uit: I Almost Forgot About

“I hate to admit it, but if I had the energy, I’d kill to have sex with the first one who walked into my bedroom tonight. I’d let him do anything he wanted to do to me. It’s been centuries since I’ve had sex with a real man, and I’m not even sure I’d remember what to do first should I ever get so lucky again. In fact, I think I’d be too uncomfortable, not to mention scared of getting all touchy-feely, and don’t even get me started on him seeing me naked. Hell, this is why I sleep with the remote.
When I hear the doorbell, I glance over at the broken blue clouds inside the clock on the night table. I’ve been waiting 40 minutes for this pizza, which means they’re going to owe me a free one! I roll off the bed on my side, even though the other side has been empty for years. I walk over to the door and yell, “Be right there!” Then I grab my wallet out of my purse and beeline it to the front door, because I’m starving. That is so not true. I’m just a little hungry. I’m trying to stop lying to myself about little things. I’m still working on the big ones.
I open the door, and standing there sweating is a young Black kid who can’t be more than 18. His head looks like a small globe of shiny black twists that I know are baby dreadlocks. His cheeks are full of brand-new zits. His name tag says “Free.”
“I’m so sorry for the delay, ma’am. There was a accident at the bottom of the hill, and I couldn’t get up here, so this one’s on the house.”
He looks so sad, and I’m wondering if the price of this pizza is going to be deducted from his little paycheck, but I dare not ask.
“I don’t mind paying for it,” I say. “It wasn’t your fault there was an accident.” I take the pizza from him and set it on the metal stairwell.
“That’s real thoughtful of you, but I’m just glad this is my last delivery for the night,” he says, leaning to one side as if he’s pretending not to look behind me, but of course he is. “This a real nice crib you got here. I ain’t never seen no yellow floors before. It’s downright wicked.”

 
Terry McMillan (Port Huron, 18 oktober 1951)

 

De Duitse dichter en schrijver Heinrich von Kleist werd geboren op 18 oktober 1777 in Frankfurt an der Oder. Zie ook alle tags voor Heinrich von Kleist op dit blog.

Uit: Michael Kohlhaas

“Der Junker, den der mächtige Schweißhengst sehr reizte, befragte ihn auch um den Preis; der Verwalter lag ihm an, ein Paar Rappen zu kaufen, die er wegen Pferdemangels in der Wirtschaft gebrauchen zu können glaubte; doch als der Rosskamm sich erklärt hatte, fanden die Ritter ihn zu teuer, und der Junker sagte, dass er nach der Tafelrunde reiten und sich den König Arthur aufsuchen müsse, wenn er die Pferde so anschlage. Kohlhaas, der den Schlossvogt und den Verwalter, indem sie sprechende Blicke auf die Rappen warfen, miteinander flüstern sah, ließ es aus einer dunkeln Vorahndung an nichts fehlen, die Pferde an sie loszuwerden. Er sagte zum Junker: »Herr, die Rappen habe ich vor sechs Monaten für 25 Goldgülden gekauft; gebt mir 30, so sollt Ihr sie haben.« Zwei Ritter, die neben dem Junker standen, äußerten nicht undeutlich, dass die Pferde wohl so viel wert wären; doch der Junker meinte, dass er für den Schweißfuchs wohl, aber nicht eben für die Rappen Geld ausgeben möchte und machte Anstalten aufzubrechen; worauf Kohlhaas sagte, er würde vielleicht das nächste Mal, wenn er wieder mit seinen Gälen durchzöge, einen Handel mit ihm machen sich dem Junker empfahl und die Zügel seines Pferdes ergriff, um abzureisen.
In diesem Augenblick trat der Schlossvogt aus dem Haufen vor und sagte, er höre, dass er ohne einen Passschein nicht reisen dürfe. Kohlhaas wandte sich und fragte den Junker, ob es denn mit diesem Umstand, der sein ganzes Gewerbe zerstöre, in der Tat seine Richtigkeit habe? Der Junker antwortete mit einem verlegnen Gesicht, indem er abging: »Ja, Kohlhaas, den Pass musst du lösen. Sprich mit dem Schlossvogt und zieh deiner Wege.« Kohlhaas versicherte ihn, dass es gar nicht seine Absicht sei, die Verordnungen, die wegen Ausführung der Pferde bestehen möchten, zu umgehen, versprach bei seinem Durchzug durch Dresden den Pass in der Geheimschreiberei zu lösen und bat, ihn nur diesmal, da er von dieser Forderung durchaus nichts gewusst, ziehen zu lassen. »Nun!«, sprach der Junker, da eben das Wetter wieder zu stürmen anfing und seine dürren Glieder durchsauste, »lasst den Schlucker laufen. Kommt!«, sagte er zu den Rittern, kehrte sich um und wollte nach dem Schlosse gehen. Der Schlossvogt sagte, zum Junker gewandt, dass er wenigstens ein Pfand zur Sicherheit, dass er den Schein lösen würde, zurücklassen müsse. Der Junker blieb wieder unter dem Schlosstor stehen. Kohlhaas fragte, welchen Wert er denn an Geld oder an Sachen zum Pfande wegen der Rappen zurücklassen solle? Der Verwalter meinte, in den Bart murmelnd, er könne ja die Rappen selbst zurücklassen.”

 
Heinrich von Kleist (18 oktober 1777 – 21 november 1811)
Monument in Frankfurt an der Oder

 

Zie voor nog meer schrijvers van de 18e oktober ook mijn blog van 18 oktober 2017 en eveneens mijn blog van 18 oktober 2015 deel 2.

 

Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Isabelle Autissier, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: Het beslissende boek

“Ik sprak zojuist over een tweede helft van de cirkel. Daarmee wil ik ook aangeven dat wie leest zichzelf uitbreidt, en wel met een gebied dat ineens ook zijn eigen gebied blijkt te zijn. Dat echt mooie, wat is dat? Ik geloof dat je dat kunt omschrijven als het passende, datgene wat voor jou is, het eigene. Op datzelfde moment wordt het boekenbestand opgedeeld in drie soorten, t.w. mijn boeken, jouw boeken en zijn of haar boeken; die drie zullen elkaar nooit ontmoeten, en dat is ook het fijne ervan. Nog een precisering van het beeld van die halve cirkel: die bestaat overigens natuurlijk wel uit heel veel kleine segmenten: want eenzijdig is de tweede helft vaak allerminst, al hebben de onderdelen ervan vaak wel veel met elkaar te maken.
Om te verduidelijken wat zich bij zo’n lezer afspeelt, wil ik hier nog enkele andere omschrijvingen aanvoeren, zoals: ‘Weggaan en toch thuiskomen’. Weggaan, naar plaats, tijd, en naar mensen en thuiskomen in andere tijden, op andere plaatsen, bij andere mensen. Ook heb ik het wel, vanuit het boek zelf denkend, als volgt voorgesteld: daar, ginds naar plaats of tijd genomen – vroeger dus – is met mij als lezer rekening gehouden. Het meest fascinerende is wel dat je als kind nog altijd – en hoe dat komt, wil ik straks proberen te verklaren – meer gestalten hebt en in meer tijden kunt bestaan.
Eindelijk vind je, zo is althans mijn ervaring, alles beschreven waarvan je altijd al gedacht hebt dat het bestond. Er ontstaat een soort bewustwording van bi-locatie en pluri-locatie. Soms lijkt het erop dat je – en dat is een heel sterke sensatie – uit die wereld van het boek hier en nu te vondeling bent gelegd. Daarmee wordt lezen de meest persoonlijke bezigheid; en daar komt geen opvoeder aan te pas, want jij bepaalt zelf welke jouw boeken zijn.
Waaruit bestaat dan de taak van de opvoeder? Vooral uit het niet opvoeden. Hoogstens levert de opvoeder de mogelijkheden tot keuze van die boeken. Dat hij dan ook de lezer beïnvloedt is niet juist, maar die eer moeten wij hem gunnen, want deze periode is zijn schijnbare glorietijd. Hij is de leverancier, de aanbrenger van de boeken die beslissend kunnen worden; met opzet druk ik mij hier erg voorzichtig uit. Die opvoeder werkt mee – of hij werkt niet mee: het kan natuurlijk ook dat de boeken er niet bij zijn – aan het mogelijk vóórkomen van het toeval; en het is helaas waar: van het toeval hangt alles af. Wie het treft, is dan zeer gelukkig.”

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

Doorgaan met het lezen van “Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Isabelle Autissier, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold”

Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit:Het beslissende boek

“Wat ik te zeggen heb is enigszins ontmoedigend; het is eigenlijk in twee zinnen samen te vatten. De eerste is een uitspraak van de figuur uit een heel bekend verhaal van Carmiggelt. In een niet al te opgewekte bui zegt deze: ‘Een opvoeder is een stakker die in het duister tast.’ Ik vind dat toch nog enigszins positief. Ik zou er deze meer negatieve definitie aan willen toevoegen: ‘Een opvoeder is een brandweerman; hij komt altijd te laat: hij kan hoogstens de belendende percelen nat houden om grotere ongelukken te voorkomen.’ Misschien mag ik hier nog een tweede, eveneens ontleende uitspraak aan toevoegen: ‘Onderwijs is valse paarlen voor echte zwijnen’. Dat is een van de vermoeide levenswijsheden van Marnix Gijsen, die bij mijn weten overigens nooit voor de klas heeft gestaan. Over de glorie van die stakkerigheid, over het eeuwig te laat en over die valse paarlen wil ik hier enkele overwegingen aan u voorleggen.
Ik ben er altijd van overtuigd geweest – maar vooral de laatste jaren ben ik er steeds zekerder van geworden – dat elke lezer in zijn leven vier perioden kent, als hij tenminste tijd van leven krijgt.
Alleen de eerste en de laatste daarvan zijn m.i. voor hemzelf belangrijk. Waarom? Omdat het lezen in die periodes is wat het in wezen is, namelijk een vorm van egotisme. Tussen die eerste en vierde periode in wordt door vele opvoeders, leraren en anderen gepoogd de lezer aan dat egotisme te onttrekken. Met succes? Soms, maar ik geloof dat het in veel opzichten een schijnbaar succes is. Het einde van de eerste periode valt m.i. rond het twaalfde jaar; uiteraard zal dat van kind tot kind verschillen. Die periode zelf is de schijnbare glorietijd van de opvoeder. Voor het kind, dat wij ook geweest zijn, is lezen in de eerste periode iets mooi vinden of niet mooi vinden; het woord ‘goed’, als kwaliteitsaanduiding, bestaat gelukkig niet. Ontdekken dat iets mooi is, is in feite de toeëigening van iets. Je kunt het ook zo zeggen dat je datgene wat je leest eigen herkent en het je daarom ook eigen maakt. Nog weer anders gezegd: mooi is wat (h)erkend wordt, en dat kan iets heel onbekends zijn.
Voor mezelf heb ik wel eens het volgende beeld bedacht: bij het lezen wordt voor de lezer ineens de tweede helft zichtbaar van de cirkel. Die twee helften samen nu vormen de lezer. Het woord ‘vormen’ zou ik dan graag in twee opzichten verstaan zien. Als je het overziet, dan kan je zeggen dat er voor de lezer maar weinig is dat hij echt mooi vindt; en binnen dat mooi wordt die nuancering heel duidelijk aangebracht. Alleseters – of ‘alles lezers’, moet ik eigenlijk zeggen – onder de kinderen zijn doorgaans karakterloos; ze wekken altijd de meeste verwachtingen en die komen dan ook nooit uit. Het zijn eigenlijk een soort potten waar alle deksels op passen; persoonlijk wantrouw ik die.”

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

Doorgaan met het lezen van “Kees Fens, Nic Pizzolatto, Jan Wagner, Ntozake Shange, Terry McMillan, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold”

Kees Fens, Jan Wagner, Ntozake Shange, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold

De Nederlandse literatuurcriticus, essayist en letterkundige Kees Fens werd geboren in Amsterdam op 18 oktober 1929. Zie ook mijn blog van 18 oktober 2010 en eveneens alle tags voor Kees Fens op dit blog.

Uit: Tussentijds (Waar komt Sebastiaan vandaan?)

“Het uit 1931 daterende gedicht ‘Het veer’ van Nijhoff behoort tot die vele verzen die in de overlevering van hun eigen tekst los zijn geraakt: in de traditie is het vers gereduceerd tot een thema. Het is geworden tot een gedicht over iets; dat het gedicht verhalend is, wordt wel niet vergeten, maar uit het verhaal worden alleen die punten gelicht die directe illustratie zijn van het thema. Met blijmoedig gemak gaat men dan over op de behandeling van een volgend vers uit Nieuwe gedichten en literatuurbehandeling wordt nu het hanteren van een toverformule: in het volgende vers blijkt tot ons aller geluk en verrassing hetzelfde thema aanwezig, zij het natuurlijk in een ander verhaal, maar dat is niet iets om lang halt bij te houden. Wat mij altijd bij een dergelijke benadering van poëzie verwondert, is het gebrek aan verwondering, misschien moet ik zeggen, de onmogelijkheid tot verwondering bij de lezer. Laat ik voor ‘Het veer’ slechts één punt releveren: de aanwezigheid van een martelaar uit de vierde eeuw in een Hollands landschap met wagens, fietsen, auto’s is toch wel verbazingwekkend. Uit die verbazing zou toch de vraag kunnen voortkomen, welke zin het heeft, juist de martelaar Sebastiaan in het Holland van de twintigste eeuw te plaatsen.
De gangbare opvatting over het gedicht staat weergegeven in een beschouwing van drs. G. Kamphuis, ‘Dichter en volk in het werk van Martinus Nijhoff’1. Het is een goede weergave met enige bijzondere informatie en terecht een terloopse verwijzing naar het gedicht ‘Holland’ uit De wandelaar:
‘De dichter beschrijft daarin (in “Het veer”, F.), hoe Sebastiaan zich losmaakt van de boom waaraan hij was vastgebonden, de pijlen uit zijn wonden trekt, zijn lichaam wast in een vijvertje en vervolgens om zich heen ziet in het Hollandse landschap, waarin hij zich bevindt. Er volgt dan een van de indringendste evocaties van dat landschap welke onze literatuur kent. Dat hieraan een werkelijkheidsbeleving ten grondslag lag (een pontveer in de Haarlemmermeer, waarvoor de dichter op een avond met zijn auto moest wachten), is van weinig belang, vergeleken bij de kracht van de bezielde werkelijkheidssuggestie, van het magisch realisme waarmee Nijhoff het avondlandschap voor ons oproept.’ (Kamphuis citeert hierna de tweede en derde strofe.) Hij vervolgt dan: ‘Zo slaat Sebastiaan in de vallende avond het va-et-vient van de veerpont gade met zijn wisselende lading. En langzamerhand wordt hij zich ervan bewust, dat de dagelijkse, aardse werkelijkheid alle geheimen in zich bergt, naar de verkrijging waarvan hij zijn gehele leven had gestreefd.”

 
Kees Fens (18 oktober 1929 – 14 juni 2008)

Doorgaan met het lezen van “Kees Fens, Jan Wagner, Ntozake Shange, Heinrich von Kleist, Raymond Brulez, Jan Erik Vold”

Jan Wagner

 De Duitse dichter, schrijver en vertaler Jan Wagner werd geboren op 18 oktober 1971 in Hamburg. Wagner studeerde Engels aan de Universiteit van Hamburg, aan het Trinity College (Dublin) en de Humboldt Universiteit van Berlijn, waar hij afstudeerde met een scriptie over de nieuwste generatie Anglo-Ierse dichters. In 1995 begon hij samen met Thomas Girst met de publicatie van de Internationale Poëzie box “Die Außenseite des Elementes”. Deze offset druk bestond uit een collectie inlegvellen gepresenteerd werden en waarbij de lezer verzocht werd om de documenten naar eigen goeddunken te archiveren. Deze offsetdruk bevatte hedendaagse Perzische en Nederlandse poëzie. Model voor dit project stond Marcel Duchamps losbladige collectie. Sinds de publicatie van de eerste dichtbundel in 2001 werkt Wagner als freelance schrijver, redacteur en vertaler van Engels en Amerikaans. Gedichten werden in tal van bloemlezingen (waaronder Der Große Conrady) en literaire tijdschriften (Akzente, BELLA triste, Sinn und Form, Zwischen den Zeilen) gepubliceerd. Als criticus werkte Wagner voor de Frankfurter Rundschau en andere kranten, alsook voor de omroep. Sinds 2009 is hij lid van de Beierse Academie voor Schone Kunsten, sinds 2010 de Academie van Wetenschappen en Letteren, Mainz, de Duitse Academie voor Taal en Literatuur in Darmstadt en het PEN Center Duitsland.

der veteranengarten

„Again he fighting with his foe, counts o’er his scars,
Tho’ Chelsea’s now the seat of all his wars,
And fondly hanging on the lengthening tale,
Reslays his thousands o’er a mug of ale.“
– Sir John Soane, Inschrift im Summerhouse
des Royal Hospital, London  –

die veteranen wachsen aus dem gras
empor in ihren ehrenuniformen;
die schweren messingknöpfe blinzeln matt
ins späte licht des nachmittags zurück.
sie wachsen aus dem gras wie in den mythen
das heer der ausgesäten drachenzähne.

die veteranen zeigen ihre zähne
auf fotos, die so braun wie altes gras
geworden sind – vergilbter noch als mythen.
der kampf, sagt jener grieche, ist der formen
beginn, und alles führt zu ihm zurück.
die veteranen steigen auf das matt-

erhorn ihrer erinnerung, das matt
im gegenlicht erstrahlt. die falschen zähne,
die längst schon in der ebene zurück-
geblieben sind. fast unbemerkt im gras
die enkel, glücklich mit geringsten formen
des spiels – ein gegensatz zum kaum bemühten

versuch der veteranen, sich beim mythen-
umrankten spiel der könige ins matt
zu setzen. (die die weißen steine formen
benutzen elfenbein und walroßzähne.)
im veteranengarten wächst das gras.
die schnecke gleitet in ihr haus zurück.

die veteranen denken oft zurück
und kaum nach vorne. so entstehen mythen.
die enkelkinder spielen auf dem gras
in das die kameraden bissen, matt
vom kampf. zu leben heißt: man muß die zähne
zusammenbeißen. und das schicksal formen.

die schwestern tragen weiße uniformen
und sind doch warm. sie rollen sie zurück
ins haus wenn erste sterne ihre zähne
entblößen, und ein ganzes heer von mythen
folgt ihnen auf die zimmer. wo es matt
war vom gewicht erhebt sich nun das gras.

die dunklen formen wandern übers gras –
man mag an zähne denken. oder mythen.
der könig bleibt zurück in seinem matt.

 

 
Jan Wagner (Hamburg, 18 oktober 1971)